Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

5.7 Periode 1973–1981: overheidsfinanciën uit het lood

Vanaf 1973 stijgt de olieprijs (na de Jom Kipoeroorlog) met 130 procent. Reële loonmatiging is het medicijn tegen deze aanbodschok. De noodzaak van loonmatiging wordt echter alleen met de mond beleden zoals de stijging van de arbeidsinkomensquote tot 95 procent in 1981 laat zien. Het oprekken van het toegestane structurele tekort, een hogere lastendruk en hogere aardgasontvangsten maken hogere overheidsuitgaven mogelijk, zoals uitkeringen en de subsidies voor bedrijfsinvesteringen66. De inflatie houdt de schuldquote nog in bedwang maar dan volgt de tweede oliecrisis. Het tekort neemt toe tot 5 à 6 procent van het bbp en de schuldquote stijgt in de periode 1979–1982 met meer dan 10 procentpunt. In de Verenigde Staten trapt Volcker (de voorzitter van Federal Reserve System vanaf augustus 1979) op de monetaire rem nadat de inflatie naar meer dan 10 procent springt: hij verhoogt de rente in oktober 1979 met 400 basispunten tot 15½ procent. Dan staat de overheid met de rug tegen de muur. Hoge rentelasten, hoge werkloosheid, hoge arbeidskosten, lage groei en verslechtering van de concurrentiepositie zijn symptomen van de Dutch disease. Deze term is de internationale benaming van de economische problemen die ontstaan wanneer (tijdelijke) hoge opbrengsten (in Nederland aardgas) worden aangewend om de collectieve uitgaven te verhogen. Een gevolg is dat andere economische activiteit wordt verdrongen. Pas als de werkloosheid verdubbelt (van 7,3 procent van de beroepsbevolking in 1980 tot 14,2 procent in 1982) en de overheidsfinanciën onhoudbaar worden, wordt duidelijk dat een andere weg moet worden ingeslagen.

66  (WIR) Wet investeringsrekening.