Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

3. HET VERDIEPINGSHOOFDSTUK


In paragraaf 3.1 wordt de opbouw van de verplichtingen, uitgaven en ontvangsten vanaf de stand ontwerpbegroting gemeentefonds 2006 naar de stand van de voorliggende ontwerpbegroting 2007 beschreven. De mutaties die hierin worden genoemd die betrekking hebben op de 1ste suppletore begroting 2006 (Kamerstukken II 2005/2006 30 560 B, nr. 2) kunt u in genoemde begrotingsstukken terugvinden. De nieuwe mutaties worden toegelicht.

In 3.2. wordt een overzicht van de integratie-uitkeringen gegeven. In 3.3 wordt ingegaan op het Financieel overzicht gemeenten (FOG). Paragraaf 3.4 betreft de specifieke uitkeringen. Tot slot wordt in dit verdiepingshoofdstuk aandacht gegeven aan de bijdrage van de lokale overheden aan het EMU-tekort (3.5).

3.1. Opbouw verplichtingen, uitgaven en ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting

Verplichtingen

Onderstaande tabel 3.1.1. geeft de opbouw aan van de verplichtingen van het gemeentefonds vanaf de stand ontwerpbegroting 2006 naar de stand ontwerpbegroting 2007.

Tabel 3.1.1. Opbouw verplichtingen gemeentefonds (in € 1000)
 200620072008200920102011
Stand OWB 200613 241 16313 222 04413 183 73113 233 39613 233 39613 233 396
Mutatie 1e suppl. begr. 2006149 120– 58 880– 58 430– 58 43058 430– 58 430
Nieuwe mutaties71 2521 749 7071 755 5071 755 5071 755 5071 757 508
Stand OWB 200713 461 53514 912 87114 880 80814 930 47314 930 47314 932 474

Uitgaven

Onderstaande tabel 3.1.2. geeft de opbouw aan van de uitgaven van het gemeentefonds vanaf de stand ontwerpbegroting 2006 naar de stand ontwerpbegroting 2007.

Tabel 3.1.2. Opbouw uitgaven gemeentefonds (in € 1000)
 200620072008200920102011
Stand OWB 200613 032 42513 013 30512 974 99213 024 65713 024 65713 024 657
Mutatie 1e suppl. begr. 2006263 868– 58 880– 58 430– 58 43058 430– 58 430
Nieuwe mutaties71 2521 749 7071 755 5071 755 5071 755 5071 757 508
Stand OWB 200713 367 54514 704 13214 672 06914 721 73414 721 73414 723 735

Ontvangsten

Wetsartikel 4, eerste lid van de Financiële-verhoudingswet regelt dat bij (begrotings)wet voor ieder uitkeringsjaar een bedrag aan middelen voor het Rijk wordt afgezonderd ten behoeve van het gemeentefonds. Op grond van het tweede lid zijn de uitgaven en de afgezonderde inkomsten over ieder uitkeringsjaar aan elkaar gelijk. Gelet hierop is ten behoeve van de dekking van de uitgaven ten laste van het gemeentefonds een post Ontvangsten ex artikel 4 van de Financiële-verhoudingswet geraamd (zie in tabel 2.2.4.1. onder Programma-ontvangsten).

Toelichting op de nieuwe mutaties

Zowel tabel 3.1.1. als tabel 3.1.2. bevatten een regel nieuwe mutaties. In onderstaande tabel 3.1.3. worden deze nieuwe mutaties, die nog niet eerder zijn toegelicht in een suppletore wet, benoemd en van een toelichting voorzien.

Tabel 3.1.3. Nieuwe mutaties (uitgaven en verplichtingen; in € 1000)
Mutatie200620072008200920102011
Accres 2007 464 708464 708464 708464 708464 708
Invoeringskosten Wmo30 000     
Integratie-uitkering WMO 1 279 3001 279 8001 279 8001 279 8001 279 800
C2000 – 7 300    
EGEM  – 2000– 2000– 20000
Herziening kinderalimentatiestelsel10 00010 00010 00010 00010 00010 000
Bescherming archeologisch erfgoed (Valletta)4 500     
Arbeidstoeleiding en groepsverkleining ZMLK26 752     
Bijzondere bijstand (Wet Bopz) 3 0003 0003 0003 0003 000
Totaal71 2521 749 7081 755 5081 755 5081 755 5081 757 508

Zie voor een toelichting § 2.1.2.

3.2. Integratie-uitkeringen

Als een toevoeging aan de algemene uitkering van het gemeentefonds in één keer bezwaarlijk is vanwege de omvang van de herverdeeleffecten wordt normaliter gesproken een integratie-uitkering toegepast. De integratie-uitkering voorziet dan in een geleidelijke overgang van specifieke uitkering of eigen inkomsten naar de algemene uitkering. Echter naar aanleiding van de implementatie van het kabinetsstandpunt Brinkman wordt de hierbij gebruikelijke voorwaarde dat er zicht is op een overgang naar de algemene uitkering losgelaten. Hierdoor kunnen al bestaande en mogelijke nieuwe specifieke uitkeringen, alsnog aan het gemeentefonds en provinciefonds worden toegevoegd die verdeeltechnisch nooit in de algemene uitkering zouden passen (zie kamerstukken II 2005/06, 30 300 B, nr. 23, blz. 6).

Tabel 3.2.1. Overzicht integratie-uitkeringen gemeentefonds (in € 1000)
Omschrijving2005200620072008200920102011
Wmo  1 279 3001 279 8001 279 8001 279 8001 279 800
Amendement De Pater  25 00025 00025 00025 00025 000
Precariobelasting36 14324 47112 7990000
WUW-middelen39 77535 62930 98822 09919 41616 06113 132
Totaal75 91860 1001 348 0971 326 8991 324 2161 320 8611 317 932

3.3 Financieel overzicht gemeenten 2006

De afgelopen jaren is een Financieel Overzicht Gemeenten (F.O.G.) verschenen. Doel van het F.O.G. is een beeld te geven van de ontwikkeling van de gemeentefinanciën ter ondersteuning van het bestuurlijk oordeel bij de vraag of tegenover de taken waarvoor gemeenten zich gesteld zien voldoende middelen staan. In een bestuurlijk overleg met VNG/IPO is vorig jaar afgesproken de afzonderlijke publicatie niet te continueren, maar wel de kerncijfers te blijven opstellen en op te nemen in de memorie van toelichting bij de begroting van het gemeentefonds.


De kerngegevens betreffen een terugblik en vooruitblik op de ontwikkeling van de inkomsten en kosten van gemeenten en een overzicht van de ontwikkeling van de vermogenspositie.

Terugblik

In de terugblik wordt weergegeven op welke taken de gemeenten, bezien vanuit de gemeentelijke begrotingen, tussen 2001 en 2006 meer middelen hebben ingezet (figuur 3.3.1.) en vanuit welke inkomstenbronnen of bezuinigingen op taken deze inzet is bekostigd (figuur 3.3.2.). Als indeling voor gemeentelijke taken wordt hierbij de indeling in taakclusters van het gemeentefonds gebruikt. Inkomstenbronnen worden onderscheiden in de Algemene Uitkering van het gemeentefonds, de onroerende zaak belasting (OZB), de overige belastingen en de overige eigen middelen.

Figuur 3.3.1. Intensiveringen tussen 2001 en 2006 bij gelijk takenpakket, gelijke prijzen en gelijk areaal



kst99347_2_02.gif

In figuur 3.3.1. wordt weergegeven dat, na correctie voor taakmutaties, prijsontwikkeling en areaalontwikkeling, de gemeentelijke netto-uitgaven op uitgavenclusters tussen 2001 en 2006 met € 2,2 miljard zijn toegenomen. Hierbij hebben de gemeenten op vrijwel alle taakclusters extra middelen ingezet. De grootste intensivering heeft plaatsgevonden op het cluster Openbare Orde en Veiligheid, een gezamenlijke prioriteit van Rijk en gemeenten.

Figuur 3.3.2. Bekostiging intensiveringen tussen 2001 en 2006 bij gelijk takenpakket, gelijke prijzen en gelijk areaal



kst99347_2_03.gif

Uit figuur 3.3.2. valt af te leiden dat gemeenten de € 2,2 miljard aan intensiveringen tussen 2001 en 2006 vooral dekken vanuit de OZB. Hierbij is de OZB-ontwikkeling onder meer gecorrigeerd voor de afschaffing van het gebruikersdeel van de OZB op woningen via de algemene uitkering. Hiernaast zijn de inkomsten vanuit de Overige Eigen Middelen en de Overige Belastingen gestegen. Op de taakclusters Riolering en Reiniging zijn lichte extensiveringen te zien: de inkomsten stijgen iets sneller dan de uitgaven. De algemene uitkering vertoont het kleinste positieve saldo. Hier is de invloed van enkele mindere accresjaren zichtbaar. In feite moet het beeld iets positiever zijn. Niet alle gemeenten hebben de hogere Algemene Uitkering 2006 als gevolg van de OZB-maatregel in hun begroting opgenomen.


Uit de figuren 3.3.1. en 3.3.2. kan de conclusie getrokken worden dat er in de periode 2001–2006 ruimte is geweest voor aanzienlijke intensiveringen op uitgavenclusters. Daarnaast kan geconcludeerd worden dat intensiveringen bekostigd worden door toegenomen inkomsten vanuit de OZB en de Overige Eigen Middelen. De extra ruimte is vooral ingezet op de terreinen Openbare Orde en Veiligheid en Wegen en Water.


Achter het positieve beeld gaat een omslag schuil vanaf 2004/2005, wanneer op clusters als Maatschappelijke Zorg, Educatie, Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Stadsvernieuwing, Oudheid en Fysiek Milieu juist extensiveringen te zien zijn. In 2004 is vooral het gemeentefonds teruggevallen. Die terugval is enerzijds groot en anderzijds laat bekend geworden. Dit betekent voor de gemeenten dat ook de jaren 2005 en 2006, ondanks een zeker herstel van het gemeentefonds, in het teken van ombuigingen in verband met de achteruitgang staan.

Vooruitblik

In de vooruitblik wordt een beeld gegeven van de financiële ruimte van de gemeenten voor de jaren 2007 tot en met 2010. De financiële ruimte is berekend door de inkomsten en kosten vanuit de gemeentelijke begrotingen 2006 door te rekenen voor de jaren 2007 tot en met 2010. Hierbij wordt rekening gehouden met prijs- en areaalontwikkeling en, voor zover deze bekend zijn, taakmutaties. In tabel 3.3.1. is weergegeven hoe de berekening van de financiële ruimte is opgebouwd.

Tabel 3.3.1. Geraamde cumulatieve ontwikkeling van uitgaven en inkomsten, 2007–2010
 2007200820092010
Kostenontwikkeling2 1393 0303 9254 851
     
Algemene middelen    
a. Taakmutaties1 1881 1871 1741 174
b. Areaal 111225340458
c. Prijzen 4769071 3461 793
     
Specifieke middelen     
a. Taakmutaties– 10– 10– 10– 10
b. Areaal71143217292
c. Prijzen3035788581 144
     
Inkomstenontwikkeling2 2613 4264 4695 444
     
Gemeentefonds     
a. accres5701 1011 5091 824
b. taakmutaties1 0081 007994994
     
OZB87171258348
     
Taakgerelateerde eigen middelen4279116154
     
OEM180347516689
     
Specifieke uitkeringen2747211 0751 436
     
Financiële ruimte122397543593

In miljoenen euro


In tabel 3.3.1 is te zien dat voor de periode 2007–2010 de financiële ruimte is berekend op € 593 miljoen. Dit is het saldo van de kosten- en de inkomstenontwikkeling. Over een langere reeks van jaren bezien is de uitkomst als gemiddeld te beschouwen. Het jaar 2010 is een mager jaar. Dat is vooral het gevolg van een beperkt gemeentefondsaccres. Het cluster Openbare Orde en Veiligheid vormt daarnaast in dat jaar een knelpunt. De tijdelijke toevoeging voor dat cluster valt in dat jaar weg, zodat dekking vanaf dat jaar nog ontbreekt.


De totale cumulatieve kostenontwikkeling voor deze periode wordt vooral bepaald door de prijsontwikkeling en in mindere mate door de areaalontwikkeling. De taakmutaties 2007 staan in het teken van de invoering van de Wmo.


De totale cumulatieve inkomstenontwikkeling wordt vooral bepaald door de ontwikkeling van de algemene uitkering en de specifieke uitkeringen. Een grote invloed op de algemene uitkering gaat uit van de invoering van de Wmo. Daarnaast zijn de gevolgen verwerkt van het bestuurlijk akkoord dat dit voorjaar met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten is gesloten. In 2007 vermindert de algemene uitkering met € 400 miljoen in verband met het BTW-compensatiefonds. Een vermeerdering van € 220 miljoen treedt op in verband met openbare orde en veiligheid.


Geconcludeerd kan worden dat de gemeenten voldoende middelen ontvangen om hun taken naar behoren te vervullen. Zowel bij de terugblik als de vooruitblik is sprake van een positieve financiële ruimte.

Ontwikkeling vermogenspositie

In deze paragraaf wordt de ontwikkeling van de vermogenspositie van gemeenten aangegeven voor de periode 1999 tot en met 2004 op basis van de rekeningen.

Tabel 3.3.2. Ontwikkeling eigen en vreemd vermogen en voorzieningen 1999–2004 (in miljarden euro)
 199920002001200220032004
Eigen vermogen18,422,324,125,025,424,2
waarvan algemene reserve4,36,95,45,45,37,1
waarvan bestemmingsreserve13,614,318,019,020,117,0
waarvan resultaat0,51,10,70,60,00,1
       
Vreemd vermogen40,238,439,440,140,641,9
Voorzieningen4,04,34,85,26,79,3

Bron: CBS


Het eigen vermogen is in de periode 1999 tot en met 2004 toegenomen van € 18,4 miljard tot € 24,2 miljard. Een belangrijk deel van stijging doet zich voor in het jaar 2000. Van 2003 op 2004 daalt het eigen vermogen. Dit wordt veroorzaakt door een definitieverandering van de begrippen voorzieningen en bestemmingsreservers in het kader van het BBV. Tegenover de daling van de bestemmingsreserves staat een stijging van de voorzieningen.


De gegevens in de tabel laten zien dat het niveau van het vreemd vermogen redelijk stabiel is. Het totaal aan vreemd vermogen is in 2004 € 41,9 miljard. De post voorzieningen laat een stijging zien van € 4,0 miljard in 1999 naar € 9,3 miljard in 2004. Zoals genoemd wordt een deel van deze stijging veroorzaakt door veranderingen vanuit het BBV.


In vorige gemeentefondsbegrotingen is gewaarschuwd voor overhaaste conclusies op basis van de tabel. Die waarschuwing is nog steeds van kracht. Een eerste kanttekening betreft het gegeven dat in de praktijk verschillen in de wijze van boekhouding bestaan. Daarnaast is bij de interpretatie van de omvang van het eigen vermogen van belang welke risico’s daar tegenover staan. Een deel van de risico’s wordt afgedekt door verzekeringen en voor een deel moeten verplicht voorzieningen worden gevormd. Voor de resterende risico’s dient vooral de algemene reserve als buffer. Van deze risico’s ontbreekt een systematisch en kwantitatief beeld. Voorts betreffen de hier gepresenteerde cijfers een macrobeeld. Gemeenten verschillen sterk in de omvang van de vermogenspositie. Ten slotte wordt het eigen vermogen door gemeenten ook aangehouden om bespaarde rente toe te voegen aan de exploitatie. De verhouding tussen geblokkeerd eigen vermogen ten behoeve van de exploitatie en vrij aanwendbaar ligt macro in de orde van grootte van 60/40 procent. Per gemeente kan deze verhouding aanzienlijk anders liggen, zodat alleen op gemeentelijk niveau een uitspraak mogelijk is om incidentele tegenvallers met reserves op te vangen.


Concluderend kan worden gesteld dat het niveau van het eigen vermogen redelijk stabiel is.

Gemeentelijke productiecijfers

De gegevens hiervoor zijn steeds in financiële termen gesteld. Jaarlijks wordt daarnaast, via het rapport Maten voor gemeenten van het Sociaal en Cultureel Planbureau bijgehouden welke productie de gemeenten met dat geld tot stand brengen. Met het Sociaal en Cultureel Planbureau is overeengekomen die aanpak de komende jaren te continueren. Het is van belang om volgens een duurzame methode de productie van gemeenten in kaart te laten brengen. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om de vergelijking van gemeentelijke productie met die in andere sectoren, de vergelijking over een reeks van jaren en de vergelijking tussen gemeentelijke beleidsterreinen. Die inzichten leiden niet van de ene dag op de andere dag tot ander beleid. Zij vormen wel een onmisbaar bestanddeel bij de totstandkoming van het totale beleid ten aanzien van de gemeenten. De drie dimensies: inkomsten, uitgaven en productie horen bij elkaar. Opgeteld geven zij een totaalbeeld van de gemeenten. De minister is het dan ook niet eens met de opvatting van de Raad voor de financiële verhoudingen dat de productiemeting een zaak van elke gemeente afzonderlijk is, waarmee het kabinet en de Tweede Kamer zich niet zouden moeten bemoeien (advies aan de Tweede Kamer: «Lokale lasten en gemeentelijke prestaties»). Overigens deelt de minister wel de opvatting van de Raad voor de financiële verhoudingen over het nut van benchmarking (voor en door afzonderlijke gemeenten). Evenmin deelt hij het beeld van de Raad voor de financiële verhoudingen dat enige inspanning om de productie voor het totaal van de gemeenten vast te stellen tot mislukken is gedoemd. Eenvoudig is het weliswaar niet, en de uitkomsten vergen interpretatie, maar dat doet geen afbreuk aan de betekenis van de productiemeting als middel om over de jaren heen beelden vast te stellen als grondslag voor beleid.

De betekenis van het Financieel overzicht gemeenten in het licht van de opvattingen van gemeenten en provincies

In de gemeentefondsbegroting 2006 is geconstateerd dat de conclusies van het Financieel overzicht gemeenten niet aanstonds worden gedeeld door de mede-overheden. Zo attenderen gemeenten op ontoereikende compensatie van rijksbeleid en op risico’s uit hoofde van bijvoorbeeld de Wmo. Zorg is er daarnaast over de financiële consequenties van voorstellen ten aanzien van de ozb en over de budgetvaststelling Wwb. Van provincies komt daarnaast het signaal dat meer gemeenten onder preventief toezicht zijn gesteld.


In reactie daarop is vorig jaar aangegeven dat de signalen niet wijzen op tekortkomingen in de gehanteerde methode. Wel roepen zij de vraag op hoe deze beelden zijn te rijmen met de op het oog tegenstrijdige conclusie van toereikende middelen. In het belang van een goed fundament voor het bestuurlijke oordeel over de toereikendheid van de middelen is het thema geagendeerd bij de evaluatie van de normeringssystematiek.

3.4 Specifieke uitkeringen

In het kader van het Plan van aanpak transparantie wordt gewerkt aan het verkrijgen van inzicht in de verdeling van specifieke uitkeringen over de decentrale overheden. In de afgelopen jaren lag de focus op het verzamelen van specifieke uitkeringsgegevens. In combinatie met het verzamelen zal de focus de komende jaren verschuiven naar het analyseren van het totaalbeeld van gemeentelijke inkomstenbronnen. Het gaat hierbij onder andere om de vraag hoe gemeenten hun taken, bezien vanuit de gemeentelijke taakclusters, bekostigen en de invloed van veranderingen, zoals bezuinigingen en verschuivingen tussen geldstromen op deze bekostiging.


In het afgelopen jaar is gestreefd naar het verzamelen van de realisatiegegevens van alle specifieke uitkeringen voor het jaar 2005. Het gaat hier om specifieke uitkeringen aan gemeenten, provincies, waterschappen, kaderwetgebieden en andere samenwerkingsverbanden. In totaal zijn voor het jaar 2005, met medewerking van de vakdepartementen, gegevens van 132 inhoudelijk verschillende specifieke uitkeringen verzameld, waarvan 119 specifieke uitkeringen die rechtstreeks (ook) aan gemeenten worden uitgekeerd.


Tabel 3.4.1. geeft een overzicht van het aantal en de omvang van de specifieke uitkeringen aan gemeenten voor de jaren 2004 en 2005 per cluster.

Tabel 3.4.1 Aantal en omvang specifieke uitkeringen in 2004 en 2005 per cluster
Clusteraantal 2004aantal 2005omvang 2004omvang 2005
Werk en inkomen15128 7797 074
Educatie22204 2864 184
Maatschappelijke Zorg2317868830
VHROSV1514649483
Fysiek Milieu10117070
Algemene ondersteuning326054
Kunst en Ontspanning572629
Openbare Orde en Veiligheid673129
Overige Eigen Middelen71011126
Wegen en Water881114
Oudheid44108
Reiniging1133
Groen6602
Riolering0000
Bevolkingszaken4000
Bestuursorganen1000
OZB10760
Totaal13111914 98212 807

(in miljoenen euro)

(Bron: BZK.)


In tabel 3.4.1. is te zien dat het aantal en de omvang van de specifieke uitkeringen van cluster tot cluster sterk verschilt. De clusters Educatie en Maatschappelijke Zorg hebben de hoogste aantallen specifieke uitkeringen. Het cluster Riolering kent geen specifieke uitkeringen. Het leeuwendeel van de specifieke uitkeringen is geoormerkt voor taken op de terreinen Werk en Inkomen en Educatie.


Uit tabel 3.4.1. is ook te zien dat het aantal specifieke uitkeringen aan gemeenten tussen 2004 en 2005 is gedaald met 12. Hiernaast is de totale omvang van de specifieke uitkeringen afgenomen met ongeveer € 2,2 miljard, waarvan € 1,7 miljard bij het cluster Werk en Inkomen. Deze laatste wordt onder meer veroorzaakt door de afname van het aantal bijstandsuitkeringen tussen de twee jaren.

Tabel 3.4.2 Inkomstenbronnen gemeenten per cluster 2006
 inkomsten-bronnen totaalalgemene middelen(%)taakgere-lateerde middelen(%)specifieke uitkeringen(%)overig(%)
Clusters          
Werk & Inkomen9 6001 51816007 074741 00811
Maatschappelijke Zorg3 7812 6307000830223218
Educatie4 8001 80738001 913401 08022
Kunst & Ontspanning2 3021 483640029178934
Groen1 5861 16273002042327
VHROSV2 35586637406174832160025
Oudheid38320153008217345
Riolering1 0564749979400121
Reiniging1 800001 559873023813
Wegen & Water2 9992 0186755214091230
Openbare Orde en Veiligheid1 209682560029249841
Fysiek Milieu53644483007013224
Bevolkingszaken5242444720639007414
Bestuursorganen66843265000023535
Algemene ondersteuning3 9301 38235005412 49463
Overige Eigen Middelen6 1476 14710000260– 260
Totaal43 67621 064483 222710 646248 85520

(in miljoenen euro)

(Bron: CBS en BZK.)


Tabel 3.4.2. geeft een overzicht hoe de verschillende inkomstenbronnen van gemeenten in 2005 over de uitgavenclusters zijn verdeeld. Er worden vier inkomstenbronnen onderscheiden: de algemene middelen (algemene uitkering gemeentefonds, de OZB en de Overige Eigen Middelen), de taakgerelateerde eigen inkomsten (gemeentelijke heffingen en rechten), de specifieke uitkeringen en de overige inkomsten. Binnen de algemene middelen zijn de OEM inkomsten grotendeels niet verdeeld over de uitgavenclusters, maar als totaal opgenomen. De OEM inkomsten betreffen vooral inkomsten vanuit de bouwgrondexploitatie en openbaar vervoer. De overige inkomsten moet gezien worden als een restpost van nog niet specifiek uitgezochte gegevens en ruis tussen gegevensbronnen. Zo kunnen er nog specifieke uitkeringen ontbreken en zijn overdrachten aan gemeenten door de provincies niet expliciet verzameld. Ruis tussen gegevensbronnen kan veroorzaakt worden door aansluitingsverschillen tussen de gemeentelijke begrotingsgegevens en de realisatiegegevens over specifieke uitkeringen. In de tabel is te zien dat binnen de gebruikte gegevens 20 procent niet uit de rechtstreekse inkomstenbronnen van gemeenten is af te leiden.


In tabel 3.4.2. is te zien dat de taakclusters in meer of mindere mate vanuit verschillende inkomstenbronnen bekostigd worden. Uitgaven op het cluster Werk en Inkomen worden voor het merendeel bekostigd uit specifieke uitkeringen, terwijl uitgaven op de clusters Reiniging en Riolering voornamelijk uit taakgerelateerde middelen worden bekostigd. Taakclusters die vanuit verschillende inkomstenbronnen gefinancierd worden zijn VHROSV en Bevolkingszaken. Dit geldt ook voor het cluster Educatie, met daarbij de aantekening dat het gebruik van gegevens uit verschillende bronnen bij dit cluster de analyse bemoeilijkt. Uitgaven op de overige uitgavenclusters worden voornamelijk bekostigd vanuit de algemene middelen.

3.5 EMU-tekort

Begin 2004 bleek dat het EMU-tekort in 2003 uit kwam boven de grenswaarde van 3% BBP uit het verdrag van Maastricht. Dit tekort was mede veroorzaakt door een hoger dan verwacht EMU-tekort van de decentrale overheden (gemeenten, provincies en waterschappen). Naar aanleiding hiervan zijn afspraken gemaakt met de koepelorganisaties Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), InterProvinciaal Overleg (IPO) en Unie van Waterschappen (UvW) om de informatievoorziening te verbeteren en het EMU-saldo van de decentrale overheden te beheersen. Daarbij is onder andere een macro grenswaarde vastgesteld voor het EMU-saldo van de decentrale overheden, welke is doorvertaald naar de individuele gemeenten, provincies en waterschappen. Begin 2005 is opnieuw de balans opgemaakt. Er is toen geconcludeerd dat het EMU-saldo van de totale overheid uit de gevarenzone van -2,5% BBP is gekomen. Afspraak is het EMU-tekort van de decentrale overheid maximaal 0,5% BBP mag bedragen. Het EMU-tekort van de decentrale overheid kwam in 2005 op 0,3% uit en is daarmee nog relatief groot. Het bestuurlijk overleg financiële verhoudingen zal de ontwikkeling van het EMU-tekort decentrale overheden monitoren.


Om de informatievoorziening verder te verbeteren is een aantal maatregelen getroffen. Zo is een stevige prikkel geïntroduceerd door het toezichtbeleid verder vorm te geven. Het CBS beoordeelt de kwaliteit en tijdigheid van de aangeleverde informatie. Bij blijvende tekortkomingen wordt, na een aanwijzing, op kosten van de medeoverheid door de betreffende toezichthouder gezorgd dat verbetermaatregelen worden genomen. Daarnaast dienen gemeenten en provincies met ingang van de begroting 2006 het EMU-saldo op te nemen in hun begroting. Hierdoor wordt de bewustwording vergroot dat decentrale overheden bijdragen aan het EMU-saldo en kunnen bij een dreigende overschrijding van EMU-grenzen tijdig maatregelen getroffen worden.


Tevens is met VNG, IPO en UvW afgesproken dat de gezamenlijke werkgroep evaluatie normeringsystematiek een structureel regime zal uitwerken voor de beheersing van het EMU-saldo decentrale overheid (t.b.v. de volgende kabinetsperiode). Als sluitstuk van het structureel systeem wordt momenteel regelgeving voorbereid die de minister van Financiën de mogelijkheid geeft een sanctie op te leggen aan de veroorzakers van de overschrijding van de grenswaarde voor het EMU-saldo van de totale overheid. Deze sanctie moet worden gezien als ultimum remedium. Naar verwachting zal de Tweede Kamer in het najaar van 2006 worden geïnformeerd over de uitkomsten van de evaluatie.