Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

3.4 Overheidsfinanciën duurzaam op orde

De overheidsfinanciën komen in 2015 in rustiger vaarwater terecht. Naar verwachting komt het EMU-saldo in 2015 uit op – 2,2 miljard euro. De totale uitgaven bedragen in 2015 naar verwachting 250,5 miljard euro. De totale inkomsten worden voor 2015 geraamd op 237,7 miljard euro, met als grootste categorieën de omzetbelasting en de loon- en inkomstenbelasting (in totaal ongeveer een derde van de inkomsten van het Rijk). Het verschil tussen deze uitgaven en de inkomsten maakt het EMU-saldo van het Rijk. Niet alleen het Rijk, maar ook decentrale overheden kunnen een tekort hebben op de begroting. Het EMU-saldo van het Rijk plus het EMU-saldo van de decentrale overheden maakt het EMU-saldo van de gehele sector overheid.129 In figuur 3.4.1 is de samenhang tussen uitgaven, inkomsten en EMU-saldo te zien.
Figuur 3.4.1 Samenhang uitgaven, inkomsten en saldo 2015 (in miljarden euro)

Een groot tekort heeft negatieve gevolgen. Sinds het begin van de crisis is de schuld van Nederland toegenomen met ongeveer 150 miljard euro als direct gevolg van het begrotingstekort. De schuld loopt sneller op bij grote tekorten en zodoende wordt er een grotere rekening achtergelaten voor toekomstige generaties. De met de schuldoploop samenhangende rente-uitgaven drukken daarbij andere uitgaven weg. Ook voor de reputatie van Nederland – op bijvoorbeeld de financiële markten – is het van belang dat Nederland werkt aan een geloofwaardig herstel van de overheidsfinanciën. Het terugbrengen van tekorten is niet alleen belangrijk om de schuld af te bouwen, maar ook om voldoende buffers op te bouwen zodat toekomstige schokken makkelijker opgevangen kunnen worden. Een goede uitgangspositie is essentieel voor de schokbestendigheid van de begroting. Hoofdstuk 4 test de schokbestendigheid van de Nederlandse begroting door deze te onderwerpen aan extreme macro-economische scenario’s.

Nu het herstel heeft ingezet, is het zaak dat het tekort verder verkleind wordt. Immers, het maximaal toegestane tekort van 3 procent van het bbp is niet het doel. De historische ontwikkeling in figuur 3.4.2 laat zien dat Nederland ook tijdens hoogconjunctuur hoge tekorten heeft gekend. Dit duidt aan dat er in economisch goede tijden onvoldoende buffers zijn gevormd voor economisch slechtere tijden. Zoals eerder in dit hoofdstuk is geconstateerd, moet er voldoende afstand zijn van de vangrail om in economisch zware tijden (makkelijker) klappen op te kunnen vangen. Het dak kan het beste gerepareerd worden wanneer de zon schijnt en niet pas wanneer het regent.

Figuur 3.4.2 Ontwikkeling EMU-saldo sinds 1970 (in procenten bbp)

De raming van het EMU-saldo is voor zowel 2014 als 2015 verbeterd. Voor 2014 bedraagt de verbetering 0,4 procentpunt en voor 2015 0,6 procentpunt. De verandering van de saldoraming ten opzichte van de Miljoenennota 2014 – de zogenoemde verticale ontwikkeling – wordt in tabel 3.4.1 toegelicht.

De neerwaarts bijgestelde raming voor de belasting- en premie-inkomsten zorgt voor een verslechtering van het EMU-saldo ten opzichte van de Miljoenennota 2014. De mutaties in de belasting- en premie-inkomsten worden toegelicht in paragraaf 3.3.2.

De raming van de aardgasbaten is naar beneden bijgesteld. Dit is het gevolg van het kabinetsbesluit van 17 januari 2014 om minder gas te winnen uit het Groningengasveld. Daarnaast zijn de aardgasbaten aangepast aan de TTF gasprijzen en de dollarkoers.

De rentelasten zijn gedaald ten opzichte van Miljoenennota 2014. Deze daling wordt met name veroorzaakt doordat de prijs waartegen geleend wordt (=rentevoet) lager wordt ingeschat dan de verwachting ten tijde van de Miljoenennota 2014.

De mutaties in de EU-afdrachten zorgen voor een verslechtering van het EMU-saldo in 2014, maar verbeteren het EMU-saldo in 2015. De uitgaven aan de opvang van asielzoekers verslechteren het EMU-saldo in 2014. De reservering voor de effecten van de ESA revisie op de EU-afdrachten verslechtert het EMU-saldo in 2015. Deze drie mutaties worden toegelicht in de kadertoets van het kader RBG-eng in paragraaf 3.5.1.

De uitgaven aan de werkloosheidsuitkeringen en de overige uitgaven aan sociale zekerheid leiden tot een verbetering van het EMU-saldo in zowel 2014 en 2015. Ook de zorguitgaven (inclusief de niet-kaderrelevante uitgaven zoals de zorgtoeslag en de zorgbemiddelingskosten) zorgen voor een verbetering van het EMU-saldo in beide jaren.

In beide jaren doet zich een noemereffect met een saldoverbeterend effect voor. Dit effect wordt veroorzaakt door de opwaartse bijstelling van het bbp in beide jaren als gevolg van de herziening van de nationale rekeningen.

In 2014 is een deel van de betalingen aan de vervoersbedrijven voor de OV jaarkaart vooruitbetaald. Voor het EMU-saldo moeten deze kosten echter wel aan 2015 worden toegerekend. Deze toerekening vindt plaats middels een correctie van het zogenoemde kas-transverschil (KTV). Dit KTV belast het EMU-saldo van 2015 en ontlast het EMU-saldo in 2014.

Tabel 3.4.1 Verticale toelichting EMU-saldo (in procenten bbp)1Door afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.
 

2014

2015

EMU-saldo Miljoenennota 2014

– 3,3%

– 2,8%

Belasting- en premie-inkomsten

– 0,4%

– 0,7%

Aardgasbaten

– 0,3%

– 0,2%

Rentelasten

0,1%

0,1%

HGIS

– 0,1%

0,0%

EU-afdrachten

– 0,1%

0,2%

Opvang asielzoekers

0,1%

0,0%

Reservering gevolgen ESA2010 voor EU-afdrachten

0,0%

– 0,1%

Uitgaven aan werkloosheidsuitkeringen

0,1%

0,2%

Overige SZA uitgaven

0,3%

0,2%

Zorg

0,4%

0,6%

Noemereffect

0,2%

0,1%

KTV OV jaarkaart

0,1%

– 0,1%

Overig

0,1%

0,1%

EMU-saldo Miljoenennota 2015

– 2,9%

– 2,2%

Het EMU-saldo verbetert van – 2,9 procent in 2014 naar – 2,2 procent bbp in 2015. Naar verwachting verbetert het EMU-saldo van 2014 op 2015 met 0,7 procentpunt bbp. Dit komt neer op een verbetering van 4,4 miljard euro. Tabel 3.4.2 bevat de toelichting op de verandering van het saldo tussen 2014 en 2015 – de zogenoemde horizontale ontwikkeling.

De belasting- en premie-inkomsten stijgen in 2015 met 3 miljard euro. Deze stijging zorgt voor een verbetering van het EMU-saldo 2015 ten opzichte van 2014 met 0,5 procentpunt bbp. De zorguitgaven dalen 0,7 miljard euro en zorgen daarmee voor een verbetering van 0,1 procentpunt. De uitgaven aan de sociale zekerheid en aan loon- en prijsbijstelling stijgen van 2014 op 2015 en verslechteren daarmee het EMU-saldo. De lagere uitgaven aan de EU afdrachten en andere uitgaven onder het kader RBG-eng zorgen voor een verbetering van het EMU-saldo van 2014 op 2015.

De winstafdracht van DNB daalt van 2014 op 2015 en zorgt net als de stijging van de kas-transcorrecties (met name KTV OV-jaarkaart) voor een verslechtering van het saldo. Het EMU-saldo van de lagere overheden verbetert van 2014 op 2015 en zorgt daarmee voor een verbetering van het EMU-saldo van de collectieve sector.

Tabel 3.4.2 Horizontale toelichting EMU-saldo1Door afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.
 

Miljarden

euro

Procenten

bbp

EMU-saldo 2014

– 19,0

– 2,9%

Noemereffect

 

0,0%

Belasting- en premie-inkomsten

3,0

0,5%

Zorguitgaven

0,7

0,1%

Uitgaven aan sociale zekerheid

– 1,7

– 0,3%

Lonen en prijzen

– 1,0

– 0,2%

EU-afdrachten

1,3

0,2%

KTV's

– 0,8

– 0,1%

Uitgaven RBG-eng

3,0

0,4%

Winst DNB

– 0,5

– 0,1%

EMU-saldo lagere overheden

0,4

0,1%

EMU-saldo 2015

– 14,6

– 2,2%

Voor Nederland is de preventieve arm van het SGP van belang. Voor Nederland gelden de vereisten van de preventieve arm, omdat Nederland sinds 2013 aan de eisen van de correctieve arm voldoet en ontslagen is uit de buitensporigtekortprocedure. De preventieve arm ziet toe op de MTO-doelstelling en het voldoen aan de uitgavenbenchmark. De werking van de preventieve arm wordt beschreven in box 3.2.1. Voor 2015 dient Nederland te voldoen aan een structureel tekort van maximaal 0,5 procent bbp. Het structurele saldo wordt berekend door het feitelijke saldo te corrigeren voor incidentele factoren en een conjuncturele component.130 Volgens de huidige inzichten komt het structurele EMU-saldo in 2015 naar verwachting uit op -0,7 procent bbp (zie tabel 3.4.3). De Commissie hanteert bij het bepalen of een lidstaat de MTO heeft behaald een zekere marge, omdat de berekening van het structurele saldo met grote onzekerheden is omgeven en het verloop ervan volatiel is. Een lidstaat met een structureel saldo dat binnen deze marge zit van de MTO wordt beschouwd als te voldoen aan de vereisten van de preventieve arm. De huidige inschatting is dat het structurele saldo van Nederland binnen deze marge van de Commissie valt en dat Nederland daarmee voldoet aan de MTO. In dat geval voldoet Nederland ook aan de uitgavenbenchmark. Nederland voldoet daarmee volgens de huidige inschattingen aan beide pilaren van de preventieve arm. Het uiteindelijke oordeel of Nederland voldoet aan de vereisten van de preventieve arm is aan de Commissie.
Tabel 3.4.3 Structurele EMU-saldo (in procenten bbp)
 

2014

2015

Feitelijk EMU-saldo

– 2,9%

– 2,2%

Af: Conjuncturele component / incidentele componenten

– 1,9%

– 1,5%

Structurele EMU-saldo Miljoenennota 2015

– 1,0%

– 0,7%

Box 3.4.1 Landenspecifieke aanbevelingen

De landenspecifieke aanbevelingen waarmee de Raad van de EU elk jaar in juni het Europees Semester afsluit zijn van belang om lidstaten te stimuleren verstandig economisch en budgettair beleid te voeren. De Raad gaf Nederland afgelopen juni vier landenspecifieke aanbevelingen.131 Deze gingen over de begrotingsstrategie, hervorming van de woningmarkt, vergrijzing en arbeidsparticipatie. Het kabinet deelt de mening van de Raad dat deze onderwerpen aandachtspunten zijn binnen de Nederlandse economie en dat hierop ambitieus beleid gevoerd mag worden.

De eerste aanbeveling is gericht op het versterken van de begrotingsmaatregelen voor 2014 en wijst op een risico van een significante afwijking van de vereisten van het Stabiliteits- en Groeipact (SGP). Eén van de prioriteiten van het kabinet is het op orde brengen van de overheidsfinanciën. Het ontslag uit de buitensporigtekortprocedure afgelopen juni laat zien dat Nederland op dit terrein een belangrijke stap heeft gezet. Na dit ontslag uit de correctieve arm is Nederland in de preventieve arm van het SGP gekomen. De regels van de preventieve arm worden uitgelegd in box 3.2.1. Zoals hierboven beschreven voldoet volgens de eigen inschattingen Nederland aan de vereisten van de preventieve arm.

In de tweede aanbeveling adviseert de Raad om op het moment dat de economische situatie het toelaat, de woningmarkt verder te hervormen. Het kabinet heeft omvangrijke maatregelen ingevoerd en is van mening dat de economische situatie de komende periode om rust vraagt. Voor de koopmarkt is het recht op hypotheekrenteaftrek voor nieuwe leningen gekoppeld aan de voorwaarde dat de lening in 30 jaar volledig en tenminste annuïtair wordt afgelost. Vanaf 2014 wordt het maximale aftrektarief stapsgewijs teruggebracht. De maximale hoogte van een hypotheek in verhouding tot de waarde van de woning wordt ook afgebouwd. Voor de huurmarkt wordt scheefwonen tegengegaan met boveninflatoire inkomensafhankelijke huurverhogingen. In de bepaling van de maximale huurprijs gaat de marktwaarde van de woning een grotere rol spelen. Investeerders in de vrije huursector krijgen de zekerheid dat geliberaliseerde nieuwbouw geliberaliseerd zal blijven. Door de liberalisatiegrens drie jaar te bevriezen, neemt de ruimte voor de vrije huursector verder toe.

De derde aanbeveling is gericht op het implementeren van de hervorming van de tweede pijler van het pensioenstelsel en de hervorming in de langdurige zorg. Hier neemt het Kabinet maatregelen die ervoor zorgen dat zowel de AOW-gerechtigde leeftijd (eerste pijler) als de pensioenrichtleeftijd (tweede pijler) naar 67 jaar gaat, waarna deze wordt gekoppeld aan de levensverwachting. Ook zal vanaf 1 januari 2015 het fiscaal gefaciliteerde opbouwpercentage voor tweedepijlerpensioen verder worden verlaagd. Daarnaast zorgt het wetsvoorstel Aanpassing Financieel Toetsingskader voor een betere borging van het pensioenvermogen en resulteert het in een evenwichtig beeld voor de generatie-effecten. Ook beveelt de Raad aan dat de inzetbaarheid van oudere werknemers verder verbetert. Dit bereikt het kabinet door zowel de structurele hervormingen op de arbeidsmarkt als door gerichte inzet via de sectorplannen, de mobiliteitsbonus en de re-integratieprogramma’s van het UWV. Daarnaast hervormt het kabinet, in lijn met de aanbevelingen, de langdurige zorg, en besteedt het daarbij aandacht aan houdbaarheid, kwaliteit, toegang en monitoring.

De vierde aanbeveling is gericht op het verhogen van de arbeidsparticipatie. Het kabinetsbeleid richt zich op het bevorderen van de werkgelegenheid en het stimuleren van arbeidsparticipatie. De sociale zekerheid wordt verder activerend gemaakt en werken wordt meer lonend. Dit gebeurt via de Participatiewet, de hervorming van de WW en het ontslagrecht in de Wet werk en zekerheid en de hervorming van de kindregelingen. Ook de verhoging van de arbeidskorting draagt er voor lagere inkomens en middeninkomens aan bij dat werken meer lonend wordt.

Het tekort is kleiner, maar de EMU-schuld neemt toe. De EMU-schuld komt in 2014 naar verwachting uit op 454,1 miljard euro (69,8 procent bbp). In 2015 groeit de schuld door naar een totaal van 467,2 miljard euro (70,0 procent bbp). De ontwikkeling van de schuld wordt geïllustreerd in figuur 3.4.3. Zoals ook in figuur 3.4.3 is te zien, ligt de Nederlandse EMU-schuld in 2015 boven de in Europees verband afgesproken grens van 60 procent bbp. Op basis van huidige inzichten blijkt dat de ontwikkeling van de schuld voldoet aan de schuldregel uit het SGP.

Figuur 3.4.3 Ontwikkeling EMU-schuld sinds 1970 (in procenten bbp en miljarden euro)
De EMU-schuld verbetert ten opzichte van de vorige Miljoenennota. Tabel 3.4.4 geeft de verticale toelichting op de schuld weer. De EMU-schuld verbetert in 2014 ten opzichte van de raming in de Miljoenennota 2014 met 6,3 procentpunt, in 2015 verbetert de schuld met 6,5 procentpunt. Wanneer de schuld wordt uitgedrukt als percentage van het bbp, dan speelt ook de ontwikkeling van het bbp een grote rol in de kwantificering van de schuld (het noemereffect132). Het noemereffect verklaart grotendeels de ontwikkeling van de EMU-schuld. Als gevolg van de revisie van de nationale rekeningen (ESA2010) is het bbp in 2014 en 2015 fors naar boven bijgesteld. De EMU-schuld uitgedrukt in procenten van het bbp daalt hierdoor. Het noemereffect zorgt ervoor dat de schuld in 2014 4,4 procentpunt en in 2015 4,6 procentpunt lager ligt dan bij Miljoenennota 2014 werd verwacht.

De EMU-schuld in enig jaar is altijd afhankelijk van de ontwikkeling van de schuld in voorgaande jaren. De verandering die zich in de EMU-schuld 2013 heeft voorgedaan, beïnvloedt de beginstand van de schuld in 2014 en daarmee ook de hoogte van de schuld in latere jaren. Voor 2014 is het totaal aan verandering in de schuld ten opzichte van de raming in de Miljoenennota 2014 -1,5 procent van het bbp.

De verbetering van het begrotingstekort ten opzichte van de raming in de Miljoenennota 2014 zorgt tevens voor een verbetering van de EMU-schuld in beide jaren.

De ING Illiquid Back-up Facility (IABF) is beëindigd door de verkoop van de Alt-A portefeuille en de aflossing van de lening van ING. De verkoop resulteert in een netto ontvangst van 1,4 miljard euro in 2014. Als gevolg van de verkoop vinden de ontvangsten zoals geraamd in de Miljoenennota 2014 voor het jaar 2015 niet meer plaats.

De niet-kaderrelevante raming studiefinanciering is opwaarts bijgesteld ten opzichte van de raming ten tijde van de Miljoenennota 2014. Dit komt met name omdat er minder omzettingen naar een gift worden verwacht, een flinke toename van het aantal studenten is geraamd en dat studenten naar verwachting meer gaan lenen.

Als gevolg van de wijziging van de definitie van het EMU-saldo zijn de renteswaps niet langer relevant voor het EMU-saldo, maar tellen ze alleen mee in de EMU-schuld. De renteswaps verbeteren de EMU-schuld in 2015 met 0,2 procent van het bbp. Tot slot heeft de correctie op de mutaties in ktv’s een schuldverhogend effect in 2015.

Tabel 3.4.4. Verticale toelichting EMU-schuld (in procenten van het bbp)1Door afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.
 

2014

2015

EMU-schuld Miljoenennota 2014

76,1%

76,5%

Noemereffect

– 4,4%

– 4,6%

Doorwerking schuldraming t-1

– 1,5%

– 1,8%

EMU-saldo

– 0,2%

– 0,4%

IABF

– 0,2%

0,2%

Studieleningen

0,1%

0,1%

Renteswaps

0,0%

– 0,2%

Correctie op mutatie in KTV's

0,0%

0,1%

Overige financiële transacties

0,0%

0,1%

EMU-schuld Miljoenennota 2015

69,8%

70,0%

De EMU-schuld stijgt jaar-op-jaar met 13,1 miljard euro. In tabel 3.4.5. staat de horizontale toelichting op de ontwikkeling van de overheidsschuld tussen 2014 en 2015. De schuld stijgt van 2014 op 2015 met 13,1 miljard euro. Er is ook hier sprake van een noemereffect omdat het bbp in 2015 hoger is dan het bbp in 2014. Dit heeft een schuldverlagend effect. Daarom stijgt de schuld in procenten bbp slechts met 0,2.

Het EMU-saldo in 2015 bedraagt 14,6 miljard euro waardoor de schuld toeneemt. Een onderdeel van het EMU-saldo 2015 zijn de zogenoemde KTV’s. Deze KTV’s corrigeren het EMU-saldo voor verschillen tussen het kas en het transactiemoment van uitgaven en inkomsten, maar hebben geen daadwerkelijk kas- en daarmee schuld-effect. Daarom is in deze tabel een correctiepost opgenomen voor de KTV’s.

De aflossing van de kapitaalsteun voor ING verbetert de schuld in 2015 ten opzichte van 2014. Ook het schatkistbankieren door decentrale overheden, een stijgende opbrengst van renteswaps. De toename aan leningen (met name studieleningen) zorgen voor een schuldverhogend effect. De post overige financiële transacties bevat een aantal kleine posten die per saldo een klein schuldverlagend effect hebben.

Tabel 3.4.5 Horizontale toelichting EMU-schuld1Door afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.
 

Miljarden euro

Procenten bbp

EMU-schuld ultimo 2014

454,1

69,8%

Noemereffect

 

– 1,8%

EMU-tekort 2015

14,6

2,2%

Correctie KTV's

1,8

0,3%

Aflossing kapitaalsteun ING

– 1,0

– 0,2%

Schatkistbankieren

– 2,0

– 0,3%

Renteswaps

– 1,2

– 0,2%

Diverse leningen

1,0

0,2%

Overige financiële transacties

– 0,2

0,0%

EMU-schuld ultimo 2015

467,2

70,0%

Veel landen in de eurozone kennen een groot tekort en een hoge schuld. In figuur 3.4.4 is het EMU-saldo en de EMU-schuld weergegeven voor de eurozone. Een groot aantal landen kent een hoge EMU-schuld. Dit geldt niet alleen voor landen met een tekort groter dan 3 procent van het bbp (linksboven in de figuur), maar ook voor landen met een relatief klein tekort (rechtsboven in de figuur).

Figuur 3.4.4 EMU-saldo en EMU-schuld eurozone 2015 (in procenten bbp)

Bron: European Economic Forecast (Spring Forecast 2014).

Box 3.4.2 Revisie van de nationale rekeningen (ESA2010)

In 2014 zijn de macro-economische data van Nederland – inclusief de data van de overheidsfinanciën – gereviseerd. Aanleiding van deze revisie is dat per september 2014 in EU-verband de ESA2010 is ingevoerd. Het European System of Accounts (ESA) is de in de EU voorgeschreven methode om de economieën van de lidstaten te beschrijven.

De ESA-methodologie wordt eens in de vijftien jaar geactualiseerd: het ESA2010 vervangt ESA95. Daarnaast zijn de cijfers ook gewijzigd door de inzet van nieuwe actuelere en verbeterde statistische bronnen door het Centraal Bureau voor de Statistiek. Dankzij de methoden- en bronnenrevisies komen ook de nieuwste ontwikkelingen tot uitdrukking in – tussen lidstaten – goed vergelijkbare en kwalitatief hoogstaande cijfers. Specifiek voor de overheidsfinanciën geldt dat de definitie van het EMU-saldo tegelijkertijd met de overstap naar ESA2010 gewijzigd is. Hierdoor is het resultaat op renteswaps133 niet langer relevant voor het EMU-saldo.

Door de revisie is het bbp van Nederland fors opwaarts bijgesteld. Voor de periode 2010 tot en met 2013 is het bbp van Nederland gemiddeld toegenomen met 7 procent. Dat is dus ruim 40 miljard euro. Op papier is dus de Nederlandse welvaart (statistisch) toegenomen. De koopkracht van burgers en de inkomsten van de overheid zijn echter niet gewijzigd. De revisie brengt verder geen wezenlijke wijzigingen aan in het groeipatroon over de jaren. De forse bijstelling van het bbp komt voor circa een kwart op conto van de overstap naar ESA2010 en voor driekwart op conto van de revisie van bronnen. De overstap naar de ESA2010-methodologie betekent vooral dat Nederland R&D-uitgaven en een deel van de militaire uitgaven moet aanmerken als investeringen. De inzet van actuelere bronnen, zoals de registers van de Kamers van Koophandel en de betalingsbalans van DNB, leidt tot behoorlijke bijstellingen in de consumptie van gezinnen en het saldo van de handelsbalans.

Het EMU-saldo en de EMU-schuld worden uitgedrukt in termen van het bbp. De aanpassing van het bbp heeft daardoor een noemereffect. De EMU-schuld als percentage van het bbp komt door dit noemereffect na de revisie tussen de 4 à 5 procentpunten lager uit. Dit is een structureel effect. Behalve het noemereffect heeft de revisie geen andere gevolgen voor de schuldquote. Voor het jaar 2015 bedraagt de EMU-schuld na revisie naar verwachting 70 procent van het bbp, tegen 74,5 procent voor revisie. Het effect van de revisie op het EMU-saldo is per jaar anders. Het hogere bbp betekent een verbetering van het EMU-saldo met jaarlijks 0,1 à 0,2 procentpunt bbp. De bronnenrevisie leidt via de teller van het EMU-saldo tot een in de tijd afnemend negatief effect (2010: -0,3 procent; 2015: 0,0 procent). Het effect van de definitiewijziging – het niet meer meetellen van renteswaps – heeft jaarlijkse wisselende gevolgen. Voor 2010 tot en met 2013 zijn er jaarlijks positieve effecten voor het EMU-saldo. Voor 2014 en 2015 zijn de gevolgen 0,0 procent en 0,2 procent van het bbp.

Het bruto nationaal inkomen (bni) komt overeen met het bbp gecorrigeerd voor het saldo van inkomensoverdrachten uit het buitenland. Dit is de grondslag voor de verdeelsleutel van de afdrachten eigen middelen aan de EU en de grondslag voor de uitgaven aan internationale samenwerking. Het bni komt na revisie in 2013 circa 7 procent hoger uit. Om het effect op de verdeelsleutel134 voor de afdracht eigen middelen vast te kunnen stellen, moeten de bni’s na revisie van alle andere lidstaten beschikbaar komen. Op dit moment zijn de nieuwe bni-cijfers van de andere lidstaten niet integraal beschikbaar. Daardoor is het effect van de revisie op de afdracht eigen middelen nog niet goed te kwantificeren. De Europese Commissie (Eurostat) heeft gemeld dat het medio oktober informatie naar buiten brengt over de gevolgen van de revisie voor het bbp van andere lidstaten en over de EMU-cijfers na revisie (saldo en schuld). Medio november 2014 komt informatie beschikbaar over de gevolgen voor het structurele EMU-saldo en voor de indicatoren van de macro-economische onevenwichtigheden procedure (MEOP).