Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Belastingplan 2016

34302 2 Voorstel van wet

Vergaderjaar 2015-2016

Nr. 2

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het voor het jaar 2016 wenselijk is een aantal fiscale maatregelen te treffen die voortvloeien uit het vijfmiljardpakket en de koopkrachtbesluitvorming en dat het in het kader van het fiscale beleid voor het jaar 2016 wenselijk is in een aantal belastingwetten en enige andere wetten wijzigingen, bijstellingen of technische reparaties aan te brengen die uiterlijk met ingang van 1 januari 2016 in werking moeten treden;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

Aan artikel 1.2 wordt een lid toegevoegd, luidende:

Onder partner wordt niet verstaan degene die uitsluitend ingevolge het eerste lid, onderdeel e, als partner wordt aangemerkt en woont in een accommodatie van een instelling die opvang als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 biedt, mits de belastingplichtige een afschrift van de beschikkingen, bedoeld in artikel 2.3.5, tweede lid, van die wet, tot het treffen van een maatwerkvoorziening voor hem en voor de persoon, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, ten behoeve van opvang overlegt.

In artikel 2.10, eerste lid, wordt de tarieftabel vervangen door:

Bij een belastbaar inkomen uit werk en woning van meer dan

maar niet meer dan

bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare inkomen uit werk en woning dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat

I

II

III

IV

€ 19.922

8,40%

€ 19.922

€ 33.715

€ 1.673

12,00%

€ 33.715

€ 66.421

€ 3.328

40,15%

€ 66.421

€ 16.459

52,00%

In artikel 2.10a, eerste lid, wordt de tarieftabel vervangen door:

Bij een belastbaar inkomen uit werk en woning van meer dan

maar niet meer dan

bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare inkomen uit werk en woning dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat

I

II

III

IV

€ 19.922

8,40%

€ 19.922

€ 34.027

€ 1.673

12,00%

€ 34.027

€ 66.421

€ 3.365

40,15%

€ 66.421

€ 16.371

52,00%

Artikel 3.52a vervalt.

In artikel 3.77, vierde lid, wordt «artikel 23, derde en zevende lid, van die wet,» vervangen door: artikel 23, derde, vierde en zevende lid, van die wet.

Artikel 7.5, zesde lid, komt te luiden:

Behoudens voor de toepassing van het vierde en vijfde lid, wordt een lichaam dat ten minste vijf jaar in Nederland gevestigd is geweest, na verplaatsing van de werkelijke leiding van het lichaam uit Nederland nog geacht in Nederland te zijn gevestigd zolang een belastingaanslag ter zake van te conserveren inkomen uit een aanmerkelijk belang in dat lichaam, niet volledig is voldaan.

Artikel 8.10, tweede lid, komt te luiden:

De algemene heffingskorting bedraagt € 2.230, verminderd, doch niet verder dan tot nihil, met 4,796% van het gedeelte van het belastbare inkomen uit werk en woning dat meer bedraagt dan het in de tabel van artikel 2.10, eerste lid, in de tweede kolom als eerste vermelde bedrag.

Artikel 8.11, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1.

In de eerste volzin, onderdeel b, wordt het als tweede vermelde bedrag vervangen door: € 3.103.

2.

In de tweede volzin wordt «de volgens artikel 22a van de Wet op de loonbelasting 1964 toegekende arbeidskorting» vervangen door: de volgens artikel 22a van de Wet op de loonbelasting 1964 toegekende arbeidskorting ter zake van het loon dat wordt belast volgens de loonbelastingtabellen, bedoeld in artikel 25, tweede lid, van die wet.

In artikel 8.14a, tweede lid, wordt «4%» vervangen door «6,159%» en wordt het als derde vermelde bedrag vervangen door: € 2.769.

Het in artikel 8.17, tweede lid, als eerste vermelde bedrag wordt vervangen door: € 1.187.

Na artikel 10.6a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 10.6b Indexering percentage algemene heffingskorting

Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in artikel 8.10, tweede lid, vermelde percentage bij ministeriële regeling vervangen door een ander percentage. Dit percentage wordt berekend door het in artikel 8.10, tweede lid, vermelde bedrag te delen door het verschil tussen het in de tabel van artikel 2.10, eerste lid, in de tweede kolom als laatste vermelde bedrag en het in die kolom als eerste vermelde bedrag. Dit berekende percentage wordt rekenkundig afgerond op drie decimalen.

In artikel 10.7, vijfde lid, wordt «vermeerderd» vervangen door «, verminderd». Voorts wordt het in dat lid vermelde bedrag vervangen door: € 10.443.

ARTIKEL II

De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2017 als volgt gewijzigd:

In de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verhoogd met 0,2%-punt.

Artikel 3.119a, derde lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b.  hetgeen ter zake van die verwerving, die verbetering, dat onderhoud of die afkoop aan verhoogde vrijstelling van schenkbelasting is genoten.

Artikel 5.2 wordt als volgt gewijzigd:

1.

Het eerste lid komt te luiden:

Het voordeel uit sparen en beleggen wordt gesteld op 1,63% van het gedeelte van de grondslag sparen en beleggen dat behoort tot rendementsklasse I, vermeerderd met 5,5% van het gedeelte van die grondslag dat behoort tot rendementsklasse II (forfaitair rendement). De grondslag sparen en beleggen is de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar (peildatum) voor zover die rendementsgrondslag meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen. De omvang van het gedeelte van de grondslag sparen en beleggen dat behoort tot rendementsklasse I, onderscheidenlijk rendementsklasse II, wordt bepaald aan de hand van de volgende tabel.

Van het gedeelte van de grondslag dat meer bedraagt dan

maar niet meer dan

wordt toegerekend aan rendementsklasse I

en wordt toegerekend aan rendementsklasse II

€ 0

€ 75.000

67%

33%

€ 75.000

€ 975.000

21%

79%

€ 975.000

0%

100%

2.

In het tweede lid wordt «wordt in afwijking van het eerste lid, het voordeel uit sparen en beleggen gesteld op 4% (forfaitair rendement) van» vervangen door: wordt bij de toepassing van het eerste lid uitgegaan van.

Artikel 5.3 wordt als volgt gewijzigd:

1.

In het derde lid, eerste volzin, wordt, onder verlettering van de onderdelen b tot en met e tot onderdelen c tot en met f, na onderdeel a een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • b.  verplichtingen tot het doen van periodieke uitkeringen of verstrekkingen die ingevolge artikel 3.101, eerste lid, onderdelen b en c, geen aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen zijn, niet in aanmerking worden genomen;.

2.

In het derde lid, eerste volzin, onderdeel d (nieuw), wordt «onderdeel b» vervangen door: onderdeel c.

3.

In het derde lid, eerste volzin, onderdeel e (nieuw), wordt «onderdeel c» vervangen door: onderdeel d.

4.

In het derde lid, eerste volzin, onderdeel f (nieuw), wordt «de onderdelen a en b» vervangen door: de onderdelen a, b en c.

5.

In het derde lid, tweede volzin, wordt «onderdeel e» vervangen door: onderdeel f.

6.

In het vierde lid wordt «onderdeel c» vervangen door: onderdeel d.

Het in artikel 5.5 vermelde bedrag wordt vervangen door: € 25.000.

Artikel 7.7, eerste lid, tweede volzin, komt te luiden:

Het voordeel uit sparen en beleggen in Nederland wordt gesteld op 1,63% van het gedeelte van de rendementsgrondslag in Nederland aan het begin van het kalenderjaar (peildatum) dat wordt toegerekend aan rendementsklasse I, vermeerderd met 5,5% van het gedeelte van die grondslag dat wordt toegerekend aan rendementsklasse II (forfaitair rendement). De omvang van het gedeelte van de rendementsgrondslag in Nederland dat behoort tot rendementsklasse I, onderscheidenlijk rendementsklasse II, wordt bepaald aan de hand van de volgende tabel.

Van het gedeelte van de grondslag dat meer bedraagt dan

maar niet meer dan

wordt toegerekend aan rendementsklasse I

en wordt toegerekend aan rendementsklasse II

€ 0

€ 100.000

67%

33%

€ 100.000

€ 1.000.000

21%

79%

€ 1.000.000

0%

100%

Artikel 7.8 wordt als volgt gewijzigd:

1.

In het derde lid, onderdeel b, wordt «artikel 5.5, en» vervangen door: artikel 5.5;.

2.

In het derde lid wordt onderdeel c verletterd tot onderdeel d.

3.

In het derde lid wordt na onderdeel b een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • c.  de omvang van het gedeelte van de grondslag dat behoort tot rendementsklasse I en de omvang van het gedeelte van de grondslag dat behoort tot rendementsklasse II worden bepaald aan de hand van de tabel in artikel 5.2, eerste lid, en.

4.

In het derde lid, onderdeel d (nieuw), wordt «onderdeel e» vervangen door: onderdeel f.

5.

In het zevende lid wordt «het heffingvrije vermogen» vervangen door: het heffingvrije vermogen en waarbij de omvang van het gedeelte van die grondslag dat behoort tot rendementsklasse I en de omvang van het gedeelte van die grondslag dat behoort tot rendementsklasse II worden bepaald aan de hand van de tabel in artikel 7.7, eerste lid.

Het in artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel b, als tweede vermelde bedrag wordt verhoogd met € 23.

In artikel 8.17, tweede lid, wordt het als eerste genoemde bedrag verlaagd met € 222.

Na artikel 10.6 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 10.6bis Herijking percentage rendementsklasse I en rendementsklasse II

Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in artikel 5.2, eerste lid, en artikel 7.7, eerste lid, eerstvermelde percentage bij ministeriële regeling vervangen door een ander percentage. Dit percentage wordt gesteld op 131% van het gemiddelde rendement op deposito’s van huishoudens met een opzegtermijn van maximaal drie maanden, zoals gepubliceerd door De Nederlandsche Bank, over de vijf kalenderjaren die volgen op het kalenderjaar dat zeven jaar voorafgaat aan het kalenderjaar, bedoeld in de eerste volzin, verminderd met 31% van de som van het voornoemde gemiddelde en 0,1 procentpunt.

Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in artikel 5.2, eerste lid, en artikel 7.7, eerste lid, als tweede vermelde percentage bij ministeriële regeling vervangen door een ander percentage. Dit percentage wordt gesteld op de som van 53% van het langetermijnrendement op onroerende zaken, 33% van het langetermijnrendement op aandelen en 14% van het langetermijnrendement op obligaties.

Het langetermijnrendement op onroerende zaken wordt gesteld op het meetkundige gemiddelde van veertienmaal het langetermijnrendement op onroerende zaken van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar, bedoeld in het tweede lid, en eenmaal het rendement op onroerende zaken over het kalenderjaar dat twee jaar voorafgaat aan het kalenderjaar, bedoeld in het tweede lid. Het rendement op onroerende zaken over een kalenderjaar wordt gesteld op de procentuele verandering van het CBS-prijsindexcijfer voor Bestaande Koopwoningen (2010 = 100) in het betreffende kalenderjaar.

Het langetermijnrendement op aandelen wordt gesteld op het meetkundige gemiddelde van veertienmaal het langetermijnrendement op aandelen van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar, bedoeld in het tweede lid, en eenmaal het rendement op aandelen over het kalenderjaar dat twee jaar voorafgaat aan het kalenderjaar, bedoeld in het tweede lid. Het rendement op aandelen over een kalenderjaar wordt gesteld op de procentuele verandering van de beleggingsindex voor Europa (bruto in lokale valuta), zoals gepubliceerd door Morgan Stanley Capital International, in het betreffende kalenderjaar.

Het langetermijnrendement op obligaties wordt gesteld op het meetkundige gemiddelde van veertienmaal het langetermijnrendement op obligaties van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar, bedoeld in het tweede lid, en eenmaal het rendement op obligaties over het kalenderjaar dat twee jaar voorafgaat aan het kalenderjaar, bedoeld in het tweede lid. Het rendement op obligaties over een kalenderjaar wordt gesteld op het jaarcijfer voor de kapitaalmarktrentevoet van de jongste Nederlandse 10-jarige staatsobligatie, zoals gepubliceerd door De Nederlandsche Bank, in het betreffende kalenderjaar.

De percentages, bedoeld in het eerste en tweede lid, en de langetermijnrendementen, bedoeld in het derde, vierde en vijfde lid, worden rekenkundig afgerond op twee decimalen.

Het in artikel 10.7, vijfde lid, vermelde bedrag wordt verhoogd met € 575.

ARTIKEL III

De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2018 als volgt gewijzigd:

In de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verhoogd met 0,1%-punt.

In artikel 10.1, eerste lid, wordt «3.133, 5.3» vervangen door «3.133, 5.2, 5.3». Voorts wordt «6.20, 8.10» vervangen door: 6.20, 7.7, 8.10.

ARTIKEL IV

In de Wet inkomstenbelasting 2001 worden met ingang van 1 januari 2019 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verhoogd met 0,05%-punt.

ARTIKEL V

In de Wet inkomstenbelasting 2001 worden met ingang van 1 januari 2020 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verhoogd met 0,1%-punt.

ARTIKEL VI

In de Wet inkomstenbelasting 2001 worden met ingang van 1 januari 2021 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verhoogd met 0,05%-punt.

ARTIKEL VII

In de Wet inkomstenbelasting 2001 worden met ingang van 1 januari 2022 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verhoogd met 0,05%-punt.

ARTIKEL VIII

In de Wet inkomstenbelasting 2001 worden met ingang van 1 januari 2023 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verhoogd met 0,1%-punt.

ARTIKEL IX

In de Wet inkomstenbelasting 2001 worden met ingang van 1 januari 2024 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verhoogd met 0,05%-punt.

ARTIKEL X

In de Wet inkomstenbelasting 2001 worden met ingang van 1 januari 2025 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verhoogd met 0,05%-punt.

ARTIKEL XI

In de Wet inkomstenbelasting 2001 worden met ingang van 1 januari 2026 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verhoogd met 0,05%-punt.

ARTIKEL XII

In de Wet inkomstenbelasting 2001 worden met ingang van 1 januari 2027 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verhoogd met 0,05%-punt.

ARTIKEL XIII

In de Wet inkomstenbelasting 2001 worden met ingang van 1 januari 2028 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verhoogd met 0,05%-punt.

ARTIKEL XIV

In de Wet inkomstenbelasting 2001 worden met ingang van 1 januari 2029 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verhoogd met 0,05%-punt.

ARTIKEL XV

In de Wet inkomstenbelasting 2001 worden met ingang van 1 januari 2030 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verhoogd met 0,05%-punt.

ARTIKEL XVI

In de Wet inkomstenbelasting 2001 worden met ingang van 1 januari 2031 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verhoogd met 0,05%-punt.

ARTIKEL XVII

De Wet op de loonbelasting 1964 wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 20a, eerste lid, wordt de tarieftabel vervangen door:

Bij een belastbaar loon van meer dan

maar niet meer dan

bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare loon dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat

I

II

III

IV

€ 19.922

8,40%

€ 19.922

€ 33.715

€ 1.673

12,00%

€ 33.715

€ 66.421

€ 3.328

40,15%

€ 66.421

€ 16.459

52,00%

In artikel 20b, eerste lid, wordt de tarieftabel vervangen door:

Bij een belastbaar loon van meer dan

maar niet meer dan

bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare loon dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat

I

II

III

IV

€ 19.922

8,40%

€ 19.922

€ 34.027

€ 1.673

12,00%

€ 34.027

€ 66.421

€ 3.365

40,15%

€ 66.421

€ 16.371

52,00%

Artikel 22, tweede lid, komt te luiden:

De algemene heffingskorting bedraagt € 2.230, verminderd, doch niet verder dan tot nihil, met 4,796% van het gedeelte van het belastbare loon dat meer bedraagt dan het in de tabel van artikel 20a, eerste lid, in de tweede kolom als eerste vermelde bedrag.

Het in artikel 22a, tweede lid, onderdeel b, als tweede vermelde bedrag wordt vervangen door: € 3.103.

Het in artikel 22b, tweede lid, als eerste vermelde bedrag wordt vervangen door: € 1.187.

In artikel 22d wordt «10.1 en 10.7» vervangen door: 10.1, 10.6b en 10.7.

Artikel 26 wordt als volgt gewijzigd:

1.

Het tweede lid vervalt, onder vernummering van het derde tot en met zesde lid tot tweede tot en met vijfde lid.

2.

In het vijfde lid (nieuw) wordt «vierde lid» vervangen door: derde lid.

In artikel 28, eerste lid, onderdeel e, wordt «de met de loonbelasting en premie volksverzekeringen verrekende arbeidskorting» vervangen door: de bij de toepassing van de loonbelastingtabellen, bedoeld in artikel 25, tweede lid, met de loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen verrekende arbeidskorting.

ARTIKEL XVIII

De Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2017 als volgt gewijzigd:

In de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verhoogd met 0,2%-punt.

Het in artikel 22a, tweede lid, onderdeel b, als tweede vermelde bedrag wordt verhoogd met € 23.

In artikel 22b, tweede lid, wordt het als eerste genoemde bedrag verlaagd met € 222.

ARTIKEL XIX

In de Wet op de loonbelasting 1964 worden met ingang van 1 januari 2018 in de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verhoogd met 0,1%-punt.

ARTIKEL XX

In de Wet op de loonbelasting 1964 worden met ingang van 1 januari 2019 in de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verhoogd met 0,05%-punt.

ARTIKEL XXI

In de Wet op de loonbelasting 1964 worden met ingang van 1 januari 2020 in de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verhoogd met 0,1%-punt.

ARTIKEL XXII

In de Wet op de loonbelasting 1964 worden met ingang van 1 januari 2021 in de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verhoogd met 0,05%-punt.

ARTIKEL XXIII

In de Wet op de loonbelasting 1964 worden met ingang van 1 januari 2022 in de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verhoogd met 0,05%-punt.

ARTIKEL XXIV

In de Wet op de loonbelasting 1964 worden met ingang van 1 januari 2023 in de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verhoogd met 0,1%-punt.

ARTIKEL XXV

In de Wet op de loonbelasting 1964 worden met ingang van 1 januari 2024 in de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verhoogd met 0,05%-punt.

ARTIKEL XXVI

In de Wet op de loonbelasting 1964 worden met ingang van 1 januari 2025 in de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verhoogd met 0,05%-punt.

ARTIKEL XXVII

In de Wet op de loonbelasting 1964 worden met ingang van 1 januari 2026 in de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verhoogd met 0,05%-punt.

ARTIKEL XXVIII

In de Wet op de loonbelasting 1964 worden met ingang van 1 januari 2027 in de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verhoogd met 0,05%-punt.

ARTIKEL XXIX

In de Wet op de loonbelasting 1964 worden met ingang van 1 januari 2028 in de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verhoogd met 0,05%-punt.

ARTIKEL XXX

In de Wet op de loonbelasting 1964 worden met ingang van 1 januari 2029 in de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verhoogd met 0,05%-punt.

ARTIKEL XXXI

In de Wet op de loonbelasting 1964 worden met ingang van 1 januari 2030 in de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verhoogd met 0,05%-punt.

ARTIKEL XXXII

In de Wet op de loonbelasting 1964 worden met ingang van 1 januari 2031 in de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verhoogd met 0,05%-punt.

ARTIKEL XXXIII

De Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1.

In het eerste lid, onderdeel l, wordt «drijft» vervangen door: drijft, tenzij deze inhoudingsplichtige een publieke kennisinstelling is;.

2.

In het eerste lid worden, onder verlettering van de onderdelen m tot en met q tot onderdelen o tot en met s, na onderdeel l twee onderdelen ingevoegd, luidende:

m.  publieke kennisinstelling:
  • 1°.  een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in de onderdelen a, b, c, g, h en i van de bijlage behorende bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en een academisch ziekenhuis als bedoeld in onderdeel j van die bijlage;
  • 2°.  een geheel of gedeeltelijk, meerjarig door de overheid gefinancierde onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke of technische kennis uit te breiden;
  • 3°.  een geheel of gedeeltelijk, meerjarig door een andere lidstaat van de Europese Unie gefinancierde openbare instelling voor hoger onderwijs, ziekenhuis of onderzoeksorganisatie die gelijkwaardig is aan een publieke kennisinstelling als bedoeld onder 1° of 2°;
n.  onderzoeksorganisatie:

een onderzoeksorganisatie als bedoeld in artikel 1.3, onderdeel ee, van de Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (PbEU 2014, C198/7);.

3.

In het eerste lid, onderdeel p (nieuw), wordt in de aanhef «een S&O-inhoudingsplichtige, dan wel een S&O-belastingplichtige,» vervangen door «een S&O-inhoudingsplichtige of een S&O-belastingplichtige» en wordt in onderdeel 2° «de S&O-inhoudingsplichtige of de S&O-belastingplichtige» vervangen door «de S&O-inhoudingsplichtige, onderscheidenlijk de S&O-belastingplichtige,». Voorts vervallen de onderdelen 3° en 4°.

4.

Het eerste lid, onderdeel q (nieuw), komt te luiden:

q.  programmatuur:

het niet-fysieke, logische deelsysteem van een informatiesysteem dat de structuur van de gegevens en van de verwerkingsprocessen bepaalt voor zover dat deelsysteem is vastgelegd in een formele programmeertaal;.

5.

Aan het eerste lid worden, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel s (nieuw) door een puntkomma, vier onderdelen toegevoegd, luidende:

t.  kosten:

al hetgeen voor de realisatie van speur- en ontwikkelingswerk van de S&O-inhoudingsplichtige is betaald door de S&O-inhoudingsplichtige of door een lichaam dat deel uitmaakt van dezelfde fiscale eenheid als de S&O-inhoudingsplichtige voor zover deze betalingen:

  • 1°.  niet eerder in aanmerking zijn genomen voor een S&O-verklaring;
  • 2°.  uitsluitend dienstbaar en direct toerekenbaar zijn aan het uitvoeren van speur- en ontwikkelingswerk;
  • 3°.  drukken op de S&O-inhoudingsplichtige of op een lichaam dat deel uitmaakt van dezelfde fiscale eenheid als de S&O-inhoudingsplichtige; en
  • 4°.  geen uitgaven zijn als bedoeld in onderdeel u;
u.  uitgaven:

al hetgeen is betaald voor de verwerving van nieuw vervaardigde bedrijfsmiddelen voor zover deze betalingen drukken op de S&O-inhoudingsplichtige of op een lichaam dat deel uitmaakt van dezelfde fiscale eenheid als de S&O-inhoudingsplichtige en deze bedrijfsmiddelen:

  • 1°.  niet eerder in aanmerking zijn genomen voor een S&O-verklaring;
  • 2°.  niet eerder zijn gebruikt; en
  • 3°.  dienstbaar en direct toerekenbaar zijn aan de realisatie van speur- en ontwikkelingswerk van de S&O-inhoudingsplichtige;
    • v.  bedrijfsmiddel: goed dat voor het drijven van een onderneming wordt gebruikt;
w.  uitbesteed onderzoek:

werkzaamheden die voor de S&O-inhoudingsplichtige als speur- en ontwikkelingswerk kunnen worden aangemerkt en door deze S&O-inhoudingsplichtige worden uitbesteed aan een derde.

6.

In het derde lid wordt «onderdeel n» vervangen door: onderdeel p.

Artikel 22 wordt als volgt gewijzigd:

1.

Het tweede lid komt te luiden:

Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, een opgave als bedoeld in het vierde lid en een mededeling als bedoeld in artikel 24, tweede lid, geschieden uitsluitend langs elektronische weg met gebruikmaking van de hiervoor door Onze Minister van Economische Zaken beschikbaar gestelde voorziening en door opvolging van de daarbij opgenomen aanwijzingen.

2.

Het vijfde lid vervalt.

Artikel 23 wordt als volgt gewijzigd:

1.

In het tweede lid, onderdeel c, wordt «het speur- en ontwikkelingswerk» vervangen door: het werk, bedoeld in onderdeel a,.

2.

In het tweede lid wordt, onder verlettering van onderdeel d tot onderdeel e, na onderdeel c een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • d.  het bedrag aan kosten en uitgaven dat naar verwachting betrekking heeft op die periode en het werk, bedoeld in onderdeel a, of het bedrag dat voor die periode naar verwachting volgt uit de toepassing van het vierde lid, onderdeel b;.

3.

Het derde lid komt te luiden:

Het bedrag aan S&O-afdrachtvermindering beloopt 16 percent van:

  • a.  het bedrag dat volgt uit het product van het aantal uren, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, en het gemiddelde uurloon, bedoeld in het vijfde lid; en
  • b.  het bedrag aan kosten en uitgaven;

vermeerderd met 16 percent van de som van de bedragen, bedoeld in de onderdelen a en b, voor zover de som van die bedragen in het kalenderjaar niet uitgaat boven € 350.000. De vermeerdering, bedoeld in de eerste volzin, blijft achterwege voor zover die vermeerdering reeds toepassing heeft gevonden bij een S&O-verklaring betreffende een eerdere periode van het kalenderjaar.

4.

Het vijfde lid vervalt.

5.

Na het derde lid wordt, onder vernummering van het vierde lid tot vijfde lid, een lid ingevoegd, luidende:

Indien de S&O-inhoudingsplichtige in de aanvraag van de S&O-verklaring die betrekking heeft op de eerste periode van een kalenderjaar waarvoor de S&O-inhoudingsplichtige een aanvraag doet, gekozen heeft voor het op forfaitaire wijze berekenen van het bedrag aan kosten en uitgaven voor speur- en ontwikkelingswerk, beloopt het bedrag aan S&O-afdrachtvermindering, in afwijking van het derde lid, 16 percent van:

  • a.  het bedrag dat volgt uit het product van het aantal uren, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, en het gemiddelde uurloon, bedoeld in het vijfde lid; en
  • b.  het bedrag dat volgt uit het product van € 10 en het aantal uren, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, voor zover dit aantal uren in het kalenderjaar niet hoger is dan 1.800 en het bedrag dat volgt uit het product van € 4 en het aantal uren, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, voor zover dit aantal uren in het kalenderjaar hoger is dan 1.800;

vermeerderd met 16 percent van de som van de bedragen, bedoeld in de onderdelen a en b, voor zover de som van die bedragen in het kalenderjaar niet uitgaat boven € 350.000. De vermeerdering, bedoeld in de eerste volzin, blijft achterwege voor zover die vermeerdering reeds toepassing heeft gevonden bij een S&O-verklaring betreffende een eerdere periode van het kalenderjaar.

6.

In het zevende lid wordt «Het in het derde lid vermelde percentage van 21 wordt vervangen door 36» vervangen door: Het in het derde en vierde lid laatstvermelde percentage wordt vervangen door 24.

7.

In het achtste lid wordt «vierde lid» vervangen door: vijfde lid.

8.

Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

Kosten en uitgaven kunnen slechts bij één S&O-inhoudingsplichtige tot het bedrag, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, gerekend worden.

Na artikel 23 worden vier artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 23a

Uitgaven die gedeeltelijk direct toerekenbaar zijn aan door de S&O-inhoudingsplichtige verricht speur- en ontwikkelingswerk, komen slechts voor dat deel als uitgaven als bedoeld in artikel 23, derde lid, onderdeel b, in aanmerking.

Een uitgave kan slechts in één S&O-verklaring worden opgenomen.

Uitgaven van € 1.000.000 of meer per bedrijfsmiddel komen in enig kalenderjaar voor 20 percent als uitgaven als bedoeld in artikel 23, derde lid, onderdeel b, in aanmerking.

In afwijking van het tweede lid kunnen uitgaven als bedoeld in het derde lid gedurende 5 jaar maximaal eenmaal per kalenderjaar in een S&O-verklaring worden opgenomen.

Artikel 23b

Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden niet tot de kosten gerekend:

  • a.  kosten van uitbesteed onderzoek;
  • b.  kosten van inhuur van arbeid;
  • c.  financieringskosten;
  • d.  kosten van grondverwerving of grondverbetering;
  • e.  kosten die een vergoeding vormen voor het ter beschikking stellen van een bedrijfsmiddel waarvoor de S&O-inhoudingsplichtige of een ander lichaam eerder een S&O-verklaring heeft ontvangen, mits:
    • 1°.  de S&O-inhoudingsplichtige of het lichaam dat de kosten maakt onmiddellijk of middellijk deelneemt aan de leiding van of het toezicht op, dan wel in het kapitaal van het lichaam dat het bedrijfsmiddel ter beschikking stelt;
    • 2°.  het lichaam dat het bedrijfsmiddel ter beschikking stelt onmiddellijk of middellijk deelneemt aan de leiding van of het toezicht op, dan wel in het kapitaal van de S&O-inhoudingsplichtige of het lichaam dat de kosten maakt; of
    • 3°.  een derde zowel onmiddellijk of middellijk deelneemt aan de leiding van of het toezicht op, dan wel in het kapitaal van de S&O-inhoudingsplichtige of het lichaam dat de kosten maakt als onmiddellijk of middellijk deelneemt aan de leiding van of het toezicht op, dan wel in het kapitaal van het lichaam dat het bedrijfsmiddel ter beschikking stelt;
  • f.  loonkosten.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden niet tot de uitgaven gerekend investeringen die in aanmerking komen voor energie-investeringsaftrek als bedoeld in artikel 3.42 van de Wet inkomstenbelasting 2001 of voor milieuinvesteringsaftrek als bedoeld in artikel 3.42a van die wet.

Artikel 23c

Indien tussen twee lichamen waarvan een van de lichamen onmiddellijk of middellijk deelneemt aan de leiding van of toezicht op, dan wel in het kapitaal van het andere lichaam ter zake van hun onderlinge rechtsverhoudingen voorwaarden worden overeengekomen of opgelegd die afwijken van voorwaarden die in het economische verkeer door onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen, worden de kosten en uitgaven van deze lichamen voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen bepaald alsof die laatstbedoelde voorwaarden zijn overeengekomen. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing indien een derde onmiddellijk of middellijk deelneemt aan de leiding van of het toezicht op, dan wel in het kapitaal van twee lichamen.

Artikel 23d

Kosten die in enig kalenderjaar in een S&O-verklaring zijn opgenomen worden betaald voordat de mededeling, bedoeld in artikel 24, tweede lid, voor deze S&O-verklaring wordt gedaan.

Uitgaven worden niet eerder in aanmerking genomen dan in het kalenderjaar waarin het bedrijfsmiddel waarop zij betrekking hebben in gebruik is genomen.

Artikel 24 wordt als volgt gewijzigd:

1.

Het eerste en tweede lid komen te luiden:

De S&O-inhoudingsplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven, houdt een overeenkomstig bij regeling van Onze Minister van Economische Zaken vast te stellen regels ingerichte administratie bij omtrent de aard, de inhoud, de omvang en de voortgang van het werk dat in de verklaring is aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk. Ingeval aan de S&O-inhoudingsplichtige een S&O-verklaring is afgegeven die ook een bedrag aan kosten en uitgaven als bedoeld in artikel 23, tweede lid, onderdeel d, bevat, houdt de S&O-inhoudingsplichtige ook een overeenkomstig bij regeling van Onze Minister van Economische Zaken vast te stellen regels ingerichte administratie bij omtrent de kosten en uitgaven die zijn gemaakt voor het speur- en ontwikkelingswerk waarvoor hij de verklaring heeft ontvangen.

De S&O-inhoudingsplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven, doet mededeling aan Onze Minister van Economische Zaken over de in dat kalenderjaar aan speur- en ontwikkelingswerk bestede uren per afgegeven S&O-verklaring en, ingeval die verklaring ook een bedrag aan kosten en uitgaven als bedoeld in artikel 23, tweede lid, onderdeel d, bevat, van de in dat kalenderjaar gerealiseerde kosten en uitgaven per afgegeven S&O-verklaring.

2.

Het vijfde lid vervalt.

Artikel 25 wordt als volgt gewijzigd:

1.

Het eerste lid komt te luiden:

Onze Minister van Economische Zaken geeft aan de S&O-inhoudingsplichtige die de mededeling, bedoeld in artikel 24, tweede lid, heeft gedaan, zo nodig een correctie-S&O-verklaring af voor alle op het kalenderjaar betrekking hebbende S&O-verklaringen gezamenlijk, waarbij hij het bedrag van de correctie-S&O-verklaring, gespecificeerd per S&O-verklaring, vaststelt op basis van de voor dat kalenderjaar toegekende uren, kosten en uitgaven, maar volgens die mededeling niet-bestede uren en niet-gerealiseerde kosten en uitgaven.

2.

Het tweede lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b.  aannemelijk is geworden, dat de S&O-inhoudingsplichtige de verplichtingen, bedoeld in artikel 24, tweede, derde of vierde lid, niet is nagekomen, met dien verstande dat het bedrag van de correctie-S&O-verklaring wordt vastgesteld op 100% van het bedrag aan S&O-afdrachtvermindering waarvoor de mededeling, bedoeld in artikel 24, tweede lid, niet is gedaan.

3.

In het derde lid wordt «, is verricht» vervangen door: is verricht of kosten en uitgaven zoals opgenomen in de S&O-verklaring zijn gerealiseerd.

Artikel 26 wordt als volgt gewijzigd:

1.

In het eerste lid wordt «eerste lid of tweede lid, tweede volzin» vervangen door: eerste lid.

2.

In het tweede lid wordt «tweede lid, eerste volzin, of derde lid» vervangen door: tweede, derde of vierde lid.

Artikel 27, achtste lid, komt te luiden:

Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid en een mededeling als bedoeld in het vierde lid geschieden uitsluitend langs elektronische weg met gebruikmaking van de hiervoor door Onze Minister van Economische Zaken beschikbaar gestelde voorziening en door opvolging van de daarbij opgenomen aanwijzingen.

Artikel 29 wordt als volgt gewijzigd:

1.

In onderdeel a wordt «het in artikel 23, derde lid, vermelde percentage van 14,» vervangen door: het in artikel 23, derde en vierde lid, eerstvermelde percentage.

2.

In onderdeel b wordt «het in artikel 23, derde en zevende lid, vermelde percentage van 21,» vervangen door: het in artikel 23, derde en vierde lid, laatstvermelde percentage.

3.

In onderdeel c wordt «percentage van 36,» vervangen door: percentage.

Artikel 47 komt te luiden:

Artikel 47

Voor de toepassing van artikel 1, eerste lid, onderdeel t, onder 1°, en onderdeel u, onder 1°, worden onder kosten en uitgaven die eerder in aanmerking zijn genomen voor een S&O-verklaring mede verstaan: kosten en uitgaven die eerder in aanmerking zijn genomen voor een beschikking als bedoeld in artikel 3.52a, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 zoals deze luidde tot en met 31 december 2015.

In afwijking van het eerste lid en artikel 1, eerste lid, onderdeel u, wordt onder uigaven mede verstaan 20% van de uitgaven van € 1.000.000 of meer per bedrijfsmiddel die in aanmerking zijn genomen voor een beschikking als bedoeld in artikel 3.52a, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 zoals deze luidde tot en met 31 december 2015, voor zover deze uitgaven:

  • a.  zijn betaald door de S&O-inhoudinsplichtige of door een lichaam dat deel uitmaakt van dezelfde fiscale eenheid als de S&O-inhoudingsplichtige;
  • b.  dienstbaar zijn aan speur- en ontwikkelingswerk van de S&O-inhoudingsplichtige; en
  • c.  niet in meer dan vier voorgaande kalenderjaren in een beschikking als bedoeld in artikel 3.52a, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 zoals deze luidde tot en met 31 december 2015 of in een S&O-verklaring zijn opgenomen.

Met betrekking tot de toepassing van deze wet ter zake van speur- en ontwikkelingswerk dat is verricht voor 1 januari 2016, blijven de bepalingen bij of krachtens de hoofdstukken I, VIII en XII zoals deze luidden voor de wijzigingen ingevolge het Belastingplan 2016 van toepassing.

ARTIKEL XXXIV

In de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 vervalt artikel 12b, negende lid.

ARTIKEL XXXV

De Successiewet 1956 wordt met ingang van 1 januari 2017 als volgt gewijzigd:

In artikel 12, derde lid, komt onderdeel 1° te luiden:

  • 1°.  als bedoeld in artikel 33, onderdelen 1°, 2°, 3°, 8°, 9°, 11° en 12° en, voor zover het een schenking betreft waarvoor de verhoogde vrijstelling geldt, 5° en 7°.

Artikel 33 wordt als volgt gewijzigd:

1.

Onderdeel 5° komt te luiden:

  • 5°.  door een kind van de ouders, tot een bedrag van € 5.304, met dien verstande dat dit bedrag voor een kind tussen 18 en 40 jaar voor één kalenderjaar wordt verhoogd, mits op deze verhoogde vrijstelling in de aangifte een beroep wordt gedaan, tot een bedrag van:
    • a.  € 25.449;
    • b.  € 53.016, onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden, indien het bedrag is bestemd voor de betaling van kosten van een studie of de opleiding voor een beroep ten behoeve van dat kind en deze kosten aanzienlijk hoger zijn dan gebruikelijk, of;
    • c.  € 100.000, onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden, indien het bedrag een schenking ten behoeve van een eigen woning betreft;.

2.

Onderdeel 6° vervalt.

3.

Onderdeel 7° komt te luiden:

  • 7°.  in alle andere gevallen: € 2.122, met dien verstande dat dit bedrag voor iemand tussen 18 en 40 jaar voor één kalenderjaar, onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden, wordt verhoogd tot een bedrag van € 100.000 indien het een schenking ten behoeve van een eigen woning betreft en mits op deze vrijstelling in de aangifte een beroep wordt gedaan;.

Artikel 33a komt te luiden:

Artikel 33a

Voor de toepassing van artikel 33, onderdelen 5° en 7°, wordt, met inachtneming van bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden, onder een schenking ten behoeve van een eigen woning verstaan:

  • a.  een schenking van een woning die voor de verkrijger een eigen woning is als bedoeld in artikel 3.111, eerste of derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;
  • b.  een schenking van een bedrag ter zake van de verwerving van een woning als bedoeld in onderdeel a;
  • c.  een schenking van een bedrag ter zake van de kosten voor verbetering of onderhoud van een woning als bedoeld in onderdeel a;
  • d.  een schenking van een bedrag ter zake van de afkoop van rechten van erfpacht, opstal of beklemming met betrekking tot een woning als bedoeld in onderdeel a;
  • e.  een schenking van een bedrag voor de aflossing van een eigenwoningschuld als bedoeld in artikel 3.119a van de Wet inkomstenbelasting 2001 of voor de aflossing van een schuld die de verkrijger had op het moment direct voorafgaand aan een vervreemding van een eigen woning voor zover deze schuld heeft geleid tot een negatief vervreemdingssaldo eigen woning als bedoeld in artikel 3.119aa van die wet.

In artikel 35a, eerste lid, wordt «onderdelen 5°, 6° en 7°» vervangen door: onderdelen 5° en 7°.

Na artikel 82 wordt een lid ingevoegd, luidende:

Artikel 82a

De verhoogde vrijstelling, bedoeld in artikel 33, onderdeel 5°, onder a, is niet van toepassing en de verhoogde vrijstelling, bedoeld in artikel 33, onderdeel 5°, onder b en c, wordt verlaagd tot het verschil tussen het bedrag, genoemd in artikel 33, onderdeel 5°, onder b, en het bedrag, genoemd in artikel 33, onderdeel 5°, onder a, indien voorafgaande aan 1 januari 2010 de verhoogde vrijstelling, bedoeld in artikel 33, eerste lid, onderdeel 5°, zoals dat luidde op 31 december 2009, door het kind is toegepast, terwijl in de kalenderjaren 2010 tot en met 2016 niet de verhoogde vrijstelling, bedoeld in artikel 33, onderdeel 6°, zoals dat luidde in die jaren, of artikel 33a, zoals dat luidde op 31 december 2014, is toegepast.

De verhoogde vrijstelling, bedoeld in artikel 33, onderdeel 5°, is niet van toepassing indien in een van de kalenderjaren 2010 tot en met 2014 de verhoogde vrijstelling, bedoeld in artikel 33, onderdelen 5° of 6°, zoals die luidden in die kalenderjaren, of artikel 33a, zoals dat luidde op 31 december 2014, door het kind is toegepast.

De verhoogde vrijstelling, bedoeld in artikel 33, onderdeel 5°, onder a en b, is niet van toepassing en de verhoogde vrijstelling, bedoeld in artikel 33, onderdeel 5°, onder c, wordt verlaagd tot het verschil tussen het bedrag, genoemd in artikel 33, onderdeel 5°, onder c, en het bedrag, genoemd in artikel 33, onderdeel 5°, onder b, indien in de kalenderjaren 2015 of 2016 de verhoogde vrijstelling, bedoeld in artikel 33, onderdelen 5° of 6°, zoals die luidden op 31 december 2016, door het kind is toegepast.

De verhoogde vrijstelling, bedoeld in artikel 33, onderdeel 7°, is niet van toepassing indien ter zake van een verkrijging van dezelfde schenker of diens partner de vrijstelling, bedoeld in artikel 33a, zoals dat luidde op 31 december 2014, is toegepast.

ARTIKEL XXXVI

Bij het begin van het kalenderjaar 2017 wordt artikel 35a van de Successiewet 1956 niet toegepast op het in artikel 33, onderdelen 5° en 7°, van die wet laatstgenoemde bedrag.

ARTIKEL XXXVII

In de Successiewet 1956 wordt artikel 82a met ingang van 1 januari 2019 als volgt gewijzigd:

1.

In het tweede lid wordt «kalenderjaren 2010 tot en met 2014» vervangen door: kalenderjaren 2010 tot en met 2016.

2.

Het derde lid vervalt onder vernummering van het vierde lid tot derde lid.

ARTIKEL XXXVIII

Onze Minister zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van de in artikel XXXV van het Belastingplan 2016 opgenomen wijzigingen van artikel 33 van de Successiewet 1956 aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van die wijzigingen.

ARTIKEL XXXIX

In de Wet op belastingen van rechtsverkeer worden aan artikel 11 twee leden toegevoegd, luidende:

Het tweede lid is niet van toepassing indien:

  • a.  eigendom wordt verkregen door een levering onder voorbehoud van een erfdienstbaarheid, een recht van erfpacht of een recht van opstal ten behoeve van diegene die de eigendom vervreemdt; of
  • b.  eigendom wordt verkregen, welke is bezwaard met een erfdienstbaarheid, een recht van erfpacht of een recht van opstal, indien het desbetreffende beperkte recht was gevestigd tegelijk met of binnen drie jaar voorafgaand aan de verkrijging en ter zake van de vestiging van het beperkte recht of een daarmee samenhangende verkrijging van bloot eigendom de vrijstelling, bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel h, van toepassing was.

Wanneer een verkrijging als bedoeld in het vierde lid wordt gevolgd door een verkrijging als bedoeld in het eerste lid, door dezelfde verkrijger of een rechtsopvolger onder algemene titel en met betrekking tot dezelfde onroerende zaak, wordt de maatstaf van heffing bij de opvolgende verkrijging verminderd met het bedrag waarover bij de vorige verkrijging:

  • a.  overdrachtsbelasting was verschuldigd welke niet in mindering heeft gestrekt van schenk- of erfbelasting; of
  • b.  omzetbelasting was verschuldigd welke op grond van artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 in het geheel niet in aftrek kon worden gebracht.

ARTIKEL XL

In de Wet op de accijns wordt in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, «€ 7,59» vervangen door: € 7,91.

ARTIKEL XLI

De Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 7, eerste lid, komt te luiden:

Onder vruchten- en groentesap wordt verstaan drank die bestaat uit sap van vruchten of groenten of een mengsel daarvan.

Artikel 10, eerste en tweede lid, komen te luiden:

De belasting bedraagt per hectoliter € 7,91.

Voor de toepassing van het eerste lid geschiedt de herleiding van vruchtensap, groentesap en limonade in vaste of geconcentreerde vorm naar het volume van voor gebruik gereed vruchten- en groentesap of voor gebruik gerede limonade op basis van de factor 4, waarbij voor het herleiden van vruchtensap, groentesap en limonade in vaste vorm een gram wordt gelijkgesteld aan een milliliter.

Artikel 28 vervalt.

Artikel 29, eerste lid, komt te luiden:

Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen wordt vrijstelling van belasting verleend ter zake van de uitslag en de invoer van alcoholvrije dranken die door degene die de betreffende dranken betrekt, worden gebruikt als grondstof voor het vervaardigen van andere goederen dan alcoholvrije dranken.

ARTIKEL XLII

De Wet belastingen op milieugrondslag wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 44 wordt als volgt gewijzigd:

1.

Na het eerste lid wordt, onder vernummering van het tweede tot en met vierde lid tot derde tot en met vijfde lid, een lid ingevoegd, luidende:

Vrijstelling van de belasting wordt verleend ter zake van de uitslag en de invoer van kolen die worden gebruikt als brandstof voor het opwekken van elektriciteit.

2.

In het vierde lid (nieuw) wordt «eerste en tweede lid» vervangen door: eerste tot en met derde lid.

In artikel 45, eerste lid, wordt «artikel 44, eerste of tweede lid» vervangen door: artikel 44, eerste tot en met derde lid.

Artikel 59 wordt als volgt gewijzigd:

1.

In het eerste lid, onderdeel a, eerste aandachtsstreepje, wordt «€ 0,1911» vervangen door: € 0,20064.

2.

In het eerste lid, onderdeel a, tweede aandachtsstreepje, wordt «€ 0,0677» vervangen door: € 0,06954.

3.

In het eerste lid, onderdeel a, derde aandachtsstreepje, wordt «€ 0,0247» vervangen door: € 0,02537.

4.

In het eerste lid, onderdeel a, vierde aandachtsstreepje, wordt «€ 0,0118» vervangen door: € 0,01212.

5.

In het eerste lid, onderdeel c, eerste aandachtsstreepje, wordt «€ 0,1196» vervangen door: € 0,12020.

6.

In het eerste lid, onderdeel c, tweede aandachtsstreepje, wordt «€ 0,0469» vervangen door: € 0,04996.

7.

In het eerste lid, onderdeel c, derde aandachtsstreepje, wordt «€ 0,0125» vervangen door: € 0,01331.

8.

In het eerste lid, onderdeel c, vierde aandachtsstreepje, wordt «€ 0,0010» vervangen door «€ 0,00107» en wordt «€ 0,0005» vervangen door: € 0,00053.

9.

In het derde lid wordt «€ 0,1911» vervangen door: € 0,20064.

Artikel 60 wordt als volgt gewijzigd:

1.

In het eerste lid, eerste aandachtsstreepje, wordt «€ 0,03069» vervangen door: € 0,03222.

2.

In het eerste lid, tweede aandachtsstreepje, wordt «€ 0,02278» vervangen door: € 0,02339.

3.

In het eerste lid, derde aandachtsstreepje, wordt «€ 0,0247» vervangen door: € 0,02537.

4.

In het eerste lid, vierde aandachtsstreepje, wordt «€ 0,0118» vervangen door: € 0,01212.

ARTIKEL XLIII

In de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen wordt aan artikel 3 een lid toegevoegd, luidende:

Onder partner wordt niet verstaan degene die uitsluitend ingevolge het tweede lid, onderdeel e, als partner wordt aangemerkt en woont in een accommodatie van een instelling die opvang als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 biedt, mits de belanghebbende een afschrift van de beschikkingen, bedoeld in artikel 2.3.5, tweede lid, van die wet, tot het treffen van een maatwerkvoorziening voor hem en voor de persoon, bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, ten behoeve van opvang overlegt.

ARTIKEL XLIV

De Invorderingswet 1990 wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 25, achtste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1.

De tweede volzin vervalt.

2.

De laatste volzin, onderdeel b, komt te luiden:

  • b.  ingeval de vennootschap waarin de belastingschuldige de aandelen of winstbewijzen houdt, reserves aan de belastingschuldige heeft uitgedeeld, voor een bedrag ter grootte van 25 percent van de uitgedeelde reserves op de aandelen of winstbewijzen die aan het uitstel ten grondslag liggen, verminderd met de over die uitgedeelde reserves in Nederland verschuldigde dividendbelasting of inkomstenbelasting en de daarover in het buitenland feitelijk geheven belasting.

In artikel 26, tweede lid, wordt «artikel 25, vijfde of achtste lid» vervangen door «artikel 25, vijfde lid» en wordt «de termijn, bedoeld in artikel 25, vijfde lid, tweede volzin, onderscheidenlijk de termijn, bedoeld in artikel 25, achtste lid, tweede volzin» telkens vervangen door: de termijn, bedoeld in artikel 25, vijfde lid, tweede volzin.

Na artikel 70e wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 70ea

Artikel 25, achtste lid, en artikel 26, tweede lid, zoals die op 14 september 2015 luidden, blijven van toepassing op belastingaanslagen die zijn opgelegd naar aanleiding van belastbare feiten die zich hebben voorgedaan voor 15 september 2015, 15.15 uur.

ARTIKEL XLV

In de Provinciewet wordt in artikel 222a, vierde lid, «hoogste» vervangen door: laagste.

ARTIKEL XLVI

In de Invoeringswet fiscaal stelsel BES wordt in hoofdstuk III, artikel II, vierde lid, «vijf jaar» vervangen door: zes jaar.

ARTIKEL XLVII

In de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II worden de in de artikelen 3.6 tot en met 3.20 en de in de artikelen 5.4 tot en met 5.18 vermelde bedragen verhoogd met € 300.

ARTIKEL XLVIII

In het Belastingplan 2015 wordt in artikel III «verlaagd» vervangen door: verhoogd.

ARTIKEL XLIX

Voor de toepassing van artikel 10.6bis van de Wet inkomstenbelasting 2001 bij het begin van het kalenderjaar 2017 wordt het langetermijnrendement op onroerende zaken, aandelen en obligaties van het kalenderjaar 2016 gesteld op 4,25%, 8,25%, onderscheidenlijk 4,00%.

ARTIKEL L

Artikel 90 van de Wet belastingen op milieugrondslag vindt bij het begin van het kalenderjaar 2016 geen toepassing op de bedragen, genoemd in artikel 59, eerste lid, onderdelen a en c, artikel 59, derde lid, en artikel 60, eerste lid, van die wet.

ARTIKEL LI

Ingeval de samenloop van wetten die in 2015 in het Staatsblad zijn of worden gepubliceerd en wijzigingen aanbrengen in een of meer belastingwetten, niet of niet juist is geregeld, of indien als gevolg van die samenloop onjuistheden ontstaan in de aanduiding van artikelen, artikelonderdelen, verwijzingen en dergelijke in de desbetreffende wetten, kunnen die wetten op dit punt bij ministeriële regeling worden gewijzigd.

ARTIKEL LII

1.

Onder toepassing van artikel 12 van de Wet raadgevend referendum treedt deze wet in werking met ingang van 1 januari 2016, met dien verstande dat:

  • a.  artikel I, onderdelen B en C, eerst toepassing vindt nadat artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel 3.5 van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II bij het begin van het kalenderjaar 2016 zijn toegepast;
  • b.  artikel I, onderdeel G, eerst toepassing vindt nadat artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel III, onderdeel C, van het Belastingplan 2014 bij het begin van het kalenderjaar 2016 zijn toegepast;
  • c.  artikel I, onderdeel H, onder 1, eerst toepassing vindt nadat artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel III, onderdeel D, van het Belastingplan 2014 bij het begin van het kalenderjaar 2016 zijn toegepast;
  • d.  artikel I, onderdelen I, J en L, eerst toepassing vindt nadat artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 bij het begin van het kalenderjaar 2016 is toegepast;
  • e.  indien artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 bij het begin van het kalenderjaar 2017 wordt toegepast: artikel II, onderdeel E, eerst toepassing vindt nadat artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 bij het begin van het kalenderjaar 2017 is toegepast;
  • f.  artikel XVII, onderdelen A en B, eerst toepassing vindt nadat de artikelen 20a, tweede lid, en 20b, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 5.3 van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II bij het begin van het kalenderjaar 2016 zijn toegepast;
  • g.  artikel XVII, onderdeel C, eerst toepassing vindt nadat artikel 22d van de Wet op de loonbelasting 1964 en artikel VII, onderdeel C, van het Belastingplan 2014 bij het begin van het kalenderjaar 2016 zijn toegepast;
  • h.  artikel XVII, onderdeel D, eerst toepassing vindt nadat artikel 22d van de Wet op de loonbelasting 1964 en artikel VII, onderdeel D, van het Belastingplan 2014 bij het begin van het kalenderjaar 2016 zijn toegepast;
  • i.  artikel XVII, onderdeel E, eerst toepassing vindt nadat artikel 22d van de Wet op de loonbelasting 1964 bij het begin van het kalenderjaar 2016 is toegepast;
  • j.  artikel XLVI toepassing vindt voordat hoofdstuk III, artikel II, vierde lid, van de Invoeringswet fiscaal stelsel BES wordt toegepast.

2.

In afwijking van het eerste lid treden de artikelen XLII en L in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en vinden toepassing met ingang van 1 januari van het eerstvolgende kalenderjaar na dat tijdstip.

3.

Artikel XLIV werkt terug tot en met 15 september 2015, 15.15 uur.

ARTIKEL LIII

Deze wet wordt aangehaald als: Belastingplan 2016.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Financiën,

De Staatssecretaris van Financiën,