Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

4.1 Ontwikkeling overheidsfinanciën in vogelvlucht

4.1.1 Verbetering overheidsfinanciën sinds vorig jaar

Het gaat beter met de overheidsfinanciën in Nederland. Volgend jaar wordt een klein begrotingsoverschot van 0,2 procent bbp verwacht. De resultaten van de ingezette structurele hervormingen worden nu zichtbaar, ook in de overheidsfinanciën. Sinds de vorige Miljoenennota verbetert het feitelijke begrotingssaldo voor 2007 met ongeveer 2 procentpunten (zie tabel 4.1.1). Door het trendmatige begrotingsbeleid komen inkomstenmeevallers volledig ten gunste van het EMU-saldo. De totale uitgaven passen binnen het uitgavenkader en vanwege conjucturele meevallers wordt 0,3 miljard euro bewust niet aangewend, zoals afgesproken in het Hoofdlijnenakkoord. Zo wordt een bijdrage geleverd aan de saldoverbetering.

Tabel 4.1.1 Verbetering EMU-saldo (in % bbp)
  EMU-saldo2007
Miljoenennota 2006 – 1,8
wv. belastinginkomsten 1,1
wv. gasbaten 1,1
wv. overig – 0,2
Miljoenennota 2007 0,2

4.1.2 Feitelijke en structurele verbetering overheidsfinanciën

Grafiek 4.1.1 geeft weer dat het huishoudboekje van de overheid in 2007 beter op orde zal zijn dan werd verwacht in de eerste Miljoenennota van het kabinet-Balkenende II.

Grafiek 4.1.1 EMU-saldo



kst99352_13.gif

In deze Miljoenennota werd nog uitgegaan van een tekort van 0,6 procent bbp in 2007. Dit is een overschot geworden van 0,2 procent bbp. De betere positie van de overheidsfinanciën is mede het gevolg van een krachtig herstel van de economie, welke in zowel 2006 als 2007 een procentpunt harder groeit dan gemiddeld het in eurogebied.


Een belangrijk doel van het gevoerde begrotingsbeleid is het verbeteren van het structurele saldo. Het structurele saldo is het saldo geschoond voor conjuncturele invloeden. Concrete ambitie was «een structureel tekort van maximaal 0,5 procent bbp in 2007»43. Naar verwachting is het structurele saldo in 2007 in evenwicht (zie tabel 4.1.2). Daarmee is de doelstelling uit de Miljoenennota 2004 gerealiseerd. Bovendien is dit gunstiger dan de EU-norm voor het structureel tekort van ½ à 1 procent bbp. Gedurende de periode 2003–2007 verbetert het structurele overheidssaldo met meer dan 2 procentpunten, een (meer dan) verdubbeling ten opzichte van het verwachte pad in de Miljoenennota 200444.

Tabel 4.1.2 Ontwikkeling van het structurele EMU-saldo (in % bbp)
 20032004200520062007
Feitelijk EMU-saldo– 3,1– 1,8– 0,30,10,2
wv. conjuncturele invloed0,90,80,90,3– 0,2
 
Structurele EMU-saldo MN 2007-2.2– 1,00,60,40,0
Structurele EMU-saldo MN 2004– 1,3– 0,7– 0,5– 0,3– 0,5

In het jaar 2007 is sprake van een geringe verbetering van het feitelijk saldo, maar tegelijkertijd van een verslechtering van het structurele saldo ten opzichte van het voorgaande jaar 2006. Dit laatste is vooral het gevolg van een achterblijvende geraamde groei van de inkomsten bij de groei van het nationaal inkomen. Indien de endogene ontwikkeling van de belastingen en premies het nationaal inkomen zou volgen, zou het feitelijke en structurele saldo in 2007 0,4 procent bbp gunstiger uitvallen.


Dankzij het beleid van begrotingsconsolidatie en de structurele hervormingen, zoals de modernisering van de bijstand, pensioenen en de administratieve lastenverlichting, zijn de overheidsfinanciën toekomstbestendiger gemaakt (zie box 2.4.1 in hoofdstuk 2).


De verwachte schuldquote bedraagt in 2007 48 procent bbp. Dit is het gunstigste niveau in meer dan 25 jaar en ruim 20 procentpunten onder het gemiddelde in de eurozone45. In 2003 was de schuld 52 procent van het bbp. Dit betekent dat de schuldquote in de periode 2003–2007 verbetert met 4 procentpunten. Het feitelijke saldo en de economische groei («noemereffect») verklaren de gunstige ontwikkeling van de schuldquote.


De uitgaven- en lastenniveaus voor 2007 blijven binnen de vastgestelde kaders uit het Hoofdlijnenakkoord. De ruimte die ontstaat onder het uitgavenkader wordt conform de begrotingsregels niet aangewend. In 2007 komt 1 miljard euro extra beschikbaar voor lastenverlichting. Dit is mogelijk vanwege het succesvolle onderhandelingsresultaat over de Nederlandse afdrachten aan Brussel. Vanaf 2007 hoeft Nederland 1 miljard euro structureel minder af te dragen (zie paragraaf 4.3). Op dit resultaat kon niet worden vooruitgelopen tijdens het opstellen van het Hoofdlijnenakkoord. Vanwege de ratificatieprocedure van het onderhandelingsresultaat zal het nog even duren voordat de Nederlandse korting op de Europese afdrachten daadwerkelijk wordt ontvangen. Tot die tijd zal de korting worden voorgefinancierd door de voeding van het Fonds Economische Structuurversterking (FES) te beperken. Op die manier wordt de lastenverlichting budgettair neutraal teruggegeven aan burgers en bedrijven.


De afgelopen jaren hebben ombuigingen en intensiveringen van de overheidsuitgaven plaatsgevonden. Extra ombuigingen waren noodzakelijk door de overschrijding van de Europese begrotingsnorm. Door de begrotingsconsolidatie en verbeterde economische situatie is het kabinet teruggekeerd naar het trendmatige begrotingsbeleid, met ruimte voor uitgavenintensiveringen in de prioritaire sectoren. Ook is een stevige investeringsimpuls gegeven aan structuurversterkende projecten (vanuit het FES). Door dit beleid is de kwaliteit van de overheidsuitgaven verbeterd.

Tabel 4.1.3 Ontwikkeling van de reële uitgaven (% bbp)
 20072004–2007gemiddeld
Totaal collectieve uitgaven¾
w.v. Sociale Zekerheid1½
w.v. Rentelasten– 1– 1½
 
Collectieve uitgaven excl. SZ en rente21
w.v. Zorg
w.v. Onderwijs
w.v. Veiligheid
w.v. Infrastructuur3– 1½
 
Reële BBP3

Uit tabel 4.1.3 blijkt dat de groei van de totale collectieve uitgaven in de periode 2004–2007 achterblijft bij de groei van het bbp. De prioritaire sectoren zorg en veiligheid groeien harder dan het bbp46. De reële uitgaven voor onderwijs groeien harder dan het totaal van de collectieve uitgaven. De groei van de infrastructuuruitgaven in de periode 2004–2007 wordt beïnvloed door afloop van grote infrastructurele projecten en knelpunten rond luchtkwaliteit, die tot uitstel van infrastructuurprojecten leiden. Uitgaven aan sociale zekerheid blijven in de periode 2004–2007 achter bij de groei van het bbp of dalen zelfs (rente).


Ook aan de inkomstenkant verbetert de samenstelling van de overheidsfinanciën. Er zijn voor meer dan 3 miljard euro hervormingen doorgevoerd bij regelingen die niet (langer) efficiënt of effectief waren. Het betreft onder andere het vervallen van loonkostensubsidies en afdrachtverminderingen (1 miljard euro), het afschaffen van het Pc-privéproject en dubbel spaarloon (½ miljard euro), het invoeren van de bijleenregeling (½ miljard euro) en het afschaffen van de fiscale faciliëring voor vervroegde uittreding (½ miljard euro). Dit laatste zal op lange termijn ook een positief effect hebben op de economische groei. Tegenover de beleidsmatige verbetering van de inkomsten is generieke lastenverlichting ingezet, via onder andere het verhogen van de arbeidskorting en de combinatiekorting, waardoor werken aantrekkelijker wordt. Ook is het vestigingsklimaat verbeterd, door onder andere het vennootschapsbelastingtarief te verlagen van 34,5 procent in 2004 naar 25,5 procent in 2007. Dit is mede gefinancierd door op economisch onderbouwde wijze de grondslag te verbreden.

4.1.3 Lokale overheidsfinanciën

Ook de lokale overheidsfinanciën ontwikkelen zich gunstig in de periode 2003–2007 (tabel 4.1.4). De huishoudboekjes van de lokale overheden, waaronder gemeenten, provincies en waterschappen, worden meegeteld in de berekening van het EMU-saldo.

Tabel 4.1.4 Ontwikkeling EMU-saldo Miljoenennota 2006, 2007 en van de lokale overheden (in % bbp)
 20032004200520062007
Stand Miljoenennota 2007– 3,1– 1,8– 0,30,10,2
wv. centrale overheid– 2,5– 1,60,00,40,5
wv. lokale overheid– 0,6– 0,2– 0,3– 0,3– 0,3

Het «lokale EMU-tekort» bedraagt 0,3 procent bbp in 2007. De belangrijkste oorzaak voor het onverwacht hoge EMU-tekort van de lokale overheid in 2003 was het saldo van grond aan- en verkopen van grond door gemeenten. Om verrassingen – zoals (grote) wijzingen in het EMU-saldo van de lokale overheid – voor te zijn, zijn afspraken gemaakt met de lokale overheden47. Gemeenten en provincies nemen bijvoorbeeld vanaf 2006 het EMU-saldo op in hun begroting. Daarenboven is een EMU-grenswaarde van ½ procent bbp vastgesteld. De huidige ontwikkeling van het EMU-saldo van de (lokale) overheid geeft géén aanleiding om nu verdere maatregelen te treffen. Niettemin blijft het tekort van de lokale overheid relatief groot (ten opzichte van het rijk) en dicht in de buurt van het afgesproken«plafond». Daarom zijn in het bestuurlijk overleg afspraken gemaakt over wat te doen bij een dreigende overschrijding van het EMU-saldo48. In het uiterste geval kunnen lokale overheden gekort worden.

4.1.4 Overheidsfinanciën: eurozone en IMF

Voor Nederland is een vergelijking met de landen die de euro als valuta hebben (de zogenoemde eurozone) het meest relevant. Figuur 4.1.1 laat zien welke van deze landen er het best voor staan als het gaat om overheidsschuld en -tekort (hoe meer naar rechts en hoe meer naar onder, des te gunstiger).

Figuur 4.1.1 EMU-schuld en tekort in 2006 (eurozone; % bbp)



kst99352_14.gif

Nederland wordt regelmatig aangehaald als goed voorbeeld. Nederland heeft namelijk sneller dan andere landen zijn tekort onder de Europese 3 procentgrens teruggebracht en de verdere consolidatie naar een evenwichtige begrotingspositie doorgezet. Hiermee sluit Nederland zich steeds meer aan bij goed presterende landen in de eurozone (rechtsonder in de figuur) zoals Spanje, Finland en Ierland. Dit zijn de landen met een begrotingsoverschot en een schuld lager dan 60 procent bbp49.


Nederland voldoet aan de internationale standaard voor de transparantie van het begrotingsproces van de overheid50. Het IMF stelt dat Nederland de lat van internationale «best practice» op diverse onderdelen overstijgt. De belangrijkste elementen voor de beoordeling zijn volgens het IMF de expertise van het Centraal Planbureau (CPB), het gevoerde trendmatige begrotingsbeleid (kadersystematiek) en de integriteit en onafhankelijkheid van instellingen als de Algemene Rekenkamer (AR), het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en wederom het CPB. Het geheel van deze bestanddelen in de Nederlandse begrotingssystematiek garandeert een betrouwbare informatievoorziening en verantwoording aan parlement en publiek51.

43  Miljoenennota 2004, Hoofdstuk 1, blz. 16.

44  Miljoenennota 2004, Hoofdstuk 4, blz. 99.

45  De landen in de eurozone (landen die de euro als valuta hebben) zijn: Frankrijk, Duitsland, Griekenland, Nederland, Portugal, Italië, Oostenrijk, Luxemburg, Ierland, België, Spanje en Finland.

46  Berekening op basis van het Centraal Planbureau (Macro Economische Verkenning 2007). Bij de zorguitgaven is rekening gehouden met de introductie van het nieuwe zorgstelsel.

47  Bestuurlijk akkoord 2004 met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), Interprovinciaal Overleg (IPO) en Unie van Waterschappen (UvW).

48  Evaluatie normeringssystematiek gemeente- en provinciefonds. De Tweede Kamer ontvangt deze evaluatie in het najaar 2006.

49  De gemiddelde schuld in de eurozone is 70,5 procent bbp en het gemiddelde tekort 2,4 procent bbp (2006).

50  Door het IMF opgestelde standaard. Fiscal Rosc (Report on the Observance of Standards en Codes on fiscal transparency), International Monetary Fund, IMF country report No. 06/124, 13 March 2006.

51  Het IMF-rapport is gepubliceerd op de websites www.imf.org en www.minfin.nl en aan de Tweede Kamer aangeboden. Brief minister van Financiën aan de Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 26 234 (30 maart 2006).