Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vaststelling begroting Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (XVII) voor het jaar 2016

34300 XVII E Verslag van een mondeling overleg

Vergaderjaar 2015-2016

E

Vastgesteld 10 maart 2016

De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking (BDO)1 heeft op 9 februari 2016 een mondeling overleg gevoerd met Minister Ploumen voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking over:
  • −  de Begrotingsstaat Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking 2016 ( 34 300 XVII ).

Van het overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de commissie Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking,
Schrijver

De griffier van de commissie Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking,
Gradenwitz

Voorzitter: Schrijver

Griffier: Gradenwitz

Aanwezig zijn veertien leden der Kamer, te weten: Van Apeldoorn, Elzinga, Faber-Klashorst, Van Dijk, Van Kappen, Kuiper, Lintmeijer, Martens, Van Rij, Van Rooijen, Schaap, Schaper, Schrijver en Stienen,

en Minister Ploumen voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.

Aanvang 15.00 uur.

De voorzitter: Ik open dit mondeling overleg en heet eenieder van harte welkom. Als u bereid bent naar onze Kamer te komen, Minister, lopen de vergaderzalen altijd vol. Dat onderstreept eigenlijk veel meer dan de kleine woorden van welkom die ik vandaag tot u mag richten het belang van uw aanwezigheid. Vorig jaar hebben we bij de bespreking van de diverse begrotingen de belangstelling van een paar fracties genoteerd om eventueel zelfs plenair met u in debat te willen gaan. Daar was weinig tijd voor. We vonden elkaar eigenlijk vrij gemakkelijk in onze wens om u wat langer in ons midden te hebben, maar dan in een commissievergadering. We zijn allemaal een beetje bezorgd over de aanslagen op de begroting, vanwege de verhoogde kosten voor de opvang van asielzoekers en de algehele druk op het OS-budget, terwijl we ook het idee hebben dat de wereld eigenlijk schreeuwt om meer structurele internationale ontwikkelingsfinanciering. Dat hoeft niet altijd per se via ODA-kanalen te komen. Wat is overigens ODA precies? We hebben met vreugde kennis genomen van de totstandkoming van het klimaatakkoord in Parijs, maar daar hangt wel een financieringskaartje aan. Verder hebben we kennisgenomen van uw enorme bijdragen aan de internationale humanitaire hulp in Syrië en omstreken. Dat zijn in a nutshell de onderwerpen die wij bij u hebben aangemeld. Dat sluit niet uit dat mijn collega's nog andere onderwerpen, hopelijk op het terrein van hulpverlening en OS, aan de orde kunnen stellen.

Ik weet zeker dat ik namens allen spreek als ik u eerst uitnodig, zelf het woord tot ons te richten.

Minister Ploumen: Voorzitter. Dank voor dit warme welkom. Fijn om wederom, net als vorig jaar, in de gelegenheid te zijn om hier met deze commissie te mogen overleggen.

Als we kijken waar de wereld nu staat, zou je kunnen zeggen dat het een wat diffuus, gemengd beeld is. Dickens begon zijn A Tail of Two Cities met de waarneming dat het beste der tijden ook het slechtste der tijden is. Het is de lente van de hoop, maar ook de winter van de wanhoop. Als we kijken naar wat ons te doen staat binnen de portefeuille BHOS, zien we dat dat de staat der dingen heel accuraat kenschetst. Enerzijds is het goede nieuws dat we er wereldwijd in slagen, met het engagement van steeds meer mensen en steeds meer verschillende partijen de extreme armoede terug te dringen. We slagen er ook in, op multilateraal niveau voor sommigen verrassend genoeg tot overeenstemming te komen over heel bepalende toekomstscenario's. Ik noem de Global Goals die we in september met de wereldgemeenschap hebben vastgesteld. U sprak, voorzitter, van het klimaatakkoord. Vaak wordt volstrekt ten onrechte de tiende ministeriële meeting van de WHO vergeten, waar voor het eerst sinds de Doha-ronde een akkoord op landbouwgebied is bereikt. Multilateralisme is alive and kicking, zou je kunnen zeggen.

Aan het andere einde van het spectrum zien we anderzijds dat extreme armoe nog niet genoeg is teruggedrongen en dat ongelijkheid in een aantal landen toeneemt. De extreme armoede concentreert zich bovendien in landen die conflictueus zijn en waar het alleen maar lastiger wordt om mensen te bereiken en te verheffen. Dichtbij huis en veraf tiert gewelddadig extremisme welig, met alle gevolgen van dien, niet alleen voor het dagelijks leven van heel veel mensen, maar ook als je dat ziet in het perspectief van de toekomstscenario's. Alles wat er vandaag gebeurt in Syrië, Zuid-Sudan en delen van Ethiopië zet een heleboel mensen gewoon weer terug op weg naar optimisme en hoop.

Dichter bij huis ervaren wij wat wel wordt aangeduid als een migratiecrisis. Veel te veel mensen en kinderen hebben hun leven verloren op hun tocht over woeste zeeën richting veiligheid. Je moet je toch echt heel erg onveilig voelen, wil je je kinderen op zo'n gammel bootje laden en van Turkije naar Griekenland varen, een onzekere toekomst tegemoet. Vandaag is dat des te prangender, omdat we zien dat door de Russische bombardementen op Aleppo heel veel mensen zich gedwongen hebben gevoeld om te vluchten. Zij zitten nu vast rond de grens met Turkije, onder slechte omstandigheden. De wereld is in verwarring. De geopolitieke context van dit alles is buitengewoon in beweging. Landen en partijen waarmee we langzaamaan vriendschappen opbouwden, blijken toch wolven in schaapskleren te zijn. Dat vraagt van ons, zeker in dit half jaar waarin we voorzitter van de EU zijn, om een verstandige koers en een pragmatische, resultaatgerichte aanpak.

Het is dus echt geen business as usual. De agenda die we hebben meegekregen op multilateraal niveau vraagt om nieuwe interventies, innovatie en samenwerking met nieuwe en andere partijen. Het is ook geen business as usual, omdat we eigenlijk elke dag moeten constateren dat er 125 miljoen mensen wereldwijd afhankelijk zijn van de hulp van anderen. Het zou het elfde land ter wereld zijn qua inwoners, maar ze hebben niemand die voor hun belangen opkomt, anders dan de mensen van goede wil.

De voorzitter: Dank voor uw korte inleidende woorden.

Mevrouw Stienen (D66): Voorzitter. Waar te beginnen? Ik vind het altijd leuk als mensen weermetaforen gebruiken. The Economist vindt, in het kader van de revoluties in de Arabische wereld, dat seizoenen niet meer toepasselijk zijn in de duiding dat we daarvoor een echte klimaatverandering nodig hebben. Maar dan geen klimaatverandering zoals die meestal wordt bedoeld.

We zien dat er heel veel kritiek is op de VN als het gaat om humanitaire hulp, hoewel er veel wordt gedaan. Hoe apprecieert de Minister die kritiek? Hoe kunnen we gebruikmaken van lokale organisaties, die misschien niet de structuren hebben die wij in onze Theories of Change and logframes graag zouden zien, maar die ter plekke wel heel erg veel nood kunnen verlichten? Graag de appreciatie van de Minister op dit punt.

De heer Van Kappen (VVD): Voorzitter. Ik vond de vergelijking waarmee de Minister begon heel goed: de goede tijden zijn tevens de slechtste tijden. We hebben het nog nooit zo goed gehad, maar de bedreigingen van onze welvaart en onze manier van samenleven zijn aan de andere kant enorm groot. Ik heb duizend vragen, waarvan één heel specifiek, omdat ik daarmee net bezig ben. Als we kijken naar wat er in Afrika aan de gang is, kunnen we voorspellen dat de migrantenstroom uit Afrika nog niet eens goed op gang is gekomen. De hele kuststrook van Noord-Afrika is inmiddels zo'n beetje in handen van ISIS, ongeveer 300 kilometer in Libië is volledig onder controle van ISIS, en er komt met name in Oost- en Zuid-Afrika een enorme hongersnood aan. Er kan nu niet gezaaid worden, want het is veel te droog, waardoor er ook niet geoogst kan worden. Er komt naar mijn idee een hongersnood van Bijbelse proporties aan. Dat zou de vluchtelingenstroom uit Afrika alleen maar aanjagen. De combinatie van die twee vluchtelingenstromen uit het Midden-Oosten, die nog aanhoudt en de aanzwellende vluchtelingenstroom die ik voorspel vanuit Afrika, betekent dat de sociale en politieke stabiliteit van het Europese continent wordt aangetast als we daar geen greep op krijgen. Ik vraag me af of de Minister mijn mening deelt dat we met prioriteit iets moeten gaan doen als we nog iets willen voorkomen, anders overkomt het ons allemaal. Ik doel op de dreigende hongersnood in Oost- en Zuid-Afrika. Staat dit punt op de agenda van de Minister? Is zij daarmee bezig? Zijn daar middelen voor? Hoe kan Nederland daaraan bijdragen? Het is maar een klein deel van wat ik de Minister allemaal wilde vragen, maar ik wil niet te veel tijd van mijn collega's in beslag nemen.

De heer Kuiper (ChristenUnie): Voorzitter. Dank voor uw komst, mevrouw de Minister. Mijn eerste vraag is al enigszins ingeleid door Onze Minister. De eerstejaarsopvang van asielzoekers wordt betaald uit het OS-budget. De afgelopen jaren hebben wij in beide huizen erg ons best gedaan om de OS-begroting zo veel mogelijk te ontzien. Dat is ook gebeurd bij motie van de heren Slob en Samsom, waarin staat dat de OS-programmalijnen voor 2015 en 2016 zouden moeten worden ontzien. Nu halen we bij kasschuif al heel veel geld uit toekomstige begrotingen naar voren, waarover wij zorgen hebben. Want dat neemt de beleidsruimte voor een volgend kabinet weg. Maar het is ook geen structurele financiering van de eerstejaars asielopvang, wat wel nodig is. We hebben ingestemd met de begrotingsstaat voor BHOS, zij het met de kanttekening dat we hierover een gesprek met de Minister wilden voeren. Nogmaals, wij hebben grote zorgen op dit punt.

Mijn tweede vraag sluit aan bij de vraag van mijn buurman. Je ziet in de vluchtelingenstroom heel veel mensen uit Noord-Afrika, zoals Marokko, Europa binnenkomen, omdat daar geen werk is. Wat doen wij met onze programma's voor Noord-Afrika, landen met een stabiel bestuur, om ervoor te zorgen dat de ontwikkelingen daar zodanig zijn dat er geen stroom mensen naar Europa is?

De heer Lintmeijer (GroenLinks): Voorzitter. Dank voor uw komst, Minister. De voorzitter heeft een algemeen gevoel, gedeeld door mijn fractie, verwoord: de druk op de ODA-gelden voor dingen waarvan wij ook graag zouden zien dat dat geld werd besteed op de plekken waar de allerarmsten het het hardst nodig hebben. Mijn buurman verwees daar ook al naar.

Het is goed dat we veel meer anticiperen op wat er nog aan vluchtelingenstromen de komende tijd op ons afkomt, in plaats van op een wat verkrampte manier daarop te reageren. In algemene zin hoor ik graag hoe het kabinet daar rekening mee houdt. Dan gaat het niet om een aantal, maar veel meer om wat we kunnen doen om meer vooruit te kijken, in plaats van ons te laten verrassen.

Ik heb begrepen dat de EOB behoorlijk wat fondsen beschikbaar stelt voor opvang in de regio. Verder begreep ik dat andere landen daar extra donaties voor hebben gedaan, maar Nederland nog niet. Klopt dat?

De heer Van Dijk (SGP): Voorzitter. Ik borduur graag voort op de opmerkingen van Roel Kuiper: een flinke inzet van ODA-middelen voor de asielopvang is formeel niet in strijd met de ODA-definitie. Maar ik las onlangs dat onder meer het OESO-DAC-secretariaat heel expliciet heeft uitgesproken dat dit de geloofwaardigheid van de ODA-middelen ondergraaft. Hoe ziet de Minister dat? In hoeverre is er bij haar de politieke wil om het OS-budget zo veel mogelijk te ontzien? Het viel mij verder op dat slechts zeven van de twintig OESO-DAC-landen de keuze maakt om die gelden in te zetten voor asielopvang. Zo vanzelfsprekend is dat dus allemaal niet.

De heer Van Kappen gaf het al terecht aan: de asielstroom zal voorlopig zeker niet opdrogen, al willen we dat allemaal graag. De instroom zal in 2016 naar alle waarschijnlijkheid hoger zijn dan waarvan de begroting uitgaat. We moeten dus degelijke en structurele financiering hebben om dit goed aan te pakken. Dat kan wat de SGP betreft niet lopen via verwachte economische groei en onderbesteding van andere departementen. Zeker voor de langere termijn is dat geen deugdelijke onderbouwing. Hoe wil de Minister tot een structurele oplossing komen, daarmee rechtdoend aan de eerdergenoemde motie? In hoeverre kunnen we daarvan op de hoogte worden gesteld, voorafgaand aan het debat over de Voorjaarsnota?

Minister Ploumen: Voorzitter. Het is duidelijk dat de vluchtelingencrisis, met name in Syrië, maar niet alleen daar, de migratiebewegingen vanuit Noord-Afrika, maar ook niet alleen vanuit daar, een belangrijk deel van mijn tijd neemt. En terecht. Vanuit BHOS hebben wij twee routes om de Nederlandse bijdrage aan het oplossen van de problematiek te materialiseren. De ene is via het geven van humanitaire hulp en de andere is via het versterken van de economische zelfredzaamheid van landen, waardoor zijzelf beter in staat zijn om de groeiende, steeds beter opgeleide bevolking in Afrika daar aan werk te helpen. Uiteraard doet collega Koenders er alles aan om bij te dragen aan het vinden van een politieke oplossing voor die problemen.

Nederland staat in de top-10 als het gaat om donoren voor humanitaire hulp. In 2014 is er een fonds gecreëerd van 570 miljoen, dat loopt tot en met 2017. Dat is additioneel aan de gebruikelijke bijdrage aan noodhulp. Dat was nodig, omdat er zoals gezegd een ongekende hoeveelheid mensen afhankelijk is van humanitaire hulp. In mei wordt de World Humanitarian Summit 2016 gehouden, de grote internationale top over humanitaire hulp. Die top is buitengewoon goed getimed, omdat we echt met elkaar moeten spreken over hoe we de humanitaire hulp effectiever en efficiënter kunnen maken. Hoe gaan we ervoor zorgen dat lokale organisaties beter gepositioneerd worden om hun bijdragen te leveren? Nederland is een van de landen die relatief veel met lokale organisaties samenwerken, ook in noodhulpsituaties. We hebben een overeenkomst met Nederlandse ngo's en hun counterparts. Maar in het hele vraagstuk van localisation neemt Nederland wel de positie in dat binnen het hele noodhulpbouwwerk de genoemde ngo's en hun counterparts een veel prominentere plek zouden moeten krijgen. Veel van die organisaties kunnen inderdaad geen logframes leveren, maar je moet wel op kwaliteit kunnen vertrouwen. Daarvoor kun je mechanismen bedenken. Nederland zal zich daarvoor inzetten. Wij ondersteunen dus dat pleidooi, niet alleen in Syrië, Libanon en Jordanië, maar breder.

De kritiek op de VN spitst zich vooral toe op de situatie in Syrië. Het regime van Assad, maar ook IS, beletten de VN en andere organisaties de toegang. Dat is in strijd met het humanitaire recht. Een van de bitterste vaststellingen vandaag is dat we dezer dagen een ongekende minachting voor het humanitaire recht zien. Assad en IS zien er totaal geen been in om dorpen en steden volstrekt af te grendelen, en niet alleen dat, ze zetten dat in als instrument van oorlogsvoering en als onderhandelingsstrategie. De VN moeten daardoor in buitengewoon moeilijke omstandigheden functioneren. Natuurlijk wil zij toegang hebben tot mensen, maar in een aantal gevallen moet daarover worden onderhandeld. Als je criticaster bent, vind je dat een stap te ver. Ik onderken zeer het dilemma waarmee de VN worstelen. Ik heb daarover met het hoofd van de VN in Syrië gesproken. Als zij weigert te onderhandelen, wordt de VN de toegang tot de mensen in nood sowieso ontzegd. De VN bevinden zich in een Catch-22-situatie.

Vervolgens is de vraag of de VN anders kunnen functioneren. Zouden voedseldroppings mogelijk zijn? In de hoorzitting hebben we gisteren gehoord dat het Rode Kruis daar zeer tegen is, terwijl andere organisaties daarvoor zijn. Ik ben voortdurend in gesprek met alle partijen. Je kunt zeggen: nu kan het niet, vanwege allerlei negatieve consequenties, maar misschien moet het over twee weken wel. Het Rode Kruis heeft als legitieme reden om tegen voedseldroppings te zijn dat ze het gevaar herbergen dat mensen per ongeluk geraakt worden door het gedropte voedsel. Ook kan het voedsel in handen vallen van strijdende partijen, waarmee het een extra onderhandelingsinzet voor die partijen is. Als er voedseldroppings moeten worden gedaan, gebeurt dat door humanitaire luchttransporten, die lager moeten vliegen, waardoor ze kwetsbaar zijn. Ook hebben ze geen enkele afweer. Een succesvolle dropping en een behouden thuiskomst zijn geen gegeven.

Dat gezegd hebbende, houd ik de komende tijd wel alle opties open. We zien namelijk wel dat die toegang moeilijk blijft. We proberen te werken met lokale organisaties. Het Rode Kruis onderhandelt soms over de toegang. Alles wat gedaan kan worden, proberen we. Het zou niet fair zijn om de kritiek op de VN als onterecht af te doen, maar het zou ook niet fair zijn ten opzichte van al die VN-mensen die daar gewoon hun best doen om de kritiek te onderstrepen. Ze doen echt wat ze kunnen. Dit alles is te wijten aan het falen van de totale internationale gemeenschap.

Nederland is een van de actiefste spelers, ook in de aanloop naar de humanitaire top. Wij zijn een van de covoorzitters van een groep die de komende maanden voorstellen gaat uitwerken om de hulp effectiever en efficiënter te maken. Wij zijn waarschijnlijk ook een van de acht voorzitters van een tafel waarop afspraken worden gemaakt tijdens die summit. We doen wat we kunnen, niet alleen financieel, maar ook qua denkkracht, ervaring en tijd.

Zoals bekend wordt 90% à 91% van de vluchtelingen in de regio opgevangen. Dat geldt voor de Syriëcrisis, maar ook voor Afrika. Ethiopië, toch niet het rijkste land van de wereld, huisvest al jarenlang ongeveer 700.000 vluchtelingen uit alle buurlanden, met alle problemen van dien. Er is dus heel veel opvang in de regio, maar dat maakt dat de druk op de regio ook heel groot is. Gecombineerd met de groeiende bevolking stelt dat de leiders daar voor problemen.

Wat doet Nederland om de structurele grondoorzaken aan te pakken? Daarbij is de agenda hulp en handel buitengewoon nuttig, want we hebben instrumenten om niet alleen financieel bij te dragen, maar we kunnen ook met het Nederlandse bedrijfsleven met handelsmissies naar Ethiopië, Rwanda enzovoorts mee om Nederlandse investeerders erop te wijzen dat daar heel veel kansen liggen. Daarbinnen hebben we twee sporen. Om te beginnen creëren we via Nederlandse bedrijven en investeerders werkgelegenheid. In al die landen zijn er buitengewoon veel uitdagingen en kansen op het gebied van landbouw, wat Nederland op het lijf geschreven is. Zo zijn we zeer actief in bilaterale en multilaterale initiatieven, onder andere voortkomend uit het World Economic Forum. Daar zit de echte oplossing: zorgen dat er daar werkgelegenheid is. Wat de tragiek van de hongernoden betreft, die natuurlijk ook weer mensen op de vlucht doet slaan, het volgende. Wij zijn actieve partner in het World Food Program (WFP) en we zijn een van de landen die al jaren investeert in disaster risk management, met name in de landen die door El Niño worden getroffen. De situatie is nu slecht, maar je ziet wel dat men veerkrachtiger is dan tien jaar geleden. De lokale boeren en de lokale markt functioneren wel beter. Vorig jaar hebben we een extra humanitaire bijdrage gegeven aan Ethiopië. We dragen nu via het WFP ook bij, evenals via UNICEF en andere organisaties die daar actief zijn. Er zijn veel programma's om de gevolgen van klimaatverandering tegen te gaan.

De komende weken zullen we geen oplossing bieden. We monitoren de gang van zaken wel nauwlettend. Maar als ik dan lees dat de wereld dit type problemen heeft verwaarloosd, voel ik mij echt niet aangesproken. Ook de lokale governance, bijvoorbeeld in Ethiopië, is echt sterk verbeterd. Ook daar is het niet alleen zwart of alleen wit. Maar wij hopen wel dat de concrete investeringen en het akkoord dat op Valetta is afgesloten tussen de EU en Afrika, een positieve invloed hebben op de situatie van de mensen daar en dus ook op de aandrang die zij wellicht hebben om te migreren. Er zijn zoals gezegd heel veel programma's, die realtime te volgen zijn op onze website. Al onze data zijn openbaar.

Dit alles heeft effecten op de begroting, om te beginnen doordat we bestedingen verschuiven. Je moet binnen zo'n begroting de flexibiliteit hebben om te schuiven. We hebben bijvoorbeeld een groot programma met maatschappelijke organisaties, meer toegeschreven op de regio in het Midden-Oosten dan in de voorgaande periodes het geval was. Maar de asielinstroom in Nederland leidt tot een druk op de begroting die oploopt tot 24%. Dat is overigens nog iets minder dan bijvoorbeeld in Zweden. Het klopt dat niet alle landen binnen de OESO-DAC toerekenen, maar enigszins kattig zeg ik: de landen die vooroplopen in OS, zijn ook de landen die vooroplopen in het opnemen van vluchtelingen. Dat geldt voor Zweden, dat geldt voor Duitsland en dat geldt voor Nederland. Erik Solheim heb ik hoog zitten, maar ik vind het wat gemakkelijk om te zeggen dat hierdoor de geloofwaardigheid van DAC wordt ondergraven. We hebben ooit met elkaar vastgesteld dat dit onderdeel van de definitie is. Nederland pleit al jaren voor vernieuwing van de ODA-definitie, waarover we ook een IBO-rapport hebben ontvangen en besproken. Ook daarvoor geldt: prima als we dat met elkaar vinden, maar dan moeten we met elkaar hervormen. Tot nu toe zie ik dat de posities volstrekt uiteenlopen. Wij houden ons netjes aan de definitie en we staan open voor een gesprek over modernisering van de definitie. Men kan daarover verschillende opvattingen hebben.

Hoe kijken we vooruit? Deels door de relaties met landen als Libanon en Jordanië op een andere leest te schoeien. De EU gaat dat nu uitvoeren. Nederland heeft sterk ingezet op en gelobbyd voor samenwerkingspakketten met Libanon en Jordanië, vergelijkbaar met dat voor Turkije. Dan gaat het vooral om het handelsinstrumentarium, maar ook om de EOB, de EBRD, de Wereldbank, zachte leningen enzovoorts. Dat gaat nu allemaal gebeuren. Ik heb steeds nadrukkelijk gezegd dat opvang in de regio datgene is wat mensen het liefst willen, maar dan moet er wel onderwijs beschikbaar zijn voor hun kinderen en dan moeten ze zelf enig perspectief op werk hebben. Dat kan alleen maar als je investeert. Ik ga hier niet verhullen dat dit alles enorme spanningen op de begroting oplevert. Want die 23% die we in Nederland besteden aan eerstejaarsopvang hadden we inderdaad ook in de regio kunnen besteden. Toch vind ik het wel fijn dat mede dankzij de inzet vanuit mijn begroting niemand in Nederland op straat hoeft te slapen en de voorzieningen op een weliswaar sober, maar toereikend niveau zijn. Tegelijkertijd is duidelijk dat ook de mensen die naar Nederland komen, hier het liefst onderdeel zouden willen zijn van onze samenleving en daaraan zouden willen bijdragen.

Ik meen niet dat wij een additionele bijdrage aan de EOB hebben gedaan. Wel hebben we een additionele bijdrage aan de Wereldbank gedaan. Soms wachten we heel even af om te zien of anderen een stap zetten. Ik zal daarnaar kijken.

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV): Voorzitter. Ik dank de Minister dat ze de moeite heeft genomen om naar deze Kamer te komen. Het is misschien een wat simpele vraag, maar er zit wel een diepere gedachte achter: vindt de Minister Turkije een veilig land? Dit ook in het kader van een eventuele toetreding van dat land tot de EU en de vluchtelingenopvang.

De Minister zei dat je door economische redzaamheid de migratiestromen kunt stoppen, of in ieder geval kunt verminderen. Het lijkt mij dat dat zou moeten kunnen. In een vluchtelingenkamp in Libanon hoorde ik iemand zeggen: als ik hier een werkvergunning en werk krijg, ga ik sparen om zo snel mogelijk naar Europa te gaan. Daarmee kun je dus het paard achter de wagen spannen. Is het niet verstandig om de migranten er bewust van te maken dat het probleem niet wordt opgelost door met zijn allen naar Europa te komen, maar dat ze hun eigen regio en hun eigen land moeten opbouwen?

De heer Van Rooijen (50PLUS): Voorzitter. Vorige week vrijdag was ik op de Bilderberg, waar mij gewerd dat de EIB over zeer ruime financiële middelen beschikt die hij niet kwijt kan. Ik vind dat nogal bizar.

De Minister sprak over kinderen die met vader of met moeder in bootjes van Turkije naar Griekenland gaan. Ik schrok vorige week, natuurlijk met anderen, van berichten dat inmiddels heel veel kinderen zijn verdwenen. Ik wist niet dat de mensheid ook dat kan veroorzaken: kinderen die met moeders vluchten, verdwijnen hier met duizenden. Wat kunnen wij daar dichtbij tegen doen?

De heer Schaper (D66): Voorzitter. Ik had een tamelijk specifieke vraag over de ODA-definitie, waar de Minister al op in ingegaan. Desondanks wil ik er toch verder op doorgaan. Dit is een onderwerp waarvoor we ons al jarenlang inzetten. Ik herinner me dat Minister van Ardenne daar al mee begon, vanuit de samenhang die de Minister schetste tussen conflict, ontwikkeling, veiligheid, ontwikkeling en armoedebestrijding. Zit daar nog enig schot in? Wat betekent dat voor de begroting van de Minister? We hebben het niet over het leveren van wapens, maar je zou kunnen denken aan non-lethal trainingen, zij het wel militair effectief. Ik bepleit het niet, maar ik wil weten hoe het denken hierover is. Wordt dit doorvertaald naar nieuwe activiteiten?

Ik begreep van de Minister dat ze bereid was naar de ODA-definitie te kijken. Lopen we daarmee zelf niet meer vooraan in die discussie? Ze loopt al tientallen jaren, dus je raakt misschien wat gedemotiveerd. Eigenlijk zou dat jammer zijn. Ik zou het in ieder geval jammer vinden als we de rol die we op dat punt hebben, opgeven.

De heer Elzinga (SP): Voorzitter. Mijn eerste vraag sluit aan bij de discussie over de ODA-definitie en de vervuiling van het budget respectievelijk de noodzaak tot modernisering van het budget. Voorkomen is beter dan genezen, zodat het fijn is als dat geld kan worden ingezet in de regio, voor de ontwikkeling van mensen waar dat nodig is en niet pas achteraf, als mensen genoodzaakt zijn te vluchten of om hun situatie te ontvluchten, waarna we het geld hier in moeten zetten. De Minister zei, de definitie wel te willen moderniseren. Maar Nederland houdt zich nu keurig aan de definitie. In die internationale afspraken hebben we ook een normbedrag afgesproken, waar Nederland zich jarenlang aan hield. Deze Kamer heeft de afgelopen jaren tweemaal uitgesproken dat Nederland zich moet inzetten om in elk geval op termijn terug te gaan naar de normdefinitie. Dat staat niet in het huidige regeerakkoord, dus ik verwacht niet dat de Minister dat binnen deze regeerperiode doet. Wel vraag ik mij af wat de visie en de inzet van de Minister zijn om het standpunt van deze Kamer uit te voeren.

Mijn volgende vraag sluit aan bij de vragen van de heren Lintmeijer en Van Rooijen, die het beiden hadden over de EOB. De laatste sprak ook over de EIB. Nu blijft er misschien bij de EIB geld op de plank liggen, maar die heeft een mandaat dat alleen is gericht op economische structuurversterking. De EIB heeft wel een dotatie gedaan aan een speciaal migratiefonds van de EOB. Die bank is bij Nederland langs geweest. Vanwege zijn rating kan hij heel veel doen voor de opvang van vluchtelingen in de regio, buiten de EU-landen. Die bank heeft een beroep gedaan op de lidstaten van de bank, terwijl de EIB ook een bijdrage heeft geleverd. Alle landen om ons heen dragen daar netjes aan bij, maar wij nog niet. Dat vind ik heel jammer. Ik bepleit met de heer Lintmeijer dat dat verandert.

De heer Van Rij (CDA): Voorzitter. Ik dank de Minister voor haar komst naar deze Kamer en voor de zeer heldere uiteenzetting tot nu toe. Ik heb een vraag over de rol van civil society in de ontwikkelingslanden. De Minister noemde de handel- en hulpagenda en het belang van zelfredzaamheid en economische ontwikkeling. Vaak hebben we daar te maken met een nog niet volledig functionerende rule of law. De rol van de civil-societyorganisaties is daarbij heel belangrijk. Raakt die niet ondergesneeuwd door al het geweld op de begroting, niet alleen nu, maar ook in de komende jaren?

Over de capaciteitsopbouw van belastingdiensten het volgende. Een staat functioneert alleen maar goed als er goede belastingwetgeving is, waarbij het geld ook daadwerkelijk moet worden geïnd. Dat heeft met het functioneren van belastingdiensten in ontwikkelingslanden te maken. Ik weet dat dit onderwerp het kabinet zeer aangelegen is. Heeft de Minister recente informatie, ook naar aanleiding van «Addis Abeba» van midden juli, daarbij de relatie leggend met de initiatieven van de Commissie? Ik denk namelijk dat Nederland daarbij vooroploopt.

De voorzitter: Met goedvinden van de commissie geef ik de woordvoerder van de PvdA heel kort het woord.

De heer Schrijver (PvdA): Voorzitter. Ik sluit me aan bij de vragen van de heren Lintmeijer en Elzinga over de EOB, een instelling van de Raad van Europa. Verder hebben wij een wat meer politieke vraag. In het schriftelijk overleg hebben wij onze grote waardering uitgesproken voor het vele wat gedaan wordt, met toch een beperkt geworden budget. Ervaart de Minister zo'n motie-Slob/Samsom respectievelijk de vrij breed gedragen motie-Kox als een sterke politieke steun in de rug? Zou zo'n motie er opnieuw moeten komen om mede-bewindspersonen nog eens op het belang van de problematiek te duiden?

Ik weet dat de Minister heel actief is in het overleg over de vroegere Parijse agenda. Daarbij gaat het ook om de andere kant, namelijk hoe ontwikkelingshulp in de brede zin van het woord effectiever kan worden ingezet. Kan de Minister daar nog iets meer over zeggen?

Minister Ploumen: Voorzitter. Voortbordurend op wat ik in eerste aanleg zei over de ODA-definitie, de EIB en de EOB: wij blijven ons inzetten voor vernieuwing van de ODA-definitie. Ik vind namelijk echt dat een definitie uit 1969, die haar waarde zeer bewezen heeft, niet meer is toegesneden op deze tijd. Die urgentie blijven wij voelen. Tegelijkertijd onderstreep ik dat het echt bikkelen is, omdat er een groep DAC-leden is met een houding van «het kan vriezen, het kan dooien». Anderzijds is er een groep die zich verzet tegen elke vernieuwing. Het interessante is dat we in DAC soms tegenover degenen staan die wij als light-minded beschouwen en waarmee we goede dingen doen. Zweden is daarvan een voorbeeld. De samenhang tussen ontwikkeling en veiligheid klopt. Agnes van Ardenne was de eerste die dat agendeerde. Wij willen bereiken dat niet alleen maar mensenrechtentraining aan politieagenten die worden uitgezonden naar conflictgebieden onder ODA kan vallen, maar ook mensenrechtentraining aan militairen. Dat is wat minder griezelig dan non-lethal support. Men is erg bang voor een doos van Pandora die opengaat, waarna dan ineens alles of niets er meer onder valt. Mijn opvatting daarover is dat je, als je inderdaad onderwerp voor onderwerp gaat onderhandelen, dat risico bestaat. Maar als je een echte modernisering wilt, moet je dat als geheel ter discussie stellen. Daar is men zeer aarzelend over. Binnenkort is er weer een OESO-DAC-bijeenkomst. Wij blijven onze positie houden, maar we zien op een aantal terreinen juist terugtrekkende bewegingen. Wij doen veel samen met de private sector. Delen daarvan vinden dat zaken die al jaren onder ODA vallen, ineens niet meer onder ODA vallen. Het is een weinig constructief overleg. Als EU-voorzitter doen we even rustig aan op dit punt, ook omdat de problematiek van de eerstejaarsopvang iedereen beroert. Maar dat punt is wat mij betreft zeker niet van tafel. Wel had ik gehoopt en verwacht dat we iets meer meters hadden gemaakt. Ik vind dat jammer, juist omdat in Addis Abeba duidelijk is aangegeven dat ODA belangrijk blijft, zij het dat partnerships nodig blijven, terwijl belastingen een veel prominentere plek moeten gaan innemen. Wij laten niet los, maar ik ben realistisch en daardoor klink ik misschien wat minder optimistisch.

Als je je aan de ene kant aan de ODA-definitie houdt, moet je dat ook aan de andere kant doen. Ik constateer dat in 2015 0,75% van het BNP aan ODA-activiteiten is uitgegeven. Dit kabinet heeft de afgelopen jaren, ondanks de inzet in het regeerakkoord, wel die 570 miljoen additioneel in het noodhulpfonds gestort. Verder is vanuit de algemene middelen twee jaar achtereen in totaal 725 miljoen richting de ODA-begroting geschoven. Wij regeren inderdaad niet over ons graf. Maar in het PvdA-verkiezingsprogramma staat wat menigeen hier bepleit. Ik kan me voorstellen dat dat in een volgende periode weer in een aantal verkiezingsprogramma's figureert. Dat zou de eerste stap zijn die nodig is om in een volgende periode de genoemde motie recht te doen.

Dat gezegd hebbend, zie ik het ook als mijn opdracht om de effectiviteit van de inspanningen continu aan te tonen. Dat helpt natuurlijk ook bij het stutten van de gedachte achter die moties. We hebben de afgelopen periode voor haar doen positieve evaluaties van de inspectie gehad op het punt van water en sanitatie, van energievoorziening voor de allerarmsten, van humanitaire hulp en van gender, waar overigens een gemengd beeld bestond. Ondanks dat soms anders wordt gesuggereerd, heeft de Rekenkamer nul fouten in onze begroting geconstateerd. Er zijn grote stappen gezet in het bevorderen van de transparantie van data. Overigens gaat die 0,75% niet alleen over de norm, maar ook over de effectiviteit.

In het kader van de uitvoering van de nieuwe agenda van de Global Goals is monitoring buitengewoon belangrijk. Nederland speelt daarbij een grote rol, waarbij ik vooral denk aan het CBS. Dat is buitengewoon actief en wordt gezien als een van de leidende instituten als het gaat om het vaststellen van indicatoren en het mee vormgeven aan monitoringsinstrumenten. Die agenda heeft een nieuwe impuls gekregen door de Global Goals. Nederland is ook covoorzitter van het Global Partnership, samen met Malawi en Mexico. Nederland wil graag inzetten op het leren van elkaar en op het betrekken van het bedrijfsleven. Hoe zorgen we ervoor dat het maatschappelijk middenveld daarin een goede positie behoudt? We moeten vaststellen dat die positie in heel veel landen onder druk staat, zelfs in het Verenigd Koninkrijk. Wij kregen vanmorgen de baas van CIVICUS, het samenwerkingsverband van alle maatschappelijke organisaties, op bezoek, van wie we hoorden dat er in het VK-parlement een wet voorligt die gaat voorschrijven dat ngo's die door de Britse overheid gesteund worden, niet in GB mogen lobbyen vis-à-vis het Britse overheidsbeleid. Nou, in de vriendschappelijke omgang die we met elkaar kennen, is dat democratie anno 2016. Buitengewoon discutabel. De wet is nog niet aangenomen, maar het geeft wel aan dat een en ander zeker onder druk staat. Daarom heeft Nederland er wel extra aandacht voor. We investeren juist in de capaciteit van organisaties, ook op andere continenten, om vis-à-vis hun overheid een kritisch gesprek te kunnen voeren. Dat gaat van lokale vrouwenorganisaties tot vakbonden. Ik ben ervan overtuigd dat een levendige samenleving niet kan zonder die partijen. Overigens zien we een interessante opleving van het belang van organisaties van mensen van goede wil die religieus geïnspireerd zijn. Dat heeft ermee te maken dat de huidige paus daarin een constructieve rol speelt.

Met een niet nader te noemen lid van deze Kamer heb ik regelmatig gesproken over de inzet van de EIB bij het vluchtelingenvraagstuk, waarbij wij beiden constateerden dat de EIB veel meer zou kunnen doen en dat ODA-gelden zouden kunnen worden ingezet als hefboom om via de EIB middelen vrij te maken. Dat heeft wat gesprekken gekost, maar tijdens het Luxemburgs voorzitterschap hebben we een bijeenkomst gehad, waarbij ook de EIB was uitgenodigd. Tijdens onze informele OS-raad was de EIB ook aanwezig. Er moet eigenlijk een Juncker-plan voor Afrika komen. Dat heeft dan overigens juist te maken met het mandaat van de EIB: economische structuurverandering en investeren in infrastructuur. Wij zetten ons daar zeer voor in. Dat heeft overigens ook weer te maken met de moderniseringsagenda: niet alleen ODA-gelden een-op-een besteden, maar probeer met die ODA-euro meerdere euro's vrij te maken. Dat kan via de EIB.

Ik ben vorig jaar in Turkije geweest, waar ik een aantal vluchtelingenkampen heb bezocht. Turkije neemt 2 miljoen vluchtelingen op. Voor die vluchtelingen is Turkije enerzijds een veilig heenkomen, want veiliger dan in Syrië en met het niveau van voorzieningen dat ook in Libanon en Jordanië niet altijd gegeven kon worden. Tegelijkertijd hoor je van heel veel mensen dat het gebrek aan onderwijskansen voor hun kinderen echt een grote drijvende kracht is. De mensen die ik spreek – mensen in Syrië, maar ook bij mij om de hoek in het azc in Amsterdam-West – zeggen allemaal: naar huis. Dat men door wanhoop gedreven, met name de wanhoop die men ziet, het ontbreken van een toekomstperspectief, met name van de kinderen, migreert, zien we natuurlijk iedere dag. Maar voor de meesten is het een gedwongen keuze, die ze liever niet hadden gemaakt. Investeren in onderwijs blijft dus heel erg belangrijk.

Net als de heer Van Rooijen heb ik mij, samen met de collega van V en J, buitengewoon bekommerd om het lot van de verdwijnende kinderen. Allereerst hebben we ingezet op het achterhalen van de correcte aantallen. Elk kind is er een te veel, maar er gingen wel erg veel verschillende aantallen rond. Wij willen iets meer grip krijgen, ook om beter te kunnen acteren op het aantal kinderen en op de momenten en de plekken waar verdwijningen kunnen plaatsvinden. Wij kijken nu of we samen met andere landen die kinderen bescherming kunnen bieden. Voor vrouwen en meisjes geldt dat overigens in dubbele mate. Volgende week maak ik een reis naar de Westelijke Balkan, waar ik met de overheden daar juist op dit punt zal spreken, daarbij bekijkend wat we samen kunnen doen. Het probleem heeft absoluut onze aandacht.

Mevrouw Stienen (D66): Voorzitter. Een paar weken geleden was ik in Qatar. Ik ben benieuwd naar de appreciatie van de Minister van de rol van de Golfstaten in ontwikkelingssamenwerking, ook op het gebied van het klimaat. Mensen met wie je praat, zijn aan de ene kant wat boos over de negatieve reputatie van de Golfstaten – ze doen niets, wordt beweerd, terwijl uit de cijfers blijkt dat ze eigenlijk heel erg veel doen – maar aan de andere kant beklagen Europese diplomaten zich over het gebrek aan strategie vanuit de EU en bilaterale overheden bij het voeren van diplomatie richting de Golfstaten.

De heer Kuiper (ChristenUnie): Voorzitter. Ik heb een vraag gesteld over de besteding binnen het OS-budget. Ik begrijp het antwoord van de Minister. Maar we halen geld naar voren. Er komt een nieuwe kabinetsformatie, waarbij kan worden gekeken naar het budget en naar de politieke wens van velen om dat budget op peil te houden. Maar er moet natuurlijk voor structurele financiering worden gezorgd. Die zorg geef ik nogmaals mee aan de Minister.

De heer Lintmeijer (GroenLinks): Voorzitter. Dank voor de antwoorden en voor de toezegging om nog eens te kijken naar wat we doen via de Wereldbank en wat via de EOB. Mooi dat dat mogelijk is. Ik deel de zorgen van de heer Kuiper dat, als we nu geld naar voren halen, het potje voor de komende jaren leeg is, terwijl er geen zicht op is dat we tegen die tijd met structureel minder instroom van mensen te maken hebben. Die zorg blijft, en die zal de Minister vandaag niet helemaal wegnemen. Het is wel goed om die zorg te blijven benadrukken. De Minister vindt mijn partij aan haar zijde als het gaat om de vraag welk percentage in 2017 moet gelden. Het mag misschien nog wel wat hoger dan nu het geval is. Ik sluit mij aan bij de vraag van de heer Van Rooijen over de verdwijnende kinderen. Meer op microniveau is er de zorg over beschermde opvang die verandert in gesloten opvang, met alle nadelige juridische consequenties daarvan. Het is nodig dat beschermde opvang ook echt beschermde opvang is. Dat is een punt van zorg dat speelt bij mijn fractie.

De heer Van Dijk (SGP): Voorzitter. Dank voor de heldere beantwoording. Dat er altijd spanning blijft, zeker als het gaat om een begroting, is evident. Ik sluit me aan bij wat de twee voorgaande sprekers hierover hebben gezegd. Er werd een boeiende opmerking gemaakt over contacten met religieuze organisaties. Ik hoop dat die vruchtbaar mogen zijn. De Minister raakte kort het genderbeleid aan. Ik kan me herinneren dat zij zich ongeveer twee jaar geleden best wel stevig heeft uitgesproken tegen gendercide: het plegen van abortus wegens geslacht, nog steeds gebruikelijk in een aantal Aziatische landen. Kan zij nog iets zeggen over haar inzet daarbij?

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV): Voorzitter. Ik dank de Minister voor de beantwoording van mijn vragen. Ik heb nog geen antwoord gekregen op mijn vraag over Turkije als veilig land.

Minister Ploumen: Voorzitter. De rol van de Golfstaten is heel interessant. Het ene Golfland is overigens het andere Golfland niet. Dat weet mevrouw Stienen, maar even voor degenen die zich dat misschien iets minder realiseren. Nederland heeft de afgelopen anderhalf jaar actief ingezet op het aanhalen van de relaties met een aantal Golfstaten op het gebied van OS. Daarbij gaat het met name om Qatar en de Emiraten. De VAE zijn nu koploper als het gaat om het percentage dat aan OS wordt gegeven, in relatie tot het bnp. Nederland heeft de Emiraten uitgenodigd om deel te nemen aan wat een informele groep is, de Tidewater-Group. Dat zijn de meer traditionele OESO-DAC-donoren. Nederland heeft zich er erg voor ingezet om de VAE onderdeel te laten zijn van die groep. Toen wij vorig jaar gastvrouw waren, is dat gelukt. Dit jaar organiseren de VAE die informele bijeenkomst. Op het leven van een mens maakt het misschien niet heel veel uit, maar in de relatie tussen VAE en de meer traditionele donoren is het een grote stap. Met Qatar werken we onder andere samen op het gebied van onderwijs voor de vluchtelingen in de regio. Met enige regelmaat heb ik ontmoetingen met de Minister van buitenlandse zaken van Qatar, waarbij het niet alleen gaat om dit vraagstuk, maar ook om dat van de arbeidsomstandigheden rondom het bouwen van de voetbalstadions voor het WK. De VAE zetten enorm in op diversificatie van hun economie. Onderdeel daarvan is inzet op duurzame energie, en dan niet alleen maar ten behoeve van hun eigen energievoorziening, maar ook ten behoeve van kennisopbouw en – uitwisseling. Ik kan me voorstellen dat er nog geen algehele positieve appreciatie is van hoe de EU zich op dit gebied verhoudt tot de Golfstaten, maar er zijn wel stappen gezet. Nederland probeert daarbij uitdrukkelijk samen te werken. Overigens trekt Nederland rond de World Humanitarian Summit samen op met de VAE. Daarbij zijn we co-host.

Wat de kasschuiven betreft, verlaat ik mij op het oordeel van de Minister van Financiën. In antwoord op schriftelijke vragen heb ik al gesteld dat hij aangeeft dat kasschuiven, want dat zijn het, een gebruikelijk instrument zijn in de Nederlandse begrotingssystematiek. Maar de zorgen kennen we allemaal. Overigens wordt de motie-Slob/Samsom uitgevoerd.

Wij zetten ons onverminderd in voor het voorkomen van gendercide, niet alleen multilateraal, maar ook met India en China. We hebben inzicht in getallen. Het gaat misschien wat ver om te zeggen dat dat aantal enorm daalt. Ik zal ervoor zorgen dat de meest actuele data beschikbaar komen, inclusief een korte opsomming van wat we hebben gedaan. Ik verwijs naar een motie van de heer Van der Staaij, waarbij hij en ik ons verwonderden over het feit dat wij het eens waren over een motie waarin het woord «abortus» voorkomt. Dat was geheel te danken aan ons beider inzet om dit onderwerp per se te willen agenderen op een manier die op brede steun van de Kamer kon rekenen. Dat wil ik graag nog eens gezegd hebben, ook omdat het hier waarschijnlijk bij blijft. Het wordt door de overheden daar in toenemende mate als een probleem gezien.

Is Turkije een veilig land? Ik begeef me op het terrein van Staatssecretaris Dijkhoff als ik het volgende aangeef. Vandaag gaat er een voorstel van hem naar de Kamer om Ghana, Marokko en Senegal als veilige landen aan te merken. Hier en daar zijn er wel zorgen, maar er zijn maar weinig landen zoals Zwitserland. Dat land gaf overigens pas heel laat kiesrecht aan vrouwen, dus zo'n fantastisch voorbeeld is het nu ook weer niet. Binnenkort komt Staatssecretaris Dijkhoff met een voorstel over onder andere Turkije. De vraag van mevrouw Faber zal dus worden beantwoord, maar door collega Dijkhoff.

Hoe zorg je dat een opvang beschermt en niet afsluit? Daar houdt Nederland zich zeer mee bezig. We hebben de alarmerende berichten over Eritrese meisjes gezien. Overigens ziet het OM geen reden om te vervolgen. Ons past dus enige terughoudendheid. Duidelijk is wel dat er ook in Nederland problemen zijn. Zonder uit het kabinetsberaad te klappen, kan ik wel zeggen dat dit iets is wat we regelmatig met elkaar bespreken en waarvoor collega Bussemaker een aantal maatregelen heeft voorgesteld. Ik zou het zeer op prijs stellen als die zorgen ook hier worden verwoord. Wij ervaren dat als een steun in de rug bij het blijven zoeken naar oplossingen, hoe ingewikkeld dat soms ook is.

De voorzitter: Met de heer Van Dijk denk ik dat de hele commissie er prijs op stelt om de brief over gendercide met actuele cijfers van u te mogen ontvangen.

De heer Van Rooijen (50PLUS): Voorzitter. Dank voor uw antwoorden op mijn vragen over de EIB en over de verdwijnende kinderen. Ik hoop dat de eerste stappen niet alleen beperkt blijven tot kijken hoe groot het probleem is. Ieder kind is er een te veel, maar dat hoef ik de Minister niet te zeggen.

We krijgen signalen dat een aantal vluchtelingen nu alweer terug wil. Kan de Minister enig inzicht geven in de achtergronden en de aantallen? Hoe gaan we daarmee om? Zeggen we «ga maar»? Of is het «blijf voorlopig maar hier, tenzij»?

De heer Elzinga (SP): Voorzitter. Ook van de kant van de SP-fractie hartelijk dank voor de antwoorden, en sowieso voor dit overleg. Zo'n mondeling overleg voegt toch altijd weer een hoop toe. Het bevalt goed. Ik herinner me het vorige MO over handelsbeleid. Ik wil daar nog twee vragen over stellen. We hebben pas nog Europees Commissaris Malmström tweemaal in Nederland op bezoek gehad. Zij heeft daarbij twee interessante uitspraken gedaan. Ten eerste heeft zij nogmaals benadrukt dat de Commissie het zeer onwenselijk vindt dat er nog langer intra-EU BIT's voortbestaan. De lidstaten zijn daarop aangesproken. Wanneer gaat Nederland nou eindelijk eens meewerken aan de opzegging daarvan?

Het EU/Singapore-akkoord ligt nu bij het Hof. Uiteindelijk geeft de Commissie een juridisch advies over het al dan niet gemengde karakter van akkoorden. Maar het is aan de Raad om te besluiten of een akkoord gemengd is of niet. Gelukkig zitten wij daarbij zelf aan tafel. Aangezien wij met andere lidstaten vinden dat TTIP en CETA gemengde akkoorden zijn, ga ik ervan uit dat deze Minister ervoor zorgt dat wij daar als parlement iets over te zeggen krijgen.

De heer Van Rij (CDA): Voorzitter. Dank voor de antwoorden. Het is hoopgevend om de aandacht voor de civil society te zien, niet alleen hier, maar vooral daar, want daar moet het gebeuren. Wil de Minister nog een antwoord geven op mijn andere vraag over capaciteitsopbouw, met name als het gaat om de Addis Abeba-conferentie en het vervolg daarop?

De heer Schrijver (PvdA): Voorzitter. Ik bouw nog even voort op wat is gezegd over het niveau van de OS-begroting. We hebben goede nota genomen van de aanmoediging van de Minister om goed op te letten bij de opstelling van verkiezingsprogramma's en kabinetsformaties. Toch is het allemaal wel aan behoorlijke volatiliteit onderhevig. Weliswaar zit Nederland nu weer boven de 0,7-norm, maar dat komt misschien ook wel door wat toevalsfactoren met een heel ongelukkige reden. Ik ben nogal gecharmeerd van de praktijk in het Verenigd Koninkrijk. Ere wie ere toekomt, maar onder David Cameron is heel gestaag gewerkt aan het toewerken naar het behalen van de 0,7-norm. Dat is gebeurd. Tegelijkertijd is in het Britse parlement een heel interessante Development Act aangenomen, waarin staat: vanaf nu moeten we op de internationale verplichting van 0,7% zitten, wat in een wet wordt vastgelegd. Zo niet, dan moet heel beredeneerd worden aangegeven waarom dat niet haalbaar is. Dat is een soort minimumvloer. Ik meen dat Noorwegen een soortgelijke wet heeft. Wat zou de Minister ervan vinden als het Nederlandse parlement een initiatief in die richting neemt? Zolang de heer Kuiper zijn missie over de hervorming van het parlementaire stelsel nog niet heeft voltooid, is het helaas niet aan deze Kamer om initiatieven op dit terrein te nemen. We hebben in de loop der jaren heel geraffineerde methodes ontwikkeld, direct en soms indirect, om aan te geven wat de meerderheid van de Eerste Kamer vindt.

Minister Ploumen: Voorzitter. Ik zal eerst mijn belofte aan de heer Van Rij inlossen om nog iets te zeggen over het belang van fatsoenlijke belastingheffing. Ik ben zo vrij om te verwijzen naar eigen werk, iets wat ik doorgaans niet doe. Gisteren heb ik in Londen een speech gegeven over ongelijkheid en de oplossingsrichting, namelijk taxation. «No succesfull nation without taxation». Ik verwees naar onderzoek door wetenschappers van de London School of Economics, waaruit blijkt dat grotere ongelijkheid leidt tot groter chagrijn onder de mensen. Daar heb ik nogmaals een pleidooi gehouden voor versterking van de belastinggrondslagen in de ontwikkelingslanden. In veel ontwikkelingslanden gaat het om 10 à 15% van het bnp, terwijl wij op ruim 30% zitten en andere landen op 40%. Als je kijkt naar de kracht en het succes van landen, zou je eerder omhoog dan omlaag moeten. Verder betaalt, omdat de belastingsystematiek en de implementatie daarvan in ontwikkelingslanden gebrekkig zijn, de marktvrouw naar verhouding veel meer belasting dan de multinational. Nederland investeert via het Addis Abeba Tax Initiative, waarvan we een van de initiatiefnemers zijn, in het versterken van belastingdiensten in die landen. We sturen gewoon onze belastinginspecteurs daarnaar toe. Ik zeg altijd gekscherend: die zijn populairder in Rwanda dan in Nederland. Nederland heeft aangegeven dat het de belastingverdragen met ontwikkelingslanden, 23 in getal, zal herzien door een antimisbruikbepaling toe te voegen. Het laatste is nu onderdeel geworden van de aanbevelingen van het OESO-DAC-programma. Dat moet door iedereen worden uitgevoerd. Bij mijn weten is een en ander onderdeel van de Commissievoorstellen die Moscovici vorige week heeft gedaan. Het kabinet komt nog met een officiële appreciatie van die voorstellen, maar het is duidelijk dat waar die het BEPS-domein omvatten, Nederland ze zal ondersteunen. We hebben bekeken wat de impact daarvan op ontwikkelingslanden is en die is natuurlijk positief. Nederland heeft er overigens voor gezorgd dat de ontwikkelingslanden soms letterlijk aan de OESO-tafel konden aanschuiven om mee te onderhandelen. Je hoort wel eens dat OESO niet het goede forum was. Daar kun je van alles van vinden, maar het was the only game in town en ook degene die leverde. We hebben de ontwikkelingslanden daarin echt een goede rol kunnen geven.

De heer Schrijver vroeg of ik iets zie in die wet. Ik heb daar mixed feelings over. Enerzijds wil ik toch graag blijven inzetten op herdefiniëring van de ODA-definitie, anderzijds omdat we juist in Addis Abeba hebben vastgesteld dat ODA, hoewel heel belangrijk, een relatief klein deel van de financiering van de SDG's is. Je moet inzetten op belastingen en private partners. Dan is het aan de parlementen om af te wegen, waar de inzet het beste gepleegd kan worden. Je kunt ook denken aan versterking van de inzet om belastingsystemen eerlijker te maken en om de private sector op een fatsoenlijke manier erbij te betrekken, daarbij hun inspanningen monitorend. Het laatste wordt nu maar mondjesmaat gedaan. Ik wil de afweging aan het parlement laten, daarbij wel aangevend dat de tijden zijn veranderd. Internationaal is onderkend dat er meerdere financieringsstromen zijn, die iets meer in kaart zullen moeten worden gebracht. OESO-DAC is daarmee bezig in de vorm van Total Official Support for Development, niet zijnde ODA. Die vernieuwing mag dan wat achterlopen, maar er gebeurt wel wat.

In reactie op de heer Elzinga: Nederland is de «aanstichter» van het debat in de Raad over een gemengd akkoord. We hebben alle andere landen achter ons gekregen. Er is niets gebeurd waardoor ik van gedachten ben veranderd. Ik zal dat dus zeker blijven bepleiten. Het lijkt mij onwaarschijnlijk dat de Commissie met voorstellen zal komen dat het een EU-only-akkoord is. Wellicht dat men vanuit juridisch perspectief tot zo'n positie zal komen, maar het lijkt mij politiek volstrekt ongewenst. Nu we daar zo vaak over hebben gesproken, wil ik heel graag in mijn eigen parlement tot een afronding kunnen komen. Zo simpel is het wel.

Het klopt dat de Commissie zich bij de bilaterale verdragen beroept op het Verdrag van Lissabon. Nederland gaat er nog niet helemaal mee akkoord. Wij bestuderen het verzoek van de Commissie nog, want Nederland heeft veel van die verdragen. Dit punt heeft zeker onze aandacht, ook in het kader van doodverklaring van ISDS en het in leven roepen van het International Courts System, het nieuwe mechanisme om investeringsgeschillen op te lossen. Wij zouden namelijk willen dat in alle bilaterale bestaande verdragen die nieuwe bepaling wordt opgenomen. Daar hebben we de Commissie wel voor nodig. Wij willen een verzoek indienen om dat voor alle bestaande bilaterale verdragen te doen. Daarover zijn we met de Commissie in gesprek; daarover volgen ongetwijfeld nog nadere mededelingen.

Via de Dienst Terugkeer en Vertrek zijn in 2015 ruim 3.300 mensen zelfstandig vertrokken. Ruim 1.800 mensen zijn gedwongen vertrokken. Ruim 5.000 mensen zijn zelfstandig vertrokken, zonder toezicht. Al met al gaat het dus om zo'n 10.000 mensen die teruggekeerd zijn. De achtergronden zijn heel divers. Wij horen berichten over mensen die het te lang vinden duren. Het is moeilijk om daar precieze getallen achter te zetten, maar ik ga ervan uit dat collega Dijkhoff ergens dit jaar meer duidelijkheid zal geven. Ik begrijp overigens dat de helft wordt begeleid en de andere helft niet.

De voorzitter: Ik schaar mij achter alle woorden van dank die alle collega's hebben uitgesproken. Dit mondeling overleg heeft opnieuw bewezen hoe nuttig het voor onze Kamer is om zo'n overleg periodiek te hebben. Dat heeft misschien wel meerwaarde boven een kort plenair debat. Ik nam nota van uw ambitie om zelf nog TTIP te mogen afronden. Ik ben ervan overtuigd dat we u best nog wel een tijdje in ons midden zullen hebben. Wij kijken allemaal uit naar het volgende mondeling overleg. Dank u wel.

Sluiting 16.30 uur.

Noot 1: Samenstelling: Kox (SP), (vicevoorzitter), Elzinga (SP), Ten Hoeve (OSF), Van Kappen (VVD), Kuiper (CU), Schaap (VVD), (vicevoorzitter), Strik (GL), Knip (VVD), Barth (PvdA), Faber-van de Klashorst (PVV), De Graaf (D66), De Grave (VVD), Hoekstra (CDA), Martens (CDA), Schrijver (PvdA), (voorzitter), Van Apeldoorn (SP), Van Dijk (SGP), Lintmeijer (GL), Knapen (CDA), Markuszower (PVV), Van Rij (CDA), Van Rooijen (50PLUS), Schaper (D66), Stienen (D66), Teunissen (PvdD), Vreeman (PvdA) en Van Weerdenburg (PVV).