Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

2.2 Ruimte voor banen en economische groei

Het vergroten van het Nederlandse groeipotentieel zorgt voor extra banen en welvaart. In de brief Werken aan Groei zet het kabinet uiteen wat het op korte termijn gaat doen voor het herstel van de werkgelegenheid en het verder versterken van het groeivermogen. Op korte termijn vraagt de relatief hoge werkloosheid om scholing, begeleiding naar werk en lagere lasten op arbeid. Op lange termijn hangt de welvaart sterk af van de kwaliteit van de beroepsbevolking en binnenlandse instituties. De Nederlandse uitgangspositie is in dit opzicht goed, maar er is ruimte voor een toename van de arbeidsdeelname en meer groei van de arbeidsproductiviteit. Gezien het sociale en economische belang staat het creëren van werkgelegenheid hierbij voorop. Een goede kwaliteit van onderwijs en wetenschap draagt bij aan het genereren van kansen voor iedereen. Verder komen geografische ruimte en locatie aan bod; steden als «fabrieken» van de 21ste eeuw en de Europese groeiagenda. Agglomeraties blijken immers vandaag de dag nog steeds cruciaal voor economische groei.

2.2.1 Minder arbeidsmarktbelemmeringen betekenen meer werk

Arbeidsmarktparticipatie heeft sociale en economische baten. Werkenden zijn in het algemeen gelukkiger en gezonder dan niet-werkenden, onder meer dankzij de sociale interactie met collega’s, het zelfvertrouwen dat zij opdoen en de kans die zij hebben om zich te ontplooien.43 Naast het individuele gelukseffect brengt werk ook maatschappelijke baten voort. Groei van werkgelegenheid zorgt voor meer economische groei, meer welvaart en meer koopkracht. Meer werkgelegenheid zorgt voor een bredere basis voor het stelsel van sociale zekerheid en zorg. En niet onbelangrijk: herverdelen van welvaart is in een groeiende economie eenvoudiger te realiseren dan in een krimpende of stagnerende economie.

De huidige stand van de conjunctuur vraagt om aanpak van langdurige werkloosheid. Sinds halverwege 2011 is de werkloosheid fors opgelopen. Gezien het grote belang van werk voor mensen en voor de samenleving als geheel, is de hoge werkloosheid pijnlijk. Verlies van werk is meer dan verlies van een inkomen. Werkloosheid, zeker als deze langdurig is, betekent ook het verlies van een sociaal netwerk, opgebouwde vaardigheden en zelfvertrouwen. Hoofdstuk 1 besprak hoe het kabinet de langdurige werkloosheid aanpakt: door te investeren in scholing, begeleiding naar werk en een lagere belasting op arbeid.

Op langere termijn zijn de kwantiteit en kwaliteit van de beroepsbevolking een belangrijke bron van economische groei. Door de vergrijzing neemt de potentiële beroepsbevolking af. Internationale concurrentie en snel ontwikkelende technologie zorgen ervoor dat het meer dan ooit belangrijk is om te blijven investeren in het op peil houden en aanleren van nieuwe kennis en vaardigheden. Niet alleen is het belangrijk om te voorkomen dat mensen op dit moment ontmoedigd raken of vaardigheden verliezen, het is ook belangrijk om te blijven investeren in de kwaliteit en kwantiteit van de beroepsbevolking op de langere termijn. Dit werkt bovendien positief door in de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit.

Er is ruimte voor groei van de werkgelegenheid: in personen is de arbeidsparticipatie van Nederlanders hoog, maar in uren is deze laag. Met name jongeren (15–24 jaar) participeren veel meer dan hun leeftijdsgenoten elders. Ook voor de andere leeftijdsgroepen geldt dat zowel Nederlandse mannen als vrouwen vaker actief zijn dan het OESO-gemiddelde. Eén op de vier Nederlanders in de beroepsgeschikte leeftijd werkt echter niet. De arbeidsparticipatie van Nederlanders tot 35 jaar wijkt zeer positief af van het OESO-gemiddelde; voor oudere leeftijdsgroepen geldt dit in veel mindere mate. Daarbij werken Nederlanders gemiddeld slechts 1.380 uur per jaar; dit is fors minder dan het OESO-gemiddelde van 1.770 uur. Figuur 2.2.1 schetst dat dit voor een belangrijk deel wordt verklaard doordat Nederland kampioen deeltijdwerken is. Gemiddeld genomen daalt het totale aantal gewerkte uren (van mannen en vrouwen) als de arbeidsparticipatie van vrouwen toeneemt in een land. Maar ook gegeven het aantal participerende vrouwen werken Nederlanders relatief weinig uren. Landen als Zweden en Zwitserland kennen bijvoorbeeld een zeer hoge arbeidsparticipatie van vrouwen én een veel hogere arbeidsparticipatie in uren per werkende.

Figuur 2.2.1 Nederland kampioen werken in deeltijd

Bron: OESO, bewerking op OESO statistieken (cijfers 2013)

Voor meer werk is het wegnemen van belemmeringen van belang. Voor de kwaliteit van de samenleving is het van groot belang dat mensen de kans krijgen maximaal mee te doen. Mensen moeten hun werk kunnen combineren met de zorg voor kinderen en in toenemende mate ook de zorg voor anderen in de omgeving. Het is aan werknemers, sociale partners en maatschappelijke organisaties om dit mogelijk te maken. Het is – zeker als het op uren en het combineren van werk en zorgtaken aankomt – een keuze die door individuen en huishoudens zelf wordt gemaakt. Deze keuze is niet los te zien van instituties. Keuzes worden gemaakt gegeven de kosten van kinderopvang, de lastendruk op arbeid en andere factoren, zoals de «regeldruk» van het combineren van zorgtaken met arbeid. Wanneer bijvoorbeeld de opbrengst van meer uren werk stijgt of de kosten van kinderopvang afnemen kan dit resulteren in andere voorkeuren. Instituties zoals het wettelijk stelsel van verlofregelingen, toegankelijke kinderopvang, en school- en openingstijden dienen daarom zo weinig mogelijk arbeidsmarktbelemmeringen op te leggen. Kleine deeltijdbanen en niet werken zijn immers verspilling van talent.

Ontslag kan leiden tot langdurige uitval. In een steeds sneller veranderende arbeidsmarkt verdwijnen banen in bepaalde sectoren en ontstaan banen op andere plekken. Het risico is dat een ontslagen werknemer niet de overstap kan maken naar een andere baan en daardoor langdurig uitvalt. Zowel voor het individu als voor de samenleving is het van belang dit te voorkomen. Door in te zetten op duurzame inzetbaarheid, een activerende sociale zekerheid en een goed werkende arbeidsmarkt kan de overheid ervoor zorgen dat van-werk-naar-werk-transities soepeler verlopen, waardoor het arbeidspotentieel beter wordt benut. Dit is goed voor het individu en voor de economie.

Discriminatie op de arbeidsmarkt en achterblijvende participatie van migranten leidt tot verspilling van talent. Het is een verantwoordelijkheid van de samenleving en een fundamenteel uitgangspunt van de Nederlandse rechtsstaat om individuen in gelijke gevallen gelijk te behandelen en gelijke kansen te geven. Discriminatie is onaanvaardbaar en in voorkomende gevallen ook strafbaar. De overheid bestrijdt arbeidsmarktdiscriminatie en bevordert de participatie van minderheden onder andere door strenge handhaving, het vergroten van kennis en bewustwording over discriminatie en ondersteuning van diversiteitsbeleid. Ook een open houding naar migranten is een uitgangspunt. Van nieuwkomers verwacht het kabinet dat zij zich aanpassen aan de in Nederland geldende normen en waarden en dat zij de kansen benutten die in Nederland worden geboden. De overheid ondersteunt hen door integratieprogramma’s op het gebied van taal en werk.

Box 2.2.1 Ruimte voor groei van de werkgelegenheid

Volgens cijfers van de OESO werken Nederlanders gemiddeld 1.380 uur per jaar. Aangenomen dat een werknemer met een voltijdbaan 38 uur per week werkt gedurende 48 weken per jaar, heeft een werkende in Nederland gemiddeld ongeveer 75 procent van een voltijdbaan. Het OESO gemiddelde is 1.770 uur per jaar. In personen is de Nederlandse arbeidsparticipatie ongeveer 75 procent. Erg grof kan dus worden gesteld dat maar iets meer dan de helft van het totale arbeidspotentieel wordt benut (75 procent x 75 procent = 56 procent). Tegelijkertijd is volledige werkgelegenheid een utopie. Het Zweedse of Zwitserse niveau van ongeveer 1.600 gewerkte uren in combinatie met een participatiegraad van 80 procent is ambitieus. Dit resulteert in een kleine 25 procent meer gewerkte uren.44
Beleid gericht op het vergroten van het arbeidsaanbod en het aantrekkelijker maken van werken is goed voor de economische groei. Internationaal onderzoek laat zien dat meer arbeidsaanbod de loonontwikkeling kan drukken, maar – in tegenstelling tot wat veel mensen intuïtief verwachten («lump of labour fallacy») – op de lange termijn niet leidt tot een hogere werkloosheid.45 Zo heeft de enorme toename van arbeidsparticipatie van vrouwen en ouderen in de afgelopen decennia geleid tot meer werkgelegenheid, zonder dat de werkloosheid onder mannen of jongeren steeg. Omgekeerd zou het weer invoeren van een regime van vervroegde uittreding economisch ongunstig zijn. Het aantal banen zou dalen terwijl het effect op de werkloosheid beperkt zou zijn. Zeker in regimes waarin vervroegde uittreding wordt deels gefinancierd door werkenden neemt de lastendruk voor werkenden toe. Hierdoor worden de economische groei en ook de structurele werkloosheid eerder negatief dan positief beïnvloed. Kortom, de hoeveelheid banen ligt niet vast in een land, maar hangt af van het aantal mensen dat zich aanbiedt op de arbeidsmarkt en de vormgeving van instituties.
Aanpassingen aan het belastingstelsel, met een lastenverlichting op arbeid, kunnen de economische groei versterken. Het kabinet streeft naar een verbetering van het belastingstelsel. Het doel is de werkgelegenheid en economische groei te bevorderen en de uitvoerbaarheid van het belastingstelsel, via een afname van de complexiteit, te vergroten. Voor economische groei is het belangrijk de lasten op arbeid te verlichten. De lasten op arbeid zijn in internationaal perspectief relatief hoog in Nederland. Als percentage van het bbp komt Nederland op een achtste plaats uit, ongeveer 5 procentpunt boven het EU-gemiddelde (zie figuur 2.2.2).46 Het verlagen van de lasten op arbeid en het schuiven van de belastingdruk naar andere, minder verstorende, belastingen kan de productiviteit en de werkgelegenheid versterken.47 Het wordt dan immers voor werkgevers aantrekkelijk om mensen in dienst te nemen. En voor mensen wordt het aantrekkeljker om zich aan te bieden op de arbeidsmarkt en te investeren in scholing.
Figuur 2.2.2 Nederland kent een hoge belasting- en premiedruk op arbeid

Bron: Europese Commissie, Taxation trends in the European Union, 2014 edition (cijfers 2012).

Het verlagen van de wig – het verschil tussen het nettoloon dat de werknemer overhoudt en de totale loonkosten die de werkgever draagt – is effectief voor zowel de onderkant van de arbeidsmarkt, de middengroepen als de bovenkant. Aan de onderkant van de arbeidsmarkt maakt de wig veel potentiële banen ontoegankelijk door de werkloosheidsval: het loont te weinig om vanuit een uitkering te gaan werken. Een hoge wig maakt het bovendien voor werkgevers relatief onaantrekkelijk mensen in dienst te nemen. Voor de middengroepen is het vooral weinig aantrekkelijk om meer uren te gaan werken en zich bij te scholen. Een hoge marginale druk draagt ook bij aan het grote aantal deeltijdbanen. De bovenkant van de arbeidsmarkt heeft voldoende prikkels om te werken, maar heeft veelal de keuze om buiten Nederland te werken. De internationale slag om talent maakt het voor deze mensen steeds aantrekkelijker om te kiezen voor een ander land. Ook de belastingdruk speelt hierbij een rol. In vergelijking met landen als Canada, Australië of de Verenigde Staten kan Nederland nog een slag slaan om meer internationaal talent aan te trekken.48

Box 2.2.2 Technologie en polarisatie op de arbeidsmarkt?

In Kunshan, een stad nabij Sjanghai, is een robotrestaurant geopend waarin robots het werk van obers en koks uitvoeren.49 Dit voorbeeld laat zien dat machines steeds meer activiteiten kunnen uitvoeren die vroeger door werknemers werden uitgevoerd. Technologische ontwikkeling en mondialisering veranderen de arbeidsmarkt, de inhoud maar ook de organisatie van werk. Het werk wordt anders: de bundeling van activiteiten die samen een baan vormen verandert. Hoewel bijscholing en omscholing belangrijker kan worden, betekent dit niet dat er minder werk is voor mensen. Nog steeds zijn er veel activiteiten die mensen beter kunnen dan machines. Vooral activiteiten waarbij interactie met anderen van belang is worden beter uitgevoerd door mensen dan door machines.50 Bovendien is het werk van mensen veelal complementair aan dat van machines. Gegeven de stand van de technologie ontstaat – op termijn – een werkverdeling tussen mens en machine die op dat moment het meest efficiënt is en die de talenten en vaardigheden van de beroepsbevolking optimaal benut.

Wereldwijde productieprocessen

Computers vereenvoudigen de afstemming van werk tussen mensen. Betere afstemming tussen werknemers, afnemende transportkosten en toegenomen globalisering resulteren in wereldwijde productieprocessen en verplaatsingen van werk naar het buitenland (offshoring). Ook hierbij geldt dat – gegeven handelsmogelijkheden en belemmeringen – er een nieuwe, meer efficiënte verdeling ontstaat waarbij de kwaliteiten van de verschillende beroepsbevolkingen optimaal worden benut. De Nederlandse beroepsbevolking heeft immers andere kwaliteiten en talenten dan de Chinese.

Minder banen in het midden

Vooral routinematige banen kunnen gemakkelijk worden overgenomen door computers of worden verplaatst naar het buitenland.51 Ook in Nederland daalt het aandeel van de banen van de «middengroepen». Als aandeel van de totale werkgelegenheid nam de werkgelegenheid van middengroepenberoepen met 7,5 procentpunt af tussen 1993 en 2010 (figuur 2.2.3). Hiermee is de polarisatie in Nederland wel beduidend minder sterk dan in andere Europese landen en de VS. In vergelijking met het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten is de loonpolarisatie in Nederland zeer gematigd. In tegenstelling tot de Verenigde Staten is de loongroei van de middeninkomens niet achtergebleven bij lage inkomens. Wel lijken werknemers in de middengroepen in de recente crisis vaker werkloos te worden dan werknemers uit andere groepen.52
Figuur 2.2.3 Daling werkgelegenheid middengroepen relatief beperkt in Nederland

Bron: Goos, Manning en Salomons (2014). «Explaining job polarization: Routine-biased technological change and offshoring.» American Economic Review, 104 (8), p. 2509–2526.

Noot: Werkgelegenheidsontwikkeling middengroepen tussen 1993 en 2010 (verandering aandeel in totale werkgelegenheid in procentpunten). De indeling van beroepen is gemaakt op basis van het gemiddeld loon. Andere maatstaven laten eenzelfde patroon zien.

Vraag én aanbod van mensen met een middelbare opleiding neemt af

Op termijn ontstaat een nieuw evenwicht op de arbeidsmarkt waarbij geen reden is om te veronderstellen dat groepen structureel de boot missen.53 De overgang naar dit nieuwe evenwicht stelt daarentegen mensen met een middelbare opleiding voor uitdagingen. Velen van hen zullen moeten schakelen naar een andere baan. En wat gebeurt er met productiviteit en loonvorming? Het belang van werken aan inzetbaarheid neemt daarmee toe. Het kabinet ondersteunt deze onzekere overgang met middelen voor de sectorplannen en de Wet werk en zekerheid. In Nederland werken voornamelijk oudere werknemers in de krimpende beroepen. Jongeren stromen de arbeidsmarkt op in groeiende beroepen. Bovendien stijgt het aanbod van hoogopgeleide werknemers terwijl het aanbod in het midden en aan de onderkant van de arbeidsmarkt daalt.

2.2.2 Goed onderwijs haalt het beste uit leerlingen

Nederlandse leerlingen presteren goed op school, maar verbetering is mogelijk. Volgens de meest recente PISA-scores scoort Nederland op bijna alle vaardigheidsgebieden boven het internationale gemiddelde. Nederland hoort daarmee op onderwijsgebied bij de betere OESO-landen. In Nederland zijn de verschillen tussen leerlingen in het basisonderwijs relatief klein. De minder goede leerlingen presteren zeer goed in internationaal perspectief: het goede kennisniveau wordt breed gedeeld. De beste leerlingen presteren, in internationaal opzicht, minder goed. Ook in het voortgezet onderwijs is de achterstand van de uitblinkende leerlingen ten opzichte van het buitenland aanwezig, zij het in mindere mate (zie figuur 2.2.4). De verbetering van de onderwijsprestaties stagneert, vooral als de prestaties van de beste leerlingen internationaal worden vergeleken. Meer ruimte voor excellentie biedt kansen.

Figuur 2.2.4 Nederland scoort internationaal goed, maar ruimte voor meer excellentie

Noot: nominale scores PISA 2012; 500 is internationale gemiddelde PISA 2003.

Het Nederlandse onderwijsbestel kan tot de best presterende onderwijsstelsels ter wereld behoren. Samen met de Stichting van het Onderwijs heeft het kabinet daarom het Nationaal Onderwijsakkoord (NOA) gesloten waarin aandacht uitgaat naar onder andere de kwaliteit van leraren en de prestaties van de beste leerlingen. Vervolgens is dit verder uitgewerkt in de lerarenagenda (zie box 2.2.3), in cao’s en in kwaliteitsafspraken van de sectorakkoorden voor het primair, voortgezet en middelbare beroepsonderwijs (po, vo en mbo). Aanvullend worden in het Plan van Aanpak Toptalenten stappen gezet naar een meer ambitieuze leercultuur; naar onderwijs dat meer uitdaagt, waarin bijzondere prestaties meer lonen en leraren beter zijn toegerust. Naast het doorzetten van de ingezette verbeteringen in het mbo, worden ook maatregelen genomen om de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt te verbeteren. Onderdeel hiervan is het regionaal investeringsfonds mbo waarmee publiek-private samenwerking binnen de regio wordt gestimuleerd om ervoor te zorgen dat studenten en het onderwijspersoneel gebruik kunnen maken van state-of-the-art materiaal en op de hoogte zijn van de laatste technieken. Daarnaast komt er gerichte aandacht voor excellent vakmanschap.

Box 2.2.3 Een goede leraar voor de klas

De kwaliteit van leraren is cruciaal voor de kwaliteit van het onderwijs. Hun vakkennis en pedagogisch-didactische kwaliteiten maken dat leerlingen zich uitgedaagd voelen om het beste uit zichzelf te halen. In de Lerarenagenda 2013–2020 zijn daarom zeven actiepunten geformuleerd om de kwaliteit van de leraar te verbeteren. Deze actiepunten zijn onder meer verder uitgewerkt in de cao’s en in de vorm van kwaliteitsafspraken in sectorakkoorden:

  • •  De kwaliteit van aankomende studenten van lerarenopleidingen kan omhoog via strengere toelatingseisen en selectie op motivatie. Op dit moment wordt bijvoorbeeld onderzocht of extra instroomeisen in tweedegraads lerarenopleidingen nodig zijn op het gebied van kennis.
  • •  Aandacht voor de kwaliteit van lerarenopleiders, invoering van kennistoetsen, betere begeleiding en beoordeling in de praktijkcomponent van de opleiding verhoogt de kwaliteit van lerarenopleidingen. Zo zijn hogescholen bijvoorbeeld bezig om gezamenlijk kennistoetsen te ontwikkelen voor tweedegraads lerarenopleidingen. Deze toetsen gaan zij vanaf het schooljaar 2014/2015 afnemen.
  • •  De routes naar het leraarschap worden verbreed en de instroom van jonge academici en zij-instromers wordt vergroot. In de sectorakkoorden voor het po en vo zijn concrete doelstellingen afgesproken over het verhogen van het aantal masteropgeleide leraren in 2020. Dit kan op verschillende manieren worden bereikt: onder meer via het wervings-, selectie- en scholingsbeleid van schoolbesturen zelf, maar ook door bijvoorbeeld het onderwijstraineeship. Pas afgestudeerde academische masterstudenten (in een andere opleiding dan een lerarenopleiding) kunnen daarmee in een leer-werktraject worden opgeleid tot leraar.
  • •  De beginnende leraar gaat beter worden begeleid bij de overgang van opleiding naar praktijk. Het doel hiervan is uitval uit het onderwijs te voorkomen en het niveau van beginnende leraren sneller te verhogen. In zowel het sectorakkoord po als het sectorakkoord vo zijn afspraken gemaakt, zodat elke startende leraar straks een goed inwerk- en begeleidingsprogramma krijgt.
  • •  De school moet een lerende organisatie zijn met goed personeelsbeleid waarin beoordelen, waarderen en belonen een belangrijke rol speelt. Hiertoe zijn in de sectorakkoorden po en vo afspraken gemaakt. Bij het sectorakkoord vo is bijvoorbeeld afgesproken dat elk personeelslid jaarlijks een functioneringsgesprek heeft waarin tijd, geld en wijze van professionalisering wordt vastgesteld.
  • •  Er moeten bekwame en bevoegde leraren voor de klas staan die naast de basisvaardigheden ook beschikken over complexe vaardigheden zoals opbrengstgericht werken, differentiëren en feedback geven. In de sectorakkoorden van het po en vo is afgesproken dat in 2020 alle (ervaren) leraren deze vaardigheden beheersen. Daarnaast zijn alle leraren in po, vo en mbo vanaf 2017 verplicht geregistreerd in het Lerarenregister en werken daarmee ook stelselmatig aan hun bekwaamheidsonderhoud.
  • •  Versterking van de beroepsgroep leraren stimuleert de duurzame ontwikkeling van het beroep en draagt bij aan het imago van de leraar. Hiertoe gaat onder meer de Onderwijscoöperatie door met het stimuleren van activiteiten voor een beter imago en een betere status van de beroepsgroep bijvoorbeeld via de verkiezing «Leraar van het Jaar».

Rond de Dag van de Leraar wordt de voortgangsrapportage van de Lerarenagenda naar de Tweede Kamer gestuurd. Indien nodig worden aanvullende mogelijkheden verkend om verdere verbetering van de kwaliteit van leraren te realiseren.

Het hoger onderwijs blijft toegankelijk én kwalitatief hoogstaand. Met de invoering van het studievoorschot wordt de toegankelijkheid van het hoger onderwijs ook in de toekomst geborgd: iedereen die wil studeren, kan studeren. Studenten kunnen lenen om in hun levensonderhoud te voorzien. En zij kunnen dit doen op een verantwoorde en sociale manier; ze lenen tegen een voordelige rente en hoeven na hun afstuderen niet terug te betalen als ze minder dan het wettelijk minimumloon verdienen. De middelen die vrijkomen met de hervorming van de studiefinanciering worden geïnvesteerd in de kwaliteit van het hoger onderwijs en aan hoger onderwijs gerelateerd onderzoek. Dit kan in de praktijk bijvoorbeeld vorm krijgen door intensievere begeleiding van de studenten, verhoging van het aantal contacturen tussen student en docent, of met een extra stimulans voor wetenschappers om naast goed onderzoek, ook goed onderwijs te verzorgen, in de vorm van uitdagende colleges. Bovendien kunnen ook werkenden tussen de 30 en 55 jaar het collegegeldkrediet gebruiken om hun aantrekkelijkheid op de arbeidsmarkt te vergroten.

2.2.3 Ruimte voor productiviteitsvoordelen van stedelijke agglomeraties

Steden zijn de fabrieken van de 21ste eeuw.54 Het belang van persoonlijke interactie maakt dat mensen en economische activiteit zich clusteren in steden. De productiviteit, innovatie en baancreatie neemt toe met de bevolkingsdichtheid (zie figuur 2.2.5). Verwacht wordt dat deze relatie het komende decennium sterker wordt en de congestienadelen van steden dankzij technologische en infrastructurele ontwikkelingen verder afnemen.55 De grootste steden tonen momenteel ook het sterkste en snelste herstel van de crisis.56 Met het verder verfijnen en uitbreiden van ICT-mogelijkheden worden productieprocessen complexer en meer wereldwijd gespreid. Persoonlijke ontmoetingen blijven echter cruciaal voor het uitwisselen van complexe informatie en innovaties. Kennisuitwisseling gaat beter face-to-face dan op andere manieren.57 Steden bieden de mogelijkheid tot geplande en ongeplande interacties.58
Naast productievoordelen spelen ook consumptievoordelen van steden een rol in het succes van steden. Steden zijn populaire woonplekken.59 De waardering voor het diverse aanbod aan voorzieningen, zoals theaters en onderwijsinstellingen, en sociale interacties in steden neemt toe met het welvaartsniveau. Zo treedt een opwaartse spiraal op tussen de productie- en consumptievoordelen van steden. Ambitieuze en goedopgeleide werknemers trekken vanwege consumptievoorkeuren en arbeidsmarktkansen naar de stad. Deze selectie geeft bedrijven in de stad een extra productievoordeel: in steden wonen gemiddeld genomen meer hoogopgeleide en productievere werknemers. De grote keuze aan werknemers en werk geeft beide partijen de mogelijkheid om kieskeuriger te zijn. Dit verbetert de aansluiting tussen werknemer en baan.60
Figuur 2.2.5 Productiviteit neemt toe met bevolkingsdichtheid (bbp per km2)

Bron: Nordhaus (2006). «Geography and macroeconomics: New data and new findings». PNAS, 103, p. 3510-17.

Het versterken van de economische kracht van stedelijke regio’s vraagt om ruimte voor groei en innovatie. De locatiekeuze van wonen en werken ligt primair bij burgers en bedrijven. Ook hierbij geldt dat de overheid moet voorkomen dat instituties en beleid onnodige belemmeringen opleggen in de locatiekeuze. Nationale en internationale adviesorganen geven in recente studies aan dat Nederlandse stedelijke regio’s op bepaalde gebieden achterblijven. Zo stelt de OESO dat productiviteitsgroei van steden in Nederland lager is dan in vergelijkbare steden in andere landen.61 Momenteel hebben niet alle steden de optimale omvang om economisch goed te kunnen presteren. Figuur 2.2.6 laat zien dat de grondkosten aan de randen van Amsterdam veel hoger zijn dan aan de randen van Rotterdam. Dit suggereert dat er in Amsterdam een grotere behoefte bestaat aan extra bebouwde grond, en dus groei van de stad, dan in Rotterdam. Ruimte voor stedelijke groei zal onder meer worden gefaciliteerd door de procedures in de nieuwe Omgevingswet eenvoudiger te maken. In 2015 zal een Agenda Stad worden gepresenteerd met maatregelen om de groei, leefbaarheid en innovatie in Nederlandse steden te versterken. Hiernaast heeft het kabinet een studiegroep openbaar bestuur ingesteld. Deze studiegroep onderzoekt hoe bestuurlijke ordening beter kan aansluiten bij de maatschappelijke en economische ontwikkelingen.
Figuur 2.2.6 Schaduwprijzen verschillen sterk in Nederland (euro per m2)

Bron: De Groot, Marlet, Teulings en Vermeulen (2010). «Stad en Land» CPB Bijzondere publicatie Nr. 89. Schaduwprijzen geven een inschatting van de (onbekende) marktprijs van de grond rondom steden. Dit is gemeten aan de hand van de waarde van woningbouwgrond op nieuwbouwlocaties in de buurt van de stadsrand in vergelijking met de waarde in alternatief gebruik en de kosten van het bouwrijp maken.

Een grotere vrije huursector draagt bij aan arbeidsmarktmobiliteit. Huurders in de vrije huursector wisselen makkelijker van baan dan mensen in de koopsector en de sociale huursector.62 De meeste Nederlanders wonen echter in een koopwoning, en zijn daarmee minder flexibel op de arbeidsmarkt vanwege transactiekosten bij aan- en verkoop en potentiële restschulden. Ook is de sociale huursector in Nederland groter dan in andere landen, waarbij gereguleerde en gesubsidieerde prijzen tot overconsumptie leiden. Lange wachtlijsten voor sociale woningbouw in de grotere steden leiden er eveneens toe dat mensen die eenmaal in een sociale woning wonen nog minder snel verhuizen en van baan wisselen. De vrije huursector beslaat nog geen vijf procent van alle woningen en biedt zo in beperkte mate een alternatief.63 Dat de vrije huursector, in tegenstelling tot de overige 95 procent van de markt, niet wordt gesubsidieerd speelt hier een rol in. Het kabinet vermindert de subsidiëring op de woningmarkt met de afbouw van de hypotheekrenteaftrek, de aanpak van scheefwonen en aanpassingen aan de regulering van de huursector. De effecten van deze maatregelen op het aanbod in het vrije segment zullen de komende periode zichtbaar moeten worden.

2.2.4 Europa: meer slagkracht door structurele hervormingen en groei van de interne markt

Na de fase van crisisbestrijding in Europa, treedt nu de volgende fase aan: terugkeer naar duurzame groei. Banken en overheden werden gered om grote risico’s voor het financiële systeem af te wenden. In allerijl slaagden regeringsleiders erin om zwakke plekken in de Economische en Monetaire Unie (EMU) aan te pakken. Dit resulteerde in de oprichting van de noodfondsen, aanscherping en meer aandacht voor een betere naleving van de Europese begrotingsregels, meer toezicht op het ontstaan van macro-economische onevenwichtigheden en de bankenunie. De rente op staatsobligaties is over de gehele linie gedaald en de twijfels over het voortbestaan van de euro zijn sterk gereduceerd. Ook de landen die steunpakketten hebben ontvangen, krijgen gaandeweg weer toegang tot de kapitaalmarkt. De verwachting is dat volgend jaar de economische groei aantrekt, vooral in (voormalige) programmalanden. De geraamde groei is vooralsnog echter bescheiden. Bovendien is een langere periode van groei nodig om de schuldenlast in eurolanden – zowel van particulieren als van overheden – terug te dringen. Als dit niet in voldoende mate lukt, bestaat de kans dat na verloop van tijd opnieuw twijfels ontstaan over de houdbaarheid van schulden.

Het voornaamste potentieel voor groei ligt in de lidstaten zelf. Structurele hervormingen op verschillende terreinen kunnen eurolanden en de eurozone als geheel een belangrijke steun in de rug geven. De potentiële groei in de EU kan sterk toenemen als lidstaten structurele hervormingen doorvoeren.64 De ervaring leert dat het echter lastig is om hervormingen door te voeren als de directe noodzaak daarvoor ontbreekt. De terreinen waar met structurele hervormingen de meeste winst valt te behalen, horen weliswaar tot de nationale verantwoordelijkheid maar vormen tegelijkertijd een belangrijk onderdeel van Europese beleidscoördinatie. Daarbij kunnen eurolanden van elkaar leren bij de implementatie van structurele hervormingen. Als handelsland profiteert Nederland meer dan gemiddeld van stabiliteit en groei in de eurozone.

Het is van belang dat landen de juiste prikkels ervaren om structurele hervormingen door te voeren. Dit kan door beter gebruik te maken van de bestaande regels binnen de EU, zoals de begrotingsregels van het Stabiliteits- en Groeipact (SGP). Het kabinet wil de bestaande mogelijkheden voor flexibiliteit in het SGP koppelen aan het doorvoeren van concrete, meetbare hervormingen. Dit biedt landen de ruimte om noodzakelijke maatregelen door te voeren. Daarnaast kunnen landen bij hervormingen gezamenlijk optrekken. Een voorbeeld van dergelijk beleid is de recente discussie in de Eurogroep over de hoge belastingdruk op arbeid. Juist als het gaat om onderwerpen zoals deze, waarbij lidstaten met soortgelijke uitdagingen worden geconfronteerd en veel van elkaar kunnen leren, is het van belang om met elkaar in dialoog blijven. Lidstaten zouden elkaar er ook op moeten aanspreken als noodzakelijke hervormingen uitblijven.

Daarnaast kan Europa nog meer profijt halen uit de interne markt. De interne markt heeft Nederland al veel opgeleverd. Meer profijt is echter mogelijk. Een goed voorbeeld hiervan is de dienstenrichtlijn. Deze is in 2006 aangenomen, maar de invoering verschilt tot nu toe sterk tussen lidstaten. Als het niveau van implementatie in alle landen en voor alle sectoren naar de beste standaard wordt getrokken, is voor Europa nog een substantiële bbp-winst mogelijk.65 Daarnaast maakt Europa nog onvoldoende gebruik van de mogelijkheden die de digitale markt biedt, vooral op het terrein van de handel via internet. Het extra profijt kan hier oplopen tot een extra bbp-winst van 5 procent in Europa.66 Ook is veel winst te behalen met een betere Europese energiemarkt. Verstorende regelgeving en markten die onvoldoende op elkaar aansluiten leiden tot onnodig hoge kosten voor consumenten en bedrijven. Voor de gasmarkt alleen al geldt dat een beter functionerende Europese markt kan leiden tot kostenreducties van 8 tot 30 miljard euro per jaar.67 Tegelijkertijd kan de interne markt nog beter functioneren op het terrein van het vrij verkeer van werknemers. De juiste voorwaarden moeten worden gecreëerd om fraude met arbeidswetgeving, uitbuiting van werknemers en fraude met sociale zekerheid te voorkomen. Het kabinet zal zich ervoor blijven inspannen om voortgang te boeken op deze terreinen.