Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Verantwoordingsbrief 2015

34476 1 Brief van de minister president, minister van algemene zaken

Vergaderjaar 2015-2016

Nr. 1

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 18 mei 2016

Hierbij bied ik u de Verantwoordingsbrief over het jaar 2015 aan.

De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,
M. Rutte

Verantwoordingsbrief 2015

1. Inleiding

In deze brief leg ik namens het kabinet verantwoording af over de resultaten van het regeringsbeleid in 2015. De verschillende departementale jaarverslagen bieden inzicht in de specifieke beleidsresultaten per departement. Deze resultaten zijn daar zo goed mogelijk kwantitatief, en waar dit niet mogelijk is zo goed mogelijk kwalitatief, onderbouwd.

In het Financieel jaarverslag van het Rijk wordt door de Minister van Financiën verantwoording afgelegd over de invulling van zijn (systeem)verantwoordelijkheid voor het rijksbrede begrotingsbeheer en de financiële bedrijfsvoering. De Minister voor Wonen en Rijksdienst rapporteert op verantwoordingsdag over de uitvoering van het rijksbrede beleid ten aanzien van de bedrijfsvoeringstaken. Tot slot ontvangt u op verantwoordingsdag het wetgevingsoverzicht van de Minister van Veiligheid en Justitie, waarin een overzicht is opgenomen van de stand van zaken van de wetsvoorstellen en AMvB’s met een bezuinigingsdoelstelling van € 50 mln of meer.

Dit samenhangende geheel aan verantwoordingsdocumenten biedt uw Kamer een totaalinzicht in de resultaten van het beleid over 2015 dat aansluit bij de individuele ministeriële verantwoordelijkheid.

Deze Verantwoordingsbrief begint met een beschouwing over het politieke jaar 2015. Daarnaast heeft uw Kamer verzocht1 om in de verantwoording over 2015 aandacht te geven aan het focusonderwerp «Tijd voor uitvoering van de hervormingstrajecten die in het jaar 2015 van start zijn gegaan». De invulling van dit focusonderwerp is daarna door uw Kamer nog nader gespecificeerd2.

2. Terugblik politiek jaar 2015

De Nederlandse economie is in 2015 met 2,0% bbp gegroeid en heeft zich verder hersteld van de economische crisis. Dit uitte zich onder andere in een voortvarend herstel op de woningmarkt, het aantrekken van de binnenlandse bestedingen en een verdere daling van de werkloosheid3. Dit zijn positieve ontwikkelingen. Tegelijkertijd kan het jaar 2015 op een aantal fronten een bewogen jaar worden genoemd. Zo was, en is nog steeds, sprake van een instabiele internationale omgeving en een vluchtelingenstroom die daarvan één van de gevolgen is. Vorig jaar is daarnaast getekend door jihadistische aanslagen op het Europese continent die in ons geheugen staan gegrift. Samenwerking tussen relevante diensten en instanties in Europa is geïntensiveerd met het oog op het voorkomen van herhaling en het verbeteren van de veiligheid tegen jihadistische dreigingen. Daarnaast heeft in Nederland een financiële intensivering plaatsgevonden ten behoeve van de veiligheidsketen en is de basisgereedheid van de strijdkrachten versterkt.

Nederland neemt ook internationaal zijn verantwoordelijkheid voor het verdedigen van recht en rechtstatelijke principes. Zo is in 2015 de bijdrage aan de anti-ISIS coalitie verlengd, en wordt nog steeds bijgedragen aan de training van Peshmerga en Iraakse strijdkrachten, alsmede aan de luchtcampagne boven Irak. Daarnaast is door deelname aan de EU-operatie Atalanta bijgedragen aan de antipiraterijmissie voor de kust van Somalië. Ook heeft Nederland een bijdrage geleverd aan de stabilisering en capaciteitsopbouw van Mali. Tijdens deze missie waren in 2015 helaas twee Nederlandse slachtoffers te betreuren als gevolg van een helikopterongeluk.

Voorts is in 2015 het OVV-rapport naar de oorzaak van de ramp met MH-17 opgeleverd. Hiermee is het tweede spoor in de drie sporen aanpak van Nederland inzake de ramp met de MH-17 voltooid. Het rapport is nationaal en internationaal goed ontvangen. Het derde spoor, het strafrechtelijke onderzoek van het Joint Investigation Team (bestaande uit Australië, België, Maleisië, Oekraïne en Nederland), is in uitvoering.

Migratie

Als gevolg van onder meer de oorlog in Syrië zijn in de tweede helft van 2015 veel asielzoekers naar Nederland gekomen. Om deze verhoogde instroom het hoofd te bieden, heeft het kabinet ingezet op een brede aanpak van de migratieproblematiek langs drie hoofdlijnen, te weten (1) het beperken van de instroom van asielzoekers door opvang in de regio en door het wegnemen van de oorzaken voor de komst naar Nederland; (2) aan asielzoekers die in Nederland zijn of komen, wordt sobere maar fatsoenlijke opvang geboden; (3) van asielzoekers die (tijdelijk) in Nederland mogen blijven, verwacht het kabinet een actieve bijdrage aan de Nederlandse samenleving; zij worden ondersteund bij integratie en participatie.

In het kader van het beperken van de instroom zijn in een relatief kort tijdsbestek verschillende maatregelen getroffen die bijdragen aan een vermindering van de ongecontroleerde stromen van asielzoekers naar en binnen de EU. Essentieel is de samenwerking met landen in de regio om, in aanvulling op humanitaire hulp, het perspectief ter plaatse te verbeteren. Op 29 november 2015 werd het Gemeenschappelijk Actieplan EU-Turkije bekrachtigd, waarmee de basis is gelegd voor de samenwerking met de Turkse regering die in de eerste maanden van 2016 nader is vormgegeven.

Het kabinet heeft verder maatregelen aangekondigd om de algemene asielprocedure in Nederland beter beheersbaar te houden, inclusief de procedure ten aanzien van nareis van gezinsleden van statushouders. In dezelfde maand zijn de landen van de westelijke Balkan aangemerkt als veilige landen van herkomst, waardoor de aanvraag van asielzoekers uit die landen kan worden afgedaan als kennelijk ongegrond. Daarnaast zet het kabinet in EU-verband, in de samenwerking met Turkije en op nationaal niveau, in op een ontmanteling van het cynische bedrijfsmodel van mensensmokkel. Het wetsvoorstel verhoging strafmaat voor mensensmokkel is in november 2015 aan de Tweede Kamer gezonden4 en is inmiddels in behandeling bij de Eerste Kamer. De intensivering van de mobiele controles aan de Nederlandse binnengrenzen sinds september 2015 en de oprichting van het Gemeenschappelijk Mensensmokkel Team hebben geleid tot een toename van het aantal aangehouden verdachten van mensensmokkel.

Als het gaat om de opvang van vluchtelingen heeft het kabinet met de medeoverheden in november 2015 een akkoord gesloten om de opvangcapaciteit te verhogen en doorstroming van vergunninghouders naar huisvesting in de gemeenten te verbeteren. Besloten is een Landelijke Regietafel Verhoogde Asielinstroom in te richten, zodat het kabinet structureel in gesprek kan blijven met provincies en gemeenten over de migratieproblematiek.

Tot slot geldt voor het leveren van een actieve bijdrage aan de Nederlandse samenleving dat in het genoemde bestuursakkoord een extra impuls is gegeven aan integratie van nieuwkomers, door een intensivering van de maatschappelijke begeleiding en het opnemen van een participatieverklaringstraject als verplicht onderdeel van het inburgeringsexamen.

Uitvoering hervormingen

Dit kabinet heeft structurele hervormingen doorgevoerd om het duurzame groeivermogen van de economie te versterken, lasten evenwichtig te verdelen en de overheidsfinanciën op orde te brengen. Veel van deze hervormingen zijn in 2015 ingegaan, zoals de hervormingen in de langdurige zorg en ondersteuning, de kindregelingen, en de invoering van onder andere de participatiewet, de wet werk en zekerheid, de wet studievoorschot hoger onderwijs en de wet aanpassing financieel toetsingskader. Zoals ook uw keuze voor het focusonderwerp van dit jaar al aangeeft, is na de inwerkingtreding van deze hervormingen een goede en zorgvuldige uitvoering essentieel. Het kabinet monitort deze uitvoering nauwgezet, met aandacht voor onbedoelde en ongewenste gevolgen, zeker voor de meest kwetsbaren.

Bij de hervormingen, zoals de overdracht van taken in het sociaal domein aan gemeenten, gaat het veelal om een complex veranderingsproces met veel verschillende spelers. Dankzij de grote inzet van alle betrokkenen is de continuïteit van zorg en ondersteuning van cliënten gewaarborgd en in algemene zin is de transitie beheerst verlopen. Hoewel er in de praktijk al veel goed ging, waren er ook dossiers die vroegen om gerichte maatregelen. Zo waren er problemen met de uitbetaling van de persoonsgebonden budgetten. Daarom heeft het kabinet afgelopen jaar prioriteit gegeven aan het uitbetalen van zorgverleners en zijn maatregelen genomen om de uitvoering van het trekkingsrecht structureel te verbeteren. De echte cultuuromslag in het sociaal domein, de transformatie, moet nog plaatsvinden. Dat vraagt om tijd, ruimte en vertrouwen.

Paragraaf 3 van deze brief gaat conform het verzoek van uw Kamer5 in op de uitvoering bij een aantal specifieke onderwerpen. Het betreft decentralisaties Wmo en Jeugdwet, persoonsgebonden budgetten, wijkverpleging, nationale politie, Raad voor de Rechtspraak, DJI, effectiviteit, efficiency en kosten van inspecties van het Ministerie van Economische Zaken, duurzaam inkopen door de ministeries, en de wet modernisering bekostiging MBO. Ook de departementale jaarverslagen zullen ten aanzien van deze onderwerpen verder inzicht verschaffen.

Economie

In navolging van 2014 zette het herstel van de Nederlandse economie in 2015 door. De structurele hervormingen die dit kabinet heeft doorgevoerd, hebben daar mede aan bijgedragen. De huizenmarkt trok verder aan en het overheidstekort liep terug. De economie groeide in 2015 met 2,0% bbp6. Deze groei werd voor een belangrijk deel gedragen door binnenlandse bestedingen. De werkloosheid liep in 2015 terug naar 6,9% van de beroepsbevolking, een daling van 46.000 personen ten opzichte van 20147, terwijl tegelijkertijd het aantal mensen dat op de arbeidsmarkt weer op zoek is naar een baan juist is gestegen. Dit is een positieve ontwikkeling. Hoewel de daling van de werkloosheid in de ramingen voor 2016 en 2017 doorzet, en de werkloosheid voor een belangrijk deel samenhangt met de groei van de economie, blijft het kabinet zich inspannen om de werkloosheid verder naar beneden te krijgen. Het kabinet heeft daartoe in 2015 gekozen voor een lastenverlichting van € 5 miljard in het Belastingplan 2016, met als doel een hogere werkgelegenheid op de middellange termijn en een stijging van de koopkracht en daarmee een impuls voor de werkgelegenheid en de economie vanaf 2016. Daarnaast neemt het kabinet maatregelen om de werkloosheid verder terug te dringen, onder andere door middel van de sectorplannen, brug-WW, en premiekortingen voor werkgevers die jongere- en oudere uitkeringsgerechtigden in dienst nemen.

Ten slotte

De Nederlandse economie is in 2015 gegroeid en heeft zich verder hersteld van de economische crisis. Tegelijkertijd zijn risico’s te zien in de wereldeconomie, is sprake van een instabiele internationale situatie en van een substantieel dreigingsniveau van aanslagen in Nederland, en dient de vluchtelingenstroom in goede banen te worden geleid. Ook de komende periode staat voor de regering in het teken van het zeker stellen van de nationale veiligheid, bijdragen aan internationale stabiliteit en werken aan verdere economische groei, groei van de werkgelegenheid en aan een goede uitvoering van de ingezette hervormingen.

3. Focusonderwerpen8

A. Decentralisaties Wmo 2015 en Jeugdwet

Op 1 januari 2015 zijn de Jeugdwet, de Wmo 2015 en de Wlz in werking getreden. Door de hervorming van de langdurige zorg en de jeugdhulp is de basis voor een cliëntgericht stelsel gelegd, waarin op financieel houdbare wijze passende zorg en ondersteuning beschikbaar is, gericht op participatie en bescherming van de meest kwetsbaren. Belangrijk is dat in 2015 de continuïteit van zorg en jeugdhulp gewaarborgd is gebleven. Dit is gebeurd dankzij de grote inzet en het verantwoordelijkheidsbesef bij gemeenten, verzekeraars, professionals, cliëntondersteuners, en het netwerk rondom de cliënt en de cliënt zelf.

De Tweede Kamer is in 2015 periodiek geïnformeerd over de voortgang van de hervorming van de langdurige zorg door middel van de voortgangsrapportages HLZ9. Daaruit blijkt dat er in de praktijk al veel goed gaat en gaandeweg steeds beter. De Transitiecommissie Sociaal Domein (www.transitiecommissiesociaaldomein.nl) concludeerde in haar najaarsrapportage dat, alhoewel er nog een vernieuwingsslag gemaakt moet worden, de kwaliteit van de geboden jeugdhulp overeind is gebleven. Over het gedecentraliseerde stelsel als geheel wordt de Tweede Kamer geïnformeerd met de overall rapportage sociaal domein.

Er is ook een aantal aandachtspunten in het kader van de hervorming van de langdurige zorg en jeugdhulp. Sommige hebben betrekking op de langere termijn, sommige op de korte termijn. Voor de langere termijn lopen diverse acties om de hervorming van de langdurige zorg te evalueren. Zo zullen vanaf 2016 in het kader van de evaluatie 2015–2018 van de hand van het SCP diverse deelrapporten over specifieke thema’s verschijnen.

Een belangrijk aandachtspunt is het beperken van administratieve lasten en het oplossen van knelpunten rond de rechtmatigheid van betalingen, waar VNG, gemeenten, aanbieders en Rijk hard aan werken. Een gezamenlijke werkagenda is opgesteld, waaruit onder andere een modeloplegger rechtmatigheid is voortgekomen die als leidraad dient voor gemeenten en zorgaanbieders.

De Ministeries van VWS en OCW hebben met gemeenten en onderwijsbesturen in 2015 extra inspanningen gepleegd om de gedecentraliseerde jeugdhulp goed te laten samengaan met de processen van passende hulp in het onderwijs. Dit heeft geleid tot een gezamenlijke werkagenda en de inzet van onderwijszorgconsulenten.

B. Uitvoering persoonsgebonden budgetten

Met de inwerkingtreding van de Wlz, de Wmo 2015 en de Jeugdwet is het trekkingsrecht persoonsgebonden budget (pgb) gestart. Vanaf 1 januari 2015 krijgen budgethouders met een pgb van de gemeente of het zorgkantoor het budget niet meer op eigen rekening. De betalingen verlopen achteraf via de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Deze beleidswijziging dient ertoe om fouten en fraude met het pgb terug te dringen en om de budgethouder in zijn administratieve taken te ondersteunen.

Na de invoering van het trekkingsrecht pgb zijn in 2015 bij de uitbetaling van zorgverleners door de SVB vertragingen ontstaan, waardoor niet alle betalingen tijdig en juist hebben plaatsgevonden. In 2015 is door alle ketenpartners en betrokkenen hard gewerkt om de ontstane problemen te herstellen, onder meer door het opstellen en uitvoeren van een herstel- en een verbeterplan10. Hierover is de Tweede Kamer veelvuldig geïnformeerd. In 2015 is prioriteit gegeven aan het stabiliseren van de betalingen en derhalve aan continuïteit van zorg en ondersteuning. Daarnaast is veel aandacht besteed aan het organiseren van een goede jaarovergang van 2015 naar 2016, onder meer door de activiteiten van de twee aangestelde ketenregisseurs. Ook de ketenregisseurs hebben de Tweede Kamer in 2015 periodiek geïnformeerd over de stand van zaken. De laatste brief in 2015 over de voortgang van het trekkingsrecht pgb en de voortgangsbrief van de ketenregisseurs is op 7 december aan de Tweede Kamer verzonden11.

C. Wijkverpleging

De wijkverpleegkundige heeft in 2015 haar vak weer teruggekregen. Hij of zij mag zelf weer bepalen welke zorg voor een cliënt nodig is en is verantwoordelijk voor het verpleegproces van begin tot eind. Wijkverpleegkundigen werken nauw samen met huisartsen om patiënten in de eerste lijn zo goed mogelijk te behandelen. De wijkverpleegkundige is daarmee, in samenwerking met de huisarts, de eerste toegang tot professionele zorg en speelt een verbindende rol tussen zorgvragers en zorgaanbieders. Daarnaast vormt de wijkverpleegkundige de schakel tussen het medische en het sociale domein. Een schakel die steeds belangrijker wordt omdat zorg en welzijn steeds meer met elkaar verweven zijn. Sommige aanbieders die wijkverpleegkundige zorg leveren, hebben in de loop van 2015 aangegeven dat de afgesproken contracten met verzekeraars begonnen te knellen. Aangezien verzekeraars een zorgplicht hebben, is door verzekeraars eind 2015 gericht aanvullend gecontracteerd. Op basis van de definitieve realisatiecijfers wordt in de loop van 2016 bekend wat de totale uitgaven waren in 2015 binnen het macro budgettaire kader verpleging en verzorging.

D. Nationale politie

In 2014 kondigde de toenmalige Minister van V&J een herijking aan van de vorming van de nationale politie. In de loop van 2015 bleek uit deze herijking dat meer tijd nodig was om de hele politieorganisatie in te richten volgens het Inrichtingsplan nationale politie. Uw Kamer is in augustus12 en november 2015 geïnformeerd over de stand van zaken van deze herijking en de naar aanleiding hiervan genomen maatregelen13. Kernboodschap is dat er meer realisme nodig is in het tempo en de ambities waarmee de nationale politie wordt gevormd. Voor de vorming van de nationale politie wordt:
  • –  Meer tijd gegund om «de basis op orde» te brengen;
  • –  Meer evenwicht gebracht in de sturing en meer ruimte voor lokaal maatwerk;
  • –  Meer aandacht gegeven aan het welzijn van de politiemedewerkers;
  • –  De prioriteit gelegd bij de afronding van de personele reorganisatie;
  • –  Meer geïnvesteerd in kwaliteit van de bedrijfsvoering.
Met de herijking is in 2015 een nieuw kader opgesteld. Er zijn begin 2015 forse stappen gezet met de vorming van basisteams, districtsrecherches en real-time intelligence centra. Dit geldt ook voor de dienstverlening. In de Contourennota voor de opsporing, die in november 2015 door de Minister van V&J in nauwe samenspraak met het bestuur en College van procureurs-generaal is vastgesteld14, is aangegeven welke maatregelen worden genomen om de kwantiteit en kwaliteit van de opsporing te borgen.

Begin december 2015 hebben 54.000 politiemedewerkers bericht ontvangen over hun voorgenomen plaatsing in de personele reorganisatie. Daarmee werd een randvoorwaardelijke stap gezet in de verdere inrichting van de eenheden, de vorming van het politiedienstencentrum en de staf van de politie.

Het programma om de politie-ICT op orde te brengen, is in volle gang. De continuïteit van de informatievoorziening is geborgd en er is een aantal belangrijke verbeteringen gerealiseerd, waaronder de uitrol van mobiel werken van politieagenten op straat. Door prioriteit te geven aan het verbeteren en standaardiseren van ICT-systemen om de basis van de nationale politie op orde te brengen, wordt voor de structurele vernieuwing van de politie-ICT meer tijd uit getrokken.

Om vast te stellen dat de continuïteit van de politieorganisatie ook op langere termijn is geborgd, heeft de Minister van V&J in 2015 opdracht gegeven te onderzoeken of met het voorziene budget materiële lasten, vastgestelde voornemens ten aanzien van prestaties, dienstverlening, kwaliteit, personeel, huisvesting, ICT en dergelijke, daadwerkelijk in het voorgenomen tempo kunnen worden gerealiseerd.

De commissie Evaluatie Politiewet 2012 heeft in september 2015 haar eerste rapport afgerond15. Hieruit blijkt dat er veel steun is voor de invoering van de nationale politie. De commissie is echter, gelet op de complexiteit van het proces, niet verbaasd dat sprake is van vertraging en hogere kosten bij de implementatie van de nationale politie. Zij ondersteunt de maatregelen uit de herijking.
In 2015 is een wetsvoorstel ingediend tot wijziging van de Politiewet 2012 in verband met de inbedding van de politieacademie in het nieuwe politiebestel16.
Tot slot zijn er belangrijke voorbereidende stappen gezet voor de vorming van de landelijke meldkamerorganisatie. Zo zijn voorbereidingen getroffen voor het samenvoegen van locaties en is er een visie op de landelijke ICT-infrastructuur geformuleerd. Uit de Gateway-review die in oktober 2015 is uitgevoerd17, bleek dat de opdracht om te komen tot een Landelijke Meldkamerorganisatie niet binnen de huidige afspraken van tijd en geld kan worden gerealiseerd. Een heroriëntatie is nodig, maar het einddoel blijft staan. De prioriteit komt te liggen bij de regionale samenvoegingstrajecten en het vormen van de landelijke ICT die noodzakelijk is om de 10 meldkamers als één virtuele organisatie te laten samenwerken18.

E. Raad voor de Rechtspraak

Sinds 2012 werkt de rechtspraak met het programma Kwaliteit en Innovatie (KEI) aan modernisering van de rechtspraak. Het programma richt zich op de kwaliteit, snelheid en toegankelijkheid van de rechtsgang. Een moderne en toekomstbestendige rechtspraak vraagt om digitalisering van de procedures. Het programma KEI omvat alle sectoren van de rechtspraak. Voor de modernisering en digitalisering van de procedures in het civiele recht en het bestuursrecht is de benodigde wetgeving in 2015 door de Tweede Kamer aangenomen en thans aanhangig bij de Eerste Kamer19. Met deze wetgeving wordt digitaal procederen voor professionele partijen verplicht. De wetgeving wordt voor verschillende sectoren gefaseerd ingevoerd.

De rechtspraak ontwikkelt de digitale systemen in de eigen IT-organisatie Spir-IT en stemt daarin af met alle bij de rechtspraak betrokken partijen. In 2015 zijn hierin belangrijke stappen gezet. Het digitale systeem voor de basisprocedure in civiele zaken is opgeleverd. In het vreemdelingenrecht is op vrijwillige basis een kleinschalige pilot gestart die in de loop van het jaar verder succesvol is uitgebreid. Daarmee wordt door advocaten via het portaal van de rechtspraak digitaal geprocedeerd en vindt de communicatie tussen de rechtspraak en de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) via een systeemkoppeling plaats. De resultaten van de pilot zijn bemoedigend. De pilot draait op dit moment in het hele land en er wordt steeds meer gebruik van gemaakt. Op het terrein van het toezicht bij faillissementen (KEI Toezicht) is de digitalisering ook gestart. Curatoren kunnen hun gegevens digitaal bij de rechtspraak indienen.

Het programma KEI brengt grote veranderingen voor de werkwijze binnen de rechtspraak met zich mee. Er zijn lokale veranderteams ingericht die moeten zorgen voor de voorbereiding van de implementatie en een cultuurverandering moeten bewerkstelligen. De verwachting is dat de digitalisering op termijn tot een aanzienlijke reductie van het administratieve personeel zal leiden. Daartoe zijn reeds «van werk naar werk trajecten» gestart en daarover zijn afspraken met de vakbonden gemaakt.

In het kader van de begrotingsbehandeling 2016 is aan de rechtspraak € 20 mln. in 2016 en € 25 mln. vanaf 2017 toegezegd onder meer voor de financiering van KEI20. De Minister van V&J heeft uw Kamer bij brieven van 30 april21 en 16 oktober 201522 geïnformeerd over de voortgang van het programma KEI.

F. Dienst Justitiële Inrichtingen

In 2015 heeft de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) geïnvesteerd in verschillende vormen van samenwerkingsbanden met ketenpartners. Voorbeelden daarvan zijn de Gesloten Gezins Voorziening in Zeist (samenwerkingsverband met het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) en de IND), het vaak in zeer korte tijd beschikbaar stellen van capaciteit aan het COA, de opvang van Noorse gedetineerden in Veenhuizen en de aandacht voor slachtoffers.

Voorts heeft DJI in 2015 conform planning uitvoering gegeven aan het Masterplan DJI, het grootschalige hervormingsplan waartoe in 2013 is besloten en dat loopt tot en met 2018. Uitvoering is conform planning gegeven aan de voorgenomen sluitingen van penitentiaire inrichtingen en de realisatie van meerpersoonscellen.

Sinds januari 2013 is de personele bezetting van DJI met 2.027 fte afgenomen: van 16.212 fte naar 14.185 fte (stand ultimo 2015). Daarnaast hebben in 2015 863 interne verplaatsingen binnen DJI plaatsgevonden. Zowel de benoemde afname van bezetting als de interne mobiliteit dragen bij aan het beperken van de boventalligheid. Op 31 december 2015 is de vrijwillige fase voor nog 765 DJI medewerkers van kracht gegaan. Om de DJI-medewerkers ander werk buiten DJI aan te bieden, zijn er met enkele grote organisaties convenanten afgesloten, waaronder de Rijks Beveiligings Organisatie, Reclassering Nederland, Politie, de Douane en het COA.

De vraag naar celcapaciteit vertoonde in 2015 nog altijd een afnemende trend. De leegstand binnen DJI is waar mogelijk geconcentreerd met het oog op een zo efficiënt mogelijke uitvoering. Daarnaast is vanaf oktober een deel van de penitentiaire inrichting Alphen aan den Rijn ter beschikking gesteld aan het COA voor de tijdelijke opvang van circa 1.100 asielzoekers. Binnen een korte periode was de overdracht in samenwerking met onze ketenpartners, waaronder de gemeente Alphen aan den Rijn, succesvol gerealiseerd.

DJI heeft in 2015 een aanpak weten te realiseren waarmee in de toekomst een verantwoord en zo flexibel mogelijk capaciteitsbeheer V&J-breed kan worden gevoerd én die ruimte biedt voor kwaliteitsverbeteringen.

G. Effectiviteit, efficiency en kosten van Inspectie

Het Ministerie van Economische Zaken heeft verschillende organisaties die inspecties uitvoeren. Hieronder is een toelichting gegeven over: de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), de Autoriteit Consument en Markt (ACM), de Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) en het Agentschap Telecom (AT).

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)

De NVWA bewaakt de gezondheid van dieren en planten, het dierenwelzijn en de veiligheid van voedsel en consumentenproducten. De concrete taken die zij hiertoe verricht zijn: handhaving van wet- en regelgeving, verstrekken van beleidsadviezen, risicobeoordeling en risicocommunicatie. Eind 2013 is een plan van aanpak opgesteld dat maatregelen bevat om het toezicht door de NVWA te versterken en de organisatie hiervoor verder op orde te brengen. Dit plan van aanpak ligt grotendeels op koers. Uw Kamer wordt hier op basis van lopende onderzoeken bij Voorjaarsnota nader over geïnformeerd, zoals is toegezegd door de Staatssecretaris van Economische Zaken.

Autoriteit Consument en Markt (ACM)

In 2015 heeft ACM met diverse campagnes consumenten voorgelicht over hun rechten bij online-aankopen. Ook zijn inkopers voorgelicht over het verminderen van risico’s bij openbare aanbestedingen. Verder heeft ACM boetes opgelegd voor kartelafspraken en in verband met het benadelen van concurrenten, en een last onder dwangsom opgelegd vanwege het onjuist informeren van consumenten23. Uit extern onderzoek in 2015 naar het functioneren van ACM24 blijkt dat ACM slagvaardig is, goed scoort op selectiviteit, over het algemeen goed samenwerkt met andere Nederlandse toezichthouders, zeer professioneel is, onafhankelijk opereert en over het algemeen transparant is.

Staatstoezicht op de Mijnen (SodM)

In het licht van de aardbevingsproblematiek in Groningen en de algemene behoefte aan meer inzet op het energiedossier bij het Ministerie van Economische Zaken is de bijdrage aan SodM in 2015 structureel verhoogd met € 2 mln. Hiermee wordt de SodM-organisatie verder uitgebreid en geprofessionaliseerd25.

Agentschap Telecom (AT)

AT is een onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken. Het agentschap is zowel uitvoerder als toezichthouder. AT stelt richtlijnen op en geeft vergunningen af voor het gebruik van frequentieruimte en heeft hier ook een controlerende taak. Verder houdt AT toezicht op de naleving van de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (Wion), de aftapbaarheid, de dataretentie, de ruimtevaartvoorschriften en de markttoegang voor apparatuur. AT heeft de kosten voor toezicht derden weten te verlagen, waardoor (enkele) tarieven verlaagd zijn. Zo heeft AT de vergunningstarieven voor de point-point straalverbindingen verlaagd. Het aantal gegrond verklaarde bezwaarschriften (een belangrijke indicator voor de kwaliteit van de uitvoering) was in 2015 laag.

H. Duurzaam inkopen door de ministeries

Maatschappelijk verantwoord inkopen (MVI) bevordert een kwalitatief hoogwaardige, stabiele en duurzame bedrijfsvoering en kan bijdragen aan de uitvoering van het kabinetsbeleid op het gebied van bijvoorbeeld de opwekking van hernieuwbare energie, groene groei in het bedrijfsleven, energiebesparing en de transitie naar een circulaire en biobased economy.

De rijksoverheid heeft in 2015 ingezet op zowel beleidsvorming als implementatie en communicatie met betrekking tot MVI door overheden. Het plan van aanpak MVI werd op 11 september 2015 door de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, mede namens de Ministers voor Wonen en Rijksdienst, van Economische Zaken, voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, aan de Tweede Kamer aangeboden26. De ontwikkelrichting van MVI verschuift hierbij van het toepassen van minimumeisen naar het aanmoedigen of uitnodigen van leveranciers om zo duurzaam mogelijke producten en diensten te leveren. Het plan heeft tot doel een nieuwe impuls aan het inkoopbeleid van overheden te geven zodat MVI integraal onderdeel uit gaat maken van de inkooptrajecten. Er wordt bij de uitwerking en uitvoering van het plan van aanpak MVI samen met provincies, gemeenten en waterschappen opgetrokken. De verschillende overheden blijven primair verantwoordelijk voor het eigen inkoopbeleid. Het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties worden bij de uitwerking en uitvoering van dit plan betrokken. Vanuit de behoefte van zowel de markt als de overheid aan eenduidigheid in terminologie, uitgangspunten, criteria, taal en instrumenten, is er een loket voor MVI ingericht bij het Expertisecentrum Aanbesteden PIANOo. In april 2015 heeft PIANOo op haar website een nieuw webdossier voor MVI gelanceerd. Dit dossier biedt inkopers informatie over de duurzaamheidthema’s (milieu, sociaal, economie en specifieke onderwerpen als circulair en biobased) en hoe duurzaamheid te integreren in het inkoopproces, en biedt over circa 45 productgroepen productgroepspecifieke duurzaamheidsinformatie. Onderdeel daarvan zijn de milieucriteriadocumenten die sinds 2015 jaarlijks worden geactualiseerd.

Voor de rijksoverheid en de inkoop die zij doet geldt dat MVI onderdeel is van het Rijksinkoopstelsel en het categoriemanagement voor 32 inkoopcategorieën. Het categoriemanagement zorgt er voor dat departementen niet alleen voor zichzelf bepaalde producten of diensten inkopen, maar gecoördineerd per productgroep of categorie voor alle departementen door één departement dat op dit gebied expertise heeft. Het categoriemanagement maakt het mogelijk om naar de totale levenscyclus van een product te kijken en leidt tot bundeling van kennis en ervaring van onder andere de duurzaamheidsaspecten. Een voorbeeld hiervan is de verwerking van oude uniformen binnen de categorie bedrijfskleding. Voorheen werden oude uniformen van Defensie verbrand. Dat kostte geld en was slecht voor het milieu. Tegenwoordig worden de oude uniformen gesorteerd door mensen van de sociale werkvoorziening. Wat nog goed is, wordt hergebruikt. Van de kleding die niet meer goed is, worden vezels vervaardigd om isolatiemateriaal of handdoeken van te maken. Afval verandert op die manier in een waardevolle grondstof, het spaart verbrandingskosten uit en creëert zinvol werk. Via de jaarrapportage bedrijfsvoering Rijk geeft de Minister voor Wonen en Rijksdienst jaarlijks de stand van zaken op het gebied van de ontwikkelingen rondom de duurzaamheid van de Rijksinkopen op basis van de informatie van de verschillende departementen.

I. Wet modernisering bekostiging MBO

De wetswijziging met betrekking tot de modernisering van de bekostiging is op 1 augustus 2014 in werking getreden en voor het eerst toegepast op de bekostiging van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) voor het kalenderjaar 2015. De modernisering van de bekostiging van het beroepsonderwijs is geregeld in de wet «doelmatige leerwegen in het beroepsonderwijs en het moderniseren van de bekostiging van het beroepsonderwijs»27. In deze wet zijn de beleidsmaatregelen voortvloeiend uit de regeerakkoorden Rutte-Verhagen en Rutte-Asscher en het Actieplan mbo «Focus op Vakmanschap 2011–2015» verder uitgewerkt. Met de nieuwe bekostiging wordt beoogd mbo-instellingen te stimuleren uitvoering te geven aan deze maatregelen en zo te komen tot doelmatige leerwegen voor mbo-studenten.

Met de wet doelmatige leerwegen is een aantal maatregelen uit het actieplan nader uitgewerkt die een verhoging van de onderwijskwaliteit en meer doelmatigheid dienen te bewerkstelligen zodat instellingen en studenten meer tijd aan onderwijs besteden en deze tijd efficiënter benutten. De belangrijkste maatregelen zijn het verkorten van de beroepsopleidingen, het intensiveren van de beroepsopleidingen op alle niveaus (ophoging begeleide onderwijsuren), het beëindigen van de drempelloze toelating op niveau 2, en het apart positioneren van de opleidingen op niveau 1 (entreeopleidingen). De maatregelen van de modernisering van de bekostiging sluiten hierop aan.

Om instellingen te stimuleren de opleidingen te verkorten en te intensiveren is de wegingsfactor ingevoerd voor de verblijfsjaren van een student in het mbo. Ook is bij de diplomabekostiging ingevoerd dat de bekostiging wordt gecorrigeerd voor eerder behaalde diploma’s. De entreeopleidingen hebben ook een aparte positie binnen het bekostigingsmodel gekregen. Binnen het bekostigingsmodel wordt een apart budget voor de entreeopleidingen met eigen maatstaven verdeeld over de mbo-instellingen.

Overgangsbekostiging voor de mbo-instellingen

Om instellingen in staat te stellen hun bedrijfsvoering af te stemmen op de gevolgen van de nieuwe mbo-bekostiging is in de wet voorzien in een overgangsbekostiging van vier jaar. Ook hieraan is uitvoering gegeven. Uitgangspunt hierbij was dat een instelling in een periode van vier jaar een verschil van 4% binnen de eigen bedrijfsvoering moet kunnen oplossen. Met uitzondering van één instelling is het verschil tussen de oude en de nieuwe bekostiging lager dan 4%. Voor deze instelling is voorzien in een aanvullende vergoeding om de continuïteit van het onderwijs bij deze instelling te kunnen waarborgen.

Evaluatie van de wet

Het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO) gaat de evaluatie van de wet «doelmatige leerwegen» uitvoeren samen met de evaluatie van de herziening van de kwalificatiestructuur (invoeringsdatum 1 augustus 2016). De nieuwe mbo-bekostiging maakt ook deel uit van deze evaluatie door NRO.

De evaluatie moet zicht geven op de voortgang en de mate waarin de beleidsinterventies het beoogde effect hebben. Ook worden eventuele ongewenste effecten in beeld gebracht. Daarbij wordt inzicht geboden in verklaringen voor het optreden van deze effecten. Bij het eventueel optreden van ongewenste effecten kan zo nodig worden bijgestuurd. De resultaten van de nulmeting zullen in 2016 beschikbaar komen. De resultaten van de monitoring van de voortgang van het implementatieproces en van de kwantitatieve effecten zijn voor het eerst voorzien in het najaar van 2016. De evaluatie wordt in 2020 afgerond.

Inmiddels blijkt uit het onderwijsverslag 2012/2013 en 2013/2014 dat mbo-instellingen met behulp van een betere intake steeds beter en objectiever studenten in de voor de student meest geschikte opleiding plaatsen. Dit past bij de ambitie van het Actieplan mbo «Focus op Vakmanschap 2011–2015» om studenten doelmatige leerwegen te laten doorlopen.

4. Ten slotte

In de departementale jaarverslagen is opgenomen welke beleidsdoelen en prioriteiten het kabinet zich voor 2015 had gesteld en in hoeverre deze in dat jaar tot uitvoering zijn gebracht. De Algemene Rekenkamer heeft deze jaarverslagen gecontroleerd en publiceert de resultaten hiervan in de rapporten bij de jaarverslagen.

Noot 1: Kamerstuk 31 865, nr. 71

Noot 2: 7 januari 2016

Noot 3: CBS, Nederland in 2015, 25 maart 2016

Noot 4: Kamerstuk 34 345, nr. 2

Noot 5: 7 januari 2016

Noot 6: CBS, Nederland in 2015, 25 maart 2016

Noot 7: Idem

Noot 8: Conform het verzoek van uw Kamer (7 januari 2016). Na overleg met uw Kamer zijn COA en IND, vanwege het ontbreken van hervormingstrajecten binnen deze organisaties, als specifieke invulling van het focusonderwerp komen te vervallen.

Noot 9: Kamerstuk 34 104, nr. 83

Noot 10: Kamerstuk 25 657, nr. 202

Noot 11: Kamerstuk 25 657, nr. 227

Noot 12: Kamerstuk 29 628, nr. 554

Noot 13: Kamerstuk 29 628, nr. 591

Noot 14: Kamerstuk 29 628, nr. 593

Noot 15: Kamerstuk 29 628, nr. 580

Noot 16: Kamerstuk 34 129, nr. 2

Noot 17: Kamerstuk 29 517, nr. 108

Noot 18: Idem

Noot 19: Kamerstuk 34 059 en 34 138 en 34 212, E en Kamerstuk 34 237, B

Noot 20: Kamerstuk 34 300 VI, nr. 23

Noot 21: Kamerstuk 29 279, nr. 241

Noot 22: Kamerstuk 29 279, nr. 281

Noot 23: Kamerstuk 27 879, nr. 54

Noot 24: Kamerstuk 25 568, nr. 132

Noot 25: Kamerstuk 32 849, nr. 42

Noot 26: Kamerstuk 30 196, nr. 358

Noot 27: Kamerstuk 33 187, nr. 2