Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

11 Toelichting op de belastingontvangsten

11.1 Inleiding

Deze internetbijlage behorende bij de Miljoenennota 2015 geeft een toelichting op de raming van de belastingontvangsten voor 2014 en 2015 en gaat vervolgens dieper in op de ontwikkeling van enkele grote belastingsoorten op kas- en transactiebasis. Dit zijn achtereenvolgens de vennootschapsbelasting, de loon- en inkomstenbelasting en de omzetbelasting. In lijn met de Comptabiliteitswet worden de belastingontvangsten op kasbasis gepresenteerd. De raming komt overeen met paragraaf 3.3.2 en bijlage 2 van de Miljoenennota.

11.2 De belastingramingen voor 2014 en 2015

De volgende twee tabellen geven de opbouw weer van de belastingramingen. Tabel 11.2.1 toont de ontwikkeling van de realisaties in 2013 naar de Vermoedelijke Uitkomsten in 2014. Tabel 11.2.2 toont vervolgens de ontwikkeling van de Vermoedelijke Uitkomsten in 2014 naar de Ontwerpbegroting 2015. Per belastingsoort is hierbij een opsplitsing gemaakt van de verandering van de ontvangsten naar autonome mutatie en endogene mutatie. Autonome mutaties zijn mutaties van de belastingopbrengsten als gevolg van fiscale maatregelen of van overige maatregelen. Endogene mutaties zijn mutaties van de belastingopbrengsten als gevolg van de economische ontwikkeling.

Tabel 11.2.1 Raming belastingontvangsten 2014 op kasbasis (in miljoenen euro)
 

2013

Autonome mutaties

Endogene mutaties

Endogene mutatie in %

2014

Indirecte belastingen

68.776

3.385

1.315

1,9%

73.476

Invoerrechten

2.160

0

88

4,1%

2.248

Omzetbelasting

41.879

7

1.520

3,6%

43.406

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

1.134

15

– 3

– 0,3%

1.146

Accijnzen

11.100

380

– 168

– 1,5%

11.312

– Accijns van lichte olie

3.989

0

– 23

– 0,6%

3.966

– Accijns van minerale oliën, anders dan lichte olie

3.641

276

– 92

– 2,5%

3.825

– Tabaksaccijns

2.399

40

– 30

– 1,3%

2.409

– Alcoholaccijns

321

20

– 14

– 4,3%

327

– Bieraccijns

406

24

– 4

– 1,0%

425

– Wijnaccijns

344

21

– 4

– 1,2%

360

Belastingen van rechtsverkeer

3.282

224

227

6,9%

3.733

– Overdrachtsbelasting

1.083

– 39

326

30,1%

1.370

– Assurantiebelasting

2.200

263

– 99

– 4,5%

2.363

Motorrijtuigenbelasting

3.550

401

– 106

– 3,0%

3.845

Belastingen op een milieugrondslag

4.812

189

– 226

– 4,7%

4.776

– Afvalstoffenbelasting

0

25

0

0,0%

25

– Energiebelasting

4.561

28

– 216

– 4,7%

4.372

– Waterbelasting

144

125

– 50

– 34,7%

219

– Brandstoffenheffingen

107

12

41

37,9%

160

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.

150

54

0

0,1%

205

Belasting op zware motorrijtuigen

133

0

2

1,7%

136

Verhuurderheffing

48

1.115

0

0,0%

1.163

Bankbelasting

507

1.000

0

0,0%

1.507

Verpakkingenbelasting

19

0

– 19

– 100,0%

0

      

Directe belastingen

60.843

2.542

1.272

2,1%

64.658

Loon- en inkomstenbelasting kas

44.001

894

867

2,0%

45.763

Dividendbelasting

2.191

990

– 74

– 3,4%

3.107

Kansspelbelasting

474

0

6

1,2%

480

Vennootschapsbelasting

12.447

653

602

4,8%

13.702

– Gassector kas

1.750

0

– 350

– 20,0%

1.400

– Niet-gassector kas

10.697

653

952

8,9%

12.302

Successierechten

1.730

5

– 129

– 7,4%

1.606

      

Overige belastingontvangsten

177

0

7

3,7%

184

Totaal belastingen op kasbasis

129.797

5.928

2.594

2,0%

138.318

Tabel 11.2.2 Raming belastingontvangsten 2015 op kasbasis (in miljoenen euro)
 

2014

Autonome mutaties

Endogene mutaties

Endogene mutatie in %

2015

Indirecte belastingen

73.476

– 38

970

1,3%

74.408

Invoerrechten

2.248

0

127

5,7%

2.375

Omzetbelasting

43.406

192

730

1,7%

44.328

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

1.146

184

6

0,5%

1.336

Accijnzen

11.312

105

– 65

– 0,6%

11.352

– Accijns van lichte olie

3.966

0

– 13

– 0,3%

3.953

– Accijns van minerale oliën, anders dan lichte olie

3.825

27

– 27

– 0,7%

3.825

– Tabaksaccijns

2.409

72

– 33

– 1,4%

2.448

– Alcoholaccijns

327

2

– 3

– 0,8%

326

– Bieraccijns

425

2

0

0,0%

427

– Wijnaccijns

360

2

10

2,8%

372

Belastingen van rechtsverkeer

3.733

– 3

68

1,8%

3.798

– Overdrachtsbelasting

1.370

– 20

64

4,7%

1.413

– Assurantiebelasting

2.363

18

4

0,2%

2.385

Motorrijtuigenbelasting

3.845

62

16

0,4%

3.923

Belastingen op een milieugrondslag

4.775

245

83

1,7%

5.103

– Afvalstoffenbelasting

25

75

0

1,1%

100

– Energiebelasting

4.372

170

76

1,7%

4.618

– Waterbelasting

219

0

2

1,1%

221

– Brandstoffenheffingen

160

0

4

2,5%

164

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.

205

6

2

1,1%

213

Belasting op zware motorrijtuigen

136

0

3

2,5%

139

Verhuurderheffing

1.163

170

0

0,0%

1.333

Bankbelasting

1.507

– 1.000

0

0,0%

507

      

Directe belastingen

64.658

337

6.120

9,5%

71.115

Loon- en inkomstenbelasting kas

45.763

573

5.589

12,2%

51.925

Dividendbelasting

3.107

– 645

181

5,8%

2.643

Kansspelbelasting

480

23

11

2,4%

514

Vennootschapsbelasting

13.702

387

300

2,2%

14.389

– Gassector kas

1.400

0

– 50

– 3,6%

1.350

– Niet-gassector kas

12.302

387

350

2,8%

13.039

Successierechten

1.606

0

38

2,4%

1.644

      

Overige belastingontvangsten

184

0

2

0,8%

186

Totaal belastingen

138.318

299

7.091

5,1%

145.708

11.3 Nadere toelichting

De raming voor de totale belastingontvangsten in 2014 komt 8,5 miljard euro hoger uit dan de realisatie van de totale belastingontvangsten in 2013 (zie tabel 11.2.1). Deze stijging is het saldo van de autonome mutatie van 5,9 miljard euro en de endogene ontwikkeling van 2,6 miljard euro. Voor 2015 geldt een toename van de totale belastingontvangsten op kasbasis met 7,4 miljard euro ten opzichte van 2014. Dit is het saldo van een autonome mutatie van 0,3 miljard euro en een endogene ontwikkeling van 7,1 miljard euro (zie tabel 11.2.2). De hierna volgende paragrafen geven een nadere toelichting op deze autonome en endogene mutaties.

11.3.1 Autonome mutaties

De belastingontvangsten in 2014 nemen met 2,6 miljard euro toe als gevolg van fiscale en overige maatregelen. In tabel 3.3.1 staat aangegeven welke wijzigingen sinds de Miljoenennota 2014 hebben plaatsgevonden.

Tabel 11.3.1 Effecten autonome maatregelen op belastingontvangsten in 2013 op kasbasis in miljoenen euro
 

Kas 2014

Totaal maatregelen, zoals gemeld in Miljoenennota 2014 (internetbijlage)

5.512

Mutatie vanwege nabetalingen

– 477

Mutatie vanwege beleid

893

Totaal maatregelen

5.928

Beleidsmatige wijzigingen vloeien voort uit het Regeerakkoord 2012–2017 en de maatregelen die het kabinet sindsdien heeft genomen. Daarnaast hebben er autonome mutaties plaatsgevonden als gevolg van nabetalingen tussen het Rijk en de sociale fondsen. Deze nabetalingen vinden plaats, omdat via de inkomensheffing en de loonheffing de belastingen en premies volksverzekeringen geïntegreerd worden geheven. De verdeling van deze ontvangsten tussen het Rijk en de sociale fondsen gebeurt op basis van voorlopige verdeelsleutels. Wanneer de Belastingdienst de gegevens over de feitelijke inkomens van mensen binnen heeft, kan nauwkeurig worden bepaald welk deel van de heffingen naar het Rijk had gemoeten en welk deel naar de sociale fondsen. Bij de loonheffing gebeurt dit na twee jaar, omdat dan het grootste deel van de aanslagen en aangiften is afgehandeld. Bij de inkomensheffing gebeurt dit om dezelfde reden pas na vier jaar. Hierdoor vinden er in de jaren nadat een transactiejaar is afgesloten nog nabetalingen plaats tussen het Rijk en de sociale fondsen. Tabel 11.3.1 laat zien dat dit in 2014 tot 0,5 miljard euro lagere belastingontvangsten voor het Rijk heeft geleid ten opzichte van wat in Miljoenennota 2014 werd verwacht. Omdat het hier onderlinge nabetalingen betreft tussen premieontvangsten (volksverzekeringen) en belastingontvangsten, zijn deze verschuivingen niet relevant voor het EMU-saldo of het lastenbeeld.

Voor 2015 bedraagt de geraamde autonome mutatie van de belastingontvangsten van per saldo 0,3 miljard euro (tabel 3.2.2). Deze mutatie betreft voor 1,1 miljard euro aan verwachte onderlinge nabetalingen tussen premieontvangsten (volksverzekeringen) en belastingontvangsten. Deze verschuivingen zijn niet relevant voor het EMU-saldo. Het echte – dat wil zeggen voor het EMU-saldo relevante – beleidsmatige deel van de autonome mutatie bij de belastingontvangsten (exclusief premieontvangsten) betreft de mutatie -0,8 miljard euro. Een toelichting op de beleidsmatige mutatie van de totale belasting- en premieontvangsten is te vinden in bijlage 2 van de Miljoenennota 2015.

11.3.2 Endogene mutaties

De belastingontvangsten (exclusief premies volksverzekeringen) nemen in 2015 met 7,1 miljard euro toe als gevolg van de endogene ontwikkeling. Dit betekent een groei van 5,1 procent. Bijlage 2 van de Miljoenennota bevat een toelichting van de endogene ontwikkeling voor het totaal van de belasting- en premieontvangsten. Dat zijn de totale belastingen inclusief premies volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en premies zorgverzekeringen. Deze paragraaf geeft voor enkele specifieke belastingsoorten een nadere toelichting op de endogene ontwikkeling. De aandacht gaat hierbij uit naar de vennootschapsbelasting, de loon- en inkomstenheffing (de som van het belastingdeel en het premiedeel van de loon- en inkomensheffing) en de omzetbelasting, die bij elkaar meer dan 80 procent van de totale belastingontvangsten inclusief premies volksverzekeringen vormen.

11.3.2.1 Vennootschapsbelasting

Bij de vennootschapsbelasting wordt onderscheid gemaakt tussen een deel dat afkomstig is van bedrijven uit de gassector en een deel dat afkomstig is van bedrijven uit de niet-gassector. Voor de vennootschapsbelasting afkomstig uit de gassector wordt een aparte raming opgesteld op basis van de winstontwikkeling in die sector, die in belangrijke mate afhangt van de beursprijs van TTF-gas, de olieprijs en de ontwikkeling van de dollarkoers. Voor een toelichting op de aardgasbatenraming, inclusief de vpb-afdracht uit de gassector, wordt verwezen naar de begroting van Economische zaken, (Begroting XIII). Deze internetbijlage bespreekt alleen de ontwikkeling van de vpb-opbrengst in de niet-gassector.

Voor een nader inzicht in de ontwikkeling van de kasontvangsten volgt een korte toelichting op het proces van aanslagoplegging. De heffing van de vennootschapsbelasting vindt in eerste instantie plaats via voorlopige aanslagen. In januari wordt een inschatting gemaakt van de winst voor dat jaar op basis van winsten uit de afgelopen twee jaren, eventueel gecorrigeerd voor verwachtingen betreffende de winsten van dat jaar zelf. Op basis hiervan worden voorlopige aanslagen verstuurd. Vervolgens geven bedrijven in juli of augustus van datzelfde jaar T een eerste voorlopige inschatting van de winstontwikkeling. Op basis van deze voorlopige schatting kan een bijstelling van de voorlopige aanslag plaatsvinden. In juli / augustus van het daaropvolgende jaar (T+1) vindt vervolgens de voorlopige aangifte plaats en dit kan wederom leiden tot een nadere voorlopige aanslag. Afhankelijk van de omvang van het bedrijf en de aard van de aangifte vindt in een van de daaropvolgende jaren de definitieve vaststelling van de winst plaats. Meestal wordt circa driekwart van de uiteindelijke aanslagopleggingen reeds in het eerste jaar via voorlopige aanslagen ontvangen, maar dit percentage fluctueert wel.

Voor het opstellen van de begroting zijn de kasontvangsten van de vennootschapsbelasting relevant. Daarom is het van belang hoe het verloop van aanslagoplegging zich vertaalt in kasontvangsten. Tabel 11.3.1 toont de ontwikkeling van de totale kasopbrengst per jaar met een opsplitsing naar transactiejaar. Hieruit blijkt duidelijk dat het grootste deel van de opbrengst in een bepaald jaar voortkomt uit de voorlopige aanslagen over dat jaar zelf. Deze opbrengst stijgt nog door bijstellingen in de voorlopige aanslagen over voorgaande jaren, maar als gevolg van verliesverrekening is de bijdrage van jaar T-3 en ouder over het algemeen negatief.

Tabel 11.3.1 Opbrengst en ontwikkeling van de vennootschapsbelasting (exclusief gas) op kasbasis naar transactiejaar (in miljoenen euro)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Jaar T

10.422

10.531

10.146

9.597

10.401

11.537

Jaar T-1

1.984

1.819

1.097

2.002

2.211

1.965

Jaar T-2

– 150

397

576

323

749

449

Jaar T-3

– 484

– 426

– 243

– 295

– 109

– 127

Jaar T-4 en ouder

– 624

– 1.472

– 1.372

– 929

– 950

– 785

Totaal kasopbrengst VPB niet-gas

11.148

10.849

10.204

10.697

12.302

13.039

Per saldo is de verwachte endogene mutatie van 2013 naar 2014 1,0 miljard euro bij de niet gassector. Beleidsmaatregelen zorgen in 2014 voor 0,7 miljard euro hogere ontvangsten. De totale mutatie in 2014 komt uit op 1,6 miljard euro. In 2015 bedraagt de endogene toename van de vpb-ontvangsten bij de niet-gassector naar verwachting 0,4 miljard euro. Beleidsmaatregelen met betrekking tot de vpb zoals die in het Belastingplan 2014, andere fiscale wetgeving en eerdere belastingplannen zijn opgenomen leiden per saldo tot 0,4 miljard hoger ontvangsten in 2015. Per saldo bedraagt de totale toename in de vpb-ontvangsten van de niet-gassector in 2014 afgerond 0,7 miljard euro.

11.3.2.2 Loon- en inkomensheffing

De loonheffing is een voorheffing van de inkomensheffing. In de eerste instantie dragen particulieren maandelijks loonbelasting af op basis van hun inkomen uit arbeid. Na het verstrijken van het kalenderjaar moet vervolgens voor 1 april van het volgende jaar belastingaangifte worden gedaan. Op basis hiervan wordt bepaald hoeveel belasting in totaal verschuldigd is (met inachtneming van andere bronnen van inkomen, belastingkortingen en aftrekposten). Wanneer dit bedrag hoger is dan de reeds betaalde loonheffing, moet men het resterende bedrag aan inkomensheffing voldoen. Wanneer de verschuldigde belasting lager is, krijgt men geld terug van de Belastingdienst. Hierdoor zijn per saldo de opbrengsten van de inkomensheffing negatief. In onderstaande analyse wordt gekeken naar de ontwikkeling van de loon- en inkomensheffing. Dit betreft naast de belasting tevens de ontvangsten van de premies volksverzekeringen welke geïntegreerd worden geheven. Voor analysedoeleinden zijn de ontvangsten op heffingsniveau beter bruikbaar, omdat deze eenvoudiger kunnen worden waargenomen. De premieontvangsten worden echter niet in deze internetbijlage verantwoord.

Loonheffing

De raming van de loonheffing vindt net als bij de vennootschapsbelasting op transactiebasis plaats. Het ontvangstpatroon van de transactieopbrengst in de kas is bij de loonheffing echter veel stabieler dan bij de vpb. Daarnaast geldt dat de transactieopbrengst ook aanzienlijk sneller wordt ontvangen en binnen drie maanden na afloop van het jaar bijna volledig gerealiseerd is. Hierdoor treden minder grote verschillen op tussen de ontwikkeling van de transactieopbrengst en de kasopbrengst dan bij de vpb.

Tabel 11.3.2 Ontwikkeling loonheffing op transactiebasis (in miljoenen euro)
 

2013

2014

2015

Opbrengst op transactiebasis

93.524

93.816

93.418

    

Mutatie

 

291

– 398

waarvan endogeen

 

– 815

483

waarvan autonoom

 

1.107

– 881

    

Endogene groei (in %)

 

– 0,9%

0,5%

In tabel 11.3.2 is de (geraamde) endogene ontwikkeling van de loonheffing in 2014 en 2015 te zien. De verwachte endogene ontwikkeling bedraagt in 2014 -0,8 miljard euro. In 2015 wordt een niet-beleidsmatige groei van 0,5 miljard euro verwacht. De ontwikkeling van de loonheffing is afhankelijk van de ontwikkeling van de totale belastbare loonsom. De ontwikkeling van de totale belastbare loonsom wordt bepaald door de groei van de werkgelegenheid, de stijging van de contractlonen, de hoogte van verschillende premies en de ontwikkeling van uitkeringen en pensioenen. Onderstaande tabel geeft een overzicht van enkele gegevens uit de Macro Economische Verkenning van het CPB.

Tabel 11.3.3 Relevante economische indicatoren voor de loonheffing
 

2014

2015

Arbeidsvolume in arbeidsjaren

– 0,9%

0,0%

Contractloonstijging

1,0%

1,4%

Incidentele loonstijging

– 0,2%

0,5%

Tabelcorrectiefactor

0,0%

0,9%

Arbeidsinkomensquote marktsector

0,81

0,82

Uit de economische indicatoren kan de ontwikkeling van de loonheffing worden verklaard. In 2014 neemt het arbeidsvolume af met 0,9 procent. De contractloonstijging van 1,0 procent wordt gedomineerd door het negatieve effect van de ontwikkeling van de incidentele loonontwikkeling van – 0,2 procent van de werkgelegenheid van – 0,9 procent: de endogene ontwikkeling van de loonheffing bedraagt in 2014 – 0,8 miljard. In 2015 blijft het arbeidsvolume min of meer onveranderd. De loonontwikkeling valt met een contractloonontwikkeling en een incidentele loonstijging van respectievelijk 1,4 procent en 0,5 procent gematigd positief uit. Per saldo leidt dit in 2015 tot een endogene ontwikkeling van de loonheffing van 0,5 miljard euro.

Inkomensheffing

De ontvangsten uit de inkomensheffing zijn het saldo van de belastingontvangsten van particulieren en zelfstandige ondernemers. Voor de particulieren geldt de loonheffing als voorheffing. Bij de inkomensheffing voor particulieren hebben de ontvangsten dan ook betrekking op bijtel- en aftrekposten en heffingskortingen die niet via de loonheffing zijn verrekend. Bij de zelfstandigen wordt de ontwikkeling daarnaast ook bepaald door de winstontwikkeling.

De raming van de ontvangsten van de inkomensheffing is opgesteld op basis van de autonome maatregelen, de geraamde endogene ontwikkeling en de kasrealisaties tot en met juli.

Tabel 11.3.4 Ontwikkeling inkomensheffing op transactiebasis (in miljoenen euro)
 

2013

2014

2015

Inkomensheffing op transactiebasis

– 5.334

– 4.085

– 3.464

    

Mutatie

 

1.249

621

waarvan endogeen

 

177

342

waarvan autonoom

 

1.071

279

De endogene ontwikkeling van de ontvangsten inkomensheffing is in zowel 2014 als 2015 positief, met een groei van respectievelijk 0,2 en 0,3 miljard euro. Onderliggend is er sprake van een negatieve ontwikkeling van de hypotheekrenteaftrek. Dit heeft met vertraging een positief effect op de ontvangsten uit de inkomensheffing tot gevolg. Tegelijkertijd trekken de winsten van zelfstandigen, die belastingplichtig zijn voor de inkomstenbelasting, weer aan in 2015.

11.3.2.3 Omzetbelasting

De omzetbelasting is de grootste belastingsoort en verantwoordelijk voor circa 30 procent van de totale belastingontvangsten. De endogene groei van de omzetbelasting wordt vooral bepaald door de waardeontwikkeling van de bestedingen waarop btw rust, te weten de particuliere consumptie, de overheidsinvesteringen en de investeringen in woningen. De ramingen van het CPB voor deze bestedingscategorieën zijn samengevat in onderstaande tabel.

Tabel 11.3.5 Raming van de procentuele ontwikkeling van bestedingen in 2014 en 2015
 

2014

2015

Particuliere consumptie, waardemutatie

1,2%

2,4%

Investeringen in woningen, waardemutatie

1,4%

4,7%

Overheidsinvesteringen, waardemutatie

3,9%

– 1,4%

Bij de particuliere consumptie speelt ook de samenstelling van de consumptie een rol, omdat er verschillende bestedingscategorieën zijn waarvoor een verschillend btw-tarief geldt. Bij laagconjunctuur is het bijvoorbeeld geen ongebruikelijk verschijnsel dat er een verschuiving plaatsvindt van consumptie waarvoor een hoger tarief geldt («luxe goederen») naar consumptie waarvoor een laag btw-tarief geldt. Hierdoor neemt het gemiddelde btw-tarief over de totale particuliere consumptie af en daarmee de btw-ontvangsten.

De ontwikkeling van de btw-ontvangsten op transactiebasis bedraagt naar verwachting 1,1 miljard in 2014. Ook in 2015 wordt een positieve ontwikkeling van 1,4 miljard verwacht.

Tabel 11.3.6 Raming van de omzetbelasting op transactiebasis (in miljoenen euro)
 

2013

2014

2015

Omzetbelasting op transactiebasis

42.108

43.244

44.648

    

Mutatie

 

1.135

1.404

waarvan endogeen

 

1.090

1.126

waarvan autonoom

 

45

278

Endogene mutatie in procent

 

2,6%

2,6%

De ontwikkeling van de btw-ontvangsten wordt voor een groot deel bepaald door de waardeontwikkeling van de particuliere consumptie. Deze is in 2014 gematigd positief: 1,2 procent. Ook de investeringen in woningen en de nominale ontwikkeling van de overheidsinvesteringen vallen met een ontwikkeling van respectievelijk 1,4 en 3,9 procent positief uit. Op basis van de ontwikkeling van deze relevante macro-economische indicatoren wordt per saldo een positieve endogene ontwikkeling (1,1 miljard euro) van de btw-ontvangsten op transactiebasis in 2014 verwacht. In 2015 nemen de particuliere consumptie en de investeringen in woningen toe met respectievelijk 2,4 en 4,7 procent. De overheidsinvesteringen ontwikkelen zich met -1,4 procent in 2015 negatief. Per saldo resteert naar verwachting een positieve endogene ontwikkeling (1,1 miljard) van de btw-ontvangsten op transactiebasis.