Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

3.1 Sociaal en economisch beleid

Na jaren van economische voorspoed sloeg de sociaaleconomische en budgettaire situatie van Nederland rond 2003 om. De werkloosheid liep op met 100 duizend personen, de pensioenpremies verdubbelden en de overheidsfinanciën gingen richting de Europese gevarenzone. Naast conjuncturele factoren speelden structurele factoren daarbij een rol. Kern van het probleem waren een te lage arbeidsparticipatie en te weinig innovatief vermogen. In de gunstige economische periode eind jaren negentig waren we er onvoldoende in geslaagd om grote groepen arbeidsongeschikten, allochtonen en mensen in de bijstand te stimuleren weer aan het werk te gaan. Spanningen op de arbeidsmarkt ontlaadden zich daardoor in hogere loonkosten en een verslechtering van de concurrentiepositie. Daar bovenop kwam een weinig uitdagend ondernemersklimaat, met een grote hoeveelheid regels en een verslechterende fiscale concurrentiepositie. Het resultaat was dat de economische groei stil dreigde te vallen.


Om het tij te keren was een stevig pakket aan maatregelen noodzakelijk. Cruciale elementen daarin waren een beheerste loonkostenstijging, een hogere arbeidsparticipatie en een verbetering van het ondernemingsklimaat.

Speerpunten op sociaal en economisch gebied

• Meer ruimte voor ondernemerschap door de administratieve lastendruk met een kwart te verlagen

• Beter ondernemingsklimaat door lagere belasting voor ondernemers

• Meer kwaliteit en minder bureaucratie in de collectieve sector

• Hogere participatie door lagere instroom in de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA): maximaal 25 duizend volledig en duurzaam arbeidsongeschikten vanaf 2006.

• Hogere participatie, ook door betere combinatie van arbeid en zorg

• Beperking immigratie en betere integratie van migranten door nieuw inburgeringsstelsel


Sommige maatregelen deden op korte termijn pijn en veel huishoudens zagen hun koopkracht dalen. Dankzij het gevoerde beleid en de opstelling van de sociale partners is er intussen veel ten goede gekeerd. De concurrentiepositie is verbeterd, de economie groeit sterk en de werkloosheid daalt snel. Volgens het World Economic Forum is de internationale concurrentiepositie van Nederland verbeterd: we zijn gestegen van een vijftiende plek in 2002 naar een elfde positie in 2005. Ook de koopkracht en het consumentenvertrouwen staan weer duidelijk in de plus (zie ook paragraaf 2.4). Voor het komende jaar wordt een verdere verbetering van de koopkracht voorzien (zie box 3.1.1).


Box 3.1.1 Koopkrachtverbetering 2007


In 2007 zal de koopkracht verbeteren. Naast de positieve uitwerking van de aantrekkende economie levert ook de overheid daaraan een bijdrage:

Afschaffen afnemerstarief MEP: Het afnemerstarief van elektriciteit uit hoofde van de Milieukwaliteit Elektriciteit Productie (MEP) komt vanaf 2007 te vervallen. Vooruitlopend hierop wordt al in 2006 een tegemoetkoming van 52 euro per huishouden gegeven. Het kabinet trekt voor deze maatregel structureel 375 miljoen euro uit.

Tarieven kinderopvang en kinderbijslag: Er zal 125 miljoen euro worden toegevoegd aan zowel het kinderopvang- als het kinderbijslagbudget.

Schuldhulpverlening: In 2006–2007 wordt 25 miljoen euro extra besteed aan schuldhulpverlening, aflopend naar 19 miljoen euro in 2009.

Koopkracht postactieve ambtenaren: Voor postactieve ambtenaren in kabinetssectoren voor wie de tegemoetkoming in de ziektekosten is vervallen, is een extra bedrag uitgetrokken van in totaal 130 miljoen euro in de jaren 2007 tot en met 2009.

Nabestaanden: Personen met een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet zullen in 2006 een toeslag ontvangen van 116 euro bruto per jaar (166 euro vanaf 2007).

Belastingen en premies: Er vindt een verlaging van de WW-premie plaats met 1,35 procent zodat de premie-inkomsten beter in de pas lopen met de uitgaven. Daarnaast wordt het tarief van de eerste schijf van de inkomstenbelasting verlaagd met 0,5 procent en wordt de algemene heffingskorting verhoogd met 21 euro. Werkenden worden extra gesteund door een verhoging van de arbeidskorting met 20 euro en een verhoging van de aanvullende combinatiekorting met 80 euro. Ouderen profiteren van de tot 166 euro verhoogde AOW-toeslag.


Ondernemers hebben ruimte nodig om te kunnen ondernemen en op die manier bij te dragen aan welvaart en werkgelegenheid (zie ook paragraaf 2.3). Deze ruimte wordt in Nederland nog steeds te veel beperkt door strijdige en overbodige wet- en regelgeving. Dit zorgt voor onnodig hoge administratieve lasten, waarbij het bedrijfslevenflinke kosten moet maken om te voldoen aan informatieverplichtingen. Vooral in het MKB wordt de druk van informatieverplichtingen als relatief zwaar ervaren. Daarom is het terugbrengen van de administratieve lasten met 25 procent in 2007 zo belangrijk. In de loop van 2007 zal deze doelstelling worden gehaald en zijn de administratieve lasten met ruim 4 miljard euro netto verminderd ten opzichte van eind 2002. Zo zet het kabinet stappen om het aantal vergunningen met ruim 1 miljoen terug te brengen. Ook wordt de vergunningverlening in het kader van de Drank- en horecawet versoepeld. Omdat ondernemers het schrappen van de regelgeving vaak pas met vertraging merken, wordt er in 2006/2007 een extra inspanning geleverd om de administratieve lastenvermindering zichtbaarder te maken (zie box 3.1.2).

Tabel 3.1.1 Cumulatief administratieve lastenvermindering
Jaar2004200520062007
Totaal nettolastenvermindering bedrijven (x € miljoen)9311 4652 6854 220
Idem (in %)691625
Totaal nettolastenvermindering burgers (in %) 7 25

Box 3.1.2 Extra vermindering administratieve lasten in 2007


In 2007 wordt er nog een aantal maatregelen doorgevoerd die de administratieve lasten voor ondernemers flink verminderen. Enkele voorbeelden:

Invoering digitaal «gegevenswoordenboek» jaarrekeningen: Een ondernemer moet financiële rapportages maken voor zowel de Belastingdienst als de Kamer van Koophandel als het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Op dit moment vergt dat nog veel uitzoekwerk. De invoering van een digitaal «gegevenswoordenboek» jaarrekeningen gaat dit flink vereenvoudigen. Dit «gegevenswoordenboek» wordt verwerkt in de boekhoudsoftware, waardoor ondernemers straks met één druk op de knop de gewenste financiële rapportages kunnen maken.

Bijstelling van irritante wet- en regelgeving: Ondernemers ergeren zich geregeld aan de te gedetailleerde arboregelgeving, het frequent wijzigen van wet- en regelgeving, de vele enquêtes die ze moeten invullen en aan de lasten die het toezicht veroorzaakt. Er worden daarom voorstellen gedaan voor minder gedetailleerde arboregelgeving en vaste wijzigingsmomenten voor wet- en regelgeving. Verder krijgen MKB-bedrijven die aan CBS-enquêtes hebben meegewerkt een «statistiekvakantie». Ten slotte zullen de toezichtlasten met 25 procent dalen.

Invoering van één omgevingsvergunning die afzonderlijke vergunningen vervangt: Een ondernemer die in de stad wil uitbreiden aan de achterkant van zijn bedrijfspand heeft op dit moment soms wel vijftien verschillende vergunningen nodig van vijf verschillende instanties. Bijvoorbeeld een sloopvergunning, een bouwvergunning, een gebruiksvergunning, een milieuvergunning, een kapvergunning om een boom om te hakken en een vergunning voor een uitrit als een weggetje moet worden aangelegd. Invoering van de omgevingsvergunning vervangt deze hele serie vergunningen, wat een hoop tijd en rompslomp scheelt.

Eenduidig toezicht: Een ondernemer krijgt met veel verschillende inspecties te maken. Nog in 2006 zal het project Eenduidig Toezicht werken aan de totstandkoming van één frontoffice voor de horeca, de landbouw en de ziekenhuizen. In 2007 volgt uitbreiding naar een aantal andere gebieden.


Om boven op de vermindering van de administratieve lasten het ondernemingsklimaat verder te versterken is het Wetsvoorstel Werken aan Winst ingediend. Bij aanvaarding zal vanaf 2007 in enkele jaren tijd het algemene tarief voor vennootschapsbelasting (VPB-tarief) worden verlaagd van 34,5 procent naar 25,5 procent, en het MKB-tarief van 29 procent naar 20 procent. Hiermee ligt het tarief onder het gemiddelde van de EU-15. In de inkomstenbelasting wordt tegelijkertijd een winstvrijstelling van 10 procent ingevoerd voor zelfstandige ondernemers.

Om Nederland aantrekkelijk te houden als locatie voor hoofdkantoren van internationale bedrijven, wordt een groepsrentebox ingevoerd. Hierdoor wordt het saldo van alle betaalde en ontvangen rente van een bedrijfsgroep belast tegen een laag tarief van 5 procent. Ook komt er een octrooibox met een tarief van 10 procent. Hiermee worden bedrijven gestimuleerd om meer (technologische) kennis te ontwikkelen.


Een overheid die kwaliteit biedt en op een efficiënte manier werkt, levert eveneens een bijdrage aan een sterke economie. De «last» van de overheid moet tot een minimum beperkt worden. Dit kan door het verminderen van administratieve lasten, maar ook «de elektronische overheid» draagt hierbij aan, zowel voor burgers als om bedrijven. Zo is met succes DigiD geïntroduceerd, waarmee burgers met één inlogcode bij verschillende overheidsdiensten terechtkunnen. In totaal is nu al meer dan de helft van de overheidsdiensten digitaal beschikbaar. In 2007 wordt dit verhoogd tot 65 procent.

Door efficiënter te werken kan ook het aantal ambtenaren dalen. Sinds 2002 is de omvang van de totale rijksoverheid afgenomen met ruim 6 procent, wat neerkomt op een vermindering met ongeveer 7½ duizend personen. Als het beleidsterrein «veiligheid» – waar extra intensiveringen hebben plaatsgevonden – buiten beschouwing wordt gelaten, dan resulteert voor de rest van de rijksoverheid een daling van bijna 9 procent.


De sociale zekerheid is activerender gemaakt met de invoering van de Wet werk en bijstand (WWB) (in 2004), de herziene Werkloosheidswet (WW) (in 2006), de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) (in 2006) en het beleid ten aanzien van vervroegd uittreden en prepensioen (eveneens in 2006). Onderdelen van de herziening van de WW zijn de afschaffing van de vervolguitkering (2005), duurverkorting tot drie jaar en twee maanden (2006) en de herinvoering van de sollicitatieplicht voor personen ouder dan 57½ jaar (2005). Vooruitlopend op de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), is door invoering van de Verlenging Loondoorbetaling bij Ziekte (VLZ) de verantwoordelijkheid voor inkomensvoorziening en re-integratie in de eerste twee ziektejaren bij de werkgever en werknemer komen te liggen. De werkloosheid en daarmee het beroep op de sociale zekerheid zijn hierdoor gedaald (zie hoofdstuk 2). Zo is met de invoering van de WIA voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten een grotere prikkel ontstaan om te gaan werken en voor werkgevers om gedeeltelijk arbeidsgeschikten in dienst te houden of te nemen. Werkgevers en werknemers worden op hun verantwoordelijkheid aangesproken om ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid terug te dringen. Volgens de eerste ramingen van het Uitvoeringsorgaan Werknemersverzekeringen (UWV), het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en het Centraal Planbureau (CPB) werkt deze aanpak. De instroom van volledig duurzaam arbeidsongeschikten (in de Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA) ligt met – naar verwachting – ruim 12 duizend in 2007 onder de doelstelling van maximaal 25 duizend met ingang van 2006.


Daarnaast is met de Levensloopregeling en de Wet kinderopvang het combineren van arbeid en zorg vergemakkelijkt. De Levensloopregeling (2006) maakt het mogelijk om met belastingvoordeel te sparen voor een periode van verlof. De Wet kinderopvang (2005) heeft de betaalbaarheid van kinderopvang verbeterd. De wachtlijsten in de kinderopvang zijn opgelost. In 2007 zullen de tarieven van de kinderopvang voor werknemers verder worden verlaagd door een extra bijdrage van de overheid van 125 miljoen euro en door de werkgeversbijdrage aan de opvang verplicht te stellen. Afhankelijk van de situatie kunnen gezinnen hierdoor honderden euro’s per jaar besparen. Dit zorgt ook voor administratieve lastenverlichting voor burgers en werkgevers. Ten slotte wordt de arbeidsparticipatie van ouders vergroot door uitvoering van de motie-Van Aartsen/Bos. Scholen worden hierdoor verantwoordelijk voor het organiseren van voor- en naschoolse opvang van kinderen.


Eind jaren negentig was er sprake van een grote toestroom aan asielzoekers en andere immigranten. Een gebrek aan duidelijke regels en strikte toelatingseisen maakte het eenvoudig om naar Nederland te komen. Door deze grote toestroom ontstonden er sociale en economische problemen. Als reactie hierop is een restrictief toelatingsbeleid doorgevoerd en worden de immigranten beter toegerust om te participeren in de Nederlandse samenleving.

De nieuwe Vreemdelingenwet en het sindsdien gevoerde beleid hebben het oneigenlijke gebruik van de asielprocedure en daarmee het aantal asielzoekers sterk verminderd: van 33 duizend in 2001 naar 12 duizend in 2005. Daarnaast zijn stringente leeftijds- en inkomensvereisten doorgevoerd voor huwelijksmigranten. Dit heeft geleid tot een daling van de huwelijks- en gezinsmigratie, waardoor de totale immigratie is gedaald van 65 duizend in 2002 naar 46 duizend in 2005. Door de invoering van de Kennismigrantenregeling is er ruimte gekomen voor een selectief toelatingsbeleid. Mensen die hier illegaal verblijven worden uitgezet via de terugkeerorganisatie die op 1 januari 2007 van start gaat. Vanaf begin 2006 moeten gezinsmigranten vóór hun komst naar Nederland een eerste inburgeringstoets afleggen. Gezinsmigranten zijn zo beter voorbereid op hun verblijf in Nederland. Op 1 januari 2007 treedt verder het nieuwe inburgeringsstelsel in werking. Immigranten en mensen met een verblijfsvergunning worden daardoor inburgeringsplichtig. De vrijblijvendheid van het inburgeren behoort dan tot het verleden. Het nieuwe stelsel vereist een hogere taalvaardigheid van de inburgeraar door de invoering van een examen. Daardoor neemt de kans toe dat zij volwaardig kunnen participeren in de Nederlandse samenleving. In 2007 starten circa 74 duizend mensen met hun inburgering.