Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

5.6 Naoorlogse periode tot 1973: «golden age»

Op de eerste naoorlogse Prinsjesdag spreekt minister van Financiën Lieftinck de volgende woorden: «De behandeling van de begrotingsonderwerpen, die nu aanstaande is in deze Kamer, zal de volksvertegenwoordiging en het gehele Nederlandsche volk voor ogen stellen, duidelijker dan tot nu toe het geval is geweest, in welk een deplorabelen toestand ’s lands financiën zijn geraakt.» Om het herstelbeleid te kunnen financieren wordt de voor de oorlog geldende «Gulden financieringsregel» aangepast. Ook voor niet-kapitaaluitgaven die betrekking hebben op de wederopbouw kan worden geleend. Door de wederopbouw stijgen de rijksuitgaven met 20 procent in 6 jaar (van 2,1 miljard euro in 1946 tot 2½ miljard euro in 1952, bijna 17 miljard in hedendaagse euro’s). Niettemin daalt de collectieve uitgavenquote in dezelfde periode, omdat het bbp verdubbelt. De eerste jaren zijn er forse tekorten, waardoor sanering van de overheidsfinanciën en geldzuivering (het «tientje van Lieftinck»65) prioriteit krijgen. Het herstel wordt door Lieftinck met vaste hand gestuurd en geniet brede maatschappelijke steun. Nieuwe instituties en overlegorganen, zoals de Sociaal Economische Raad (SER), de Stichting van de Arbeid en het Centraal Planbureau (CPB) van Jan Tinbergen spelen een belangrijke rol, ondermeer bij het creëren van draagvlak voor het te voeren beleid. De economische situatie verbetert sterk met een gemiddelde groei van 4 à 5 procent per jaar. Het Marshallplan geeft hiervoor een belangrijke materiële en psychologische impuls. Vanaf 1948 is sprake van een overschot op de begroting. Ongekend grote begrotingsoverschotten in de jaren 1948–1954 – met als uitschieter een overschot van bijna 17 procent in 1948 – zorgen ervoor dat de overheidsschuld afneemt.

Grafiek 5.6.1 Van EMU-overschot naar tekort 1948–1972 (% bbp)

Grafiek 5.6.2 Afnemende EMU-schuldquote 1948–1972 (% bbp)



kst99352_17.gif

In de jaren vijftig maakt de sociale wetgeving veel indruk. Zo komt in 1956 de Algemene Ouderdomswet (AOW) tot stand ten tijde van het kabinet Drees. Eind jaren vijftig neemt de angst af voor een herhaling van de crisis uit de jaren dertig. Plannen voor conjuncturele programma’s om recessie te voorkomen belanden in de la: de economische groei wordt een gegeven. Het wordt nu de rol van de overheid om beleidlijnen uit te zetten en economische groei te faciliteren. Het is de tijd van meer uitgaven voor hoger onderwijs (tussen halverwege de jaren vijftig en het eind van de jaren zestig verdubbelt de uitgavenquote) en infrastructuur (Europoort en Schiphol). Tegelijkertijd zorgt de ontwikkeling van de Zijlstranorm ervoor dat de sterk groeiende financiële wensen in toom worden gehouden. Toch kan een overspannen economie niet worden voorkomen. In 1964 leidt krapte op de arbeidsmarkt tot een loonexplosie, waardoor de concurrentiepositie verslechtert. Achteraf bezien is 1964 een omslagjaar: groeibepalende factoren zoals de winstgevendheid en de lastendruk verslechteren (toename van de collectieve lasten met ongeveer 10 procentpunten tussen 1964 en 1974). Pas door beide oliecrises uit de jaren zeventig worden de zwakheden in de economie en het toenemende beslag van de overheid op het nationale inkomen geheel blootgelegd.

65  P. Lieftinck (1902–1989).