Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Artikel 44 Maatschappelijke ondersteuning

44.1 Algemene beleidsdoelstelling

Burgers worden gestimuleerd en zonodig ondersteund om te (kunnen) participeren in de samenleving.

Belangrijkste beleidsonderwerpen 2007

• Gemeenten ondersteunen bij de invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) (alle doelstellingen)

• Start van het Kennisinstituut Maatschappelijke Inzet (44.3.1)

• Er wordt een regeling ontworpen voor het geven van een individuele (financiële) waardering aan mantelzorgers. Hiervoor is structureel € 65 miljoen beschikbaar. Het streven is deze regeling zo spoedig mogelijk in werking te laten treden (44.3.2)

• De voorbereiding op de uitbreiding van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgbh/cz) met het terrein goederen en diensten (44.3.3)

• De bundeling van bovenregionaal vervoer voor mensen met een beperking uitwerken (44.3.3)

• Het Plan van aanpak Maatschappelijke Opvang G4 uitbreiden naar overige centrumgemeenten (44.3.4)

Ministeriële verantwoordelijkheid

Ministeriële verantwoordelijkheid

Wij zijn verantwoordelijk voor:

een systeem dat een kwalitatief goede, toegankelijke en betaalbare maatschappelijke ondersteuning biedt.


Het systeem bevordert dat burgers participeren in de samenleving, zo nodig met ondersteuning. De doelgroep van dit artikel is de hele Nederlandse bevolking: jong en oud, met of zonder beperking. Voor zelfredzaamheid en participatie is veelal geen overheidsingrijpen nodig. Mensen kunnen en moeten daar in beginsel zelf voor zorgdragen. Soms gaat dat echter niet vanzelf en is overheidsoptreden opportuun, waarbij het primair aan het lokaal bestuur is om ondersteuning te bieden.


Hiervoor hebben we een aantal instrumenten ter beschikking, waarvan de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) de belangrijkste is. De Wmo, die per 1 januari aanstaande in werking treedt, geeft kaders aan waarbinnen gemeenten op eigen wijze de maatschappelijke participatie van burgers moeten versterken. Wij hebben de taak om ervoor te zorgen dat gemeenten de Wmo, met haar prestatievelden, goed (kunnen) uitvoeren. Dit is de zogenoemde «systeemverantwoordelijkheid».


Naast de Wmo hebben we nog een aantal instrumenten om te bevorderen dat burgers verantwoordelijkheid voor zichzelf en hun omgeving nemen, en dat burgers participeren in de samenleving. Een voorbeeld is de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgbh/cz).


In 2007 voeren we voorts een aantal taken uit die betrekking hebben op bovenstaande participatiedoelen, maar die het gemeentelijk niveau of het niveau van de beleidsuitvoering overstijgen. Hierbij moet worden gedacht aan goed bovenregionaal vervoer voor mensen met een beperking, op het landelijk niveau versterken van de positie van vrijwilligers, en het oprichten van een instituut waar gemeenten en instellingen bruikbare kennis over maatschappelijke participatie kunnen vinden.


Het beleid is erop gericht om de komende jaren met name de kwaliteit, de doelmatigheid en de innovatie in de maatschappelijke ondersteuning te verbeteren. Voor 2007 geldt de volgende indicator voor het bereiken van de algemene doelstelling.

Prestatie indicatoren
Indicator WaardePeildatum Streefwaarde 2007 Streefwaarde lange termijn
Percentage gemeenten dat ultimo 2007 een verordening voor de Wmo vastgelegd heeft en één of meerdere plannen conform de wet heeft opgesteld. 100%

Per 1 januari 2007 treedt, zoals geschreven, de Wmo in werking. In deze wet staat horizontale verantwoording centraal. In dat licht is in artikel 9 onder meer geregeld dat gemeenten verplicht zijn bepaalde gegevens over de Wmo aan burgers en cliëntenorganisaties beschikbaar te stellen. Gemeenten zijn op grond van artikel 9 verplicht om deze gegevens te verstrekken aan het ministerie van VWS. Dit voor een jaarlijkse rapportage, waarin prestaties van gemeenten in onderlinge samenhang worden bezien.

Hiermee krijgen de burgers en cliëntenorganisaties «referentiemateriaal» dat ze kunnen gebruiken om hun gemeente te beoordelen.


Wij hebben uit hoofde van onze systeemverantwoordelijkheid ook informatie nodig over de vraag hoe de uitvoering van de Wmo loopt. In artikel 22 hebben we daarom geregeld dat gemeenten kosteloos de informatie moeten verstrekken die de minister nodig heeft. Verder is in artikel 24 bepaald dat binnen drie jaar na inwerkingtreding van de wet de Wmo geëvalueerd wordt. Deze evaluatie vindt vervolgens iedere vier jaar plaats.

Op dit moment zijn we bezig de genoemde artikelen van de Wmo operationeel te maken. We informeren de Tweede Kamer hierover in het najaar. In het kader van de evaluatie van de Wmo vindt er een nulmeting plaats. Deze informatie is van grote invloed op de prestatiegegevens (regulier en/of periodiek) in dit artikel. Daarom hebben we vooralsnog gekozen voor in hoofdzaak proces- en outputindicatoren.

Invoering Wmo

Bij de invoering van de Wmo worden de gemeenten ondersteund door het implementatiebureau Wmo. Het implementatiebureau (een samenwerkingsverband tussen het ministerie van VWS en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de VNG) verricht hiertoe in 2007 verschillende activiteiten, die deels nieuw zijn en deels een voortzetting zijn van de activiteiten uit 2006.

Allereerst lopen de ontwikkelpilots in 2007 door. Ook zullen «de ambassadeurs» in de regio tot eind 2007 in functie blijven. Zij zijn aanspreekpunt voor gemeenten in de regio en de schakel naar het implementatiebureau.

De helpdesk en de website www.invoeringwmo.nlblijven in 2007 in de lucht.

Nieuwe activiteiten richten zich in 2007 op het schrijven van het vierjarenbeleidsplan, het betrekken van burgers en cliënten, en de indicatie van de overgangscliënten. Ook blijft de burgercampagne, inclusief de website www.info-wmo.nl, in 2007 doorlopen.

Verder worden de nodige activiteiten verricht in het kader van de informatievoorziening rondom de Wmo. De rol van het Rijk is richtinggevend, stimulerend en voorwaardenscheppend. In 2007 vindt een verschuiving plaats: van het «hoe» van de Wmo naar het «wat».

44.2. Budgettaire gevolgen van beleid

Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)
Begrotingsbedragen x € 1 000 20052006 2007 2008 2009 2010 2011
Verplichtingen 389 924 362 236 476 019480 493 481 028 481 331 480 238
        
Uitgaven358 014385 373485 110481 012480 601480 866479 773
        
Programma-uitgaven352 704381 091480 962476 938476 527476 792475 792
Actieve participatie in maatschappelijke verbanden25 53231 10124 26521 15221 15121 15221 152
Waarvan juridisch verplicht in procenten  83 74 23 23 23
Beschikbaarheid vrijwillige ondersteuning 21 135 24 77588 644 87 426 87 427 87 652 87 652
Waarvan juridisch verplicht in procenten  70 70 70 70 70
Prof. ondersteuning voor burgers met beperkingen 71 333 85 17062 527 63 446 62 935 62 975 61 975
Waarvan juridisch verplicht in procenten   9797 97 97 97
Tijdelijke ondersteuning bij (psycho)sociale problemen 234 704 240 045 305 526304 914 305 014 305 013 305 013
Waarvan juridisch verplicht in procenten   99 9999 99 99
        
Apparaatsuitgaven 5 3104 282 4 148 4 074 4 074 4 074 3 981
        
Ontvangsten 5 813 190 0 0 0 00

Alle instellingssubsidies, de specifieke uitkeringen Maatschappelijke Opvang/Verslavingszorg en Vrouwenopvang en de Tijdelijke stimuleringsregeling advies- en steunpunten huiselijk geweld, het bovenregionaal vervoer, en de WVG-woningaanpassing zijn als meerjarig verplicht opgenomen.

Premie-uitgaven (bedragen x € 1 000 000)

2006 2007 2008 20092010 2011
MEE-instellingen 156,5 156,5156,5 156,5 156,5 156,5
Totaal 156,5 156,5156,5 156,5 156,5 156,5

In de tabel hierboven zijn de beschikbare middelen opgenomen voor de premie-uitgaven op het terrein van maatschappelijke ondersteuning. In deze beschikbare middelen zijn de budgettaire consequenties van de besluitvorming rond de 1e suppletore wet 2006 en de miljoenennota 2007 verwerkt. Voor 2006 is de loon- en prijsontwikkeling al verwerkt, terwijl voor 2007 en latere jaren de loon- en prijsontwikkeling nog moet worden toegevoegd.

44.3 Operationele doelstellingen

Er zijn vier operationele doelstellingen voor Maatschappelijke ondersteuning:

1. burgers kunnen actief participeren in maatschappelijke verbanden;

2. burgers kunnen gebruik maken van (organisaties van) vrijwillige ondersteuning;

3. burgers met beperkingen kunnen gebruik maken van professionele ondersteuning;

4. burgers met (psycho)sociale problemen kunnen gebruik maken van tijdelijke ondersteuning.

44.3.1 Burgers kunnen actief participeren in maatschappelijke verbanden

Motivering

Motivering

We willen de zelfredzaamheid van en participatie door burgers bevorderen. Mensen zijn zelfredzaam als zij zelf hun eigen ondersteuning kunnen regelen, eventueel door een beroep te doen op familie, kennissen en buren etc.. Participeren is deelnemen aan het maatschappelijk verkeer, elkaar ontmoeten en zich voor elkaar verantwoordelijk voelen. Deze zelfredzaamheid en participatie worden gestimuleerd in leefbare buurten en wijken waar bewoners met elkaar, en niet langs elkaar heen leven. Andersom is het ook zo dat de sociale samenhang toeneemt als meer burgers actief betrokken zijn bij hun omgeving. Om de zelfredzaamheid, de participatie en de sociale samenhang te stimuleren, zijn er op rijksniveau twee groepen instrumenten: instrumenten die te maken hebben met de rijkstaken buiten het wettelijke domein van de Wmo en instrumenten om de systeemverantwoordelijkheid voor de Wmo in te vullen.


De ondersteuning van zelfredzaamheid, participatie en sociale samenhang komt grotendeels terug in de volgende prestatievelden van de Wmo:

• prestatieveld 1: de sociale samenhang in en leefbaarheid van dorpen, wijken en buurten bevorderen;

• prestatieveld 2: op preventie gerichte ondersteuning van jeugdigen met problemen met opgroeien en van ouders met problemen met opvoeden;

• prestatieveld 3: informatie, advies en cliëntondersteuning geven. Dit prestatieveld raakt alle operationele doelstellingen van dit artikel.

Prestatie-indicatoren
Indicator Waarde PeildatumStreefwaarde 2007 Streefwaarde lange termijn
Percentage gemeenten dat gebruik maakt van ondersteuning uitvoering BOS-impuls (databank, nieuwsbrief, informatiebijeenkomsten, individuele ondersteuning) 25%
Bron: ondersteuningsnetwerk     

Instrumenten per beleidsprioriteit

Beleidsprioriteiten

1. De maatschappelijke participatie van burgers verbeteren

• Informatievoorziening welzijnssector

Het project Welzijn Informatie Lokaal en Landelijk (WILL): het realiseren van een landelijk dekkend systeem voor de informatievoorziening in de welzijnssector (€ 1,1 miljoen).

• Uitvoering van het programma Maatschappelijke Inzet

Het is van belang voor het veld dat er toegankelijke informatie over maatschappelijke ondersteuning beschikbaar is. Daarom ondersteunen wij de oprichting van het Kenniscentrum Maatschappelijke Inzet (€ 7,7 miljoen).

• Leefbaarheid en sociale ondersteuning

In 2007 loopt een aantal programma’s in het kader van leefbaarheid en sociale samenhang. De opgedane ervaringen worden overgedragen aan andere gemeenten. VWS neemt bijvoorbeeld deel aan het interdepartementale project: «wijken voor nieuwe coalitie», een integrale aanpak van het Rijk en gemeenten van een klein aantal achterstandswijken.

2. De achterstanden van jeugdigen en overlast voor buurtbewoners verminderen

• BOS-impuls

Het ondersteunen van gemeenten bij hun aanpak van achterstanden van jeugdigen van 4 tot 19 jaar. Deze achterstanden kunnen zich voordoen op het gebied van gezondheid, welzijn, onderwijs, opvoeding, sport of bewegen. Naast het verminderen van deze achterstanden is de BOS-impuls gericht op het bestrijden van overlast, die buurtbewoners van jeugdigen ervaren. Zo wordt de leefbaarheid in de wijk verbeterd (artikel 46 Sport onder operationele doelstelling 46.3.2, € 18,5 miljoen). In 2007 zal voorts inzicht worden gegenereerd in de eerste effecten van de BOS-projecten op achterstanden bij jeugdigen en op de leefbaarheid op wijk- en buurtniveau. Deze kunnen weer dienstig zijn voor het totale Wmo-beleid.

3. De sociale acceptatie van homoseksuelen in Nederland vergroten

De rol van de Minister bij het homo-emancipatiebeleid is het stellen van kaders, anderen stimuleren en aanspreken op hun taak en het volgen van ontwikkelingen. De Minister coördineert het kabinetsbeleid op dit terrein.

Brief van 2 juli 2005 Roze in alle kleuren (TK vergaderjaar 2004–2005, kamerstukken 27 017, nr. 11.


Specifiek op de VWS-terreinen richt het beleid zich op:

• Subsidies op het gebied van lokaal homo-emancipatiebeleid (inclusief pilots op het gebied van opvang, advies en netwerkversterking) met als doel kansrijke en vernieuwende initiatieven te ondersteunen en de implementatie daarvan te bevorderen (€ 0,3 miljoen).

• Verankering van de bestaande kennis over het homo-emancipatiebeleid in het Kenniscentrum Maatschappelijke Inzet (€ 0,2 miljoen).

4. Ouderenbeleid verloopt samenhangend

Voor een effectief ouderenbeleid werken departementen, waar nodig is, samen en stemmen zij de eigen beleidsactiviteiten met elkaar af. Wij coördineren dit proces en rapporteren daarover periodiek aan de Kamer.

Brief van 19 april 2005 Ouderenbeleid in perspectief van de vergrijzing (TK vergaderjaar 2004–2005, kamerstukken 29 389, nr. 4 t/m 5

Kabinetsreactie op Rapport Thema Commissie Ouderen Beleid (TCOB), kamerstukken 29 549, nr. 4 t/m 5

• Ontwikkeling monitor ouderenbeleid door het SCP

Het SCP ontwikkelt een monitor om de effecten van het ouderenbeleid te kunnen volgen (€ 0,1 miljoen).

• Verspreiden van kennis over het lokaal ouderenbeleid en het stimuleren van het gebruik daarvan

De landelijke kennisinfrastructuur wordt ingezet om kennis op het terrein van lokaal ouderenbeleid te verspreiden. Ook willen we stimuleren dat die kennis in de praktijk wordt gebracht (onder meer via het budget kennisinfrastructuur).

• Voorlichting burger over ouderenbeleid verschillende overheden

Met projecten, uitwisseling van (internationale) kennis, veldbijeenkomsten en onderzoek willen we de burgers een beter inzicht geven in het ouderenbeleid van de verschillende overheden, in het licht van de vergrijzing en actieve deelname aan de samenleving (€ 0,3 miljoen).

Geraamde begrotingsuitgaven (bedragen x € 1000)
 2007 2008 2009 2010 2011
Instellingssubsidies (totaal) 12 163 12 15812 158 12 158 12 158
Onder andere:     
KcMI 7 700 7 700 7 7007 700 7 700
Verwey-Jonker Instituut 1 235 1 2351 235 1 235 1 235
      
Projectsubsidies (totaal) 6 0023 994 3 993 3 994 3 994
Onder andere:      
Aantal projecten bij gemeenten, zoals ambassadeurs WMO 3 500    
      
Opdrachten (totaal) 1 100    
WILL-project 1 100    
      
Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken (totaal)5 0005 0005 0005 0005 000
Naar BVK (gezond in de stad) 5 000 5 000 5 000 5 0005 000
Totaal 24 265 21 152 21 15121 152 21 152

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

44.3.2 Burgers kunnen gebruikmaken van (organisaties van) vrijwillige ondersteuning

Motivering

Motivering

Nederland telt ruim 4,5 miljoen mensen die op verschillende manieren en in diverse sectoren vrijwillig actief zijn. Jaarlijks helpen en ondersteunen circa 2,4 miljoen mensen («mantelzorgers») op één of andere manier familieleden of bekenden bij gezondheidsproblemen. Mensen die er niet in slagen om voor zichzelf te zorgen of te participeren, moeten gebruik kunnen maken van ondersteuning door deze vrijwilligers of mantelzorgers. Om in deze vraag te kunnen voorzien moet er kwalitatief en kwantitatief voldoende aanbod zijn van vrijwillige ondersteuning en moet vraag en aanbod op elkaar zijn afgestemd. Daarnaast halen mensen veel voldoening uit het actief zijn als vrijwilliger of mantelzorger. Het is nuttig, leerzaam en leuk om je vrijwillig voor anderen in te zetten, onder meer vanwege de sociale contacten, de mogelijkheden tot zelfontplooiing en «arbeidssatisfactie».

In de Wmo is in prestatieveld 4 opgenomen dat gemeenten de taak hebben om mantelzorgers en vrijwilligers te ondersteunen. Bovendien is in artikel 4, ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, een compensatieplicht voor gemeenten opgenomen op dit terrein. Hiermee zijn voor het eerst wettelijke voorzieningen getroffen die het belang van deze ondersteuning onderstrepen.

Vrijwilligersbeleid: brief van de Staatssecretaris van VWS aan de Tweede Kamer, d.d. 19–10–2005 (kamerstuk 2005–2006, 30 304, nr. 1).

Prestatie-indicatoren
Indicator Waarde PeildatumStreefwaarde 2007 Streefwaarde lange termijn
Aantal mantelzorgers 2,4 miljoen  2,5 miljoen
Bron: SCP     
Deelname aan vrijwillige inzet 31% (2001) >31%
Bron: SCP     

Instrumenten per beleidsprioriteit

Beleidsprioriteiten

1. Positie van de vrijwilliger(organisaties) versterken

• Belemmeringen in wet- en regelgeving wegnemen

Belemmeringen voor vrijwilligerorganisaties signaleren en waar mogelijk oplossen en administratieve lasten voor vrijwilligerorganisaties verminderen. Daarnaast voorlichting geven aan vrijwilliger(organisaties) over wet- en regelgeving.

• Lokale ondersteuningsstructuur versterken

Ambassadeurs en adviseurs inzetten om de lokale ondersteuningsstructuur van vrijwilligercentrales, steunpunten en sportservicepunten en het gemeentelijk beleid op terrein van vrijwillige inzet te versterken (€ 1 miljoen).

• Werving nieuwe (groepen) vrijwilligers

Projecten en programma’s opzetten om nieuwe groepen vrijwilligers te werven.

• Deskundigheidsbevordering vrijwilligers: omslag naar vraagsturing

In 2007 start een overgangstraject van aanbod- naar vraagsturing op het terrein van deskundigheidsbevordering van vrijwilligers, waarbij de verantwoordelijkheid primair bij gemeenten ligt. In 2007 wordt € 2,5 miljoen van de € 10,2 miljoen ten behoeve van deskundigheidsbevordering beschikbaar gesteld aan gemeenten om op lokaal niveau vorm te kunnen geven aan hun verantwoordelijkheid op dit terrein. € 7,7 miljoen wordt toegekend aan de VTA-instituten. Op basis van een evaluatie wordt in 2008 de omvang van het lokale en landelijke budget voor deskundigheidsbevordering vanaf 2009 definitief vastgesteld. Vanaf 2009 is de deskundigheidsbevordering van vrijwilligers volledig vraaggestuurd.

• Onderzoeksprogramma vrijwillige inzet

Doel van dit programma is de kennis over vrijwillige inzet in beeld te krijgen om vervolgens activiteiten te ontwikkelen die vrijwillige inzet op korte termijn kwantitatief en kwalitatief versterken. Jaarlijks stellen we in overleg met het veld vast welke thema’s worden onderzocht (€ 0,3 miljoen).

• Toekomstverkenning vrijwillige inzet laten uitvoeren.

Doel is zicht te krijgen in kansen en bedreigingen voor vrijwillige inzet, als basis voor de ontwikkeling van toekomstig lange termijn beleid (€ 0,2 miljoen).

2. De positie van de mantelzorger versterken

• Versterken van de kwaliteit van de mantelzorgondersteuning

In het kader van de notitie De mantelzorger in beeld voert Mezzo (Landelijke Vereniging voor Mantelzorgers en Vrijwilligerzorg) een programma uit, dat erop gericht is de kwaliteit van de mantelzorgondersteuning te borgen en te versterken (€ 1 miljoen).

• Actualisatie onderzoek SCP

Voor de beleidsontwikkeling op landelijk en lokaal niveau en voor het uitvoerende werk op het vlak van mantelzorgondersteuning is praktijkkennis van het veld noodzakelijk. In 2003 heeft het SCP het rapport Mantelzorg, over de hulp van en aan mantelzorgers uitgebracht. Dit rapport biedt een goed kwalitatief en kwantitatief beeld van wat zich afspeelt rond mantelzorg in Nederland. Het SCP krijgt opdracht om dit beeld te actualiseren.

• Voorzieningen treffen voor mantelzorgers

Door de heer Van der Vlies is bij het Belastingplan 2006 een amendement ingediend. Hiermee wordt een fiscale korting voor mantelzorgers die meer dan 8 uur mantelzorg per week verlenen gedurende meer dan 6 maanden, beoogd. Het amendement blijkt na een grondige nadere bestudering niet uitvoerbaar omdat vooraf moeilijk kan worden vastgesteld wat de doelgroep is en achteraf niet kan worden vastgesteld of deze mantelzorg daadwerkelijk is verricht. Als alternatief voor de oorspronkelijke fiscale regeling is daarom structureel € 65 miljoen beschikbaar gesteld op de begroting van VWS, waarmee een regeling wordt ontworpen die mantelzorgers ondersteunt. Gestreefd wordt deze regeling zo spoedig mogelijk in te voeren. In het najaar wordt een keuze gemaakt over de precieze invulling. U wordt daarover alsdan geïnformeerd.

Geraamde begrotingsuitgaven (bedragen x € 1000)
 2007 20082009 2010 2011
Instellingssubsidies (totaal)12 620 10 120 10 120 10 120 10 120
Onder andere:      
Mezzo 3 2303 230 3 230 3 230 3 230
Deskundigheidsbevordering vrijwilligers 7 700 5 2005 200 5 200 5 200
Rode Kruis 258 258 258258 258
Zonnebloem 185 185 185 185 185
      
Projectsubsidies (totaal)73 52472 30672 30772 53272 532
Onder andere:     
Mantelzorgers65 00065 00065 00065 00065 000
Expertisecentrum informele zorg 125     
Kennisverwerken/verspreiden mbt mantelzorg 600 600 600 600 600
      
Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken (totaal)2 5005 0005 0005 0005 000
Middelen deskundigheidsbevordering vrijwilligers naar Gemeentefonds 2 5005 000 5 000 5 000 5 000
Totaal88 64487 42687 42787 65287 652

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

44.3.3 Burgers met beperkingen kunnen gebruikmaken van professionele ondersteuning

Motivering

Motivering

Mensen die er niet in slagen om voor zichzelf te zorgen of maatschappelijk te participeren en geen gebruik kunnen of willen maken van vrijwilligers of mantelzorgers, moeten gebruik kunnen maken van professionele ondersteuning en passende voorzieningen, vooral op lokaal niveau. In de WMO zijn daartoe twee prestatievelden opgenomen:

prestatieveld 5: het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van mensen met een beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem;

prestatieveld 6: het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem om ervoor te zorgen dat zij zelfstandig kunnen (blijven) functioneren of kunnen (blijven) deelnemen aan het maatschappelijke verkeer.

Prestatie-indicatoren
Indicator Waarde PeildatumStreefwaarde 2007 Streefwaarde lange termijn
Aantal gemeenten dat overlegt met burgers en cliënten in het kader van de Wmo 85% juni 2006 100% 100%
Bron: invoeringsmonitor Wmo     
Klanttevredenheid over Valys 8,1 2005 > 8,1 > 8,1
Bron: jaarlijks tevredenheidsonderzoek     
Aantal Valyshouders dat daadwerkelijk reist 60% 2005 70%>70%
Bron: Managementinformatie Valys    
Extra woningen met zorg en diensten (verzorgd wonen) 2002 99 000 (2009)
Bron: WBO 2002     
Percentage 65-plussers dat extramuraal woont 92,5% 2005 > 92,5%>92,5%
Bron: CBS/CTG     

Instrumenten per beleidsprioriteit

Beleidsprioriteiten

1. De lokale belangenbehartiging en inspraak van (kwetsbare) burgers verbeteren

• Ondersteuning lokale cliëntenparticipatie

Subsidie van € 5 miljoen per jaar verstrekken t/m 2008 om de lokale inspraak van (kwetsbare) burgers in het gemeentelijke Wmo-beleid te verbeteren. Hiervan is € 2,5 miljoen bestemd voor de ggz en € 2,5 miljoen voor de Regionale Patiënten en Consumenten Platforms (RPCP’s).

2. De bruikbaarheid en toegankelijkheid van voorzieningen verbeteren

• We stimuleren en faciliteren actief de scheiding van wonen en zorg. Ook zetten we onderzoek in naar de mogelijkheden om wonen en zorg te scheiden in bestaande woongebouwen, naar de betaalbaarheid en de financiering van het scheiden van wonen en zorg. Voortgangsbrief «scheiden van wonen en zorg» ( TK 2005–2006, 27 659, nr. 78) (€ 0,4 miljoen).

• Het bovenregionaal vervoer gehandicapten faciliteren

Dit instrument is bedoeld om bovenregionaal vervoer per (deel)taxi te bieden aan mensen met een mobiliteitsbeperking. Dit is een aanvulling op het (minder toegankelijke) openbaar vervoer en het gemeentelijke WVG-vervoer (Wet voorzieningen gehandicapten) (€ 36,1 miljoen). Per 1 april 2007 gaat een nieuw contract in voor het bovenregionaal vervoer. We ronden de Europese aanbesteding voor dit contract af in het najaar van 2006.

• Bundelen van doelgroepenvervoer

Doel is te komen tot één loket, een eenvoudiger en een klantvriendelijker indicatiestelling en een doelmatiger organisatie en uitvoering van het doelgroepenvervoer. Om dat te bereiken, bereiden we samen met de betrokken departementen en medeoverheden de bundeling van diverse regelingen voor specifiek doelgroepenvervoer voor. Dat doen we onder meer door een aantal pilots te starten en door relevante informatie te verzamelen en analyseren (€ 0,3 miljoen).

Bundeling doelgroepenvervoer (Brief aan de Voorzitter van de TK, 2 december 2005/DVVO/ZV-U-2 633 000 (DVVO) kamerstukken 29 538, nr. 34.

• Woningaanpassingen WVG

Op grond van de WVG, die per 1 januari 2007 opgaat in de Wmo, konden gemeenten voor bepaalde woningaanpassingen een declaratie bij het Rijk indienen. Deze regeling wordt bij het in werking treden van de Wmo beëindigd. We hebben budget gereserveerd om lopende declaraties ook na de invoering van de Wmo te kunnen afhandelen (€ 23,6 miljoen). Dit bedrag zal in de komende jaren afnemen en naar verwachting in 2010 nihil bedragen.

• Samenhang preventie, curatieve zorg, langdurende zorg en maatschappelijke ondersteuning

Onderzoek van de huidige systemen is nodig om te inventariseren hoe wij de samenwerking en samenhang op de terreinen maatschappelijke ondersteuning, preventieve gezondheidszorg, eerstelijns curatieve zorg en AWBZ-zorg kunnen verbeteren.

• Onderzoek doen naar gevolgen van uitbreiding Wgbh/cz

In 2007 wordt een onderzoek naar de beleidsmatige en financiële gevolgen, waaronder administratieve lasten, van de uitbreiding van de Wgbh/cz met het terrein goederen en diensten afgerond. De Kamer wordt over de resultaten en conclusies zo spoedig mogelijk geïnformeerd. Eerder was het streven dit reeds dit najaar te kunnen zenden.

• Actieplan Wonen en Zorg uitvoeren

Dit actieplan stimuleert dat voldoende geschikte woningen worden gebouwd (in samenwerking met het ministerie van VROM). In het actieplan staat hoeveel geschikte woningen tot en met 2009 gerealiseerd moeten worden. Ook zijn activiteiten opgenomen om partijen op lokaal niveau bewust te maken van de opgave om voldoende woningen te realiseren, en deze partijen te faciliteren en te stimuleren.

3. De positie van mensen met een beperking verbeteren

• Taskforce Handicap en Samenleving

Gezamenlijk met de ministeries van SZW, OCW en VROM ondersteunen wij de Taskforce Handicap en Samenleving. Doel van deze subsidie is de maatschappelijke bewustwording over de positie van mensen met beperkingen te stimuleren. (€ 0,15 miljoen tot 1 april 2007) Actieplan gelijke behandeling in de praktijk (TK vergaderjaar 2003–2004, kamerstukken 29 355, nr. 1.

• (P) MEE-organisaties (AWBZ)

Deze subsidieregeling van het College voor zorgverzekeringen (CVZ) wordt eind 2006 geëvalueerd. In 2007 besluiten we hoe we deze middelen per 1 januari 2008 overgeheveld zullen worden naar de Wmo-middelen in het Gemeentefonds (€ 156,5 miljoen).

• Commissie Gelijke Behandeling (CGB)

De bijdrage aan het CGB is bedoeld voor de behandeling van klachten die burgers bij het CGB in het kader van de Wgbh/cz indienen. Hierdoor kan de betrokken burger op eenvoudige wijze een uitspraak verkrijgen op grond van de Wgbh/cz.

• Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg (NIVEL)

Subsidie aan het Nederlands Instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg (NIVEL) voor het beheren en onderhouden van het Nationaal Panel Chronisch zieken en Gehandicapten (NPCG) en het uitbrengen van jaarlijkse rapportages over zorg en de maatschappelijke situatie met gegevens over de financiële positie in samenwerking met SZW ( € 0,1 miljoen)

• Monitor NPCG en Samen Leven opstellen

In 2006 heeft het NIVEL het panel Samen Leven samengesteld, dat bestaat uit mensen met een verstandelijke beperking en/of hun vertegenwoordigers. Van de gegevens uit beide panels wordt in 2007 een monitor opgesteld (€ 0,4 miljoen).

• Verspreiden van het toepassen van inclusief beleid

Op terreinen waar de Wgbh/cz nog niet op van toepassing is, willen we de toegankelijkheid van algemene voorzieningen voor mensen met een beperking bevorderen. Interdepartementaal Inclusief Beleid (TK vergaderjaar 2004–2005, kamerstukken 29 355, nr. 1) Speerpunten inclusief beleid (TK vergaderjaar 2004–2005, kamerstukken 29 355, nr. 14).

Geraamde begrotingsuitgaven (bedragen x € 1000)
 2007 20082009 2010 2011
Projectsubsidies(totaal) 62 527 63 446 62 935 62 97561 975
Onder andere:     
Bovenregionaal vervoer 36 05936 219 36 219 36 219 36 219
WVG-woningaanpassing 23 649 23 64923 649 23 649 23 649
Totaal 62 52763 446 62 935 62 975 61 975

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

44.3.4 Burgers met (psycho)sociale problemen kunnen gebruikmaken van tijdelijke ondersteuning

Motivering

Motivering

Met tijdelijke ondersteuning bedoelen we: tijdelijk onderdak, individuele ondersteuning, begeleiding, informatie en advies bieden aan mensen die al dan niet gedwongen de thuissituatie hebben verlaten of dreigen dat te doen, en die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. De belangrijkste beleidsprioriteit in het rijksbeleid is dat de doorstroom in opvangvoorzieningen gewaarborgd wordt, zodat opvangvoorzieningen ook als voorzieningen voor tijdelijke opvang kunnen blijven functioneren. De uiteindelijke doelgroep bestaat uit mensen die in de maatschappelijke opvang terecht (dreigen te) komen, en uit mensen die in de vrouwenopvang terecht (dreigen te) komen. De Wmo stelt dat gemeenten op de volgende terreinen verantwoordelijk zijn:

prestatieveld 7: maatschappelijke opvang bieden, waaronder vrouwenopvang, en beleid voeren ter bestrijding van geweld dat door iemand uit de huiselijke kring van het slachtoffer is gepleegd;

prestatieveld 8: openbare geestelijke gezondheidszorg bevorderen;

prestatieveld 9: verslavingsbeleid bevorderen.


Wij geven op rijksniveau een extra impuls aan de maatschappelijke opvang. Onder meer via het Plan van aanpak Maatschappelijke Opvang Rijk-G4, door afstemming met andere departementen, door specifieke uitkeringen te verstrekken aan gemeenten en door gemeenteoverstijgende en/of innovatieve projecten te financieren.

Prestatie-indicatoren:
Indicator Waarde PeildatumStreefwaarde 2007 Streefwaarde lange termijn
Aantal centrumgemeenten met een Plan van aanpak maatschappelijke opvang 4 2006 >4 43 (2008)
Gemiddelde verblijfsduur in residentiële thuislozenopvangi.o.i.o.i.o.i.o.
Aantal advies- en steunpunten huiselijk geweld: Bron Transact 7 2003 35  

Toelichting:

De gemiddelde verblijfsduur in residentiële thuislozenopvang wordt bepaald in 2008 na implementatie resultaten pilot registratie MO.

Instrumenten per beleidsprioriteit

Beleidsprioriteiten

1. Plan van aanpak Maatschappelijke Opvang Rijk-G4 uitvoeren en uitbreiden naar overige centrumgemeenten

• Plan van aanpak Maatschappelijke opvang

Uitvoeren en monitoren van het Plan van aanpak Maatschappelijke Opvang Rijk-G4. We willen het Plan van aanpak MO G4 uitbreiden naar overige centrumgemeenten, in samenwerking met de VNG, waarbij we zo veel mogelijk aansluiten bij de implementatieactiviteiten van de Wmo. Doelstelling is dat de 43 centrumgemeenten uiterlijk april 2008 een plan van aanpak hebben om in zeven jaar alle daklozen in hun verzorgingsgebied in een traject te hebben.

• Overheveling OGGZ-middelen naar de specifieke uitkering Maatschappelijke Opvang (MO)

Verhoging van de specifieke uitkering MO door OGGZ-middelen (openbare geestelijke gezondheidszorg, AWBZ) over te hevelen naar de specifieke uitkering MO. Doel is de regierol van gemeenten te versterken om verloedering en overlast beter aan te pakken (€ 60,6 miljoen).

In aansluiting op bovenstaande: ondersteuning (centrum)gemeenten bij implementatie OGGZ (in Wmo, in uitbreiding Plan van Aanpak MO G4) om de regiefunctie van gemeenten te versterken, de samenwerking tussen regiogemeenten en centrumgemeenten én tussen gemeenten en ggz-instellingen/zorgkantoren te verbeteren (€ 0,2 miljoen)

• Verdeelsleutel specifieke uitkering MO aanpassen

We willen de verdeelsleutel van de specifieke uitkering MO, verslavingsbeleid en OGGZ aanpassen, met het oog op een meer evenwichtige verdeling van de middelen.

2. Versterken van opvang en hulpverlening slachtoffers huiselijk geweld en eergerelateerd geweld

• Bescherming tegen eergerelateerd geweld

Activiteiten vanuit het deelproject Bescherming, van het programma Eergerelateerd Geweld € 0,1 miljoen).

• Implementatie van de Wet tijdelijk huisverbod

Een belangrijke doelstelling van deze nieuwe wet is de deskundigheid van de hulpverlening te bevorderen, die wordt ingezet als er een huisuitplaatsing van een pleger wordt uitgesproken.(€ 0,1 miljoen).

• Kwaliteit aanbod vrouwenopvang

Subsidie verstrekken voor uitvoering van een plan van aanpak dat erop gericht is de kwaliteit van het aanbod in de vrouwenopvang te verbeteren. Dit naar aanleiding van het onderzoek van het Trimbos-instituut uit 2006.

• Specifieke uitkering Vrouwenopvang

Verhoging van deze specifieke uitkering tot € 4 miljoen in 2007. Het doel van deze verhoging is uitbreiding van de capaciteit. Deze middelen worden toegevoegd aan de specifieke uitkering vrouwenopvang en de Brede Doeluitkering Sociaal, Integratie en Veiligheid (BDU SIV).

• Kennisprogramma Maatschappelijke Ondersteuning bij ZonMw

Het doel is kwaliteitsverbetering van de opvang door onder meer cliëntprofielen te ontwikkelen (€ 0,5 miljoen).

Geraamde begrotingsuitgaven (bedragen x € 1000)
 2007 2008 2009 20102011
Instellingssubsidies (totaal) 2 517 2 5172 517 2 517 2 517
Onder andere:     
Stg.Korrelatie 634 634 634 634634
SOS telefonische Hulpdiensten 220 220 220220 220
      
Projectsubsidies (totaal)5 649 5 037 5 137 5 136 5 136
Onder andere:     
Cliëntregistratie 73    
Drempels weg 300     
Huisverbod2 600 2 600 2 600 2 600 2 600
Geef opvang de ruimte 200     
Kennisprogramma MO/VO 500500    
      
Opdrachten (totaal) 100 100100 100 100
Eergerelateerd geweld 100 100100 100 100
      
Specifieke Uitkeringen (totaal)297 260 297 260 297 260 297 260 297 260
MO/VZ en VO GSB en overige steden 294 260 294 260294 260 294 260 294 260
Tijdelijke stim.reg.huiselijk geweld 3 000 3 000 3 000 3 0003 000
Totaal 305 526 304 914 305 014305 013 305 013

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

44.4 Overzicht beleidsonderzoeken

 Onderzoek onderwerp Nummer AD of OD A Start B Afgerond
Beleidsdoorlichting Evaluatie Wmo Alle doelstellingen A. 2007 B. 2010
 Evaluatie Kennisbeleid44.3.1 A. 2007 B. 2010
 Evaluatie Wgbg/cz 44.3.3A. 2008 B. 2008