Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

1. Het economisch beeld

1.1 Inleiding

De Nederlandse economie herstelde in 2016 verder. De omvang van de economie groeide met 2,2 procent in het hoogste tempo sinds het uitbreken van de financiële crisis in 2008. Het bruto binnenlands product per inwoner bereikte weer het niveau van voor de crisis. De groei was voor een groot deel binnenlands gedragen, geholpen door de toename van private consumptie en investeringen. Ook op de arbeidsmarkt ging het beter: de werkloosheid daalde flink en het aantal werkenden nam toe met ongeveer 110 duizend mensen.

De Europese economie kwam gestaag uit het dal, en het bruto binnenlands product (bbp) groeide met 1,7 procent in de eurozone en 1,9 procent in de EU. De lage inflatie en rente droegen bij aan de groei van consumptie en investeringen en eerdere hervormingen betaalden zich uit. De Europese overheidsfinanciën verbeterden ook: het EMU-tekort van de eurozone daalde tot 1,5 procent van het bbp en de overheidsschuld daalde licht. Buiten Europa was het economisch beeld wisselend. De wereldeconomie groeide met 3,1 procent, maar de groei van de wereldhandel bleef daarbij achter. In China en India was de economische groei hoog, maar in Rusland en Brazilië kromp het bbp. De Amerikaanse economie groeide met 1,6 procent en dus iets minder hard dan de afgelopen jaren.

Het Financieel Jaarverslag van het Rijk blikt terug op 2016 en geeft een overzicht van de economische en budgettaire ontwikkelingen en het financieel management. Hoofdstuk 1 schetst het economisch beeld in 2016 voor Nederland (1.2) en internationaal (1.3). Hoofdstuk 2 schetst het budgettaire beeld. Hoofdstuk 3 biedt een overzicht van risico’s waaraan de overheidsfinanciën blootstaan en beschrijft de manier waarop het kabinet die risico’s beheerst. Hoofdstuk 4 gaat in op rechtmatigheid van de rijksuitgaven en beschrijft het financieel management.

1.2 De Nederlandse economie in 2016

De Nederlandse economie groeide in 2016 met 2,2 procent. Daarmee groeide de economie voor het derde jaar op rij en in het hoogste tempo sinds het begin van de crisis in 2008. De lijn van de afgelopen jaren, van steeds sterker herstel, zette door. De crisis liet nog steeds zijn sporen achter in de economie, maar de stand van de Nederlandse economie was veel positiever dan een paar jaar geleden.

De groei kwam in 2016 voor een groot deel uit het binnenland. Figuur 1.2.1 laat zien dat alle categorieën van het bbp in 2016 toenamen. De consumptie van huishoudens groeide met 1,7 procent. Ook de omvang van de investeringen steeg flink, namelijk met 4,8 procent. De investeringen in woningen zijn een belangrijke bron van groei, met een stijging van 19 procent ten opzichte van het jaar daarvoor. De overheidsconsumptie nam met 1,0 procent toe. Tot slot groeide de export met 3,4 procent, en de import met 3,7 procent. De Nederlandse welvaart groeide dus nog steeds door handel met het buitenland, maar de groei kwam steeds meer uit de ontwikkeling in Nederland zelf.

Figuur 1.2.1 Bbp-groei

Bron: Centraal Planbureau (Centraal Economisch Plan 2017)

Het bbp per inwoner kwam in 2016 weer op het niveau van voor de crisis. Het bbp is een maatstaf voor de omvang van de economie, en daarmee voor de materiële welvaart van een land. In de crisisjaren kromp deze welvaart in Nederland flink. Het bbp per inwoner daalde zelfs nog iets meer, omdat de bevolking in die periode groeide. Figuur 1.2.2 laat zien dat het totale bbp al in 2014 weer het niveau van vòòr de crisis bereikte, maar dat het bbp per inwoner nog achterbleef. In het najaar van 2016 kwam ook het bbp per inwoner weer op dat niveau.

Figuur 1.2.2 Groei bbp per kwartaal en per inwoner

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek, eigen bewerking

De consumptie van huishoudens groeide in 2016 flink. De groei van de consumptie hangt sterk samen met de groei van inkomens, zoals figuur 1.2.3 laat zien. In 2016 steeg de consumptie van huishoudens met 1,7 procent iets minder sterk dan de reëel beschikbare inkomens. Het herstel op de arbeidsmarkt droeg bij aan de inkomensgroei, omdat lonen gemiddeld stegen en de werkloosheid daalde. Ook de lage inflatie droeg bij aan de groei van reële inkomens. De inflatie was in 2016 bijzonder laag, met name door een daling van energieprijzen. De consumentenprijzen stegen op jaarbasis gemiddeld met maar 0,1 procent, en de inflatie lag daarmee op het laagste niveau in 20 jaar. Ook de stijging van huizenprijzen droeg bij aan de consumptie van huishoudens. Volgens het CPB volgt de consumptie van huishoudens de inkomensstijging met enige vertraging. Dat kan verklaren waarom de consumptie minder snel steeg dan de inkomens.

Figuur 1.2.3 Groei reële inkomens en particuliere consumptie

Bron: Centraal Planbureau (Centraal Economisch Plan 2017)

De consumptiegroei in 2016 is aangepast aan de hand van de CBS-realisatie.

Consumenten en ondernemers kregen meer vertrouwen in de economie. Het economische sentiment verbeterde ook, zoals figuur 1.2.4 laat zien. Het consumentenvertrouwen was eind 2015 nog bescheiden positief, maar bereikte in 2016 het hoogste niveau in 9 jaar. Het sentiment bij ondernemers was al eerder positief en verbeterde nog iets meer. Ondernemers waren gemiddeld positief over het economisch klimaat, de productie en omzet en de verwachte investeringen.

Figuur 1.2.4 Economisch sentiment

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek

De huizenprijzen stegen en het aantal verkochte woningen bereikte een recordniveau. Koopwoningen waren eind 2016 6,7 procent duurder dan een jaar eerder, en de huizenprijzen stegen daarmee in het hoogste tempo sinds 2002. 215 duizend huishoudens (ver)kochten een woning; het hoogste aantal ooit in Nederland gemeten. Figuur 1.2.5 toont beide ontwikkelingen. Stijgende inkomens, de lage hypotheekrente en het vertrouwen in de economie droegen bij aan de prijsstijging. Met name in de grote steden stegen de prijzen snel: huizen in Amsterdam werden 13,5 procent duurder, maar ook in Rotterdam, Utrecht en Den Haag werden woningen 7 tot 10 procent duurder. Het aantal onderwaterhuishoudens, die een grotere hypotheekschuld dan woningwaarde hadden, daalde in 2016 verder. Eind 2015 had nog 25,6 procent van de huishoudens een onderwaterhypotheek, en eind 2016 waren dat er 17,6 procent.1
Figuur 1.2.5 Ontwikkeling huizenprijzen en aantal transacties

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek

De werkloosheid daalde snel in 2016. In 2015 daalde de werkloosheid op jaarbasis voor het eerst, en die daling zette in 2016 door. De werkloosheid daalde van gemiddeld 6,9 procent van de beroepsbevolking in 2015 tot 6,0 procent in 2016. De werkloosheid kwam in december zelfs uit op 5,4 procent, het laagste niveau sinds eind 2011. Figuur 1.2.6 laat het niveau van de werkloosheid in historisch perspectief zien. Voor het eerst sinds 2009 daalde daarnaast het aantal langdurig werklozen, ook onder ouderen. In 2015 waren er nog ongeveer 260 duizend mensen langer dan een jaar werkloos, en in 2016 daalde dat aantal tot 216 duizend mensen.

Figuur 1.2.6 Werkloosheid

Bron: Centraal Planbureau

Het aantal mensen met een baan nam toe met 109 duizend personen. Het aantal werkenden groeide daarmee in het hoogste tempo sinds 2008. De werkloosheid daalde met 75 duizend mensen. Dat betekent dat ook het arbeidsaanbod groeide. Er kwamen dus niet alleen genoeg banen bij om de werkloosheid te laten dalen, maar ook om werk te bieden aan mensen die eerder niet op de arbeidsmarkt actief waren. Dat waren bijvoorbeeld jongeren die na een opleiding voor het eerst werk zoeken, maar ook mensen die zich eerder hadden teruggetrokken van de arbeidsmarkt en door het herstel van de economie weer op zoek gingen naar een baan.

1.3 Internationale ontwikkelingen

1.3.1 Ontwikkelingen EU en eurozone

De Europese economie trok in 2016 verder aan. Het bbp groeide in de eurozone met 1,7 procent en in de EU met 1,9 procent, zoals figuur 1.3.1 laat zien. Het groeitempo in de eurozone lag iets onder dat van 2015, maar dat is het gevolg van een statistische bijstelling van de Ierse nationale rekeningen: als Ierland buiten beschouwing wordt gelaten zou het bbp iets sterker zijn gegroeid dan in 2015. Ook in Europa werd de groei breed gedragen: de consumptie, investeringen en de export groeiden allemaal. Het economische herstel werd ondersteund door de lage rente, de lage inflatie en het herstel op de arbeidsmarkt. De werkloosheid daalde in de eurozone van 10,9 procent naar 10 procent van de beroepsbevolking. De werkloosheid is daarmee nog steeds hoog, maar lag weer op het niveau van mei 2009. Er waren onderling flinke groeiverschillen, maar in vrijwel alle lidstaten groeide het bbp.

Figuur 1.3.1 en 1.3.2. Reële bbp-groei (procent per jaar) en EMU-saldo eurozone (procent van het bbp)

Bron: Europese Commissie (Winterraming 2017), AMECO

De Europese overheidsfinanciën verbeterden. De eurozone en EU hadden gemiddeld nog steeds een begrotingstekort, maar de trend van afnemende tekorten zette in 2016 door. Het EMU-saldo kwam in de eurozone uit op – 1,5 procent van het bbp en in de EU op – 1,7 procent, zoals figuur 1.3.2 laat zien. Als het EMU-saldo wordt gecorrigeerd voor de conjunctuur en incidentele uitgaven, zoals gebeurt met het structurele EMU-saldo, was er in de eurozone sprake van een kleine verslechtering. Het structurele saldo kwam voor de eurozone uit op – 1,1 procent van het bbp. De EMU-schuld is in de eurozone nog steeds hoog, maar daalde in 2016 van 92,6 procent tot 91,5 procent van het bbp.

De Europese Raad besloot op 17 juni om Cyprus, Ierland en Slovenië te ontslaan uit de buitensporigtekortprocedure. Deze lidstaten hebben hun te hoge tekorten voldoende gecorrigeerd. Hierdoor zitten er nog 6 landen in een buitensporigtekortprocedure.

Er waren aanhoudende zorgen over de situatie rondom een aantal Europese banken. Zo kampten verschillende banken met een hoog aantal slechte leningen. Meerdere Europese banken hebben orde op zaken gesteld, bijvoorbeeld door te zoeken naar nieuw privaat kapitaal en hun balansen op te schonen. In een aantal lidstaten hebben overheden maatregelen genomen. Zo heeft de Italiaanse overheid onder andere haar insolventieraamwerk versterkt en geprobeerd om de markt voor slechte leningen te vergroten.2

1.3.2 Overige internationale ontwikkelingen

De wereldeconomie groeide in 2016 met 3,1 procent. De wereldwijde groei was daarmee ongeveer gelijk aan het niveau van 2015, namelijk 3,2 procent. De wereldhandel bleef met een groei van 2,3 procent enigszins achter bij de ontwikkeling van de wereldeconomie. In de Verenigde Staten viel de bbp-groei met 1,6 procent lager uit dan eerdere jaren. Dit kwam mede doordat investeringen in de grondstofsector in de eerste helft van 2016 terugliepen als gevolg van de daling van de olieprijs in 2015. Het herstel op de arbeidsmarkt hield echter aan en de werkloosheid daalde tot 4,7 procent in december. Ook de kerninflatie, dus zonder energie- en grondstofprijzen, nam toe tot 1,7 procent op jaarbasis. Dit was reden voor de Federal Reserve om de beleidsrente in december voor de tweede keer sinds 2008 te verhogen naar 0,50 procent –0,75 procent.

In China en India groeide de economie met respectievelijk 6,7 procent en 7,0 procent. De groei in China neemt geleidelijk af omdat er sprake is van een verschuiving naar een meer evenwichtig duurzaam groeimodel dat is gebaseerd op een grotere rol voor binnenlandse consumptie en de dienstensector. De kredietgroei in China nam echter wel toe waardoor de noodzakelijke verandering van het groeimodel kan worden vertraagd en de kans op misallocatie toeneemt. De Indiase economie profiteerde onder meer van de hervormingen die de afgelopen jaren zijn doorgevoerd, zoals efficiëntere faillisementswetgeving. De afschaffing van grote coupures aan het eind van 2016 leidde echter tot tekorten aan contant geld waardoor de consumptie tijdelijk afnam.

De Braziliaanse economie kende, mede door de gestegen politieke onzekerheid, een economische krimp van 3,5 procent. Ook de Russische economie kromp in 2016, maar de bbp-daling werd gedempt doordat de olieprijzen in de tweede helft van 2016 weer toenamen.