Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

2.2 De Nederlandse economie in vogelvlucht

Nederlandse economie op stoom

Ongeveer vanaf het verschijnen van de vorige Miljoenennota is het herstel van de Nederlandse economie echt op gang gekomen. Vorig jaar werd nog een slag om de arm gehouden. De economische opleving was eerder ten onrechte aangekondigd, zodat enige voorzichtigheid geboden was. Vanaf de tweede helft van 2005 laten alle realisaties echter een sterk opgaande lijn zien en intussen is het herstel duidelijk zichtbaar in alle geledingen van de economie. Uit nieuwe cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt bovendien dat de Nederlandse economie in de periode 2003–2005 aanmerkelijk beter heeft gepresteerd dan vorig jaar werd gedacht: de groei over die periode kwam gemiddeld ruim 0,5 procentpunt per jaar hoger uit. Zelfs op het dieptepunt van de conjunctuur was de groei bij nader inzien toch nog positief. Ook blijkt de periode van economische neergang korter: twee jaar in plaats van drie. Achteraf lijkt het erop dat de ingrijpende maatregelen slechts een beperkt en tijdelijk drukkend effect op de economische groei hebben gehad en het beleid dus minder procyclisch was dan eerst werd gedacht. De voorspellingen voor dit en volgend jaar zijn zonder meer goed: vooral de werkloosheid daalt snel1. Dit is goed nieuws voor mensen die nu nog aan de zijlijn staan. Een risico is wel dat er weer tekorten kunnen ontstaan op (delen van) de arbeidsmarkt, wat de economische opleving vroegtijdig zou kunnen smoren. Hier ligt dan ook een voortdurende uitdaging voor de overheid en de sociale partners.

Groei breed gedragen

De hoge olieprijs (zie box 2.2.1) heeft (nog) niet geleid tot een demping van de internationale economische bedrijvigheid: de wereldgroei was zeer sterk in 2004 en 2005 en zal naar verwachting ook de komende tijd hoog blijven. Als gevolg van sterke loonstijgingen tot en met 2002 was de Nederlandse concurrentiepositie verslechterd, zodat nog niet optimaal kon worden geprofiteerd van deze sterke vraag in de rest van de wereld. Toch was de export de afgelopen jaren de belangrijkste (zelfs bijna de enige) pijler van de economische groei. Hieruit blijkt het belang van Europese integratie en internationale stabiliteit voor de Nederlandse economie. Ook in 2006 en 2007 speelt de export een belangrijke rol, mede doordat de verslechtering van de concurrentiepositie eindelijk is gestopt (onder andere dankzij de loonmatiging in de periode 2003–2005). Het is gebruikelijk dat de Nederlandse groei in de beginfase van een conjuncturele opgang wordt gedragen door de export. Inmiddels trekt echter ook de consumptie aan en groeien de bedrijfsinvesteringen weer. Dit betekent dat de economische groei nu breder wordt gedragen. In 2006 en 2007 groeit de Nederlandse economie weer harder dan gemiddeld in het eurogebied. Daarmee wordt het achterblijven van de afgelopen jaren meer dan goedgemaakt. Ook over de langere termijn (vijftien jaar) groeit de Nederlandse economie duidelijk harder dan het eurogebiedgemiddelde (zie figuur 2.2.2).


Box 2.2.1 Directe economische gevolgen van gestegen olieprijzen vooralsnog beperkt


Figuur 2.2.1 Olieprijs en economische groei



kst99352_02.gif

Bron: Datastream


De olieprijzen zijn sinds de eeuwwisseling verdrievoudigd. In reële termen (gecorrigeerd voor inflatie) zijn de prijsrecords van begin jaren tachtig echter nog niet gebroken. Het dempende effect op de economische ontwikkeling is vooralsnog relatief gering. Hiervoor zijn verschillende oorzaken. Ten eerste zijn de olieprijzen geleidelijk en minder schoksgewijs gestegen dan in de jaren tachtig. Ten tweede is de olieprijsgevoeligheid van de meeste economieën veel minder groot dan destijds (die van de Nederlandse economie is gehalveerd sinds de jaren zeventig). Dit komt door efficiënter gebruik van olie en een afname van het relatieve belang van de energie-intensieve industrie ten opzichte van de dienstensector. Ten derde wordt – in tegenstelling tot het verleden – de huidige stijging voornamelijk veroorzaakt door een toename van de vraag (de sterke groei van de wereldeconomie, in het bijzonder in China en de VS), in plaats van door aanbodbeperkingen. Ten slotte draagt geloofwaardig monetair beleid bij aan stabiele inflatieverwachtingen. Hierdoor is het risico gering dat de olieprijsstijging leidt tot een loon-prijsspiraal.


Positief aan de huidige hoge olie- en energieprijzen is dat ze het gebruik van alternatieve energiebronnen stimuleren en gebruikers prikkelen tot een zuiniger gebruik. Energiebesparing levert immers meer op dan in de jaren negentig, toen de prijzen relatief laag waren. Tegelijkertijd investeren producenten recordbedragen in exploratie en raffinage om de vraag bij te houden. Technologische vooruitgang stelt bedrijven in staat om bestaande olievelden beter te exploiteren en om op nieuwe plekken reserves aan te boren. Ter illustratie: halverwege de negentiende eeuw maakte men zich grote zorgen over het uitsterven van de walvissen. Walvisolie was toen namelijk de meest gebruikte energiebron voor verlichting. Pas nadat de prijs van een vat walvisolie naar een nieuw record was geklommen, werd de eerste aardolieput geslagen. Het (bijna) uitsterven van sommige walvissoorten was ecologisch een ramp, maar het licht ging niet uit in de negentiende eeuw: de hoge prijzen zorgden ervoor dat alternatieve energiebronnen werden aangeboord2.


De verwachting is dat de olieprijzen de komende jaren hoog zullen blijven. De aanwezige reservecapaciteit is de afgelopen periode goeddeels gebruikt om de toegenomen vraag te bedienen. Vraag en aanbod liggen nu dicht bij elkaar, waardoor een beperkte aanbodverstoring een groot prijseffect kan hebben. Dreiging van terrorisme, de crisis in het Midden-Oosten en onrust in Afrika en Zuid-Amerika zorgen momenteel voor een gespannen en instabiele markt. Het is goed mogelijk dat blijvend hoge olieprijzen op een gegeven moment wel een groter dempend effect op de economische groei kunnen hebben. De invoering van nieuwe technieken en de aanboring van alternatieve energiebronnen gebeurt niet van de ene op de andere dag, en in de tussentijd moet linksom of rechtsom de prijs van de duurdere olie worden betaald. Tot op heden is het effect van de hoge prijzen echter opmerkelijk klein.

Consumptie en vertrouwen

De particuliere consumptie begon in de loop van vorig jaar weer aan te trekken en vertoont sinds het begin van 2006 de snelste groei in jaren. De consumptie wordt gesteund door de toegenomen werkgelegenheid en door lastenverlichting. In de afgelopen tien jaar was alleen in 2001 de gemiddelde koopkrachtstijging groter (vooral door de belastingherziening in dat jaar). Ook het totale nettovermogen (bezittingen min schulden) van gezinnen stijgt weer flink (met naar schatting ongeveer 90 miljard euro in de eerste helft van 2006). Vooral de consumptie van «duurzame goederen» zoals elektronica en woninginrichting liet vanaf het begin van 2006 een duidelijke stijging zien. Naar verwachting groeit de consumptie volgend jaar verder, in een vergelijkbaar tempo.

Figuur 2.2.2 Cumulatieve economische groei vanaf 1992 (1992=100)



kst99352_03.gif

Bron: Ameco, CBS en CPB


Het positieve nieuws over de economie heeft duidelijk zijn weerslag op het consumentenvertrouwen, dat sinds vorig jaar september stevig in de lift zit. Het Nederlandse consumentenvertrouwen verbeterde sneller dan dat in alle andere EU-landen. Consumenten zijn vooral positiever over de huidige economische situatie en de vooruitzichten voor volgend jaar. De door consumenten gemelde «koopbereidheid» laat ook een opgaande lijn zien, zij het wat minder sterk dan de overige indicatoren. Dat is niet ongebruikelijk in een herstelfase: mensen willen de huid niet verkopen voordat de beer geschoten is. Sinds juni 2006 zijn er in Nederland meer optimisten dan pessimisten. Dat is bovengemiddeld: over de langere termijn zijn volgens de CBS-indicator de pessimisten in Nederland in de meerderheid3.

Meer werk en meer mensen die meedoen

Het mooiste en voor veel mensen het tastbaarste resultaat van de hervonden economische groei is de ommekeer op de arbeidsmarkt. Tijdens de vorige periode van hoogconjunctuur daalde de werkloosheid naar een laagterecord (zie figuur 2.2.3). Na het inzakken van de groei liep de werkloosheid echter snel op en dit werd met name gevoeld door jongeren, allochtonen en laaggeschoolde werknemers. Vooral voor hen is het herstel van de arbeidsmarkt erg goed nieuws.


De cijfers zien er goed uit: de werkloosheid begon rond september 2005 te dalen en sindsdien is de seizoensgecorrigeerde werkloosheid al met meer dan 80 duizend afgenomen. Volgens de meest recente ramingen van het Centraal Planbureau (CPB) daalt de werkloosheid verder, naar gemiddeld 345 duizend in 2007 (een daling van ruim 30 procent ten opzichte van de top van 516 duizend in het begin van 2005). Iedereen profiteert van de aantrekkende arbeidsmarkt: de jeugdwerkloosheid daalt sterk, en ook de werkloosheid onder laaggeschoolden en onder ouderen daalt. De toegenomen werkgelegenheid betreft vooral banen in de marktsector en semipublieke sectoren zoals zorg en onderwijs.


Ook het arbeidsaanbod ontwikkelt zich positief: de participatie van vrouwen en ouderen bleef de afgelopen periode stijgen (ondanks de laagconjunctuur). Ook positief is dat het beroep op uitkeringen eindelijk aan het dalen is. In 2007 is er meer werk en doen meer mensen mee dan in 2003. De gedaalde werkloosheid en gestegen werkgelegenheid zijn voor een groot deel het gevolg van de aantrekkende conjunctuur, maar de maatregelen van de afgelopen jaren helpen mee. Uit verschillende analyses van het CPB blijkt de positieve invloed van de verhoging van de arbeidskorting op de participatie, evenals van de hervormingen van de bijstand en arbeidsongeschiktheidsregelingen op de uitkeringsafhankelijkheid4. Het afschaffen van het fiscaal gefacilieerde prepensioen draagt bij aan een gedragsverandering en zal op de langere termijn leiden tot een verhoging van de participatie van ouderen. Al met al zijn er veel stappen in de goede richting gezet. De vergrijzing zorgt echter voor een blijvende uitdaging op het gebied van arbeidsparticipatie.

Risico van krapte op de arbeidsmarkt

Bij de vorige hoogconjunctuur liep Nederland tegen de grenzen van het arbeidsaanbod aan. Elke winkelstraat hing vol bordjes «personeel gezocht» en nog niet eens afgestudeerde studenten werden gelokt met bonussen en auto’s. De krappe arbeidsmarkt zorgde voor hoge loonstijgingen en dat veroorzaakte weer de snelle verslechtering van de concurrentiepositie. Tegelijkertijd zaten op het hoogtepunt van de conjunctuur nog te veel mensen thuis met een collectief gefinancierde uitkering en bleven te veel werknemers met een vast contract zitten op plekken waar ze niet het productiefst waren. Juist nu het weer beter gaat met de economie is het belangrijk de lessen uit deze periode niet te vergeten. Net als tijdens de vorige opleving (die via een overspannen arbeidsmarkt eindigde in een langdurige periode van laagconjunctuur) trekt de arbeidsmarkt momenteel erg sterk aan – op sommige deelmarkten lijkt het risico van oververhitting zelfs weer aanwezig5. Op de langere termijn zullen demografische trends als ontgroening en vergrijzing bovendien voor extra krapte op de arbeidsmarkt zorgen. De geschiedenis hoeft zich echter niet te herhalen. Ten eerste is het effectieve arbeidsaanbod de afgelopen jaren verder gestegen, mede dankzij de doorgevoerde hervormingen. Doordat de sociale zekerheid in haar geheel meer activerend is gemaakt, kan het economische herstel ervoor zorgen dat veel mensen blijvend uit de uitkering ontsnappen, waarmee de druk op de arbeidsmarkt wordt verlicht. Als de sociale partners de verantwoordelijke opstelling van de afgelopen jaren doorzetten, kunnen zij bovendien bijdragen aan een gematigde loonontwikkeling, zodat de opgang niet onnodig snel wordt afgeremd door te hoge loonstijgingen.

Mobiliteit

Arbeidsmarktflexibiliteit is meer dan alleen maar zorgen dat mensen zonder werk snel weer een betaalde baan vinden. Het is minstens zo belangrijk dat mensen mét een baan ook daadwerkelijk op de goede plek zitten. De dynamiek op de Nederlandse arbeidsmarkt lijkt internationaal gezien relatief hoog en neemt bovendien verder toe6. Tegelijkertijd blijkt uit internationale vergelijkingen dat vooral de mobiliteit van werknemers met een vast contract nog relatief beperkt is, mede als gevolg van de relatief sterke ontslagbescherming en soms royale cao-voorwaarden die deze werknemers genieten7. Verdere flexibilisering van het arbeidsaanbod kan worden bereikt door goed te bezien of het totaalpakket van rechten en plichten voor werknemers en werkgevers nog wel optimaal voldoet aan de eisen van de huidige maatschappij. Hier ligt ook een voortdurende uitdaging voor de sociale partners. Het kabinet heeft de Sociaal Economische Raad (SER) daarom gevraagdom dit onderwerp te betrekken bij zijn advies voor het beleid op de middellange termijn.

Figuur 2.2.3 Werkloosheid sinds begin 2003



kst99352_04.gif

Bron: CBS

Bedrijven staan er goed voor

Ondanks de economische neergang is de winstgevendheid van bedrijven de afgelopen jaren redelijk op peil gebleven (in tegenstelling tot eerdere recessies). Het Nederlandse bedrijfsleven heeft zich via – soms ingrijpende – herstructureringen vrij snel kunnen aanpassen aan de economische ontwikkelingen8. Deze relatieve flexibiliteit kan – naast effecten van beleid – een mogelijke verklaring zijn voor het opmerkelijk sterke herstel op de arbeidsmarkt: doordat bedrijven hun zaken op orde hadden, konden ze bij de eerste tekenen van economische opleving weer nieuw personeel aannemen. De afgelopen jaren is flink geïnvesteerd in verdere verbetering van het ondernemingsklimaat (zie hoofdstuk 3 en 4 voor details over onder andere «Werken aan Winst»). Deze maatregelen lijken ook bij te dragen aan het sterke vertrouwensherstel: ondernemers in de industrie waren in juli zelfs positiever dan ooit eerder gemeten9.

Minder regels

De maatregelen om de administratieve lasten te verlichten zijn ook goed voor het ondernemingsklimaat. Zo wordt in 2007 één omgevingsvergunning ingevoerd. Deze vergunning vervangt alle afzonderlijke vergunningen die een ondernemer moet aanvragen als hij bijvoorbeeld de achterkant van zijn bedrijfspand wil uitbouwen (zie voor details ook hoofdstuk 3). Internationaal is er veel lof voor deze Nederlandse aanpak: in de publicatie «Doing Business» geeft de Wereldbank Nederland hiervoor een pluim en adviseert deze aanpak aan ontwikkelingslanden. De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) maakt in haar vergelijkend onderzoek naar bureaucratie gebruik van de Nederlandse methodiek om de administratieve lasten te verlichten. De Europese Commissie geeft Nederland een compliment in de laatste Lissabonreview. Inmiddels zijn er steeds meer lidstaten die de Nederlandse aanpak (kosten van administratieve lasten kwantificeren via standaardkostenmodel, en vervolgens kwantitatieve taakstelling) integraal toepassen: het Verenigd Koninkrijk, Denemarken, Oostenrijk, Duitsland, Tsjechië. Verder is er een waslijst van landen die met de Nederlandse methodiek proefdraaien.

Vooruitzichten: redelijke groei

De economische vooruitzichten voor dit en volgend jaar zijn zonder meer goed. Voor de periode daarna (2008–2011) becijfert het CPB een groei van het bruto binnenlands product (bbp) van bijna 2 procent. Dat is een redelijke, maar zeker geen spectaculaire groei10. De modernisering van de sociale zekerheid heeft ook in de ramingen van het CPB een positief effect op de arbeidsparticipatie11. De afgelopen jaren heeft de toegenomen participatie een duidelijke groei-impuls opgeleverd en ook in de komende periode levert de verder stijgende participatie een positieve bijdrage. Toch is de positieve invloed van het arbeidsaanbod op de groei beperkt, aangezien de totale beroepsbevolking als gevolg van de vergrijzing minder snel zal stijgen dan in het verleden. Omdat het CPB wel een stijging van de groei van de arbeidsproductiviteit raamt (naar iets boven het gemiddelde groeitempo van de afgelopen vijftien jaar), wordt per saldo een redelijke groei becijferd.

1  Zie Macro Economische Verkenningen 2007 van het CPB voor de ramingen voor 2006 en 2007.

2  Bron:.Bardi, U. 2004, Prices and Production over a complete Hubbert Cycle: the Case of the American Whale Fisheries in 19th Century, Firenze, Dipartimento di Chimica.

3  Dat geldt overigens ook voor bijvoorbeeld de Duitse en Amerikaanse indicatoren voor het consumentenvertrouwen en zegt dus niet noodzakelijkerwijs iets over de Nederlandse volksaard (over de langere termijn zijn Nederlanders zelfs optimistischer dan de gemiddelde EU-burger).

4  Zie o.a. Ewijk, C. van, c.s., 2006, Ageing and the Sustainability of Dutch Public Finances, CPB Bijzondere Publicatie 61 ; Mooi, R. de, 2006, Reinventing the welfare state, Bijzonder Publicatie 60 ; en Stegeman H. en A. van Vuren, 2006, Wet Werk en Bijstand: Een eerste kwantificering van effecten, CPB Document 120.

5  Volgens gegevens van Nielsen Media Research was het aantal personeelsadvertenties in de eerste helft van 2006 37 procent hoger dan in dezelfde periode van 2005.

6  Zie Miljoenennota 2006, pagina 16.

7  Zie CPB, 2006, Centraal Economisch Plan 2006; en Bouman, M., 2006, Hollandse overmoed, Amsterdam: Uitgeverij Balans.

8  De Nederlandsche Bank, Jaarverslag 2005.

9  Begin van de meting is in 1985.

10  CPB Document 117, Het groeipotentieel van de Nederlandse economie tot 2011.

11  Vuuren, D. van en R. Euwals, 2006, De structurele groei van het arbeidsaanbod op de middellange termijn, CPB memorandum 155.