Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

5.2 Eerste Wereldoorlog: de prijs van neutraliteit

Bij zijn aantreden als minister van Financiën, in oktober 1914, stelt Treub59 dat mede in verband met het «sociale program» van het kabinet-Cort van der Linden60 – niet 30 miljoen, maar 60 miljoen gulden aan nieuwe middelen nodig zijn (ongeveer 580 miljoen in hedendaagse euro’s). Hoewel Nederland niet zelf bij de oorlogshandelingen betrokken raakt, kunnen de overheidsfinanciën zich niet onttrekken aan de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog. Belemmering van de internationale handel in combinatie met belastingverhoging en forse inflatie (onder andere door schaarste van kolen) leiden tot een ondermaats presterende economie.

Grafiek 5.2.1 Continue EMU-tekort 1900–1938 (%bbp)

Grafiek 5.2.2 Toenemende EMU-schuldquote door WO I, Duitse hyperinflatie begin jaren twintig en depressie jaren dertig (% bpp) 1900–1938



kst99352_16.gif

Het tekort bedraagt gemiddeld 8 procent van het bbp en bereikt een piekwaarde van bijna 15 procent van het bbp in 1918. In de periode 1914–1918 verviervoudigt het uitgavenniveau van 240 miljoen gulden tot ruim 1 miljard gulden (ongeveer 6 miljard hedendaagse euro’s). De collectieve uitgavenquote verdubbelt. Crisisuitgaven vormen de grootste uitgavenpost in 1918. Het leeuwendeel ervan heeft betrekking op defensie, inclusief de opvang van 1 miljoen Belgische vluchtelingen. De schuldquote loopt vanaf 1913 op met 20 procentpunten, tot ongeveer 83 procent in 1918. De financiële problemen van de overheid leiden in deze periode tot een versterking van de positie van de minister van Financiën (zie box 5.2.1).


Box 5.2.1 Eerste Wereldoorlog versterkt de positie van de minister van Financiën


Als gevolg van de Eerste Wereldoorlog verslechteren de overheidsfinanciën (saldo en schuld). De in het ongerede geraakte overheidsfinanciën leiden tot ad-hoc maatregelen die de positie van de minister van Financiën versterken. De meest bijzondere maatregel is de circulaire voor de vakministers van januari 1919. De circulaire schrijft voor dat wetsontwerpen en andere voorstellen met financiële gevolgen vooraf ter beoordeling naar de minister van Financiën gaan. Bovendien mogen vakministers geen uitgavenverhogingen toezeggen zonder goedkeuring van de minister van Financiën.

Overigens is de positie van de minister van Financiën in de Comptabiliteitswet van 1927 vastgelegd. Deze «regels» zijn nog altijd actueel.

59  M.W.F. Treub (1858–1931).

60  P.W.A.C. van der Linden (1846–1935).