Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

1.4 Balansherstel

Alle sectoren in de Nederlandse economie hebben te maken gekregen met een balanscrisis. De historie leert dat tijd nodig is voor balansherstel.13 De volgende subparagrafen schetsen de stand van zaken rond het balansherstel van achtereenvolgens de overheid, de financiële sector, huishoudens, bedrijven en pensioenfondsen. Ook wordt ingegaan op de rol van beleid bij het oplossen van specifieke knelpunten die balansherstel in de weg staan.

1.4.1 Overheid

De overheidsfinanciën laten een duidelijk herstel zien. Voor 2014 komt het EMU-saldo uit op – 2,9 procent bbp, gevolgd door een verbetering tot – 2,2 procent in 2015. Omdat het EMU-saldo duurzaam uitkomt boven de ondergrens van – 3 procent bbp, is Nederland in juni ontslagen uit de buitensporigtekortprocedure. Hierdoor valt Nederland niet langer onder de regels van de correctieve arm van het Stabiliteits- en Groeipact (SGP). Voor Nederland gelden nu de vereisten uit de preventieve arm van het SGP, die toeziet op voldoende verbetering van het structureel saldo en een gematigde ontwikkeling van de overheidsuitgaven. Doordat het EMU-saldo geleidelijk weg beweegt van de kritieke grens van – 3 procent, wordt het weer mogelijk om terug te keren naar het trendmatig begrotingsbeleid. Hierdoor kan de begroting meeademen met de economische ontwikkeling. Om het trendmatig begrotingsbeleid goed te laten werken, is het van belang om voldoende afstand te houden van de vangrail van de Europese begrotingsafspraken. Door het verbeterende EMU-saldo vlakt de stijging van de EMU-schuld af in vergelijking met voorgaande jaren, leidend tot een niveau van 70,0 procent bbp volgend jaar. Hoofdstuk 3 gaat verder in op het begrotingsbeleid.

Box 1.4.1 Langetermijnhoudbaarheid is sterk verbeterd, maar blijft gevoelig

Al ruim voor de crisis was het pad van de collectieve arrangementen op lange termijn niet houdbaar. Dit komt onder meer door de vergrijzing en de opdrogende aardgasbaten. De afgelopen jaren zijn belangrijke stappen gezet om de situatie van de overheidsfinanciën, ook op lange termijn, te verbeteren. Hieronder vallen bijvoorbeeld de verhoging van de AOW-leeftijd en de hervormingen in de zorg en de woningmarkt. Sinds 2010 is de indicator voor de langetermijnhoudbaarheid, zoals gebruikt door het CPB en de Europese Commissie, sterk verbeterd. Deze maatstaf geeft weer hoe de overheidsuitgaven en -inkomsten zich ontwikkelen tot en met 2060, als wordt uitgegaan van welvaartsvaste collectieve voorzieningen. Kunnen toekomstige generaties van hetzelfde collectievevoorzieningenniveau profiteren als de huidige, bij gelijke effectieve belastingtarieven? De meest recente berekening van het CPB laat een licht houdbaarheidsoverschot zien van 0,4 procent van het bbp.14 De aannames van de indicator, zoals de welvaartsvaste collectieve voorzieningen, bepalen in belangrijke mate de uitkomst. Welvaartsvaste collectieve voorzieningen houden bijvoorbeeld in dat onderwijsuitgaven per leerling en de zorguitgaven per leeftijdscohort meebewegen met de loonontwikkeling. Mogelijke toekomstige uitgavenstijgingen die dit tempo overstijgen, worden dus niet meegenomen.
In «Minder zorg om vergrijzing» laat het CPB in een gevoeligheidsvariant zien dat, als de zorguitgaven tot 2060 1 procentpunt per jaar sneller toenemen dan wordt verondersteld in de houdbaarheidsanalyse, het houdbaarheidssaldo verslechtert met 5,6 procentpunt.15 De zorgkosten én voorzieningen stegen de laatste decennia sneller dan deze fundamentele aanname in de houdbaarheidsanalyse. Gemiddeld was de groeivoet van zorguitgaven langjarig 1,5 procent hoger dan verondersteld in de houdbaarheidssom (1973–2010). Dit betekent dat sprake is van een groot houdbaarheidstekort (circa 8 procent bbp), als de zorguitgaven zich blijven ontwikkelen als in het verleden. Tegelijkertijd is de verwachting dat de groei van de zorguitgaven samenhangt met volume en kwaliteitsverbeteringen, waarvoor toekomstige generaties betalen. Het blijft dus noodzakelijk om aandacht te houden voor de collectieve zorguitgaven en het zorgstelsel. Zoals het CPB stelt, levert de houdbaarheidsindicator immers niet noodzakelijkerwijs de meest realistische raming op voor de toekomstige overheidsfinanciën.

Het kabinet blijft de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op lange termijn scherp in de gaten houden. Ook de langetermijnsituatie van de overheidsfinanciën is sterk verbeterd (zie box 1.4.1). Dit neemt niet weg dat het noodzakelijk blijft om de stijging van de overheidsuitgaven in te perken. Zo zijn, ondanks alle maatregelen, de collectieve uitgaven gestegen van 45 procent bbp in 2007 naar ruim 47 procent bbp in 2014. De overheid staat bovendien bloot aan extra risico’s bij tegenvallende economische ontwikkelingen via garanties en achterborgstellingen. Hoofdstuk 4 gaat hier dieper op in.

1.4.2 Financiële sector

Herstel van de financiële stabiliteit blijft een belangrijke prioriteit. De crisis heeft laten zien dat schokken op financiële markten ingrijpende gevolgen kunnen hebben voor de hele economie. Door de grote verwevenheid tussen overheden en banken over landsgrenzen heen is financiële stabiliteit niet langer slechts een nationale aangelegenheid. Om financiële stabiliteit in de gehele EU te bewaken, is de Europese bankenunie ontworpen.16 De bankenunie dient om wederzijdse besmetting van nationale overheden en hun bankensectoren te voorkomen. Overheden kunnen in de problemen komen als zij in een crisis borg staan voor de verliezen van hun banken, zoals in Ierland en Spanje is gebeurd. Omgekeerd kunnen banken in de problemen komen door verliezen op overheidsschuld. Het afgelopen jaar is veel vooruitgang geboekt bij het vormgeven van de bankenunie. Box 1.4.2 geeft de stand van zaken weer.

De financiële sector moet zelf zijn risico’s kunnen dragen. Daartoe worden de kapitaaleisen, waaronder buffers, verhoogd. Als banken verliezen hebben die deze verhoogde kapitaalbuffers te boven gaan, wordt het instrument bail-in ingezet. Dat betekent dat bij probleembanken eerst de aandeelhouders (eigenvermogenverschaffers) worden aangesproken om de verliezen in de bank te dragen. Is dit onvoldoende, dan moeten obligatiehouders (vreemdvermogenverschaffers) een bijdrage leveren. De minimale eis aan bail-in is 8 procent van het balanstotaal van de bank. In veruit de meeste gevallen is dit voldoende gebleken om problemen van individuele banken op te lossen. Alleen in uitzonderlijke gevallen kunnen banken na de minimaal vereiste bail-in een beroep doen op het Europese Resolutiefonds. Dit fonds wordt gevuld door de Europese bankensector. Zodoende wordt de kans heel klein dat verliezen opnieuw worden doorgeschoven naar belastingbetalers. Risico’s komen terecht waar ze horen: bij de banken zelf en bij investeerders in de financiële sector.

Strengere regels moeten voorkomen dat banken opnieuw in de problemen komen. Europese regelgeving vormt hiervoor de basis.17 Voor wat betreft de ongewogen kapitaalratio18 (leverage ratio) is er een internationaal voorlopig minimum van 3 procent vastgesteld. In Europees verband is afgesproken om uiterlijk in 2018 de eis aan de ongewogen kapitaalratio definitief te harmoniseren. Het kabinet zet zich in internationaal verband in om een norm te krijgen die de financiële soliditeit van banken aanmerkelijk verbetert. Om die reden heeft het kabinet ook besloten dat Nederlandse systeemrelevante banken een minimale ongewogen kapitaalratio van 4 procent moeten aanhouden. Hier moeten zij uiterlijk in 2018 aan voldoen.
Een gezonde financiële sector is van groot belang voor de reële economie. Zoals het CPB beschrijft, verstrekken banken met gebrek aan kapitaal minder krediet om zo hun balansen te herstellen en hun kwetsbaarheid op de korte termijn te verminderen.19 Bedrijven – met name het mkb – zijn echter sterk afhankelijk van bankfinanciering voor investeringen. Hetzelfde geldt voor huishoudens die financiering voor de aankoop van een huis zoeken. Gebrekkige kredietvoorziening kan zo de economische groei schaden. Ook om die reden is het wenselijk dat banken op termijn steviger kapitaalbuffers aanhouden. Voor het herstel van de Europese economie op korte termijn is het van groot belang dat er snel vertrouwen in een solide bankwezen is. Daartoe dienen de asset quality review en de stress test van de Europese Centrale Bank en de Europese Bankenautoriteit (zie box 1.4.2). Als deze streng en transparant genoeg zijn, en als geïdentificeerde probleembanken direct worden aangepakt, kan geloofwaardig de weg worden ingezet naar duurzaam economisch herstel in het eurogebied.
Nederlandse banken liggen op schema om aan de strengere eisen te voldoen. De kapitaalpositie van de Nederlandse banken is in recente jaren sterk verbeterd (zie figuur 1.4.1). De figuur toont de risicogebaseerde kernkapitaalratio van de Nederlandse bankensector. Bij kernkapitaal (CET1) gaat het doorgaans om aandelenkapitaal, reserves en ingehouden winsten. Het kan worden ingezet voor alle onderdelen van zowel de risicogebaseerde als de ongewogen kapitaaleisen. Volgens de meest recente prognoses van DNB zijn banken in staat om door winst in te houden op tijd te voldoen aan de eisen die per 2019 volledig van kracht zullen zijn. Op deze manier hoeft het versterken van kapitaalbuffers niet ten koste te gaan van de kredietverlening.20 Ook zijn banken niet ver verwijderd van de aanvullende eis aan de ongewogen kapitaalratio van 4 procent per 2018.21

Box 1.4.2 Bankenunie

De bankenunie bestaat uit de volgende onderdelen:

  • •  een geharmoniseerde set regels voor alle banken in de EU als basis voor de bankenunie; centraal hierin staat de BRRD (zie onder);
  • •  een centrale toezichthouder op de banken, gevormd door de Europese Centrale Bank (ECB) samen met nationale toezichthouders (SSM: Single Supervisory Mechanism);
  • •  een Europees Resolutiemechanisme (SRM: Single Resolution Mechanism) voor interventies bij banken met bevoegdheden voor de Europese resolutieautoriteit en de nationale resolutieautoriteiten, met als belangrijkste instrumenten de bail-in en de oprichting van een Europees Resolutiefonds.

De regelgeving met de geharmoniseerde regels is inmiddels aangenomen en wordt momenteel geïmplementeerd in nationale wetgeving. Centraal hierin is de Europese richtlijn die voorziet in herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen (Bank Recovery and Resolution Directive; BRRD), waarin de afspraken over de inzet van bail-in zijn vastgelegd.

Over de ECB als centrale toezichthouder is afgelopen november een akkoord bereikt. Volgens planning neemt de ECB in november dit jaar de taak van directe toezichthouder op de grootste Europese banken op zich.

In aanloop hiernaartoe wordt de zogeheten comprehensive assessment uitgevoerd, om de weerbaarheid te testen van de banken die onder direct toezicht komen. De comprehensive assessment kent twee onderdelen. Ten eerste voert de ECB een asset quality review uit, die een inschatting maakt van de kwaliteit van activa op de bankbalansen. Daarnaast onderwerpt de European Banking Authority banken aan een stresstest. In deze test wordt gekeken in hoeverre bankbalansen bestand zijn tegen een nieuwe schok. De stresstest gaat hierbij uit van een veel extremer scenario dan bij eerdere tests. In oktober maakt de ECB de resultaten bekend.

Over het SRM hebben dit voorjaar alle partijen, waaronder het Europees Parlement, een akkoord bereikt. Met ingang van 1 januari 2015 is de nieuwe Europese resolutieautoriteit operationeel. Vanaf 1 januari 2016 kan deze autoriteit daadwerkelijk beslissingen nemen over het afwikkelen van probleembanken. Verder is in mei de zogeheten intergovernmental agreement (IGA) ondertekend. Dit verdrag regelt dat het Europese Resolutiefonds wordt gevuld en ligt nu ter ratificatie voor aan de nationale parlementen. Deelnemende lidstaten moeten een financiële bijdrage bij hun financiële sector ophalen en afdragen aan dit Europese Resolutiefonds.

Figuur 1.4.1 Nederlandse bankensector heeft meer en beter kapitaal

1.4.3 Huishoudens

Nederlandse huishoudens hebben lange balansen met hoge schulden en vermogens. De hoge schulden zijn met name terug te voeren op de huizenmarkt: circa 95 procent van de schuld van huishoudens bestaat uit hypothecaire leningen.22 De lange balansen (zie figuur 1.4.2) maken huishoudens kwetsbaar voor schokken; niet alle huishoudens kunnen een scherpe waardedaling in hun bezittingen opvangen. Door de crisis daalden de huizenprijzen echter sterk. Veel huishoudens kregen hierdoor te maken met een huis dat «onder water» kwam te staan, wat inhoudt dat de hypotheekschuld hoger is dan de waarde van de woning.

Verschillende strengere regels zorgen voor een meer verantwoorde kredietverlening. Zo wordt de maximale loan-to-value-ratio (de verhouding van de waarde van de hypotheek tot de waarde van het huis) stapsgewijs afgebouwd naar 100 procent in 2018. Ook wordt het maximale aftrektarief van hypotheekrente teruggebracht van 52 procent naar 38 procent. Deze maatregelen leiden ertoe dat huishoudens minder schuld opbouwen als ze een huis kopen. Maar de maatregelen hebben ook een breder gedragseffect onder huizenbezitters op de langere termijn: het wordt een nieuwe norm om minder hoge schulden aan te gaan en al tijdens de looptijd op bestaande schulden af te lossen.

Figuur 1.4.2 Lange balansen maken huishoudens kwetsbaar
De totale particuliere schuld daalt. Dit wordt vooral veroorzaakt door de daling in hypotheekschulden (zie figuur 1.4.3). Hierbij is wel van belang om op te merken dat de lage rentestand hier een grote bijdrage aan levert. Voor mensen met spaargeld kan het – ondanks het verlies van renteaftrek – momenteel aantrekkelijker zijn om de hypotheek af te lossen dan bij de bank te sparen.23 Het CBS verwacht dat de komende jaren veel spaarhypotheken worden afgelost, waardoor de hypotheekschuld vermoedelijk blijft dalen. Ook de overige particuliere schulden, waaronder consumptief krediet, nemen af. In het eerste kwartaal van 2014 viel een daling van 0,6 miljard euro te noteren.24 Tegelijkertijd is een toename van het spaartegoed zichtbaar; huishoudens hebben nu meer spaargeld dan ooit tevoren. Schuldenproblemen lijken zich vooral voor te doen bij enkele specifieke groepen.25
Onderwaterhypotheken blijven echter problematisch voor een deel van de bevolking. De huizenprijzen zijn vanaf de piek in 2008 tot aan het omslagpunt in 2013 nominaal met ruim 21 procent gedaald.26 Deze daling heeft ertoe geleid dat momenteel ongeveer 1,1 miljoen huishoudens een huis hebben dat «onder water» staat. Dit komt neer op 30 procent van de huishoudens met een hypotheek. Deze problemen komen vooral voor bij de jongere huishoudens; bij twee derde is de eigenaar jonger dan 45 jaar. Omdat deze groep gemiddeld relatief weinig vermogen heeft, kunnen ze alleen direct ten koste van hun inkomen extra aflossen. Ook kunnen huishoudens met een onderwaterhypotheek minder snel geneigd zijn om te verhuizen. Bij verkoop van de huidige woning kan immers een restschuld overblijven. Het kabinet ondersteunt deze groep met verschillende maatregelen, zoals de (tijdelijke) aftrek van rente op restschulden en het meefinancieren van restschulden onder de Nationale Hypotheekgarantie (NHG). Om de doorstroming op de huizenmarktmarkt te bevorderen wordt de maximale periode voor de aftrek van rente op restschulden verlengd van tien naar vijftien jaar. Deze verlenging geldt voor restschulden die zijn ontstaan in de periode van 29 oktober 2012 tot en met 2017.
Figuur 1.4.3 Knik in hypotheekschuld en stijging spaartegoeden huishoudens
Huishoudens met een hypotheek die onder water staat zijn sterk afhankelijk van de ontwikkeling van huizenprijzen. Dit komt door hun beperkte mogelijkheden om versneld af te lossen. DNB becijfert dat twee derde van deze groep, als huizenprijzen constant blijven, na tien jaar nog steeds onder water zal staan. Als, bij wijze van rekenvoorbeeld, de nominale huizenprijzen vanaf 2014 met 2 procent jaarlijks stijgen, komen de prijzen over tien jaar weer op hetzelfde niveau als in 2008. Drie kwart van de huidige onderwaterhypotheken is in dit scenario weer boven water in 2024.27 De effecten van de crisis blijven dus nog een tijd voelbaar.

De huizenmarkt lijkt in 2013 een omslagpunt te hebben bereikt. Bij een typische huizenmarktcrisis zijn eigenaren pas na enige tijd bereid om hun prijs te laten zakken. Potentiële kopers wachten soms nog even af, omdat zij denken dat de prijzen nog verder kunnen dalen. Zowel prijzen als transacties dalen zodoende. Op een gegeven moment zijn eigenaren bereid hun verlies te nemen en zijn de prijzen dermate laag dat kopers hun slag slaan. Het aantal transacties neemt dan weer toe. Na verloop van tijd gaan ook de prijzen weer stijgen. Het lijkt erop dat het herstel op de huizenmarkt in 2013 is ingezet: het aantal transacties neemt sindsdien voorzichtig toe en de prijzen hebben zich gestabiliseerd (zie figuur 1.4.4). Hoewel de gemiddelde verkooptermijn is teruggelopen, zijn er grote regionale verschillen in de verkooptermijn van woningen.

Het kabinet werkt aan een Nationale Hypotheekinstelling (NHI). Met het oprichten van een NHI vermindert de gevoeligheid van de Nederlandse woningfinanciering voor de grillen van de kapitaalmarkt. De meerwaarde hiervan is vooral merkbaar in tijden van crisis. Doel van de NHI is verder om de Nederlandse hypotheekmarkt toegankelijker te maken voor buitenlandse investeerders. Voorwaarde is dat de instelling vormgegeven kan worden binnen de Europese staatssteunregels. Hierover is het kabinet momenteel in gesprek met de Europese Commissie. Ook mag het schuldpapier dat de NHI uitgeeft niet worden gerekend tot de staatsschuld.

Figuur 1.4.4 Huizenmarkt lijkt zich voorzichtig te herstellen

1.4.4 Bedrijven

Na zware economische tijden is er weer ruimte voor groei bij het bedrijfsleven. De zwakke economische ontwikkeling in de jaren sinds het uitbreken van de crisis heeft ertoe geleid dat het aantal faillissementen flink is gestegen (zie figuur 1.4.5). Voor het bedrijfsleven als geheel lijkt het herstel te zijn ingezet. Bij de faillissementen is er een daling zichtbaar, het producentenvertrouwen is gestegen en het CPB verwacht een toename van de bedrijfsinvesteringen in 2014 en 2015. Daarbij kan het bedrijfsleven voortbouwen op een sterke uitgangspositie. Nederland heeft een gunstige geografische ligging en een goed ondernemersklimaat. Een kanttekening is wel dat Nederlandse ondernemers die in een internationale omgeving opereren, op korte termijn gevolgen kunnen ondervinden van geopolitieke spanningen.

Tegelijkertijd hebben bedrijven forse tegoeden opgebouwd door de jaren heen, als gevolg van een aanhoudend spaaroverschot. Dit is een fenomeen op macroniveau, met name veroorzaakt door grote bedrijven. In het mkb zijn ook er veel bedrijven die het financieel moeilijk hebben. Het spaaroverschot bij de grote bedrijven wordt enerzijds veroorzaakt door keuzes. Bedrijven hielden meer winst in om hun balans te versterken na het barsten van de internetzeepbel begin deze eeuw. Anderzijds dragen statistische effecten bij, veroorzaakt door het grote aantal multinationale ondernemingen in Nederland. Zo komen winsten van buitenlandse dochtermaatschappijen volledig tot uitdrukking in het Nederlandse spaaroverschot als deze worden ingehouden en aangewend voor nieuwe investeringen in het buitenland.28
Gemiddeld genomen staat het Nederlandse bedrijfsleven er dus weer goed voor, maar er zijn grote verschillen tussen bedrijven. Grote ondernemingen zijn over het algemeen winstgevend en hebben voldoende toegang tot krediet, zowel via banken als via de kapitaalmarkten. Voor het mkb is het beeld echter wisselend. Een aanzienlijk deel van het mkb kampt met een structureel lage winstgevendheid en heeft, met name als gevolg daarvan, een relatief laag eigen vermogen.29 De crisis, die in Nederland heeft geleid tot een relatief sterke daling van de consumptie, heeft deze ontwikkeling versterkt. Het mkb is immers bovengemiddeld afhankelijk van de binnenlandse vraag; slechts 8 procent van het mkb exporteert.30 Het is met name het binnenlands gerichte bedrijfsleven dat in de problemen is gekomen.
Om het mkb te ondersteunen bij het vinden van financiering neemt het kabinet aanvullende maatregelen. Veel bedrijven hebben, geconfronteerd met een dalende vraag, investeringen uit- of afgesteld. Verder hebben banken hun kredietvoorwaarden aangescherpt. De risico’s op het verstrekken van een lening aan het mkb zijn immers sterk toegenomen door de verzwakte financiële positie van het mkb. Zo bestaat bijna 6 procent van het uitstaand mkb-krediet op Nederlandse bankbalansen uit probleemleningen. Dit percentage ligt duidelijk hoger dan in andere leningsegmenten.31 De maatregelen van het kabinet zijn bedoeld om kansrijke bedrijven te voorzien van startkapitaal en eigen vermogen en om alternatieve (niet-bancaire) vormen van financiering te stimuleren. De beschikbaarheid van deze risicovolle financieringsvormen is de afgelopen jaren afgenomen. Verder wordt het bestaande mkb-instrumentarium versterkt. In totaal trekt het kabinet hier 155 miljoen euro extra voor uit, waarvan 100 miljoen euro voor het Innovatiefonds dat risicodragende financiering verschaft aan kansrijke innovatieve bedrijven. Daarnaast is het kabinet van plan de garanties te verhogen voor de verstrekking van achtergestelde leningen aan het mkb. De voornaamste doelstelling hiervan is het eigen vermogen van deze bedrijven te versterken.32

Daarnaast richten institutionele beleggers de Nederlandse Investeringsinstelling (NII) op om meer kapitaal te mobiliseren voor het Nederlandse bedrijfsleven. De NII brengt vraag naar en aanbod van (langetermijn)financiering bij elkaar door selectie, bundeling en standaardisatie van projecten. Dit biedt voordelen bij het realiseren van projecten, zoals hogere snelheid, lagere kosten van implementatie en onderhoud en minder risico’s. De NII kan deze taak in verschillende sectoren uitvoeren. Inmiddels worden enkele projecten concreet uitgewerkt, waaronder ondersteuning van kredietvoorziening aan het mkb.

Figuur 1.4.5 Aantal faillissementen flink toegenomen sinds de crisis

1.4.5 Pensioenfondsen

Het Nederlandse pensioenstelsel wordt vaak geprezen als een van de beste ter wereld.33 Niettemin heeft de crisis zichtbaar gemaakt dat ook het Nederlandse stelsel kwetsbaarheden kent. De financiële gezondheid van pensioenfondsen, weergegeven in de dekkingsgraad34, is flink verslechterd in 2008. Belangrijke oorzaken lagen in de sterk dalende rente, waardoor de verplichtingen sterk in waarde stegen35, en tegenvallende beleggingsrendementen. Inmiddels herstellen de dekkingsgraden van pensioenfondsen zich voorzichtig. Eind mei bedroeg de gemiddelde dekkingsgraad 112 procent.36 Hiermee heeft de dekkingsgraad de hoogste stand bereikt sinds april 2011 (zie figuur 1.4.6). Ondanks dit positieve nieuws hebben veel fondsen nog een lange weg te gaan om de pensioenen weer volledig mee te kunnen laten stijgen met de inflatie (indexatie) en onverwachte nieuwe financiële schokken op te kunnen vangen. Dit geldt in het bijzonder voor de fondsen met een dekkingsgraad onder het minimum van 105 procent. Eind mei 2014 vertegenwoordigden deze fondsen ongeveer 425.000 actieve deelnemers en 200.000 pensioengerechtigden. Veel deelnemers van deze fondsen hebben de afgelopen jaren te maken gekregen met vervelende, maar noodzakelijke, maatregelen om de financiële positie van het fonds te herstellen. Het ging daarbij om het bevriezen of verlagen van pensioenuitkeringen dan wel opgebouwde rechten of het betalen van een herstelpremie. Van herstelpremies hebben ook werkgevers last.
Het kabinet schept een robuuster kader voor pensioenfondsen. De financiële crisis heeft laten zien dat de regels voor toezicht op pensioenfondsen (het Financiële Toetsingskader, FTK) op onderdelen tekortkomingen kenden. Het nieuwe FTK zorgt ervoor dat de gevolgen van financiële schokken beter worden gespreid. Dit kan voordelig uitpakken voor ouderen, omdat onder de nieuwe regelgeving hun pensioen minder ingrijpend hoeft te worden gekort. Verder worden indexatieregels aangescherpt. Hier profiteren vooral jongeren van, omdat dit ervoor zorgt dat er in de toekomst nog genoeg geld in kas van de fondsen zit. Berekeningen van het CPB laten zien dat de verschillende maatregelen uit het nieuwe FTK evenwichtig uitpakken voor de verschillende generaties.37 Bovendien geeft de nieuwe regelgeving vooraf duidelijkheid over hoe pensioenfondsen omgaan met mogelijke mee- of tegenvallers. Dit bevordert de transparantie en is goed voor het vertrouwen in de fondsen. Het nieuwe FTK treedt in 2015 in werking.
Figuur 1.4.6 Dekkingsgraden pensioenfondsen laten voorzichtig herstel zien1

1 Het minimaal vereist eigen vermogen (105 procent) is voor pensioenfondsen de ondergrens voor de dekkingsgraad van de verplichtingen. De grens van het vereist eigen vermogen (gemiddeld 121,7 procent) is de dekkingsgraad van pensioenfondsen waarboven de verplichtingen met de vereiste mate van zekerheid kunnen worden nagekomen. Het vereist eigen vermogen wordt in het nieuwe FTK verhoogd naar 126,6 procent.