Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vaststelling begroting Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (XVII) voor het jaar 2016

34300 XVII 6 Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden

Vergaderjaar 2015-2016

Nr. 6

Vastgesteld 10 november 2015

De algemene commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.

De vragen zijn op 8 oktober 2015 voorgelegd aan de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Bij brief van 6 november 2015 zijn ze door de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking beantwoord.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie,
De Roon

De adjunct-griffier van de commissie,
Wiskerke

1

Wanneer ontvangt de Kamer de brieven die zijn toegezegd tijdens het algemeen overleg Multilaterale Organisaties van 1 juli 2015?

Antwoord:

De Kamer zal de brieven die zijn toegezegd tijdens het AO Multilaterale Organisaties van 1 juli 2015 zo snel mogelijk ontvangen.

2

Kunt u een overzicht geven van alle niet-juridisch verplichte uitgaven, zowel posten als concrete bedragen, uitgesplitst per beleidsartikel? Welke uitgaven per beleidsartikel kwalificeert u als niet juridisch verplicht? Bent u bereid deze informatie bij volgende begrotingen standaard in een dergelijk overzicht te verstrekken?

Antwoord:

Op basis van de Comptabiliteitswet 2001 (H1, para. 1, art. 3, tweede lid) is sprake van een juridisch verplichte uitgave wanneer deze «rechtstreeks ontstaat op grond van verdrag, wet, koninklijk besluit, ministeriële regeling, beschikking, verbintenis of een op een controleerbare wijze vastgelegde afspraak tussen dienstonderdelen.» Dienstonderdelen zijn onderdelen van de rijksoverheid in brede zin. Alle overige geraamde uitgaven zijn niet juridisch verplicht. Met ingang van 2013 is een vernieuwde wijze van begrotingspresentatie, met de naam «Verantwoord Begroten» (VB) ingevoerd. Bij de evaluatie van VB in 2014 is door de Minister van Financiën toegezegd meer aandacht te geven aan de toelichting op de budgetflexibiliteit om daarmee het inzicht te vergroten in de niet-juridisch vastgelegde onderdelen van de begroting. Voor de begroting 2016 is dit doorgevoerd. Bovendien is als gevolg van VB met de Kamer overeengekomen de budgetflexibiliteit op artikelniveau te presenteren. Om de Kamer meer inzicht te geven in de juridische verplichting per artikelonderdeel is hieronder een overzicht opgenomen. Het betreft een raming op basis van de verwachte juridische verplichte uitgaven op 1/1/2016.

3

Kunt u een overzicht geven van de afdrachten aan multilaterale organisaties en VN-instellingen van de afgelopen drie jaar, uitgesplitst naar verplichte en vrijwillige bijdragen?

Antwoord:

NB. In bovenstaande tabel zijn voor de Wereldbank ook de kapitaalverhogingen en de IDA-bijdragen meegenomen. Deze behoren weliswaar tot HGIS/ODA maar staan op de FIN-begroting en niet op de BHOS-begroting.

4

Kunt u een overzicht geven van alle NGO’s die in 2013 en 2014 subsidie ontvingen van de Nederlandse regering uit ODA-middelen en uit niet ODA-middelen en per NGO aangeven hoeveel subsidie is verstrekt?

Antwoord:

Het volgende overzicht toont alle subsidies aan NGO’s verstrekt door de Nederlandse regering in de jaren 2013 en 2014, onderverdeeld in ODA-middelen en niet-ODA middelen.

5

   

2013

2014

 

NGO

   

Niet ODA

AFEW (AIDS FOUNDATION EASTWEST)

41,633

 
 

AFLAAFRICA LEGAL AID

15,000

32,000

 

AGENCY FOR REGIONAL DEVELOPMENT

 

35,000

 

ALKARAMA

8,023

 
 

ARGUS AND PLAYWORK LTD

 

19,000

 

ASFORDAKASS.POUR SOUTIEN AU FORUM DE DAKAR POUR LA PAIX ET LA SECURITE EN AFRIQUE

 

75,000

 

ASIAEUROPE FOUNDATION

70,000

70,000

 

ASSOCIATION OF JUDGES OF THE REPUBLIC OF MOLDOVA

 

35,000

 

AUSCHWITZ INSTITUTE FOR PEACE AND RECONCILIATION

 

80,256

 

BALTIC HUMAN RIGHTS SOCIETY

30,000

60,000

 

BRIDGING THE GULF

28,248

33,567

 

BULGARIAN JUDGES ASSOCIATION

50,000

46,436

 

CESSCENTRE FOR EUROPEAN SECURITY STUDIES

163,502

28,671

 

CILCCENTER FOR INTERNATIONAL LEGAL COOPERATION

81,021

368,980

 

COC NEDERLAND

375,819

347,096

 

COFADEH

20,000

 
 

COMMUNITY ENERGY TECHNOLOGY

38,800

9,282

 

CONCILIATION RESOURCES

 

117,532

 

DCICC DUTCH CENTER FOR INTERNATIONAL CULTURAL COOP.

220,362

32,834

 

DEFENCE FOR CHILDREN INTERNATIONAL

130,379

270,041

 

DIGHDUTCH INTERN.GUARANTEES FOR HOUSING

71,748

 
 

EUROPEAN ENDOWMENT FOR DEMOCRACY

 

484,500

 

FIDH

275,000

218,750

 

FREE PRESS UNLIMITED

485,611

154,709

 

HELSINKI COMMITTEE

1,260,771

1,046,655

 

INSTITUTE FOR PENAL REFORM

 

60,000

 

INTERNATIONAL CENTRE MIGRATION POLICY DEV.ICMPD

 

180,000

 

INTERNATIONAL JUSTICE PROJECT (I.J.P.)

138,928

21,450

 

INTERNATIONAL PEACE INSTITUTE, INC

280,000

200,000

 

ISHR INT.SERVICE HUMAN RIGHTS/SERVICE INT. DES DROITS DE L'HOMME

308,497

67,486

 

JAMES MARTIN CENTRE FOR NONPROLIFERATION STUDIES

 

18,480

 

MARTIN ENNALS FOUNDATION

37,409

6,498

 

MICROJUSTICIA PERU

57,118

6,840

 

MOVIES THAT MATTER

13,000

 
 

NBVPVROUWEN VAN NU

46,502

 
 

NETHERLANDS COUNCIL FOR THE JUDICIARYRAAD VOOR DE RECHTSPRAAK

 

39,764

 

NETHERLANDS INSTIT. FOR MULTIPARTY DEMOCRACY (IMD)

128,123

152,260

 

NOCNSFNEDERLANDS OLYMPISCH COMITE

25,000

 
 

PARLIAMENTARIANS FOR GLOBAL ACTIONPGA

95,000

124,123

 

PAX

 

7,400

 

PROMOTIE PODIUMKUNSTEN

107,500

 
 

RICERCA E COOPERAZIONE

27,645

 
 

SARAJEVO OPEN CENTRE

 

50,000

 

SEARCH FOR COMMON GROUND

 

170,893

 

SENSE NEWS AGENCY

190,000

280,000

 

STICHTING ANDER EUROPA

28,853

 
 

STICHTING ERGO NETWORK

50,000

 
 

STICHTING HUMAN RIGHTS IN THE PICTURE (HRP)

 

56,000

 

STICHTING INTERN. DEMOCRATISCH INITIATIEF D66

2,351

 
 

STICHTING OIKOS

25,696

25,696

 

ST.NETHERLANDS AFGRO & FOOD TECHNOLOGY CENTER INDIA (NAFTC)

 

146,058

 

STOCKHOLM INTERNATIONAL PEACE RESEARCH INSTITUTE (SIPRI)

 

30,000

 

TACTUS VERSLAVINGSZORG

17,751

 
 

THE HUMAN RIGHTS HOUSE TBILISI

2,333

 
 

THE NETWORK UNIVERSITY

51,184

 
 

TRANSNATIONAL INSTITUTE (TNI)

 

20,000

 

UNISCAUN INTERNAT. STUDENT CONFERENCE AMSTERDAM

4,500

5,000

 

UNITED FOR INTERCULTURAL ACTION

103,328

 
 

WOMEN'S INTERNATIONAL LEAGUE FOR PEACE AND FREEDOM (WILPF)

25,000

 
 

WORLD INSTITUTE FOR NUCLEAR SECURITY (WINS)

 

80,000

 

YANOS INTERNATIONAL

30,056

 
 

Subtotaal niet ODA in EUR

5,161,690

5,313,257

       
 

NGO

2013

2014

ODA

ACETAFRICAN CENTER FOR ECONOMIC TRANSFORMATION

1,600,000

285,000

 

ACORDAGENCY FOR COOPERATION AND RESEARCH IN DEVELOPMENT

707,317

1,217,252

 

ADRAADVENTIST DEVELOPMENT & RELIEF AGENCY INT.

256,000

232,220

 

AEGIS TRUST RWANDA

600,600

351,050

 

AERAS GLOBAL TB VACCINE FOUNDATION

3,342,856

2,757,856

 

AFEW (AIDS FOUNDATION EASTWEST)

34,288

 
 

AFRICAN DIASPORA POLICY CENTRE

160,255

273,370

 

AFRICAN MEDICAL AND RESEARCH FOUNDATION (AMREF)

2,300,000

2,055,000

 

AFRICAN TECHNOLOGY POLICY STUDIES NETWORK (ATPS)

80,000

 
 

AGRICORD

2,000,000

2,000,000

 

AGRITERRA

15,100,000

12,888,400

 

AIDSPAN

 

200,000

 

ARTSEN ZONDER GRENZEN / MEDECINS SANS FRONTIERS

 

1,450,000

 

ATRIA KENNISINSTITUUTVOOR EMANCIPATIE EN VROUWENGESCHIEDENIS

 

2,500

 

AWEPA

1,371,256

1,994,689

 

AWIDASS. FOR WOMEN'S RIGHTS IN DEVELOPMENT

264,977

185,408

 

BBC

163,802

60,929

 

BIRNBALKAN INVESTIGATIVE REPORTING NETWORK / BALKANSKA ISTRAZIVACKA MREZA

216,097

131,764

 

BSR BUSINESS FOR SOCIAL RESPONSIBILITY

133,600

794,200

 

CARE INTERNATIONAL

7,354,325

12,150,206

 

CCRTHE CENTRE FOR CONFLICT RESOLUTION

464,184

464,184

 

CECCCOORDINACION EDUCATIVA Y CULTURAL CENTROAMERICANA

70,675

 
 

CEGESTI

407,406

108,463

 

CENTER FOR CIVILIANS IN CONFLICT

120,000

114,000

 

CENTRE FOR HUMANITARIAN DIALOGUE

1,934,665

1,800,000

 

CHILD AT VENTURE

6,404

 
 

CILCCENTER FOR INTERNATIONAL LEGAL COOPERATION

 

950,000

 

CLEAN CLOTHES CAMPAIGN

139,000

 
 

CNV

4,772,281

4,305,000

 

COC NEDERLAND

17,527

368,862

 

CODESRIA

 

60,000

 

COMMISSIE VOOR DE M.E.R

1,383,313

2,300,000

 

CONSTRUCTION SECTOR TRANSPARENCY INITIATIVE

 

124,997

 

CORPORACION PBACDPSPA.

225,400

 
 

DAN CHURCH AID (DCA)

2,157,402

1,471,736

 

DANCE4LIFE INTERNATIONAL

53,160

17,400

 

DANISH INSTITUTE AGAINST TORTURE (DIGNITY)

 

24,927

 

DANISH REFUGEE COUNCIL

813,000

808,000

 

DECPDUTCH EMPLOYERS COOPERATION PROGRAMME

2,077,267

1,883,516

 

DEFENCE FOR CHILDREN INTERNATIONAL

 

1,258,152

 

DIASPORA FORUM FOR DEVELOPMENT DFD

20,080

 
 

DRUGS FOR NEGLECTED DISEASES INITIATIVEDNDI

4,000,000

3,300,000

 

EAST&HORN OF AFRICA HUMAN RIGHTS DEFENDERS PROJECT

307,954

162,549

 

ECDPM (EUROPEAN CENTRE FOR DEV. POLICY MANAGEMENT)

2,400,000

3,100,000

 

ECOLLABORATIVE FOR CIVIC EDUCATION

47,260

 
 

EMVI/CIHUB (EUROPEAN MALARIA VACCINE INITIATIVE)

576,722

 
 

ERNWACA (EDUC.RESEARCH NETWORK WEST/CENTRAL AFRICA

 

35,942

 

ETC INTERNATIONAL

375,360

1,619,446

 

EUROPEAN ENDOWMENT FOR DEMOCRACY

 

1,700,000

 

EUROPEANEGYPTION CONTEMPORARY MUSIC SOCIETY

 

16,820

 

FAIR WEAR FOUNDATION

474,481

735,428

 

FINDFOUNDATION FOR INNOVATIVE NEW DIAGNOSTICS

2,597,140

2,404,280

 

FOUNDATION RURAL ENERGY SERVICES (FRES)

1,729,690

 
 

FREE PRESS UNLIMITED

5,173,967

5,399,420

 

GAIN (GLOBAL ALLIANCE FOR IMPROVED NUTRITION) FOR PPP ONLY

2,018,718

6,679,261

 

GENEVA CALL / APPEL DE GENEVE

16,849

 
 

GNP

10,000

 
 

GRAIN

2,488

 
 

HBF

376,280

104,970

 

HEALTH INSURANCE FUND

11,098,000

12,000,000

 

HEALTHNETTPO

605,000

1,026,732

 

HELPAGE INTERNATIONAL.

168,849

254,723

 

HELSINKI COMMITTEE

394,544

229,640

 

HIVOS

68,762,460

53,990,819

 

IAVI (INTERNATIONAL AIDS VACCINE INITIATIVE

3,800,000

3,135,000

 

ICCOINTERCHURCH ORGANIZATION FOR DEVELOPMENT COOPERATION

71,681,747

76,257,195

 

(ICG) INTERNATIONAL CRISIS GROUP

1,800,000

1,000,000

 

ICSINTERNATIONAL CHILD SUPPORT

9,227,594

10,141,040

 

ICTSD (INT. CENTRE FOR TRADE AND SUSTAINABLE DEV)

2,012,222

487,401

 

IFDCINT. FERTILISER DEVELOPMENT CENTER

2,687,046

11,391,737

 

ILGAINTERNATIONAL LESBIAN, GAY, BISEXUAL, TRANS AND INTERSEX ASSOCIATION

 

161,280

 

INSTITUTE FOR HUMAN RIGHTS AND BUSINESS

237,250

345,050

 

INT. REHABILITATION COUNCIL F.TORTURE VICTIMS IRCT

15,542

 
 

INTERKERKELIJK VREDESBERAAD (IKV)

804,250

300,950

 

INTERNATIONAL ALERT

1,393,812

1,305,316

 

INTERNATIONAL CENTER FOR TRANSITIONAL JUSTICE (ICTJ)

288,000

1,500,000

 

INTERNATIONAL CONFEDERATION OF MIDWIVES

67,500

 
 

INTERNATIONAL DEVELOPMENT RESEARCH CENTRE (IDRC)

607,182

378,337

 

INTERNATIONAL HIV/AIDS ALLIANCE

8,924,800

11,389,040

 

INTERNATIONAL PEACEBUILDING ALLIANCEINTERPEACE

2,285,715

2,171,428

 

INTERNEWS EUROPE

983,507

341,708

 

IPAS

2,500,000

2,000,000

 

IPPFINTERNATIONAL PLANNED PARENTHOOD FEDERATION

5,176,000

2,823,571

 

ISHR INT.SERVICE HUMAN RIGHTS/SERVICE INT. DES DROITS DE L'HOMME

 

55,760

 

IUCNTHE WORLD CONSERVATION UNION

8,783,936

10,460,355

 

JUSTICE AFRICA

132,200

 
 

KON.NED.CENT.VER. TOT BESTRIJDING TUBERCULOSE

 

681,000

 

KULTURFORUM SUED NORD EV

 

22,386

 

MAGTHE MINES ADVISORY GROUP

4,361,362

4,335,985

 

MAX FOUNDATION

800,000

750,000

 

MEDISCH COMITE NEDERLANDVIETNAM(MCNV)

1,557,263

2,498,159

 

MERCY CORPS

 

324,000

 

MOVIES THAT MATTER

50,000

100,000

 

MRG (MINORITY RIGHTS GROUP INTERNATIONAL)

205,226

138,916

 

MUSICIANS WITHOUT BORDERS

12,000

2,940

 

NCDO

10,145,000

8,720,000

 

NEDERLANDSE VROUWEN RAADNVR

 

4,452

 

NETHERLANDS INSTIT. FOR MULTIPARTY DEMOCRACY (IMD)

5,326,814

13,137,596

 

NETHERLANDSAFRICAN BUSINESS COUNCIL

196,250

141,101

 

NORWEGIAN REFUGEE COUNCIL

100,000

123,637

 

OIKOCREDIT

74,000

 
 

OMCTWORLD ORG. AGAINST TORTURE

1,593

 
 

ORGANIZATION OF WOMEN'S FREEDOM IN IRAQ

128,800

227,109

 

OSSREA

29,694

 
 

OXFAM

1,269,353

1,314,510

 

PATHPROGRAM FOR APPROPRIATE TECHNOLOGY IN HEALTH

1,628,981

835,724

 

PAX

9,638,003

9,933,880

 

PEACE PARKS FOUNDATION (PFF)

 

24,548

 

PENAL REFORM INTERNATIONAL (PRI)

107,135

 
 

PHARM ACCES FOUNDATION

 

338,500

 

PLAN NEDERLAND

15,631,910

14,335,820

 

PRORUSTICA LTD

325,236

224,045

 

PROTECTION INTERNATIONAL

158,000

145,000

 

PUM (PROGRAMMA UITZENDING MANAGERS)

16,494,400

10,233,600

 

RADIO LA BENEVOLENCIJA

175,000

2,046,411

 

RCN JUSTICE ET DEMOCRATIE

135,856

129,063

 

REVENUE WATCH INSTITUTE

285,600

244,394

 

RIGHT TO PLAY

 

10,000

 

RIJKSAKADEMIE VAN BEELDENDE KUNSTEN

135,000

10,000

 

ROOZ

160,000

82,500

 

SABIN VACCINE INSTITUTE

1,621,768

1,317,759

 

SAFERWORLD

1,865,988

2,792,346

 

SEARCH FOR COMMON GROUND

2,320,938

2,338,736

 

SENSE NEWS AGENCY

 

77,000

 

SEVA NETWORK FOUNDATION

138,261

204,277

 

SHAHRZAD NEWS

331,591

 
 

SNV

65,301,715

55,074,273

 

SOA AIDS NEDERLAND

1,037,848

4,303,240

 

SOCIETY FOR INTERNATIONAL DEVELOPMENT (SID)

47,536

 
 

SOLIDARIDAD

7,048,742

9,740,684

 

SOMOST.ONDERZOEK MULTINATIONALE ONDERNEMINGEN

636,886

641,654

 

STAKEHOLDER DEMOCRACY NETWORK SDN

833,926

98,176

 

STICHTING AFRICAN ARCHITECTURE MATTERS

40,350

11,780

 

STICHTING AKVO

580,000

1,001,395

 

STICHTING BOP INNOVATION CENTER

705,152

2,186,348

 

STICHTING BOTH ENDS

5,669,596

5,456,876

 

STICHTING DELTARES

 

772,654

 

STICHTING DUURZAME MICRO PENSIOENEN IN ONTWIKKELINGSLANDEN

40,000

240,000

 

STICHTING INTENT

241,046

 
 

STICHTING KAALO NEDERLAND

35,591

 
 

STICHTING KINDERPOSTZEGELS NEDERLANDSKN

 

1,626,189

 

STICHTING MADEBY LABEL

 

2,995

 

STICHTING NEW WORLD CAMPUS

40,000

 
 

STICHTING OUTREACH SUPPORT MINISTRIES

 

20,000

 

STICHTING SPARK

6,064,634

7,589,175

 

STICHTING THE NUHANOVIC FOUNDATION CENTER FOR WAR REPARATIONS

 

40,000

 

STICHTING VLUCHTELING

1,399,758

300,000

 

STICHTING VROUWENORGANISATIE NEDERLANDDARFUR

45,097

2,374

 

STICHTING WASTE

850,000

 
 

STICHTING WOMEN WIN

50,725

24,975

 

STICHTING 2015

110,000

55,000

 

STOP AIDS NOW

 

287,618

 

SUSTAINABLE MINING FOUNDATION

92,000

27,003

 

TEARFUND

   
 

TERRE DES HOMMES

6,556,142

7,728,612

 

TEXT TO CHANGE

 

24,999

 

THE ALAN GUTTMACHER INSTITUTE

1,190,000

1,210,680

 

THE HALO TRUST

3,243,466

3,297,732

 

THE NETWORK UNIVERSITY

 

55,717

 

TRANSPARENCY INTERNATIONAL

2,000,000

1,390,000

 

TROPENBOS INTERNATIONAL TBI

3,270,800

1,010,000

 

VROUWEN VOOR VREDE

24,500

26,350

 

VSOVOLUNTARY SERVICE OVERSEAS

84,791

49,353

 

WITFILM

242,840

197,113

 

WO=MEN DUTCH GENDER PLATFORM

310,000

395,000

 

WOMEN IN EUROPE FOR A COMMON FUTURE (WECF)

 

40,000

 

WOMEN'S INTERNATIONAL LEAGUE FOR PEACE AND FREEDOM (WILPF)

 

25,000

 

WOMEN'S REFUGEE COMMISSION

58,400

 
 

WORLD ECONOMIC FORUM

200,000

380,000

 

WORLD RESOURCES INSTITUTE

3,590,000

3,510,820

 

WORLD VISION

1,115,884

11,842,621

 

WORLD WILDLIFE FUND (WWF)

145,488

 
 

WPF (WORLD POPULATION FOUNDATION)

20,116,878

17,600,566

 

ZOA VLUCHTELINGENZORG

17,193,220

23,784,577

 

Subtotaal ODA in EUR

500,515,232

523,411,226

Eindtotaal (ODA en nietODA) in EUR

505,676,922

528,724,483

In hoeveel landen besteedt Nederland ODA-middelen? Wordt er in 2015 meer of minder geld uitgegeven in exit-landen ten opzichte van 2014?

Antwoord:

In 2014 zijn door Nederland in 72 landen ODA middelen besteed en in 2015 tot nu toe in 59 landen. Zoals aangegeven in bijlage 5B van de HGIS-nota 2016, bedroegen in 2014 de uitgaven in de exit-landen EUR 23,177 miljoen. In 2015 zullen de uitgaven EUR 15,250 miljoen bedragen.

6

Hoeveel burgemeesters, wethouders, gedeputeerden en waterschapsbestuurders zijn er in 2014 mee geweest op handelsmissie op rijksniveau? Hoeveel lokale bestuurders zijn er in 2014 op kosten van hun gemeente, provincie of waterschap of op kosten van de VNG, IPO of UVW afgereisd naar ontwikkelingslanden?

Antwoord:

In 2014 zijn er geen burgemeesters, wethouders, gedeputeerden en waterschapsbestuurders meegeweest met handelsmissie op rijksniveau.

Voor wat betreft de vraag hoeveel lokale bestuurders in 2014 op kosten van hun gemeente, provincie of waterschap op kosten van de VNG, IPO of UVW zijn afgereisd naar ontwikkelingslanden verwijzen we door naar genoemde instanties.

7

Kunt u aangeven wanneer de Kamer het voorstel tot opzegging van het verdrag inzake de VN-organisatie voor Industriële Ontwikkeling (UNIDO) kan verwachten?

Antwoord:

Het wetsvoorstel tot opzegging van het verdrag inzake UNIDO zal naar verwachting aan het begin van het tweede kwartaal van 2016 ter goedkeuring aan de Tweede Kamer worden voorgelegd. Daarbij is rekening gehouden met de advisering door de Raad van State, waarvoor een termijn van twee tot drie maanden staat.

8

Hoe wordt er door Nederland in 2015 en 2016 aangestuurd op modernisering van de ODA-definitie? In welke richting lijkt die modernisering te verlopen?

Antwoord:

De High Level Meeting (HLM) van OESO-DAC heeft in december 2014 het DAC-secretariaat de opdracht gegeven om de ODA-definitie te moderniseren. Deze opdracht was in lijn met de inzet van Nederland, zoals verwoord in de Kabinetsreactie bij het Interdepartementaal Beleidsonderzoek Ontwikkelingssamenwerking (Kamerstuk 32 605, nr. 137):

  • −  onder meer in het kader van Hulp en Handel meer aandacht voor ontwikkelingsgerichte innovatieve financieringsstromen,
  • −  het meer geïntegreerd opnemen van activiteiten op het gebied van vrede en veiligheid die relevant zijn voor ontwikkeling,
  • −  herziening van de DAC-landenlijst, opnemen
  • −  ODA meer gericht inzetten op de allerarmste landen
  • −  aanscherping consessionaliteitscriteria voor leningen.

Nederland heeft binnen DAC op basis van haar eigen ervaringen met 3D beleid (Diplomatie, Defensie en Ontwikkeling), succesvol gepleit voor het opnemen van meer elementen van een geïntegreerde benadering op veiligheid en ontwikkeling in de ODA-definitie. Deze inzet heeft erin geresulteerd dat de bijdrage van defensieonderdelen aan het leveren van humanitaire hulp en aan het uitvoeren van ontwikkelingsactiviteiten nu meetellen, mits deze bijdrage in lijn is met humanitaire principes. Nederland bepleit daarnaast binnen DAC dat ook trainingen op het gebied van mensenrechten en gender aan bijvoorbeeld militaire eenheden uit Afrikaanse landen die deelnemen aan vredesmissies, onderdeel worden van een meer moderne ODA-definitie.

Nederland heeft bijgedragen aan de modernisering van bilaterale ODA leningen, door de introductie van aangescherpte eisen ten aanzien van concessionaliteit (het schenkingselement van leningen) en een verbeterd systeem voor de ODA waardering van leningen. Momenteel wordt deze systematiek nader uitgewerkt voor overheidsleningen aan private partijen en wordt gewerkt aan het ontwikkelen van consessionaliteitscriteria voor diverse financieringsmechanismen (garanties, kredieten en investeringen).

Mede op aandringen van Nederland heeft het DAC zich gecommitteerd aan het meer gericht inzetten van ODA voor Minst Ontwikkelde Landen en zal de inzet van DAC-leden expliciet worden gemonitord op het behalen van de VN-doelstelling van 0,15–0,20% BNP voor MOLs. Daarnaast zet Nederland zich in om de inspanningen richting Minst Ontwikkelde Landen beter in kaart te brengen. Nederland bepleit ook de herziening van de DAC-lijst van ODA ontvangende landen, wat het rapporteren van activiteiten in met name hogere midden-inkomenslanden zal moeten beperken (zie ook antwoord vraag 56). Aanpassing van de ODA-definitie zal in deze kabinetsperiode geen budgettaire consequenties hebben. Tijdens de High Level Meeting begin 2016 zal de voortgang van de modernisering op de agenda staan. Het is de Nederlandse inzet om de modernisering van ODA tijdens deze HLM zoveel mogelijk af te ronden.

In opdracht van de High Level Meeting werkt het DAC-secretariaat tevens aan de ontwikkeling van een bredere, meer omvattende definitie voor de financieringsstroom naar ontwikkelingslanden onder de werktitel Total Official Support for Sustainable Development (TOSSD). Deze zal onder meer de niet-primair ontwikkelingsgerichte garanties en leningen van de overheid aan de private sector en inzet op global public goods moeten omvatten. Nederland moedigt het DAC aan snel voortgang te boeken in de ontwikkeling van deze meer omvattende definitie. De ontwikkeling van deze bredere definitie mag de modernisering van ODA niet belemmeren.

9

Kunt u aangeven wat de gevolgen zijn van het amendement-De Caluwé en Sjoerdsma (34 000 XVII, nr. 40) voor deze begroting?

Antwoord:

Dit amendement is eind vorig jaar ingediend en aangenomen met het doel de bijdragen aan rechtsstaatontwikkeling, wederopbouw, vredesopbouw, versterkte legitimiteit van democratische structuren en tegengaan van corruptie (artikel 4.3) met EUR 4 miljoen te verhogen ten behoeve van de fragiele statenaanpak. Het betreft een eenmalige verhoging van EUR 4 miljoen van subartikel 4.3 voor het begrotingsjaar 2015. Het betreffende amendement heeft dus geen betrekking op de begroting voor het jaar 2016.

10

Kunt u een overzicht geven van de financiële toezeggingen die zijn gedaan op de Financiering voor Ontwikkeling Conferentie in Addis Abeba en de top over de Duurzame Ontwikkelingsdoelen in New York?

Antwoord:

De conferentie in Addis Abeba was geen pledging-conferentie waar financiële bijdragen zijn toegezegd voor het realiseren van de nieuwe agenda. In Addis is een mondiale aanpak afgesproken over de inzet van diverse financiële stromen, beleidsmaatregelen en partnerschappen om te werken aan een duurzame toekomst en een wereld zonder armoede. In het verslag van de Financiering voor Ontwikkeling-conferentie (Kamerstuk 32 605, nr. 171) staat een kort overzicht van de afspraken die er zijn gemaakt en van de Nederlandse betrokkenheid bij de lancering van een drietal initiatieven. Nederland lanceerde bijvoorbeeld samen met 17 andere donorlanden, 11 ontwikkelingslanden, 7 internationale organisaties en the Gates Foundation het Addis Tax Initiative voor meer technische assistentie ter versterking van belastingbeleid en belastingdiensten in ontwikkelingslanden. Het gaat om een gezamenlijke verdubbeling van de daarvoor beschikbare middelen, te bereiken in 2020. De andere twee initiatieven zijn het Sustainable Development Investment Partnership (SDIP)/Convergence en het Water Banks Initiative.

11

Op welke wijze houdt u rekening met een toename van het aantal migranten en vluchtelingen naar Nederland in 2016? Welke mogelijke gevolgen heeft dit voor de begroting en waar in de begroting denkt u ruimte te vinden om eventuele gaten op te vangen?

Antwoord:

De kosten voor eerstejaarsopvang van asielzoekers worden aan het ODA-budget toegerekend op basis van ramingen die door V&J worden gemaakt. Op dit moment worden de ramingen voor de instroom geactualiseerd. Bij de Najaarsnota zal, mede in het licht van de motie Slob, op basis van de geactualiseerde instroom inzichtelijk gemaakt worden hoe de kosten worden gedekt. (zie ook vraag 234)

12

Hoeveel uitgaven voor de eerstejaars asielopvang ten laste van de BuHa-OS begroting worden thans (oktober 2015) voor het jaar 2016 (en later) geraamd?

Antwoord:

De huidige raming op de BHOS-begroting voor eerstejaars asielopvang bedragen EUR 836 miljoen voor 2015. Vanaf 2016 is een nieuw betalingsritme afgesproken om het moment van betaling vanuit de BHOS-begroting in lijn te brengen met het moment dat de uitgaven voor de asielopvang plaatsvinden. De raming is daarom in 2016 eenmalig verlaagd naar EUR 347 miljoen voor 2016. De raming voor 2016 is op basis van een instroom van26.000 asielzoekers in 2016. Zie verder ook het antwoord op vraag 11.

13

Wat is de BNP-raming voor de jaren 2016 en daarna?

Antwoord:

De BNP-raming voor de jaren 2016 en verder is:

2016

EUR 712,33 miljard.

2017

EUR 730,90 miljard.

2018

EUR 749,95 miljard.

2019

EUR 769,49 miljard.

2020

EUR 789,55 miljard.

14

Hoeveel middelen worden voor buitenlandse handel vrijgemaakt op de BuHa-OS begroting over de jaren 2016 en volgende?

Antwoord:

De middelen voor buitenlandse handel betreffen de begrotingsartikelen 1.1 Versterkt internationaal handelssysteem, met aandacht voor Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen en 1.2 Versterkte Nederlandse handels- en investeringspositie en economische naamsbekendheid. In onderstaand overzicht staan de meerjarige budgetten voor de periode 2016–2020. Deze zijn eveneens terug te vinden op pagina 32–33 van de BH&OS-begroting.

15

Waarom is er geen post onvoorzien opgenomen in de begroting 2016?

Antwoord:

De begroting van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (XVII) is een programmabegroting. Conform de begrotingsvoorschriften mogen de programmabegrotingen alleen programma/beleidsuitgaven en -ontvangsten bevatten. Op de begroting van Buitenlandse Zaken (V) is de post onvoorzien opgenomen naast de apparaatsuitgaven voor het departement van Buitenlandse Zaken.

16

Hoeveel van de middelen uit het Dutch Good Growth Fund (DGGF) zijn nog niet gecommitteerd voor 2016?

Antwoord:

Van het totaal aan beschikbare DGGF middelen (EUR 700 miljoen voor de periode 2014 t/m 2017) is inmiddels EUR 625 miljoen juridisch verplicht. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

  • −  EUR 525 miljoen door de drie contracten ieder ter waarde van EUR 175 miljoen die zijn aangegaan met de drie uitvoerders van het DGGF
  • −  EUR 25 miljoen voor de extra inzet binnen het DGGF op jonge ondernemers en werknemers om irreguliere migratie vanuit Noordelijk Afrika tegen te gaan. Hiervoor zijn de contracten van de uitvoerders RVO en PwC/Triple Jump met respectievelijk EUR 5 miljoen en EUR 20 miljoen verhoogd.
  • −  EUR 75 miljoen ten behoeve van onderdeel 2 («Investeren lokaal MKB»), zoals aangekondigd in de recent aan de Tweede Kamer gestuurde Mid-term review van het DGGF1. Daarmee is ook deze EUR 75 miljoen verplicht.

De resterende EUR 75 miljoen uit de niet-gecommitteerde middelen zal op een later moment worden ingezet ten behoeve van het Nederlandse bedrijfsleven, afhankelijk van de vraagontwikkeling.

In de begroting voor 2016 wordt aangegeven dat 100% juridisch verplicht is. Dat klopt voor wat betreft begrotingsjaar 2016. De initiële reserve van EUR 175 miljoen, waarvan inmiddels EUR 25 miljoen is toegekend aan de extra inzet binnen het DGGF op jonge ondernemers en werknemers om irreguliere migratie vanuit Noordelijk Afrika tegen te gaan en EUR 75 miljoen intensivering voor onderdeel 2 («Investeren lokaal MKB), stond pas vanaf 2017 in de boeken. Hiervan is inmiddels ruim de helft verplicht.

17

Kunnen de resultaten van het DGGF nader worden gekwantificeerd? Welke contracten lijken succesvol en welke niet?

Antwoord:

De belangstelling voor het DGGF is groot. Sinds de start op 1 juli 2014 hebben circa 280 Nederlandse ondernemers en ruim 200 intermediaire fondsen interesse getoond in het DGGF. Vooral voor het onderdeel «Investeren NL MKB» en «Investeren lokaal MKB» is de belangstelling groot. De vraag van Nederlandse ondernemers naar DGGF exportkredietverzekering/financiering blijft achter bij de initiële verwachting.

De stand van zaken per september 2015 is dat DGGF in totaal 32 transacties zal financieren. Deze transacties en de daarbij behorende resultaten staan beschreven in de Kamerbrief «Mid Term Review Dutch Good Growth Fund» en zijn tevens gepubliceerd op de website van het DGGF (www.dggf.nl), onder «officiële bekendmakingen». Omwille van de privacy van de ondernemers wordt de bedrijfsnaam van de onderneming, zolang het contract nog niet rond is, niet bekend gemaakt. Het gaat om 14 financieringen aan Nederlandse ondernemers die willen investeren in lage- en middeninkomenslanden, 8 verzekeringen/financieringen aan Nederlandse ondernemers die willen exporteren en 10 investeringen in intermediaire fondsen die investeren in het lokale MKB.

De totale DGGF financiering die gemoeid is met deze 32 transacties bedraagt EUR 123 miljoen. Met deze EUR123 miljoen wordt € 561 miljoen aan financiering bij andere financiers losgemaakt. Hierdoor kan het Nederlands MKB en het lokaal MKB in totaal EUR 684 miljoen aan ontwikkelingsrelevante investeringen doen. Nadrukkelijk geven investeerders en banken aan dat zij de financieringen niet hadden verstrekt zonder DGGF.

18

Bestaat de verwachting dat de ontwikkelingssamenwerking met Burundi weer spoedig wordt hervat? Graag een toelichting.

Antwoord:

Het is niet de verwachting dat de ontwikkelingssamenwerking met de overheid van Burundi spoedig wordt hervat. De situatie in Burundi is alarmerend. Er is een patstelling tussen regering en oppositie. Het geweld neemt toe. De autoriteiten sluiten zich af, ook van de internationale gemeenschap. VN-bemiddelaars zijn weggestuurd of geweigerd. De Belgische ambassadeur is onlangs uitgewezen. Internationale actie was tot nu toe gericht op het bewerkstelligen van een inter-Burundese dialoog. Dit is niet gelukt. Uganda heeft als bemiddelaar van de East Africa Community nog weinig zinvolle bemiddelingsgesprekken kunnen voeren. De conflictindicatoren staan op rood: definitief verlies van vertrouwen van de oppositie in het democratisch proces, geen oplossing voor of consensus over de derde termijn problematiek; interne verdeeldheid bij zowel regeringspartij als oppositie. De belangrijkste conflictindicator – de eenheid van het Burundese leger – staat onder druk. Als het leger uit elkaar valt, mag een burgeroorlog niet worden uitgesloten.

De EU is gestart met de Artikel 96 procedure. Het gaat daarbij niet alleen om een sanctie, maar ook om een kans voor dialoog. Acceptatie door Burundi van deze dialoog zou een opening kunnen bieden en een positieve dynamiek teweeg kunnen brengen. Er zijn ook risico’s: Burundi kan de Artikel 96 dialoog weigeren waardoor de EU genoodzaakt zal zijn meteen de hulp op te schorten en Burundi verder geïsoleerd zal raken. Voor nu is het belangrijk dat van Burundese kant een signaal komt dat zij toch open staan voor dialoog. Nederland blijft overigens programma’s die niet via de overheid lopen op het terrein van voedselzekerheid en SRGR steunen.

19

Zijn er negatieve gevolgen te verwachten voor Europa/Nederland als gevolg van de eventuele ratificering van het vrijhandelsakkoord met Canada (CETA)?

Antwoord:

In 2014 is met Canada een akkoord bereikt, dat veel voordeel voor Nederland, en de Europese Unie als geheel kan opleveren. Het akkoord, dat binnen de grenzen van het mandaat is uitonderhandeld, bevat bepalingen op tarifair en non-tarifair gebied, op gebieden als intellectueel eigendom en duurzaamheid, en bevat bepalingen ter bescherming van de beleidsvrijheid van overheden. Sommige landen zouden door preferentie-erosie nadeel kunnen ondervinden, evenals individuele sectoren door toegenomen concurrentie. In de Sustainability Impact Assesment, welke voorafgaand aan de onderhandelingen is uitgevoerd en terug te vinden is op de website van de Europese Commissie, worden enkele voorbeelden genoemd van mogelijke nadelige effecten voor de EU. Zo zouden Europese landbouwproducten te maken kunnen krijgen met verhoogde vleesimporten uit Canada door de verhoogde quota, of zouden er negatieve milieueffecten kunnen optreden door bijvoorbeeld landbouwintensivering of een toename in land-, zee- en luchttransport.

20

Waarom wordt er via de begroting van BuHa-OS ingezet op klimaatverandering? Zijn er afspraken met het Ministerie van I&M over een compensatie van middelen?

Antwoord

In het regeerakkoord is afgesproken dat de publieke uitgaven voor de lange termijn financiering van het internationale klimaatbeleid – zoals toegezegd tijdens de Klimaattop in Kopenhagen in 2009 – worden gefinancierd uit het OS budget. Er zijn derhalve geen afspraken over compensatie van middelen.

21

Wat is de stand van zaken m.b.t. de onderhandelingen in de Europese Raad over de conflictgrondstoffen?

Antwoord:

Op 20 mei jl. stemde het Europees parlement over de conflictmineralenverordening. Het Europees parlement wil verdergaande maatregelen dan voorgesteld in het Commissievoorstel, namelijk verplichte in plaats van vrijwillige deelname voor smelters en importeurs. De lidstaten hebben de tijd genomen om de standpunten van het Europees parlement te analyseren; na afloop van het zomerreces is dit besproken in de Raadswerkgroep Handelsvraagstukken. Grote verschillen in de posities tussen het Europees parlement, Raad en Commissie kunnen de afronding van de Verordening in de weg staan. Anderzijds is de triloog pas het moment om compromissen te sluiten. Deze overwegingen spelen mede een rol in de positiebepaling van de Raad, waarvan moeilijk voorspeld kan worden wanneer deze bepaald wordt.

22

Wat is het tijdpad van afronding van de WTO DOHA-ronde?

Antwoord:

Het kabinet zet in op een zo spoedige mogelijke afronding van de Doha-ronde. Op dit moment ziet het ernaar uit dat de volledige afronding van de Doha-ronde voor de Ministeriële Conferentie (MC10) in Nairobi in december van dit jaar niet realistisch is. De inzet van het kabinet is een zo ambitieus en zo breed mogelijk onderhandelingsresultaat. Cruciaal is hierin een positieve uitkomst voor de minst ontwikkelde landen.

23

Wat is de stand van zaken met betrekking tot het onafhankelijk onderzoek dat het ministerie laat uitvoeren inzake de verdere kwaliteitsverbetering en stroomlijning van de processen in de economische dienstverlening? Wanneer wordt dit rapport opgeleverd en kan de Kamer de resultaten tegemoet zien?

Antwoord:

Het onderzoek wordt momenteel uitgevoerd en naar verwachting de eerste helft van 2016 afgerond. De Tweede Kamer wordt te zijner tijd over de resultaten ingelicht.

24

Kunt u aangeven wat de totale ambtelijke (beheers-)kosten zijn van MFS II en de te verwachten totale ambtelijke (beheers-)kosten van de Strategische Partnerschappen? Per jaar en/of totaal?

Antwoord:

De Strategische Partnerschappen onder Samenspraak en Tegenspraak luiden een nieuwe manier van werken in. Intensievere samenwerking tussen het Ministerie van Buitenlandse Zaken en maatschappelijke organisaties vergt meer inspanning van beide partijen. Een inschatting over de kosten daarvan is prematuur. Tegelijkertijd zorgt het ministerie juist door deze meer strategische manier van samenwerken ten opzichte van MFSII voor meer beleidscoherentie. Op die manier wordt het beleid effectiever en efficiënter.

25

Welke beleidsvoornemens en bijbehorende begrotingsposten hebben tot doel de rechtsbescherming van inwoners van ontwikkelingslanden te vergroten?

Antwoord:

Vergroting van rechtsbescherming van inwoners van ontwikkelingslanden maakt onderdeel uit van de beleidsvoornemens op het gebied van:

  • •  seksuele en reproductieve gezondheid en rechten voor iedereen en een halt aan de verspreiding van HIV/aids (begrotingsartikel 3.1)
  • •  gelijke rechten en kansen voor vrouwen (begrotingsartikel 3.2)
  • •  versterkt maatschappelijk middenveld (begrotingsartikel 3.3)
  • •  rechtsstaatontwikkeling, wederopbouw, vredesopbouw, versterkte legitimiteit van democratische structuren en tegengaan van corruptie (begrotingsartikel 4.3)
  • •  versterkte multilaterale betrokkenheid (begrotingsartikel 5.1)

26

Kunt u een overzicht geven van alle begrotingsposten die open staan voor maatschappelijke organisaties?

Antwoord:

In beginsel staan alle artikelen en artikelonderdelen van de begroting, met uitzondering van artikel 5.1 Versterkte multilaterale betrokkenheid, open voor maatschappelijke organisaties. Uiteraard is het wel zo dat de doelstelling van een artikel(onderdeel) het meer of minder waarschijnlijk maakt dat deze bereikt kan worden met maatschappelijke organisaties of dat andere kanalen meer voor de hand liggen.

27

Hoe garandeert de Nederlandse overheid dat landroof niet voorkomt als gevolg van financieringen via het Nederlandse bedrijfsinstrumentarium?

Antwoord:

Uitgangspunt bij de samenwerking met het bedrijfsleven is dat bedrijven handelen conform de internationaal overeengekomen OESO richtlijnen voor multinationale ondernemingen. Nederlandse bedrijven dienen te allen tijde bereid te zijn om aan te tonen dat zij conform de beleidsdoelstellingen van lokale overheden en binnen de daarbij behorende legale structuren en kaders opereren. De Nederlandse overheid heeft ten aanzien van de activiteiten van Nederlandse bedrijven in het buitenland de verantwoordelijkheid om hun verantwoord ondernemen in die samenleving te bevorderen. Dit betreft bijvoorbeeld het stimuleren van Nederlandse bedrijven om in dialoog met stakeholders zich rekenschap te geven van risico’s op landroofincidenten en deze risico’s te voorkomen. Zo heeft Nederland als eerste OESO lidstaat in eigen land startschot gegeven voor een Land Governance Multi-Stakeholder Dialoog. Samen met financiële instellingen, bedrijfsleven, NGO’s en kennisinstellingen werkt het Kabinet aan concrete verbeterslagen bij het toepassen van de Committee on World Food Security (CFS) richtlijnen. De International Land Coalition en het Global Land Tool Network helpen bij het concretiseren van de toepassing van de CFS richtlijnen op lokaal en internationaal niveau.

28

Hoever zakt Nederland onder de ODA-norm?

Antwoord:

Zoals in de HGIS-nota 2016 is aangegeven (bijlage 3) zijn de ramingen voor de ODA prestatie 2015–2018 achtereenvolgens: 0,69% (2015), 0,56% (2016), 0,57% (2017) en 0,50% (2018).

29

Hoeveel en op welke speerpunten bezuinigt u precies en waarom?

Antwoord:

In het Regeerakkoord Rutte II is een taakstelling op ontwikkelingssamenwerking vastgelegd van jaarlijks EUR 750 miljoen in de periode 2014–2016 oplopend tot EUR 1 miljard vanaf 2017. De invulling van deze taakstelling is uitgewerkt in de beleidsnota «Wat de wereld verdient: een nieuwe agenda voor hulp, handel en investeringen» en aanvullende kamerbrieven. Tevens heeft daarover diverse keren met uw Kamer overleg over plaatsgevonden.

In de financiële paragraaf van «Wat de wereld verdient» is aangegeven hoe de taakstelling is verdeeld over de verschillende speerpunten. Deze tabel is hieronder nogmaals opgenomen. Deze kortingen staan tevens vermeld in bijlage 7 van de HGIS-nota 2014.

30

Op wat voor manier worden de Children’s Rights and Business Principles meegenomen in de afspraken over belastingontwijking, mensenrechten en arbeidsstandaarden, Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen, (IMVO) en duurzaam gebruik van grondstoffen? En wat voor mogelijkheden ziet u voor het actief uitdragen van de Children’s Rights and Business Principles tijdens het Nederlands voorzitterschap van de EU?

Antwoord:

De passage in de MvT waarnaar de vraag verwijst verwoordt een algemeen streven van het kabinet om verdergaande internationale afspraken te maken over de genoemde onderwerpen, in de context van het internationaal handels- en investeringsstelsel. Dat kan zijn op EU-niveau maar ook in andere multilaterale fora. Indien nieuwe internationale afspraken tot stand komen over deze onderwerpen, zal per geval bezien moeten worden of het voor de hand ligt om de Children’s Rights and Business Principles daarbij te betrekken. Tijdens het EU-voorzitterschap zet Nederland in op aanname van EU-Raadsconclusies over de bestrijding van kinderarbeid. In de Raadsconclusies zal Nederland ook inzetten op aandacht voor de Children's Rights and Business Principles.

31

Hoeveel geld reserveert u in 2016 voor het thema ondernemerschap voor jongeren? Wat gaat u met deze middelen doen?

Antwoord:

Van de EUR 50 miljoen extra inzet op jeugdwerkgelegenheid in Afrika, wordt EUR 25 miljoen besteed aan programmavoorstellen die door maatschappelijke organisaties en sociale ondernemers zijn ingediend via de subsidietender Local Employment in Africa for Development (LEAD). Het betreft een meerjarig budget. Via het DGGF is ook EUR 25 miljoen extra financiering beschikbaar gesteld voor investeringen in jonge ondernemers en werknemers in Noord-Afrika. De eerste twee investeringen zijn inmiddels bekend. Het betreft een investering in het Oasis Africa Fund dat lokale MKB-bedrijven in Ghana, Ivoorkust en Senegal financiert en hiermee 1.500 lokale banen creëert, waarvan 70% voor jongeren. Een andere transactie betreft een investering door een Nederlandse ondernemer in Mali op het terrein van de biologische olie-extractie, waarmee 130 banen worden gecreëerd en wordt samengewerkt met 5000 lokale boeren. Meer DGGF transacties voor dit doel volgen de komende maanden. Inzet op ondernemerschap voor jongeren krijgt ook speciale aandacht -zonder geoormerkt budget- binnen verschillende brede private sector ontwikkelingsprogramma’s. Voorbeelden daarvan zijn capaciteitsopbouw van jonge ondernemers via BoP Inc en de activiteiten van Agriterra. Vergrijzing van het platteland is in veel Afrikaanse landen een groot probleem. De landbouw moet aantrekkelijk worden voor jongeren. Agriterra richt haar inspanningen de komende jaren, in samenwerking met het Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt (NAJK), vooral op jongeren in de landbouw.

32

Hoe zal beleidscoherentie voor ontwikkeling concreet worden gewaarborgd in de implementatie van de Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG’s), waarbij nationaal en internationaal beleid herzien zal moeten worden?

Antwoord:

De verdere uitwerking en implementatie van het subdoel op beleidscoherentie voor duurzame ontwikkeling (SDG 17.14 «Enhance policy coherence for sustainable development») is nog onderwerp van bespreking in internationaal verband, maar het politieke commitment ligt er. Regeringen hebben zich in de Addis Ababa Actie Agenda en de 2030 Agenda voor Duurzame Ontwikkeling nadrukkelijk gecommitteerd aan nationaal en internationaal beleid dat op samenhangende wijze bijdraagt aan de global goals. De EU heeft in de Raadsconclusies «A New Global Partnership for Poverty Eradication and Sustainable Development after 2015» specifiek benadrukt dat alle ontwikkelde, hoge middeninkomenslanden en opkomende landen de impact van hun beleid op armere landen moeten onderzoeken. Binnen de EU gebeurt dit al, door de systematische toepassing van impact assessments.

33

Leidt de implementatie van de SDG’s ertoe dat de Nederlandse coherentie-agenda wordt uitgebreid met meer onderwerpen? Op wat voor manier zullen ook andere stakeholders benaderd worden om de implementatie van de SDG’s vorm te geven, zowel als het gaat om nationaal- als om internationaal beleid? Op wat voor manier wordt er samengewerkt met andere ministeries om de implementatie van de SDG’s – die verder gaan dan het beleid op het gebied van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking – een succes te maken? Kunt u daar concrete voorbeelden van geven?

Antwoord:

De Nederlandse coherentie-agenda omvat naast handel, belastingen en waardeketens ook klimaat en toegang tot medicijnen. Daarnaast wordt bezien hoe de kosten van remittances (geldovermakingen door migranten) kunnen worden gereduceerd, als onderdeel van het beleid ten aanzien van migratie en ontwikkeling. Deze thema’s sluiten goed aan bij de Global Goals.

In Nederland zal de interdepartementale samenwerking en het regelmatige contact met stakeholders, zoals heeft plaatsgevonden tijdens de onderhandelingsfase voorafgaand aan de SDG-Top, worden voortgezet. Hierbij komen activiteiten met zowel een nationale als een internationale dimensie ter sprake. Goed voorbeeld van de brede betrokkenheid is het «SDG-Charter», een initiatief van meer dan 75 stakeholders (bedrijven, NGO’s, kennisinstellingen en overheid) die zich hebben gecommitteerd aan de Global Goals.

In overleg met andere departementen zal in kaart worden gebracht welke maatregelen Nederland zal nemen in het kader van de duurzame ontwikkelingsdoelen. Daarbij zal nauw aangesloten worden bij afspraken die in EU-verband worden gemaakt. Nederland hecht eraan dat de EU deze agenda daadkrachtig oppakt. In dat kader zou Nederland graag zien dat de Europese Commissie voorjaar 2016 een eerste indicatie geeft hoe de EU de implementatie van de Global Goals op zowel extern als intern terrein gaat vormgeven.

34

Wat zijn de prioriteiten voor het Nederlandse EU voorzitterschap in de eerste helft van 2016 op het gebied van ontwikkelingssamenwerking?

Antwoord:

Zoals gemeld in de Kamerbrief van 28 januari jl. over de inhoudelijke voorbereiding van het EU voorzitterschap, zal Nederland zich tijdens het EU-voorzitterschap vooral richten op drie grote dossiers. In de eerste plaats betreft dit de verankering en financiering van de duurzame ontwikkelingsdoelen, de Global Goals, in het interne en externe beleid van de Unie. Tevens zal tijdens het Nederlands voorzitterschap de Europese positiebepaling worden voorbereid ten aanzien van de vormgeving van de toekomstige relatie tussen de EU en de landen in Afrika, de Cariben en de Stille Oceaan (ACS) als het Verdrag van Cotonou in 2020 afloopt. Het voorzitterschap biedt verder een uitgelezen kans de Nederlandse «hulp en handel agenda» op Europees niveau verder vorm te geven. Nederland zal hierbij internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen en de verduurzaming van mondiale waardeketens agenderen. Daarnaast zal gedurende het Voorzitterschap ook op het gebied van ontwikkelingssamenwerking veel aandacht uitgaan naar migratie. De resultaten van de Valletta Top met Afrikaanse landen zullen worden uitgewerkt waarbij de EU verder vorm zal moeten geven aan het adresseren van de grondoorzaken van migratie.

35

Hoe wordt het voornemen van verdere verduurzaming van mondiale handelsketens concreet uitgewerkt? En welke rol gaat het ministerie spelen (financieren, regisseren, stimuleren of uitvoeren)?

Antwoord:

De Nederlandse inzet in aanloop naar en tijdens het EU-voorzitterschap is meer beleidscoherentie van EU handels- en OS beleid met aandacht voor maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) in mondiale waardeketens. Het is nodig dat de EU multistakeholder sectorale samenwerking – zoals het IMVO convenantenproces – op EU niveau stimuleert om de ketens te verduurzamen en een gelijk internationaal speelveld voor MVO te creëren.

De inzet wordt uitgewerkt door op te roepen tot een nieuwe EU MVO Actieplan met een sterke externe dimensie. Een handels- en OS-agenda voor EU activiteiten met vervolgstappen om duurzaamheid in mondiale waardeketens te stimuleren en bevordering van uitwisseling ervaringen tussen lidstaten, Commissie en meer dialoog met stakeholders, ook in productielanden, is daarbij essentieel.

Hiertoe agendeert Nederland tijdens de informele RBZ-Raad voor Handel en OS op 2 februari 2016 verduurzaming van mondiale waardeketens. In aanloop daarnaartoe organiseert Nederland een conferentie (7 december 2015) in aanwezigheid van o.a. Handelscommissaris Malmström en vertegenwoordigers van het Europese bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.

Concrete ondersteuning wordt gegeven door bijdrage van het Kabinet aan het Initiatief Duurzame Handel (IDH). Dit initiatief brengt publieke en private partijen bij elkaar om samen te werken aan schaalbare oplossingen voor duurzaamheidsuitdagingen die door de private sector kunnen worden gebruikt. IDH beschikt over een uitgebreid netwerk binnen het bedrijfsleven en maatschappelijk middenveld. In 2016 investeert IDH in verduurzaming van 11 sectoren (thee, katoen, koffie, tropisch hout, cacao, soja, palmolie, vers & ingrediënten (o.a. bloemen, groente, fruit, specerijen), aquacultuur, pulp & papier, en textiel). Daarnaast heeft IDH cross-sectorale programma’s op het gebied van innovatieve financiering en duurzame landschappen.

36

Hoe wilt u het EU-voorzitterschap van Nederland benutten om de EU-inzet op het gebied van migratie en noodhulp te verbeteren? Wat gaat u concreet voorstellen en met welke uitkomst bent u tevreden?

Antwoord:

Tijdens het Nederlandse EU-voorzitterschap zal de World Humanitarian Summit (WHS) plaatsvinden. Deze top, mei 2016 in Istanbul, is de gelegenheid om op wereldschaal voorstellen voor het verbeteren van noodhulp te bespreken. Nederland zal tijdens het Voorzitterschap een sterke Europese positie bevorderen. De recente mededeling van de Europese Commissie met betrekking tot de WHS geeft de hoofdlijnen aan. Zie hiervoor de Mededeling humanitaire wereldtop: een wereldwijd partnerschap voor beginselvaste en efficiënte humanitaire hulp (DIE-570225/2015, d.d. 9 oktober 2015; Kamerbrief inzake Informatievoorziening over nieuwe Commissievoorstellen). Tevens zal Nederland de Raadswerkgroep voor humanitaire hulp en voedselhulp (COHAFA) voorzitten. Nederland zet in op betere coördinatie binnen de EU om de effectiviteit en efficiency verder te vergroten.

Het thema migratie zal een belangrijke rol spelen tijdens het Nederlandse voorzitterschap omdat het de komende tijd een grote prioriteit voor de EU zal blijven. Nederland zal een geïntegreerde benadering van migratie bepleiten, waarbij invulling gegeven moet worden aan structurele en verbeterde opvang in de regio. Zonder de aanpak van grondoorzaken van gedwongen migratie kan geen lange termijn oplossing geboden worden. Conflictpreventie is daar onderdeel van, maar ook de aanpak van sociaaleconomische oorzaken van migratie, zoals gebrek aan werkgelegenheid voor jongeren. Initiatieven als het EU Trust Tund (EUR 1,8 miljard) voor het aanpakken van grondoorzaken van migratie in Afrika, komen ten goede aan de beoogde geïntegreerde benadering, en worden daarom aangemoedigd. Ook zal Nederland de nadruk blijven leggen op brede samenwerkingsverbanden met Afrikaanse en andere betrokken landen, om de problematiek gezamenlijk aan te pakken.

37

In Afrika wordt 50 miljoen euro extra geïnvesteerd voor het creëren van werkgelegenheid. Kunt u nader toelichten waar deze 50 miljoen euro precies naartoe gaat?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 31.

38

In Afrika wordt 50 miljoen euro extra geïnvesteerd voor het creëren van werkgelegenheid. Kunt u nader toelichten waar dit geld vandaan komt?

Antwoord:

Van de EUR 50 miljoen komt EUR 25 miljoen uit de nog niet gecommitteerde middelen van het DGGF. De overige EUR 25 miljoen wordt de komende jaren in mindering gebracht op de begrotingsreserve voor de Faciliteit Opkomende Markten en is non-ODA.

39

Kunt u aangeven hoe eventueel hoger uitvallende kosten vanwege de «sterk verhoogde instroom van asielzoekers» gedekt gaan worden binnen de Rijksbegroting?

Antwoord:

Bij de Najaarsnota zal, mede in het licht van de motie Slob, op basis van de dan verwachte instroom bezien worden hoe de toerekening voor eerstejaars asielopvang toeneemt en hoe deze kosten kunnen worden gedekt. Zie ook het antwoord op vraag 11 en 12.

40

Hoe gaat de Minister invulling geven aan de motie-Slob (34 300, nr. 23)?

Antwoord:

Bij de Najaarsnota zal, op basis van nieuwe ramingen, bezien worden hoeveel extra middelen er nodig zijn voor eerstejaars asielopvang en hoe uitvoering gegeven kan worden aan deze motie.

41

De Minister constateert dat «verwacht kan worden dat de asielinstroom ten opzichte van de begroting 2015 hoger zal zijn». Welke consequenties heeft deze constatering voor de begroting van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking? Bent u voornemens om ook in 2016 en 2017 extra geld ter beschikking te stellen voor noodhulp aan vluchtelingen als daarvoor aanleiding is? Hoe denkt u in dat geval deze extra uitgaven te dekken?

Antwoord:

De kosten voor eerstejaarsopvang van asielzoekers worden aan het ODA-budget toegerekend op basis van ramingen die door V&J worden gemaakt. Op dit moment worden de ramingen voor de instroom geactualiseerd. Bij de Najaarsnota zal, mede in het licht van de motie Slob, op basis van de dan verwachte instroom bezien worden hoe de toerekening toeneemt en hoe deze kosten kunnen worden gedekt.

In september 2014 is EUR 570 miljoen gereserveerd in een Relief Fund voor noodhulp voor de periode 2014–2017 (BHOS-begroting artikel 4.4). Deze middelen kunnen flexibel worden ingezet. Het reguliere budget voor noodhulp (BHOS-begroting artikel 4.1) bedraagt in 2.016 EUR 205 miljoen en kan eveneens worden ingezet voor noodhulp aan vluchtelingen.

42

Wanneer kan de Kamer de concrete plannen van de Ministeriële Commissie Migratie tegemoet zien?

Antwoord:

De Kamer wordt regulier geïnformeerd als er voorstellen met betrekking tot migratie in de ministerraad zijn aangenomen. Zoals de kamerbrieven die u recentelijk heeft ontvangen over «huisvesting van vergunninghouders» (2 oktober) en «nadere Kabinetsappreciatie EU-migratiepakket september 2015» (5 oktober). Daarnaast informeren wij u over migratie via de bespreking van geannoteerde agenda’s van Europese trajecten. Zoals bijvoorbeeld migratie onderdeel was van de RBZ-OS bespreking met uw Kamer op 15 oktober.

43

Hoeveel investeren de EU-landen gezamenlijk in het creëren van jeugdwerkgelegenheid en ondernemerschap in ontwikkelingslanden waar weinig economisch perspectief is?

Antwoord:

Een dergelijk overzicht van alle EU-lidstaten is niet beschikbaar. Het creëren van jeugdwerkgelegenheid en het stimuleren van ondernemerschap in ontwikkelingslanden is voor Nederland een prioriteit. Zoals bekend heeft het kabinet EUR 50 miljoen vrijgemaakt om arbeidsplaatsen voor jongeren in Afrika te creëren door hen te ondersteunen bij het starten van een onderneming of bestaande ondernemingen te helpen doorgroeien. Nederland blijft ook in Europees verband pleiten voor een sterkere inzet op jeugdwerkgelegenheid en ondernemerschap. Samen met Frankrijk en Duitsland heeft Nederland de EU eerder dit jaar al opgeroepen meer aandacht en middelen (EUR 500 miljoen) te besteden aan Afrikaanse jongeren. De EU heeft een enorm gewicht in de schaal te leggen en kan echt verschil maken voor jongeren, maar dat gebeurt nog onvoldoende.

Inmiddels onderkent de EU dat belang van een focus op jeugdwerkgelegenheid in Afrika steeds meer – zeker in relatie tot de migratieproblematiek. Dat is hard nodig. En wordt overigens ook gedeeld door de Afrikaanse landen zelf, zoals blijkt tijdens de voorbereidingen van de Migratietop in Valletta. Jeugd, in het bijzonder jeugdwerkgelegenheid, is voorzien als een belangrijke prioriteit binnen het nieuwe EU noodtrustfonds voor stabiliteit en grondoorzaken van migratie in Afrika. Nederland zal erop toezien dat ook bij de identificering van projecten en programma’s, deze focus op jeugdwerkgelegenheid behouden blijft.

44

Op basis van welk onderzoek verwacht u dat er minder asielinstroom zal zijn wanneer Nederland EUR 50 miljoen investeert? Hoeveel minder instroom verwacht u te realiseren dankzij deze investering?

Antwoord:

Experts van organisaties als de VN vluchtelingenorganisatie (UNHCR), Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) en Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) stellen dat iemand die een baan heeft, waarbij hij of zij talenten kan ontwikkelen en voldoende verdient om zijn of haar gezin te onderhouden, normaal gesproken niet zal kiezen voor een risicovol en onzeker bestaan als irreguliere migrant in Europa.

Het doel van de inzet is het stimuleren van jeugdwerkgelegenheid in Afrika. De Nederlandse EUR 50 miljoen staat niet op zichzelf en heeft bijgedragen aan het aanzetten van anderen. Samen met Frankrijk en Duitsland heeft Nederland de EU eerder dit jaar opgeroepen meer aandacht en middelen (EUR 500 miljoen) te besteden aan Afrikaanse jongeren. De inzet van de EU legt gewicht in de schaal en kan echt verschil maken voor jongeren.

Resultaten worden gemeten in termen van banen voor jongeren. Hoeveel minder instroom dit tot gevolg heeft, is niet te zeggen. Impact studies achteraf kunnen mogelijk meer inzichten geven.

45

U wilt de stabiliteit en veiligheid in landen als Syrië, Irak en Afghanistan verbeteren door het leger, de politie en de oppositie in Syrië te trainen en op te leiden. Om welke landen gaat het precies? Hoeveel mensen worden er precies opgeleid of getraind?

Antwoord:

In Irak trainen Nederlandse militairen de Iraakse strijdkrachten, inclusief de Peshmerga. Het mandaat voor deze trainingsmissie loopt tot begin oktober 2016, met trainingslocaties in Noord-Irak en Bagdad. In Afghanistan draagt Nederland met maximaal 100 militairen bij aan de NAVO-missie Resolute Support. Deze missie ondersteunt via training maar ook assistentie en advisering.

Over de trainingen in Irak en Afghanistan zijn geen exacte getallen te geven, onder andere omdat Nederlandse militairen veelal in coalitie verband een bijdrage leveren aan onderdelen van de diverse trainingen.

In Afghanistan bezoeken de adviesteams dagelijks instituties van leger en politie om op basis van door de Afghanen aangedragen vraagstukken te adviseren. Ook draagt Nederland met maximaal 15 functionarissen bij aan de EU politietrainingsmissie EUPOL Afghanistan. Sinds de start van de missie in 2007 hebben ongeveer 31.000 agenten training ontvangen.

In Syrië wordt de Free Syrian Police gesteund met toelagen, niet-militaire l goederen en trainingen. Steun wordt uitgerold in een zeventigtal gemeenten. Aan de gematigde gewapende oppositie wordt hulpgoederen als voedselpakketen en medische kits geleverd. Via Clingendael is een beperkt aantal oppositieleiders getraind in onderhandelen en mediation.

46

Wat is het concrete beleidsplan van de regering m.b.t. het migratiepartnerschap met de Hoorn van Afrika?

Antwoord:

Nederland heeft de leiding ten aanzien van het opzetten van een EU Regionaal Beschermings- en Ontwikkelingsprogramma (RDPP) voor vluchtelingen en hun gastgemeenschappen in de Hoorn van Afrika. Belangrijke onderdelen zullen zijn het beschermen van vrouwen en kinderen, het versterken van de positie van vluchtelingen en hun gastgemeenschappen door het aanbieden van taaltrainingen en beroepsonderwijs en het vergroten van hun zelfredzaamheid in samenwerking met de overheden. Projecten binnen het RDPP zullen in nauwe samenwerking met deze overheden worden geïdentificeerd en geïmplementeerd. Daarvoor heeft in september 2015 een eerste missie naar Ethiopië en Kenia plaatsgevonden. Het plan is om eerste projecten, gericht op de bescherming van vrouwen en kinderen, eind 2015 te starten. Deze samenwerking met landen uit de regio is een voorbeeld van de brede partnerschappen die Nederland op wil zetten op het gebied van migratie.

47

Middels miljoenen klantgegevens van grote telecom- en internetbedrijven willen jullie het mogelijk maken om de migratiestromen beter te voorspellen. Geven de klanten hier toestemming voor? Hoe waarborgen jullie de privacy van deze klanten? Hoe worden de klantgegevens opgeslagen?

Antwoord:

Big Data is een veelbelovende manier om noodhulp te innoveren. Het gebruik van big data kan humanitaire hulpverlening effectiever maken. Mensen, ook in noodsituaties, produceren enorme hoeveelheden data, bijvoorbeeld via mobiele telefoons, financiële transacties en communicatie via radio en nieuwe media. Met behulp van betrouwbare data kunnen hulporganisaties beter en sneller begrijpen welke groepen hulp nodig hebben en waar hulpbehoevenden zich bevinden. Zo kan een betere inzet van beschikbare data hulporganisaties in staat stellen om uitbraken van ziektes in kaart te brengen en daar adequaat op in te spelen.

Het in kaart brengen en zelfs voorspellen van migratiestromen bevindt zich echter nog in de verkenningsfase. Op dit moment is de regering in gesprek met VN instanties om de mogelijkheden hiertoe te onderzoeken. Bij het gebruik van Big Data op het gebied van migratie gaat het om geanonimiseerde data-analyse. De datasets worden door de VN verkregen van genoemde bedrijven op basis van duidelijke afspraken. De regering krijgt geen inzage in deze (geanonimiseerde) datasets, maar ziet slechts de resultaten van de analyse van deze gegevens.

48

U spreekt van partnerschappen op migratieterrein in de Hoorn van Afrika, kunt u concreet toelichten op welke partnerschappen u doelt? Zijn er al concrete voorbeelden van bestaande partnerschappen?

Antwoord:

Eén van die partnerschappen is het EU Regionaal beschermings-en Ontwikkelingsprogramma (RDPP) dat wordt opgezet in Ethiopië, Kenia en Soedan. Daartoe heeft onlangs een eerste missie naar Ethiopië en Kenia plaatsgevonden. Zowel de Ethiopische als de Keniaanse overheid ziet migratie als gedeelde verantwoordelijkheid van de EU en landen in de Hoorn van Afrika. Beiden onderschrijven het belang van gezamenlijke oplossingen van het migratievraagstuk. Projecten binnen het RDPP zullen in nauwe samenwerking met deze overheden worden geïdentificeerd en geïmplementeerd.

Een ander partnerschap is het Strategische Partnerschap Chronische Crises, een samenwerkingsverband tussen het Ministerie van Buitenlandse Zaken en een vijftal Nederlandse NGO’s in de Hoorn van Afrika (Ethiopië, Somalië, Kenia, Sudan en Zuid-Sudan), waarbij ruim 18 miljoen in de periode 2014–2016 wordt geïnvesteerd in het wegnemen van grondoorzaken van instabiliteit, conflict en migratie. Het partnerschap richt zich daarbij op duurzame (re-)integratie van terugkerende vluchtelingen en ontheemden, het verbeteren van de relatie tussen burgers en overheid, het creëren van werkgelegenheid en voedsel- en waterzekerheid.

49

Kunt u toelichten uit welke groeperingen de Syrische oppositie bestaat die Nederland steunt? Beschouwt u deze groepering als gematigd? Graag een toelichting.

Antwoord:

Nederland steunt de Syrische politieke oppositie die is verenigd onder de paraplu van de Syrische Oppositie Coalitie (SOC) en de daaruit afgeleide Syrische interim-regering (SIG). De SOC is een coalitie van groepen die samen een brede afspiegeling van de Syrische samenleving vormen (soennieten, sjiieten, alawieten, christenen, Koerden). Nederland beschouwt de SOC als gematigd omdat de SOC zich inzet voor een politieke uitweg uit het conflict in Syrië en een pluralistisch en inclusief toekomstig Syrië voorstaat. Een groot deel van de internationale gemeenschap heeft de SOC erkend als een legitieme vertegenwoordiger van het Syrische volk.

Voorts voorziet Nederland een aantal gematigde gewapende Syrische oppositiegroepen van niet-gewapende steun. Mede dankzij de Nederlandse steun slagen deze groepen er beter in zich te handhaven in de strijd en lokale bevolking bescherming te bieden tegen de aanvallen van Assad en extremistische groepen als ISIS en Jabhat al-Nusra. Nederland werkt uitsluitend samen met groepen die kwalificeren als gematigd. Dat wil onder andere zeggen dat deze groepen niet samenwerken met extremistische groepen, dat zij een inclusieve politieke oplossing van het conflict nastreven en dat zij gecommitteerd zijn aan de naleving van het humanitair oorlogsrecht.

50

Nederland speelt een voortrekkersrol bij de vernieuwing van humanitaire hulp. Neemt u in deze vernieuwingsagenda ook inclusie van mensen met een beperking mee – een onderwerp dat ook geagendeerd staat op de World Humanitarian Summit (WHS)? Wordt gebruik van big data ook ingezet om noodhulp toegankelijker te maken voor mensen met een handicap?

Antwoord:

Het kabinet onderschrijft het belang om tijdens alle fasen van humanitaire hulp (van paraatheid tot het plannen en uitvoeren van humanitaire respons) en in alle thematische clusters waarlangs humanitaire hulp wordt verleend rekening te houden met de specifieke behoeften van kwetsbare groepen, waaronder vrouwen en kinderen, ouderen en mensen met een handicap. Nederland benadrukt het belang van specifieke aandacht voor kwetsbare groepen in aanloop naar de WHS, en benadrukt bovendien de leiderschapsrol die kwetsbare groepen kunnen spelen binnen humanitaire hulpverlening. Recent heeft Nederland hier een oproep toe gedaan tijdens de opening van de World Humanitarian Summit Global Consultation in Geneve op 13 oktober 2015. Het gebruik van big data binnen humanitaire hulp kan hulpverlening effectiever maken, o.a. omdat hulporganisaties met behulp van betrouwbare data beter kunnen begrijpen wie welke hulp nodig heeft. Nederland ziet er op toe dat in de humanitaire data-initiatieven die Nederland ondersteunt, specifieke aandacht wordt gegeven aan de mogelijkheden van data om begrip van de noden van kwetsbare groepen en hulpverlening aan deze groepen te versterken.

51

Op basis waarvan en hoe meet de projectgroep die de beleidscoherentie voor ontwikkeling bewaakt of aan de gestelde eisen wordt voldaan?

Antwoord:

De projectgroep bekijkt per onderwerp wat de problemen op het gebied van coherentie zijn en hoe incoherent beleid tegen gegaan kan worden. Aan de hand daarvan formuleert de projectgroep meetbare doelen en te ondernemen acties. Op het onderwerp TRIPS en toegang tot betaalbare medicijnen bijvoorbeeld wordt samengewerkt met het Ministerie van Economische Zaken en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Een concreet doel is dat de TRIPS-raad de MOLs per 1 januari 2016 verlenging geeft van de ontheffing voor farmaceutische producten. De te ondernemen actie is dat Nederland samen met gelijkgezinde lidstaten bepleit dat de EU steun geeft aan verlenging van de MOLS waiver voor onbeperkte tijd. Een tussentijdse indicator is dan bijvoorbeeld dat de EU verlenging van de ontheffing in de TRIPS raad heeft gesteund, mede dankzij de Nederlandse inzet.

52

Om beleidscoherentie voor ontwikkeling te bewaken, is een projectgroep opgericht op het ministerie. Werkt deze projectgroep ook intensief samen met andere ministeries? Zou het niet beter zijn een projectgroep te hebben die interdepartementaal is, waarvan de coördinatie bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken ligt? Waarom is de keuze gemaakt om beleidscoherentie voor ontwikkeling te verengen tot handel, belastingen en duurzame ketens? In de schriftelijke voorbereiding op de begrotingsbehandeling voor 2015 gaf de regering aan: «De OESO werkt aan een monitoringsmechanisme voor beleidscoherentie op het gebied van voedselzekerheid, illegale financiële stromen en groene groei.» Nederland zou bezien in hoeverre dit mechanisme ook in ons beleid toepasbaar is. Wat is de stand van zaken?

Antwoord:

Nederland hanteert een pragmatische aanpak, waarbij de BZ-brede projectgroep op specifieke coherentie dossiers intensief samenwerkt met andere ministeries. Zo wordt op het onderwerp belastingontwijking nauw samengewerkt met het Ministerie van Financiën. Rond de toegang tot betaalbare medicijnen wordt samen met het Ministerie van Economische Zaken en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bezien hoe die toegang kan worden bevorderd in relatie tot afspraken over patentbescherming in het WTO/TRIPS-verdrag (Trade-Related Intellectual Property Rights).De ervaring leert dat op deze manier effectief aan coherentie gewerkt kan worden, zonder onnodige bureaucratische structuren.

Handel, belastingen en duurzame ketens zijn prioriteiten binnen beleidscoherentie, omdat incoherent beleid op deze onderwerpen nog steeds een grote barrière voor ontwikkeling vormt. Het belang van gunstige handelsvoorwaarden blijkt bijvoorbeeld uit het succes van het Everything but Arms Initiative, dat volgens recent onderzoek leidde tot 10% meer export uit de MOLs (https://ec.europa.eu/europeaid/trade-study-2015_en). Het beleid is echter niet beperkt tot deze drie coherentie onderwerpen. Zoals eerder aangegeven werkt Nederland ook aan migratie en ontwikkeling, klimaatverandering en patenten en de toegang tot betaalbare medicijnen in relatie tot het TRIPS-verdrag.

De OESO ontwikkelt modules voor coherent beleid op de thema’s groene groei, illegale financiële stromen, voedselzekerheid en voor beleidscoherentie voor duurzame ontwikkeling. Een module geeft een overzicht van het beleidsthema en een nuttige vragenlijst om inzicht te krijgen in de coherentieaspecten van het beleid op dit thema, welke doelen het beleid coherenter maken, hoe het beleid georganiseerd is, de publieke opinie rond een dossier, etc. De projectgroep heeft een dergelijke aanpak bij het stellen van coherentiedoelen en te ondernemen acties zoals beschreven in het antwoord op vraag 51.

53

Hoe gaat Nederland de Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG's) verankeren in EU-beleid tijdens haar aankomend voorzitterschap?

Antwoord:

Na aanname van de Global Goals verschuift de focus nu naar de uitvoering. Het kabinet vindt dat de EU en de lidstaten een leidende rol dienen te vervullen bij de uitvoering van de Global Goals. De Europese Commissie verricht momenteel een mapping-exercitie van het Europese beleid om inzichtelijk te maken waar welke aanpassingen nodig zijn om de Global Goals te realiseren. Implementatie van de Global Goals zal voor de EU een interne en externe dimensie kennen, net zoals dat voor Nederland geldt. Nederland hecht eraan dat de EU de implementatie daadkrachtig oppakt. In dat kader zou Nederland graag zien dat de Europese Commissie reeds voorjaar 2016 een eerste indicatie geeft hoe de EU de implementatie van de Global Goals op zowel extern als intern terrein gaat vormgeven.

54

Wat is het minimum dat Nederland besteedt aan de minst ontwikkelde landen: 0,15 of 0,2% van het BNI?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 57.

55

Op welke wijze wordt gewaarborgd dat bedrijven waarmee samenwerking ter realisering van de SDG's wordt aangegaan niet in verband worden gebracht met risico’s?

Antwoord:

Projectpartners dienen te verklaren dat zij bekend zijn met en handelen naar de OESO-Richtlijnen voor multinationale bedrijven met betrekking tot maatschappelijk verantwoord ondernemen, de ILO-Verklaring inzake fundamentele rechten en principes voor werk en de VN-Conventie over Biologische Diversiteit.

56

Hoe wordt door Nederland aangestuurd op een nieuwe ODA-definitie waarbij er sterke focus is op de allerarmste en fragiele landen? Zijn er landen die Nederland hierin steunen? Zo ja, welke? En hoe zou wat Nederland betreft zo'n ODA definitie met focus op de allerarmsten er concreet uit zien? En wil Nederland zich ook inzetten om ODA-vervuiling, zoals het toerekenen van de kosten voor eerstejaarsopvang asielzoekers, in de nieuwe ODA-definitie te voorkomen?

Antwoord:

Een sterke focus op de armste landen is een van de prioriteiten van de Nederlandse inzet in OESO-DAC bij de hervorming van de ODA-definitie. Nederland wordt daarin gesteund door onder andere de landen in de zogenaamde Nordic+ groep: Zweden, Finland, Denemarken, Noorwegen, IJsland, Ierland en het VK. Tijdens de High Level Meeting van DAC in 2014 zijn de DAC-leden overeengekomen hun ontwikkelingssteun zoveel mogelijk te richten op de armste en meest fragiele landen en de dalende trend van ODA aan de Minst Ontwikkelde Landen tegen te gaan. Om de inzet op deze landen te maximaliseren, is Nederland o.m. voorstander van het inkorten van de DAC-landenlijst, zodat hogere middeninkomenslanden (zoals China en Brazilië) niet langer voor ODA kwalificeren. Hiervoor is vooralsnog beperkte steun binnen DAC. In lijn met de uitkomsten van HLM 2014, is DAC in haar peer reviews ook begonnen de inzet van DAC-leden op MOLs af te zetten tegen de VN ODA doelstelling van 0,15–0,20% BNP voor MOLs. Daarnaast zet Nederland zich in om de inspanningen richting MOLs beter in kaart te brengen.

Het rapporteren als ODA van in-donor-costs (binnenlandse kosten) gemaakt voor de opvang van vluchtelingen is toegestaan gedurende de eerste twaalf maanden van het verblijf van vluchtelingen in het gastland. Nederland heeft binnen DAC gepoogd om de discussie over in-donor-costs te openen, maar daar blijkt, zeker met betrekking tot de eerstejaarsopvang van vluchtelingen, geen steun voor.

57

Hoeveel procent van het BNI besteedt Nederland precies aan ODA-gelden voor de minst ontwikkelde landen?

Antwoord:

De OESO berekent ieder jaar dit percentage voor de lidstaten. De OESO neemt echter niet alle uitgaven van de lidstaten mee, zoals uitgaven via NGO’s en centraal gefinancierde programma’s die in meerdere landen worden uitgevoerd. De daadwerkelijke inzet van Nederland op de minst-ontwikkelde landen was in 2013 0,25% en in 2014 0,24% van het BNI.

58

Hoe geeft u uw voornemen om bij te dragen aan uitbanning van extreme armoede vorm binnen uw ministerie? Wat doet u om te voorkomen dat gemarginaliseerde groepen -die tot op heden niet of nauwelijks bereikt werden- wel bereikt worden? Hoe borgt u de aandacht voor inclusie van deze groepen binnen alle BuHa-OS-programma’s binnen uw ministerie?

Antwoord:

De Kamerbrief Inclusieve Ontwikkeling in de Nederlandse programma’s en projecten die het kabinet op 28 september jl naar uw Kamer stuurde analyseert de uitdagingen bij de uitbanning van extreme armoede, met name de toegenomen ongelijkheid en hardnekkige uitsluiting van mensen van deelname in de economie, politiek en samenleving. De brief noemt vijf internationaal erkende strategieën om extreme armoede en grote ongelijkheid tegen te gaan: scheppen van werk, ontwikkelen van menselijk en fysiek kapitaal, tegengaan van uitsluiting en discriminatie, herverdeling via belastingen en overdrachten en de opbouw van inclusieve instituties. De brief geeft tal van voorbeelden hoe Nederland reeds op al deze strategieën substantieel bijdraagt. Toch wil het kabinet extra inzetten, gezien de hoge ambities van de 2030 agenda voor duurzame ontwikkeling. Die extra inzet gebeurt in de vorm van een actieplan van 20 punten. Deze 20 punten richten zich op het inbouwen van aandacht voor inclusief beleid binnen programma’s als FLOW (Funding Leadership and Opportunities for Women), Dutch Good Growth Fund, Samenspraak en Tegenspraak en de nieuwe SRGR-programma’s. Daarnaast worden specifieke initiatieven genomen op het gebied van werkgelegenheid, toegang tot betaalbare medicijnen, verzekeringen en vangnetten voor kwetsbare groepen. Nederland gaat ook de dialoog met overheden in partnerlanden intensiveren om te bereiken dat zij sterker inzetten op het bereiken van de armste groepen. Tenslotte zal Nederland multilateraal bepleiten dat de grote programma’s van gespecialiseerde VN-instellingen en de EU sterker investeren in de armste en moeilijk bereikbare groepen.

59

Welke actie onderneemt u ten aanzien van de risicosectoren waar geen IMVO-convenant tot stand komt en ten aanzien van bedrijven die zich niet aansluiten bij een convenant in hun sector?

Antwoord:

Met alle in de KPMG «MVO sectorrisicoanalyse» genoemde sectoren wordt de discussie gevoerd. Een aantal brancheorganisaties, waarvan één niet in de analyse wordt genoemd, heeft expliciet kenbaar gemaakt te streven naar een IMVO-convenant en bij een aantal andere wordt dat in de komende maanden verwacht. Zoals is toegezegd zal op driekwart van het traject, rond de zomer van 2016, de stand van zaken aan de Kamer geschetst worden en wordt gekeken of verdere actie nodig is.

Het afsluiten van sectorconvenanten gebeurt zoveel mogelijk via brancheorganisaties. Hiermee is de grootst mogelijke groep bedrijven in een sector betrokken. De brancheorganisaties zijn in nauwe samenwerking met de SER ook ondersteund in verdere kennisontwikkeling over het aanpakken van risico’s in hun sector. Hiermee kunnen zij hun leden betrekken bij IMVO in de sector en de totstandkoming van een convenant.

60

U zet erop in om «nieuwe, innovatieve vormen van financiering om meer privaat geld aan te trekken» via samenwerking met ontwikkelingsbanken. Kunt u hier een nadere toelichting op geven met daarin voorbeelden van innovatieve vormen van financiering, de ontwikkelingsbanken die u op het oog heeft en de sectoren waarin al privaat geld wordt gemobiliseerd?

Antwoord:

Het Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingsbeleid is gericht op hulp, handel en investeringen voor ontwikkeling met een grotere rol voor de private sector in innovatieve financiering en inclusieve partnerschappen. Ontwikkelingsbanken spelen hierbij een belangrijke rol. De samenwerking met FMO blijft onverminderd van belang. Zo heeft FMO een belangrijke rol gekregen bij de uitvoering van een nieuwe faciliteit van de Europese Commissie «blended Finance» op het gebied van rurale stroomvoorziening. Sinds 2012 draagt Nederland bij aan het private sector luik van het Global Agriculture and Food Security Program (GAFSP) dat wordt beheerd door de International Finance Corporation (IFC). Onder dit luik worden leningen en garanties verstrekt op concessionele voorwaarden voor private investeringen die kleine boeren bereiken en een hoog ontwikkelingseffect hebben. Een GAFSP voorbeeld: Het bedrijf Mountain Hazelnuts in Bhutan verkoopt hazelnootplanten aan kleine boeren, begeleidt de aanplant en verzorging, en koopt hazelnoten op. Door deze investering zal het inkomen voor 15.000 boeren kunnen verdubbelen. Ook de Aziatische Ontwikkelingsbank heeft een bijdrage geleverd aan dit project. Nederland heeft conceptueel en financieel (met een bijdrage van € 100 miljoen) een belangrijke bijdrage geleverd aan de oprichting van dit private sector luik van GAFSP. GAFSP betreft een revolverend fonds, waarvan de middelen ter beschikking blijven van de donoren. Onder een soortgelijke constructie gaat Nederland bijdragen aan het Global Small and Medium Enterprise Finance Facility, waarbij wordt geïnvesteerd in lokale financiële instellingen die zich in fragiele gebieden richten op leningen aan de midden- en kleinbedrijf. In 2013 en 2014 zijn met EUR 47 miljoen aan donormiddelen voor GAFSP EUR 121 miljoen aan IFC leningen en EUR 227 miljoen aan private investeringsgelden gekatalyseerd.

61

Kunt u, zoals toegezegd in juli, een overzicht sturen van de verplichte en vrijwillige bijdragen aan multilaterale organisaties zoals voor de komende jaren geraamd, inclusief bestaande pledgemomenten?

Antwoord:

Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar de brief die uw Kamer zal toegaan over de Nederlandse bijdragen aan multilaterale organisaties, zoals is toegezegd tijdens het AO Multilaterale Organisaties op 1 juli 2015.

62

U beschrijft verschillende manieren om duurzame en inclusieve groei te stimuleren. Welke rol speelt de rechtsstaatopbouw in ontwikkelingslanden volgens u hierbij? Hoe geeft Nederland hier invulling aan?

Antwoord:

Een goed functionerende rechtsorde, nationaal en internationaal is een basisvoorwaarde voor duurzame en inclusieve ontwikkeling. Het kabinet zet in op een rechtsstaat, die toegankelijk is voor alle burgers en ondernemers, zekerheid biedt ten aanzien van zaken zoals eigendomsrechten en arbeidsrechten en corruptie bestrijdt. Daarbij wordt gewerkt aan capaciteit en kwaliteit van juridische instellingen, «legal empowerment» van burgers en gelijke toegang van iedereen tot rechtssystemen. Het kabinet zet daarbij middelen in op het vergroten van de rechtspositie van achtergestelde groepen via o.a. United Nations Development Program (UNDP) en de International Development Law Organisation (IDLO) die met centra voor juridische bijstand, training van (para) juridische staf en capaciteitsversterking o.a. de rechtstoegang van vrouwen en etnische minderheden versterken.

Een duidelijke stem van burgers die hun overheid verantwoordelijk houden is ook onderdeel van de rechtsstaat. De 25 Strategische Partnerschappen onder het programma Samenspraak en Tegenspraak richten zich expliciet op het versterken van lokale maatschappelijke organisaties die opkomen voor achtergestelde groepen en inclusief beleid. Buiten het kader van deze 25 partnerschappen ontvangen FNV, CNV, IDH en Schone Kleren Campagne steun voor versterking van arbeidsrechten en worden via de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) arbeidsinspecties in ontwikkelingslanden versterkt. Het kabinet is gecommitteerd aan het Addis Tax Initiative (zie ook beantwoording vraag 10) en zet in op verdere versterking van belastingbeleid en belastingdiensten in ontwikkelingslanden en integriteit van het financiële stelsel, o.a. via bilaterale technische assistentie op belastinggebied en steun aan het OECD Tax Inspectors without Borders Programma en IMF assistentie zoals AFRITACS en het Tax Policy Administration Topical Trust Fund.

63

Hoe borgt u binnen uw beleid voor duurzame en inclusieve groei dat extreme armen, «the bottom of the pyramid» (armste 5%) ook meegenomen worden?

Antwoord:

Binnen de Nederlandse programma’s wordt al gefocust op armste groepen. Nederlandse programma’s voor waterbeheer bijvoorbeeld ondersteunen veelal juist de armste gezinnen. Water- en sanitatie programma’s zijn deels gericht op het platteland en arme wijken van steden. Speciale interventies zijn opgezet voor de armste groepen. Nederland steunt programma’s met het bedrijfsleven voor het ontwikkelen van de markt voor «the bottom of the pyramid». Het bereiken van de allerarmste 5% kan Nederland niet alleen. Daarom bevat het Actieplan voor Inclusieve Ontwikkeling, dat genoemd is in het antwoord op vraag 58, een aantal acties om in multilateraal verband te in te zetten op het bereiken van de allerarmste groepen.

In VN-verband spant Nederland zich in voor realisatie van de belofte in de 2030 Agenda voor Duurzame Ontwikkeling dat niemand achtergelaten wordt en dat ernaar gestreefd wordt de meest achtergebleven groepen het eerst te bereiken (Leave No One Behind). Nederland zal de voortgang hierop nauwlettend volgen en stimuleren. Ook gaat Nederland er op toezien dat de gespecialiseerde VN-organisaties bij de uitvoering van de global goals gericht middelen inzetten om de armste groepen te bereiken. Nederland geeft extra steun aan het Energy Sector Management Assistance Programme (ESMAP) van de Wereldbank. Doel is dat de gelden die vrijkomen bij de afschaffing van subsidies op fossiele brandstoffen worden gebruikt voor vangnetten voor de armste groepen. Nederland gaat bij de investeringen van het Green Climate Fund nauwlettend erop toezien dat het fonds daadwerkelijk ten goede komt aan de armsten.

64

Hoe besteedt u bij het scheppen van goede banen voor jongeren aandacht aan arbeidsparticipatie van jongeren met een beperking?

Antwoord:

Jongeren met een beperking vormen geen aparte doelgroep in de inzet gericht op (de ondersteuning van) het scheppen van banen. Het bevorderen van inclusieve ontwikkeling wordt breed nagestreefd, en vraagt om structurele aandacht voor uitgesloten groepen. Onderdeel van de Nederlandse inspanning is steun voor maatschappelijke actoren die zich inzetten voor inclusief beleid. De strategische partnerschappen onder het programma Samenspraak en Tegenspraak richten zich bijvoorbeeld expliciet op het versterken van lokale maatschappelijke organisaties die opkomen voor achtergestelde groepen en het bepleiten van inclusief beleid. Het begin 2016 te lanceren VOICE fonds zal zich richten op het versterken van de capaciteit van de meest gemarginaliseerde en gediscrimineerde groepen.

65

Hoe wilt u precies het klimaat voor gendergelijkheid, de rechten van vrouwen en meisjes en de rol van vrouwen bij vrede en veiligheid verbeteren? Op welke termijn verwacht u de resultaten?

Antwoord:

Voor duurzame verbetering van rechten en kansen van vrouwen en rechtvaardige verdeling van de macht is structurele transformatie nodig van de normen, wetten en instituties in een samenleving. Een lange-termijn inzet op verschillende niveaus is nodig om dit proces te stimuleren. Nederland doet dit via de driesporenbenadering van genderintegratie, eigenstandige genderprogramma’s en genderdiplomatie. Naast de integratie van vrouwenrechten en gendergelijkheid in de verschillende beleidsterreinen (buitenlandsbeleid, veiligheidsbeleid en ontwikkelingssamenwerking) is er het programma ter ondersteuning van maatschappelijke organisaties voor vrouwenrechten en gendergelijkheid. Via instrumenten als Funding Leadership Opportunities of Women (FLOW) en het Nationaal Actieplan 1325 wordt bijgedragen aan de preventie van geweld tegen vrouwen, het vergroten van de politieke participatie van vrouwen en hun rol bij vrede en veiligheid, alsook het versterken van de economische positie van vrouwen. Tenslotte is de Nederlandse diplomatieke inzet op multilateraal, bilateraal en civilateraal niveau cruciaal om normatieve kaders te scheppen, implementeren en monitoren en om respect en naleving van vrouwenrechten te bevorderen.

66

Hoe neemt u in uw beleid voor vrouwenrechten en gendergelijkheid de uiterst kwetsbare groep van vrouwen met een beperking mee?

Antwoord:

Vrouwen met een beperking vormen geen specifieke doelgroep van het beleid voor vrouwenrechten en gendergelijkheid. Inclusiviteit is leidraad voor het hele beleid voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en heeft tot doel te zorgen dat de meest kwetsbare groepen niet uitgesloten worden. Met het doel de capaciteit van deze groepen te versterken zijn in het kader van Samenspraak en Tegenspraak het Voice fonds in het leven geroepen. Organisaties die zich inzetten voor vrouwen met een beperking kunnen meedingen naar subsidie uit dit fonds. Daarnaast is het Actieplan voor inclusieve ontwikkeling en groei grotendeels gericht op het scheppen van werk en inkomsten voor kansarme vrouwen en jongeren in Afrika.

De 2030 Agenda voor Duurzame Ontwikkeling bevat de toezegging dat niemand achtergelaten wordt. In deze agenda wordt het streven uitgesproken om de meest achtergebleven groepen het eerst te bereiken (Leave No One Behind). Nederland pleitte bij de afspraken over monitoring met succes voor een focus op de armsten en meest behoeftigen en zal dit blijven doen.

67

Wat wordt precies het beleid om ervoor te zorgen dat de arbeidsomstandigheden in de textielsector verbeteren? Wat verstaat u onder beter loon? Vindt u dat werknemers in de textielindustrie van een fulltime salaris primaire levensbehoeften (bed-bad-brood) moeten kunnen betalen?

Antwoord:

Samen met overheden, bedrijven en ngo’s ondersteunt Nederland het belang van betere arbeidsomstandigheden wereldwijd. Binnen Nederland ondersteunt het kabinet het huidige IMVO-convenantenproces waarbij het Nederlandse bedrijfsleven en andere stakeholders streven naar afspraken binnen hun productieketen, waaronder die van textiel, over de aanpak van specifieke MVO risico’s. Verbetering van arbeidsomstandigheden is in dit traject een belangrijk onderdeel. Het kabinet steunt via de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) capaciteitsversterking van publieke arbeidsinspecties in de textielsector in landen als Bangladesh, Pakistan en Vietnam. De bevordering van betere arbeidsomstandigheden en leefbaar loon in de textielindustrie van de productielanden is ook een belangrijk onderdeel in de programma’s met IDH, Solidaridad, Fair Wear Foundation, Schone Kleren Campagne en FNV/CNV. Daarnaast organiseert Nederland een Leefbaar Loon conferentie in Pakistan in 2016 (in opvolging van de Leefbaar Loon Conferentie in Berlijn in 2013). Nederland trekt in haar activiteiten waar mogelijk op met andere EU lidstaten, onder andere via het toekomstige EU Garment Initiative. Leefbaar loon is een belangrijk onderdeel van de OESO-richtlijnen. Nederland loopt voorop in het agenderen hiervan en hanteert de OESO-definitie van leefbaar loon. Realiteit is dat het minimumloon hier vaak ver onder ligt. Werknemers moeten met een voltijdsbaan met redelijke werktijden, dus zonder structureel overwerk, niet alleen in hun primaire levensbehoeften kunnen voorzien, maar ook toegang tot gezondheidszorg kunnen financieren en hun kinderen naar school kunnen sturen.

68

In welke landen worden de arbeidsomstandigheden en lonen precies gecontroleerd?

Antwoord:

De productielanden zelf zijn de eerstverantwoordelijke om de arbeidsomstandigheden en lonen in deze landen te controleren. Nederland draagt bij aan een aantal concrete verbetertrajecten, onder andere via ILO programma’s zoals Better Work. Dit programma opereert in de textielsector in Cambodja, Bangladesh, Vietnam, Indonesië, Myanmar, Haïti, Lesotho en Jordanië. Met Nederlandse steun zetten ook IDH, Solidaridad en de Fair Wear Foundation zich in voor verbetering van arbeidsomstandigheden in de textielsector in Vietnam, Pakistan, Bangladesh, Cambodja, Ethiopië, India, Indonesië, China en Myanmar.

69

Wat gaat het kabinet doen om Nederlandse bedrijven te stimuleren om slaafvrije kleding te verkopen? Wat gaat het kabinet doen om het Nederlandse volk te stimuleren om slaafvrije producten te kopen? Wat gaat het kabinet doen om ervoor te zorgen dat Nederlanders zich bewust worden van de arbeidsomstandigheden en de lonen van o.a. de werknemers in de textielsector?

Antwoord:

Om schendingen in hun productieketen op het gebied van arbeidsomstandigheden zoveel mogelijk te voorkomen verwacht het kabinet van Nederlandse bedrijven dat zij handelen volgens de OESO richtlijnen, Het kabinet spreekt Nederlandse bedrijven aan op hun verantwoordelijkheid risico’s in hun productieketen in kaart te brengen en ondersteunt hen hierbij via de nog te sluiten MVO-convenanten. Via eerdergenoemde programma’s met IDH, Solidaridad, Fair Wear Foundation en Schone Kleren Campagne zet het kabinet in op leefbaar loon in ontwikkelingslanden, evenals via het vakbondsmedefinancieringsprogramma met FNV/CNV.

Nederland steunt en draagt bij aan het EU Garment Initiative waar consumer awareness één van de prioritaire thema’s is. Uitgangspunt hierbij is dat consumenten met hun koopgedrag een verschil kunnen maken. Tevens zijn IDH en Solidaridad aangesloten bij de Sustainable Apparel Coalition, een samenwerkingsverband van partijen in de textiel- en schoenensector die meer dan een derde van de wereldwijde export van kleding vertegenwoordigt. Veel grote, waaronder ook Nederlandse, merken zijn hier lid van. Deze coalitie stimuleert via de Higg Index bedrijven om richting de consument transparant te zijn over de verduurzaming van hun productieketen. Deze index is een gestandaardiseerde meetmethode die het mogelijk maakt voor producenten en internationale merken om in een wereldwijde databank te rapporteren over de sociale en milieu impact van het maken en verkopen van kleding, schoenen en huishoudtextiel. In het Plan van Aanpak Verduurzaming van de Nederlandse textielsector is afgesproken dat de brancheorganisaties hun leden ondersteunen bij het informeren van de consument over de herkomst van kleding en textiel.

70

Op welke inzet en welk succes voor betere arbeidsomstandigheden en lonen in de textielsector na de ramp in Rana Plaza in Bangladesh wordt gedoeld?

Antwoord:

Na de ramp in Rana Plaza is het ILO publieke inspectieprogramma tot stand gekomen met steun van Nederland, VK en Canada ter bevordering van veilige arbeidsomstandigheden in de Bangladeshi kledingsector. Als onderdeel van dit programma zijn 200 extra arbeidsinspecteurs aangesteld (een verviervoudiging van het aantal inspecteurs), waarvan 20% vrouw is. Ook ondersteunt Nederland het private inspectie-initiatief van Accord, waar veel Nederlandse en andere Europese kledingmerken bij zijn aangesloten. Dankzij de gezamenlijke inspanningen van de publieke en private inspectie-initiatieven zijn vrijwel alle export georiënteerde kledingfabrieken in Bangladesh geïnspecteerd. Tot slot heeft Nederland een studie gefinancierd naar leefbaar loon in de Bangladeshi textielsector. Deze studie heeft de discussie over lonen mede gevoed die in december 2013 geleid heeft tot een verhoging van het minimumloon in de Bangladeshi kledingindustrie met meer dan 70%.

71

Wanneer en op welke wijze heeft u voor het laatst geprobeerd om dierenwelzijn erkend te krijgen als non-trade concern in WTO-verband, wat was daarvan het resultaat en op welke wijze gaat u komend jaar hiermee aan de slag?

Antwoord:

Aan het begin van de Doha-ronde heeft de EU, mede op verzoek van de Nederlandse regering, een voorstel gedaan om dierenwelzijn erkend te krijgen als non-trade concern. De WTO-onderhandelingsagenda wordt bepaald door alle WTO-leden in unanimiteit en het voorstel is op dat moment helaas niet overgenomen. Tot de huidige agenda is afgerond is er bij WTO-leden geen steun om onderhandelingen over nieuwe onderwerpen op te starten.

Parallel onderhandelt de EU bilateraal met een groot aantal landen over vrijhandelsverdragen. In dat kader heeft Nederland succesvol aangedrongen op opname van dierenwelzijnsoverwegingen in het onderhandelingsmandaat van de Commissie. Dit was bijvoorbeeld het geval voor TTIP en het associatieverdrag met Oekraïne.

72

Wat is de stand van zaken in de onderhandelingen over het Green Goods Initiative, Information Technology Agreement (ITA-II) en Trade in Services Agreement (TiSA)?

Antwoord:

Environmental Goods Agreement

Inzake de onderhandelingen voor een Environmental Goods Agreement, heeft in oktober in Geneve de 10e onderhandelingsronde plaats gevonden tussen de deelnemende WTO-leden. Op basis van voorstellen vanuit deze landen is intussen flinke voortgang gemaakt om tot een breed gedragen lijst te komen van kansrijke producten op een lijst van groene goederen waarin de handel wordt geliberaliseerd. Het betreft producten in hoofdcategorieën als luchtvervuiling, beheer van afval, hernieuwbare energie en energiebesparing, waterzuivering, geluidsoverlast etc. Voorzien wordt in verdere onderhandelingsrondes in november waarbij gestreefd wordt naar een politiek akkoord over EGA in december tijdens de MC10 in Nairobi.

Information Technology Agreement (ITA-II)

De tariefonderhandelingen over de uitbreiding van het IT-verdrag (ITA-II) binnen de WTO zijn in juli afgerond. Het gesloten akkoord heeft betrekking op meer dan 200 tarieflijnen. Op dit moment vinden nog onderhandelingen plaats over de periodes waarbinnen ieder ondertekenend WTO-lid zijn tarieven naar nul moet hebben afgebouwd. Het kabinet is voorstander van een ambitieus tijdspad, waarbij het presenteren van ITA-II met korte afbouwperiodes als onderdeel van de resultaten van MC10 de inzet is.

Trade in Services Agreement (TiSA)

Van 6 tot 13 oktober heeft de veertiende onderhandelingsronde plaats gevonden in Geneve, onder voorzitterschap van de Verenigde Staten. De Europese Unie zal de vijftiende onderhandelingsronde voorzitten in december, waarbij naar verwachting onder andere aanbesteding en elektronische handel op de agenda zullen staan. Naar verluidt wensen de Verenigde Staten de onderhandelingen nog tijdens de ambtstermijn van President Obama af te ronden. Voor Nederland staat voorop dat het een goed en gebalanceerd akkoord dient te zijn. De onderhandelingen vinden plaats op basis van consensus. Vanwege het grote aantal deelnemende partijen, zijn er op dit moment nog weinig onderdelen waarover overeenstemming is bereikt. Het op dit moment nog niet evident dat afronding van de onderhandelingen voor de zomer van 2016 te realiseren zal zijn.

73

Kunt u aangeven met welke ontwikkelingslanden de EU in 2016 onderhandelt over een handelsakkoord, of de onderhandelingen (mogelijk) mee afsluit? Wordt hierbij de toegang tot medicijnen voor lage en middeninkomens landen geborgd? Blijven TRIPS-flexibiliteiten voor lage en middeninkomenslanden gelden?

Antwoord:

De EU onderhandelt met een grote verscheidenheid aan ontwikkelingslanden over handelsakkoorden. Deze onderhandelingen vinden plaats in zowel bilateraal als regionaal verband. Zo wordt op dit moment met landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS-regio) op regionaal niveau onderhandeld over een Economisch Partnerschapsakkoord. De landen die hieronder vallen zijn Botswana, Ivoorkust, Kiribati, Lesotho, Swaziland, Mozambique, de Marshalleilanden, Micronesië, Samoa, de Solomon eilanden, Tonga, Tuvalu, Vanuatu, Angola, Namibië, de Comoren, Djibouti, Eritrea, Malawi, Sudan, Zambia, Burundi, Kenia, Rwanda, Oeganda, Tanzania, de Centraal Afrikaanse Republiek, Chad, Democratische Republiek Congo, Republiek Congo, equatoriaal Guinea, Gabon, São Tomé en Príncipe, Benin, Burkina Faso, Kaapverdië, Gambia, Ghana, Guinee-Bissau, Liberia, Mali, Mauritanië, Niger, Nigeria, Senegal, Sierra Leone, Togo, Zambia, Zuid-Afrika, Mauritius, Madagaskar, Seychellen, Zimbabwe en Papua Nieuw Guinea.

Met Ecuador wordt onderhandeld in regionaal verband (Andesgemeenschap) onderhandeld. De onderhandelingen met Libië en Marokko worden in Pan-euromediterraans kader onderhandeld. De verwachting is dat deze in 2016 doorlopen en met enkele overeenkomsten afgesloten. Nog niet is bekend welke.

Mogelijk zal in 2016 met de landen in Westelijk, Oostelijk en Zuidelijk Afrika een Economisch Partnerschapsakkoord (EPA) getekend worden.

Met betrekking tot het TRIPS-verdrag zijn flexibiliteiten ingebouwd, die het landen mogelijk maken om in hun wetgeving bescherming en handhaving van intellectuele eigendomsrechten dusdanig in te vullen dat dit past bij de specifieke omstandigheden van hun land. Nederland pleit er voor dat deze TRIPS-flexibiliteiten voor lage- en middeninkomenslanden blijven behouden, zodat zij de minimumeisen voor bescherming van intellectueel eigendom van medicijnen niet hoeven uit te voeren.

74

Zal Nederland als voorzitter in EU-verband dezelfde inzet behouden, met name op het gebied van Harm Reduction en decriminalisering, zoals reeds aangegeven in de Kamerbrief d.d. 9 februari 2015? (DVB/TN – overgenomen van DIE)

Antwoord:

Zoals in de Kamerbrief d.d. 9 februari 2015 is verwoord zal de Nederlandse inzet binnen het volksgezondheidsperspectief met name op harm reduction zijn gericht. Dit thema is opgenomen in de brede EU-inzet voor de UNGASS over drugs. Nederland zal zich als EU voorzitter sterk maken voor een bredere acceptatie en implementatie van harm reduction, waarbij NL rekening houdt met de rol van EU-voorzitter als honest broker. Over decriminalisering van gebruik in brede zin bestaat geen consensus binnen de EU, dit legt grenzen op aan het optreden van Nederland in verband met de rol als EU voorzitter. Wel wordt in de EU-inzet gesproken over proportionaliteit in de strafmaat en alternatieven voor gevangenisstraffen. Dit biedt ruimte voor een actieve houding. De andere Nederlandse prioriteiten zoals verwoord in de Kamerbrief worden in de EU-inzet duidelijk benoemd.

75

Kunt u inzichtelijk maken op welke van de 17 doelen Nederland in het ontwikkelingsbeleid reeds voldoende inspanning levert, op welke gebieden dit nog niet het geval is en op welke gebieden nog onvoldoende gedaan wordt?

Antwoord:

De inspanningen van Nederland op het gebied van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking zijn in lijn met de nota «Wat de wereld verdient» geconcentreerd op 7 prioritaire thema’s: Water, Voedselzekerheid, Veiligheid en Rechtsorde, SRGR, Private Sector Ontwikkeling, Klimaat, Vrouwenrechten en Gendergelijkheid. Elk van deze thema’s sluit aan bij één of meerdere Global Goals. Daarbij heeft het kabinet in de Kamerbrief over Inclusieve Ontwikkeling van 28 september jongstleden aangegeven op welke wijze het Nederlandse ontwikkelingsbeleid de post 2015-agenda ondersteunt en waar het Nederlandse beleid geïntensiveerd wordt, in de vorm van een actieplan voor inclusieve ontwikkeling en groei.

76

Kunt u aangeven voor welke organisaties die onvoldoende functioneren of onvoldoende relevant zijn voor de uitvoering van de beleidsagenda de bijdragen op een lager pitje worden gezet of worden beëindigd? Wat zijn hiervan de financiële gevolgen voor de jaren 2016, 2017 en 2018? Kun u aangeven voor welke organisaties dit geldt? Wat zijn hiervan de financiële gevolgen voor de jaren 2016, 2017 en 2018?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 61.

77

Kunt u toelichten waarom de beleidsdoorlichting op artikel 4.3 «Rechtstaatsontwikkeling, wederopbouw, vredesopbouw, versterkte legitimiteit van democratische structuren en tegengaan van corruptie» in de ontwerpbegroting 2015 gepland stond voor 2015 maar in de ontwerpbegroting 2016 gepland is in 2016?

Antwoord:

Op 15 december 2014 en op 7 januari 2015 heb ik u geïnformeerd over vertragingen bij beleidsdoorlichtingen (TK 2014–2015, 31 271 nr. 15; TK 2014–2015, 34 124, nr. 1). In die brief heb ik aangegeven dat de beleidsdoorlichting vertraging heeft opgelopen door de tijdrovende bespreking van de politiek gevoelige deelresultaten met de betrokken landen, de noodzaak van aanvullend onderzoek en ernstige persoonlijke omstandigheden in het onderzoeksteam. Gegeven genoemde factoren verwacht IOB de doorlichting eind eerste kwartaal 2016 af te ronden. U kunt het rapport dan eind tweede kwartaal 2016 tegemoet zien.

78

Kunt u toelichten waarom beleidsdoorlichtingen op de sub-artikelen 2.3 «Duurzaam gebruik natuurlijke hulpbronnen, tegengaan van klimaatverandering en vergroten van de weerbaarheid van de bevolking tegen onafwendbare klimaatverandering in ontwikkelingslanden» en 3.2 «Gelijke rechten en kansen voor vrouwen» in de ontwerpbegroting 2015 gepland waren voor 2014 en in de ontwerpbegroting 2016 gepland staan voor 2015? Kunt u toelichting geven op de vertraging van de beleidsdoorlichtingen? Wanneer verwacht u de Kamer de beleidsdoorlichtingen toe te sturen?

Antwoord:

Op 15 december 2014 en 7 januari 2015 heb ik u geïnformeerd over vertragingen bij beleidsdoorlichtingen.(TK 2014–2015, 31 271, nr. 15 en 34 124, nr. 1).

De beleidsdoorlichting Hernieuwbare Energie (beleidsdoelstelling 2.3) heeft vertraging opgelopen door tussentijds vertrek van twee onderzoekers en temporisering van de uitvoering van een van de programma’s in Indonesië. Voor de evaluatie van het Genderbeleid (beleidsdoelstelling 3.2) was aanvullend onderzoek nodig door additionele vragen van de referentiegroep en de complexiteit van het onderwerp. Beide beleidsdoorlichtingen zijn afgerond. Rekening houdend met de voorgeschreven procedures voor toezending aan de Tweede Kamer kunt u de beide rapporten in november tegemoet zien. Voor de beleidsdoorlichting Hernieuwbare Energie is dat ook voor de CoP in Parijs.

79

Kunt u toelichten waarom de beleidsdoorlichtingen op de artikelen 3.1, 3.4 en 5.2 nog niet gepland zijn? Wanneer kunt u de kamer informeren over de vastgestelde planning voor de beleidsdoorlichtingen?

Antwoord:

IOB heeft voor artikel 3 twee beleidsdoorlichtingen afgerond, te weten de SRGR beleidsdoorlichting (3.1, 2013) en de beleidsdoorlichting Gender (3.2, 2015). De beleidsdoorlichting Maatschappelijk middenveld (3.3) is geprogrammeerd voor 2016. Zoals in de begroting is aangegeven lopen dit jaar de verschillende subsidie-instrumenten voor samenwerking met het maatschappelijk middenveld op het terrein van SRGR af. In 2016 start een geïntegreerd kader voor SRGR inclusief hiv/aids, het SRGR Partnerschapsfonds. Planning van een nieuwe beleidsdoorlichting is opportuun na invoering daarvan. Voor de Nederlandse hulp aan het basisonderwijs heeft IOB eind 2011 een beleidsdoorlichting afgerond. Een evaluatie van de hoger onderwijs-programma’s (3.4) zal in 2019 worden uitgevoerd. Het overig armoedebeleid (5.2) bevat uiteenlopende uitgaven, onder meer compensatie van de Wereldbank (IDA) en regionale ontwikkelingsbanken voor schuldverlichting, steun aan verschillende organisaties op het terrein van cultuur en sport. Dit onderdeel leent zich niet goed voor een afzonderlijke beleidsdoorlichting, met uitzondering van Algemene Begrotingssteun, waarvan u in 2012 het rapport hebt ontvangen. IOB heeft daarnaast verschillende malen schuldverlichting geëvalueerd (het laatst de schuldverlichting aan Nigeria in 2011). Het ministerie heeft recent de steun aan het Prins Clausfonds geëvalueerd.

80

Uit de begroting blijkt dat er in 2016 minder geld wordt uitgegeven aan ontwikkelingssamenwerking. Dit terwijl de verwachting is dat hier meer geld voor nodig is. Waarom is deze keuze gemaakt?

Antwoord:

Het budget voor ontwikkelingssamenwerking neemt meerjarig af als gevolg van afspraken die bij het aantreden van het kabinet Rutte II zijn gemaakt. In het Regeerakkoord is een taakstelling op ontwikkelingssamenwerking vastgelegd van jaarlijks EUR 750 miljoen in de periode 2014–2016 oplopend naar EUR 1 miljard vanaf 2017. Overigens beslaat de BH&OS-begroting niet alleen het volledige budget voor ontwikkelingssamenwerking. Ook andere departement hebben ODA-uitgaven. Op pagina 35 van de HGIS-nota 2016 vindt u de opbouw van de totale ODA-uitgaven in de periode 2015–2018.

81

Kunt u toelichten waarom de eindejaarsmarge 2014 van het DGGF in 2017 wordt ingezet? Waarom is de eindejaarsmarge van het DGGF niet eerder verdeeld?

Antwoord:

De EUR 18 miljoen eindejaarsmarge wordt in 2017 ingezet omdat de liquiditeitsbehoefte pas vanaf 2017 ontstaat.

Zie in dit verband het antwoord op vraag 115 waarin een toelichting is opgenomen op het budget en een mogelijke aanpassing van het kasritme in de meerjarenbegroting is opgenomen.

82

Hoe verhoudt het gestelde in de voetnoot onder de tabel Meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen zich tot hetgeen u aan de Kamer heeft gemeld in uw brief van 12 april 2013 (Kamerstuk 31 271, nr. 10)? Wat is de reden dat het inhoudelijk tot nu toe niet mogelijk is gebleken om beleidsdoorlichtingen van één geheel beleidsartikel uit te voeren?

Antwoord:

Een beleidsdoorlichting bestrijkt in principe een heel beleidsartikel, maar kan ook een substantieel en samenhangend deel van een beleidsartikel omvatten. In de genoemde brief van 12 april 2013 heb ik aangegeven dat de inspectie het beleid op het niveau van substantiële en samenhangende delen van een beleidsartikel ofwel beleidsdoelstelling doorlicht wanneer het begrotingsartikel te heterogeen is qua beleidsdoelstellingen en instrumenten. Bij een doorlichting op artikelniveau dreigt dan het gevaar dat door een te hoog abstractieniveau conclusies algemeen blijven, niet getoetst kunnen worden en nauwelijks handvatten bevatten voor beter beleid. In die gevallen doet een doorlichting op artikelniveau geen recht aan de verantwoordingsfunctie, terwijl het ook lastig zal zijn om lessen te trekken uit de beleidsdoorlichting.

83

Kunt u een toelichting geven op de extra middelen die in 2015 zijn vrijgemaakt voor opvang in de regio? Worden deze extra middelen gevonden door verhogingen van het budget uit komende jaren naar dit jaar te halen? In hoeverre neemt de Minister hiermee een risico voor komende jaren?

Antwoord:

In 2015 is EUR 110 miljoen extra beschikbaar gesteld voor opvang in de regio. Deze middelen zijn gevonden door groei van de ODA-begroting in 2016 en 2020, als gevolg van hogere ramingen van de BNI-groei in deze jaren, naar voren te halen. Voor 2016 en 2020 zijn als gevolg van deze kasschuif minder middelen beschikbaar binnen de ODA-begroting.

84

Hoe groot zijn de reserves van de onderdelen 1. (RVO nl) en 3. (Atradius)?

Antwoord:

De stand van de begrotingsreserve voor de onderdelen 1 (Investeren NL MKB, uitgevoerd door RVO.nl) en 3 (Exporteren NL MKN, uitgevoerd door Atradius DSB) bedraagt per oktober 2.015 EUR 17 miljoen.

85

Hoe wordt gewaarborgd dat Nederlands overheidsgeld niet direct of indirect bijdraagt aan schendingen van milieu- en mensenrechten (via bijvoorbeeld FMO of Exportkredietverzekeringen)?

Antwoord:

In het algemeen gelden de OESO-richtlijnen voor alle door ons ondersteunde, verzekerde en/of gefinancierde projecten als maatgevend. Nederlandse bedrijven die meegaan op een handelsmissie zijn verplicht te onderschrijven dat zij op de hoogte zijn van, en handelen naar de OESO richtlijnen. Als blijkt dat bedrijven zich hier niet aan houden, zal de Nederlandse overheid in gesprek gaan met het betreffende bedrijf en vragen naar een verbeterplan.

Indien bedrijven geen medewerking hieraan verlenen en geen blijk van verbetering kunnen laten zien worden zij uitgesloten van deelname aan (volgende) missies. De OESO richtlijnen gelden voor alle sectoren. Om er voor te zorgen dat de kaders voor MVO zo helder mogelijk zijn worden de deelnemende bedrijven voorafgaand aan een missie voorgelicht over de maatschappelijke risico’s die internationaal ondernemen met zich mee brengt. In het kader van de multistakeholder aanpak wordt het maatschappelijk middenveld hierin zo actief mogelijk betrokken. Na afronding van een missie wordt in de rapportage van economische missies aan de Tweede Kamer uiteengezet hoe het maatschappelijk middenveld betrokken is geweest bij de missie en op welke manier en op welke momenten invulling is gegeven aan IMVO.

Voor exportkredietverzekeraars is in OESO verband een richtlijn opgesteld voor de IMVO beoordeling van exporttransacties, de zogenaamde «OECD Recommendation on Common Approaches for officially supported export credits and environmental due diligence». Deze Common Approaches bieden een kader waar exportkredietverzekeraars transacties aan moeten toetsen op gebied van MVO, alsmede afspraken omtrent monitoring, transparantie en rapportage. De Common Approaches zijn verder uitgewerkt in Nederlands beleid voor de milieu- en sociale beoordeling ten behoeve van de exportkredietverzekering. Atradius Dutch State Business geeft uitvoering aan dit beleid. Voor afgifte van een exportkredietverzekering wordt een risicobeoordeling uitgevoerd. Deze bestaat uit een financiële risicobeoordeling en een milieu- en sociale risicobeoordeling, waarvan mensenrechten en dierenwelzijn expliciet onderdeel uitmaken. Daarnaast moeten alle Nederlandse bedrijven die een exportkredietverzekering aanvragen een inspanningsverklaring ondertekenen waarin ze verklaren zich te houden aan de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen. Als er sprake is van onaanvaardbare risico’s dan wordt er geen steun verstrekt door middel van een exportkredietverzekering.

Voor de praktische invulling van deze toets wordt gebruik gemaakt van de IFC performance standards en relevante IFC EHS (sector) Guidelines van de Wereldbank. De IFC Performance Standards benadrukken het belang van due diligence op het gebied van mensenrechten en schrijven consultaties met de getroffen gemeenschappen voor. Ook de OESO-richtlijnen schrijven voor dat betekenisvolle consultaties met mogelijk getroffen groepen en andere stakeholders onderdeel moeten vormen van het due diligence - proces. Mede op basis van deze richtlijnen vraagt FMO van haar klanten om effectrapportages op te stellen om milieu, sociale en mensenrechtenimpacts van hun activiteiten inzichtelijk te maken. Als een effectrapportage niet is uitgevoerd op het moment dat FMO een transactie overweegt wordt de klant hierin ondersteund. Een Environmental and Social Impact Assessment (ESIA) voor een project met potentiele impact op mensenrechten zal een toets van de IFC Performance Standards niet doorstaan zonder dat een mensenrechten-effectrapportage daarin is geïntegreerd.

86

Hoeveel procent van het Europees Ontwikkelingsfonds wordt uitgegeven aan begrotingssteun? Kunt u dat uitsplitsen naar algemene begrotingssteun en sectorale begrotingssteun?

Antwoord:

Op 9 februari 2015 is uw Kamer geïnformeerd over Europese begrotingssteun en de uitsplitsing over verschillende modaliteiten: algemene begrotingssteun (ABS), sectorale begrotingssteun (SBS) en stabiliteitssteun aan fragiele staten (Kamerstuk 21 501-04, nr. 168). Dit op basis van een evaluatie van de Europese Commissie die mede op verzoek van Nederland tot stand was gekomen.2 Dit rapport betrof overigens niet alleen de fondsen uit het Europees Ontwikkelingsfonds maar alle EU ontwikkelingsgelden.

Uit het rapport bleek dat de gevolgen van de nieuwe begrotingssteunrichtlijnen duidelijk zichtbaar zijn. De nieuwe richtlijnen waren mede het resultaat van de Nederlandse inzet voor een striktere, meer politieke benadering voor het verstrekken van begrotingssteun door de EU. Aan het eind van 2013 was EUR 10,8 miljard gecommitteerd aan 256 begrotingssteunprogramma’s in 84 landen. Hiervan was 13 procent ABS, waarvan 5 procent via nieuwe Good Governance and Development Contracts (de overige algemene begrotingssteun dateert van vóór de nieuwe richtlijnen). Daarnaast was 83 procent SBS en 4 procent stabiliteitssteun via State Building Contracts (SBCs). Hiermee is een duidelijke verschuiving van ABS naar SBS waar te nemen, zoals op grond van de nieuwe richtlijnen te verwachten was en door het kabinet als wenselijk wordt beschouwd. Begrotingssteun is en blijft een belangrijk instrument voor de EU. Hoewel de uitgaven in 2013 zijn gedaald ten opzichte van eerdere jaren, is het aandeel begrotingssteun van de totale ODA-uitgaven van de EU nagenoeg gelijk gebleven: 22 procent. Het kabinet blijft van mening dat EU-begrotingssteun alleen effectief kan zijn als deze vergezeld gaat van een stevige dialoog en concrete maatregelen om risico’s te beperken. Dan kan de EU impact hebben. Nederland zal er daarom op blijven toezien dat de opportuniteit van EU-begrotingssteun in zijn politieke context wordt beoordeeld en dat de criteria worden nageleefd. In november 2015 zal de Europese Commissie een nieuw jaarlijks rapport over de uitgaven van het Europees Ontwikkelingsfonds presenteren. Zodra dit rapport gepubliceerd is, zal ik uw Kamer hierover informeren.

87

Hoeveel geld gaat er komend jaar naar het Initiatief Duurzame Handel (IDH), en op welke wijze en aan welke projecten wordt dat uitgegeven?

Antwoord:

De Nederlandse bijdrage aan IDH komt in 2016 uit op EUR 26,7 miljoen. IDH heeft verschillende budgetlijnen, te weten: programma’s direct gericht op ketenverduurzaming, studie en onderzoek naar succesvolle business cases en de verbetering van dienstverlening en organisatiekosten (4% overhead).

In 2016 investeert IDH in verduurzaming van 11 sectoren (thee, katoen, koffie, tropisch hout, cacao, soja, palmolie, vers & ingrediënten (o.a. bloemen, groente, fruit, specerijen), aquacultuur, pulp & papier, en textiel). Daarnaast heeft IDH cross-sectorale programma’s op het gebied van innovatieve financiering en duurzame landschappen. In de sectoren tin, elektronica en natuursteen wordt gewerkt aan een exit voor IDH in 2016.

IDH brengt publieke en private partijen bij elkaar om te werken aan schaalbare oplossingen voor duurzaamheidsuitdagingen die door de private sector kunnen worden geïncorporeerd. IDH beschikt over een uitgebreid netwerk binnen het bedrijfsleven en maatschappelijk middenveld.

Voor de periode 2016–2020 heeft IDH een viertal impactdoelen gesteld. De projecten die in eerdergenoemde programma’s worden gefinancierd, dienen hieraan bij te dragen.

  • In de thee, koffie, cacao, katoen en vers & ingrediënten programma’s, wil IDH een verbetering leveren aan zogenaamde «smallholder inclusion», door kleine boeren te helpen een agrarisch familiebedrijf te ontwikkelen. IDH verkent effectievere aanpakken om productiviteit te bevorderen en leefomstandigheden te verbeteren. Gendergelijkheid, voornamelijk in rurale gebieden, speelt hierbij een belangrijke rol. In koffie en cacao in het bijzonder wordt gefocust op de rol van de vrouw voor het verbeteren van de financiële omstandigheden van het gezin.
  • IDH heeft als doel ontbossing te mitigeren en te reduceren in relatie tot de uitbreiding van grondstofketens als palmolie, pulp & papier, soja, tropisch hout, thee en cacao. IDH ondersteunt de sector bij het ontwikkelen van ontbossingsvrije grondstofketens in lijn met het Initiative for Sustainable Landscapes (ISLA).
  • In de thee, katoen, textiel en vers & ingrediënten sectoren werkt IDH met de industrieën aan het verbeteren van de arbeidsomstandigheden in de productieketens. De nadruk ligt hierbij op leefbaar loon, gendergelijkheid, gezondheid en veiligheid.
  • In de thee, katoen, vers & ingrediënten en koffie programma’s, zal IDH de industrieën ondersteunen om partnerschappen te ontwikkelen, met lokale autoriteiten en stakeholders, die moeten bijdragen aan minder en beter gebruik van bestrijdingsmiddelen.

88

Hoeveel geld draagt Nederland bij aan de Round Table on Responsible Soy (RTRS)?

Antwoord:

Er is geen financiële bijdrage aan de Round Table on Responsible Soy (RTRS) en de Roundtable on Sustainable Palm Oil (RSPO). Nederland neemt als waarnemer deel aan de vergaderingen van RTRS en RSPO. Een aantal NGO's zoals Wereld Natuur Fonds, Oxfam, Both Ends en Solidaridad speelt een actieve rol in de ronde tafels. Het Initiatief Duurzame Handel werkt met beide tafels nauw samen, vanwege de duurzaamheidsstandaard en de platform-functie voor verdere verduurzaming.

89

Hoeveel geld draagt Nederland bij aan de Roundtable on Sustainable Palm Oil (RSPO)?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 88.

90

Hoeveel fte wordt er ingezet bij de onderhandelingen over het vrijhandelsakkoord tussen de EU en de VS (TTIP) en wat kost dit?

Antwoord 90 en 91:

Het kabinet legt verantwoording af over de beoogde of behaalde resultaten van zijn beleid, en informeert de Staten-Generaal hierover. Voor wat betreft het Transatlantic Trade and Investment Partnership (TTIP) voer ik dan ook regelmatig overleg met uw Kamer over de inzet van het kabinet en de stand van de onderhandelingen, zoals recentelijk nog op 7 oktober jl. Een gedetailleerde opgave van de inzet van de ambtelijke capaciteit voor TTIP, evenals voor andere handels- en investeringsakkoorden, valt niet eenvoudig te maken, omdat dergelijke akkoorden veel verschillende beleidsdossiers beslaan en derhalve een wisselend beroep wordt gedaan op de expertises van diverse medewerkers. Precieze beantwoording zou ook onderzoek vereisen wat kosten met zich zou meebrengen en dat kan lang duren.

91

Hoeveel fte wordt er ingezet bij alle onderhandelingen over handels- en investeringsverdragen en wat kost dit?

Antwoord:

Zie vraag 90

92

Welke handelsmissies worden er volgend jaar afgelegd?

Antwoord:

Aan de kabinetsagenda voor economische missies in 2016 wordt op dit moment nog gewerkt. Reeds voorzien zijn missies naar Cuba, Frankrijk, Duitsland en VS.

93

Wat heeft het Dutch Good Growth Fund (DGGF) tot dusver opgeleverd aan investeringen?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 17.

94

Kan een overzicht worden gegeven van welke bedrijven een beroep op het DGGF hebben gedaan en van de resultaten die dit heeft opgeleverd?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 17.

95

Wat is de stand van zaken met betrekking tot het Vrijhandelsakkoord met Japan en op welke wijze en tijdstippen wordt in de onderhandelingen daarover aandacht besteed aan de walvisjacht en de dolfijnslachtingen van Japan?

Antwoord:

Sinds maart 2013 onderhandelen de Europese Unie en Japan over een handelsverdrag. Van 26 tot 30 oktober jl. vond in Brussel de dertiende onderhandelingsronde plaats. In een gezamenlijk statement tijdens de EU-Japantop van 29 mei jl. spraken beide partijen de wens uit de contouren van het akkoord eind 2015 gereed te hebben. Gezien het grote aantal geschilpunten tussen de EU en Japan is het op dit moment onwaarschijnlijk dat dit gerealiseerd gaat worden. De afronding van de onderhandelingen over het Trans-Pacifisch Partnerschap (een handelsakkoord tussen de Verenigde Staten en elf andere staten aan de Grote Oceaan, waaronder Japan) en de verhoging van de frequentie van onderhandelingsronden kunnen een nieuwe impuls aan de onderhandelingen betekenen. Over een aantal voor Nederland belangrijke onderwerpen is inmiddels overeenstemming bereikt. In het kader van de onderhandelingen heeft Japan in 2014 de markt voor Nederlands kalfsvlees geopend. Ook wordt het eenvoudiger om in Nederland geproduceerde diervoeding in Japan op de markt te brengen, vanwege gezamenlijke afspraken over voeding- en diervoedingsadditieven. Tevens is de procedure voor toelating van medische apparatuur vereenvoudigd. Op andere onderwerpen, zoals aanbestedingen en markttoegang voor de maritieme sector en financiële dienstverleners, is tot op heden er amper voortgang geboekt.

Japan staat tot nu toe afwijzend tegenover een ambitieus hoofdstuk over duurzaamheid en dierenwelzijn. Dit hoofdstuk is voor Nederland belangrijk om de discussie met Japan over de vangst van walvissen en dolfijnen te kunnen voeren. Nederland heeft hier meerdere malen bij de Europese Commissie op aangedrongen. De Europese Commissie heeft de Europese zorgen over het gebrek aan bereidheid van Japan om een ambitieus hoofdstuk over duurzame ontwikkeling in het handelsakkoord op te nemen bij Japan onder de aandacht gebracht. Hierbij is benadrukt dat een handelsakkoord zonder een hoogwaardig duurzaamheidshoofdstuk niet op instemming van het Europese parlement en de lidstaten zal kunnen rekenen. Het kabinet steunt deze daadkrachtige inzet van de Europese Commissie. Tevens is het kabinet van plan tijdens het bezoek van de Minister-President en de Staatssecretaris van Economische Zaken aan Japan in begin november de vangst van walvissen en dolfijnen aan de orde stellen bij de Japanse regering.

96

Kunt u voor alle EU-onderhandelingen voor handelsakkoorden en investeringsverdragen (met de VS, Canada, de Mercosur landen, Japan en China) de exacte stand van zaken en de onderhandelingsmandaten geven?

Antwoord:

VS: TTIP: De 11e onderhandelingsronde heeft van 19 tot 23 oktober 2015 plaatsgevonden in de VS. In de 11e onderhandelingsronde is gesproken over de gehele bandbreedte van het akkoord. Het mandaat van TTIP is op 9 oktober 2014 openbaar gemaakt.

Het akkoord met Canada (CETA) is op 26 september 2014 afgerond en openbaar gemaakt. De juridische revisie is in de afrondende fase. De wenselijkheid van openbaarmaking van het onderhandelingsmandaat is inmiddels meermaals opgebracht, waaronder in het handelspolitiek comité, in COREPER en bij Commissaris Malmström.

Mercosur: Op 1 en 2 oktober jl. hebben de hoofdonderhandelaars van de EU en Mercosur elkaar ontmoet en de ambitie uitgesproken voor het eind van 2015 marktoegangsaanbiedingen uit te wisselen. Hiermee zullen deze onderhandelingen, die sinds oktober 2012 stilliggen, worden hervat. Het mandaat is nog niet openbaar gemaakt.

Japan: Over een handelsakkoord met Japan zijn inmiddels 13 rondes geweest. De laatste ronde vond van 26 tot 30 oktober plaats in Brussel. Het mandaat is nog niet openbaar gemaakt.

China: Op 14-18 september 2015 vond de zevende onderhandelingsronde plaats over het investeringsakkoord met China. De achtste ronde vindt eind november in Brussel plaats. Het mandaat is nog niet openbaar gemaakt.

97

Op welke wijze is het afgelopen jaar de aangenomen motie (Kamerstuk 21501-08-481) over het aangaan van bilaterale gesprekken met Canada over de negatieve ecologische en sociale gevolgen van de winning en het gebruik van teerzandolie uitgevoerd, en op welke wijze gaat u daar komend jaar mee aan de slag?

Antwoord:

In brieven van 5 december 2013 (kamerstuk|04-12-2013) en van 19 november 2014 (Kamerstuk: Kamervragen| 18-11-2014) heeft Staatsecretaris Mansveld kenbaar gemaakt dat ze de zorgen van uw Kamer deelt, en deze ook bij Canada overgebracht heeft. Het onderwerp blijft uiteraard hoog op de agenda staan, en zal bij toekomstige gelegenheden bilateraal op verschillende niveaus aangekaart worden.

98

Welke voorwaarden, bijvoorbeeld op het gebied van mensenrechten, milieu en dierenwelzijn, worden er gesteld aan de exportkredietverzekeringen via Atradius?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 85.

99

U schrijft onder het kopje regisseren: «Het invulling geven aan beleidscoherentie voor buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking door bij beleid vooraf en achteraf te letten op de effecten op ontwikkelingslanden.» Kunt u aangeven in welke ex ante impact assessments de effecten op ontwikkelingslanden zijn onderzocht, van de Economische Partnerschapsakkoorden (EPA's) met Westelijk, Zuidelijk en Oostelijk Afrika, resp. van TTIP? Hoe zal de monitoring achteraf gestalte krijgen?

Antwoord:

Bij de Economische Partnerschapsakkoorden zijn verschillende impact assessments gedaan om de mogelijke gevolgen in kaart te brengen: op sectoraal niveau (o.a. agri-business, toerisme en visserij), op regionaal niveau en op oorsprongsregels. Overkoepelend is een impactassessment op het gebied van handel uitgevoerd («Preliminary Trade SIA of the EU-ACP EPAs»). In de EPA’s zijn daarnaast doorlopende monitoringverplichtingen ingesteld, waaronder vijfjaren evaluaties en de mogelijkheid om evaluaties voor bepaalde sub-onderwerpen uit te voeren. Na inwerkingtreding kan een ex-post evaluatie worden aangevraagd.

Bij TTIP is voorafgaand aan de onderhandelingen een impact assessment gedaan, waar de mogelijke impact van het verdrag op ontwikkelingslanden onderdeel van was. Ook in de Trade and Sustainability Impact Assessment, die nu wordt uitgevoerd voor TTIP, is er aandacht voor de effecten op ontwikkelingslanden. Daarnaast heeft de Nederlandse overheid een apart onderzoek laten uitvoeren door de Rijksuniversiteit Groningen naar de impact van TTIP op lageinkomenslanden, waarvan de resultaten binnenkort naar uw Kamer gestuurd worden. Over de monitoring achteraf moeten nog afspraken gemaakt worden tijdens de onderhandelingen.

100

Wat wordt er concreet met de uitkomsten van de ex-ante en ex-post screenings gedaan, wanneer deze uitwijzen dat Europees of Nederlands beleid schadelijk uitpakt voor lage- en middeninkomenslanden? Zijn er voorbeelden te noemen van dergelijke ex-post screenings? Aan de hand van welke indicatoren zal het ministerie vooraf en achteraf de effecten van beleid op ontwikkelingslanden meten?

Antwoord:

In de interdepartementale werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen (BNC) worden nieuwe EU-beleidsvoorstellen gescreend op implicaties voor ontwikkelingslanden. Wanneer beleid mogelijk schadelijke gevolgen heeft, tracht Nederland het beleid op dit aspect te wijzigen. In de BNC fiches, die tevens aan uw Kamer worden gestuurd, is daarvoor een aparte paragraaf opgenomen. Een recent voorbeeld is de Mededeling van de Commissie over een voorgestelde richtlijn ter bevordering van kosteneffectieve emissiereducties en koolstofarme investeringen. Hoewel directe implicaties voor ontwikkelingslanden in principe neutraal zijn, heeft Nederland onderstreept dat vanuit coherentieperspectief monitoring van mogelijke verschuiving van de broeikasgasemitterende industrie naar ontwikkelingslanden belangrijk blijft. Een ander voorbeeld is de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in 2013 (GLB). Als gevolg van een impact assessment van hervormingsvoorstellen van het GLB zijn verschillende elementen opgenomen (o.a. verminderen van het verstorende effect op de internationale markt), waardoor het beleid meer in overeenstemming is met ontwikkelingsdoelstellingen van de EU.

Het blijft in de praktijk echter lastig om de daadwerkelijke impact van incoherent beleid in kaart te brengen. Om de potentiële impact van beleid en de voortgang op beleidscoherentie beter te meten, heeft de Commissie de richtsnoeren voor impact assessments aangepast. Hierbij heeft Nederland aangedrongen op meer aandacht voor de impact op ontwikkelingslanden. In het Better Regulation Package (d.d. 19 mei 2015) is nu een «Gereedschapskist» beschikbaar met vragen voor het systematisch beoordelen van effecten van nieuw beleid op ontwikkelingslanden: of het waarschijnlijk is dat het voorgestelde initiatief implicaties heeft voor ontwikkelingslanden, hoe het juiste analyseniveau bepaald kan worden; hoe de gevolgen voor ontwikkelingslanden te beoordelen en verstrekking van weblinks naar informatiebronnen en ander achtergrondmateriaal. Op aandringen van Nederland verzoeken de concept Raadsconclusies over het EU-rapport over coherentie over ontwikkeling 2013–2015 de Commissie op korte termijn feedback te geven over het gebruik van deze nieuwe richtlijnen. Daarnaast wordt de Commissie gevraagd de uitkomsten van de vernieuwde impact assessments te integreren in het nieuwe beleid.

Het bovengenoemde Better Regulation Package versterkt ook de richtlijnen voor ex-post evaluaties. Een voorbeeld van een ex-post screening is de monitoringsstudie van de implementatie van de Economische Partnerschapsakkoorden tussen de EU en Cariforum uit 2014. Aan de hand van de uitkomsten zijn diverse aanbevelingen gedaan om de impact van het verdrag te vergroten. Voor elke vijf jaar staat een evaluatie van de EPA gepland. Ook voor de komende monitoring zijn aanbevelingen gedaan: vaker, meer gerichte en gedetailleerde «snapshots» van de sectorspecifieke voortgang i.p.v. een enkele allesomvattende vijfjaarlijkse monitoring. Daarnaast heeft de Europese Commissie voor dit jaar een externe evaluatie van beleidscoherentie op EU-niveau uitgezet. Nederland beoordeelt de mogelijke impact van beleid op ontwikkelingslanden aan de hand van vragen zoals beschreven met betrekking tot de bovengenoemde Gereedschapskist.

101

Wanneer kan de Tweede Kamer de beloofde coherentie rapportage tegemoet zien?

Antwoord:

In het voorjaar van 2016 zal de Kamer een rapportage over beleidscoherentie ontvangen, zoals toegezegd tijdens het AO «VN-top inzake de post-2015-ontwikkelingsagenda» op 8 september jl.

102

Waar wordt de 11% niet juridisch verplichte ruimte op de begroting onder artikel 1 aan besteed?

Antwoord:

Het niet-juridische deel zal worden besteed aan een aantal projecten en programma’s die nu ontwikkeld worden. Het gaat bijvoorbeeld om bijdragen aan Agriterra voor de nieuwe strategie «Farmer Common Sense in Business» en aan de Global SME Finance Facility van de IFC dat zich onder meer richt op vrouwelijke ondernemers en projecten op het gebied van duurzame energie. Zie voorts ook de tabel in het antwoord op vraag 2. In de tabel zijn de juridische verplichtingen per artikelonderdeel aangegeven, het overige deel is niet juridisch verplicht.

103

Kunt u toelichten hoe de interne begrotingsreserve van de Faciliteit Opkomende Markten (FOM), die wordt aangehouden bij de Rijkshoofdboekhouding (RHB), meeloopt in het totale beeld van de Miljoenennota?

Antwoord:

De interne begrotingsreserve van de Faciliteit Opkomende Markten (FOM) maakt integraal onderdeel uit van de Miljoenennota en weegt mee in de totalen zoals opgenomen in figuur 4.2.1 (MJN 2019, p.91). In algemene zin hebben interne begrotingsreserves een positief effect op het EMU-saldo, omdat het reserves zijn die doorgaans niet tot uitkering komen.

104

Kunt u toelichten hoe groot de eindejaarsmarge van de Faciliteit Opkomende Markten (FOM) is en waarom deze in 2017 wordt ingezet op Dutch Good for Growth Fund (DGGF)?

Antwoord:

De FOM kent geen eindejaarsmarge. De formulering van de toelichting op Artikel 1 onder het onderdeel Belangrijkste beleidsmatige mutaties ten opzichte van vorig jaar (pagina 19) geeft mogelijk aanleiding tot verwarring. De eindejaarsmarge die hier wordt genoemd betreft de eindejaarsmarge 2014 van het DGGF zelf. Deze wordt ingezet in 2017, eveneens voor het DGGF.

105

Wat bedoelt u concreet met de herziening en verbetering van het financieringsinstrumentarium voor export en investeringen in het buitenland? Hoeveel geld is hiermee gemoeid?

Antwoord:

De Nederlandse economische dienstverlening aan bedrijven, inclusief het instrumentarium voor internationalisering van het bedrijfsleven, moet concurrerend zijn en blijven. Daarom wordt er gewerkt aan een herziening van de huidige non-ODA instrumenten voor de financiering van internationale bedrijfsactiviteiten. Gekeken wordt in hoeverre deze aansluiten bij veranderende internationale marktomstandigheden, uitdagingen op het gebied van financiering, en de rol van overheden in opkomende markten. Uw Kamer wordt hierover dit najaar geïnformeerd.

106

Gaat u bij de aanpak van kinderarbeid als onderdeel van de convenanten ook gerichte steun verlenen aan de Children’s Rights and Business Principles?

Antwoord:

Het kabinet streeft naar het afsluiten van IMVO-convenanten met Nederlandse bedrijfssectoren, vakbonden en maatschappelijk middenveld. Binnen een convenant kunnen bedrijfssectoren, overheid, vakbonden en maatschappelijk middenveld gezamenlijk afspraken maken over hoe kinderarbeid voorkomen en aangepakt kan worden. Kinderarbeid is geïdentificeerd als één van de sectoroverstijgende IMVO-risico’s die nadrukkelijk een plek moeten krijgen in de convenanten (althans, voor die sectoren waarin kinderarbeid een risico vormt). UNICEF is actief betrokken bij het convenantentraject, wat betekent dat de aandacht voor de Children’s Rights and Business Principles is gewaarborgd. Ook de Coalitie Stop Kinderarbeid neemt aan dit traject deel.

Zie tevens antwoord op vraag 30.

107

Op welke wijze betrekt u de Children’s Rights and Business Principles bij de uitvoering van het Nationaal actieplan bedrijfsleven en mensenrechten?

Antwoord:

De Children's Rights and Business Principles dienen als verduidelijking voor de manier waarop kinderrechten in relatie tot het bedrijfsleven beschermd en geëerbiedigd moeten worden. De meest concrete manier waarop dit gestalte krijgt in de uitvoering van het Nationaal Actieplan is via een project van UNICEF dat beoogt de Children's Rights and Business Principles te implementeren in met name de textielsector in Bangladesh en de palmoliesector in Indonesië.

108

109

Kunnen de bedragen bij al de beleidsartikelen ook worden ingevuld voor de jaren 2017 tot en met 2020? Waarom hebt u er wederom voor gekozen om deze kolommen leeg te houden?

Antwoord:

Bij de invoering van Verantwoord Begroten is met uw Kamer afgesproken om de verdeling van de beschikbare budgetten over de verschillende instrumenten alleen te specificeren voor het begrotingsjaar, in dit geval 2016. Vanwege de grote afhankelijkheid van externe factoren die op dit moment vaak nog onzeker zijn (zoals politieke ontwikkelingen, bijdragen van andere donoren, voortgang van programma’s etc.) is het weinig zinvol om ook voor de jaren 2017–2020 een dergelijke specificatie op te nemen.

Kan de 11% niet juridische verplichting worden uitgesplitst in subbeleidsartikelen op beleidsartikel 1?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 102.

110

Waarom is de bestrijding van ivoorhandel dat per amendement in de begroting 2015 is gekomen niet opgenomen op het beleidsartikel? Onder welk subbeleidsartikel valt de bestrijding van de ivoorhandel?

Antwoord:

Het amendement-Smaling/Leegte voor de bestrijding van wildlife crime is opgenomen in de Eerste Suppletoire Begroting 2015 onder sub-artikel 1.3. Conform de Rijksbegrotingsvoorschriften hebben begrotingsamendementen altijd betrekking op het desbetreffende begrotingsjaar en kennen derhalve geen structurele doorwerking.

111

Gaat de vermindering van de uitgaven voor «versterking van handelssysteem met aandacht voor MVO» ten koste van bestrijding van kinderarbeid?

Antwoord:

De vermindering van de uitgaven voor versterking van handelssysteem met aandacht voor MVO gaat niet ten koste van de bestrijding van kinderarbeid. De inzet van de regering tegen kinderarbeid wordt onverminderd voortgezet.

112

Welk percentage van de middelen uit beleidsartikelen 1 en 2 worden direct besteed aan de versterking van de inkomenspositie van kleine boerenbedrijven?

Antwoord:

Nederland draagt via diverse programma’s bij aan de verbetering van de inkomenspositie en ontwikkeling van kleine boeren en boerinnen. Dit betreft een aanzienlijk deel van de ambassadeprogramma’s op het terrein van voedselzekerheid en de programma’s met Agriterra, Agricord, IFAD, Solidaridad, Initiatief Duurzame Handel, BoP Inc. (ondersteuning van Base of the Pyramid), Global Agriculture and Food Security Program (GAFSP). Ook bij bedrijfsleven instrumenten als DGGF, DRIVE en FDOV zullen de inkomens van veel kleine boerenbedrijven verbeteren als gevolg van betere toegang tot markten, tot financiering of verbeterde infrastructuur. De gezamenlijke begroting voor deze programma’s beslaat ongeveer 20% van de totale begroting voor artikel 1 en 2.

113

Welke bijdrage aan de versterking van de inkomenspositie van vrouwen leveren de programma’s gefinancierd onder beleidsartikelen 1 en 2?

Antwoord:

Versterking van de economische positie van vrouwen maakt deel uit van het beleid voor duurzame handel en investeringen (beleidsartikel 1) en duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid en water (beleidsartikel 2). In 2014 leidden de programma’s voor private-sectorontwikkeling en voedselzekerheid tot 150.000 nieuwe banen waarvan bijna de helft voor vrouwen. Nederland steunde trainingen gericht op bedrijfsontwikkeling, krediet en verzekeringen voor ruim 4,5 miljoen kleine boeren en boerinnen. Ruim 14 miljoen boeren en boerinnen kregen betere toegang tot markten. Er werd bijgedragen aan duurzaam beheer van in totaal 1,5 miljoen hectare landbouw- en omringende grond, vooral door het veiligstellen van individuele landrechten van kleine boeren (van wie meer dan de helft vrouw). In het Green Climate Fund vormt de deelname van vrouwen in de besluitvorming en toegang tot de beschikbare middelen een van de criteria waaraan financieringsvoorstellen moeten voldoen.

Programma’s zoals de Faciliteit Duurzaam Ondernemen en Voedselzekerheid (FDOV), Dutch Good Growth Fund (DGGF), Initiatief Duurzame Handel, Local Employment for Development in Africa (LEAD)dragen bij aan versterking van de inkomenspositie van vrouwen. De FDOV biedt steun aan business partnerschappen gericht op vrouwelijke ondernemers. Een voorbeeld is het partnerschap in Burkina Faso met 35.000 vrouwelijke ondernemers in de productie, verwerking en marketing van shea noten. Het DGGF besteedt speciale aandacht aan vrouwelijke ondernemers. Met de huidige transacties worden op termijn naar schatting ten minste vijfduizend banen voor vrouwen gecreëerd door Nederlandse en lokale ondernemers. Van de ondersteunde lokale MKB-ers is een derde vrouw. Het Initiatief Duurzame Handel integreert in de komende jaren vrouwelijke ondernemers en werknemers beter in de activiteiten ter verduurzaming van waardeketens. In LEAD is gelijke toegang van vrouwen en mannen tot werkgelegenheid te creëren inkomensverschaffing een criterium bij de selectie van voorstellen.

114

Wat is het feitelijk (kwantificeerbare) effect van de subsidies als opgenomen onder beleidsartikel 1.2?

Antwoord:

Vanaf de samenvoeging van Buitenlandse Handel met Ontwikkelingsssamenwerking is een herijking van het instrumentarium in gang gezet; daarbij is het subsidie-element sterk teruggedrongen. Dat proces zal binnenkort worden afgerond met het in de markt zetten van de Dutch Trade and Investment Facility (DTIF).

Kenmerkend voor het buitenland- instrumentarium is dat de effecten pas op middellange termijn zichtbaar worden. Inmiddels zijn de voorbereidingen voor de evaluaties van het vernieuwde instrumentarium in gang gezet. Over de uitkomsten zal de Kamer worden geïnformeerd.

Wel is het zo dat het nieuwe instrumentarium lijkt te voorzien in de vraag vanuit het bedrijfsleven. Zo werden in 2014 1000 adviesvouchers en 120 missievouchers verstrekt, werden er 27 nieuwe PIB-initiatieven gerealiseerd en 110 DHK-projecten goedgekeurd.

115

Hoe zit het met de uitputting van het Dutch Good for Growth Fund (DGGF)? Wat is er met het budget gebeurd? (DDE i.s.m. DIO – Goudriaan / Smit)

Antwoord:

Het budget van het DGGF bedraagt EUR 700 miljoen voor de periode 2014 t/m 2017:

  • −  2014: EUR 82 miljoen
  • −  2015: EUR 150 miljoen
  • −  2016: EUR 150 miljoen
  • −  2017: EUR 318 miljoen

Voor 2014 was EUR 100 miljoen begroot en is EUR 82 miljoen uitgegeven. De onderuitputting van EUR 18 miljoen is via de eindejaarsmarge doorgeschoven naar 2017. Voor 2015 en 2016 is ieder EUR 150 miljoen en voor 2017 is EUR 318 miljoen begroot (de oorspronkelijke EUR 300 miljoen plus de EUR 18 miljoen eindejaarsmarge uit 2014).

Zoals beschreven in de recent aan de Kamer gezonden Mid-term review van het DGGF is de verwachting dat het kasbeslag voor de eerste jaren (2014 t/m 2017) lager zal uitkomen dan begroot. Dit komt door de relatief lange doorlooptijd van de financieringen voor het onderdeel «Investeren NL MKB» en de langere investeringsperiode van de transacties onder het onderdeel «Investeren lokaal MKB» (beiden 5–7 jaar). Tevens speelt voor 2014 en 2015 een tegenvallende vraag naar het onderdeel «Exporteren NL MKB». Om de continuïteit van het DGGF te waarborgen en een constant aantal projecten per jaar te kunnen financieren zal binnen het DGGF gekeken worden naar mogelijk noodzakelijke budgettaire aanpassingen na de periode 2014–2017. Bij voorjaarsbesluitvorming zal het Kabinet daarom de consequenties voor het kasritme van het DGGF bezien en een aangepast kasritme in de meerjarenbegroting voorstellen dat beter aansluit bij de werking en liquiditeitsbehoefte van het fonds.

116

Kunt u het verschil verklaren tussen het budget voor de Rijksdienst voor ondernemend Nederland in 2015 en 2016 (respectievelijk 20 miljoen en 35 miljoen)?

Antwoord:

Het verschil wordt verklaard door het feit dat het «Centrum tot Bevordering van Import uit ontwikkelingslanden» (CBI) onderdeel is geworden van de «Rijksdienst voor Ondernemend Nederland» (RVO.nl).

117

Wat zijn in oktober 2015 de concrete reserves van het DGGF?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 84.

118

Hoeveel van de begrotingsregel « technische assistentie DGGF» is juridisch verplicht? Waar worden deze middelen voor gebruikt? Waarom stijgt het budget voor deze begrotingsregel

Antwoord:

Technische assistentie bedraagt gemiddeld 10% van het investeringsbudget van het DGGF, oftewel EUR 10% van EUR 700 miljoen, zijnde EUR 70 miljoen. De percentages verschillen per onderdeel van het DGGF (10%, 15% en 5% voor respectievelijk onderdeel 1,2 en 3). Van de EUR 70 miljoen is EUR 63,8 miljoen juridisch verplicht:

  • −  Voor onderdeel 1, uitgevoerd door RVO.nl, is EUR 17,5 miljoen juridisch verplicht.
  • −  Voor onderdeel 2, uitgevoerd door PwC/Triple Jump, is EUR 26 miljoen juridisch verplicht.
  • −  Voor onderdeel 3, uitgevoerd door Atradius DSB, is EUR 8,75 miljoen juridisch verplicht.

In absolute termen stijgt het budget voor technische assistentie in 2016 ten opzichte van 2015 omdat de technische assistentie is gekoppeld aan de juridische verplichtingen van de DGGF transacties.

119

Wat is de reden dat de begrotingsregel «Rijksdienst voor ondernemend Nederland» stijgt? Wat wordt er met deze extra middelen gedaan?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 116.

120

Kunt u voor het DGGF per DGGF-onderdeel het kasritme voor de periode 2014–2017 inzichtelijk maken? Kunt u de Kamer informeren door een aangepaste «budgettaire gevolgen van beleid» tabel voor artikel 1.4 aan te leveren in welke de meerjarige raming per DGGF-onderdeel inzichtelijk is?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 115.

121

Welk deel van DGGF voor 2017 is nog niet juridisch verplicht?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 16.

122

Welk deel van het DGGF-fonds is voor 2016 en 2017 nog niet toegekend?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 16.

123

De kosten voor technische assistentie zijn in 2016 hoger begroot dan in 2015. Wat is de reden voor deze verhoging?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 118.

124

Het topsectorenbeleid blijft overeind (zie bijvoorbeeld het Partners for International Business programma dat bedrijven uit topsectoren die gezamenlijk een buitenlandse markt willen betreden faciliteert). De topsectoren komen grotendeels overeen met de risicosectoren. Wordt er een koppeling gelegd tussen beide beleidsterreinen? Geldt deelname aan een MVO-convenant als voorwaarde voor steun in het kader van het topsectorenbeleid?

Antwoord:

Onder de topsectoren vallen inderdaad ook bedrijven die behoren tot de sectoren met een verhoogd risicoprofiel voor mensenrechtenschendingen en milieuschade, maar de beleidsterreinen zijn niet formeel verbonden. Het topsectorenbeleid biedt namelijk geen ondersteuning aan individuele bedrijven. Bedrijven uit de topsectoren maken gebruik van het generieke buitenlandinstrumentarium, waarvoor de gebruikelijke voorwaarden op MVO-gebied gelden, zoals het in acht nemen van de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen.

125

Er gaat in 2016 ruim 500 miljoen euro naar exportbevordering en markttoegang. Hoe wordt toezicht gehouden op het voldoen aan MVO-criteria vooral in risicosectoren bij diverse vormen van overheidssteun, zowel financiële steun als niet-financiële steun zoals deelname aan handelsmissies?

Antwoord:

Er gaat EUR 500 miljoen naar duurzame handel en investeringen in brede zin; hieronder valt exportbevordering en markttoegang.

Daarnaast valt hier ook het versterken van de private sector en het investeringsklimaat in ontwikkelingslanden onder (zie ook vraag 14).

Zie verder vraag 85.

126

Naast Buitenlandse Zaken steunen ook andere departementen bedrijven. Komt er interdepartementale afstemming om te komen tot Rijksbrede invoering van MVO-voorwaarden bij alle vormen van subsidiering en andere steun aan bedrijven?

Antwoord:

Het kabinet streeft naar zoveel mogelijk eenduidigheid in internationale MVO-voorwaarden bij het verlenen van steun aan bedrijven. De OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen gelden hierbij als uitgangspunt. Eind 2012 zijn alle relevante uitvoeringsorganisaties voor internationale ontwikkeling door het Ministerie van Buitenlandse Zaken verzocht om een IMVO-kader op te stellen (waaronder IDH, PUM, FMO, MVO Nederland, RVO, Atradius). Waar nodig, vindt ook interdepartementale afstemming plaats.

127

Wat was de planning voor 2014 als het gaat om het aantal convenanten?

Antwoord:

Het kabinet onderschrijft het streven uit het SER advies IMVO-convenanten dat in 2016 de eerste tien convenanten zijn afgesloten. De stand van zaken is op dit moment als volgt: brancheverenigingen en hun stakeholders in vijf (sub)sectoren hebben expliciet het initiatief genomen om tot een IMVO-convenant te komen. In zes (sub)sectoren worden dergelijke initiatieven voorbereid. Daarnaast hebben partijen in een aantal (sub)sectoren het streven naar een IMVO-convenant nog in overweging.

128

Wat voor programma’s lopen af op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen? Wat voor mogelijkheden ziet u om programma’s op het gebied van MVO te blijven steunen, zowel in beleid als financieel?

Antwoord:

Het kabinet blijft programma’s op het gebied van MVO steunen zowel beleidsmatig als financieel. De mogelijkheden daartoe worden bezien aan de hand van de bestaande beleidsbehoefte en ruimte in het budget. Alleen het branche programma bij MVO Nederland loopt af. Met andere programma’s, onder meer bij MVO Nederland, en het proces waarbij sectoren met een verhoogd risicoprofiel voor mensenrechtenschendingen en milieuschade worden aangespoord om sectorconvenanten te sluiten, blijft aandacht voor MVO geborgd. Tevens zijn in het kader van de beleidsprioriteit «pleiten en beïnvloeden» meerdere strategische partnerschappen gevormd, waaronder met Fair Wear, UTZ en Solidaridad, die zich onder andere richten op MVO. Bovendien steunt het kabinet het Initiatief Duurzame Handel (IDH), gericht op de verantwoordelijkheid van private partijen om samen met publieke partners oplossingen te zoeken voor duurzaamheidsuitdagingen en deze op te schalen. En tot slot draagt het Vakbondsmedefinancieringsprogramma ook bij aan bevordering van MVO.

129

Kunt u een overzicht geven van de lopende programma’s op het gebied van kinderarbeid?

Antwoord:

Voor een volledig overzicht van lopende programma’s op het gebied van kinderarbeid wordt u verwezen naar de kabinetsreactie op initiatiefnota van het lid Van Laar over het verbieden van producten gerelateerd aan kinderarbeid (kamerstuk 33963–5 van 20 januari 2015), alsmede de Mensenrechtenrapportage 2014.

In het kader van de SRGR Strategische Partnerschappen 2016–2020 zal een overeenkomst met de alliantie o.l.v. Terre des Hommes Nederland worden afgesloten voor de bestrijding van Kinderprostitutie. Hiertoe is EUR 3 miljoen. per jaar gereserveerd en wordt daarmee t/m 2020 aan het 3-miljoen deel van de kinderarbeidresolutie voldaan. Via het Mensenrechtenfonds wordt bijgedragen aan de projecten van ECPAT «Reducing violence against children, with special focus on sexual exploitation of children and child sex tourism» (EUR 2 miljoen voor de periode 1 april 2014–30 juni 2015) en «Reducing sexual violence against children» (EUR 3 miljoen voor de periode 1 april 2015–30 juni 2016).

130

Waarom zijn de middelen voor het DGGF nu 100% juridisch verplicht terwijl in 2015 «ruim de helft» juridisch verplicht was?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 16.

131

Hoe wordt de aandacht voor MVO in de toekomst geborgd als relevante programma’s worden afgebouwd?

Antwoord:

Zie antwoord op vraag 128

132

Welke beleidsdoelstellingen heeft de interdepartementale Raad voor Handelspolitiek (IRHP)?

Antwoord:

De beleidsdoelstellingen van de IRHP zijn vastgelegd in het Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en

Ontwikkelingssamenwerking van 14 november 2014, nr MinBuZa 2014–665839, tot oprichting van de Interdepartementale Raad voor de Handelspolitiek. Dit besluit is op 25 november 2014 gepubliceerd in Staatscourant nr. 33392.

In dit Besluit staat dat de IRHP tot taak heeft het voorbereiden en het coördineren van het kabinetsbeleid ten aanzien van de internationale handel in goederen en diensten, internationale grondstoffenaangelegenheden, internationale investeringen en andere onderwerpen van internationale samenwerking die tot de primaire verantwoordelijkheid van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking behoren. Ter uitvoering van deze taak stelt de IRHP instructies op voor delegaties die namens Nederland of het Koninkrijk deelnemen aan: 1) het overleg in internationale organisaties en overlegorganen op het gebied van de internationale handel in goederen en diensten, grondstoffen, internationale investeringen en internationale economische samenwerking; 2) het EU-overleg over de te voeren gemeenschappelijke handelspolitiek en de externe economische betrekkingen van de Europese Unie; en 3) het bilaterale overleg met buitenlandse overheden over economische aangelegenheden.

133

Welke investeringsverdragen waarbij Nederland partij is worden in 2016 en 2017 herzien?

Antwoord:

Naar aanleiding van de uitkomsten van het huidige debat over de herziening van het beleid ten aanzien van investeringsbescherming en geschillenbeslechting in IBO’s zal Nederland de modeltekst voor dergelijke akkoorden aanpassen. Dit zal in overleg gaan met alle stakeholders. Hierbij wordt aangesloten op de EU-standaard waarover op dit moment het debat nog gaande is. Vervolgens zal een proces van heronderhandeling van de bestaande IBO’s gestart worden.

134

Welke concrete acties gaat u in 2016 ondernemen om investeringsbeschermingsclausules (ISDS) in bestaande handelsverdragen aan te passen?

Antwoord:

Totdat Nederland het hierboven beschreven proces van heronderhandeling opstart, bieden Nederlandse IBO’s de mogelijkheid tot consultaties over de interpretatie of toepassing van de IBO, waarmee oneigenlijk gebruik van het verdrag aangekaart kan worden. Daarnaast zal het kabinet de optie in overweging nemen om via interpretatieve verklaringen van het verdrag acute vragen, die naar aanleiding van een specifiek geschil onder een IBO spelen, te adresseren. Hierbij is wel van belang dat de rechtszekerheid niet in het geding komt.

135

Bent u van plan de bilaterale investeringsverdragen met EU-lidstaten op te zeggen in 2016?

Antwoord:

Nederland hecht belang aan effectieve rechtsbescherming voor investeerders in de EU. Op dit moment bespreken de lidstaten met de Europese Commissie of die rechtsbescherming in de gehele EU voldoende is of dat er een alternatief middel nodig is. Nederland wil hier constructief aan meewerken en is bereid de investeringsverdragen met EU-lidstaten op te zeggen indien er een effectief alternatief mechanisme binnen de interne markt tot stand komt.

136

Worden bedrijven uit andere EU-lidstaten benadeeld door inzet van het instrument Partners for International Business (PIB)?

Antwoord:

Nee, bedrijven uit andere EU-lidstaten worden niet benadeeld door inzet van het instrument Partners for International Business (PIB). PIB is geen subsidie, maar een publiek-privaat instrument. PIB sluit geen bedrijven of partners uit, ook als die uit andere EU landen komen. Er is een eis van minimaal drie Nederlandse bedrijven die een PIB kunnen aanvragen en opstarten en buitenlandse partijen kunnen daarbij aansluiten.

137

Wordt u of de IRHP op de hoogte gesteld van claims, procedures of schadevergoedingen onder verdragen met ISDS waarin Nederland partij is?

Antwoord:

Dit gebeurt alleen in gevallen wanneer Nederland gedaagd wordt of zich voegt in een procedure.

138

Op welke marktbelemmeringen doelt u?

Antwoord:

Het gaat om belemmeringen die markttoetreding voor met name Midden- en Klein Bedrijven hoogdrempelig maken en waarvoor zij een beroep doen op de Nederlandse overheid. Het gaat om de standaard economische diplomatie inzet van ambassades. Te denken valt aan bepaalde wet- en regelgevingen in een land of regio en zaken zoals juiste certificering, etikettering, douaneregels, privacy wetgeving, eigendomsrechten (International Property Rights; van groot belang voor kennisintensieve sectoren zoals High Tech and System Materials en Life Sciences and Health).

139

«Het DGGF is een revolverend fonds dat financiering verschaft voor ontwikkelingsrelevante en risicodragende investeringen en export-transacties.» Kunt u uitleggen hoe de druk om revolverend te zijn zich verhoudt tot de noodzaak van ontwikkelingsrelevantie en additionaliteit ten opzichte van commerciële partijen? In hoeverre leidt deze druk in de praktijk tot risicomijding, waardoor investeringen die kansrijk in termen van ontwikkelingsrelevantie, maar ook risicovol zijn (bijvoorbeeld omdat ze beogen het kleinere MKB te bedienen) minder toegang hebben tot het fonds?

Antwoord:

Het DGGF financiert alleen ontwikkelingsrelevante investeringen. Daarnaast geldt het criterium dat de financiering additioneel moet zijn aan de markt. Ofwel, DGGF financiert alleen projecten die niet door marktpartijen zoals commerciële banken en investeerders worden opgepakt omdat deze als te risicovol worden gepercipieerd. Juist het kleinere MKB wordt door deze partijen niet goed bediend en past uitstekend bij het DGGF. DGGF investeringen zijn dus per definitie risicovoller dan de markt.

140

Wordt in de capaciteitsopbouw voor lokale ondernemers (in het kader van technische assistentie voor DGGF) ook aandacht besteedt aan het betrekken van gemarginaliseerde groepen zoals mensen met een beperking?

Antwoord:

Om in aanmerking te komen voor DGGF worden ondernemers beoordeeld op de kwaliteit van het bedrijfsplan en op de mate van ontwikkelingsrelevantie in termen van banencreatie, productiviteit en kennisoverdracht, ongeacht of het een project betreft met mensen uit een gemarginaliseerde groep. Gemarginaliseerde groepen, zoals mensen met een beperking worden in de praktijk echter wel met het DGGF bereikt. Zo wordt een Nederlandse ondernemer gefinancierd die in zijn snijbloemkwekerij in Ethiopië 5 doofstomme medewerkers in dienst heeft. Om hen goed te kunnen instrueren heeft de betreffende ondernemer een medewerker in dienst genomen die gebarentaal beheerst. De Nederlandse ondernemer ondersteunt tevens een lokale NGO die tot doel heeft om doofstomme mensen aan het werk te helpen. Indien de ondernemer (nog) geen achtergestelde groepen betrekt, terwijl er wel mogelijkheden zijn om op deze groepen positieve impact te creëren, kan hij of zij bij DGGF een beroep doen op technische assistentie. Het DGGF moedigt dit ook aan.

141

Hoe wordt er in EU-verband samengewerkt tussen donoren op het thema water en sanitatie?

Antwoord:

Zie vraag 142.

142

Is er sprake van een werkverdeling tussen Europese donoren op het gebied van duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid en water?

Antwoord:

Op het gebied van duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid en water wordt nauw samengewerkt tussen Europese lidstaten en de Commissie, maar er is geen sprake van een formele werkverdeling. Op het gebied van voedselzekerheid komen halfjaarlijks de verantwoordelijke ministeries van de lidstaten bijeen met de betreffende eenheid van de Europese Commissie (C1: Rural Development, Food Security, Nutrition).

Tweejaarlijks wordt door diezelfde eenheid een rapport uitgebracht waarin voor het betreffende jaar verslag wordt gedaan van de totale Europese inzet op voedselzekerheid, inclusief hoe internationaal en in partnerlanden wordt samengewerkt tussen de lidstaten en de Commissie.

Nederland is actief lid van de «EU Water Expert Group» waar gesproken wordt over de afstemming van het gezamenlijk EU beleid op het terrein van water en sanitatie. Er vindt regelmatig overleg plaats met de African Ministers Council on Water (AMCOW) over het EU Water Initiative (EUWI), de Joint Africa EU Strategy (JAES) en «Africa-EU Partnership on Water» en Sustainable Development Goal 6. Met de Europese Investerings Bank (EIB) is een MoU afgesloten over het opzetten van een multi-donor Trustfund voor het bevorderen van investeringen gericht op SDG 6 en het detacheren van een Nederlandse waterdeskundige bij de Bank. Nederland vertegenwoordigt de deelnemende EU lidstaten binnen de Stuurgroep van het wereldwijde partnerschap «Sanitation and Water for All» (SWA).

143

Hoe wordt de aangenomen motie over inzet op agro-ecologische landbouw (Kamerstuk 31250–81) precies uitgevoerd?

Antwoord:

Binnen het voedselzekerheidsbeleid zet het kabinet onder meer in op ontwikkeling van de kleinschalige voedsellandbouw. Daarin staan kleine boeren en boerinnen centraal. Conform het kabinetsbeleid, zoals verwoord in de Kamerbrief «Nederlandse inzet voor wereldwijde voedselzekerheid» (Kamerstuk 33 625, nr. 147), is het uitgangspunt een landbouw die hoogproductief is en die op adequate wijze rekening houdt met sociale en ecologische aspecten. Daarbinnen is het aan de lokale boer(in) om de meest geschikte praktijken en bedrijfsvorm te kiezen. Agro-ecologische landbouwpraktijken maken daar deel van uit en worden in die zin door Nederland ondersteund.

144

Met welke organisaties en bedrijven werkt u samen op de gebieden van het bevorderen van voedselzekerheid en landbouw in het Zuiden?

Antwoord:

Uitgangspunt in de uitvoering van het voedselzekerheidsbeleid is de zogenaamde «Dutch Diamond Approach», het (net)werken in partnerschappen met bedrijfsleven, kennisinstellingen, NGO’s en overheden, hier en lokaal in het Zuiden. Er wordt dan ook met vele en diverse organisaties en bedrijven samengewerkt, variërend van grote, internationaal opererende tot kleine, lokaal georiënteerde. Wat al deze organisaties en bedrijven kenmerkt is hun belang en commitment om bij te dragen aan het terugdringen van honger en ondervoeding via het ontwikkelen van de voedsellandbouw en de overtuiging dat dat daarvoor een brede, inclusieve benadering nodig is.

145

«Na een jaar van uitwerking zullen 2016 en de jaren erna in het teken staan van de uitvoering van de Kamerbrief «Nederlandse inzet voor wereldwijde voedselzekerheid» van november 2014.» Wat zijn de resultaten van deze uitwerking? Is hierin ook de uitwerking van de motie Mulder en Van der Staaij (34 000 VXII, nr. 19) opgenomen? Bent u bereid deze met de Kamer te delen?

Antwoord:

De uitwerking van de Kamerbrief «Nederlandse inzet voor wereldwijde voedselzekerheid» vindt zoveel mogelijk plaats in samenwerking met het maatschappelijke veld. In maart 2015 heeft in dat kader een eerste, breed bezochte, startbijeenkomst plaatsgevonden met bedrijfsleven, kennisinstellingen en NGO’s.

In november wordt dit proces voortgezet, met als doel praktische uitwerking en acties op specifieke onderwerpen. Intern zijn overzichten gemaakt van lopende activiteiten, geordend langs de beleidsdoelen van de Kamerbrief, en worden richtinggevende kaders per doel opgesteld ten behoeve van de strategische programmering vanaf 2016. De uitwerking van de motie Mulder en Van der Staaij inzake de systematische verbetering van de kwaliteit en de coördinatie van het aanbod van agrarisch beroepsonderwijs maakt hier onderdeel van uit. Verbetering van het aanbod van het agrarisch beroepsonderwijs in partnerlanden vindt plaats onder meer via ambassades en programma’s als NICHE, het Netherlands Initiative for Capacity development in Higher Education. Nederlandse kennis draagt in toenemende mate bij aan de ondersteuning van overheden en lokale kennisinstellingen van partnerlanden op dit terrein.

146

Waar wordt het niet-juridisch verplichte deel van het budget voor duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid en water aan besteed? Waar ziet u zelf nog ruimte voor amendering, ook buiten dit beleidsartikel?

Antwoord:

Het niet-juridisch verplichte deel zal worden besteed aan een aantal projecten en programma’s die nu ontwikkeld worden. Het gaat bijvoorbeeld om bijdragen aan IFAD voor activiteiten op het gebied van voedselzekerheid; toegang tot schone energie van armen in ontwikkelingslanden, een partnerschap op watergebied met de Wereldbank en bijdragen aan UNEP, IUCN en de Global Environment Facility. Voor een belangrijk deel vloeien deze activiteiten voort uit internationale verplichtingen, op het gebied van klimaat, of zijn ze vastgelegd in kamerbrieven op het terrein van water en voedselzekerheid De ruimte voor amendering is daarom beperkt.

147

Kunt u aangeven op welke manier u van plan bent bij te dragen aan SDG doelstelling 2 target 2.2 («end all forms of malnutrition by 2030...»)? Wat voor financiële middelen trekt u hiervoor uit?

Antwoord:

De Nederlandse bijdrage aan SDG doelstelling 2 target 2.2 is verwoord in de Kamerbrief «Nederlandse inzet voor wereldwijde voedselzekerheid» (Kamerstuk 33 625, nr. 147). Nederland concentreert zich hierbij op de kwetsbare groep van jonge kinderen tot hun tweede levensjaar en hun moeders.

Nederland zal zijn actieve rol in internationale initiatieven voortzetten en verder versterken. Voorbeelden hiervan zijn de Scaling Up Nutrition (SUN) beweging en de VN Zero Hunger Challenge. Daarnaast worden in partnerlanden als Indonesië, Bangladesh, Rwanda, Burundi, Mozambique en Ethiopië door Nederland concrete programma’s ondersteund om op lokaal niveau ondervoeding van jonge kinderen te bestrijden, onder meer in samenwerking met UNICEF, de Global Alliance for Improved Nutrition (GAIN), het Food Fortification Initiative (FFI) en private, maatschappelijke en publieke partners binnen het Amsterdam Initiative against Malnutrition (AIM). Deze programma’s zijn juridisch vastgelegd in contracten en verplichtingen. De uitgaven in 2016 zullen, naar verwachting, rond de € 33 miljoen zijn.

148

Kunt u aangeven of de € 17 miljoen voor voeding zowel nutrition sensitive als nutrition specific uitgaven betreft? Worden er via de landenprogranmma’s voedselzekerheid ook nog uitgaven gedaan op het gebied van voeding? Hoeveel trekt u in totaal uit voor voeding in 2016?

Antwoord:

De EUR 17 miljoen begroot voor 2016 voor voeding betreft alleen nutrition specific uitgaven vanuit centraal gefinancierde programma’s zoals UNICEF, GAIN en Scaling Up Nutrition. Via overige landenprogramma’s in Indonesië, Bangladesh (fortificatie van rijst), Rwanda (voeding voor jonge kinderen), Burundi, Mozambique (voeding op school) en Ethiopië worden zowel nutrition specific als nutrition sensitive uitgaven op het gebied van voeding gedaan. In 2014 bedroegen de totale uitgaven voor al deze programma’s circa EUR 33 miljoen. Voor 2015 en 2016 zullen de uitgaven naar verwachting op hetzelfde niveau liggen. Hiermee wordt tevens voldaan aan de motie van de leden van Laar en Smaling (kamerstuk 34 000 XVII, nr. 23) inzake meer ruimte voor verbetering van voeding binnen het speerpunt voedselzekerheid.

149

Kunt u aangeven onder welke post het bedrag van EUR 390 miljoen valt dat Nederland heeft toegezegd tijdens de Nutrition 4 Growth Summit in London 2012?

Antwoord:

De Nederlandse toezegging (die overigens EUR 300 miljoen bedraagt in plaats van EUR 390 miljoen) tijdens de N4G Summit in London in 2013 bestaat zowel uit nutrition specific als uit nutrition sensitive activiteiten. Het betreft het totale gebudgetteerde bedrag voor de periode 2013–2020. De nutrition specific uitgaven zullen vallen onder de post voeding en onder de landenprogramma’s voedselzekerheid. De nutrition sensitive uitgaven vallen onder verschillende posten: Duurzame voedselproductie, Marktontwikkeling in het kader van voedselzekerheid, Landenprogramma’s voedselzekerheid, Versterking maatschappelijk middenveld (strategische partnerschappen) en Humanitaire hulp (noodhulpprogramma’s).

150

Kan de 22% niet juridische verplichting worden uitgesplitst in subbeleidsartikelen op beleidsartikel 2?

Antwoord:

Zie de tabel in het antwoord op vraag 2.

151

Op welke belangrijke productiegebieden in Afrika en Azië zal de focus van uw bijdrage aan het terugdringen van ontbossing en duurzaam landschapsbeheer liggen?

Antwoord:

In Afrika zijn het afgelopen jaar drie programma’s gestart die inzetten op duurzaam landschapsbeheer. De focus ligt op productiegebieden voor thee in Kenya, cacao in Ivoorkust en Ghana, bloemen, fruit en bosproducten in Ethiopië en diverse economische activiteiten in de Southern Agricultural Growth Corridor of Tanzania. Daarnaast werkt het Kabinet via de Tropical Forest Alliance samen met bedrijven en West Afrikaanse landen waar uitbreiding van palm olie wordt voorzien.

In Azië ligt de focus op productiegebieden voor palmolie in West-Kalimantan, Indonesië en koffie in de Central Highlands in Vietnam.

Ook via de strategische partnerschappen in het kader van «Samenspraak en Tegenspraak» zal vanaf 2016 met de landschapsbenadering aan dit punt worden gewerkt. Dit betreft onder andere Uganda, Filippijnen en de Albertine Rift in Tanzania en DRC. De productiegebieden zullen nog nader worden vastgesteld.

In de geselecteerde productiegebieden zijn agri-commodities belangrijke «drivers of deforestation». Hier wordt ingezet op «zero net deforestation» door verduurzaming van handelsketens en te zoeken naar alternatieve handelsketens.

152

Spelen de ambassades in deze gebieden ook een rol bij het terugdringen van ontbossing en duurzaam landschapsbeheer?

Antwoord:

In een aantal landen monitort de ambassade de voortgang van de programma’s gericht op duurzaam landschapsbeheer en is aanwezig bij multi-stakeholder bijeenkomsten, zoals in Kenia en Vietnam. In andere landen faciliteert de ambassade bijeenkomsten, zoals in Indonesië in het kader van verduurzaming van de palmolieketen in samenwerking met TFA. Soms werkt de ambassade samen met de lokale uitvoerende organisatie, zoals in het geval van Ethiopië, waar nauw wordt samengewerkt met het Horn of Africa Regional Environment Centre & Network (HoA-REC&N). Voorts overleggen uitvoerende organisaties en ambassades over de voortgang van de programma’s, zodat afstemming en uitwisseling met door de ambassade gefinancierde programma’s plaatsvindt.

153

Op welke wijze gaat u de doelstelling om in 2030 50 miljoen mensen van sanitair en 30 miljoen mensen van schoon drinkwater te voorzien bekostigen?

Antwoord:

De bekostiging van deze nieuwe doelstelling zal uit het reguliere budget voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking geschieden. De Tweede Kamer zal voor het eind van het jaar via een brief worden geïnformeerd over de invulling van de nieuwe doelstelling voor water, sanitatie en hygiëne die het kabinet tijdens het Global Citizen Earth Day festival heeft aangekondigd.

154

Worden voor de uitvoering van de Rijksbrede strategie voor het Noordpool en Zuidpoolgebied relevante maatschappelijke organisaties geconsulteerd? (IGG – Splinter)

Antwoord:

Ja, de concepttekst van de strategie die momenteel wordt ontwikkeld, wordt besproken met kennisinstellingen, NGO’s en het bedrijfsleven.

155

Welke bijdrage levert Nederland concreet aan het terugdringen van ontbossing en duurzaam landschapsbeheer, welke resultaten worden daarvan verwachte en op welke wijze worden deze gemonitord?

Antwoord:

In 2015 zijn drie specifieke landschapsprogramma’s gestart.

  • •  het door het Initiatief Duurzame Handel (IDH) uitgevoerde Initiative for Sustainable Landscapes (ISLA), dat zes productiegebieden heeft geselecteerd waar ontbossing nauw samenhangt met de verdere uitbreiding van handelsketens voor palmolie, soja en rundvlees, koffie, cacao, bloemen en thee.
  • •  het door de International Union for the Conservation of Nature (IUCN) uitgevoerde SUSTAIN Afrika programma dat bijdraagt aan de versterking van bossen en ecosystemen in twee Economische Groei Corridors in Afrika.
  • •  het HoA-REC&N regionale landschapsprogramma, dat bijdraagt aan het verminderen van ontbossing en herstel van bebossing in zes landschappen in de Hoorn van Afrika.

In 2016 zal een aantal strategische partnerschappen in het kader van «Samenspraak en Tegenspraak» van start gaan die zich ook specifiek op deze problematiek gaan richten.

Nederland is lid van de Tropical Forest Alliance en ondersteunt via diplomatie en het inbrengen van ervaringen op basis van de hierboven genoemde programma’s het streven van bedrijven en producentenlanden voor het stoppen van ontbossing in 2020 gerelateerd aan soja, palm olie, rundvlees en papier & pulp.

Deze programma’s hebben met elkaar gemeen dat ze zich richten op een integrale aanpak van bosbeheer, water en landbouw rondom belangrijke agri-commodities en voortbouwen op resultaten op basis van verduurzaming van handelsketens voor deze agri-commodities. Om een dergelijke integrale aanpak te realiseren is de eerste stap in deze programma’s gericht op het versterken van lokale samenwerking van overheid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.

Verwachte resultaten zijn (1) verbeterde praktijken door bedrijven: (2) verbeterd bestuur; en (3) verbeterde duurzaamheid op lokaal niveau. Ieder van deze programma’s heeft een monitoring en evaluatie programma, op basis waarvan jaarlijkse rapportage en monitoring plaatsvindt. Daarnaast worden waar mogelijk ambassades ter plekke ingeschakeld bij de monitoring en beoordeling van de voortgang.

156

Kunt u aangeven hoe de coherentie tussen het beleid op voedselzekerheid van het Ministerie van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en het Ministerie van Economische Zaken wordt vormgegeven?

Antwoord:

Beide ministeries opereren op gebied van voedselzekerheid vanuit een gezamenlijk beleidskader (zie Kamerbrief «Nederlandse inzet voor wereldwijde voedselzekerheid», Kamerstuk 33 625, nr. 147). Algemene coördinatie van de uitvoering vindt plaats door middel van maandelijks interdepartementaal overleg tussen alle betrokkenen van beide ministeries. Daarnaast is er intensieve en continue samenwerking op vele specifieke dossiers binnen het interdepartementale cluster voedselzekerheid.

157

Kunt u aangeven welk percentage van de middelen uit het speerpunt Voedselzekerheid exact ten goede komen aan versterking van de inkomenspositie van kleine boerenbedrijven?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 112

158

Welke landenprogramma's op voedselzekerheid, klimaatbeleid, milieubeleid, klimaat, energie en milieutechnologie zijn stopgezet?

Antwoord:

Op het thema voedselzekerheid zijn in de periode 2012–2014 de programma’s in de partnerlanden Jemen, Afghanistan en Mali stopgezet.

Op het vlak van klimaatbeleid, milieubeleid, klimaat, energie en milieutechnologie financiert BZ geen specifieke landenprogramma’s, behoudens Rwanda waar het programma voor Hernieuwbare energie wordt afgebouwd.

159

Hoe ziet de verdeelsleutel er uit, die is toegepast bij de keuze om het budget voor drinkwater en sanitair met 6%, en integraal waterbeheer met 13% te verhogen?

Antwoord:

De verhoging van het budget voor 2016 is niet gebaseerd op een verdeelsleutel. De cijfers zijn gebaseerd op de lopende meerjarige programma’s met de bijbehorende financiële verplichtingen. Ook zijn in de begroting programma’s opgenomen waarvan verwacht wordt dat een verplichting zal worden aangegaan in 2016. De exacte invulling zal echter afhangen van de wijze waarop zal worden vormgegeven aan de doelstelling in het kader van SDG6 om te bewerkstelligen dat respectievelijk 30 en 50 miljoen mensen toegang krijgen tot veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen. Met de huidige budgettaire verdeling wordt ruim voldaan aan motie Voordewind (33 750 nr. 38), die om een derde van de beschikbare water middelen voor drinkwater en sanitatie verzoekt.

160

Op welke wijze zet u binnen de doelstellingen inzake drinkwater en sanitaire voorzieningen specifiek in op het bereiken van de allerarmsten, en in het bijzonder meisjes en vrouwen?

Antwoord:

De duurzame ontwikkelingsdoelstellingen (Global Goals) vormen de leidraad voor de Nederlandse ambitie op het gebied van drinkwater en sanitatie. De Global Goals richten zich op toegang tot deze diensten voor iedereen in 2030. Dit impliceert dat ook kwetsbare groepen die, om welke reden dan ook geen nu toegang hebben, bereikt moeten worden.

Welke groepen kwetsbaar zijn voor buitensluiting is context afhankelijk en verschilt van land tot land. Goed lokaal beleid is van belang om kwetsbare groepen te kunnen bereiken. Ontwikkeling daarvan wordt gestimuleerd via Nederlandse programma’s. Dit varieert van het introduceren van speciale tarieven voor water voor de allerarmsten tot formulering van nieuw beleid ter ondersteuning van betere hygiëne tijdens de menstruatie.

De inzet op vrouwen en meisjes loopt als een rode draad door drinkwater, sanitatie en hygiëne (WASH) programma’s. Niet alleen omdat zij onevenredig benadeeld worden door afwezigheid van goede voorzieningen, maar ook omdat zij vaak een sleutelrol hebben in hun gemeenschap bij het promoten van goed hygiënisch gedrag. De effecten op meisjes komen goed tot uiting in sanitatieprogramma’s. In 2014 kregen dankzij Nederlandse ondersteuning 1.6 miljoen vrouwen en meisjes toegang tot sanitatie thuis. 234.000 meisjes kregen toegang tot sanitatie op school. Een studie in Bangladesh (BRAC programma) toonde aan dat hierdoor het schoolverzuim van meisjes met 11% af is genomen.

In een toenemend aantal school sanitatieprogramma’s worden de behoeften van leerlingen met een beperking meegenomen bij het ontwerp.

161

Kunt u aangeven wat in 2016 uw plannen zijn rondom de prioriteit «voeding van kwetsbare groepen» binnen het voedselzekerheidsbeleid? Kunt u hierbij in het bijzonder ingaan op de positie van kinderen? In hoeverre ziet u hierbij een rol voor het maatschappelijk middenveld?

Antwoord:

(Zie ook antwoorden vragen 144 en 147).

Een belangrijk uitgangspunt in de uitvoering van het voedselzekerheidsbeleid is de zogenaamde «Dutch Diamond Approach». Partnerschappen zijn daarmee ook een sleutelonderdeel van de Nederlandse inzet op het gebied de verbetering van toegang tot nutriëntrijk voedsel. De publieke sector, private sector, kennisinstituten en het maatschappelijke middenveld werken op voedingsgebied gezamenlijk aan concrete resultaten. Het Amsterdam Initiative against Malnutrition (AIM) is hierbij een aansprekend voorbeeld. ICCO, Hivos en Save the Children Nederland zijn hierin belangrijke partners vanuit het maatschappelijk middenveld.

162

Voedselzekerheid en de productie van biobrandstoffen staan op gespannen voet met ontbossing. Hoe zorgt Nederland ervoor dat er een juiste balans wordt gemaakt? Welke doelen stelt Nederland hiertoe?

Antwoord:

Nederland streeft die juiste balans na langs drie lijnen. Ten eerste door intensivering en innovatie van de productie op bestaand landbouw areaal. Hier valt nog veel te winnen in het verschil tussen gerealiseerde en potentiele opbrengsten. Speciale aandacht gaat daarbij uit naar het kleinschalige boerenbedrijf, dat nog steeds het leeuwendeel van het voedsel produceert en waar ook de meeste winst te behalen valt. Ten tweede door internationale afspraken te maken rond verantwoord investeren in de landbouwsector zowel ten aanzien van voedselgewassen als de verbouw van biobrandstoffen. Nederland bevordert bovendien vrijwillige afspraken in de markt op dit gebied, zoals rond palmolie en soja. Ten derde richt Nederland zich op het bevorderen van de coherentie in beleid binnen Nederland en de EU. Het is evident dat bijvoorbeeld energiebeleid, handelsbeleid en ontwikkelingsbeleid goed op elkaar moeten zijn afgestemd. Nederland stelt zich ten doel een zichtbare bijdrage te leveren aan de mondiale voedselzekerheid.

163

Hoe gaat de bilaterale samenwerking met een aantal landen gericht op hervorming van subsidies op fossiele brandstoffen en ontwikkeling van hernieuwbare energie?

Antwoord:

De samenwerking gericht op hervorming van subsidies op fossiele brandstoffen met een aantal landen loopt via een initiatief van de Wereldbank waar Nederland aan bijdraagt, het Energy Sector Management Assistance Program (ESMAP). Onder dit initiatief wordt een platform opgericht om best practices tussen aangesloten landen uit te wisselen, met name in de regio Noord-Afrika, het Midden-Oosten en de Golf. De Wereldbank helpt landen o.a. met het ontwerp van de hervorming, de politieke economie, met het ontwerp van sociale vangnetten, en de communicatie.

De samenwerking voor ontwikkeling van hernieuwbare energie vindt plaats via de Wereldbank en de multilaterale klimaatfondsen (Climate Investment Funds, Green Climate Fund) in nauwe samenwerking met een groot aantal landen in Sub Sahara Afrika en Azië. Nederland financiert specifieke programma's zoals Energizing Development om ook de allerarmsten toegang te geven tot hernieuwbare energie. Via het Access to Energy Fund van FMO neemt Nederland deel in de financiering van private hernieuwbare energie projecten in ontwikkelingslanden. Daarnaast wordt bilateraal samengewerkt met Tanzania en Mozambique. Voor aan aantal landen in Noord-Afrika wordt bilaterale samenwerking op hernieuwbare energie ontwikkeld met inzet van Nederlandse kennis en expertise, zoals Marokko, Algerije, Egypte en de Palestijnse Gebieden. Ook met de VAE wordt kennis op hernieuwbare energie uitgewisseld.

164

Waar zijn de doelstellingen met betrekking tot hervorming van fossiele brandstofsubsidies? Hoe worden deze vormgegeven?

Antwoord:

zie ook antwoord op vraag 163.

Hervorming van fossiele brandstoffen subsidies is opgenomen in de duurzame ontwikkelingsagenda onder SDG 12 «Sustainable consumption and production».

165

Hoe wordt er in de specifieke genoemde programma’s en partnerships en in het algemeen voor gezorgd dat de productie voor biogassen niet concurreert met de productie van voedselgewassen?

Antwoord:

De productie van biogas uit mest concurreert niet met de productie van voedselgewassen. Integendeel, de mest die uit de biogasinstallatie komt («slurry») is beter van kwaliteit dan gecomposteerde mest, omdat het product beter kan worden opgenomen door de (voedsel)gewassen en weinig ziektekiemen of kiemen van onkruid bevat.

166

In zijn toespraak bij het International Peace Institute (IPI) in New York op 20 januari 2015 refereerde Minister Koenders aan het steunen van Small Island Developing States (SIDS) op het gebied van klimaat en zeespiegelstijging. Hier is echter niets over terug te vinden in paragraaf 2.3. Welke doelen heeft Nederland gesteld voor SIDS? Hoe wil Nederland deze landen helpen op het gebied van klimaat en zeespiegelstijging?

Antwoord:

De Nederlandse kennis op het gebied van watermanagement en kustbescherming is in het bijzonder van belang voor de kleine eilandstaten die nu al worden bedreigd door klimaatverandering. Nederland heeft afgelopen september een beurzenprogramma gelanceerd in samenwerking met UNESCO-IHE en Nuffic om deze kennis beschikbaar te maken voor de SIDS. De middelen die hiermee gemoeid zijn, zijn onderdeel van het waterprogramma. Via het Climate Development Knowledge Centre, CDKN, wordt de Alliance Of Small Island States, AOSIS, en worden de Marshall Islands ondersteund bij de VN klimaatonderhandelingen. Deze uitgaven zijn onderdeel van paragraaf 2.3. De samenwerking met de SIDS krijgt in onderling overleg vorm en volgt geen vooropgestelde doelstelling voor Nederland of de SIDS. Uitgangspunt voor Nederland is dat deze groep landen de plaats in de klimaatonderhandelingen kunnen innemen die ze verdienen (SIDS worden als eerste en het hardst geraakt door klimaatverandering) en toegang krijgen tot de kennis die nodig is om weerbaar te zijn tegen klimaatverandering.

167

Minister Koenders geeft in de IPI ook aan dat Aruba en Curacao ook SIDS zijn. De CO2-uitstoot per capita van Curaçao en Aruba zijn een van de hoogste ter wereld. Hoe verhoudt zich dit tot het uitgesproken kabinetsbeleid van Minister Koenders tijdens de IPI? Hoe wordt hier rekening mee gehouden bij het klimaatbeleid binnen Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking?

Antwoord:

Het Koninkrijk is partij bij de United Nation Framework Convention on Climate Change UNFCCC en het Kyoto protocol, maar deze instrumenten hebben vooralsnog alleen werking voor het Europese deel van het Koninkrijk. Het belang van een ambitieus klimaatverdrag voor het hele Koninkrijk waar Minister Koenders in zijn speech aan refereerde, is echter onverminderd groot. De Caribische delen van het Koninkrijk zijn net als het Europese deel kwetsbaar voor zeespiegelstijging. De ambitie om tot een ambitieus klimaatakkoord te komen is daarom een gedeelde. De delegatie die deelneemt aan de onderhandelingen in Parijs is een Koninksrijksdelegatie met vertegenwoordigers uit alle landen. De gezamenlijke inzet richt zich op de klimaatonderhandelingen en minder op de invulling van internationale klimaatfinanciering.

168

Wat gaat Nederland tijdens de klimaatonderhandelingen in Parijs doen voor ontwikkelingslanden?

Antwoord:

De gevolgen van klimaatverandering dreigen veel successen van de afgelopen zeventig jaar op het gebied van stabiliteit en ontwikkeling ongedaan te maken. Droogte, overstromingen en toename van extreem weer als gevolg van klimaatveranderingen zullen effect hebben op de wereldeconomie, milieu en ecosystemen, ongelijkheid en interstatelijke verhoudingen. Het belangrijkste doel van de klimaattop in Parijs is het overeenkomen van een nieuw mondiaal klimaatakkoord. Het Koninkrijk der Nederlanden zet in op een ambitieus akkoord met brede participatie, dat alle landen in staat stelt naar vermogen bij te dragen aan de oplossing van het klimaatprobleem en tegelijkertijd een sterke impuls geeft aan acties van zowel statelijke als niet-statelijke actoren.

Nederland zet in op een akkoord dat de armste landen en bevolkingsgroepen helpt de gevolgen van klimaatverandering te dragen en op erkenning van de bijzondere omstandigheden van de kleine, in ontwikkeling zijnde eilandstaten (SIDS). Klimaatfinanciering zal een belangrijk onderdeel zijn van de uitkomst van Parijs: we moeten transparant zijn over de beschikbaarheid van financiering en ook private bronnen ten volle inzetten. Nederland zet voorts in op gendergelijkheid en een gender responsief akkoord dat de bijdrage van vrouwen aan de aanpak van het klimaatprobleem voldoende mobiliseert. Over de Nederlandse inzet betreffende het nieuwe klimaatakkoord bent u in juni en augustus geïnformeerd (Kamerstuk 31 793, nr. 116 en nr. 117).

169

Wat gaat Nederland doen aan het mobiliseren van private investeringen voor klimaat in het kader van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking?

Antwoord:

Naar aanleiding van vragen tijdens de begrotingsbehandeling 2015 is op 13 april jl. een brief aan uw Kamer gestuurd over de stand van zaken met betrekking tot de invulling van de private klimaatfinanciering (IGG-2015.153301). In deze brief zijn drie hoofdlijnen geschetst voor de inzet om meer private middelen voor klimaat te mobiliseren:

  • 1.  De «vergroening» van de bestaande samenwerking met de private sector via publiek-private partnerschappen en multilaterale programma’s
  • 2.  Toename van de inzet op klimaat van bilaterale en multilaterale ontwikkelingsbanken
  • 3.  Ontwikkeling van nieuwe instrumenten zoals een nieuw fonds bij FMO: de Climate Development and Finance Facility (inmiddels omgedoopt naar het «Climate Investor One» fonds.

In de brief wordt ook ingegaan op de methodologie voor het rapporteren over private klimaatfinanciering. Deze methode is nog volop in ontwikkeling. Het recente rapport van OECD/CPI «Climate Finance in 2013–14and the USD 100 billion goal» heeft de discussie over de methode internationaal een impuls gegeven. Nederland zal bij het rapporteren over private stromen zoveel mogelijk aansluiten bij methoden die in samenwerking met andere landen en de OESO tot stand zijn gekomen.

170

Het beleid van Nederland is er op gericht om ontwikkelingslanden te helpen het risico op rampen te verminderen, zodat landen weerbaarder worden. Dit is echter niet uit paragraaf 2.3 te halen. Welke doelen heeft Nederland met betrekking tot klimaatadaptatie en disaster risk reduction in welke ontwikkelingslanden? Klimaatdoelstellingen staan op gespannen voet met economische ontwikkeling in ontwikkelingslanden. Hoe zorgt Nederland ervoor dat er een juiste balans wordt gemaakt? Welke doelen stelt Nederland hiertoe?

Antwoord:

De inzet met betrekking tot het vergroten van weerbaarheid krijgt vooral vorm via de programma’s voor watermanagement en voedselzekerheid. De integratie van klimaat in deze programma’s wordt uit artikel 2.3 ondersteund middels bijdragen aan kennisinstelling zoals het Climate Development Knowledge Network (CDKN) en het World Recources Institute (WRI). Deze organisaties ondersteunen in algemene zin de internationale inzet op klimaat en specifiek het bevorderen van een meer klimaatbestendige inzet van Nederland op water, voedselzekerheid en DRR. Nederland streeft ernaar dat de Nederlandse OS inspanningen in brede zin rekening houdt met disaster risk reduction en de gevolgen van klimaatverandering (zoals droogte, overstromingen en extreem weer) en bijdraagt aan het weerbaar maken van met name de armste bevolkingsgroepen tegen deze gevolgen.

171

Klimaatdoelstellingen staan op gespannen voet met economische ontwikkeling in ontwikkelingslanden. Hoe zorgt Nederland ervoor dat er een juiste balans wordt gemaakt? Welke doelen stelt Nederland hiertoe?

Antwoord:

Het is inderdaad van belang dat ook ontwikkelingslanden zich inzetten om hun economische groei los te koppelen van CO2 uitstoot. Dit is de belangrijkste reden om er in de klimaatonderhandelingen voor te pleiten dat alle landen een doelstelling op zich nemen voor het reduceren van hun CO2 uitstoot. Nederland ondersteunt via het Toegang tot Energie Programma zowel de introductie en toename van hernieuwbare energie in ontwikkelingslanden als de capaciteitsopbouw om de transitie naar een duurzame energievoorziening in ontwikkelingslanden vorm te geven. Ook heeft Nederland zich vorig jaar aangesloten bij het initiatief van de VS om geen internationale financiële steun meer te verlenen aan de bouw van kolencentrales.

172

Bij het plaatsen van waterdeskundigen wordt gesproken van «voor Nederland relevante ontwikkelingslanden». Aan welke landen moeten we dan denken? Hoe worden andere landen geholpen?

Antwoord:

In het kader van het partnerschap met de Wereldbank op het gebied van water zullen enkele Nederlandse deskundigen worden gedetacheerd op Wereldbank kantoren in partnerlanden waar Nederland nauw samenwerkt met de Wereldbank op het gebied van water. Landen zoals Bangladesh, Indonesië, Kenia en/of Mozambique worden overwogen. Via detacheringen op het hoofdkantoor van de Wereldbank in Washington zijn Nederlandse waterdeskundigen ook voor andere landen beschikbaar.

173

Kunt u aangeven met welk percentage de kosten van WASH-voorzieningen omhoog gaan door ze duurzamer te maken?

Antwoord

Het is op dit moment niet bekend met welke percentage de kosten voor WASH zullen toenemen door ze duurzaam te maken. Het IRC heeft in 2011 een berekening gemaakt van de kosten die gemoeid zijn met het bouwen, onderhouden én uiteindelijk vervangen van drinkwater en sanitaire voorzieningen. Dit zijn de zogenaamde «life cycle costs». Deze kunnen als richtlijn aangehouden worden. De vaste kosten variëren per type voorziening. Voor water liggen de gemiddelde kosten voor het installeren van de voorziening (vaste kosten) tussen de USD 20 en 152 per persoon. De variabele kosten bedragen tussen de USD 3 en 15 per persoon per jaar. Voor sanitatie gelden vaste kosten van tussen de USD 7 en 358 per latrine en variabele kosten van tussen de USD 1.5 en 11.5 per persoon per jaar. Voor duurzame dienstverlening moeten vooral de variabele kosten beter meegenomen worden in de begroting, planning en uitvoering. Tegenover de kosten van het verduurzamen van de dienstverlening staan ook de baten. Door duurzame toegang tot drinkwater en sanitatie zal op de langere termijn de gezondheidssituatie verbeteren waardoor bijvoorbeeld kosten voor gezondheidszorg omlaag gaan.

174

Kunt u aangeven wat de baten zijn wat betreft een toename in het aantal WASH-voorzieningen dat duurzamer is?

Antwoord

De baten van duurzame toegang tot WASH voorzieningen zijn evident; door te investeren in lokale capaciteit en eigenaarschap en te zoeken naar duurzame financiering van deze voorzieningen zal onderhoud en daarmee functionaliteit beter geborgd zijn en wordt de afhankelijkheid van hulp kleiner. De gebruikers kunnen op deze wijze blijvend profiteren van deze voorzieningen, waardoor de kans op gezondheidsvoordelen toeneemt.

175

Welke concrete resultaten heeft de inzet van Nederland op «climate smart agriculture» opgeleverd?

Antwoord

Dankzij Nederlandse investeringen in duurzame intensivering van de kleinschalige voedsellandbouw verbeterde in 2014 voor 4,5 miljoen boer(inn)en hun inkomensbasis, waardoor zij weerbaarder werden tegen (klimaat)stress (bv hogere gemiddelde temperaturen) en (klimaat)schokken (bv droogtes of overstromingen). Specifiek op klimaatadaptatie gerichte landbouwprogramma’s, die recent zijn opgezet en sinds kort tot uitvoering op veldniveau zijn overgegaan, zullen de komende jaren nog meer concrete klimaatresultaten gaan boeken.

Nederland heeft verder een leidende rol gespeeld bij de totstandkoming van de Global Alliance on Climate Smart Agriculture, een mondiaal multistakeholder platform met meer dan 100 leden (landen, internationale organisaties, bedrijven, kennisinstellingen, NGO’s).

176

Is in het beleid voor verbeterd waterbeheer, drinkwater en sanitatie toegankelijkheid van voorzieningen voor mensen met een beperking een criterium; of wordt dit anderszins gestimuleerd?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 160.

177

Welke klimaatinvesteringen worden gedaan in het Groene Klimaat Fonds?

Antwoord

De eerste investeringsbeslissingen neemt het bestuur van het Fonds naar verwachting begin november 2015 bij de elfde bestuursvergadering.

178

Hoe zorgt het ministerie ervoor dat het geld vanuit het Groene Klimaat Fonds terecht komt bij de mensen die dit het hardst nodig hebben, dat wil zeggen de mensen die direct getroffen worden door klimaatverandering?

Antwoord:

Het Groene Klimaat Fonds streeft ernaar de helft van de middelen in te zetten voor mitigatie en de helft voor adaptatie. Mede door Nederlandse inzet is bereikt dat het Fonds ernaar streeft de helft van de adaptatiemiddelen in te zetten in de allerarmste landen (LDCs), Afrikaanse landen en kleine eilandstaten in ontwikkeling (SIDS).

179

Hoe wordt polair onderzoek bevorderd vanuit Nederland? Welke fondsen staan hier tegenover?

Antwoord:

Het polaire onderzoek dat van overheidswege wordt bevorderd en gefinancierd is vastgelegd in het Nederlandse Polaire Programma (NPP), met een looptijd tot eind 2015. Op jaarbasis bedraagt het NPP-budget EUR 3,7 miljoen (non-ODA). De uitvoering is belegd bij NWO, dat actief internationale samenwerking zoekt (met name met het VK en Duitsland) voor een zo efficiënt mogelijke aanwending van de middelen. Daarnaast doen Nederlandse kennisinstellingen en bedrijven eigenstandig polair onderzoek.

180

Komt de Nederlandse bijdrage aan de Global Environmental Facility ook ten goede aan drinkwater, sanitatie en hygiëne?

Antwoord

Via de Global Environment Facility (GEF) wordt steun gegeven aan de uitvoering van verschillende internationale milieuverdragen. GEF financiert projecten en programma’s in met name ontwikkelingslanden en landen met een economie in transitie op het gebied van biodiversiteit, klimaatadaptatie en mitigatie, chemicaliën en afval, internationale wateren en landdegradatie. De investeringen en activiteiten dragen bij aan de verbetering van het milieubestuur en hebben een positieve invloed op het wereldwijde milieu.

De GEF richt zich daarbij niet specifiek op het verbeteren van drinkwater, sanitatie en hygiëne. De GEF activiteiten dragen hier wel indirect aan bij. Door het verbeteren van stroomgebied/grondwater beheer wordt bijgedragen aan het waarborgen van de hoeveelheid en kwaliteit van water dat zowel voor productieve als consumptieve doeleinden gebruikt kan worden. Ook het bestrijden en voorkomen van watervervuiling draagt bij aan het in standhouden van watervoorraden die voor menselijk gebruik essentieel zijn.

181

Hoe verbetert de Global Environmental Facility de rol van vrouwen?

Antwoord

De Global Environment Facility (GEF) ziet gendergelijkheid als een belangrijk maatschappelijk doel. GEF streeft naar wereldwijde duurzame ontwikkeling door het bevorderen van gendergelijkheid en empowerment van vrouwen. In 2014 heeft GEF hiertoe het Gender Equality Action Plan aangenomen. Het plan vereist dat het GEF secretariaat en de verschillende GEF agentschappen beleid hebben onder meer inzet op capaciteitsopbouw, de verbetering van gender in de projectcyclus en het monitoren van vooruitgang. Mede op aandringen van Nederland heeft het GEF secretariaat een gender expert aangesteld met de benodigde status en ervaring en is een gender en «social issues» team opgezet.

182

Hoeveel budget is er gereserveerd voor klimaatmitigatie en adaptatie?

Antwoord

Bijlage 7 van de HGIS nota 2016 geeft een uitsplitsing van de verwachte klimaatuitgaven in 2016. De klimaatinzet via water en voedselzekerheid is hoofdzakelijk adaptatie. De inzet op de andere artikelen bestaan uit mitigatie, adaptatie en projecten die daaraan bijdragen. In 2014 was 44% van de Nederlandse inzet gericht op adaptatie. Mede gebaseerd op deze ervaring is de verwachting is dat in 2015 en 2016 ongeveer de helft van de klimaatuitgaven adaptatie zal zijn.

183

Wat zijn de Nederlandse beleidskeuzes rondom klimaatfinanciering voor ontwikkelingslanden? Kunnen die beleidskeuzes voorafgaand vastgesteld worden in plaats van achteraf? Zo niet, wat zijn de beperkingen – waarom kan het niet?

Antwoord

De Nederlandse klimaatfinanciering richt zich op energie (toegang tot hernieuwbare energie en CO2 reductie), integraal landschapsbeheer en bossen, watermanagement en klimaatbestendige landbouw. Uitgangspunten bij de klimaatinzet zijn dat er zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de belangen van de allerarmsten, dat gender integraal onderdeel is van de inzet en dat de betrokkenheid van de private sector wordt bevorderd. De beleidskeuzen zijn vooraf gemaakt. Doordat de klimaatinzet onderdeel is van alle programma’s waar klimaatverandering een rol speelt (met name energie, water en voedselzekerheid) is pas achteraf te bepalen waar de totale financiële inzet toe optelt over het voorgaande jaar. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de door de OESO ontwikkelde Rio-markers.

184

In het beleidsartikel 3.1. is de toegezegde oormerking van EUR 5 miljoen voor projecten gericht op veilige abortus in ontwikkelingslanden niet terug te vinden. Kunt u specificeren hoe de gewijzigde motie Van Laar en Sjoerdsma (Kamerstuk 33 625, nr. 76) om EUR 5 miljoen euro te oormerken voor projecten voor veilige abortus) zijn weerslag heeft gevonden in deze begroting?

Antwoord:

De toegezegde financiering specifiek voor veilige abortus wordt vanaf 2016 verstrekt door middel van subsidies onder begrotingsartikel 3.1, Centrale programma’s SRGR en HIV/Aids. Enkele van de NGO-allianties met wie onder het nieuwe SRGR Partnerschapsfonds momenteel een partnerschap wordt uitgewerkt voor de periode 2016–2020 zullen gericht aandacht besteden aan abortus. Met de internationale NGO iPAS wordt in aanvulling hierop onder ditzelfde begrotingsartikel, subonderdeel Subsidies, een nieuw partnerschap afgesloten voor diezelfde periode, specifiek gericht op abortus. Ook enkele andere internationale NGO’s waarmee wordt samengewerkt, besteden aandacht aan veilige abortus. Via deze verschillende programma’s samen zal op jaarbasis ruim EUR 5 miljoen worden besteed aan veilige abortus.

185

Komt Nederland met het bedrag van € 350 miljoen voor publieke klimaatfinanciering in 2016 haar internationale verplichtingen na?

Antwoord

De verplichting om in 2.020 USD 100 miljard per jaar te mobiliseren aan klimaatmiddelen (publiek en privaat) is een collectieve verplichting van alle annex I landen (VS, EU en Japan). De verplichting is aangegaan voor 2020 zonder tussendoelen tussen nu en 2020. Er is de afgelopen jaren in de onderhandelingen wel toegezegd dat donoren zich zullen inspannen voor een geleidelijke stijging de komende jaren. Nederland heeft hieraan voldaan en jaar op jaar een stijging van de klimaatinzet kunnen rapporteren. De totale omvang van publiek en private inzet is in 2014, 2015 en 2016 in lijn met de inschatting in het rapport van de Rekenkamer dat op 11 december 2012 op verzoek van de Kamer werd opgesteld over de omvang van het Nederlandse fair share in de internationale klimaatfinanciering. Nederland streeft ernaar om deze stijging vol te houden.

186

Meerdere landen waaronder het Verenigd Koninkrijk (VK), Frankrijk, Duitsland en China hebben de afgelopen maanden hun bijdrage aan internationale klimaatfinanciering verhoogd. Is Nederland dat ook van plan en hoe wordt de financiering daarvan geregeld?

Antwoord

De Nederlandse klimaatfinancieringsbijdragen worden per jaar bepaald en vastgelegd in de HGIS nota. In het regeerakkoord is afgesproken dat klimaatfinanciering onderdeel is van de begroting voor ontwikkelingssamenwerking. Daarnaast is in internationaal verband afgesproken dat ook private financiering, mits deze gemobiliseerd is door middel van een publieke bijdrage, mee telt bij de nationale klimaatfinancieringsdoelstelling. Op 9 oktober, tijdens de Climate Finance Ministerial gedurende de najaarsvergadering van de IMF/Wereldbank heeft de Minister van Financiën aangekondigd dat de Nederlandse klimaatfinancieringsdoelstelling voor 2.016 EUR 550 miljoen is. Dit is een verhoging van de Nederlandse klimaatfinancieringsdoelstelling van EUR 110 miljoen ten opzichte van 2015. De doelstelling bestaat uit EUR 350 miljoen publieke klimaatfinanciering en EUR 200 miljoen private klimaatfinanciering. De publieke en private bedragen worden sinds de HGIS nota voor 2015 afzonderlijk in de klimaatstaat van de HGIS nota genoemd.

187

Op pagina 8 van de begroting spreekt u over een geïntegreerde 3D-benadering (defense, diplomacy, development). Tegelijkertijd zet u met het nieuwe beleidskader Samenspraak en Tegenspraak slechts in op één onderdeel, namelijk diplomacy. Hoe rijmt u deze tegenstelling in uw eigen beleid? Bent u van mening dat er hierbij sprake is van een «geïntegreerde 3D-benadering»? Vraagt de huidige situatie met grote vluchtelingenstromen juist niet meer om nadruk op defense?

Antwoord:

Voor Nederland staat de geïntegreerde benadering centraal als het gaat om de inzet op het gebied van veiligheid, stabiliteit en ontwikkelingssamenwerking in fragiele staten en conflictgebieden. Nederland beziet per situatie welke combinatie van instrumenten uit de geïntegreerde benadering het beste kan worden ingezet om de situatie te verbeteren. De geïntegreerde benadering betekent niet dat altijd, tegelijkertijd en in gelijke mate, op alle sporen wordt ingezet.

Het nieuwe beleidskader Samenspraak en Tegenspraak gaat niet alleen over diplomacy, maar om het combineren van development en diplomacy, met onder andere als doel een beter functionerende overheid en daardoor betere levensomstandigheden.

De vluchtelingenproblematiek vraagt om een brede inzet van het kabinet, inclusief van defensie. De inzet van defensie in conflictgebieden is gericht op stabilisering en daarmee op uiteindelijk terugkeer van ontheemden naar eigen huis en haard. Daarnaast is defensie actief betrokken bij de opvang van vluchtelingen in Nederland.

188

Kunt u in een overzicht geven van de bijdrage aan (inter)nationale organisaties uitgesplitst per jaar, van de afgelopen vijf jaar?

Antwoord:

Hieronder vindt u een overzicht van de jaarlijkse bijdragen aan (inter)nationale organisaties in het kader van Seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (artikel 3.1 van de BHOS-begroting) en Gelijke rechten en kansen voor vrouwen (artikel 3.2 van de BHOS-begroting). In het overzicht zijn alle (inter)nationale organisaties opgenomen die in de afgelopen 5 jaar in totaal een bijdrage van 1 miljoen Euro of meer hebben ontvangen of nog steeds ontvangen. De bijdragen voor 2015 hebben betrekking op de uitgaven tot en met 3 november 2015.

Organisatie

2011

2012

2013

2014

2015

17.03.01 Seksuele en reproductieve gezondheid en rechten voor iedereen en een halt aan de verspreiding van HIV/Aids

AFSA-DUTCH PROGRAMME

1,149,731

301,422

     

AMPPF-ASSOCIATION MALIENNE POUR LA PROMOTION ET LA PROTECTION DE LA FAMILIE

852,019

401,290

2,380,290

1,217,745

899,222

AMSTERDAM INSTITUTE FOR GLOBAL HEALTH AND DEVELOPMENT

 

232,500

248,514

294,032

356,637

ANICT

 

3,076,000

2,286,735

1,278,686

586,936

ASDAP ASSOCIATION DE SOUTIEN AU DEVELOPPEMENT DES ACTIVITES DE POPULATION

     

720,723

1,426,790

ASSOCIATION BENINOISE DE MARKETING SOCIAL ABMS

       

2,000,000

ASSOCIATION BENINOISE POUR LA PROMOTION DE LA FAMILLE

 

300,000

636,484

400,000

88,516

AUSAID

286,000

1,169,600

     

BANGLADESH LEGAL AID AND SERVICES TRUST (BLAST)

   

464,600

443,007

181,185

BRAC

1,000,000

1,448,200

631,310

   

CARE INTERNATIONAL

 

1,034,684

1,907,032

982,656

1,134,016

CCBRT-COMPETITIVE COMMUNALITY BASED REBALITATION PROGRAMME IN TANZANIA

1,900,000

1,512,462

85,712

   

CHAZ – CHURCHES ASSOCIATION OF ZAMBIA

229,868

600,600

492,249

31,922

 

CONSORTIUM OF REPRODUCTIVE HEALTH ASSOCIATIONS

 

349,018

800,064

   

DFID DEPARTMENT FOR INTERNATIONAL DEVELOPMENT

1,200,000

1,149,152

     

DHO – DHAMAR HEALTH OFFICE

 

1,155,000

226,600

   

DKT INTERNATIONAL GHANA

 

1,556,984

5,751,358

3,696,046

1,564,824

DKT-ETHIOPIA

7,000,000

4,620,000

3,295,696

4,290,249

3,356,133

FAMILY CARE INTERNATIONAL

     

770,407

583,584

FAMILY PLANNING ASSOCIATION

350,000

700,000

973,835

341,165

 

FAWEZA

 

582,298

648,118

   

FGAE-THE FAMILY GUIDANCE ASSOCIATION OF ETHIOPIA

1,720,000

2,204,652

2,719,684

2,436,000

2,304,000

GFATM

69,100,000

39,500,000

67,000,000

73,300,000

53,000,000

GROUPE PIVOT SANTE POPULATION

 

1,087,061

116,050

   

HEALTH BASKET FINANCING

17,000,000

11,000,000

     

HEALTHNET – TPO

 

610,241

605,000

1,026,732

814,972

HIVOS

 

389,504

1,460,635

506,062

1,252,256

HMIS STRENGTHENING PROJECT

 

1,520,000

1,393,000

   

ICCO – INTERCHURCH ORGANIZATION FOR DEVELOPMENT COOPERATION

 

1,290,134

445,844

340,106

923,312

ICDDR'B INT CENTRE FOR DIARRHOEAL DISEASE RESEARCH

379,469

826,310

478,384

159,008

64,432

INTERNATIONAL CIVIL SOCIETY SUPPORT

 

500,000

350,000

140,000

300,000

IOM – INT. ORGANIZATION FOR MIGRATION

137,020

1,221,220

27,345

700,000

2,436,041

IPAS

1,628,120

3,450,770

4,321,605

3,126,845

2,375,000

IPPF – INTERNATIONAL PLANNED PARENTHOOD FEDERATION

4,400,000

2,900,000

3,030,000

2,000,000

2,795,000

MAECI

9,052,738

2,500,000

5,714,954

1,449,980

126,533

MARIE STOPES INTERNATIONAL

1,600,000

4,929,655

5,757,326

5,675,298

3,810,085

MEDIA IN EDUCATION TRUST

1,427,808

1,532,704

891,073

753,486

612,714

MINEC-MINISTERIO DE NEGOCIOS ESTRANGEIROS E COOPERACAO MOZAMBIQUE

8,300,000

8,000,000

8,000,000

8,000,000

8,000,000

MINGZ BURKINA FASO

7,248,950

       

MINISTERIO DE SALUD NICARAGUA

2,000,000

       

MINISTRY OF FINANCE AND ECONOMIC PLANNING GHANA

18,000,000

18,000,000

     

MINISTRY OF HEALTH ETHIOPIE

 

4,000,000

5,714,286

11,295,742

 

MINISTRY OF HEALTH VIETNAM

4,626,502

3,436,736

     

NDLOVU MEDICAL TRUST

1,394,241

1,562,257

739,529

   

NORTH STAR ALLIANCE

790,000

1,530,084

1,105,000

980,000

1,112,681

PAHO – PAN AMERICAN HEALTH ORGANIZATION

811,104

192,791

13,083

12,429

12,102

PHARMACIE POPULAIRE DU MALI (PPM)

 

2,515,409

     

PLAN INTERNATIONAL

 

850,118

291,879

   

PSI (POPULATION SERVICES INTERNATIONAL)

15,067,912

12,367,150

16,990,012

10,842,862

6,860,549

SFDYE-SOCIAL FUND FOR DEVELOPMENT YEMEN

 

1,068,647

 

1,160,972

 

SIDA – SWEDISH INTERN.DEVELOPMENT COOP.AGENCY

       

1,000,000

SOUL FOR THE DEVELOPMENT OF WOMEN AND CHILDREN

   

500,000

186,398

491,609

SOUTHERN AFRICAN AIDS TRUST

800,000

350,000

     

STICHTING AIDS FONDS

     

587,520

492,969

STICHTING SINT VINCENTIUS ZIEKENHUIS

1,392,285

46,500

     

THE WORLD BANK

7,780,000

   

4,028,000

 

UN WOMEN (V/H UNIFEM)

 

1,017,869

1,132,090

935,476

 

UNAIDS

25,411,870

20,000,000

20,000,000

20,290,177

20,000,000

UNDP/PNUD

   

3,700,000

5,300,000

 

UNFPA – UNITED NATIONS POPULATION FUND

72,387,378

71,635,901

77,903,171

66,648,559

42,079,745

UNICEF

3,666,262

10,257,685

5,719,814

16,716,000

5,000,000

UNITED NATIONS OFFICE ON DRUGS AND CRIME

 

514,706

 

988,000

1,052,280

WHO (WORLD HEALTH ORGANIZATION)

24,438,266

12,883,600

20,551,968

16,428,206

15,699,122

WITS HEALTH CONSORTIUM (PTY) LTD

1,629,713

1,869,941

1,148,965

   

YAMAAN FOUNDATION FOR HEALTH & SOCIAL DEVELOPMENT

 

500,000

700,000

 

810,686

17.03.02 Gelijke rechten en kansen voor vrouwen

CONPROGT

104,606

652,063

242,400

62,033

 

GWA SECRETARIAAT

   

650,000

500,000

 

HEAL AFRICA

1,452,843

1,410,010

1,475,046

209,000

779,566

HIVOS

1,067,045

1,049,999

1,520,000

   

OXFAM NOVIB

 

987,971

1,062,029

950,000

3,081

POPULATION COUNCIL

440,950

908,283

660,241

599,419

319,113

SIDA – SWEDISH INTERN.DEVELOPMENT COOP.AGENCY

       

1,200,000

STEPS TOWARDS DEVELOPMENT

758,919

1,036,069

     

UN WOMEN (V/H UNIFEM)

8,284,000

9,146,405

7,800,000

6,449,046

5,947,368

UNDP/PNUD

1,692,890

       

WFP (WORLD FOOD PROGRAMME)

   

483,769

1,020,226

296,000

189

Kan de 2% niet juridische verplichting worden uitgesplitst in subbeleidsartikelen op beleidsartikel 3?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 2.

190

Hoe kijkt u aan tegen het toevoegen van een extra begrotingsregel voor het versterken van het gezondheidssysteem?

Antwoord

Beleidsprioriteit van het kabinet, en één van de vier speerpunten van het OS-beleid, is seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR), inclusief hiv/aids (artikel 3.1). Het beleid op dit speerpunt is uiteengezet per brief aan de Tweede Kamer van 7 mei 2012 (Kamerstuk: Kamerbrief 07-05-2012). Als onderdeel van de inzet op dit beleidsterrein wordt ook gewerkt aan de versterking van gezondheidssystemen en verbeterde samenwerking tussen publieke en private gezondheidszorg. Dit vormt een integraal onderdeel van de inzet op SRGR inclusief hiv/aids.

191

Waarom zijn de subsidies aan vakbonden en SNV omlaag gebracht? Wat betekent dit voor deze organisaties?

Antwoord:

De subsidies aan de vakbonden en SNV zijn omlaag gebracht enerzijds wegens bezuinigingen en anderzijds omdat is gekozen om geen aparte instellingssubsidie aan organisaties te verstrekken. Zowel de vakbonden als SNV konden meedingen naar subsidie binnen het beleidskader «Samenspraak en Tegenspraak». Op die manier ontvangen de vakbonden en SNV per 1 januari 2016 financiering uit het beleidskader Samenspraak en Tegenspraak.

192

Waaruit bestaan de «Centrale programma’s SRGR & HIV/Aids»? Kunt u deze uitsplitsen naar de verschillende bijdragen en programma’s die daar onder vallen?

Antwoord:

Onder het kopje Subsidies – Centrale programma’s SRGR & HIV/Aids binnen het beleidsartikel 3.1 vallen het nieuwe, geïntegreerde SRGR Partnerschapsfonds en subsidies aan enkele internationale NGO’s met een unieke systeemfunctie en Amplify Change (samen EUR 70 miljoen op jaarbasis), enkele op onderzoek gerichte programma’s waaronder het fonds voor Product Development Partnerships, het fonds Life Sciences and Health for Development en het Kennisplatform SRGR (samen bijna EUR 20 miljoen), GAVI (gemiddeld EUR 50 miljoen op jaarbasis) en eindbetalingen onder een aantal in 2015/2016 aflopende subsidiekaders (ongeveer EUR 11 miljoen). Daarnaast worden onder dit onderdeel enkele kleinere subsidies verstrekt, zoals ten behoeve van de «Leerstoel Joep de Lange» en de voorbereidingen voor de Aids2018 conferentie in Amsterdam.

193

Kunt u aangeven op welke posten en programma’s binnen het SRGR budget 3.1 is bespaard?

Antwoord:

Er is geen sprake van bezuinigingen op het SRGR-budget. Om redenen van budgettaire krapte moet tussen begrotingsjaren wel worden geschoven met betalingen op lopende verplichtingen.

194

Kunt u een overzicht geven van de gerealiseerde uitgaven (opgesplitst in core funding en vrijwillige bijdragen) voor het United Nations Population Fund (UNFPA) van de afgelopen 5 jaar aan het Global Programme for Reproductive Health Commodity Security (GPRHCS)?

Antwoord:

De bijdragen aan het Global Programme for Reproductive Health Commodity Security (GP-RHCS) – dat sinds kort UNFPA Supplies heet – van 2011 tot en met september 2015 bedragen EUR 124 miljoen. Er is in 2015 een bijdrage van 25 miljoen voor dit programma voorzien. Het betreft een vrijwillige, maar ongeoormerkte bijdrage aan het GP-RHCS.

195

Hoe verhoudt het huidige budget van UNFPA zich tot de ontwerpbegroting en voorjaarsnota? Kunt u dit toelichten aan de hand van de door u eerder gedane uitspraak in uw brief aan de Kamer over multilaterale instellingen (Kamerstuk 33 625, nr. 170), en uw uitspraken om «organisaties, die effectief zijn georganiseerd en van grote toegevoegde waarde zijn voor de beleidsagenda voor Buitenlandse Handel en Ontwikkeling, waaronder UNFPA» (dd 1 juli 2015)?

Antwoord:

Voor informatie over intensivering wordt verwezen naar de brief die uw Kamer zal toegaan over de Nederlandse bijdragen aan multilaterale organisaties, zoals is toegezegd tijdens het AO Multilaterale Organisaties op 1 juli 2015.

196

Valt de bestrijding van seksuele slavernij van meisjes en vrouwen in ontwikkelingslanden ook onder de thema's 03.01 en 03.02 omdat deze uitbuiting en vernedering zowel hun gezondheid als rechten schaadt?

Antwoord:

De bestrijding van seksueel geweld tegen meisjes en vrouwen is onderdeel van de inzet van het kabinet op SRGR, vrouwenrechten en gendergelijkheid. Zoals verzocht in de Motie van Laar van 20 november 2014 (Kamerstuk 34 000 XVII, nr. 22), wordt de komende vijf jaar 3 miljoen euro op jaarbasis besteed aan de bestrijding van kinderprostitutie. In het kader van het nieuwe SRGR-fonds (onder beleidsartikel 03.01) zal Nederland in 2016 een Strategisch Partnerschap aangaan met een alliantie van maatschappelijke organisaties die zich onder leiding van Terre des Hommes inspant om seksueel misbruik van meisjes aan te pakken. De overige partners in deze alliantie zijn Plan Nederland, Free a Girl, Stichting Defence for Children International Nederland-ECPAT Nederland en Stichting Interkerkelijke Organisatie voor Ontwikkelingssamenwerking ICCO Cooperation.

Binnen het beleidsartikel 03.02 levert Nederland via het Funding Leadership and Opportunites for Women (FLOW) een niet geoormerkte bijdrage aan de uitbanning van geweld tegen vrouwen en meisjes in brede zin.

197

Waar wordt de extra 30 miljoen euro binnen 03.01 aan besteed?

Antwoord:

Deze EUR 30 miljoen wordt besteed aan:

  • •  een lichte verhoging van het totaal aan subsidiebedragen aan NGO’s;
  • •  een lichte verhoging van fondsen voor ambassadeprogramma’s in SRGR partnerlanden (om een eerdere terugval van het aandeel van decentrale programma’s op SRGR inclusief hiv/aids in partnerlanden op te vangen.);
  • •  dekking van enkele betalingen die door budgettaire krapte niet in 2015 kunnen plaatsvinden en moeten worden doorgeschoven naar 2016;
  • •  dekking van eindbetalingen op aflopende subsidies, die samenvallen met eerste betalingen op nieuwe subsidies;
  • •  dekking van een deel van de bijdrage aan GAVI.

198

Kunt u toelichten waaruit het begrote bedrag voor Versterkt Maatschappelijk Middenveld (3.3) is opgebouwd?

Antwoord:

Het onder beleidsartikel 03.03 begrote bedrag voor het Versterkt Maatschappelijk Middenveld bestaat grotendeels uit de bijdragen aan het nieuwe beleidskader Samenspraak en Tegenspraak waarbinnen de Strategische Partnerschappen, het Accountability fund en het VOICE fund vallen. Daarnaast is onder dit beleidsartikel budget gereserveerd voor de laatste betalingen aan uitvoerders van het MFS II programma. Ten slotte vallen de onder dit artikel aflopende instrumenten van het vakbondsmedefinancieringsprogramma VMP, NCDO, SNV en de Twinningsfaciliteit Suriname.

199

Kunt u toelichten waaruit het begrote bedrag voor Strategische partnerschappen (3.3) is opgebouwd?

Antwoord:

Het onder beleidsartikel 03.03 begrote bedrag voor Strategische Partnerschappen in het kader van «Samenspraak en Tegenspraak» bestaat uit de bijdragen aan de 25 Strategische Partnerschappen, het Accountability fonds, het VOICE fonds en de laatste betalingen aan uitvoerders van het MFS II programma.

200

In september is een evaluatie gepresenteerd over het MFS-2. U heeft toegezegd met een reactie te komen. Wanneer kan de Kamer deze reactie tegemoet zien?

Antwoord:

De Kamer kan in november 2015 de reactie op de evaluatie van het MFS II tegemoet zien.

201

Bent u bereid een impactanalyse te maken van de exacte gevolgen van de bezuinigingen op het maatschappelijk middenveld?

Antwoord:

Conform het Reglement Periodiek Evaluatieonderzoek van het Ministerie van Financiën zal in 2016 een beleidsdoorlichting van het maatschappelijk middenveld door IOB plaatsvinden. De effecten van de bezuinigingen op het maatschappelijk middenveld in de periode van de beleidsdoorlichting (2012–2015) zullen daarin een plek krijgen.

202

Kunt u aangeven hoe u denkt uw toezegging om 25% van de ODA-middelen via het maatschappelijke kanaal in te zetten, te behalen in 2016?

Antwoord:

Zoals ik heb toegezegd in het AO van 22 april vind ik het belangrijk om een kwart van mijn begroting via maatschappelijke organisaties te besteden afgezien van de asieltoerekening.

Maatschappelijke organisaties krijgen op een aantal manieren ruimte geboden:

  • −  Sommige thematische programma’s zijn exclusief toegankelijk voor maatschappelijke organisaties zoals Samenspraak en Tegenspraak, het SRGR Fonds, FLOW en de Strategische Partnerschappen in chronische crises.
  • −  Publiek Private Partnerschappen binnen de speerpunten die mogelijkheden bieden voor samenwerking tussen bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen.

Op 27 mei is het Local Employment in Africa for Development (LEAD) fonds aangekondigd, waarbij EUR 25 miljoen wordt ingezet ter financiering van initiatieven van maatschappelijke organisaties en sociale ondernemers die jong ondernemerschap ondersteunen.

203

Wat is er gebeurd met de onderwijsprogramma's? Welke projecten zijn daarmee beëindigd?

Antwoord:

De programma’s voor basisonderwijs zijn afgebouwd. De programma’s voor hoger onderwijs worden via het capaciteitsversterkingsprogramma NICHE en het beurzenprogramma NFP gecontinueerd. De programma’s voor beroepsonderwijs worden deels ook via het NICHE programma gecontinueerd of zijn geïntegreerd binnen de speerpunten.

In 10 partnerlanden is de steun aan de onderwijssector beëindigd (zie Kamerbrief: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2014/02/05/kamerbrief-over-voortgang-uitfasering-bilaterale-ontwikkelingssamenwerking). Daarnaast is de steun aan basisonderwijsprogramma’s via multilaterale kanalen, zoals het Global Partnership for Education (GPE) en het Education for All Global Monitoring Report beëindigd.

204

Wat is er gebeurd met de internationale onderwijsinstituten? Welke projecten zijn hiermee beëindigd?

Antwoord:

De internationale onderwijsinstituten vervullen belangrijke taken met betrekking tot onderwijs (beurzen), onderzoek en capaciteitsopbouwprojecten in lage- en middeninkomenslanden. Het budget voor deze instellingen is de afgelopen jaren als onderdeel van de bezuinigingen op de BHOS-begroting lager geworden. De totale bijdrage vanuit ODA-middelen aan de zes internationale onderwijsinstellingen zal in 2.016 EUR 43 miljoen bedragen. De instellingen hebben de bezuinigingen op verschillende manieren opgevangen; via beëindiging van activiteiten en daarmee aantrekken van minder studenten, via de verhoging van collegegelden of via het verwerven van extra inkomsten.

205

Hoe zorgt u ervoor dat het programma voor Seksuele en Reproductieve Gezondheid en Rechten (SRGR) inclusief is voor mannen, vrouwen en jongeren met een beperking? Worden zij bereikt via de huidige programma’s die Nederland financiert?

Antwoord:

In het beleid voor SRGR inclusief hiv/aids is het bereiken van gemarginaliseerde en/of gestigmatiseerde mensen één van de kerndoelstellingen en wordt er onder meer specifiek op ingezet om meer respect te bewerkstelligen voor de seksuele en reproductieve rechten van groepen mensen aan wie deze rechten worden onthouden. Hierbij wordt speciaal aandacht besteed aan sociaaleconomisch uitgesloten bevolkingsgroepen, groepen mensen die gestigmatiseerd worden, zoals sekswerkers, LHBT en injecterende drugsgebruikers, alsook aan jongeren. In het nieuwe, geïntegreerde subsidiekader voor SRGR (SRGR Partnerschapsfonds) is de nadruk gelegd op het bereiken van jongeren en op het bevorderen van de seksuele en reproductieve rechten van mensen aan wie deze rechten worden onthouden. Er is geen doelgroepenbeleid voor mensen met een beperking, maar de rechtenbenadering benadrukt het recht van iedereen op effectieve toegang tot seksuele en reproductieve gezondheid en andere rechten.

206

Hoe is de verhoogde bijdrage van EUR 50 miljoen die ter beschikking wordt gesteld aan GAVI nu precies gedekt?

Antwoord:

Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar de brief die uw Kamer zal toegaan over de Nederlandse bijdragen aan multilaterale organisaties, zoals is toegezegd tijdens het AO Multilaterale Organisaties op 1 juli 2015.

207

Kunt u uitsplitsen welke internationale NGO's zijn ondergebracht bij de centrale programma’s SRGR & HIV/Aids en met welke bijdrage per NGO?

Antwoord:

Binnen deze centrale programma’s zullen vanaf 2016 partnerschappen worden aangegaan met enkele internationale NGO’s die op het gebied van SRGR en/of hiv/aids een unieke systeemfunctie vervullen. Voorbeelden van deze organisaties zijn International Planned Parenthood Federation, iPAS, Interational Hiv Aids Alliance, Population Services International en Girls not Brides. De verdeling van de fondsen die beschikbaar zijn voor dit type internationale NGO’s (totaal EUR 25 mln. in 2016) is nog niet definitief vastgesteld. Ook in de door Nederlandse NGO’s geleide allianties, waarmee onder het SRGR Partnerschapsfonds samenwerking wordt aangegaan, zijn internationale NGO’s vertegenwoordigd. Een overzicht van de bijdrage per NGO kan momenteel nog niet worden gegeven omdat besprekingen over de invulling van deze partnerschappen nog gaande zijn. Daarbij wordt ook toegezien op consistentie met de SRGR-partnerschappen met door Nederlandse NGO’s geleide allianties.

208

Kunt u aangeven waar de internationale NGO's die niet zijn ondergebracht bij de centrale programma’s, dan wel zijn ondergebracht, en met welke bijdrage?

Antwoord:

Ook onder het subartikel onder 3.01 – «Bijdragen (inter)nationale organisaties» worden enkele bijdragen verstrekt aan NGO’s. Deels gaat het hier om afsluitende bijdragen onder een aflopend subsidiekader (Strategische Alliantie Internationale NGO’s (in 2016 nog EUR 1,5 miljoen). Verder verstrekken enkele ambassades met een decentraal programma op het gebied van SRGR inclusief hiv/aids ook bijdragen aan internationale NGO’s.

209

Op pagina 49 van de memorie van toelichting verwijst u naar de verhoogde bijdrage van EUR 50 miljoen aan GAVI. In de motie-Van Laar die de Kamer hierover heeft aangenomen (Kamerstuk 34 000 XVII, nr. 24) wordt verwezen naar een dekking voor deze investering uit de vrijwillige afdrachten aan andere multilaterale organisaties. Welke vrijwillige afdrachten zijn hierdoor verminderd?

Antwoord:

Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar de brief die uw Kamer zal toegaan over de Nederlandse bijdragen aan multilaterale organisaties, zoals is toegezegd tijdens het AO Multilaterale Organisaties op 1 juli 2015.

210

Wordt in de verbeterde kennis bij diplomatie, militairen en civiele experts om effectief om te kunnen gaan met gender-gerelateerd geweld, ook kennis ten aanzien van vrouwen met een beperking meegenomen?

Antwoord:

In de trainingen van diplomaten, militairen en civiele experts ter voorbereiding op deelname aan civiel-militaire operaties komen verschillende aspecten aan bod om conflict-gerelateerd seksueel geweld effectief tegen te gaan. In deze trainingen wordt specifiek ingegaan op de factoren die wel of niet bijdragen tot de kwetsbaarheid van bepaalde groepen. Lichamelijke en/of mentale beperking kan de kwetsbaarheid van meisjes, jongens, vrouwen en mannen vergroten in (post-)conflict en fragiele staten. Vooral meisjes en vrouwen met beperking lopen grote risico’s. Dit krijgt specifieke aandacht in de trainingsprogramma’s.

211

U spreekt van verbeterde opvang van vluchtelingen in de regio. Kunt u concreet toelichten wat u hieronder verstaat? Wat moet er allemaal gebeuren om van goede opvang te spreken?

Antwoord:

Verbeterde opvang in de regio is hard nodig. Naast noodhulp zet Nederland zich in voor structurele verbeteringen van de levensomstandigheden en kansen van vluchtelingen in de regio. Het doel daarvan is hen daar een menswaardig bestaan en een (economisch) toekomstperspectief te bieden. Redenen voor vluchtelingen om verder te migreren naar Europa zijn een gebrek aan een inkomen en onderwijs.

Ook de overheden en inwoners van Libanon, Jordanië en Turkije staan onder druk vanwege de enorme instroom van vluchtelingen. Het is belangrijk dat ook zij ondersteund worden. Samen met andere partners zoals EU, VN en Wereldbank, en de Nederlandse ambassades in de regio werkt het kabinet daarvoor concrete plannen uit.

212

Hoe wilt u de opvang van vluchtelingen verbeteren en de paraatheid voor tijdige en effectieve rampenrespons vergroten?

Antwoord:

Om te voorkomen dat mensen – die onder andere door conflict huis en haard hebben verlaten – verder vluchten moeten zij in staat worden gesteld in hun eerste levensbehoeften te kunnen voorzien. Nederland draagt daarom substantieel bij aan humanitaire hulp in crisissituaties. Hulporganisaties, waaronder WFP, zorgen met deze middelen onder andere voor onderdak en voedselhulp.

Wanneer een vluchtelingensituatie langer voortduurt, zoals bijvoorbeeld in Syrië, stelt dat andere eisen aan de opvang dan in een acute noodsituatie. Daarom steunt Nederland het verstrekken van voedselvouchers waarmee vluchtelingen zelf hun voedsel op de lokale markt kunnen inkopen. Op die manier kunnen vluchtelingen zelf keuzes maken in hun voedselvoorziening. Daarnaast zet Nederland in op onderwijs, gezondheidszorg en psychosociale hulp, waardoor het langetermijnperspectief van mensen verbetert.

Ook verstrekt Nederland steun om de infrastructuur van opvanglanden in de regio te verbeteren. Zo werken VNG en gemeente Amsterdam samen met lokale autoriteiten in Jordanië om gemeentelijke diensten zoals stedelijke planning, drinkwatervoorziening en afvalverwerking te verbeteren.

Ten aanzien van paraatheid geldt dat Nederland begin 2015 de Dutch Surge Support-waterfaciliteit heeft opgericht. Hiermee kunnen Nederlandse waterexperts uit het bedrijfsleven en overheid snel worden ingezet bij water gerelateerde rampen wanneer een humanitaire organisatie, zoals de VN, hierom vraagt. Het afgelopen jaar zijn Nederlandse experts ingezet in onder andere Zuid-Soedan, Rwanda en Kenia. Nederlandse experts hebben zich ingezet om de VN te ondersteunen bij het verbeteren van drinkwatervoorzieningen voor vluchtelingen, het beperken van de gevolgen van overstromingen, en het verstrekken van advies om maatregelen te nemen tegen toekomstige overstromingen.

Tevens beschikt Nederland over een getraind Urban Search and Rescue Team. Dit team is in staat om binnen afzienbare tijd operationeel te zijn in een rampgebied. Het team is gespecialiseerd in het lokaliseren en redden van mensen die door een ramp, zoals bijvoorbeeld een aardbeving, onder het puin bekneld zijn geraakt. Recent is dit team ingezet in Nepal. Naast snelle inzet na rampen, wordt dit team ook ingezet bij nationale incidenten, bijvoorbeeld, het incident met de bouwkraan in Alphen aan de Rijn.

Daarnaast ondersteunt Nederland het Nederlandse Rode Kruis om de responscapaciteit van verschillende nationale Rode Kruis-verenigingen te versterken in onder andere, Libanon, Tsjaad en Zuid-Soedan. Ook ondersteunt Nederland MapAction. Dit is een NGO die wereldwijd humanitaire organisaties ondersteunt tijdens de eerste fase van humanitaire respons door expertteams uit te zenden naar rampgebieden om crisissituaties in kaart te brengen.

Tot slot verstrekt Nederland ongeoormerkte bijdragen aan internationale noodhulporganisaties -en fondsen om tijdige en effectieve rampenrespons te vergroten. Door ongeoormerkte bijdragen te verstrekken, kunnen organisaties het geld snel en effectief inzetten daar waar de humanitaire noden het hoogst zijn.

213

Is het mogelijk binnen het noodhulpfonds een bedrag te oormerken voor opvang in de regio? Zo ja, bent u dit van plan te doen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:

In 2014 is het Relief Fund (EUR 570 miljoen voor de periode 2014–2017; BHOS 04.04) in het leven geroepen, dat grotendeels gebruikt wordt voor opvang van mensen die van huis en haard verdreven zijn en hun toevlucht nemen in de buurlanden. Ook vanuit het reguliere noodhulpbudget (BHOS 04.01) worden aanzienlijke bedragen besteed aan opvang van vluchtelingen nabij hun land van herkomst. In 2015 is dat reguliere noodhulpbudget eenmalig verhoogd met EUR 110 miljoen voor extra hulp aan Syrië en opvang in de buurlanden. Het Relief Fund is flexibel en bedoeld om snel en effectief in te kunnen spelen op crises en zal ook de komende jaren op die wijze worden ingezet.

214

Hoe verhoudt het kasritme van het Noodhulpfonds van € 100 miljoen, € 170 miljoen, € 150 miljoen, € 150 miljoen voor de periode 2014 – 2017 zich tot de huidige migratieproblematiek? Kunt u, in het licht van de migratieontwikkeling, toelichten waarom er in 2015 € 170 miljoen en in 2016 € 150 miljoen beschikbaar is?

Antwoord:

Het Relief Fund heeft een totaalbudget van EUR 570 miljoen, dat gedurende de kabinetsperiode in de jaren 2014–2017 flexibel inzetbaar is. Het vastgestelde meerjarige kasritme geeft de planning aan. Hiervan kan juist vanwege flexibiliteit worden afgeweken.

215

Kunt u uitsplitsen wat er allemaal valt onder noodhulpprogramma’s?

Antwoord:

Onder het noodhulpprogramma (het reguliere noodhulpbudget en het Relief Fund) vallen zowel ongeoormerkte bijdragen aan verschillende VN-instanties zoals UNHCR, OCHA, WFP, als bijdragen aan de verschillende crises waar de wereld mee te kampen heeft. In 2015 gaat het daarbij o.a. om Syrië, Zuid-Soedan, Irak, de Centraal Afrikaanse Republiek, Nepal en Jemen en ebola. Begin 2016 zal de Kamer in een brief worden geinformeerd over de uitgaven in 2015 en wordt een indicatieve planning voor het lopende jaar2016 gegeven.

216

Kunt u het verschil verklaren tussen het budget voor noodhulpprogramma’s in 2015 en 2016? (respectievelijk 233.554.000 euro in 2015 en 123.017.000 euro in 2016)

Antwoord:

Het verschil is te verklaren doordat het kabinet in 2.015 EUR 110 miljoen extra beschikbaar heeft gesteld voor noodhulp aan vluchtelingen in de Syrië regio (Kamerstuk 32623–155).

217

Waarom zijn de noodhulpprogramma's met bijna € 110 miljoen gedaald? Hoe staat dit in verhouding tot de € 110 miljoen extra voor opvang in de regio? Welke noodhulpprogramma's zijn stopgezet?

Antwoord:

De daling in 2016 ten opzichte van 2015 van het noodhulpbudget met EUR 110 miljoen wordt veroorzaakt door de extra bijdrage van EUR 110 miljoen die onlangs eenmalig is toegevoegd aan het reguliere noodhulpbudget voor 2015 ten behoeve van humanitaire hulp in de Syrië-crisis (Kamerstuk 32623–155). Door de vele crises vallen de bestedingen van het Relief Fund (EUR 570 miljoen voor 2014–2017; BHOS begroting artikel 04.04) dit jaar naar verwachting hoger uit dan aanvankelijk voorzien. Dit Relief Fund is flexibel inzetbaar.

218

U heeft in 2014 en 2015 het budget voor humanitaire hulp (art. 4.1) incidenteel verhoogd, dit was zelfs nog nodig naast het in 2014 gestarte noodhulpfonds. Gezien de verwachting dat de crises de komende jaren eerder toe dan afnemen (migratie, veiligheid, klimaat) zou u ook kunnen overwegen het budget voor humanitaire hulp structureel op te hogen. Waarom kiest u hier niet voor?

Antwoord:

De humanitaire noden in de wereld zijn hoog. Mede om die reden is in september 2014 het meerjarige Relief Fund (BHOS begroting artikel 04.04) in het leven geroepen (EUR 570 miljoen). Er kan op een flexibele manier worden ingesprongen op acute crises. Tevens is voor dit jaar besloten incidenteel EUR 110 miljoen te bestemmen voor noodhulp met betrekking tot. de Syrië- crisis (BHOS begroting artikel 04.01).

219

Hoe rijmt u de grote budgettaire korting op het artikel «Vrede en veiligheid voor ontwikkeling», en in het bijzonder de «humanitaire hulp» en het «noodhulpfonds» met de huidige migratieproblematiek?

Antwoord:

In 2015 is het budget voor humanitaire hulp (BHOS begroting artikel 04.01) incidenteel opgehoogd met EUR 110 miljoen in verband met de Syrië crisis. In de jaren daarna blijft het budget op een structureel niveau van EUR 205 miljoen. In verband met de aanhoudende noden op humanitair terrein is in september 2014 een meerjarig Relief Fund (2014–2017) in het leven geroepen (BHOS begroting artikel 04.04) van EUR 570 miljoen. Dit fonds is bedoeld om op flexibele wijze te kunnen reageren op crises. Indien nodig kan afgeweken worden van de ramingen die voor het Relief Fund in de begroting zijn opgenomen. Zo is de verwachting dat de uitgaven uit het Relief Fund in 2015 meer dan EUR 200 miljoen zullen zijn (de raming voor 2015 was EUR 170 miljoen).

220

Kunt u toelichten hoe de ruim 98 miljoen euro voor het landenprogramma «functioneerde rechtsorde in Midden-Amerika» besteed gaat worden in 2016? Kunt u uitleggen waarom dit bedrag zoveel hoger is dan andere programma’s in deze categorie?

Antwoord:

Het in de begroting genoemde bedrag van EUR 98 miljoen heeft niet betrekking op het Midden Amerika Programma maar op «landenprogramma's functionerende rechtsorde». Dit zijn de gedelegeerde budgetten voor versterking van de rechtsorde van een tiental ambassades in partnerlanden (Afghanistan, Burundi, Ethiopië, Indonesië, Kenia, Mali, Oeganda, Palestijnse Gebieden, Rwanda en Zuid Soedan), die worden ingezet voor programma's voor versterking van juridische instellingen en verbetering van de toegankelijkheid van de rechtspraak.

221

Waaraan zijn de middelen uit het Noodhulpfonds in 2015 besteed? Wat is het effect van deze bijdragen geweest? Graag een toelichting.

Antwoord:

De middelen uit het Relief Fund zijn in 2015 ingezet in de crises in Syrië, Zuid-Soedan, Irak, Centraal Afrikaanse Republiek, ebola, Nepal, Jemen, DRC, Nigeria, Oekraïne en Vanuatu. Begin 2016 ontvangt de Kamer de jaarlijkse brief over de indicatieve planning voor noodhulp, waarin ook een terugblik op 2015 zal worden opgenomen.

222

Kan de 36% niet juridische verplichting worden uitgesplitst in subbeleidsartikelen op beleidsartikel 4? Waarom is niet een deel van deze middelen ingezet voor noodhulp in plaats van middelen voor toekomstige jaren?

Antwoord:

Zie de tabel in het antwoord op vraag 2. Hieruit valt op te maken dat de budgetten voor humanitaire hulp (BHOS begroting artikel 4.1) en het Relief Fund (BHOS begroting artikel 4.4) voor respectievelijk 72% en 17% juridisch verplicht zijn. Het restant is weliswaar nog niet vastgelegd in juridische verplichtingen, maar zal wel worden ingezet voor noodhulp in 2016.

223

Wat houdt het Midden-Amerika programma in?

Antwoord:

Het Midden Amerika Programma (MAP) is een regionaal programma voor Centraal Amerika, dat zich richt op versterking van regionale samenwerking bij het tegengaan van onveiligheid, het versterken van de rechtsorde, alsook het tegengaan van mensenrechtenschendingen. De Nederlandse inzet draagt bij aan inspanningen van regeringen en andere regionale spelers in de Midden-Amerikaanse regio ter verbetering van stabiliteit en veiligheid, verbeterde toegang tot justitie en positie van mensenrechtenverdedigers, alsmede sociaaleconomische ontwikkeling van de regio.

Het MAP richt zich vanwege grensoverschrijdende problematiek met name op El Salvador, Guatemala, Honduras en Nicaragua. Het programma bestaat sinds 2012 en wordt gecoördineerd door de ambassade in Costa Rica. In april 2013 is besloten het programma af te bouwen. De meeste MAP projecten worden afgerond in 2015, op twee na. Deze twee projecten lopen door tot eind 2016. De beschikbare middelen voor deze twee projecten bedragen EUR 3.8 miljoen in 2016.

224

Kunt u inzicht geven in welk deel van het budget van EUR 60 miljoen van het Budget Internationale Veiligheid (BIV) dat beschikbaar blijft voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en Buitenlandse Zaken beschikbaar is voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking? Hoe lag deze verdeling vorig jaar?

Antwoord:

Zowel in 2014 als 2015 was EUR 30 miljoen aan BIV middelen beschikbaar voor BHOS. De middelen zijn en worden ingezet op het speerpunt Veiligheid en Rechtsorde ten behoeve van hervorming van de veiligheidssector, rechtstaatontwikkeling en capaciteitsopbouw van veiligheid en Rule of Law actoren.

225

Waar verwacht de Minister de EUR 30 miljoen uit het Budget Internationale Veiligheid aan te besteden?

Antwoord:

Zie antwoord bij vraag 224.

226

Op welke manier wordt samengewerkt met het Ministerie van Defensie op het gebied van humanitaire hulp?

Antwoord:

Met het Ministerie van Defensie wordt met name samengewerkt rond de inzet van transportmiddelen bij natuurrampen en epidemieën zoals ebola. In 2015 zijn militaire transportvliegtuigen ingezet om het Nederlandse Urban Search and Rescue (USAR)- team snel naar het aardbevingsgebied in Nepal te vliegen. Op de terugvlucht is een aantal Nederlanders en burgers van andere landen, die geëvacueerd moesten worden, meegenomen. Het USAR-team is na de inzet in Nepal ook weer opgehaald door Defensie. Daarnaast is de ZrMs Karel Doorman tweemaal ingezet om Nederlandse en Europese hulpgoederen naar door ebola getroffen landen in West-Afrika te vervoeren. Deze inzet wordt internationaal zeer gewaardeerd. Onlangs zijn de ZrMs Pelikaan, een helikopter en mariniers ingezet bij hulpverlening op het eiland Dominica, dat door een tropische storm was getroffen.

227

Hoe zet Nederland in op preventie van humanitaire conflicten, zowel op het gebied van milieurampen als op het gebied van oorlogen en conflicten?

Antwoord:

De Nederlandse inzet op conflictpreventie betreft het snel herkennen (early warning) van conflictrisico’s en vervolgens early action: acteren door middel van preventieve diplomatie of specifieke projectondersteuning om deze risico’s te mitigeren. Voor wat betreft preventie van humanitaire rampen, ondersteunt Nederland het Sendai actieraamwerk voor rampenbestrijding en preventie. Het Disaster Risk Reduction (DRR) team, waar buitenlandse overheden een beroep op kunnen doen, kan overheden nadrukkelijk ook adviseren als het gaat om watergerelateerde milieurampen. Dit is tot op heden nog niet gebeurd.

228

Hoeveel van de EUR 60 miljoen uit het Budget Internationale Veiligheid (BIV) is beschikbaar voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking? Welke bestemming heeft u hiervoor in gedachten?

Antwoord:

Zie antwoord bij vraag 224.

229

Waarom kiest het kabinet ervoor om het ODA-percentage te verlagen? Waarom wordt het bedrag niet verhoogd naar ten minste het minimum, zoals in 2015?

Antwoord:

In het Regeerakkoord is afgesproken om een bezuiniging door te voeren van 1 miljard op het ODA-budget. Als gevolg hiervan daalt de Nederlandse ODA-prestatie. De kosten die verbonden zijn aan de eerstejaars opvang van asielzoekers worden toegerekend aan het ODA-budget. In verband met de oplopende kosten voor eerstejaars opvang van asielzoekers in 2015 komt het ODA-percentage voor dit jaar hoger uit. In de HGIS-nota 2016 is aangegeven dat de ODA-prestatie voor 2015 uitkomt op 0,69% BNP.

230

Klopt het dat een deel van het ODA-budget wordt gebruikt voor de opvang van vluchtelingen?

Antwoord:

Ja, conform de internationale afspraken in de OESO-DAC worden de kosten voor eerstejaarsopvang van asielzoekers uit DAC-landen voor maximaal 12 maanden toegerekend aan het ODA budget. Deze systematiek wordt sinds 1992 toegepast.

231

In hoeverre voldoet de opvang van vluchtelingen aan de voorwaarden van ODA?

Antwoord:

De criteria die bepalen welke activiteiten en uitgaven onder de ODA-definitie vallen zijn vastgelegd door de OESO-DAC. Deze stellen dat de kosten voor de opvang van vluchtelingen is toegestaan gedurende de eerste twaalf maanden van het verblijf van deze vluchtelingen in het gastland. Na deze periode worden vluchtelingen beschouwd als «inwoner» in het gastland en worden kosten voor opvang beschouwd als binnenlandse uitgaven.

232

Klopt het dat de EUR 200 miljoen noodhulpgeld voor de regio uit de begroting 2017/2018 gehaald is?

Antwoord:

In 2015 is EUR 110 miljoen extra voor humanitaire hulp in de Syrië-regio ingezet. Deze middelen zijn gevonden door groei van de ODA-begroting in 2016 en 2020, als gevolg van hogere ramingen van de BNI-groei in deze jaren, naar voren te halen. Zie ook vraag 83.

233

Klopt het dat de motie-Slob c.s. (Kamerstuk 34 300, nr. 23) om in 2016 structureel extra middelen te reserveren voor eerstejaarsopvang van asielzoekers in Nederland en de regio en daarbij de lopende OS-programmalijnen te ontzien, niet wordt uitgevoerd zoals de indieners hadden bedoeld? Klopt het dat er is geschoven met geld binnen de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking?

Antwoord:

Het eerste moment om uitvoering te geven aan de motie Slob is bij de Najaarsnota. Op dit moment worden de ramingen voor de instroom 2015 en 2016 geactualiseerd. Bij de Najaarsnota zal, op basis van deze nieuwe ramingen, bezien worden hoeveel extra middelen er nodig zijn voor eerstejaars asielopvang en hoe uitvoering gegeven kan worden aan deze motie.

234

Hoe worden de kosten van eerstejaars asielzoekers gedekt? Wat is het effect hiervan op de begroting? Wat gebeurt er bij overschrijding?

Antwoord:

De kosten voor eerstejaarsopvang van asielzoekers uit DAC-landen worden aan het ODA-budget toegerekend op basis van ramingen en berekeningen van V&J. Op dit moment worden de ramingen voor de instroom 2015 en 2016 geactualiseerd. Bij de Najaarsnota zal, op basis van deze nieuwe ramingen, bezien worden hoeveel extra middelen er nodig zijn voor eerstejaars asielopvang en hoe deze uitgaven gedekt kunnen worden. (zie ook antwoord vraag 11).

235

Kunt u het verschil verklaren tussen de bijdrage aan United Nations Development Programme (UNDP) in 2015 en 2016 (respectievelijk 17,5 miljoen euro in 2015 en 40,5 miljoen euro in 2016)?

Antwoord:

Vanwege budgettaire krapte is in 2015 de bijdrage voor UNDP verlaagd naar EUR 17,5 miljoen. Dit bedrag zal in 2016 worden gecompenseerd.

236

Kunt u een toelichting geven op de hoge stand van verplichtingen van EUR 188,6 miljoen voor 2016 op het artikel 5 «Versterkte kaders voor ontwikkeling»? Welke verplichtingen worden aangegaan?

Antwoord:

Deze hoge stand is te verklaren doordat in 2016 nieuwe meerjarige verplichtingen worden aangegaan ten aanzien van de Nederlandse bijdrage aan internationale organisaties als UNICEF en UNDP en middelenaanvullingen bij de Asian Development Bank.

237

Kan de 7% niet juridische verplichting worden uitgesplitst in subbeleidsartikelen op beleidsartikel 5?

Antwoord:

Zie de tabel in het antwoord op vraag 2.

238

Welke speciale multilaterale activiteiten worden bedoeld?

Antwoord:

Onder speciale multilaterale activiteiten vallen kleinschalige programma’s van VN-organisaties en internationale financiële instellingen die worden ondersteund. Een voorbeeld hiervan is het MOPAN-initiatief dat programma’s van een groot aantal VN-organisaties monitort en waarvan het secretariaat is ondergebracht bij de OESO. Maar ook het initiatief van UNCTAD om een schuldhoudbaarheidsraamwerk voor ontwikkelingslanden op te zetten en een programma van het IMF om belastingdiensten in ontwikkelingslanden te ondersteunen vallen hieronder.

239

Kunnen de tekorten op overig armoedebeleid voor de jaren 2015, 2016 en 2017 worden verklaard?

Antwoord:

Hieronder treft u aan een overzicht van de periode 2017–2020 van de begrotingsregel «nog te verdelen in verband met wijzigingen BNI en/of toerekeningen». Het gaat daarbij om onverdeelde positieve dan wel negatieve onverdeelde ruimte op de begroting. Tot deze regel is besloten vanwege het variabele karakter van de begroting als gevolg van wijzigingen in het BNI en/of de hoogte van toerekeningen. Zonder deze regel zou bij elke wijziging in de begroting de – vaak meerjarige – programmering onderbroken dan wel geïntensiveerd moeten worden. De schuif van EUR 110 miljoen is indirect zichtbaar in deze begrotingsregel. Voor deze schuif is namelijk respectievelijk EUR 50 en EUR 60 miljoen uit 2016 en 2020 naar 2015 geschoven, waarna vervolgens het budget voor humanitaire hulp op artikel 4.1 met EUR 110 miljoen is opgehoogd.

240

Waarom kiest u voor «meer differentiatie in de relaties met de VN»?

Antwoord:

Het kabinet wil beter gebruik maken van de sterke punten van de verschillende VN-organisaties. Dat betekent in de eerste plaats concentratie op die organisaties, die relevant zijn voor de prioritaire thema’s van het Nederlandse beleid voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Maar ook intensieve samenwerking met die VN-organisaties, die een breder belang dienen, ligt voor de hand. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld OCHA (belangrijke coördinerende rol bij humanitaire noodsituaties), ILO en WHO (mondiale normstelling) en UNDP (voortrekkersrol op het terrein van VN-hervormingen). Met andere VN-organisaties wordt de samenwerking teruggebracht of zelfs afgebouwd.

241

Op wat voor manier draagt Nederland bij aan de positieve bijdrage van migratie aan ontwikkeling van het (herkomst)land?

Antwoord:

Nederland draagt op meerdere manieren bij aan deze positieve bijdrage, onder andere via programma’s om migrantenondernemerschap te bevorderen. Door de diaspora in Nederland te ondersteunen bij het opzetten van een bedrijf in het land van herkomst wordt de lokale economie gestimuleerd en wordt lokaal meer werkgelegenheid gecreëerd. Met de stichting Spark worden bijvoorbeeld vrouwen en jongeren ondersteund in het opzetten van ondernemingen in onder meer Ghana, Marokko en Afghanistan. Ook worden via The Network University vijftig toekomstige en vijftig beginnende ondernemers in Sierra Leone begeleid bij het vinden van een arbeidsplek op de markt, het formuleren van een realistisch «businessplan» en bij het opzetten van een klein- of middelgroot eigen bedrijf. In 2016 zal een evaluatie plaatsvinden van deze programma’s, waarna bekeken wordt of de programma’s worden voortgezet.

242

Waar wordt de € 3,1 miljoen aan subsidie voor migratie en ontwikkeling specifiek aan besteed?

Antwoord:

Voor de uitvoering van het Nederlandse migratie- en ontwikkelingsbeleid staat totaal EUR 9 miljoen gereserveerd. Uit de gereserveerde EUR 3,1 miljoen worden subsidies verstrekt aan maatschappelijke organisaties die activiteiten organiseren in lijn met Nederlandse prioriteiten. Het gaat bijvoorbeeld om de persoonlijke begeleiding van terugkeerders en hun herintegratie in het land van herkomst, maar ook het bevorderen van ondernemerschap onder migranten in Nederland en het versterken van migratiemanagement in derde landen. Met de overige EUR 5,9 miljoen voor «diversen» worden programma’s gefinancierd, zoals het regionaal beschermings- en ontwikkelingsprogramma (RDPP) in de Hoorn van Afrika, maar ook samenwerking met de Internationale Organisatie voor Migratie op het gebied van vrijwillige terugkeer.

243

Waar wordt de € 5,9 miljoen aan diversen voor migratie en ontwikkeling specifiek aan besteed?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 242.

244

Is de ruim 163 miljoen euro in verband met wijziging BNI en/of toerekeningen nog volledig vrij te besteden? Bestaan er al plannen voor de besteding van dit bedrag?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 239.

245

Kan precies worden aangegeven hoe de € 110 miljoen wordt gedekt uit de toekomstige verhoging van het BNI?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 239.

246

Kan de begrotingsregel «nog te verdelen i.v.m. wijzigingen BNI en/of toerekeningen» nader worden gespecificeerd en ook verder worden ingevuld voor de jaren 2017–2020? Kan daarbij de schuif van de € 110 miljoen precies worden aangegeven?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 239.

247

Is de begrotingsregel «nog te verdelen i.v.m. wijzigingen BNI en/of toerekeningen» amendeerbaar? Of is het een soort aanvullende post? (FEZ)

Antwoord:

Zoals ook bij vraag 239 aangegeven betreft het bedrag van EUR -/- 163,532 miljoen in 2016 bij «nog te verdelen in verband met wijzigingen BNI en/of toerekeningen» een nog in te vullen bezuiniging op de begroting. De ruim EUR 163 miljoen is derhalve niet een nog te besteden bedrag, maar geeft integendeel aan dat in de loop van het jaar nog een korting van EUR 163 miljoen zal moeten worden gerealiseerd. Omdat nog niet vaststaat op welk begrotingsartikel deze korting wordt ingevuld, is gekozen voor een afzonderlijke min-regel op artikel 5.2. Deze begrotingsregel is daarom niet amendeerbaar.

248

In welke landen zullen de beschikbare «subsidies» (€ 3.1 miljoen) en «diversen» (€ 5.9 miljoen) voor migratie en ontwikkeling worden besteed? Waarom in deze landen? Voor welke initiatieven en activiteiten zullen deze subsidies en «diverse» bijdragen worden gebruikt?

Antwoord:

Zie antwoord op vraag 242

249

Waarom is de mutatie van het amendement op de begroting 2015 niet structureel ingeboekt, terwijl dat wel de bedoeling van de indieners was? (FEZ-Dekker)

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 110.

250

Kan precies worden aangegeven hoe de middelen van het amendement op de begroting 2015 inzake «bestrijding ivoorhandel» het afgelopen jaar zijn ingezet? Wat zijn de plannen voor de komende jaren?

Antwoord:

Binnen de BHOS begroting is in 2.015 EUR 2 miljoen vrijgemaakt voor een twee jaar durend wildlife crime bestrijdingsprogramma, dat zich voornamelijk richt op de Hoorn van Afrika. Dit wildlife crime bestrijdingsprogramma, gecoördineerd door het Nederlandse Nationale Comité van de International Union for the Conservation of Nature (IUCN-NL), heeft twee componenten: law enforcement (met onder meer betrokkenheid van Interpol) en versterking van een aantal gemeenschappen in en rondom belangrijke natuurgebieden in de regio waar stroperij een probleem is.

In samenwerking met het Nederlandse maatschappelijk middenveld en kennisinstellingen worden ook voorstellen uitgewerkt om de vraag naar wildlife producten in Azië te reduceren en forensisch onderzoek in Afrika te versterken.

Conform het verzoek van het parlement worden de BHOS middelen in 2015 verplicht, maar vormgeving en uitvoering van activiteiten zal twee jaar in beslag nemen.

Voor de komende jaren worden samen met het Ministerie van Economische Zaken opties verkend om meer aandacht te besteden aan bestrijding van wildlife crime onder andere in het kader van de recente afspraak tussen de Ministeries van Buitenlandse Zaken en Economische Zaken om nauw samen te werken rond de promotie van de gebiedsgerichte benadering ten behoeve van duurzame ontwikkeling. Zo wordt bijvoorbeeld een analyse gemaakt van de «Larger than Elephants» strategic approach to wildlife conservation in Africa» die de Europese Commissie helpt ontwikkelen. Ook wordt nagegaan welke relevante Nederlandse expertise eventueel via het bovengenoemde IUCN-Nederland kanaal ingezet kan worden. mochten er extra middelen t.b.v. wildlife crime bestrijding beschikbaar komen. Via een Nederlandse bijdrage aan een EU Trust Fund gericht op stabilisering van de Centraal Afrikaanse Republiek wordt ook bijgedragen aan bestrijding van stroperij en illegale handel in ivoor.

251

Kunt u toelichten hoe het budget van € 110 miljoen voor noodhulp en opvang in de regio concreet wordt ingezet? Via welke kanalen zal dit budget worden ingezet? Hoeveel van dit bedrag is reeds uitgegeven en waaraan precies?

Antwoord:

Graag verwijs ik naar de Kamerbrief hierover van 21 september jongstleden met kenmerk 32 623, nr. 155.

252

Waar is de toezegging uit het algemeen overleg Maatschappelijke Organisaties en Ontwikkelingssamenwerking van 22 april 2015 om in 2016 in ieder geval 25% van ODA-middelen via maatschappelijke organisaties te besteden terug te vinden in de begroting?

Antwoord:

Er wordt niet op kanalen gestuurd. Wel wordt onverminderd ingezet om rond de 25% van het ODA-budget te besteden via het maatschappelijk middenveld, zoals toegezegd in het AO van 22 april jl.

253

Waarom besluit de regering tot een beleidsdoorlichting over het Maatschappelijk Middenveld (MMV) in 2016 nadat in september 2015 het Synthesis rapport 1 (evaluatie) over MFS II is uitgevoerd?

Antwoord:

De Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek (RPE) schrijft een beleidsdoorlichting op artikel- of op subartikelniveau voor (zie ook het antwoord op vraag 82). De beleidsdoorlichting maatschappelijk middenveld die IOB in 2016 uitvoert omvat meer dan alleen het MFS II programma. Het gaat bijvoorbeeld ook de hulp aan gemeenten, vakbonden en maatschappelijke organisaties via organisaties zoals VNG, FNV, CNV en SNV. De beleidsdoorlichting besteedt aandacht aan steun aan het maatschappelijk middenveld via directe financiering door ambassades en het departement en diept bepaalde thema’s, zoals capaciteitsontwikkeling, verder uit. De beleidsdoorlichting maakt gebruik van de resultaten van uitgevoerde evaluaties waaronder de MFS II.

Noot 1: Kamerstuk 33 625, nr. 180, d.d. 1 oktober 2015.

Noot 2: http://ec.europa.eu/europeaid/how/delivering-aid/budgetsupport/.