Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

2.3 Het belang van economische dynamiek en verandering

Toekomstige groei vooral door verhoging productiviteit

Economische groei ontstaat door het inzetten van meer productiefactoren (arbeid, kapitaal) of door het beter benutten van productiefactoren (slimmer werken, innovatie). In de decennia na de oorlog kon Nederland hard groeien door het gebruik van extra kapitaal en door kennis over te nemen van meer productieve landen («catching up»). Sinds de jaren tachtig is Nederland een van de productiefste landen ter wereld, dus «gemakkelijke» inhaalgroei zit er niet meer in. Een sterke stijging van de arbeidsparticipatie kon in de jaren negentig nog een belangrijke bijdrage leveren aan de economische groei. Mede dankzij het gevoerde beleid neemt de totale participatie op dit moment nog steeds toe (zie paragraaf 2.2), maar vanwege de vergrijzing kan op de langere termijn vanuit de extra inzet van arbeid geen groei-impuls meer worden verwacht. Toekomstige groei zal daarom vooral moeten komen van verhoging van de productiviteit. Daarvoor zijn een betere inzet én een hogere kwaliteit van arbeid en kapitaal nodig. Kennis speelt daarbij een essentiële rol. Er zal slimmer moeten worden gewerkt. Een verdere versterking van de dynamiek is daartoe onontbeerlijk en daarom was dit een van de belangrijkste doelstellingen van het gevoerde beleid in de afgelopen jaren.

Randvoorwaarden voor een dynamische samenleving

Elke generatie worstelt met het idee dat de natuurlijke hulpbronnen opraken en dat alle ideeën wel zo’n beetje zijn bedacht. En elke generatie onderschat daarmee de mogelijkheden voor nieuwe ideeën en toepassingen12. Innovatie is per definitie moeilijk te voorspellen en daarom ook moeilijk te sturen. Maar de les van de economische geschiedenis sinds de industriële revolutie is dat innovatie zal plaatsvinden zolang de randvoorwaarden goed zijn en zolang een maatschappij voldoende dynamiek kent. Dynamiek en verandering zijn niet alleen noodzakelijk, maar ook inherent aan de moderne maatschappij. Deze inzichten werden in de eerste helft van de vorige eeuw al uitvoerig beschreven door de Oostenrijkse econoom Schumpeter13en gelden tegenwoordig onverminderd. Het streven naar vooruitgang zit in de mens en is niet van bovenaf opgelegd. Het is aan de overheid om de juiste randvoorwaarden te scheppen zodat iedereen ook echt de kans krijgt het beste uit zichzelf te halen, zodat ondernemers worden geprikkeld te ondernemen, zodat initiatief en nieuwe ideeën worden beloond.


Box 2.3.1 Meer waar voor je werk


Eén van de gevolgen van economische groei is dat je meer waar voor je werk krijgt. Dankzij technologische vooruitgang worden werknemers productiever en krijgen ze een hogere beloning voor hun arbeid. Tegelijkertijd kunnen de meeste producten goedkoper (bijvoorbeeld met minder arbeid) worden geproduceerd. Gevolg is dat steeds meer oorspronkelijk «luxe» producten binnen bereik komen van de gemiddelde werknemer. Dit punt wordt ook gemaakt door Schumpeter (in 1942): de grootste winst van kapitalisme (en de bijbehorende economische groei) is niet dat de koningin meer zijden kousen kan kopen, maar juist dat deze (toen nog) uitzonderlijke luxe ook binnen het bereik komt van «gewone» fabrieksmeisjes14. Deze baten van economische groei worden inzichtelijk door te kijken naar het aantal uur dat een gemiddelde Nederlandse werknemer moet werken om bepaalde producten te kunnen betalen. Wanneer de uitkomsten voor 1970 en 2006 met elkaar worden vergeleken, wordt de grote economische vooruitgang in de afgelopen decennia duidelijk.


De prijzen van 1970 komen uit reclamefolders van dat jaar. Door de prijzen te delen door het gemiddelde nettoloon uit 1970, wordt duidelijk hoeveel uur werk het desbetreffende product toen «kostte». Vervolgens is eenzelfde berekening gemaakt voor 2006. De producten in 2006 zijn zo gekozen dat ze zo veel mogelijk vergelijkbaar zijn met die uit 1970, hoewel dat niet in alle gevallen helemaal mogelijk is (veel producten zijn in 2006 van een betere kwaliteit en hebben bijvoorbeeld meer functies).


Bijna alle producten zijn in 2006 duurder dan in 1970. De «prijs» uitgedrukt in gewerkte uren laat echter een heel ander beeld zien. In 1970 moest een werknemer bijvoorbeeld 7,4 uur (bijna een hele dag) werken om een donzen hoofdkussen te kunnen betalen. Tegenwoordig is de werknemer in minder dan 2 uur al klaar. De rest van de dag kan geld worden verdiend voor andere zaken – of kan de werknemer zijn nieuwe kussen uitproberen.

Figuur 2.3.1 Aantal gewerkte uren per product in 1970 en 2006



kst99352_05.gif

Bron: Reclamefolders van verschillende warenhuizen, internetwinkels, CPB en eigen onderzoek.


Bovenstaand voorbeeld is slechts een illustratie. Het zegt niets over bijvoorbeeld woonlasten en de kosten van arbeidsintensieve diensten zoals zorg. Woonlasten zijn gestegen als aandeel van de totale bestedingen, wat betekent dat de gemiddelde werknemer nu langer werkt voor zijn huis (dat is over het algemeen wel een beter en groter huis). Voor goederen geldt echter bijna zonder uitzondering: dankzij economische groei meer waar voor je werk!


Dynamiek is niet alleen cruciaal voor voortdurende economische groei, maar heeft ook onmisbare positieve neveneffecten op een samenleving. Dit is het kernpunt van de econoom Benjamin Friedman in zijn boek «The moral consequences of economic growth»15. Op basis van gedetailleerd historisch onderzoek constateert hij dat economische dynamiek en groei ieders mogelijkheden vergroten. Bovendien dragen dynamiek en groei bij aan tolerantie, aan sociale mobiliteit, aan sociaal beleid, aan het wegnemen van regelgeving en aan meer democratische besluitvorming. Tijdens periodes van hoge economische groei is er over het algemeen meer aandacht voor de positie van kansarmen en is er meer ruimte voor de eigen verantwoordelijkheid van burgers, meer persoonlijke vrijheid en meer ruimte voor inspraak. Economische groei zorgt zo bovendien voor een opwaartse spiraal: dankzij het verbeterde perspectief, dankzij de ruimte voor eigen initiatief wordt innovatie gestimuleerd, wat weer leidt tot nieuwe groei. Daarentegen worden landen tijdens perioden van economische neergang over het algemeen minder tolerant, meer behoudend en meer in zichzelf gekeerd, en wordt (sociale) innovatie afgeremd of zelfs teruggedraaid. Als voorbeeld noemt Friedman de opkomst van verschillende extremistische bewegingen in tijden van economische stagnatie.

Geld maakt niet gelukkig?

Vooral in rijke landen – en vooral in goede tijden – wordt het belang van economische groei gerelativeerd16. Zo betoogt de Britse econoom Layard17 dat mensen ondanks de economische groei in de rijke landen sinds de jaren vijftig niet gelukkiger zijn geworden. Een van de voornaamste oorzaken hiervoor is volgens Layard dat mensen geluk niet ontlenen aan absolute, maar aan relatieve rijkdom. Iedereen kijkt naar elkaar, jaagt elkaar op in een eindeloze «ratrace»: er wordt steeds harder gewerkt om in elk geval maar niet achter te blijven bij de buren. Maar uiteindelijk wordt niemand echt gelukkiger van al dat harde werken. Layard beveelt daarom onder andere aan om de«ratrace» af te remmen met veel hogere belastingen, zodat we worden gedwongen meer van onze vrije tijd te genieten. Het vertrekpunt van Layard is de geluksbeleving van het individu. Mensen ontlenen geluk aan tal van factoren, zoals liefde, hobby’s, vakantie, lekker en/of veel eten, luieren, seks, religie en een doelpunt van het Nederlands elftal. Lang niet al deze factoren hangen direct samen met economische rijkdom. Zo bezien heeft Layard een punt: geld alleen maakt niet gelukkig.

Zonder dynamiek geen perspectief

Wat in de analyse van Layard echter ontbreekt, zijn de positieve gevolgen (externe effecten) van de inspanningen van het ene individu op de vooruitzichten en kansen van de ander. Als ondernemers niet worden geprikkeld te investeren, nemen de kansen op werk voor werknemers af. De uitkering van de één betekent belasting voor de ander. Werknemers die de kantjes ervan af lopen, verminderen de vooruitzichten voor hun collega’s. De ontdekking van één gedreven wetenschapper kan leiden tot de genezing van velen. Creativiteit, innovatie en vooruitgang zijn allemaal vruchten van hard werken. Een samenleving die hard werken en vooruitgang ontmoedigt, is uitermate kwetsbaar. De aanbeveling van Layard om werk meer te belasten is dus niet verstandig, in plaats daarvan zet het kabinet juist in op versterking van de dynamiek.


Box 2.3.2 Groeitempo maakt groot verschil


Het belang van dynamiek en groei wordt geïllustreerd door de langetermijntoekomstscenario’s van het CPB (de «vier vergezichten»)18. Zelfs in het minst optimistische scenario («regional communities» – met nauwelijks institutionele hervormingen, geen handelsliberalisatie en gebrek aan concurrentie) blijft de Nederlandse economie de komende decennia groeien en worden de Nederlanders dus steeds rijker. Toch is het niet verstandig dit weinig dynamische scenario maar meteen te omarmen. De groei van het bbp per capita is in dit scenario met gemiddeld 0,7 procent beduidend lager dan we gewend zijn, terwijl de werkloosheid flink stijgt (naar gemiddeld 7,3 procent). Vooral over de langere termijn is een laag groeitempo funest: doordat groei exponentieel is (groei op groei) kunnen kleine verschillen in groeitempo over de lange termijn ingrijpende gevolgenhebben. Dit kan worden geïllustreerd met een gedachte-experiment: stel dat Nederland sinds de jaren vijftig was gegroeid volgens het langzame scenario, dan had ons land nu een levensstandaard (bbp per capita) gehad die lager ligt dan die van Estland (en maar net boven die van landen als Slowakije en Mexico)19. Bovendien was Nederland waarschijnlijk geen gelukkig land geweest: de groei was de afgelopen vier jaar (2002–2005) gemiddeld genomen hoger dan die in het langzame scenario. Toch werd deze periode van economische neergang als «moeilijk» en vervelend gezien: de werkloosheid liep snel op en veel mensen gingen er in koopkracht op achteruit. Om deze reden is het langzame scenario van het CPB voor het kabinet geen acceptabel perspectief – ook volgende generaties hebben recht op een gezonde groei en op een dynamische samenleving.

Nieuwe zekerheden komen in de plaats van oude

De afgelopen jaren is flink geïnvesteerd in het versterken van de dynamiek, in het verbeteren van de randvoorwaarden voor groei. Het gaat hierbij niet alleen om geld (uit onder andere het Fonds Economische Structuurversterking - FES), maar vooral ook om instituties. Denk aan de verbetering van het ondernemingsklimaat, de modernisering van de sociale zekerheid, de flexibilisering van de arbeidsmarkt (inclusief gemakkelijkere toegang van buitenlandse kenniswerkers) en aan transparanter ondernemingsbestuur. Waar nodig geeft de overheid startende of innovatieve ondernemers een extra zetje in de rug via generieke regelingen zoals de Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO) en de octrooibox in de vennootschapsbelasting, of via specifieke regelingen uit het instrumentarium van Economische Zaken. Bovendien is extra geïnvesteerd in het onderwijs. In hoofdstuk 3 wordt nader ingegaan op het kennisbeleid van het kabinet en op het belang van het fiscale pakket «Werken aan Winst».


Beleid gericht op versterken van de dynamiek betekent dat oude zekerheden verdwijnen. Op korte termijn kan het daarom lijken alsof de toegenomen dynamiek de onzekerheid vergroot. De moderne samenleving is echter als een fiets: economische dynamiek zorgt ervoor dat de wielen blijven draaien. Zolang de wielen hard genoeg draaien, is de fiets stabiel. Juist het vermogen tot verandering, juist de dynamiek, zorgt zo voor zekerheid. Wanneer als gevolg van gebrekkige dynamiek de groei afneemt of zelfs tot stilstand komt, komt de samenleving in problemen. Voor de maatschappij als geheel geldt dan dat stilstand (gebrek aan dynamiek) daadwerkelijk tot achteruitgang leidt. Het krampachtig proberen te handhaven van specifieke banen in specifieke sectoren lijkt op korte termijn wel de baanzekerheid voor een specifieke groep te vergroten, maar dat is schijnzekerheid. Door het gebrek aan dynamiek zal er op de langere termijn namelijk minder werk zijn – en dus minder werkzekerheid. De modernisering van de sociale zekerheid kan op korte termijn voor onrust zorgen – zeker bij mensen die nu afhankelijk zijn van een uitkering. Daarom is het ook belangrijk te zorgen voor goede overgangstermijnen (zie paragraaf 2.4). De hervormingen zorgen er echter voor dat het stelsel toekomstbestendig is en vergroten zo juist de langetermijnstabiliteit.

12  Romer, P.M., 2002, Economic Growth, in: The concise encyclopaedia of economics.

13  Zijn belangrijkste werk is: Schumpeter, J, 1962 Capitalism, Socialism and Democracy, New York: Harper and Row.

14  Ibidem, pagina 67 van de derde druk.

15  Friedman, B.M., 2005 The moral consequences of economic growth, New York: Alfred A. Knopf.

16  Zie bijvoorbeeld het debat in NRC Handelsblad: achtereenvolgens op 8 april een betoog van Paul de Beer, op 15 april een reactie van Laurens Jan Brinkhorst, een betoog van Cyrille Offermans op 27 mei, de reactie van Piet Emmer op 24 juni, op 1 juli weer een reactie van zowel Offermans als De Beer en daarop weer een reactie van Emmer op 8 juli.

17  Layard, P.R.G., 2005 Happiness, lessons from a new science, London: Penguin.

18  Huizinga, F. en B. Smid, 2004 Vier vergezichten op Nederland: productie, arbeid en sectorstructuur in vier scenario’s tot 2040, CPB Bijzondere Publicatie nr. 55.

19  Eigen berekening, op basis van data van CBS en IMF.