| Rijksbegroting | Overzicht | Voorbereiding | Uitvoering | Verantwoording | |
|---|---|---|---|---|---|
| 2010 |
| ||||
Beleidsartikel 1 Gezin en Inkomen
Algemene beleidsdoelstelling
Gezinnen zijn financieel in staat om kinderen gezond en veilig te laten opgroeien en zich te ontplooien.
Een belangrijke taak van gezinnen is om kinderen op te voeden. Het gezin vormt de basis om de vijf ontwikkelingsvoorwaarden, zoals geformuleerd in het programma voor Jeugd en Gezin «Alle kansen voor alle kinderen», voor een kind te creëren. Gezinnen moeten naast tijd en vaardigheden, ook beschikken over middelen om de kinderen te laten opgroeien.
Operationele doelstelling
Gezinnen ontvangen een financiële tegemoetkoming in de kosten van het opvoeden en het onderhouden van kinderen.
Belangrijkste beleidsonderwerpen 2010
– De Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) is met ingang van 2010 voor een belangrijk deel geïntegreerd in het kindgebonden budget (TK 2009, 31 772).
– De kinderregelingen Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en Wet op het Kindgebonden Budget (WKB) worden aangepast. Dit betreft een pakket van maatregelen die samenhangen met de economische crisis, met de invulling van de taakstelling voor Jeugd en Gezin die al was opgenomen in de begroting 2009 en met geconstateerde en voorziene overschrijdingen in de uitvoering van de Wet op het Kindgebonden Budget.
– De AKW wordt aangepast aan de Leerplichtwet, waardoor schoolverzuim en voortijdige schooluitval wordt tegengegaan (wetsvoorstel 31 890 is in behandeling in de Eerste Kamer).
Ministeriële verantwoordelijkheid
Onder de verantwoordelijkheid van de minister voor Jeugd en Gezin valt het verstrekken van een financiële tegemoetkoming aan gezinnen voor de kosten van het opvoeden en onderhouden van kinderen. Hieronder vallen:
• de vormgeving van het stelsel van wet- en regelgeving ten aanzien van de financiële tegemoetkomingen voor gezinnen;
• het vaststellen van het niveau van de inkomensonafhankelijke tegemoetkomingen op grond van de Algemene Kinderbijslagwet;
• het vaststellen van het niveau van de inkomensafhankelijke tegemoetkomingen op grond van de Wet op het Kindgebonden Budget.
Externe factoren
Binnen het kabinet is de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) verantwoordelijk voor de sturing en het toezicht op een rechtmatige, doelmatige en doeltreffende uitvoering van de AKW door de Sociale Verzekeringsbank (SVB).
De minister van SZW is verantwoordelijk voor de vormgeving van de regelgeving en de uitvoering van de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 (TOG 2000). De minister voor Jeugd en Gezin is medebetrokken bij de TOG 2000.
De overheid voorziet naast de regelingen die onder dit beleidsartikel vallen ook in andere instrumenten die bijdragen aan middelen voor gezinnen met kinderen. Zo ontvangen gemeenten op grond van de Wet Werk en Bijstand (WWB) gelden om mensen die niet zelf (volledig) in het levensonderhoud kunnen voorzien een inkomensaanvulling tot minimumniveau te verstrekken. De norm voor alleenstaande ouders is hiervoor hoger dan voor alleenstaanden zonder kinderen. De verantwoordelijkheid voor de WWB ligt bij de minister van SZW.
De minister van Financiën is verantwoordelijk voor de sturing en het toezicht op een rechtmatige, doelmatige en doeltreffende uitvoering van de Wet op het Kindgebonden budget en voor fiscale maatregelen die invloed kunnen hebben op het inkomen van gezinnen. Zo wordt de combinatie van arbeid en zorg fiscaal ondersteund door middel van de inkomensafhankelijke aanvullende combinatiekorting. Alleenstaande ouders worden ondersteund door middel van de alleenstaande ouderkorting en de aanvullende alleenstaande ouderkorting.
Ouders kunnen daarnaast in aanmerking komen voor een bijdrage in de kosten van kinderopvang, de kinderopvangtoeslag. Deze toeslag valt onder de verantwoordelijkheid van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW).
| Budgettaire gevolgen van beleid (begrotingsbedragen x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | |
| Verplichtingen | 4 218 357 | 4 433 783 | 4 292 764 | 4 365 318 | 4 330 451 | 4 303 946 | 4 281 370 |
| Uitgaven | 4 218 357 | 4 433 783 | 4 292 764 | 4 365 318 | 4 330 451 | 4 303 946 | 4 281 370 |
| Programma-uitgaven | 4 218 357 | 4 433 783 | 4 292 764 | 4 365 318 | 4 330 451 | 4 303 946 | 4 281 370 |
| Financiële tegemoetkoming in de kosten van kinderen | 4 218 357 | 4 433 783 | 4 292 764 | 4 365 318 | 4 330 451 | 4 303 946 | 4 281 370 |
| – Algemene Kinderbijslagwet (AKW) | 3 386 700 | 3 389 000 | 3 352 426 | 3 311 901 | 3 276 839 | 3 250 334 | 3 227 758 |
| – Kindgebonden budget (WKB) | 831 657 | 1 044 783 | 940 338 | 1 053 417 | 1 053 612 | 1 053 612 | 1 053 612 |
| Ontvangsten | 14 545 | 272 | 272 | 272 | 272 | 272 | 272 |
| Budgetflexibiliteit (begrotingsbedragen x € 1 000) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | |
| Financiële tegemoetkoming in de kosten van kinderen | 4 292 764 | 4 365 318 | 4 330 451 | 4 303 946 | 4 281 370 |
| Juridisch verplicht | 4 292 764 | 4 365 318 | 4 330 451 | 4 303 946 | 4 281 370 |
| Bestuurlijk gebonden | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Niet-verplicht of bestuurlijk gebonden | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
Instrumenten
Er zijn 2 instrumenten om in de doelstelling te voorzien:
– de Algemene Kinderbijslagwet (AKW); en
– de Wet op het Kindgebonden Budget (WKB).
De Algemene Kinderbijslagwet (AKW)
De AKW voorziet in een inkomensonafhankelijke tegemoetkoming in de kosten van kinderen.
De AKW is een in verhouding beleidsarme wet. Voor circa 90% van de kinderen wordt kinderbijslag toegekend, zonder dat aan andere voorwaarden hoeft te worden voldaan dan dat het kind thuis woont. Alleen voor 16- en 17-jarige kinderen en voor uitwonende kinderen worden voorwaarden gesteld in de sfeer van de tijdsbesteding en het onderhoud.
Verder ontstaan ontwikkelingen voornamelijk door demografische factoren.
Hierover zijn in onderstaande tabel kengetallen opgenomen.
| Kengetallen (volume x 1 000) | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 |
| Aantal gezinnen AKW | 1 926 | 1 913 | 1 901 | 1 890 | 1 881 | 1 876 |
| Aantal telkinderen AKW | 3 491 | 3 469 | 3 448 | 3 429 | 3 412 | 3 399 |
Bron: Sociale Verzekeringsbank (SVB), juni nota 2009.
Wet op het Kindgebonden budget (WKB)
Het doel van de WKB is het verstrekken van een inkomensafhankelijke tegemoetkoming in de kosten van kinderen. Met ingang van 2008 is een inkomensafhankelijk kindgebonden budget ingevoerd, waarin de fiscale kinderkorting is opgegaan. Vanaf 2009 is de tegemoetkoming omgezet van een tegemoetkoming per huishouden in een tegemoetkoming per kind. Het kindgebonden budget biedt inkomensondersteuning specifiek gericht op huishoudens in de lagere inkomenssegmenten.
In onderstaande tabel zijn kengetallen opgenomen over de Wet kindgebonden budget (WKB).
| Kengetallen (volume x 1 000) | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 |
| Aantal huishoudens WKB | 1 100 | 1 100 | 1 200 | 1 200 | 1 200 | 1 200 |
| Aantal kinderen WKB | 2 000 | 2 000 | 2 200 | 2 200 | 2 200 | 2 200 |
Bron: Belastingdienst.
Maatregelen kinderregelingen
Met ingang van 1 januari 2010 worden de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) en de Wet op het kindgebonden budget (WKB) gedeeltelijk geïntegreerd. Dankzij deze vereenvoudiging van de regelgeving wordt voor gezinnen met kinderen in de leeftijd van 12 t/m 17 jaar één loket gecreëerd en wordt het niet-gebruik teruggebracht.
Het volume van de WKB is afhankelijk van demografische factoren en het aantal huishoudens met kinderen tot een bepaald inkomensniveau.
De regering is door de economische crisis geconfronteerd met de noodzaak om bezuinigingen door te voeren. Ook binnen de begroting voor Jeugd en Gezin is het noodzakelijk maatregelen te treffen. Deze maatregelen hangen niet alleen samen met de economische crisis, maar ook met de taakstelling die al was opgenomen in de begroting 2009 voor Jeugd en Gezin (circa € 120 miljoen per jaar in de jaren 2010–2014), en met overschrijdingen in de uitvoering van de Wet op het Kindgebonden budget.
Het pakket maatregelen dat is voorgesteld heeft betrekking op het kindgebonden budget en de kinderbijslag. Bij de invulling van het pakket is gestreefd naar het zo veel mogelijk ontzien van de lage inkomens, het zo evenwichtig mogelijk verdelen van de bezuinigingen en het zoveel mogelijk beperken van negatieve effecten voor de marginale druk.
De maatregelen zijn in de vorm van twee wetsvoorstellen aan het parlement voorgelegd, waarvan er één al in werking is getreden:
a) Het niet-indexeren van de AKW per 1 juli 2009, is per 1 juli 2009 in werking getreden (Staatsblad 2009, 347);
b) Het voorstel van de wet regeling aanpassing kinderregelingen, ingangsdatum 1 januari 2010 (TK, 2008–2009, 31 999).
Het pakket maatregelen bevat de volgende onderdelen:
• Niet indexeren van de kinderbijslag in 2010 en 2011 en van het kindgebonden budget in 2010 en 2011,
• Verlagen van de inkomensgrens WKB en verhogen van het afbouwpercentage WKB naar 7,6%,
• Verminderen van de WKB verhoging voor kinderen van 12 t/m 17 jaar,
• Geen extra WKB verhoging voor het tweede en derde kind.
Handhaving
Voor de AKW zijn in samenspraak met de Sociale Verzekeringsbank (SVB) kengetallen opgenomen gericht op handhaving. Deze richten zich onder andere op de bekendheid van kinderbijslaggerechtigden met regels over de melding van eventueel inkomen uit arbeid (van belang voor de toets onderhoudsvoorwaarden) van een 16- of 17-jarig kind alsmede van de beëindiging van het volgen van studie door een kind van die leeftijd. Zoals gesteld worden voor kinderen van 16 en 17 jaar voorwaarden in de sfeer van tijdsbesteding en (voor uitwonende kinderen) van onderhoud gesteld.
De handhavingsindicatoren in onderstaande tabel richten zich verder op het risico van misbruik in de AKW en de beboetbare regelovertredingen.
Het misbruikrisico wordt uitgedrukt in een percentage van de uitkeringslast op jaarbasis. De beboetbare regelovertredingen worden uitgedrukt per 100 klantjaren. Dit kengetal laat in één keer de mate zien waarin een beboetbare regelovertreding plaatsvindt en in hoeverre de SVB erin slaagt om sancties op te leggen als een overtreding aan het licht komt.
Daarnaast zijn nog andere handhavingsindicatoren opgenomen. Onder fraudesignalen wordt verstaan het aantal signalen van vermeend misbruik van kinderbijslag, dat noopte tot nader vooronderzoek om te kunnen beoordelen of opsporingsonderzoek nodig is.
Aangiften zijn de gevallen van fraude met kinderbijslag die de SVB bij het Openbaar Ministerie heeft aangegeven. De SVB doet aangifte als een bedrag van meer dan € 6 000 als gevolg van fraude teveel is uitgekeerd.
Het aangiftebedrag is het nadeelbedrag dat met de geconstateerde onrechtmatigheden was gemoeid.
| Kengetallen handhaving | Waarde 2005 | Waarde 2006 | Waarde 2007 | Waarde 2008 |
| Bekendheid met regels inkomenkind | 92% | 85% | 97% | 91% |
| Bekendheid met regels einde studie kind | 77% | 82% | 77% | 84% |
| Aantal onderzochte fraudesignalen | 497 | 1 001 | 607 | 448 |
| Aangiften in personen | 19 | 11 | ||
| Aangiftebedrag (1 = € 1 000) | 141 | 62 | ||
| Misbruikrisico AKW | 0,17% | 0,17% | ||
| Beboetbare regelovertreding AKW per 100 klantjaren | 0,3 | 0,4 | 0,3 | 0,3 |
Bron: Jaarverslag SZW 2008; SVB-Handhavingsrapportage, jaarverslag SVB 2008.
