Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

3. BELEIDSPRIORITEITEN

In 2016 heeft Nederland de economische crisis definitief achter zich gelaten; de vorig jaar ingezette economische groei hield aan. Het bbp in Nederland groeide met 2,1% en de werkloosheid is afgenomen van 6,9% in 2015 naar 5,5% aan het eind van 2016. Nederland besteedde in 2016 0,65% van zijn Bruto Nationaal Product (BNP) aan ontwikkelingssamenwerking. De mondiale economische groei was fragiel en ongelijk verdeeld. Het beeld in opkomende economieën was wisselvallig, terwijl de ontwikkelde markten stevig op weg lijken naar herstel. De Brexit en de onzekerheden rond het monetaire beleid zorgden voor aanhoudende risico’s.

Het jaar 2016 stond ook in het teken van het succesvol verlopen Nederlandse EU-voorzitterschap. Onder Nederlandse voorzitterschap is de triloog over de herziening van de anti-folterverordening tot een succesvol einde gekomen en is een politieke overeenkomst bereikt over de EU-verordening over conflictmineralen. Voor het eerst vond een gezamenlijke sessie van EU-ministers van Ontwikkelingssamenwerking en van Buitenlandse Handel plaats, waarbij aandacht was voor de combinatie van hulp- en handelsinstrumenten ten behoeve van duurzame ontwikkeling.

Er vonden internationale conferenties plaats waar internationale afspraken zijn gemaakt. Het kabinet steunde tijdens de World Humanitarian Summit (WHS) de Grand Bargain, een overeenkomst tussen de vijftien grootste donoren en de vijftien grootste uitvoerende organisaties om noodhulp effectiever en efficiënter te maken. Onder Nederlands voorzitterschap is voor deze top een gezamenlijk EU-standpunt geformuleerd.

Tijdens de VN-top en de Obama-top in september 2016 over grootschalige vluchtelingen- en migratiestromen zijn afspraken gemaakt over gedeelde verantwoordelijkheden van lidstaten en over een meer geïntegreerde aanpak van vluchtelingen en migratie. Tijdens de Obama-top is er door de deelnemende landen (52) in totaal 3 miljard dollar toegezegd voor wereldwijde humanitaire hulp.

In oktober is een nieuwe mondiale agenda voor stedelijke ontwikkeling aangenomen in Quito, Ecuador tijdens de Habitat III conferentie over huisvesting en duurzame stadsontwikkeling. Nederland heeft zich met succes hard gemaakt voor het opnemen van deltasteden in deze nieuwe agenda en voor een integrale aanpak met steden in een sleutelrol.

Tijdens de COP22 in november zijn de verplichtingen van Parijs herbevestigd en de eerste afspraken hoe deze afspraken uit te voeren zijn gemaakt: de invulling van de nationale klimaatplannen, wat wel en niet telt als klimaatfinanciering, de rol van adaptatie, en de rol van de private sector. Veel landen en met name de private sector gaven aan onverminderd door te gaan met investeren in klimaatactie. In Marrakesh werd op aandringen van Nederland ook besloten om het gender werkprogramma voort te zetten met als doelstelling het verder integreren van gender in klimaatbeleid en klimaatacties.

De Algemene Vergadering van de VN aanvaardde een vierjaarlijkse resolutie die sturing moet geven aan de nieuwe strategische plannen van VN-organisaties. Het kabinet heeft hierbij succesvol ingezet op een stevige verankering van Nederlandse prioriteiten, zoals tegengaan fragmentatie, transparantie, resultaatssturing, gender, partnerschappen en versterking van de nexus humanitair, ontwikkeling en vredesopbouw. Ook is met succes gepleit voor een sterk mandaat voor de nieuwe Secretaris-Generaal om het VN-ontwikkelingssysteem te hervormen.

Migratie

Begin 2016 waren er ruim 65 miljoen mensen op de vlucht, dat betekent één op de 113 wereldburgers. Het duurt steeds langer voordat vluchtelingen terug naar huis kunnen keren en zij verblijven steeds vaker in steden dan in vluchtelingenkampen. In 2016 waren er 33.670 mensen die asiel aanvroegen in Nederland. Dit betekent een daling ten opzichte van 2015 toen 59.330 mensen asiel aanvroegen.

Tijdens het Nederlandse voorzitterschap zijn de kaders geformuleerd voor een duurzame aanpak van de Europese migratieproblematiek. De EU-Turkije verklaring van 18 maart jl. en de implementatie daarvan hebben geleid tot een drastische daling van het aantal mensen dat tracht vanuit Turkije de Griekse eilanden te bereiken en ook het aantal verdrinkingen in de Egeïsche Zee.

Het kabinet stelde in mei 2016 een extra bedrag van EUR 260 miljoen ter beschikking voor opvang in de regio. Omdat het programma’s met een meerjarig karakter betreft, zijn ook uitgaven voorzien in 2017. EUR 180 miljoen is besteed in 2016.

De EU heeft in 2016 met Libanon en Jordanië overeenstemming bereikt over de inhoud van migratiecompacts als onderdeel van de herziening van de nabuurschapsrelatie met deze landen. De EU biedt handelsvoordelen, financiële steun en expertise, en Libanon en Jordanië hebben zich gecommitteerd aan het verbeteren van de opvang van vluchtelingen, bijvoorbeeld door vluchtelingen betere toegang te geven tot onderwijs en de arbeidsmarkt. Nederland is sterk pleitbezorger geweest van brede afspraken met Libanon en Jordanië. Mede op aandringen van Nederland richtte de Wereldbank in 2016 de Concessional Financing Facility voor Libanon en Jordanië op. Door het verstrekken van zachte leningen biedt de faciliteit toekomstperspectief aan vluchtelingen en vergroot het de weerbaarheid van gastgemeenschappen. In totaal heeft Nederland EUR 25 miljoen bijgedragen en was Nederland de eerste donor na oprichting van de Concessional Financing Facility.

Aanpak grondoorzaken

Het is van groot belang jongeren meer kansen te geven hun dromen en ambities waar te maken in eigen land. De eerste investeringen van de in 2015 aangekondigde inzet van EUR 50 miljoen ter bevordering van ondernemerschap door en werkgelegenheid voor Afrikaanse jongeren zijn tot stand gekomen in 2016. De vier Local Employment in Africa for Development (LEAD) consortia onder leiding van respectievelijk SPARK, Hivos, Oxfam Novib en SOS Kinderdorpen zijn gestart met de uitvoering van activiteiten in zeven Afrikaanse landen. Binnen het Dutch Good Growth Fund (DGGF) is EUR 25 miljoen extra beschikbaar gesteld voor het creëren van banen en het bevorderen van jong ondernemerschap in achttien landen in Noord-Afrika.

Het EU Trust Fund voor Afrika beoogt de grondoorzaken van destabilisatie en migratie aan te pakken door economische kansen te creëren, in het bijzonder voor jongeren en vrouwen. Eind 2016 is in dit kader met aanvullende steun van Nederland in Mali een activiteit gestart gericht op jeugdwerkgelegenheid in de tuinbouwsector onder leiding van SNV in samenwerking met ICCO en Waste.

Via de Wederopbouwtender zijn van 2012–2016 programma’s van NGO’s als ZOA, Spark, Save The Children en CARE ondersteund, die zich in fragiele staten waaronder Afghanistan, Burundi, Jemen en Zuid-Sudan o.a. richtten op het bevorderen van ondernemerschap door en werkgelegenheid voor jongeren. De tender voor het Addressing Root Causes (ARC) fonds mondde eind 2016 uit in subsidies aan negentien consortia van NGO’s in Afghanistan, Pakistan, Syrië, Jordanië, Libanon, Mali, Sudan, Zuid-Sudan, Somalië, Ethiopië en Burundi. De helft van deze programma’s zet – naast op andere oorzaken van conflict, instabiliteit en migratie – ook in op ondernemerschap door en werkgelegenheid voor jongeren.

Migratiepartnerschap met Hoorn van Afrika

In de Hoorn van Afrika leidt Nederland sinds 2016 het Europese Regional Development and Protection Programme (RDPP) om de toekomstperspectieven van vluchtelingen en gastgemeenschappen te verbeteren. Dit programma heeft een totale omvang van EUR 140 miljoen. Nederland draagt hieraan EUR 5 miljoen bij. Het RDPP richt zich op Kenia (600.000 vluchtelingen), Ethiopië (800.000 vluchtelingen), Sudan (355.000 vluchtelingen) en Oeganda (500.000 vluchtelingen). Door dit programma hebben vluchtelingen meer mogelijkheden gekregen buiten opvangkampen te wonen, werken en onderwijs te volgen. Ook wordt de druk op gastgemeenschappen verminderd. Er zijn programma’s in Somalië, die vrijwillige terugkeer en duurzame herintegratie van Somalische vluchtelingen uit buurlanden faciliteren.

Innovatie van noodhulp

Nederland speelt internationaal een voortrekkersrol bij de vernieuwing van humanitaire hulp. Nederland was tijdens de World Humanitarian Summitéén van de initiatiefnemers van de Global Alliance on Humanitarian Innovation die op de top werd gelanceerd. Dit initiatief brengt humanitaire organisaties, het bedrijfsleven en universiteiten samen om oplossingen te vinden voor concrete humanitaire uitdagingen. Het VN Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Zaken (UN OCHA) kondigde tijdens de WHS aan dat een humanitair datacentrum in Den Haag wordt geopend. Het centrum ondersteunt het bevorderen van de effectiviteit van noodhulp

Klimaat

Klimaatverandering versterkt armoede, ongelijkheid en instabiliteit. Lage- en middeninkomenslanden zijn relatief kwetsbaar voor de gevolgen van klimaatverandering en de bevolking heeft vaak minder mogelijkheden om te anticiperen op nieuwe omstandigheden zoals extreem weer. Nederland spande zich daarom in 2016 zowel in voor mitigatie (het tegengaan van) klimaatverandering als voor adaptatie (het vergroten van de weerbaarheid van de meest kwetsbare groepen).

Op het gebied van water en adaptatie is gewerkt aan de ontwikkelingsplannen voor veilige delta’s in zeven landen: Bangladesh, Colombia, Egypte, Indonesië, Mozambique, Myanmar en Vietnam. Op het gebied van voedselzekerheid en adaptatie is Nederland betrokken bij aanpassingen van de landbouw in Oost-Afrika, zoals het verbeteren van bodemvruchtbaarheid, verbeterd zaaizaad en het gebruik van satellietbeelden voor landbouwverzekeringen en weersvoorspellingen. Met Nederlandse steun heeft de eerste veiling voor zonne-energiecentrales in Zambia geresulteerd in een halvering van de kostprijs die tot dan gebruikelijk was in Sub-Sahara Afrika. Nederland bleef benadrukken dat de allerarmsten naast elektriciteit vooral ook schone kooktoestellen nodig hebben.

Landen committeren zich in internationaal aan een bepaalde omvang van klimaatfinanciering. De gestelde doelen voor klimaatfinanciering in 2016 voor Nederland (EUR 350 miljoen publiek en EUR 200 miljoen privaat) zijn gehaald.

In februari 2016 besloot het kabinet tot een extra bijdrage van EUR 4 miljoen aan het Wereldvoedselprogramma (WFP) en EUR 4 miljoen aan de Wereld Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) om de effecten van El Niño in zwaar getroffen landen in de Hoorn van Afrika en zuidelijk Afrika te temperen. Deze steun heeft bijgedragen aan de verbetering van de acute noodsituatie met betrekking tot voedsel en water, alsook aan het versterken van de weerbaarheid van de getroffen bevolking.

Beleidscoherentie voor ontwikkeling

Coherent beleid van de ontwikkelde landen op het terrein van handel, economie en klimaat is een essentiële voorwaarde voor de realisatie van de SDG’s. In 2016 zijn een actieplan Beleidscoherentie alsook een tussentijdse rapportage gepresenteerd, dat de thema’s omvat waarop het kabinet al langer werkt: toegang tot medicijnen, belastingontwijking, duurzame waardeketens, kosten van geldovermakingen door migranten en klimaatverandering. Het plan is aangevuld met drie onderwerpen. Het eerste onderwerp omvat bilaterale en regionale handelsakkoorden, omdat de EU met veel landen dergelijke onderhandelingen voert of gaat voeren. Deze akkoorden kunnen gevolgen hebben voor ontwikkelingslanden. In 2016 is een studie gedaan naar de economische impact, zowel op Nederland als op lage- en middeninkomenslanden, van zes bilaterale akkoorden die de EU de komende tijd (her)onderhandelt met Australië, Chili, Indonesië, Mexico, New Zeeland en de Filipijnen. Het tweede nieuwe onderwerp omvat investerings-beschermingsovereenkomsten (IBO’s). IBO’s vergroten de rechtszekerheid en bevorderen daarmee het aantrekken van investeringen in ontwikkelingslanden. Als derde nieuwe onderwerp is voedselzekerheid opgenomen, naar aanleiding van de motie Van Laar over het gezamenlijk optrekken tussen ministeries op het gebied van voedselzekerheid.

Beschikbaarheid en betaalbaarheid van medicijnen is een probleem in zowel rijke landen als ontwikkelingslanden. Voor de ontwikkeling van medicijnen zijn nieuwe modellen nodig waarbij de kosten van onderzoek en ontwikkeling worden losgekoppeld van de uiteindelijke prijs. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Volksgezondheid, Welzijn en Sport leverden een schriftelijke en mondelinge bijdrage aan het door de Secretaris-Generaal van de VN ingestelde High Level Panel over Toegang tot Medicijnen. Hierin werd het Panel aangemoedigd op een breed terrein te zoeken naar oplossingen. Deze visie werd door Nederland ook uitgedragen tijdens de Wereld Gezondheids Assemblee 2016. Nederland maakte zich hard voor een resolutie die de WHO een stevig mandaat geeft en die benadrukt dat onderzoek en ontwikkeling gebaseerd moeten zijn op de behoeften en tot betaalbare medicijnen moet leiden. Het gerenommeerde medische blad The Lancet publiceerde een opiniestuk van ministers voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en Volksgezondheid, Welzijn en Sport, waarin het kabinet oproept tot inzet van zowel de farmaceutische industrie als regeringen om te investeren in nieuwe medicijnen, volledige transparantie te geven over kosten en prijzen en vooraf de bijdragen van verschillende partijen inzichtelijk te maken. Ook moeten zij de juridische ruimte van landen om de volksgezondheid te beschermen respecteren.

Met de gecombineerde agenda voor hulp, handel en investeringen is veel bereikt: inclusieve economische ontwikkeling voor de armste groepen staat centraal in het beleid. Dat moet ook, want het is cruciaal voor het bereiken van de SDG’s. Publiek-private samenwerking heeft een enorme impuls gekregen. Veel meer Nederlandse en internationale kennisinstellingen en private organisaties zijn nu actief betrokken bij internationale samenwerking. Infrastructuur programma’s zoals ORIO, DRIVE en FMO-IDF leggen de basis voor economische en sociale ontwikkeling. Nederlandse ODA wordt ingezet als katalysator van private middelen. In het DGGF levert elke publieke euro nu EUR 3,5 op aan private middelen voor ontwikkelingsactiviteiten, dat betekent dat met elke publieke euro EUR 3,5 aan financiering bij andere financiers wordt losgemaakt. Voor elke euro die Nederland bijdraagt aan International Development Association (IDA), het Wereldbankloket voor de armste landen, kan het fonds drie euro investeren. Zo wordt de Nederlandse donorbijdrage door IDA via leningen en schenkingen verveelvoudigd.

De kracht van de combinatie hulp, handel en investeringen komt ook tot uiting in de leidende rol die Nederland speelt bij verduurzaming van handelsketens met ontwikkelingslanden. De Amsterdam Verklaringen voor duurzame palmolie en tegen ontbossing werden in 2016 door twee additionele overheden getekend: Noorwegen en Frankrijk. Onze aanpak vindt ook bredere navolging; in november 2016 tekenden negen Afrikaanse landen het Africa Palm Oil Initiative. Consultaties onder verschillende belanghebbenden zoals in Bangladesh rond textiel zijn uniek in de wereld. Er zijn veel strengere inspecties van arbeidsomstandigheden van honderdduizenden textielarbeiders waardoor de discussie over leefbaar loon en leefbaar inkomen mede op gang is gebracht. Onder het Nederlandse EU-voorzitterschap in de eerste helft van 2016 de is de eerste gezamenlijke (informele) Raad van ministers van Handel en van OS georganiseerd met als onderwerp verduurzaming van handelsketens. Op initiatief van Nederland zijn Raadsconclusies aangenomen waarin de EU zich committeert aan de verduurzaming van ketens.

De agenda voor hulp, handel en investeringen heeft drie doelstellingen: (1) het uitbannen van extreme armoede, (2) het bevorderen van duurzame en inclusieve groei, en (3) het vergroten van het succes van het Nederlands bedrijfsleven in het buitenland.

Uitbannen extreme armoede

Het bestrijden van grote ongelijkheid is een centraal onderdeel van het Nederlandse beleid voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Het overkoepelende thema van de SDG’s is Leave No One Behind. Om dit te bereiken is het nodig meer te investeren in de bestrijding van extreme armoede en specifieke maatregelen te nemen om armste en meest gemarginaliseerde groepen te bereiken die achterblijven. Ook in 2016 werkte Nederland aan armoede- en ongelijkheidsvermindering via de vier speerpunten voedselzekerheid, water, veiligheid en rechtsorde en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR) en de drie thema’s klimaat, privatesectorontwikkeling en vrouwenrechten. Met UNICEF en de Global Alliance for Improved Nutrition wordt een van de grondoorzaken van armoede en marginalisatie aangepakt: ondervoeding van aanstaande moeders en jonge kinderen die, wanneer niet bestreden, hen levenslang op achterstand zet. Voedingsprojecten in Bangladesh hebben daarom reproductieve gezondheids- en genderaspecten geïntegreerd in hun training modules. Leave No One Behind was het overkoepelende thema van het VN High-Level Political Forum in juli 2016, Dit forum bespreekt jaarlijks de voortgang en rapportage gericht op de SDG’s. Nederland organiseerde samen met Kenia en het Overseas Development Institute (ODI) een succesvol evenement waar achttien regeringen, VN-organisaties en internationale NGO’s een toezegging deden voor extra actie om te zorgen dat niemand achterblijft.

In september 2015 heeft de VN een nieuwe mondiale duurzame ontwikkelingsagenda voor 2030 vastgesteld. Deze agenda bevat 17 Sustainable Development Goals (SDG’s) die gelden voor alle landen; de lidstaten moeten zorgen voor vertaling in nationaal beleid. De uitvoering van de SDG’s is een kabinetsbrede verantwoordelijkheid. Begin 2016 is een nulmeting van het rijksbeleid gedaan door het samenvatten van bestaand en aangekondigd rijksbeleid per elk van de 169 te behalen subdoelen en een analyse in het kader van de Monitor Duurzaam Nederland. Departementen zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de onderdelen die op hun beleidsterrein liggen. Omdat veel doelen alleen in samenhang met elkaar kunnen worden gerealiseerd, wordt onderling nauw samengewerkt. De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking vervult op dit moment een coördinerende rol. Ter ondersteuning van deze rol is per 1 februari 2016 een «Coördinator Nationale Implementatie» aangesteld. De coördinator heeft in september 2016 een plan van aanpak opgesteld voor de uitvoering van de SDG’s in Nederland en op 4 november 2016 publiceerde het CBS op verzoek van het Ministerie van Buitenlandse Zaken een eerste publicatie over hoe Nederland ervoor staat met de 17 SDG’s. Ondanks dat het op veel terreinen goed gaat in Nederland zijn er ook belangrijke aandachtspunten. Nederland heeft de ambitie alle SDG’s in 2030 te realiseren en loopt qua aanpak binnen de EU voorop. Veel Nederlandse actoren, op alle terreinen en alle niveaus, voelen zich aangespoord de SDG’s te helpen realiseren. Er is een platform SDG Charter Nederland opgericht. Hoe groot die betrokkenheid is, bleek ook tijdens de goed bezochte SDG-conferentie op de Erasmus Universiteit Rotterdam met meer dan 500 deelnemers, inclusief de CEO’s van Philips, Unilever, DSM en Shell Nederland. Tijdens het EU-voorzitterschap heeft Nederland bijgedragen aan de uitvoering van de SDG’s door de EU door actieve pleitbezorging op politiek niveau, een workshop met lidstaten over best practices voor nationale uitvoering en een conferentie over het betrekken van de private sectoren, kennisinstellingen bij de uitvoering. Op 22 november 2016 verscheen de Mededelingen van de Europese Commissie over de implementatie van de SDG’s in het interne en externe EU-beleid. In de EU Global Strategy van de Hoge Vertegenwoordiger is mede op initiatief van Nederland een stevige link gelegd tussen de implementatie SDG’s en de Europese buitenlandse en veiligheidsbelangen.

Het belang en gebruik van officiële ontwikkelingsfinanciering (ODA) is internationaal aan het verschuiven. In tientallen ontwikkelingslanden is de armoede de afgelopen decennia teruggedrongen; door toenemende eigen belastinginkomsten kunnen overheden zelf meer investeren in onderwijs en gezondheidszorg. Voor de 40 armste landen in de wereld is dit echter niet het geval en is ODA nog steeds een belangrijke, vaak de belangrijkste externe financieringsbron. Deze landen bevinden zich veelal in een brede ring van instabiliteit rond Europa. Vluchtelingen- en migratiestromen binnen en vanuit deze regio’s zijn groter dan ooit en ODA is cruciaal voor noodhulp, opvang in de regio en aanpak van grondoorzaken. Het gebruik van ODA innoveert en fungeert hulp steeds vaker als hefboom voor private financiering voor ontwikkeling, waaronder voor klimaatverandering. Dit vraagt ook om een aanpassing van de ODA definitie. Nederland heeft begin 2013 een aantal doelstellingen geformuleerd om de ODA definitie te moderniseren. Tijdens de High Level Meeting van OESO-DAC van 18–19 februari 2016 zijn hierop besluiten genomen. Nederland heeft met succes veranderingen in de ODA-definitie bepleit voor bepaalde activiteiten op het snijvlak van veiligheid en ontwikkeling en momenteel worden ook mogelijkheden uitgewerkt om inzet op private sector ontwikkeling binnen ODA te erkennen.

Zoals beschreven in «Wat de wereld verdient» kan de partnerlandenlijst door de tijd heen wijzigen. Een aantal partnerlanden heeft de afgelopen jaren gestage economische groei doorgemaakt, waardoor het karakter van de relatie al aan het veranderen is. In 2016 is aangekondigd dat Indonesië, Kenia, Ghana en Rwanda met ingang van 2020 in aanmerking komen voor een formele geleidelijke verandering van de relatie.

De strijd tegen armoede kan niemand alleen winnen, daarom werkt de Nederlandse overheid steeds vaker samen met het bedrijfsleven en NGO’s. Bijvoorbeeld als het gaat om het vergroten van kennis en capaciteit van organisaties in lage- en middeninkomenslanden. Nederland was in 2016 co-voorzitter van het Global Partnership for Effective Development Cooperation (GPEDC). Tijdens de tweede High-Level Meeting in Nairobi, Kenia werden 29 Global Partnership Initiatives (GPIs) gepresenteerd. Het outcome document herbevestigde de rol van het GPEDC in monitoring en review van de voortgang op de SDG’s en onderstreepte het belang van nieuwe partnerschappen om de SDG’s te halen.

Bevorderen duurzame en inclusieve groei

Veel extreem arme mensen wonen in middeninkomenslanden zoals India en China, en ook in fragiele staten, post-conflictlanden en in landen met een zeer beperkte economische ontwikkeling. Nederland steunt het internationale streven om ODA-gelden meer op deze laatste groep landen te richten. In 2016 besteedde Nederland 0,27% van het BNI aan de minst ontwikkelde landen.

Om extreme armoede uit te bannen is hoge groei noodzakelijk. Nieuwe inzichten tonen aan dat extreme armoede alleen afneemt als de armste veertig procent van de bevolking meer dan gemiddeld profiteert van economische groei. Het is derhalve cruciaal dat de noodzakelijke hoge groei ook de armste mensen daadwerkelijk bereikt. Dit is niet alleen in het belang van de armsten; de OESO signaleerde in 2015 dat er overtuigend bewijs is dat een grote ongelijkheid de economie schaadt. Voor groei is het ook essentieel dat ondernemers in ontwikkelingslanden de ruimte hebben om te handelen en te investeren. In 2016 heeft Nederland ingezet op het verbeteren van wet- en regelgeving, zoals landrechten of mededingingsregels, het versterken van douane- en belastingdiensten, het overdragen van kennis over betere productiemethoden, het aanleggen van wegen en het zorgen voor een betere markttoegang.

Het stimuleren van publiek private partnerschappen is noodzakelijk om complexe problemen op te kunnen lossen. Fonds Duurzaam Water faciliteert publiek private partnerschappen op het gebied van water. In Cebu op de Filippijnen heeft samenwerking tussen Vitens Evides International, het lokale drinkwaterbedrijf en een aantal NGO’s geleid tot verbeterde toegang tot drinkwater voor 10.000 bewoners van krottenwijken; samen verlagen zij de drempel voor arme huishoudens om een wateraansluiting te realiseren.

De landbouw staat bij jongeren vaak in laag aanzien, vergeleken met werken in de stad. Agriterra voert met EUR 50 miljoen subsidie het programma Common farmers sense in business uit (2016–2020). Door samenwerking met het Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt (NAJK) en met de jongerenafdelingen van een aantal coöperatieve bedrijven (o.a. Young Friesland Campina) worden ook jonge, Nederlandse boeren betrokken. Het Kadaster werkt samen met lokale instanties in Bangladesh, Benin, Colombia, Mozambique en Rwanda aan de registratie van landeigendom. Met het bedrijfsleven en Wageningen UR wordt de ontwikkeling van de zaaizaadsector ondersteund in onder meer Ethiopië, Oeganda en Tanzania. Meer boer(inn)en krijgen zo toegang tot verbeterd zaaizaad dat productievere gewassen oplevert die minder vatbaar zijn voor ziekten. Samen met capaciteitsopbouw, bijvoorbeeld op fytosanitair gebied, leidt dit tot betere productieomstandigheden, markttoegang en goede dienstverlening aan de boer(in).

Een ander voorbeeld van bevordering van aandacht voor jong ondernemerschap is de in 2016 door het Ministerie van Buitenlandse Zaken gefinancierde Road to Nairobi bustour. Onder leiding van Afrikaanse jongerenambassadeurs is in acht Afrikaanse landen geïnventariseerd waar kansen en uitdagingen liggen op het gebied van jeugdwerkgelegenheid en ondernemerschap. De thematiek van jeugdwerkgelegenheid en ondernemerschap door jongeren wordt ook opgepakt in gedelegeerde ambassadeprogramma’s.

Machtsongelijkheid is wereldwijd nog altijd groot. Vrouwen en meisjes hebben minder kansen op ontwikkeling. Genderongelijkheid remt economische groei en sociale ontwikkeling. Het kabinet heeft in 2016 geïnvesteerd in vrouwenrechten en gendergelijkheid via de programma’s Funding Leadership and Opportunities for Women (2016–2020), het Nationaal Actieplan voor Vrouwen, Vrede en Veiligheid (2016–2019), Samenspraak en Tegenspraak, het Voice fonds en het Accountability fonds. Deze programma’s scheppen kansen die uiteindelijk ten goede komen aan het welzijn van zowel vrouwen als mannen.

Onder het beleidskader Samenspraak en Tegenspraak zijn 25 strategische partnerschappen met (allianties van) organisaties in januari 2016 van start gegaan. De overkoepelende doelstelling van dit beleidskader is het versterken van maatschappelijke organisaties in lage- en lage-middeninkomenslanden in hun rol als pleiter en beïnvloeder. Dit stelt deze organisaties, in samenwerking met hun (internationale) partners en via hun netwerken in staat, op lokaal, nationaal en internationaal niveau hun rol te spelen in pleitbezorging en beïnvloeding en zo bij te dragen aan duurzame inclusieve ontwikkeling voor iedereen en aan het bestrijden van armoede en onrecht. In 2016 is ook het Voice fonds gelanceerd. Voice is specifiek gericht op maatschappelijke organisaties en vertegenwoordigers van de meest gemarginaliseerde en gediscrimineerde groepen die vaak ook het moeilijkst te bereiken zijn. De keuze voor de fondsbeheerder van Voice is gevallen op het consortium bestaande uit Oxfam Novib en Hivos. Voor het Accountability fonds was 2016 een jaar waarin meer bekendheid is gecreëerd voor de mogelijkheden van het fonds voor ondersteuning van het Zuidelijke maatschappelijk middenveld.

Het kabinet heeft een genderperspectief verankerd in de geïntegreerde benadering van het buitenlands- en veiligheidsbeleid. De impact van conflict is voor mannen en vrouwen vaak niet gelijk. In het derde Nationaal Actie Plan voor Vrouwen, Vrede en Veiligheid (2016–2019), dat op 8 maart werd gepubliceerd, ligt de nadruk op de samenwerking met lokale vrouwen(organisaties) en het verbinden van activiteiten in acht landen met de diplomatieke inspanningen van Nederland en de lobbyactiviteiten van de ondertekenaars uit het maatschappelijk middenveld.

In 2016 zijn tien programma’s van Funding Leadership and Opportunities for Women 2016–2020 (FLOW) begonnen. Het fonds bedraagt EUR 95 miljoen voor de jaren 2016–2020 en steunt langjarige programma’s op het gebied van het tegengaan van geweld tegen vrouwen, politieke participatie van vrouwen en economische participatie. De geselecteerde programma’s bereiken honderden maatschappelijke organisaties in 36 landen. De programma’s dragen bij aan tastbare verbeteringen in de levens van vrouwen en aan een positief klimaat voor vrouwenrechten, bijvoorbeeld in vredesprocessen en in seksuele gezondheid. Binnen het Accountability fonds is de toegezegde reservering van een derde deel van het budget ter versterking van vrouwenrechten gerealiseerd. De voorziene intensivering van EUR 10 miljoen per jaar werd via regionale vrouwenfondsen uitgewerkt.

Nederland ondersteunt overheden in 37 ontwikkelingslanden en opkomende markten bij de ontwikkeling van infrastructurele projecten met het programma Develop2Build (D2B). In 2016 zijn voor D2B 40 projecten geïdentificeerd. Hiervan werden 14 als kansrijk gezien en deze zijn in verdere ontwikkeling/voorbereiding. Vijf projecten zijn al in een dermate vergevorderd stadium dat eind vorig jaar een schenkingsarrangement met de overheid getekend kon worden (Mozambique (2), Indonesië, Zambia en Sao Tome). Wanneer een Develop2Build project uitontwikkeld is, kan het medegefinancierd worden met het Developmentally Relevant Infrastructure Investment Vehicle (DRIVE). DRIVE is een flexibel financieringsinstrument en is gericht op investeringsfase van ontwikkelingsrelevante publieke infrastructuur. Voor DRIVE zijn in 2016 67 projectvoorstellen van bedrijven ontvangen, hiervan zijn zeven projecten kansrijk. RVO werkt samen met de bedrijven aan een verdere ontwikkeling van deze projecten Naar verwachting worden binnenkort de eerste contracten getekend.

Onder Nederlands voorzitterschap is door de Raad, het EP en de Commissie een politieke overeenkomst bereikt over de EU-verordening over conflictmineralen. Het doel van de verordening is om de link te doorbreken tussen de handel in bepaalde mineralen en de financiering van gewelddadige conflicten in de regio’s waar deze mineralen worden gewonnen. De verordening draagt daarmee bij aan grotere stabiliteit in fragiele regio’s, meer respect voor mensenrechten en betere leefomstandigheden.

Op het terrein van de IMVO-convenanten is een aantal resultaten geboekt. Met de convenantenaanpak beoogt het kabinet dat risico’s op schendingen van mensenrechten en milieuschade in productie- en waardeketen worden aangepakt, zoals in de OESO-richtlijnen is beschreven. Er zijn inmiddels convenanten afgesloten in de textielsector en in de bancaire sector. Tien andere sectoren hebben substantiële stappen gezet om tot een convenant te komen, te weten goud, hout, land- en tuinbouw, metallurgische industrie, natuursteen, plantaardige eiwitten, sierteelt, toerisme, verzekeringen en voedingsmiddelen. Met deze sectoren zijn onderhandelingen gaande die naar verwachting in de eerste helft van 2017 kunnen worden afgerond.

Tijdens het EU-voorzitterschap maakte Nederland zich met succes sterk voor een politiek akkoord over een voorstel van de Europese Commissie voor een anti-belastingontwijkingsrichtlijn. De aanname ervan in juni 2016 is een mijlpaal in de internationale strijd tegen belastingontwijking. Kunstmatige constructies die de belastinggrondslag in de Europese lidstaten uithollen, kunnen ermee worden aangepakt. Van de EU-richtlijn zal eveneens een positief effect kunnen uitgaan op belastinginning in ontwikkelingslanden, met name indien deze landen zich gesterkt voelen om ook zelf maatregelen te nemen. Ook is er in OESO-verband veel voortgang geboekt met het betrekken van ontwikkelingslanden bij de internationale fiscale agenda en met de introductie van het multilaterale instrument als onderdeel van het Base Erosion and Profit Shifting (BEPS) project; een belangrijke stap voor het eenvoudiger opnemen van anti-misbruikclausules in belastingverdragen in de toekomst.

Nederland heeft aan 23 ontwikkelingslanden aangeboden om antimisbruikbepalingen in de bilaterale verdragen op te nemen waardoor hen inkomstenverlies wordt bespaard. Met vijf landen is overeenstemming bereikt in 2016: Ghana, Indonesië, Oekraïne, Oezbekistan en Zimbabwe waarmee in totaal met negen ontwikkelingslanden een akkoord over aanpassing van het belastingverdrag is bereikt. Het kabinet is nog met elf landen in gesprek.

Het Scaling Up Mineral Traceability project werd in 2016 verder geïmplementeerd in de Grote Meren regio; 200 mijnen zijn aangesloten op het systeem. Dit systeem zorgt ervoor dat conflictvrij gedolven grondstoffen (tin, coltan en wolfraam) worden verzegeld en gevolgd vanaf de mijn tot aan de smelter, zodat duidelijk is dat deze grondstoffen niet en route worden gemengd met grondstoffen waarvan de herkomst onduidelijk is.

Succes voor het Nederlandse bedrijfsleven in het buitenland

De export was in 2016, net als in de vorige jaren, een krachtige aanjager van economische groei. De export nam met 4,0% toe en een belangrijke bijdrage aan het sterke economische jaar dat Nederland doormaakte.

Afspraken over handel en investeringen

Voor wat betreft afspraken over handel en investeringen stond de eerste helft van 2016 voor Nederland in het teken van het EU-voorzitterschap. Eén van de prioriteiten was de «post-Nairobi» discussie, hoe kan het multilaterale systeem verder worden vormgegeven na de succesvolle WTO-top in Nairobi die eind 2015 plaatsvond? Nederland heeft hiermee de basis gelegd voor de EU-inzet richting de WTO-top in Buenos Aires eind 2017. Onderdeel hiervan is de inzet op onderwerpen zoals digitale handel en e-commerce.

Nederland werd door G20-voorzitter China uitgenodigd om deel te nemen aan de G20 Trade Ministers Meeting en de daarbij horende Trade and Investment Working Group. Het belangrijkste resultaat zijn de overeengekomen G20 non-binding principles for international investment policy. Deze principes leggen de basis voor een minder gefragmenteerd investeringssysteem, dat duurzame ontwikkeling als uitgangspunt heeft. De G20 heeft verder met de oprichting van het G20 Staal Forum de basis gelegd voor het maken van afspraken over het oplossen van de problemen met overcapaciteit in de staalsector. Nederland participeert in dit Forum.

Er is voortgang geboekt met een aantal handels- en investeringsverdragen. De transparantie in de TTIP-onderhandelingen tussen de EU en de VS is toegenomen doordat lidstaten (incl. Nederland) een eigen leesruimte hebben ingericht. Ook voor andere verdragen zijn steeds meer documenten online te vinden. In de TTIP-onderhandelingen is eind 2016 een pauze ingelast. Deze pauze wordt gebruikt als reflectiemoment om een brede dialoog aan te gaan met NGO’s, bedrijfsleven en vakbonden. Dit biedt een kans voor een transparanter en breder gedragen onderhandelingsproces in de toekomst. Het handels- en investeringsverdrag tussen de EU en Canada, CETA, is ondertekend. Er zijn nog onderhandelingen gevoerd om bepaalde zorgen te adresseren. In een gemeenschappelijke interpretatieve verklaring wordt onder meer nogmaals verduidelijkt dat CETA niet ten koste zal gaan van EU-standaarden op het terrein van arbeid en milieu, en dat beleidsruimte van overheden niet ingeperkt wordt. In de duurzaamheidshoofdstukken van CETA worden afspraken gemaakt over handel in relatie tot duurzame ontwikkeling, arbeid en milieu. Het herziene handelsakkoord over handel in ICT-producten (ITA-II) is in werking getreden. Tot slot is een Economic Partnership Agreement met Zuidelijk Afrika ondertekend, en zijn onderhandelingen gestart voor een handels- en investeringsakkoord met Indonesië en met de Filipijnen.

Economische dienstverlening

Het afgelopen jaar is in het kader van de modernisering van de economische dienstverlening een aantal verbeteringen doorgevoerd, zowel in de publieke dienstverlening als binnen het publiek-private dienstverlenende netwerk. Door de Dutch Trade & Investment Board (DTIB) is een traject gestart om de fragmentatie in het publiek-private dienstverlenende netwerk tegen te gaan, teneinde de kwaliteit van de dienstverlening aan het bedrijfsleven (zowel Nederlandse bedrijven die in het buitenland zaken willen doen als buitenlandse bedrijven die in Nederland zaken willen doen) te verbeteren.

In 2016 hebben op kabinetsniveau 19 uitgaande economische missies plaatsgevonden. Drie daarvan waren onder leiding van de MP en zes onder leiding van de Minister voor BHOS. Naast exportpromotie, ligt de nadruk in de economische missies nu op meerjarige samenwerking op het gebied van economie, innovatie en ontwikkeling en is er ruim aandacht voor politieke en maatschappelijke onderwerpen. Deze missies passen zo in de brede relaties op lange termijn die Nederland in de bilaterale betrekkingen nastreeft. Bij handelsmissies is extra aandacht besteed aan vrouwelijke deelnemers, met als resultaat dat het aantal vrouwelijke ondernemers dat deelneemt aan handelsmissies is gestegen.

In de dienstverlening aan Nederlandse bedrijven in het buitenland speelt het financieel instrumentarium een grote rol. Deze dienstverlening is hervormd om het beter toegankelijk en concurrerender te maken. Het vernieuwde instrumentarium heet het Dutch Trade & Investment Fund (DTIF) en is in 2016 van start gegaan. Het DTIF is een bundeling van bestaande financieringsproducten, gericht op directe investeringen en introduceert exportfinanciering. Bovendien kunnen nu bedrijven worden bediend die zaken doen in alle landen die niet onder het DGGF vallen.

In de Kamerbrief over het versterken van het verdienvermogen van Nederland is de Kamer tussentijds geïnformeerd over de uitkomsten van de pilot eigen bijdrage economische dienstverlening, die in het voorjaar van 2017 zal aflopen. Deze pilot is uitgevoerd in samenwerking met het postennetwerk in Brazilië, Frankrijk en Duitsland en RVO. Op basis van deze tussentijdse evaluatie is eind 2016 gestart met het uitwerken van een mogelijk vervolg.

Buitenlandse investeringen

Naast de export dragen buitenlandse investeringen bij aan het verdienvermogen van Nederland. Het Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) van het Ministerie van Economische Zaken, waar de Minister van BH&OS medeverantwoordelijk voor is, houdt zich bezig met het aantrekken van investeerders. NFIA werkt samen met de regionale investeringsagentschappen onder de vlag van «Invest in Holland». In 2016 zijn via NFIA 223 nieuwe investeerders naar Nederland gekomen, goed voor EUR 1,47 miljard aan investeringen en 7570 banen. De meeste investeringen kwamen uit de VS, gevolgd door het VK, China, Japan en Frankrijk. De belangrijkste sectoren zijn de IT-sector, life sciences en logistiek. Vanwege de veranderende internationale omstandigheden is in 2016 besloten om de capaciteit van NFIA in de VS, het VK en Canada te vergroten.

Exportcontrole strategische goederen

In de uitvoering van het exportcontrolebeleid bleven de sanctieregimes veel tijd en aandacht vragen, met name de sancties op Rusland en de stapsgewijze en voorwaardelijke verlichting van de sancties op Iran. Onder het Nederlandse EU-Voorzitterschap is de triloog over de herziening van de anti-folterverordening succesvol afgerond. Over de herziening hebben de Raad, het EP en de Commissie ruim vijf maanden intensief onderhandeld. De nieuwe wetgeving treedt naar verwachting begin 2017 in werking. De Nederlandse inzet voor de herziening van de EU-dual use-verorderning is geformuleerd. In de verschillende exportcontroleregimes (Nuclear Suppliers Group NSG, Missile Technology Control Regime (MTCR), Australië Groep (AG), Wassenaar Arrangement (WA)) heeft Nederland effectieve en constructieve bijdragen geleverd, in zowel de expertgroepen als op beleidsmatig gebied. Het Nederlands-Luxemburgse MTCR-voorzitterschap is succesvol afgerond. Er is veel internationale waardering voor dit gezamenlijk voorzitterschap, dat zich kenmerkte door een succesvolle outreach campagne en het MTCR-lidmaatschap voor India. Het voorzitterschap heeft gewerkt aan vergroting van de effectiviteit van het regime, zoals het opstellen van duidelijke lessons learned en modernisering van de website. Met betrekking tot de export van militaire goederen heeft het kabinet de toetsing van vergunningaanvragen voor landen die betrokken zijn bij het conflict in Jemen in 2016 verder aangescherpt door het vergroten van de controle op de doorvoer. Naar aanleiding van de militaire interventie in Jemen worden aanvragen voor de uitvoer naar deze landen extra kritisch getoetst. Wanneer er een kans bestaat dat de uit te voeren goederen kunnen bijdragen aan schendingen van het internationaal humanitair recht in Jemen, worden deze aanvragen afgewezen. Nederland heeft het EU-voorzitterschap aangegrepen om in EU-raadskader aandacht hiervoor te vragen en de EU-lidstaten op te roepen eenzelfde strikt beleid te voeren.

Overzicht indicatoren en streefwaarden 2016

In de begroting voor 2016 zijn geen indicatoren en streefwaarden opgenomen. Kwantitatieve resultaten op basis van de indicatoren uit de begroting voor 2017 zijn opgenomen in onderstaande tabel om de voortgang op de doelstellingen inzichtelijk te maken. Onder de beleidsconclusies wordt toegelicht welke factoren daarbij een rol hebben gespeeld. Vanaf het Jaarverslag over de begroting 2017 zal het kabinet op basis van de dan beschikbare informatie rapporteren over behaalde resultaten, mede op basis van de 15 indicatoren en streefwaarden in de begroting voor 2017.

Art.

Thema

Resultaatgebied

Indicator

Waarde 20161

Streefwaarde 2017

Streefwaarde 2020

Bron

1

Private sector-ontwikkeling (PSD)

Bedrijfsontwikkeling

Aantal banen ondersteund door PSD-programma’s (direct jobs supported naar internationaal geharmoniseerde definitie)

66.379

160.000 in dat jaar bereikt

180.000 in dat jaar bereikt

https://aiddata.rvo.nl/results/

   

Bedrijfsontwikkeling

Aantal bedrijven (Nederlandse en lokale ondernemingen) met een ondersteund plan voor investering, handel of dienstverlening

2.662

2.250 in dat jaar bereikt

2.500 in dat jaar bereikt

https://aiddata.rvo.nl/results/

2

Voedselzekerheid

Uitbannen van de huidige honger en ondervoeding

Aantal mensen met verbeterde inname van voedsel

14,5 miljoen mensen

10 miljoen in dat jaar bereikt

20 miljoen in dat jaar bereikt

Alle decentrale partners en UNICEF

   

Stimuleren van duurzame en inclusieve groei van de landbouwsector

Aantal boeren met toegenomen productiviteit en inkomen

1,5 miljoen boeren

4,5 miljoen in dat jaar bereikt

5,5 miljoen in dat jaar bereikt

Alle decentrale partners

   

Creëren van ecologisch duurzame voedselsystemen

Aantal hectare landbouwgrond dat eco-efficiënter wordt gebruikt

120.000 hectare

3 miljoen in dat jaar bereikt

5 miljoen in dat jaar bereikt

Alle decentrale partners

2

Water

Drinkwater, sanitaire voorzieningen en hygiëne

Het aantal mensen met toegang tot een verbeterde waterbron

1,33 miljoen

1 miljoen in dat jaar bereikt

8 miljoen, cumulatief

(30 miljoen, cumulatief in 2030)

Centrale en decentrale partners

   

Drinkwater, sanitaire voorzieningen en hygiëne

Het aantal mensen met toegang tot verbeterde sanitaire voorzieningen en voorlichting over hygiënische leefomstandigheden

1,27 miljoen

1,5 miljoen in dat jaar bereikt

12 miljoen, cumulatief

(50 miljoen, cumulatief in 2030)

Centrale en decentrale partners

   

Verbeterd stroomgebied beheer en veilige delta’s

Het aantal mensen dat voordeel ondervindt van verbeterd stroomgebied beheer en veiligere delta’s

3,11 miljoen

3 miljoen in dat jaar bereikt

20 miljoen, cumulatief

Centrale en decentrale partners

2

Klimaat

Hernieuwbare energie

Aantal mensen met toegang tot hernieuwbare energie

2,2 miljoen

2,3 miljoen in dat jaar bereikt

11,5 miljoen, cumulatief

(50 miljoen, cumulatief in 2030)

Centrale en decentrale partners

3

Vrouwenrechten en gendergelijkheid

Verbeterde randvoorwaarden voor vrouwenrechten en gender gelijkheid

Aantal aantoonbare bijdragen door publieke instanties en bedrijven aan betere randvoorwaarden voor vrouwenrechten en gendergelijkheid (outcome)

Nog geen data beschikbaar

100 in dat jaar bereikt

500

Niet van toepassing

   

Versterkte capaciteit van maatschappelijke organisaties

Aantal maatschappelijke organisaties met versterkte capaciteit voor de bevordering van vrouwenrechten en gendergelijkheid (output)

Nog geen data beschikbaar

50 in dat jaar bereikt

350, cumulatief

Niet van toepassing

3

Seksuele en Reproductieve Gezondheid en Rechten (SRGR) en HIV

Toegang tot family planning

Aantal vrouwen en meisjes dat toegang heeft tot moderne anticonceptie in 69 FamilyPlanning2020 focuslanden

1,8 miljoen extra

3 miljoen extra vrouwen en meisjes, cumulatief

6 miljoen extra vrouwen en meisjes, cumulatief (ten opzichte van het basisjaar 2012)

http://progress.familyplanning2020.org/page/pace-of-progress/mobilizing-resources

   

Rechten

Tevredenheid van de SRGR partners over de mate waarin barrières in SRGR voor gediscrimineerde en kwetsbare groepen zijn afgenomen in hun focuslanden

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Tevredenheid (minimale score 4 op 1–5 schaal) in 80% van de focus landen

Niet van toepassing

4

Veiligheid & Rechtsorde

Rechtstaat ontwikkeling

Aantal mensen (man/vrouw) dat toegang heeft tot rechtspraak via een juridische instelling (formeel of informeel), om zo hun grondrechten te beschermen, strafbare feiten te laten berechten en geschillen te beslechten

22.607 (waarvan 5.578 vrouwen)

In 6 fragiele of post-conflict landen, 50.000 in dat jaar bereikt, waarvan minstens de helft vrouwen.

In 6 fragiele of post-conflict landen 200,000, waarvan minstens de helft vrouwen, cumulatief

Centrale en decentrale partners

   

Menselijke Veiligheid

Aantal m2 land dat is ontmijnd

4,34 miljoen

5 miljoen in dat jaar bereikt

24 miljoen, cumulatief

Centrale partners

Noot 1: Onder «Waarde 2016» zijn de resultaten die behaald zijn in 2016 opgenomen voor zover die in dit stadium beschikbaar konden worden gesteld door de uitvoerende organisaties. In de resultatenrapportage die uitkomt in september 2017 zullen de volledige resultaten worden gepresenteerd.

Focusonderwerp: beleidsdoorlichtingen

In het kader van het focusonderwerp van dit jaarverslag wordt in de voorgeschreven tabel een overzicht gegeven van alle beleidsdoorlichtingen die in het kader van deze begroting sinds 2009 zijn uitgevoerd. In de laatste kolom wordt weergegeven hoe de beleidsdoorlichting in de Tweede Kamer is behandeld (met een verwijzing naar het kamerstuk). Een beleidsdoorlichting voor het gehele artikel 1 is voorzien in 2019. Dit artikel bestaat sinds 2013 toen het Directoraat Generaal Buitenlands Economische Betrekkingen aan deze begroting werd toegevoegd.

Op basis van dit overzicht kan gekeken worden naar de frequentie van de uitvoering van beleidsdoorlichtingen. Daar waar geen beleidsdoorlichting is uitgevoerd, wordt in de voetnoten toelichting gegeven waarom dit (nog) niet uitgevoerd is. Na de tabel staan de uitkomsten van de uitgevoerde beleidsdoorlichtingen op hoofdlijnen beschreven en op welke wijze de conclusies zijn opgevolgd. Dit geeft inzicht in wat er is gedaan met conclusies en aanbevelingen.

Tabel: Overzicht van de beleidsdoorlichten per begrotingsartikel sinds 2009.
 

Begrotingsartikel

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Wanneer gepland?1
Geheel artikel2
Behandeling in Tweede Kamer3

1

Duurzame handel en investeringen

               
20194

nee

nvt

1.1

Versterkt internationaal handelssysteem, met aandacht voor Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen5
                     

1.2

Versterkte Nederlandse Handels- en Investeringspositie en economische naamsbekendheid

                     

1.3

Versterkte private sector en een verbeterd investeringsklimaat in ontwikkelingslanden

       

     

2011

 

4; 33 625-96; 33 625-231

1.4

Dutch Good Growth Fund6
                   

4; 33 625-180 (betreft geen BD maar midterm review)

2

Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid en water

                 

nee

 

2.1

Toename van voedselzekerheid

             

V

2015

 

34 124-9

2.2

Verbeterd waterbeheer, drinkwater en sanitatie

   

       

V

2012/2016

 

4; 31 271-5/9

2.3

Duurzaam gebruik natuurlijke hulpbronnen, tegengaan van klimaatverandering en vergrote weerbaarheid van de bevolking tegen onafwendbare klimaatverandering

         

   

2013

 

4/5; 33 625-191

3

Sociale vooruitgang

                 

nee

 

3.1

Seksuele en reproductieve gezondheid en rechten voor iedereen en een halt aan de verspreiding van HIV/aids

     

       

2013/2021

 

4; 33 625-92; 31 271-12

3.2

Gelijke rechten en kansen voor vrouwen

         

   

2013

 

4/5; 33 625-211/225

3.3

Versterkt maatschappelijk middenveld

             

V

2014

 

nvt

3.4

Toename van het aantal goed opgeleide professionals, versterking van hoger- en beroepsonderwijsinstellingen en het bevorderen van beleidsrelevant onderzoek7
 

           

2011

 

4; 31 271-4

4

Vrede en veiligheid voor ontwikkeling

                 

nee

 

4.1

Humanitaire hulp

         

   

2014

 

4/5; 32 605-206; 31 271-21

4.2

Budget Internationale Veiligheid; voorkomen en terugdringen van conflictsituaties8
               

nvt

   

4.3

Rechtstaatontwikkeling, wederopbouw, vredesopbouw, versterkte legitimiteit van democratische structuren en tegengaan van corruptie

     

√√

 
X9
   

2015

 

Fragiele Staten: 4; 33 625-92; 31 787-9;

LA beleid: 3; 29 653-15

5

Versterkte kaders voor ontwikkeling

                 

nee

 

5.1

Versterkte multilaterale betrokkenheid

             

V

2017

 

nvt

5.2

Overig armoedebeleid10
   

         

2012

 

4; 31 271-6/9

5.3

Bijdrage aan migratie en ontwikkeling

 

           

2011/2018

 

4; 32 734-9/10/15

Noot 1: Uitleg voor de aanpassing van de planning staat de volgende brieven aan de Tweede Kamer: 34 124-8; 31 271-24; 31 271-20; 31 271-15; 31 271-13

Noot 2: Bij BZ en BHOS is het de wens om beleidsdoorlichtingen van één beleidsartikel uit te voeren, inhoudelijk is dat nog niet mogelijk gebleken. Beleidsdoorlichtingen vinden plaats op één niveau lager namelijk van de beleidsdoelstellingen. Waar mogelijk worden combinaties gemaakt. Voor artikel 1 is dit in 2021 wel één beleidsdoorlichting voorzien.

Noot 3: Codering is: 1. voor kennisgeving aangenomen; 2. schriftelijk overleg of schriftelijke vragen met antwoorden voor kennisgeving aangenomen; 3. schriftelijk overleg of schriftelijke vragen en beantwoording in overleg; 4. betrokken bij overleg (in AO/wetgevingsoverleg/ notaoverleg); 5. technische briefing; 6. nog in behandeling. Vervolgnummer betreft het kamerstuk (bv. 31 271-4)

Noot 4: Voor dit artikel is een artikel brede beleidsdoorlichting voorzien (1,1, 1,2 & 1,4)

Noot 5: Deze beleidsdoelstellingen zijn toegevoegd n.a.v. de toevoeging van de DGBEB aan BZ.

Noot 6: Dit is een nieuwe beleidsdoelstelling van dit kabinet.

Noot 7: Deze beleidsdoelstelling is doorgelicht in 2011, en geen prioriteit van dit kabinet.

Noot 8: Deze beleidsdoelstelling is naar het Ministerie van Defensie.

Noot 9: De beleidsdoorlichting Goed Bestuur is stopgezet. Onderdelen zijn al elders meegenomen of worden elders ondergebracht. Zie hiervoor de brief aan de TK over de aanpassing van de planning van de beleidsdoorlichtingen verstuurd op 18 augustus.

Noot 10: De laatste beleidsdoorlichting was in 2012. Het grootste deel van dit sub-artikel was begrotingssteun en deze modaliteit is stopgezet. Voor de andere onderdelen wordt bekeken waar ze elders worden meegenomen. Cultuur is bijvoorbeeld al meegenomen in de beleidsdoorlichting Buitenlandscultuurbeleid van de BZ begroting (H5).

V = Verwacht.

De beleidsdoorlichtingen van 2014, 2015 en 2016

Binnen de BHOS begroting worden programma’s, subsidies en thema’s conform de regels geëvalueerd. Deze evaluaties en met name de effectevaluaties vormen de bouwstenen voor de beleidsdoorlichtingen die per begrotingssubartikel worden uitgevoerd. In het kader van het focusonderwerp van dit jaarverslag is gevraagd om een samenvatting te geven van de conclusies van de beleidsdoorlichtingen sinds 2014, van de kabinetsreacties en van de eventuele aanpassingen in het beleid. Voor de BHOS begroting betreft dit de beleidsdoorlichting Private Sectorontwikkeling (1.3), hernieuwbare energie (2.3), Gender (3.2) en Humanitaire Hulp (4.1). Hieronder volgen deze samenvattingen.

Versterkte private sector en een verbeterd investeringsklimaat in ontwikkelingslanden (artikel 1.3).

Uit de in 2014 afgeronde beleidsdoorlichting van private sector ontwikkeling (2005–2012) bleek dat de programma’s en bedrijfsleveninstrumenten relevante knelpunten aanpakken, een behoorlijk bereik hebben en zichtbare resultaten op outputniveau opleveren. Aandachtspunten waren impactmeting, additionaliteit en samenwerking tussen programma’s (synergie). Na de beleidsreactie (Kamerstuk 33 625, nr. 96 van 25 april 2014) is in de periode tot en met 2016 als volgt opvolging gegeven aan deze drie aandachtspunten.

Voor impactmeting (het uiteindelijk beoogde effect van private sector ontwikkeling, zoals de toename van werkgelegenheid) is in 2012 een evaluatieprotocol ontwikkeld op basis waarvan uitvoeringsorganisaties een plan opstelden voor monitoring en evaluatie van hun programma’s. Hierdoor zijn de programma’s van uitvoeringsorganisaties als Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en Financieringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO) eenvoudiger te volgen en beter te evalueren. Door uitvoeringsorganisaties sinds 2016 te verplichten te rapporteren conform de Open Data-standaard komen gegevens over voortgang en resultaten sneller beschikbaar.

Additionaliteit (meerwaarde van publieke ondersteuning die uitvoering van projecten door private partijen in lage en middeninkomenslanden mogelijk maakt) wordt verzekerd door activiteiten vooraf te toetsen aan additionaliteitscriteria die in het Donor Committee for Enterprise Development zijn ontwikkeld en leidend zijn geworden voor activiteiten op private sector ontwikkeling (PSD).

De synergie tussen programma’s is vanaf 2012 versterkt door samenwerking van uitvoeringsorganisaties in het PSD Platform aan afstemming op landenniveau, aan de aanpak van monitoring en evaluatie en aan de toepassing van beginselen voor Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen. Nederlandse ondernemers worden sinds 2014 vanuit één loket bij RVO ondersteund bij identificeren van kansen in het buitenland en vinden van passende partijen om buitenlands te kunnen ondernemen, waarover RVO contact onderhoudt met Nederlandse ambassades. Het aantal instrumenten voor PSD is verminderd en de uitvoering waar mogelijk gebundeld bij RVO.

Na de beleidsdoorlichting van PSD in 2014 heeft het ministerie verschillende programma’s apart laten evalueren: de infrastructuurprogramma’s ORIO (Ontwikkelingsrelevante Infrastructuur Ontwikkeling) en ORET (Ontwikkelingsrelevante Exporttransacties; Kamerstuk 33 625, nr. 97), CBI (Centraal Bureau voor Import uit Ontwikkelingslanden; Kamerstuk 33 625, nr. 204), PUM (Programma Uitzending Managers; Kamerstuk 32 637, nr. 250) en FMO’s Massif (33 625, nr. 238). Voor het DGGF (Dutch Good Growth Fund) en de faciliteiten voor publiek-private partnerschappen vonden mid term reviews plaats. Bovengenoemde beleidsmaatregelen en aanpassing van programma’s als gevolg hiervan zijn samengevat in een brief van 12 oktober 2016 aan de Kamer over geleerde lessen uit beleidsevaluaties en de gevolgen voor de inrichting van het bedrijfsleveninstrumentarium (Kamerstuk 33 625, nr. 231).

Duurzaam gebruik natuurlijke hulpbronnen, tegengaan van klimaatverandering en vergrote weerbaarheid van de bevolking tegen onafwendbare klimaatverandering (artikel 2.3).

De in 2015 afgeronde beleidsdoorlichting hernieuwbare energie over de periode 2004–2014 heeft laten zien dat het bereik van de Nederlandse inspanningen groot is geweest, dat de doelstelling voor wat betreft het aantal mensen met toegang tot hernieuwbare energie ruim is overtroffen en dat Nederland substantiële invloed heeft gehad op het beleid van internationale organisaties, in het bijzonder de Wereldbank. Gesterkt door deze bevindingen kondigde het kabinet in de beleidsreactie aan de huidige inzet voort te zetten met een nieuwe ambitieuze doelstelling: Nederland zal in 2030 50 miljoen mensen in ontwikkelingslanden toegang tot hernieuwbare energie hebben verleend. Deze doelstelling is gebaseerd op voortzetting van de gemiddelde realisatie in de jaren 2012–2014 (2 miljoen mensen per jaar) vermeerderd met een gemiddelde jaarlijkse groei van 7% vanwege groeiende doeltreffendheid en doelmatigheid van de programma’s. Nederland stuurt hierbij sterk op het bereiken van resultaten via partnerschappen met HIVOS (Africa Biogas Programme), FMO (Access to Energy Fund), GIZ/RVO (Energising Development) en de Wereldbankgroep (o.a. Lighting Africa en Energy Sector Management Programme). De partnerschappen zijn gericht op toegang van de allerarmsten (en specifiek vrouwen), mobiliseren van grootschalige investeringen in hernieuwbare energie in ontwikkelingslanden, samenwerking met de private sector en de kennis over de relatie tussen klimaat, energie en ontwikkeling. Het in 2016 getekende strategisch partnerschap met de Wereldbankgroep stelt Nederland in staat intensiever samen te werken met de Wereldbankgroep. Het bevorderen van toegang tot hernieuwbare energie in ontwikkelingslanden draagt direct bij aan SDG 7 van de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen: betaalbare, betrouwbare, duurzame en moderne energie voor iedereen. Hiermee draagt Nederland ook bij aan de klimaatfinancieringsverplichting uit het Parijsakkoord.

Gelijke rechten en kansen voor vrouwen (artikel 3.2)

De IOB- beleidsdoorlichting Gender Sense and Sensitivity over de periode 2007–2014 gaf aan dat het inzicht in behaalde resultaten beperkt was. Op het gebied van gender mainstreaming concludeerde IOB dat gender mainstreaming niet systematisch gebeurde en dat vooral op het terrein van economische ontwikkeling en vrede en veiligheid ruimte voor verbetering was. Op basis van de doorlichting heeft het kabinet vanaf 2015 consistenter dan voorheen gebruik gemaakt van genderanalyses. Deze analyses identificeren waar de strategische kansen liggen voor integratie van gender in de prioritaire beleidsterreinen. Die brengen de lokale genderverhoudingen in kaart, identificeren de behoeften en mogelijkheden van vrouwen én mannen en leggen de basis voor specifieke doelen voor positieverbetering van vrouwen. Dat zal ook bijdragen aan verbetering van monitoring en evaluatie. Bijvoorbeeld activiteiten onder het Dutch Good Growth Fund (DGGF), het Fonds voor Duurzaam Water (FDW), de Faciliteit voor Duurzaam Ondernemen en Voedselzekerheid (FDOV) en duurzame ketenontwikkeling moeten nu ook hun bijdragen aan gendergelijkheid expliciet inzichtelijker maken. In 2016 is de diplomatieke inzet voortgezet en zijn nieuwe partnerschappen en programma’s van start gegaan met specifieke eisen voor resultaatmonitoring en -evaluatie. De IOB doorlichting concludeerde verder dat opeenvolgende NAP 1325 actieplannen aandacht hebben voor de rol en positie van vrouwen in conflictsituaties en het draagvlak voor integratie van een genderperspectief in het brede beleid bevorderd. De integratie is was volgens IOB nog niet systematisch. Deze constatering heeft het kabinet ter harte genomen. Zoals door IOB gesuggereerd, is hiervoor een zelfstandige strategie ontwikkeld, die op 8 maart 2016 aan de Kamer is aangeboden.

Humanitaire hulp (artikel 4.1).

In 2015 heeft IOB de Nederlandse humanitaire hulp in de periode 2009–2014 doorgelicht. De evaluatie ondersteunt het humanitair beleid op hoofdlijnen en heeft aanbevelingen gedaan. Op basis van die aanbevelingen is het beleid van lange termijn, flexibele, ongeoormerkte financiering van VN, Rode Kruis en NGO humanitaire partners voortgezet. Nederland loopt hierin voorop. Gezien de uitdagingen van dit moment en de nabije toekomst is en blijft een hoge mate van ambitie van Nederland en andere landen nodig met betrekking tot humanitaire hulp en de aansluiting van ontwikkelingshulp bij humanitaire hulp. Het kabinet steunde tijdens de World Humanitarian Summit (WHS) de Grand Bargain, een overeenkomst tussen de vijftien grootste donoren en de vijftien grootste uitvoerende organisaties om noodhulp effectiever en efficiënter te maken. Om de grondoorzaken van langdurige crises aan te pakken is een geïntegreerde werkwijze nodig, met goede afstemming tussen humanitaire hulp en ontwikkelingssamenwerking en de beleidsspeerpunten. Het kabinet wil deze aanpak verder toepassen waarbij het gebruik zal maken van de bevindingen en aanbevelingen van de beleidsdoorlichting. Wat betreft het door IOB geconstateerde gebrek aan capaciteit: het kabinet heeft maatregelen genomen om stafcapaciteit op aantal posten te vergroten door de benoeming van twee regionale humanitaire experts.

Overzicht van risicoregelingen

Overzicht verstrekte garanties (bedragen in duizenden euro's)

Artikel

Omschrijving

Uitstaande garantie ultimo 2015

Verleende garanties in 2016

 

Vervallen garanties in 2016

 

Uitstaande garantie ultimo 2016

Jaarlijks plafond

Totaal plafond

Totaalstand risicovoorziening

1 Duurzame handel en investeringen

Garantie FOM

78.432

0

 

4.647

 

73.785

 

73.785

50.200

1 Duurzame handel en investeringen

Garantie DTIF

0

0

 

0

 

0

 

140.000

5.000

1 Duurzame handel en investeringen

Garantie DRIVE

0

0

 

0

 

0

55.000

 

12.500

1 Duurzame handel en investeringen

Garantie DGGF

16.082

19.629

 

0

 

35.711

 

808.000

51.075

5 Versterkte kaders voor ontwikkeling

Garanties IS-NIO

184.377

   

17.772

 

166.605

 

166.605

0

5 Versterkte kaders voor ontwikkeling

Garanties IS-Raad van Europa

176.743

0

 

0

 

176.743

 

176.743

0

5 Versterkte kaders voor ontwikkeling

Garanties African Development Bank (AfDB)

673.101

5.811

1

10.608

2

668.304

 

668.304

0

5 Versterkte kaders voor ontwikkeling

Garanties Asian Development Bank (AsDB)

1.323.994

0

 

20.688

1.303.306

 

1.303.306

0

5 Versterkte kaders voor ontwikkeling

Garanties Inter American Development Bank (IDB)

299.589

0

 

6.513

293.076

 

293.076

0

 

TOTAAL

2.752.318

25.440

 

60.228

 

2.717.530

55.000

3.629.819

118.775

Noot 1: 454 aandelen garantieverplichting GCI-VI i.v.m. aankoop extra aandelen African Development Bank.

Noot 2: Vervallen in verband met koersinvloeden USD en SDR.

Uitgaven en ontvangsten (bedragen in duizenden euro's)

Artikel

Omschrijving

Uitgaven

Ontvangsten

Saldo

Uitgaven

Ontvangsten

Saldo

   

2015

2015

2015

2016

2016

2016

1.2 (uitgaven) en 1.10 (ontvangsten)

Garantie FOM

3.520

276

– 3.244

17

366

349

1.2 (uitgaven) en 1.10 (ontvangsten)

Garantie DTIF

0

0

0

0

0

0

1.3 (uitgaven) en 1.10 (ontvangsten)

Garantie DRIVE

0

0

0

0

0

0

1.40 (uitgaven) en 1.10 (ontvangsten)

Garantie DGGF

1.870

387

– 1.483

1.473

1.031

– 442

5.2 (uitgaven) en 5.20 (ontvangsten)

Garanties IS-NIO

212

0

– 212

   

0

 

TOTAAL

5.602

663

– 4.939

1.490

1.397

– 93

Toelichting op overzicht risicoregelingen

DGGF

Het Dutch Good Growth Fund (DGGF) is een revolverend fonds dat financiering verschaft voor ontwikkelingsrelevante en risicodragende investeringen en exporttransacties en bestaat uit drie onderdelen. Binnen alle drie de onderdelen van het DGGF is het mogelijk om garanties te verstrekken. Voor onderdeel 2 houdt de fondsbeheerder zelf een reserve aan ter grootte van de verstrekte garanties, waardoor het begrotingsrisico voor BHOS nihil is. Daarom wordt hieronder alleen ingegaan op onderdeel 1 en 3 van het DGGF. Door het verstrekken van garanties kan het DGGF onverwachts geconfronteerd worden met onvoorziene uitgaven indien de garantieverstrekking leidt tot claims. Er kan een flinke mismatch in de tijd optreden tussen inkomsten en uitgaven. Om een buffer op te kunnen bouwen en de schommelingen in de tijd op te kunnen vangen wordt voor onderdeel 1 en 3 van het DGGF, ingevolge artikel 5, vierde lid, van de Comptabiliteitswet 2001, gebruik gemaakt van het instrument «interne begrotingsreserve». De huidige omvang van de begrotingsreserve is gerelateerd aan de uitstaande garantieverplichtingen en de verwachte groei van de portefeuille in 2017. In 2016 is de begrotingsreserve per saldo met EUR 0,4 miljoen afgenomen. Dit saldo bestaat uit een storting van ontvangen premies en aflossingen van wisselfinancieringen ad EUR 1 miljoen en een onttrekking van EUR 1,4 miljoen. De begrotingsreserve komt daarmee per 31 december 2016 op EUR 51,1 miljoen. Het totaal garantieplafond is – met in achtneming van de in het toetsingskader DGGF genoemde hefboomfactoren – ten behoeve van dit jaarverslag gezet op EUR 808 miljoen. Dit is gebaseerd op de theoretische maximale ruimte die de uitvoeringsorganisaties voor de onderdelen 1 en 3 hebben, gecorrigeerd voor het bedrag waarvoor al leningen, deelnemingen en wisselfinancieringen zijn aangegaan. Het plafond vormt daarmee het theoretisch maximale bedrag waarvoor garanties kunnen worden verstrekt.

FOM

Voor Nederlandse bedrijven die actief zijn op buitenlandse markten is een effectief functionerend bedrijfsleveninstrumentarium evenals goede economische diplomatie van groot belang. In 2015 is gewerkt aan een herziening van het bestaande non-ODA financieringsinstrumentarium. Opdat – op basis van additionaliteit van de overheid – optimaal ingespeeld wordt op veranderende marktomstandigheden, financieringsbehoeftes, en maatwerk en flexibiliteit wordt geboden. De Faciliteit Opkomende Markten (FOM) en Finance for International Business (FIB) zijn afgebouwd. De karakteristieken van deze regelingen zijn gecombineerd in het Dutch Trade and Investment Fund (DTIF) met als doel meer maatwerk te kunnen bieden, alsmede een meer homogene bediening aan het NL bedrijfsleven, waardoor de doelgroep beter kan worden bereikt. De middelen die vrij komen uit de bestaande begrotingsreserves voor de FOM en de FIB worden ingezet voor DTIF.

In 2015 is afgesproken om de begrotingsreserve van de FOM met in totaal EUR 25 miljoen te verlagen (EUR 5 miljoen in 2015, EUR 10 miljoen in 2016 en EUR 10 miljoen in 2017) om daarmee projectvoorstellen van maatschappelijke organisaties en sociale ondernemers te kunnen ondersteunen, die een directe bijdrage leveren aan ondernemerschap en werkgelegenheid onder Afrikaanse jongeren. In 2016 is 34 miljoen uit de begrotingsreserve FOM ingezet voor het DTIF, conform het toetsingskader DTIF. De begrotingsreserve FOM komt daarmee per 31 december 2016 op EUR 50,2 miljoen. In 2016 is EUR 17.000 uitbetaald aan schades.

Omdat er geen nieuwe garanties meer worden verleend onder het FOM, is het plafond verlaagd naar EUR 73,8 miljoen. Dit is overeenkomstig het totaal aan uitstaande garanties.

DTIF

Het Dutch Trade and Investment Fund (DTIF) is een revolverend fonds dat financiering verschaft voor risicodragende investeringen en exporttransacties en bestaat uit twee onderdelen. Binnen beide onderdelen is het mogelijk om garanties te verstrekken. Binnen onderdeel twee worden garanties verstrekt in de vorm van wisselfinancieringen. Door het verstrekken van garanties kan het DTIF onverwachts geconfronteerd worden met onvoorziene uitgaven indien de garantieverstrekking leidt tot claims. Er kan een flinke mismatch in de tijd optreden tussen inkomsten en uitgaven. Om een buffer op te kunnen bouwen en de schommelingen in de tijd op te kunnen vangen wordt voor beide onderdelen van het DTIF, ingevolge artikel 5, vierde lid, van de Comptabiliteitswet 2001, gebruik gemaakt van het instrument «interne begrotingsreserve». De uiteindelijke hoogte van de begrotingsreserve is gerelateerd aan de hoogte van de garantieplafonds die voor de onderdelen van het DTIF zijn vastgesteld.

Er is besloten een initiële storting van EUR 5 miljoen in de begrotingsreserve te doen bij de start van het DTIF ter dekking van het extra financiële risico dat de Staat kan gaan lopen door het verstrekken van garanties en wisselfinancieringen.

Er zijn in 2016 geen garanties en/of wisselfinancieringen verstrekt. De stand van de begrotingsreserve komt per 31 december 2016 op EUR 5 miljoen.

DRIVE

Met DRIVE faciliteert het Ministerie van Buitenlandse Zaken investeringen in publieke infrastructuurprojecten die bijdragen aan een goed ondernemingsklimaat en de ontwikkeling van de private sector in lage- en middeninkomenslanden. DRIVE doet dit middels het verstrekken van subsidies met of zonder terugbetalingsverplichting (lening of a fonds perdu) aan het bedrijfsleven. Ook kunnen garanties worden verstrekt en is er aanvullende Exportkredietverzekering (EKV) beschikbaar. Het garantieplafond voor DRIVE is vastgesteld op EUR 55 miljoen per jaar. Ter afdekking van de risico’s en ter compensatie van de mismatch in de tijd tussen (premie)inkomsten en uitgaven (ten behoeve van schades), is afgesproken een interne begrotingsreserve aan te houden volgens de hefboom 1:4. Er is besloten een initiële storting van EUR 12,5 miljoen in de begrotingsreserve te doen, bij start van DRIVE ter dekking van het extra financiële risico dat de Staat kan gaan lopen door het verstrekken van garanties en verzekeringen. Er zijn in 2016 geen garanties verstrekt vanuit DRIVE. De stand van de begrotingsreserve komt per 31 december 2016 op EUR 12,5 miljoen.

IS-NIO

De afname van de garanties met betrekking tot de NIO is te verklaren door de afname van de leningenportefeuile van de NIO, en daardoor de garantiestelling van BHOS. De debiteurenlanden betalen hun aflossingen en rentenota’s en daardoor neemt de som waarover risico wordt gelopen af.

IS-Raad van Europa

Geen mutaties

Regionale ontwikkelingsbanken

De in 2016 verleende garanties zijn voor een bedrag van EUR 5,8 miljoen gestegen als gevolg van nieuw aangeschafte aandelen in de African Development Bank (AfDB) en voor EUR 37,8 miljoen gedaald als gevolg van herwaardering van vreemde valuta. Een gedetailleerde toelichting is opgenomen in de saldibalans bij de garantieverplichtingen.