Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

2.4 Keuzes maken

De afgelopen jaren is gewerkt aan een verdere versterking van de Nederlandse economie. De dynamiek is vergroot, waardoor het toekomstperspectief voor Nederland is verbeterd. Dat is voor alle Nederlanders goed nieuws. Tegelijk doen in elk geval op korte termijn sommige maatregelen voor bepaalde groepen mensen pijn. Dat is het onvermijdelijke gevolg van het maken van keuzes. Bij het maken van beleid is immers altijd sprake van verschillende belangen, waarbij het aan de politiek is om de verschillende soorten kosten en baten tegen elkaar af te wegen. Aan de hand van drie klassieke tegenstellingen wordt in deze paragraaf geïllustreerd welke keuzes dit kabinet maakt en wat de consequenties zijn van de keuze voor dynamiek en versterking van het langetermijngroeivermogen van de Nederlandse economie.

2.4.1 Kiezen voor de lange termijn

Een zeer bekende belangentegenstelling is die tussen de korte en de lange termijn. Beleid dat «goed» of wenselijk is op de korte termijn, is dat niet noodzakelijkerwijs ook op de lange(re) termijn. Investeren in de toekomst kost op korte termijn geld, maar levert hopelijk in de toekomst meer op. Een lagere officiële rente leidt op korte termijn waarschijnlijk tot extra economische activiteit, maar op lange termijn tot hogere inflatie en meer instabiliteit (daarom is in bijna alle landen het monetair beleid uitbesteed aan een onafhankelijke centrale bank, die zich kan onttrekken aan de waan van de dag). Beleidsmakers moeten altijd afwegen of wat goed is op korte termijn, ook goed is voor de lange termijn en vice versa.


De Miljoenennota 2006 ging uitvoerig in op de uitdagingen die het gevolg zijn van de vergrijzing, globalisering en technologische vooruitgang. Hoewel het hier gaat om urgente kwesties waar Nederland nú al mee te maken heeft, zijn het toch vooral langetermijnuitdagingen die vragen om een langetermijnvisie in het beleid. Het kabinetsbeleid is daarom met name gericht op de toekomst: de modernisering van de sociale zekerheid, de hervorming van het zorgstelsel, het op orde brengen van de overheidsfinanciën, de modernisering van het immigratiebeleid, het woonbeleid, milieubeleid, ruimtelijk beleid, investeringen in fysieke infrastructuur en in onderwijs en innovatie. Al deze maatregelen zorgen ervoor dat Nederland er in de toekomst sterker voor staat. Dit in tegenstelling tot veel andere landen, waar nog een begin moet worden gemaakt met het aangaan van de langetermijnuitdagingen.

Timing van de maatregelen

Sommige van de hervormingen zijn goed voor de lange termijn, maardeden op korte termijn pijn. Deze pijn werd extra gevoeld doordat sommige maatregelen zijn doorgevoerd op het moment dat de economie tegenzat. Uiteraard is het beter om het dak te repareren als de zon schijnt dan wanneer het regent. Maar het is niet verstandig de reparatiewerkzaamheden af te breken zodra het weer omslaat. Helaas blijkt het in praktijk bovendien erg moeilijk om van tevoren precies te voorspellen wanneer de economie zich in een conjuncturele opgang of neergang zal bevinden. Zo was enerzijds de scherpte van de neergang in 2001 en 2002 niet voorspeld, maar blijkt anderzijds de groei over de periode van 2003 tot 2005 achteraf ruim 0,5 procentpunt per jaar hoger dan vorig jaar nog werd geraamd. Bij het aantreden van het kabinet-Balkenende II was het duidelijk dat ingrijpen met het oog op de lange termijn noodzakelijk was. Wachten tot het economische getij gunstig gezind was, betekent in de (politieke) praktijk een uitstel van onbekende duur en daarmee extra onzekerheid. Het was immers wél duidelijk dat er op termijn iets moest gebeuren. Uitstel van broodnodige hervormingen betekent kiezen voor de korte termijn ten koste van de lange termijn en dat is niet de keuze van het kabinet. Doordat meteen actie is ondernomen, kan Nederland nu ten volle profiteren van de economische opleving. Nu de zon begint te schijnen, is het Nederlandse dak alweer op orde en groeit Nederland weer harder dan het eurogebiedgemiddelde. Een volgend kabinet kan nu onder betere weersomstandigheden doorgaan met het aanbrengen van vergrijzingsbestendige isolatie.

Aandacht voor kortetermijnontwikkelingen

De keuze voor de lange termijn betekent niet dat het kabinet geen oog heeft voor kortetermijnontwikkelingen. Hoewel de koopkracht zich de afgelopen jaren minder positief heeft ontwikkeld dan men zou willen, is het beleid zo vormgegeven dat de hervormingen niet tot grotere inkomensverschillen hebben geleid (zie paragraaf 2.4.2). Belangrijker nog is dat, mede dankzij de genomen maatregelen, de arbeidsmarkt zich relatief snel kon herstellen van de economische neergang. Op de lange, maar zeker ook op de korte termijn is werkgelegenheid immers veel belangrijker voor de inkomenspositie van mensen dan een kwart procentpunt meer of minder koopkracht (en veel belangrijker voor het «geluk»). Daarnaast laat het gebruik van overgangsregimes zien dat het kabinet oog heeft voor kortetermijneffecten en de onrust die hervormingen kunnen veroorzaken (denk aan de overgangsregimes voor oudere WAO’ers en WW’ers). Bij het afschaffen van het fiscaal gefacilieerde prepensioen is er ook voor gezorgd dat werkgevers en werknemers voldoende ruimte hebben om met elkaar een overgangsregime af te spreken.

De lange termijn

Het kabinet kiest voor de lange termijn, zonder de korte termijn uit het oog te verliezen. Dankzij de genomen maatregelen staat Nederland er structureel beter voor. Dat betekent niet dat het beleid nu «af» is. Ook in de toekomst moet worden gekozen tussen de korte en de lange termijn. Dat blijkt onder andere uit devergrijzingsstudie van het CPB20. In deze studie wordt onder meer geconcludeerd dat als gevolg van de oplopende vergrijzingskosten, de overheidsfinanciën onhoudbaar zijn bij ongewijzigd beleid. Mede op basis van deze berekeningen beveelt de ambtelijke Studiegroep Begrotingsruimte21 aan om in de volgende kabinetsperiode flinke keuzes te maken. Om ontsporing van de overheidsfinanciën te voorkomen, is een structurele beleidsinspanning noodzakelijk in de orde van grootte van 3 procentpunt bbp (op basis van berekeningen onder bepaalde vooronderstellingen over bijvoorbeeld de rente). De Studiegroep Begrotingsruimte suggereert een combinatie van hogere arbeidsparticipatie, hervorming van vergrijzingsgerelateerde instituties (AOW, zorg) en «gewone» ombuigingen. Overigens is in de afgelopen jaren al een aantal belangrijke stappen gezet op weg naar vergrijzingsbestendige overheidsfinanciën. In box 2.4.1 wordt ingegaan op het belang van de structurele hervormingen voor de houdbaarheid. Bovendien is, sinds het aantreden van het kabinet-Balkenende II, via ombuigingen het structureel saldo verbeterd met ruim 2 procentpunt. Zo beschouwd is tijdens deze periode dus al zeer veel gedaan om de overheidsfinanciën – en de Nederlandse economie – vergrijzingsbestendig te maken.


Box 2.4.1 Hervormingen goed voor ouderenparticipatie en houdbare overheidsfinanciën


In de afgelopen jaren is sterk ingezet op hervorming van de sociale zekerheid. De hervormingen zijn gericht op het verhogen van de arbeidsparticipatie van – vooral – oudere werknemers. Denk aan maatregelen als de verlenging van de loondoorbetaling bij ziekte, de aanscherping van de bijstand (Wet werk en bijstand - WWB), de invoering van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) en de aanpassingen in de Werkloosheidwet (WW) en de regelingen voor vervroegde uittreding (VUT/prepensioen). Hierdoor zijn er – zowel voor werkgevers als voor werknemers – nieuwe prikkels ingebouwd die ervoor zorgen dat oudere werknemers in de toekomst langer bij het arbeidsproces worden betrokken.


Ook voor de houdbaarheid van de overheidsfinanciën pakken deze hervormingen positief uit. Zo komen de uitgaven aan arbeidsongeschiktheids- en werkloosheidsuitkeringen op de langere termijn 2½ procentpunt bbp lager uit dan in 2000 nog werd aangenomen. De hogere participatie zorgt – via een vergroting van het draagvlak voor de collectieve voorzieningen – voor een additionele verbetering van de houdbaarheid met 1 procentpunt bbp. Bij elkaar betekent dit dat de hervormingen van de afgelopen jaren hebben gezorgd voor een verbetering van de toekomstige houdbaarheid van de overheidsfinanciën met 3½ procentpunt bbp.

2.4.2 Kiezen voor prikkels

Beleid gericht op een gelijkere inkomensverdeling kan ten koste gaan van de economische prestaties van een land22. Het duidelijkste voorbeeld was het contrast tussen het kapitalistische Amerika en de communistische Sovjet-Unie. De grote inkomensverschillen in de VS vormden een sterke prikkel om hard te werken en zo de «Amerikaanse droom» na te streven. Het resultaat was een snel groeiende en innovatieve economie (met tegelijkertijd soms schrijnende inkomensongelijkheid). In de Sovjet-Unie stond de gelijke verdeling op de eerste plaats, consequentie was dat hard werken juist niet of nauwelijks werd beloond (waardoor mensen minder gestimuleerd werden om hun best te doen of om te investeren in kennis en vaardigheden). In de Nederlandse context komt deze afruil tussen herverdeling en doelmatigheid in het bijzonder tot uiting in de discussie over de «armoedeval» en de«werkloosheidsval». Mede dankzij inkomensafhankelijke regelingen (zoals de huurtoeslag en de zorgtoeslag) gaat iemand met een uitkering er onder sommige omstandigheden niet of nauwelijks op vooruit als hij een betaalde baan accepteert, en gaat iemand met een laag loon er nauwelijks op vooruit als hij meer gaat werken. De verschillende maatregelen gericht op inkomensondersteuning ontmoedigen zo het arbeidsaanbod en dat is schadelijk voor de Nederlandse economie23. Juist door de afruil tussen gerichte inkomensondersteuning en prikkels voor arbeidsparticipatie is het moeilijk de armoedeval en werkloosheidsval volledig op te lossen. Bij het formuleren van beleid moet rekening worden gehouden met dit «dilemma tussen gelijkheid en doelmatigheid» – zoals uitgebreid beschreven in deCPB-studie over de toekomst van de welvaartsstaat. Zo zou een (hoog) basisinkomen voor iedereen wel voor gelijkheid zorgen, maar niet voor een doelmatige manier van herverdelen. Er wordt dan immers veel geld gegeven aan mensen die eigenlijk geen inkomensondersteuning nodig hebben. De overheid moet daarvoor de belastingdruk flink opschroeven, wat weer tot grote verstoringen leidt.


Zoals beschreven in paragraaf 2.3 kiest het kabinet voor groei. Dat betekent echter niet dat deze keuze ten koste hoeft te gaan van de inkomensgelijkheid, mits gebruik wordt gemaakt van goed ontworpen prikkels. Nederland kent internationaal gezien een hoge mate van inkomensgelijkheid en uit enquêtes blijkt dat de Nederlandse bevolking dit ook belangrijk vindt24. Hoewel er tot op zekere hoogte altijd sprake is van een afruil, blijkt het met zorgvuldig vormgegeven prikkels mogelijk de economie te stimuleren zonder de inkomensongelijkheid (substantieel) te vergroten of de inkomenszekerheid in gevaar te brengen. En dat is de afgelopen jaren ook gebeurd.

Hoe vindt inkomensherverdeling plaats en wat is het resultaat?

Herverdeling door de overheid kent vele instrumenten. Het progressieve belastingstelsel, in combinatie met de inkomensafhankelijke toeslagen is belangrijk. Zo kent het nieuwe zorgstelsel inkomenssolidariteit, door de zorgtoeslag en inkomensafhankelijke bijdrage. Volgens een vaak gehanteerde maatstaf van inkomens(on)gelijkheid (de Gini-coëfficiënt25) is de inkomensongelijkheid in Nederland vergelijkbaar met die in de VS, wanneer wordt gekeken naar het bruto-inkomen (vóór belastingen en inkomensoverdrachten). Na belastingen (en uitkeringen, toeslagen en subsidies) is de inkomensverdeling in Nederland echter veel evenwichtiger dan in Amerika26. In de CPB-paper«Measuring Lifetime Distribution in Dutch Collective Arrangements»27 kijkt het CPB naar een bredere maatstaf van herverdeling: zo wordt onder andere het nettoprofijt van overheidsuitgaven aan onderwijs, zorg en cultuur meegerekend en wordt gekeken naar het profijt over de gehele levensloop. Hoger opgeleiden profiteren bijvoorbeeld relatief veel van uitgaven aan (hoger) onderwijs en aan cultuur. Lager opgeleiden profiteren weer meer van collectieve uitgaven aan zorg en van de huurtoeslag28. Conclusie is dat het totaal van collectieve arrangementen tot een aanzienlijke demping van de inkomensverschillen in Nederland leidt.

Evenwichtige inkomensverdeling

Het resultaat van deze herverdeling is dat de inkomensongelijkheid in internationaal perspectief zeer laag is: gemeten volgens de Gini-coëfficiënt kent Nederland een van de meest gelijke inkomensverdelingen ter wereld29. Een overzicht van de ontwikkelingen sinds 2003 wijst bovendien op een verder afnemende ongelijkheid: huishoudens onder de lage-inkomensgrens scoren in deze periode beter dan huishoudens boven de lage-inkomensgrens30. Over de langere termijn (1992–2004) is de ongelijkheid evenmin toegenomen, concluderen Irrgang en Hoeberichts31. Ook de «relatieve armoede» is internationaal gezien laag. Eurostat gebruikt als maatstaf voor relatieve armoede een grens van 60 procent van het mediane inkomen32. In Nederland was de relatieve armoede volgens dit criterium met 12 procent in 2003 (meest recente cijfer) gelijk aan die in 1996 en een van de laagste in Europa. Het aantal inkomens met een laag inkomen33 (gebaseerd op het uitkeringsniveau in 1979, gecorrigeerd voor inflatie) is afgenomen van 15,3 procent in 1993 tot naar schatting 9,7 procent in 2006. Ook internationaal draagt Nederland zijn steentje bij aan een evenwichtigere inkomensverdeling tussen rijk en arm. In augustus is Nederland nog uitgeroepentot de relatief belangrijkste armoedebestrijder in de wereld34.


De broodnodige maatregelen die in Nederland zijn genomen om de prikkels te verbeteren, hebben in individuele gevallen tot soms forse inkomensachteruitgang geleid. Maar ze hebben niet geleid tot een algemene toename van de ongelijkheid. In de praktijk blijkt Nederland dus een goede balans te hebben gevonden bij de afruil tussen gelijkheid en doelmatigheid – mede als gevolg van een succesvol participatiebeleid.

Werk: hét medicijn tegen ongelijkheid en vóór sociale integratie

Hiervoor is vooral ingegaan op de herverdeling van inkomen. De focus op koopkrachtplaatjes is vooral een focus op de korte termijn. De meest effectieve manier om op lange termijn inkomensongelijkheid te bestrijden is echter via een hoge arbeidsparticipatie en lage werkloosheid. Ter illustratie: mensen die hun uitkering behielden, zagen in 2004 hun koopkracht verbeteren met 0,2 procent. Mensen die van een uitkeringssituatie naar een betaalde baan overstapten, kregen gemiddeld 15,1 procent meer koopkracht35. Dit soort dynamische koopkrachteffecten zijn niet zichtbaar in de «standaard» koopkrachtplaatjes, maar hebben over het algemeen een veel grotere invloed dan kleine aanpassingen in het standaard koopkrachtbeeld. Werk draagt niet alleen via inkomen bij aan de vermindering van maatschappelijke ongelijkheid, het biedt mensen bovendien de mogelijkheid om hun talenten te ontplooien en om sociaal te integreren. Wat betreft stimulering van het arbeidsaanbod en de werkgelegenheid (en het terugdringen van uitkeringsafhankelijkheid) is er voor het kabinet daarom geen tegenstelling tussen gelijkheid en doelmatigheid: hogere werkgelegenheid is een win-win situatie. Ook de ingezette loonmatiging (die heeft geleid tot hogere werkgelegenheid), draagt op die manier op de langere termijn bij aan een gelijkere inkomensverdeling.


Concluderend: kiezen doet altijd pijn, maar de keuze voor groei hóeft niet ten koste te gaan van een evenwichtige inkomensverdeling. Nederland bewijst dat bij zorgvuldig vormgegeven beleid én én mogelijk is. De studie van het CPB maakt duidelijk dat verdere hervormingen van de welvaartsstaat noodzakelijk zijn om in te spelen op recente en toekomstige ontwikkelingen. Deze hervormingen hoeven echter geen onacceptabele toename van de inkomensongelijkheid te betekenen. Wanneer verstandige keuzes worden gemaakt, is het mogelijk om de Nederlandse combinatie van hoge welvaart en een evenwichtige inkomensverdeling in stand te houden.


Box 2.4.2 Toekomstige ontwikkeling arbeidsmarkt niet noodzakelijkerwijs slecht voor gelijkheid


Van verschillende kanten wordt de laatste tijd aandacht gevraagd voor de arbeidsmarktpositie van laaggeschoolden. De geuite vrees is dat juist op de arbeidsmarkt de ongelijkheid tussen rijk en arm, tussen laagopgeleid en hoogopgeleid in de toekomst zal toenemen. Het is inderdaad zo dat de arbeidsmarktpositie van laagopgeleiden in het algemeen slechter is dan die van hoogopgeleiden. De werkloosheid onder laagopgeleiden is de afgelopen decennia gemiddeld twee keer zo hoog als onder hoogopgeleiden en bovendien gevoeliger voor de conjunctuur (in een laagconjunctuur loopt de werkloosheid van laaggeschoolden sneller op doordat laaggeschoolden vaker een flexibel contract hebben). Door de tijd heen is de relatieve arbeidsmarktpositie van laaggeschoolden echter niet verslechterd en bij nadere bestudering zijn er geen overtuigende argumenten waarom ontwikkelingen als globalisering, technologische vooruitgang of vergrijzing per se slecht zijn voor laaggeschoolden.


Veel van de verhalen over (toekomstige) problemen voor laaggeschoolden verwijzen naar de theorie van «Skill Biased Technological Change». Deze theorie stelt dat technologische ontwikkeling in het voordeel is van de hoogopgeleiden, zodat voor deze groep een relatief hogere vraag zal ontstaan. Consequentie is dat lager opgeleiden relatief vaker werkloos zullen raken, of relatief minder zullen verdienen. De theorie spreekt aan, omdat iedereen wel voorbeelden kan bedenken van lager opgeleiden die als gevolg van technologische vooruitgang hun baan kwijtraken: een koffieautomaat in plaats van de koffiedame, een robot in plaats van een lopendebandwerker. Toch is in de cijfers geen steun voor deze theorie te vinden: ondanks de sterke technologische ontwikkeling is de relatieve arbeidsmarktpositie van laaggeschoolden door de tijd heen niet verslechterd. Belangrijke reden hiervoor is dat het gemiddelde opleidingsniveau van werknemers is gestegen. Onder andereDavid Autor vindt wel dat de relatieve positie van werknemers in het midden van het loongebouw is verslechterd ten opzichte van zowel laaggeschoolden als hoger opgeleiden36. Reden is dat het voor een groot deel routinematig (denk)werk is dat gemakkelijk kan worden overgenomen door machines of computers. Hetzelfde geldt voor de gevolgen van globalisering: dankzij het internet kan juist ook denkwerk steeds eenvoudiger en goedkoper over de hele wereld worden verhandeld. In de (verre) toekomst is het enige werk dat niet internationaal kan worden verhandeld of kan worden vervangen door machines het leveren van persoonlijke diensten (zorg, huishoudelijke hulp, horeca, detailhandel). Dat is nu juist werk waar laaggeschoolden in terecht kunnen37. Ten slotte is het belangrijk te beseffen dat de categorie «laaggeschoolden» zich ook ontwikkelt: de gemiddelde vmbo’er kan beter met een computer overweg dan de meeste leden van het kabinet.


De hogere werkloosheid onder laagopgeleiden blijft een probleem. Bovendien valt op dat bepaalde groepen (vooral niet-westerse allochtonen) zijn oververtegenwoordigd in de werkloosheidsstatistieken. Deze problematiek vraagt blijvende aandacht van beleidsmakers. Al met al is er echter geen overtuigende reden waarom de relatieve arbeidsmarktpositie van laagopgeleiden in de toekomst tot meer ongelijkheid zal leiden. Wel vraagt de verschuivende vraag naar vaardigheden (minder routinewerk, meer creativiteit en persoonlijk contact) om extra aandacht in het onderwijs voor het ontwikkelen van deze kwaliteiten – dit geldt ook voor laagopgeleiden. Het kabinet richt zijn beleid vervolgens op het stimuleren van de totale participatie en werkgelegenheid. Deze aanpak is zowel voor de gelijkheid als voor de doelmatigheid optimaal.

2.4.3 Kiezen voor eigen verantwoordelijkheid

Het kabinet kiest zo veel mogelijk voor de eigen verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven. De reden hiervoor is dat het doordrongen is van zowel de beperkingen van publieke interventie als van het belang van het dragen van verantwoordelijkheid voor de zelfontplooiing van mensen. De overheid kán niet alle problemen oplossen, kán niet alle keuzes maken, kán niet alle risico’s wegnemen. En moet dat ook niet willen. Voor de overheid is het vaak moeilijk of zelfs onmogelijk om goed in te schatten wat de werkelijke behoefte is aan een product of een dienst38 en overheidsbemoeienis ontmoedigt eigen initiatief en verantwoordelijkheid. Het is daarom beter de keuze waar mogelijk aan de burger te laten. De overheid schept de voorwaarden waarbinnen burgers zelf of gezamenlijk problemen kunnen oplossen.


Uit internationaal onderzoek blijkt dat de relatie tussen liberalisering/privatisering en economische groei zeer sterk is: meer eigen verantwoordelijkheid is dus ook goed voor de economische groei39. Eigen verantwoordelijkheid is geen doel op zich en het betekent niet dat er geen rol is voor de overheid. De ruimte voor het nemen van eigen verantwoordelijkheid wordt mede bepaald door de voorwaarden die de overheid schept. Kort door de bocht onderscheidt de literatuur twee mogelijke doelen voor overheidsingrijpen. Ten eerste het verhogen van de doelmatigheid (als zonder overheidsingrijpen geen doelmatige uitkomst tot stand komt); ten tweede herverdeling (als de verdeling van welvaart die tot stand komt zónder overheidsingrijpen als politiek ongewenst wordt beschouwd). Overheidsbemoeienis «van bovenaf» is soms wenselijk of noodzakelijk, maar kan ten koste gaan van de eigen verantwoordelijkheid van burgers. Daarom is ook hier sprake van een afruil.


De keuze voor eigen verantwoordelijkheid is op vele terreinen zichtbaar. In het oog springende voorbeelden zijn natuurlijk het zorgstelsel en de energiemarkt. Door de versterking van de concurrentie in deze sectoren worden de aanbieders geprikkeld doelmatiger te opereren, zodat de consument uiteindelijk meer waar voor zijn geld krijgt. Vooral rond de introductie van het nieuwe zorgstelsel kwam er kritiek op deze keuze voor meer marktwerking en eigen verantwoordelijkheid. Burgers zouden helemaal niet zitten te wachten op keuzemogelijkheden en de bijbehorende onzekerheid. In het boek «Vrijheid verplicht» voorspellen publicisten Menno Hurenkamp en Monique Kremer40zelfs dat de burger zal bezwijken onder keuzestress. Inmiddels is duidelijk dat dit een te negatieve (en te paternalistische) benadering is. Bij de invoering van het nieuwe zorgstelsel hebben mensen (individueel, of verenigd in een collectief) op grote schaal gebruikgemaakt van de mogelijkheid om te kiezen. 18 procent van de mensen is van verzekeraar gewisseld, wat aangeeft dat verzekeraars nu echt hun best zullen moeten doen om klanten aan zich te binden (ook via premieconcurrentie).

Overheid zorgt voor randvoorwaarden

De keuze van het kabinet voor eigen verantwoordelijkheid is geen blinde keuze voor de tucht van de markt. In sommige gevallen heeft ook de overheid een belangrijke rol, onder andere door het creëren van de juiste voorwaarden. Natuurlijk zijn er mensen die niet willen kiezen – en dat hoeft ook niet. Deze mensen blijven gewoon verzekerd bij hun huidige verzekeraar en nemen energie af van hun huidige leverancier. Meer in het algemeen zorgt de overheid ervoor dat consumenten niet slechter worden van de keuzevrijheid via «default options» (een standaardkeuze voor wie niet kiest), via andere belangrijke randvoorwaarden (zoals de acceptatieplicht bij de ziektekostenverzekering) en via regulering en toezicht. Zo kan de nieuwe Consumentenautoriteit straks ingrijpen bij oneerlijke handelspraktijken. Doordat sommige mensen wél van hun keuzevrijheid gebruikmaken, profiteren echter ook de burgers die niet zelf actief kiezen van een concurrerend tarief.


Bij de hervormingen in de sociale zekerheid is de nadruk op eigen verantwoordelijkheid ook duidelijk zichtbaar. In plaats van te kijken naar wat iemand niet meer kan, gaat de sociale zekerheid steeds meer uit van wat iemand nog wél kan (waarbij de verantwoordelijkheid overigens evenwichtig is verdeeld tussen werknemers, werkgevers en de overheid). De sociale zekerheid is op deze manier veel activerender geworden en doet een groter beroep op het initiatief en de verantwoordelijkheid van de uitkeringsontvanger. Deze krijgt immers niet langer gegarandeerd collectieve steun, maar wordt gestimuleerd zijn eigen leven vorm te geven (zo worden WW’ers bijvoorbeeld meer dan voorheen gestimuleerd om een eigen bedrijf te starten). Collectieve regelingen zijn een helpende hand waaraan mensen zich indien nodig kunnen optrekken, in plaats van een dwingende handleiding. De sociale zekerheid doet ook een groter beroep op de eigen verantwoordelijkheid van werkgevers. Zo betalen werkgevers sinds de invoering van de Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte (WULBZ) zieke werknemers maximaal twee jaar lang ten minste 70 procent van het laatste loon door. Dit prikkelt werkgevers om goede arbeidsomstandigheden te creëren of om flinke re-integratiestappen te zetten.


Ook bij het terugdringen van de administratieve lasten speelt de keuze voor eigen verantwoordelijkheid en tegen onnodige overheidsbemoeienis een belangrijke rol. Hetzelfde geldt voor de aansturing van de (semi)publieke sector, waarbij steeds meer ruimte wordt gegeven aan de professional op de werkvloer. In plaats van te vertrouwen op betuttelende regelgeving van bovenaf, wordt steeds meer gestuurd op de uitkomst (de professional kan immers zelf het beste bepalen hóe dat resultaat kan worden bereikt).


De keuze voor eigen verantwoordelijkheid geldt niet alleen voor de relatie tussen de overheid en de burger. Ook binnen de overheid is er bijzondere aandacht voor de optimale verantwoordelijkheidsverdeling. Idealiter vindt overheidsingrijpen plaats op een zo laag mogelijk niveau – zo dicht mogelijk bij de burger. Dat betekent echter niet dat al het beleid gedecentraliseerd kan of moet worden. Het «subsidiariteitsbeginsel» stelt dat de verantwoordelijkheid moet komen te liggen bij het laagste bestuursniveau waarop alle relevante belangen kunnen worden meegenomen. Gemeenten kunnen zelf een oplossing zoeken voor de overlast van hangjongeren, daar is geen Haags beleid voor nodig. Omdat de milieuschade zich niet altijd aan landsgrenzen houdt, is het logisch dat milieubeleid voor een deel wordt gemaakt op EU-niveau41.


Een goed voorbeeld van de keuze voor meer verantwoordelijkheid op het gemeenteniveau is de Wet werk en bijstand (WWB). Op centraal niveau wordt de hoogte van de bijstandsuitkering bepaald. Tegelijkertijd maakt de nieuwe wet optimaal gebruik van de voordelen van het uitvoeren van activeringsbeleid op lokaal niveau via een goed financieringsmodel. De eigen financiële verantwoordelijkheid voor gemeenten is cruciaal. Wie zelf de rekening betaalt en niet declareert, mag zelf meer bepalen en hoeft minder te verantwoorden. Gemeenten richten zich nu bijvoorbeeld meer op het aan het werk helpen van mensen in plaats van het verstrekken van een uitkering. Samen met een strenge toegangsbewaking werpt dit zijn vruchten af: ondanks de economische recessie is het aantal mensen met een bijstandsuitkering sinds 2004 niet gestegen en daalt dit aantal nu zelfs fors. In een recente evaluatie noemde het CPB de WWB dan ook een succes; het is een mooi voorbeeld van een goede balans tussen overheidsingrijpen en eigen verantwoordelijkheid.

20  Ewijk, C. van, c.s., 2006, Ageing and the Sustainability of Dutch Public Finances, CPB Bijzondere Publicatie 61.

21  Studiegroep Begrotingsruimte, 2006 Twaalfde rapport: vergrijzing en houdbaarheid, Den Haag: SDU.

22  Een klassieke analyse is Okun, A.M., 1975 Equality and efficiency: the big trade-off, Washington D.C.: Brookings Institution.

23  Zie Reinventing the welfare state, pagina 56.

24  Zie bijvoorbeeld 21minuten.nl.

25  De Gini-coëfficiënt geeft de mate van (on)gelijkheid van een bepaalde verdeling. Bij de inkomensverdeling geeft de Gini-coëfficiënt aan in hoeverre het inkomen (on)gelijk is verdeeld over de bevolking.

26  Reinventing the welfare state, pagina 49.

27  Rele, H. ter, 2005, CPB document 79.

28  Als gevolg van de opzet van de studie was het niet zinvol/mogelijk te rekenen met «hoge» en «lage» inkomens.

29  OECD, Income Distribution and Poverty in OECD Countries in the Second Half of the 1990s, OECD Social, Employment and Migration Working Paper No. 22, 2005.

30  Sociaal Cultureel Planbureau, Armoedemonitor 2005, SCP-publicatie 2005/16.

31  Inkomensongelijkheid in de eenentwintigste eeuw, Economisch Statistische Berichten, nummer 4483, pp 152–154; 7 april 2006.

32  Merk op dat er volgens deze maatstaf ook relatieve armoede zal zijn als ieders inkomen verdubbelt.

33  Armoedemonitor 2005, pagina 18.

34  Center for Global Development (CGD), Commitment to Development Index 2006, www.cgdev.org.

35  CBS statline.

36  Zie onder andere Autor, D.H., Katz, L.F. en M.S. Kearney, 2006, The polarization of the US Labor Market, NBER Working paper no. 11 986; Dew-Becker, I. en R.J. Gordon, 2005, Where did the productivity growth go – inflation dynamics and the distribution of income, NBER Working paper no. 11 842; en voor Nederland bijvoorbeeld: Beer, P. de, 2006, Kansen voor de onderkant, Binnenlands bestuur, 10 maart 2006, pp. 32–35.

37  Blinder, A.S., 2005, Fear of offshoring, CEPS Working Paper 119.

38  Teulings, C., Bovenberg L, en H. van Dalen, 2005 De cirkel van goede intenties, Amsterdam: University Press.

39  Zie voor een overzicht van de literatuur: Bouman, M. 2006, Hollandse overmoed, Amsterdam: Uitgeverij Balans.

40  Menno Hurenkamp en Monique Kremer (red.), Vrijheid verplicht, TSS Jaarboek 2005. Amsterdam: van Gennep.

41  Zie ook de «Willem van Oranjelezing: Voortgaande decentralisatie geen automatisme», zoals uitgesproken door minister Zalm op 29 mei 2006 – beschikbaar op www.minfin.nl.