Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

2. HET BELEID

2.1. De beleidsagenda

De beleidsagenda bevat een beknopte weergave van de speerpunten van het beleid voor het gemeentefonds.

2.1.1. Beleidsprioriteiten

Voor 2007 worden als beleidsprioriteiten gesteld:

Financiële verhouding

De financiële verhouding tussen Rijk en medeoverheden blijft doorlopend aandacht vragen. Het gaat daarbij veelal om het reguliere proces terzake de ontwikkeling van de fondsen (gekoppeld aan de Rijksbegroting) en de communicatie tussen het Rijk en de medeoverheden. Dit laatste voornamelijk door middel van de circulaires en regiobijeenkomsten. De prioriteiten voor 2007 en verder zijn in sterke mate afhankelijk van de Financiële Verhouding in de komende kabinetsperiode. Het voorwerk wordt in 2006 en mogelijk ook nog begin 2007 verricht.

In dat kader zijn twee onderwerpen vermeldenswaard:

1. Scenario’s omvang decentraal belastinggebied in relatie tot de bestuurlijke verhoudingen en uitwerking van de opcenten IB/LB

De Stuurgroep Eenhoorn (2005) heeft onder andere geadviseerd de OZB te vervangen door opcenten IB/LB. Aan de Tweede Kamer is toegezegd de opcenten op de IB/LB technisch uit te werken. In de Eerste Kamer is eind 2005 de motie Engels c.s. (Eerste Kamer 2005/06, 30 096, E) aangenomen. Daarin wordt het kabinet gevraagd maatregelen voor te bereiden tot herstel van het gemeentelijk belastinggebied. Deze motie wordt uitgewerkt door scenario’s voor de omvang van het gemeentelijk belastinggebied in relatie tot de bestuurlijke verhoudingen te maken. De uitwerking van de opcenten wordt aan deze scenario’s gekoppeld. De scenario’s worden najaar 2006 aan het parlement aangeboden.

2. Evaluatie normering

In 2006 wordt de evaluatie van de normeringssystematiek verricht. Daarbij staan op de agenda: de toereikendheid van de fondsen, de stabiliteit over en binnen de jaren, de (wijze van) koppeling aan de groei van de uitgaven van het Rijk, de inzichtelijkheid van en het bestuurlijk oordeel over de uitkomsten van de normeringssystematiek, de actualiteit van de fondsen, de transactiekosten en de beheersing van het EMU-saldo van de decentrale overheden. Het evaluatierapport zal in het najaar van 2006 worden aangeboden, zodat het beschikbaar is voor een volgend kabinet.

Single information en single audit

Conform het kabinetsstandpunt Brinkman (Kamerstukken II 2004/05, 29 800 B, nr. 16) wordt vanaf het verantwoordingsjaar 2006 single information en single audit ingevoerd. Dit geldt vanaf 2006 voor een deel van de specifieke uitkeringen en voor de overige vanaf het verantwoordingsjaar 2007. De invoering wordt in 2006 en 2007 samen met externe partijen, zoals gemeenten, Algemene Rekenkamer, provincies, vakdepartementen en CBS, verder uitgewerkt en vormgegeven. Met single information en single audit wordt zo veel mogelijk aangesloten bij de jaarrekening, de controle daarvan en de planning- en controlcyclus van de besturen van gemeenten en provincies. Daardoor zal een belangrijke daling van de administratieve lasten en verantwoordingsbureaucratie voor de gemeenten en provincies worden bereikt.

2.1.2. Beleidsmutaties

Door wijzigingen in beleid van verschillende departementen kan worden overgegaan tot het beleggen of juist onttrekken van taken bij gemeenten. Soms gaat dit gepaard met een toevoeging aan of een uitname uit het gemeentefonds. In onderstaande overzichtstabel wordt vanaf de stand ontwerpbegroting 2006 een aansluiting gegeven naar de stand ontwerpbegroting 2007 aan de hand van de belangrijkste beleidsmatige mutaties voor de periode 2006 tot en met 2011. De weergegeven mutaties worden onder de tabel afzonderlijk toegelicht, voorzover ze betrekking hebben op 2007 (en eventueel op daarop volgende jaren).

Tabel 2.1.2. Overzichtstabel uitgaven gemeentefonds (in € 1000)
 200620072008200920102011
Stand ontwerpbegroting 200613 032 42513 013 30512 974 99213 024 65713 024 65713 024 657
Belangrijkste beleidsmatige mutaties (inclusief autonome mutaties):      
Mutaties 1e suppletore begroting gf 2006      
1) Structurele doorwerking nacalculatie 2005– 122 883– 122 883– 122 883– 122 883– 122 883– 122 883
2) Accres 2006301 452301 452301 452301 452301 452301 452
3) Behoedzaamheidsreserve 200585 85600000
4) Wijziging betalingsverloop28 38600000
5) Overloop 2005/2006 onderdee (kosten Fvw)l1 37600000
6) Kosten onverzekerdenproblematiek5 0003 0003 0003 0003 0003 000
7) Bestuurlijk akkoord met VNG– 75 000– 240 000– 240 000– 240 000– 240 000– 240 000
8) Bestuurlijke boete fout parkeren5 00000000
9) Bijzondere bijstand; koopkracht reparatie lage inkomens35 00000000
10) Professionaliseringsfonds burgemeesters– 450– 4500000
11) Wachtgelden gemeentelijke herindeling5100000
12) Terugontvangsten waarderingskamer7900000
13) Technische mutatie integratie-uitkeringen111111
       
Stand 1e suppletore begroting gf 200613 296 29312 954 42512 916 56212 966 22712 966 22712 966 227
14) Accres 2007 464 708464 708464 708464 708464 708
15) Invoeringskosten Wmo 30 000     
16) Integratie-uitkering Wmo 1 279 3001 279 8001 279 8001 279 8001 279 800
17) C2000 – 7 300    
18) EGEM  – 2000– 2000– 20000
19) Herziening kinderalimentatiestelsel10 00010 00010 00010 00010 00010 000
20) Bescherming archeologisch erfgoed (Valletta)4 500      
21) Arbeidstoeleiding en groepsverkleining ZMLK 26 752      
22) Bijzondere bijstand (Wet Bopz) 3 0003 0003 0003 0003 000
       
Stand ontwerpbegroting 200713 367 54514 704 13214 672 06914 721 73414 721 73414 721 735

Toelichting op de mutaties

1. Structurele doorwerking nacalculatie 2005

Voor 2005 is een negatieve nacalculatie berekend van € 122 833 000. Deze nacalculatie vloeit voort uit de de normeringssystematiek. Zie Kamerstukken II 2005/06, 30 560 B, nr. 2, blzz. 3 en 4, onder 1. Deze nacalculatie heeft structurele doorwerking naar de jaren 2006 en volgende.

2. Accres 2006

Het accres 2006 vloeit eveneens voort uit de normeringssystematiek.

De verhoging van het accres 2006 bij Voorjaarsnota 2006 van € 302 452000 heeft structurele doorwerking naar de jaren 2007 en volgende. Zie voor de verhoging van € 301 452 000: Kamerstukken II 2005/06, 30 560 B, nr. 2, blz.4, onder 2.

3. Behoedzaamheidsreserve 2005

De fondsbeheerders streven een adequate omvang van het gemeentefonds na. Het belangrijkste instrument om dit streven te verwezenlijken is de normeringssystematiek. Onderdeel van deze normeringssystematiek is de nacalculatie gebaseerd op de realisatie van de netto-gecorrigeerde rijksuitgaven in de Voorlopige Rekening. Voor 2005 komt het nagecalculeerde accrespercentage van 1,64 (positief) overeen met een accres van € 198 479 000 (positief). Ten tijde van de Voorjaarsnota 2005 werd op grond van de toen beschikbare gegevens een accres verwacht van € 321 362 000 (positief). Het negatieve verschil van € 122 883 000 is de omvang van de nacalculatie over het uitkeringsjaar 2005. Het resultaat van de nacalculatie wordt verrekend met de behoedzaamheidsreserve die in 2005 is ingehouden. Op grond hiervan is het uit te keren bedrag van de behoedzaamheidsreserve 2005 € 85 856 000 (€ 208 739 000 min € 122 883 000). De feitelijke uitbetaling vindt plaats in het uitkeringsjaar 2006 (zie Kamerstukken II 2005/06, 30 560 B, nr. 2, blzz. 3 en 4, onder 1).

4. Wijziging betalingsverloop

Bij Voorlopige Rekening 2005 is vastgesteld hoe de in 2005 gerealiseerde uitbetalingen aan de gemeenten zich verhouden tot het bedrag dat bij de 2e suppletore begroting 2005 voor de uitbetalingen is geraamd. Daarbij is gebleken dat lagere uitbetalingen zijn gedaan dan bij Najaarsnota 2005 werden verwacht. Het betreft een verschil van € 28 386 000. Omdat voor het gemeentefonds de verplichtingen leidend zijn, wordt geld dat in enig jaar nog niet aan gemeenten wordt uitgekeerd, aan het volgende begrotingsjaar toegevoegd (zie Kamerstukken II 2005/2006, 30 560 B, nr. 2).

5. Overloop 2005/2006 onderdeel «Kosten Fvw»

In 2005 is het budget «kosten financiële verhoudingswet» niet geheel tot besteding gekomen. Een deel van de onderuitputting ter hoogte van € 1 376 000 zal in 2006 tot besteding komen (zie Kamerstukken II 2005/2006, 30 560 B, nr. 2).

6. Kosten onverzekerdenproblematiek

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport komt gemeenten financieel tegemoet in de administratieve lasten die samenhangen met het afsluiten van collectieve verzekeringen en de kosten van voorlichting voor ondermeer bijstandsgerechtigden. Voor de administratieve lasten die samenhangen met het afsluiten van collectieve verzekeringen ontvangen de gemeenten € 3 miljoen structureel. Zie Kamerstukken II 2005/06, 30 560 B, nr. 2, blz.4, onder 5).

7. Bestuurlijk akkoord met VNG

Op 4 april 2006 is in het bestuurlijk overleg financiële verhouding tussen de ministers van BZK en van Financiën, de VNG en het IPO gesproken over de financiële stand van zaken bij gemeenten en provincies. In het bestuurlijk overleg heeft centraal gestaan of de fondsbeheerders, de VNG en het IPO op meerdere dossiers, die de financiën van gemeenten en provincies raken, een integraal akkoord zouden kunnen sluiten. Daarbij stonden voornamelijk de gemeentefinanciën centraal: de zogenaamde «pijnpuntenlijst» van de VNG, de nacalculatie met betrekking tot het BTW-compensatiefonds (BCF), een toevoeging (tot en met 2009) voor Openbare Orde en Veiligheid (OOV) en het lopend onderzoek naar de precieze omvang en achtergronden van de gestegen OOV uitgaven. Tot het akkoord behoren verschillende elementen die voor 2007 van belang zijn.

Genoemd worden:

1. Nacalculatie BCF.

2. Oplossing pijnpunten en intensiveringen.

ad 1

Uitkomst van het akkoord is een nacalculatie van het BCF die resulteert in een uitname van € 115 miljoen in 2006, € 520 miljoen voor de jaren 2007, 2008 en 2009 en een uitname van € 300 miljoen voor het jaar 2010 en volgende. De oploop in de bedragen wordt veroorzaakt doordat de terugwerkende kracht over oude jaren niet in één keer ten laste komt van de gemeenten, maar wordt uitgesmeerd over de jaren tot en met 2009.

ad 2

Tegenover de extra uitname uit het gemeentefonds staat een aantal toevoegingen.

In de eerste plaats zijn dat de middelen voor OOV (€ 220 miljoen voor de jaren 2007, 2008 en 2009).

Voor 2010 staat voor de extra uitgaven OOV een pm-post genoteerd, zodat het volgende kabinet op basis van het onderzoek tot definitieve besluitvorming kan overgaan.

Andere punten uit het akkoord zijn het leerlingenvervoer (€ 15 miljoen structureel vanaf 2006), het vervallen van de WOZ-taakstelling (€ 20 miljoen structureel met ingang van 2007) en het amendement De Pater-van der Meer (€ 25 miljoen structureel met ingang van 2006). Bij de behandeling van het voorstel van wet tot afschaffing gebruikersdeel OZB op woningen is het amendement De Pater-van der Meer (Kamerstukken II 2005/06, 30 096, nr. 19) door de Tweede Kamer aangenomen. Het amendement beoogt ook huishoudens met een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, te laten profiteren van de afschaffing van het gebruikersdeel op woningen. De OZB aanslag niet-woningen wordt verminderd met het percentage van de waarde van de onroerende zaak dat tot woning dient, dan wel in hoofdzaak dienstbaar is aan woondoeleinden. In 2006 kan de gemeente de aanslag op verzoek van de belastingplichtige verminderen; vanaf 2007 dient de vermindering in de aanslag te zijn begrepen. Eind januari zijn alle gemeenten verzocht om inzicht te geven in de derving van inkomsten. De gemeenten worden gecompenseerd voor het verlies aan inkomsten. Om aansluiting te krijgen tussen gederfde inkomsten en compensatie is besloten tot een integratie-uitkering.


Het akkoord is nader toegelicht in de memorie van toelichting bij de 1e suppletore begroting gemeentefonds 2006 (zie Kamerstukken II 2005/06, 30 560 B, blzz.4 en 5, onder 6). Het akkoord is integraal te raadplegen via de website van het ministerie van BZK (www.minbzk.nl in de rubriek «Financiën provincies en gemeenten», onder het kopje «Publicaties»). gemeentefonds 2006 (zie Kamerstukken II 2005/06, 30 560 B, nr. 2, blz. 4 en 5, onder 6).

8. Bestuurlijke boete fout parkeren

De uitname voor het wetsvoorstel Bestuurlijke boete fout parkeren wordt voor het jaar 2006 ongedaan gemaakt. De beoogde invoeringsdatum van het wetsvoorstel Bestuurlijke boete fout parkeren is namelijk verschoven naar 1 januari 2007. Voorts zijn zowel dit wetsvoorstel als het wetsvoorstel Overlast in de openbare ruimte nog steeds onderwerp van parlementaire behandeling. Onduidelijk is of dit nog nadere (financiële) gevolgen zal opleveren voor beide wetsvoorstellen. Bij het verschijnen van de najaarsnota hopen wij u nader te kunnen informeren (zie Kamerstukken II 2005/2006, 30 560 B, nr. 2).

9. Bijzondere bijstand; koopkracht reparatie lage inkomens

Het kabinet heeft besloten om eenmalig een bedrag van € 70 miljoen beschikbaar te stellen voor de laagste inkomensgroepen. Van de genoemde € 70 miljoen is de helft bestemd voor de bijzondere bijstand; de andere € 35 miljoen betreft een extra kinderkorting voor gezinnen met een laag inkomen. De middelen voor de bijzondere bijstand worden toegevoegd aan het gemeentefonds (zie Kamerstukken II 2005/2006, 30 300 XV, nr. 78, blz. 3 en Kamerstukken II 2005/2006, 30 560 B, nr. 2).

10. Professionaliseringsfonds burgemeesters

De algemene uitkering is in 2005 verlaagd met € 0,6 miljoen om het professionaliseringsfonds burgemeesters te voeden. Voor de jaren na 2005 was in afwachting van de conclusies die uit een evaluatie over het fonds zouden worden getrokken, nog geen uitname voorzien. De evaluatie heeft plaatsgevonden en heeft tot de conclusie geleid dat de uitname voor de jaren 2006 en 2007 wordt voortgezet voor een bedrag van € 450 000. Deze conclusie is getrokken in overleg met de VNG. In de loop van 2007 zal opnieuw worden bezien op welke wijze de gemeentelijke bijdrage voor de jaren 2008 en verder aan het professionaliseringsfonds vorm zal krijgen (zie Kamerstukken II 2005/06, 30 560 B, nr. 2, blz. 5, onder 9).

11. Wachtgelden gemeentelijke herindeling

Deze post is toegelicht in de memorie van toelichting bij de 1ste suppletore begroting gemeentefonds 2006. (zie Kamerstukken II 2005/2006, 30 560 B, nr. 2).

12. Terugontvangsten Waarderingskamer

Deze post is toegelicht in de memorie van toelichting bij de 1ste suppletore begroting gemeentefonds 2006. (zie Kamerstukken II 2005/2006, 30 560 B, nr. 2).

13. Technische mutatie integratie-uitkeringen

Deze post is toegelicht in de memorie van toelichting bij de 1ste suppletore begroting gemeentefonds 2006. (zie Kamerstukken II 2005/06, 30 560 B, nr. 2, blz. 6, onder 13).

14. Accres 2007

Op basis van de ontwikkeling in de netto-gecorrigeerde rijksuitgaven is het Accres 2007 bij Voorjaarsnota 2006 berekend op € 464 708 000 miljoen.

15. Invoeringskosten Wmo

De staatssecretaris van VWS en de VNG zijn overeengekomen dat voor 2006 eenmalig € 30 miljoen aan het gemeentefonds wordt toegevoegd in verband met de gemeentelijke kosten van voorbereiding voor de Wmo.

Voor 2005 was eerder eenmalig een bedrag van € 45 miljoen aan het gemeentefonds toegevoegd voor de voorbereiding van de Wmo.

Daar de Wmo later in werking treedt dan destijds voorzien, worden ook in 2006 nog voorbereidingskosten gemaakt.

16. Integratie-uitkering Wmo

Met ingang van 1 januari 2007 zal de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) in werking treden. Met deze wet wordt de verantwoordelijkheid voor een aantal voorzieningen uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) overgedragen aan gemeenten. Het gaat om huishoudelijke hulp € 1 116 miljoen (€ 1 194,7 miljoen voor zorg in natura, plus € 118,3 miljoen voor persoonsgebonden budget (pgb) voor huishoudelijke hulp minus € 197,0 miljoen voor eigen bijdrage zorg in natura).

Daarnaast wordt een aantal subsidieregelingen overgeheveld. Het gaat om: diensten bij wonen met zorg € 22,9 miljoen, zorgvernieuwingsprojecten geestelijke gezondheidszorg (GGZ) € 6,7 miljoen en coördinatie vrijwillige thuiszorg en mantelzorg (CVTM) € 32,0 miljoen in 2007, en € 32,5 miljoen in 2008 en verder. Voor vorming, training en advies (VTA) voor vrijwilligers wordt een bedrag van € 2,5 miljoen overgeheveld en voor collectieve GGZ-preventie € 9,5 miljoen. De middelen voor het Besluit bijdrage AWBZ gemeenten (Bbag), een specifieke uitkering in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) € 22,7 miljoen wordt eveneens overgeheveld. Het daadwerkelijk over te hevelen budget wordt gebaseerd op de realisatie 2005. Deze realisatie is nog niet volledig bekend zodat het budget nog bijgesteld zal worden.

Voor de uitvoering van de Wmo krijgen gemeenten een bedrag van € 67,0 miljoen. Hieruit moeten ook de kosten voor de vaststelling en inning van de eigenbijdrage door het Centraal Administratie Kantoor (CAK), de uitvoering van het persoonsgebonden budget (pgb) en de ondersteunende taken ten aanzien van pgb-houders betaald worden.

Overheveling van de middelen naar de Wmo die gepaard gaan met de ADL-clusters (Algemene dagelijkse levensbehoeften) is een jaar uitgesteld omdat besloten is de subsidieregeling voor de ADL-clusters vooralsnog in 2007 te laten bestaan. Gebleken is dat pas aan het einde van de zomer en in het najaar 2006 de gegevens beschikbaar zullen zijn waarmee verantwoord de inpassing van een deel van de ADL-clusters in de reguliere AWBZ kan worden gemaakt. (Deze gegevens komen o.a. uit de pilots voor de zorgzwaartebekostiging). Van de betrokken partijen kan niet worden verwacht een dergelijke grote omslag, van inpassing in de reguliere AWBZ, in zo korte tijd zorgvuldig af te ronden.

17. C2000

In het Bestuurlijk Overleg Financiële Verhouding op 4 september 2006 is definitief tussen het Rijk en de VNG overeengekomen dat de uitname ter hoogte van € 7,3 miljoen voor C2000 in 2007 wordt gecontinueerd. De structurele dekking voor de kosten van C2000 wordt nog nader bezien in het licht van het lopende onderzoek naar de kosten van Openbare Orde en Veiligheid en besluitvorming rond de veiligheidsregio’s.

18. EGEM

De Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties en de VNG zijn in het kader van de Elektronische Overheid overeengekomen om met ingang van 2008 tot en met 2010 € 2 miljoen uit het gemeentefonds uit te nemen ten behoeve van het doelgroepenprogramma EGEM (elektronische Gemeente). Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zal eveneens voor € 2 miljoen bijdragen aan het EGEM-programma.

19. Herziening kinderalimetatiestelsel

Het kabinet is van plan het voorstel van wet tot herziening van het kinderallimetatiestelsel in te trekken. De met de herziening verbonden besparingen op de bijstandsuitkeringen zullen dan ook niet gaan optreden. Dit geldt ook voor bij de gemeenten optredende besparingen op de apparaatskosten bijstand ter hoogte van € 10 miljoen. De uitname ter hoogte van € 10 miljoen wordt dan ook met ingang van 2006 structureel ongedaan gemaakt.

20. Bescherming archeologisch erfgoed (Valletta)

Aan de gemeenten wordt in 2006 eenmalig een bedrag van € 4,5 miljoen beschikbaar gesteld als incidentele bijdrage voor de komende inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg (implementatie van het verdrag van Valletta). Dit bedrag wordt toegevoegd aan het gemeentefonds. Zie de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 7 februari 2006 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2005/06, 29 259, nr. 21).

De verwachting is dat de wet op 1 januari 2007 in werking treedt. De structurele toevoeging aan het gemeentefonds zal worden opgenomen in de 1e suppletore begroting gemeentefonds 2007. Zie voor de structurele toevoeging genoemd kamerstuk.

21. Arbeidstoeleiding en groepsverkleining ZMLK

In verband met de behoefte aan versterking van de mogelijkheden voor arbeidstoeleiding in het voortgezet onderwijs, zijn er meer praktijklokalen nodig. Dat betekent dat minder gebruik gemaakt wordt van theorieruimten. Voor de ene school brengt dat met zich het samenvoegen van bestaande ruimtes of een herverkaveling van (een gedeelte van) het gebouw. In andere gevallen zal (gedeeltelijke) nieuwbouw of aanbouw nodig zijn. Om dit mogelijk te maken wordt voor 2006 eenmalig € 25 633 000 aan het gemeentefonds toegevoegd.

Daarnaast wordt voor leerlingen ZMLK een bedrag toegevoegd aan het gemeentefonds van € 1 118 000 in verband met de verlaging van de groepsgrootte van 12 naar 7 leerlingen. Deze verlaging is per 1 januari 2006 geëffectueerd.

22. Bijzondere bijstand (Wet Bopz)

Met ingang van 2007 wordt € 3 miljoen structureel aan de algemene uitkering toegevoegd ten behoeve van de bijzondere bijstand in het kader van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz). Naar aanleiding van een onbedoeld effect in de wetgeving waardoor een noodzakelijke inkomensvoorziening niet mogelijk was, komen personen die gedwongen zijn opgenomen in een Bopz-inrichting, en vóór opname een werkloosheidsuitkering ontvingen, in aanmerking voor bijzondere bijstand.

2.2. Het beleidsartikel

2.2.1. Algemene beleidsdoelstelling

De gemeentefondsbegroting maakt onderdeel uit van de Rijksbegroting, maar heeft daarbinnen, evenals de provinciefondsbegroting, een eigen bijzonder karakter. Zo kent de gemeentefondsbegroting in tegenstelling tot een departementale begroting slechts één beleidsartikel: het gemeentefonds. Dit beleidsartikel kent als algemene doelstelling: te bewerkstelligen dat de gemeenten via het gemeentefonds de juiste middelen krijgen toebedeeld om hun taken naar behoren uit te voeren. Deze doelstelling valt uiteen in twee onderdelen:

1. De omvang van de middelen moet adequaat zijn;

2. De verdeling van de middelen moet adequaat zijn.

2.2.2. Verantwoordelijkheid minister

De fondsbeheerders, de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de minister van Financiën, zijn systeemverantwoordelijk voor het gemeentefonds. De fondsbeheerders zijn niet verantwoordelijk voor de resultaten die gemeenten met hun bijdrage uit dit fonds realiseren: gemeenten zijn, met inachtneming van de wet- en regelgeving, autonoom in het voeren van hun beleid bekostigd uit het gemeentefonds. Ook de eigen gemeentelijke belastingsopbrengsten kennen deze karakteristiek. Dit in tegenstelling tot de overige inkomstenbronnen van gemeenten, specifieke uitkeringen en heffingen en retributies. Niet alleen in bestedingsrichting, ook de effectiviteit van de inzet van de middelen is een gemeentelijke verantwoordelijkheid, waarin het college van B&W wordt gecontroleerd door de gemeenteraad.

2.2.3. Succesfactoren van beleid

Ondanks dat de fondsbeheerders slechts systeemverantwoordelijk zijn, neemt dat niet weg dat van tijd tot tijd vragen opkomen of de gemeenten als collectiviteit geen andere prioriteiten zouden moeten opstellen, bijvoorbeeld ter ondersteuning van gezamenlijk onderschreven prioriteiten van het Rijk. In een dergelijk geval kunnen het Rijk en de gemeenten bestuurlijke afspraken maken over de accenten in de bestedingsrichting van de gemeenten. De desbetreffende vakministers spelen hier naast de fondsbeheerders een belangrijke rol. De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor resultaten blijft bij de gemeenten.

2.2.4. Budgettaire gevolgen van beleid

In onderstaande tabel worden voor zowel de verplichtingen, de uitgaven als de ontvangsten de budgettaire gevolgen van beleid van het gemeentefonds weergegeven.

Tabel 2.2.4.1. Budgettaire gevolgen van beleid (in € 1000)
 2005200620072008200920102011
Verplichtingen11 898 80013 461 53514 880 87114 880 80814 930 47314 930 47314 932 474
        
Uitgaven:11 996 21813 367 54514 704 13214 672 06914 721 73414 721 73414 723 735
        
Apparaatsuitgaven       
1. Kosten Financiële-verhoudingswet1 1103 4672 0912 0912 0912 0912 091
2. Kosten Waarderingskamer1 1581 2371 1581 1581 1581 1581 158
3. Budget A+O-fonds5 0765 0735 0735 0735 0735 0735 073
        
Programma-uitgaven       
1. Algemene uitkering ca en de aanvullende uitkeringen11 912 95613 272 66813 347 71413 336 84913 389 19713 392 55213 397 481
2. Integratie-uitkeringen75 91885 1001 348 0971 326 8991 324 2161 320 8611 317 932
        
Ontvangsten:       
        
Apparaats-ontvangsten        
1. Terugontvangsten Waarderings-kamer 79000000
        
Programma-ontvangsten       
1. Ontvangsten ex art. 4 Fvw11 996 13913 367 54514 704 13214 672 06914 721 73414 721 73414 723 735

Het verschil in enig jaar tussen de verplichtingen en de uitgaven wordt veroorzaakt door de behoedzaamheidsreserve (€ 208,738 miljoen), die wel in de verplichtingenstand wordt meegenomen, maar pas in het jaar na afloop van het begrotingsjaar – doorgaans voor een deel – tot uitkering komt. De behoedzaamheidreserve wordt dan verrekend met de nacalculatie van de accressen. Het verplichtingenbedrag voor 2007 van de algemene uitkering bedraagt € 13 347 714 000 vermeerderd met € 208 738 000, wat resulteert in € 13 556 452 000. Zie ook wetsartikel 3.


In tegenstelling tot een departementale begroting zijn bij een fonds als het gemeentefonds de verplichtingen leidend. Dit houdt in dat zij, eenmaal geaccordeerd, altijd geheel tot uitbetaling komen. Geld dat in enig jaar nog niet aan gemeenten wordt uitgekeerd, wordt automatisch aan het volgende begrotingsjaar toegevoegd. Zo bezien kunnen de uitgaven niet worden beïnvloed.

De omvang van de uitgaven wordt structureel bepaald door de normeringsmethodiek. Als regel houdt de methodiek in dat de ontwikkeling van het gemeentefonds een afgeleide is van de ontwikkeling van de rijksuitgaven. De zogeheten budgetflexibiliteit van het gemeentefonds is derhalve een afgeleide van de budgetflexibiliteit van de rijksuitgaven (in zoverre dat een verandering in de rijksuitgaven leidt tot een verandering van de omvang van de uitgaven van het gemeentefonds; hier wordt met budgetflexibiliteit dus niet de juridische verplichting van de uitgaven bedoeld). Tot de normeringsmethode behoort tevens een bestuurlijke weging van de uitkomsten van de normering. Deze geeft de mogelijkheid om – indien nodig – na overleg tussen het Rijk, de VNG en het IPO af te wijken van de rekenkundige uitkomsten.


Ter informatie geeft tabel 2.2.4.2. de accressen voor het gemeentefonds op basis van de stand Miljoenennota 2007 en geeft figuur 2.2.4.1 het verloop van de algemene uitkering per inwoner van 1997–2011 op basis van de Voorjaarsnota 2006 weer.

Tabel 2.2.4.2. Accressen gemeentefonds, stand Miljoenennota 2007
Uitkeringsjaar200220032004200520062007
Accrespercentage5,38%2,81%– 0,26%1,64%3,77%4,27%
In miljoenen euro665,700368,900– 34,954198,479448,585569,919

Figuur 2.2.4.1 Uitkering gemeentefonds in € per inwoner



kst99347_2_01.gif

De gemeenten ontvangen in 2007, gemeten naar de stand Voorjaarsnota 2006, als algemene uitkering uit het gemeentefonds ruim € 14,6 miljard. Dit is zuiver de algemene uitkering, exclusief de uitkering uit het BTW-compensatiefonds. Per inwoner komt de algemene uitkering uit op een landelijk gemiddelde van € 897 per inwoner. Ten opzichte van 2006 betekent dit een stijging van € 87 per inwoner door voornamelijk de overheveling van middelen uit de AWBZ ten behoeve van de Wmo integratie-uitkering. De stijging in 2006 ten opzichte van 2005 komt voornamelijk door de compensatie in het kader van de afschaffing van het gebruikersdeel OZB en het accres 2006.

De eerdere daling van de algemene uitkering per inwoner in 2005 ten opzichte van 2004 vloeit voornamelijk voort uit de afschaffing van de € 45,38-maatregel.

De uitvoering voor wat betreft de uitkeringen uit het gemeentefonds geschiedt door betalingen aan alle gemeenten in 50 termijnen.


Het budget van de algemene uitkering van het het gemeentefonds wordt over de gemeenten verdeeld via een verdeelsysteem van ongeveer 50 verdeelmaatstaven. Dit verdeelsysteem stelt gemeenten in staat hun voorzieningen op een onderling gelijkwaardig niveau te brengen tegen globaal gelijke lastendruk en rekening houdend met de structuurkenmerken van de gemeenten. Zolang voor een uitkeringsjaar de voor de verdeelmaatstaven noodzakelijke statistische gegevens nog niet bekend of definitief zijn, worden de gemeenten bevoorschot op basis van voorlopige cijfers. Hierbij wordt ernaar gestreefd de voorschotten zo goed mogelijk aan te laten sluiten op de algemene uitkering waarop een gemeente uiteindelijk recht heeft, zoals deze vastgesteld kan worden nadat de statistische gegevens definitief zijn vastgesteld.

Het gedurende en na afloop van het uitkeringsjaar beschikbaar komen van bepaalde definitieve volumegegevens leidt tot bijstellingen in de bevoorschotting. Aangezien voor het gemeentefonds de verplichtingen leidend zijn, zullen deze altijd tot uitkering komen.

Voor de bevoorschotting van de integratie-uitkeringen geldt eveneens dat ernaar gestreefd wordt deze zo goed mogelijk te laten aansluiten bij de integratie-uitkeringen waarop een gemeente uiteindelijk recht heeft. Veelal loopt de bevoorschotting van de integratie-uitkeringen mee met de bevoorschotting van de algemene uitkering; dus ook bevoorschotting in 50 termijnen.

2.2.5 Operationele doelstellingen

De bijdrage van de fondsbeheerders om te komen tot het bewerkstelligen dat de gemeenten via het gemeentefonds de juiste middelen krijgen toebedeeld om hun taken naar behoren uit te voeren wordt geoperationaliseerd door twee doelstellingen:

* De gemeenten via het gemeentefonds voorzien van voldoende financiële middelen voor het uitvoeren van hun taken;

* Een verdeling van de beschikbare financiële middelen over gemeenten die elk van de gemeenten in staat stelt om hun inwoners een gelijkwaardig voorzieningenpakket tegen globaal gelijke lastendruk te kunnen leveren.

Operationele doelstelling 1: De gemeenten via het gemeentefonds voorzien van voldoende financiële middelen voor het uitvoeren van hun taken.

Motivering

De omvang van het gemeentefonds ontwikkelt zich volgens de normeringssystematiek en door de toevoegingen en/of onttrekkingen aan het fonds in verband met specifieke taakmutaties. De normeringssystematiek houdt in dat het fonds meebeweegt met de netto gecorrigeerde rijksuitgaven, volgens het principe: «samen de trap op, samen de trap af». Op die wijze wordt het jaarlijkse groeipercentage (het zgn. accres) bepaald. Deze systematiek werkt sinds 1995 en berust op een bestuurlijke afspraak tussen het Rijk, de VNG en het IPO. Daarnaast zijn er jaarlijks diverse specifieke taakmutaties die tot toevoegingen en/of onttrekkingen aan het gemeentefonds kunnen leiden. Het Rijk zorgt voor de uitwerking van de afspraak door de precieze accresberekeningen te maken en de gemeenten daarover te informeren door middel van de circulaires. Daarnaast heeft het Rijk een verantwoordelijkheid bij het bepalen van de hoogte van specifieke uitnames en/of toevoegingen als gevolg van taakmutaties.

Activiteiten 2007

Bestuurlijk Overleg Financiële Verhoudingen (BOFV), in voor- en najaar.

Doelgroep

VNG.

Prestatieindicator

De vraag of de omvang van het gemeentefonds als adequaat kan worden beschouwd, wordt beantwoord in het Bestuurlijk Overleg Financiële Verhoudingen (BOFV). Volgens een in 1995 gemaakte afspraak vindt dit overleg tweemaal per jaar plaats. Wanneer één van de partijen (Rijk of VNG/IPO) de uitkomsten van de normeringsystematiek op enig moment onredelijk vindt, kan dit in het Bestuurlijk Overleg aan de orde worden gesteld.

Operationele doelstelling 2: Een verdeling van de beschikbare financiële middelen over gemeenten die elk van de gemeenten in staat stelt om hun inwoners een gelijkwaardig voorzieningenpakket tegen globaal gelijke lasten te kunnen leveren.

Motivering

Het Rijk is verantwoordelijk voor het ontwikkelen en onderhouden van een systeem van verdeelmaatstaven dat een verdeling tot stand brengt die erin voorziet dat elke gemeente in staat is een gelijkwaardig voorzieningenpakket voor haar burgers tegen globaal gelijke lasten te kunnen leveren. De gemeenten kunnen zelf bepalen aan welke voorzieningen zij hun geld bij voorkeur besteden (eigen prioriteitenstelling). Zij leggen resultaatverantwoordelijkheid af aan de gemeenteraad.

Prestatieindicator

Voor wat betreft de verdeling van de beschikbare financiële middelen is het Periodiek Onderhoudsrapport (POR) de belangrijkste indicator. Daarin wordt door de fondsbeheerders bijgehouden of de verdeling nog adequaat is, d.w.z. of deze, binnen bepaalde marges nog aansluit bij de daadwerkelijke uitgaven van de gemeenten zoals blijkt uit de begrotingen. Het POR verschijnt jaarlijks als bijlage bij de begroting.

Relevante beleidsnota’s

Periodiek Onderhoudsrapport (POR).