Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

2.1 Inleiding

Nederland is een van de meest welvarende landen ter wereld. Op de zogenoemde Human Development Index van de Verenigde Naties bezet Nederland na Noorwegen, Australië en Zwitserland de vierde plaats. Op elk van de componenten van deze index – koopkracht per hoofd van de bevolking, (verwachte) jaren scholing en levensverwachting – scoort Nederland consequent zeer hoog.38 Dit is volgens de bekende Amerikaanse econoom Acemoglu en Britse politicoloog Robinson in zeer belangrijke mate te danken aan «inclusieve politieke en economische instituties». Aan iedereen worden kansen geboden om economisch en politiek deel te nemen, er is sprake van voldoende checks en balances in het economische en politieke domein, en eigendom en investeringen worden beschermd.39 De bekende economen Hanushek en Woessmann wijzen ook op het belang van menselijk kapitaal: zij vinden een sterke relatie tussen testscores in het onderwijs en economische groei.40 In algemene termen staat ook het bedrijfsleven er goed voor: al jaren behoort Nederland tot de top tien meest competitieve kenniseconomieën ter wereld.41 Bovendien heeft Nederland een gunstige geografische ligging, sterke high-tech sectoren, topwetenschappers, een open en creatieve handelsgeest en een ICT-infrastructuur van wereldklasse. Goede en internationaal actieve ondernemers dragen bij aan de welvaart van de Nederlandse economie. Een uitgebreid stelsel van collectief gedragen voorzieningen zorgt ervoor dat de Nederlandse welvaart breed wordt gedeeld.

Behoud van dit welvaartsniveau is niet vanzelfsprekend. Essentieel voor duurzame welvaart is dat de economie de ruimte heeft om zich voortdurend aan te passen aan veranderende omstandigheden, nieuwe opvattingen en technieken (creatieve destructie). Economische instituties en collectieve voorzieningen moeten meebewegen. Hoofdstuk 1 schetste de huidige maatschappelijke en economische situatie en bijbehorende actuele hoofdpunten van beleid. Dit hoofdstuk kijkt vooruit en schetst de uitdagingen van de middellange en lange termijn. Waar zit ruimte voor meer economische groei (paragraaf 2.2)? Hoe blijft de toekomstbestendigheid van collectieve stelsels gewaarborgd (paragraaf 2.3)? En welke lessen zijn te trekken over de uitvoering van beleid (paragraaf 2.4)?

Het meer benutten en vergroten van het Nederlandse groeipotentieel creëert extra banen. Paragraaf 2.2 kijkt om deze reden in de eerste plaats naar de arbeidsmarkt. Het verder verbeteren van arbeidsmarktinstituties biedt kansen om te zorgen dat meer mensen meer uren gaan werken. Een beter belasting- en toeslagenstelsel, inclusief lastenverlichting op arbeid, draagt verder bij aan de groei van de economie en de werkgelegenheid. Goed onderwijs is cruciaal voor toekomstig verdienvermogen. Kabinetsbeleid zet in op meer kwaliteit van leraren, meer ontwikkelingsmogelijkheden voor leerlingen en meer uitdaging om uit te blinken. Om de productiviteit verder te laten groeien is het van belang dat ruimtelijk ordeningsbeleid ruimte biedt aan steden, zodat agglomeratievoordelen kunnen worden geoogst. Een groter groeipotentieel is Europa-breed van belang. Daarom moeten Europese landen scherpere prikkels ervaren om te hervormen en zal Europa als markt nog beter moeten functioneren. Meer banen en een hogere productiviteit vergroten het draagvlak van de welvaartsstaat.

De welvaartsstaat zelf moet ook meebewegen om onevenwichtigheden en schijnzekerheden te voorkomen. Nieuwe ontwikkelingen kunnen de houdbaarheid van stelsels beïnvloeden en vragen om tijdig onderhoud. Blijven aanpassingen uit, dan kan dit op de langere termijn de solidariteit sterk onder druk zetten, de Nederlandse concurrentiekracht uithollen of de houdbaarheid van overheidsfinanciën in gevaar brengen. Paragraaf 2.3 gaat in op belangrijke ontwikkelingen die steeds meer druk zetten op de Nederlandse welvaartsstaat: de sterke groei van het aantal zzp’ers, de groei van de zorguitgaven, de kwetsbaarheden van het pensioenstelsel en onevenwichtigheden in de inkomensontwikkeling over de levensloop.

Het is economisch verstandig om de komende periode van economische groei te gebruiken om verdere aanpassingen aan de welvaartsstaat voor te bereiden. Het is een huiselijke wijsheid dat het dak het best kan worden gerepareerd als de zon schijnt en niet als het regent. De praktijk van politiek en beleid blijkt echter lastig. Het verleden leert dat tijdens crises het draagvlak voor het doorvoeren van structurele hervormingen fors toeneemt. Deze regelmatigheid valt niet alleen in Nederland vast te stellen, maar ook internationaal.42 Dit is opvallend, want juist tijdens een crisis kan een hervorming – waarbij aanspraken en rechten worden verminderd – extra pijn doen. In dit opzicht had de hervorming van de AOW en de woningmarkt beter in economisch gunstigere tijden kunnen worden ingezet. De kunst is nu om, met voorzichtig economisch herstel in het vooruitzicht, door te gaan met het toekomstbestendig maken van stelsels en publieke voorzieningen. Op terreinen waar de afgelopen jaren fors is hervormd, is nu tijd en ruimte nodig voor een goede uitvoering.

Uitvoerbaarheid is een randvoorwaarde. De economische opbrengst van beleidsaanpassingen staat of valt met de uitvoerbaarheid van beleid. Als stelsels te complex worden, kunnen de kosten hoger uitvallen dan de baten en groeit de ontevredenheid over de uitvoering. Ingewikkelde regelingen kunnen zorgen voor onduidelijke en daardoor ineffectieve prikkels. Bovendien vragen grote hervormingen veel aanpassingsvermogen van alle stakeholders. Dit geldt zeker als verantwoordelijkheden worden herijkt, zoals bij de decentralisaties in het sociale en het zorgdomein. Draagkracht onder betrokken burgers, bedrijven en uitvoerders is essentieel voor succesvolle uitvoering. Het kabinet zal in 2015 en de jaren daarna hoge prioriteit geven aan een zorgvuldige uitvoering van alle aangenomen decentralisatie- en andere hervormingsplannen.