Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Algemene doelstelling

Een internationaal concurrerende energievoorziening die betrouwbaar, veilig en duurzaam is.

Om deze doelstelling te bereiken zet EZ financiële instrumenten in zoals subsidies en garanties, maar ook niet-financiële instrumenten zoals het stroomlijnen van energieregelgeving om de werking van de energiemarkt te verbeteren, de regeldruk te verminderen en efficiënter toezicht mogelijk te maken.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is op grond van de Elektriciteitswet en de Gaswet verantwoordelijk voor het energiebeleid. Hieruit vloeien de volgende verantwoordelijkheden voort:

Financieren

  • •  Het voeren van het financieel instrumentarium op de beleidsterreinen hernieuwbare energie, energiebesparing en innovatieve energietechnologieën.

(Doen)Uitvoeren

  • •  Het vergroten van het aandeel hernieuwbare energie (conform afspraken Energieakkoord: 14% in 2020 en 16% in 2023).
  • •  Het vergroten van het aandeel energiebesparing (conform afspraken Energieakkoord: besparing met gemiddeld 1,5% per jaar en 100 PJ in 2020).

Regisseren

  • •  Het regisseren van de realisatie van grote energie-infrastructuur projecten die onder de rijkscoördinatieregeling vallen; dit betekent als projectminister, samen met de Minister van Infrastructuur en Milieu, verantwoordelijk voor de ruimtelijke inpassing van projecten en voor de coördinatie van benodigde projecten.
  • •  Het stimuleren van een goed werkende Europese energiemarkt met een adequate infrastructuur.
  • •  Het creëren van randvoorwaarden waardoor de energievoorziening internationaal kan concurreren en het verdienpotentieel van de energiesector ten volle wordt benut.
  • •  Het creëren van randvoorwaarden voor een doelmatige en verantwoorde winning van onze bodemschatten.
  • •  Het stimuleren van de transitie naar een duurzame en betrouwbare energievoorziening.
  • •  Het bieden van mogelijkheden aan lokale energieprojecten.
  • •  Het coördineren van het energiebesparingsbeleid via de verschillende vakministers en het stimuleren van energiebesparing in de industrie en energiesectoren.
  • •  Het stimuleren van de ontwikkeling en gebruik van innovatieve energietechnologieën.
  • •  Het stimuleren van de verdergaande reductie van CO2-uitstoot van energiebedrijven en industrie.

Kengetal HHI en C3

De C3 is het gezamenlijk marktaandeel van de drie grootste leveranciers. De mate van concentratie op de kleinverbruikersmarkt voor elektriciteit en gas vormt een indicatie voor de concurrentie op die markten. Een indicator hiervoor is de Herfindahl-Hirschman Index (HHI). Een markt met een HHI onder de 1.800 punten wordt gezien als een competitieve markt en een markt met een index tussen de 1.800 en 8.000 punten wordt gezien als een geconcentreerde markt.

Kengetal

2011

2012

2013

2014

2015

2016

1.

Concentratiegraad in de retailsector elektriciteit

           
 

HHI

2.465

2.338

2.276

2.230

2.152

1.992

 

C3

85%

83%

81%

81%

79%

75%

2.

Concentratiegraad in de retailsector gas

           
 

HHI

2.344

2.258

2.204

2.171

2.052

1.895

 

C3

83%

81%

79%

79%

77%

74%

Bron: ACM

Kengetal

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Elektriciteitsstoring in minuten per jaar

23 min

27 min

23 min

20 min

33 min

21 min

Bron: Netbeheer Nederland

Beleidsconclusies

Groningen

Het kabinet heeft in 2016 de gaswinning uit het Groningenveld de komende vijf jaar beperkt tot 24 miljard kubieke meter per jaar. Er wordt gestreefd naar een zo vlak mogelijke winning met zo min mogelijk schommelingen. Alleen in koude winters en als het strikt noodzakelijk is, mag extra gas worden geproduceerd. De Minister van EZ heeft op 30 september 2016 ingestemd met een nieuw winningsplan voor Groningen (TK 33 529, nr 309).

In 2016 zijn de wijzigingen van de Mijnbouwwet door zowel de Eerste als de Tweede Kamer behandeld. Deze wijzigingen hebben voor een groot deel betrekking op de aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) naar aanleiding van de aardbevingen in Groningen. In de Mijnbouwwet zijn meer randvoorwaarden gesteld aan de veilige winning van de bodemschatten. Zo is veiligheid voor omwonenden rond mijnbouwactiviteiten beter geborgd. De wijzigingen zijn per 1 januari 2017 in werking getreden (TK 34 348, nr. 2).

STROOM

Het door de Eerste Kamer afwijzen van het wetsvoorstel STROOM noopte tot aanvullende wetgevingstrajecten. Om noodzakelijke wijzigingen voor het tijdig realiseren van de doelstellingen van het Energieakkoord alsnog vast te leggen, is een wetsvoorstel aangenomen om TenneT aan te wijzen als netbeheerder op zee en knelpunten om windparken op land te realiseren weg te nemen. Deze wet is op 1 april 2016 in werking getreden (TK 34 401, nr 2). In december is het wetsvoorstel Voortgang energietransitie aan de Tweede Kamer aangeboden, waarmee overige relevante wijzigingen uit het wetsvoorstel STROOM alsnog kunnen worden vastgelegd (TK 34 627, nr 2).

Wind op zee

Op het terrein van windenergie op zee zijn grote stappen gezet, met onder andere twee succesvolle tenders van in totaal bijna 1.500 megawatt. Samen dragen zij ruim 1% punt bij aan het beoogde doel van 14% duurzame energie in 2020. De beoogde kostenreductie van 40% in 2023 is met de behaalde kostenreductie van meer dan 55% in 2016 al ruimschoots gehaald (TK 33 561, nr. 38).

Energieakkoord voor duurzame groei

De evaluatie van het Energieakkoord en de Nationale Energieverkenning (NEV) 2016 (TK 30 196 nr. 479) illustreren het succes van de aanpak van het Energieakkoord. Het Energieakkoord heeft bijgedragen aan een versnelling van de energietransitie en er zijn resultaten geboekt waarvan het zeer aannemelijk is dat die anders niet of later zouden zijn bereikt.

Uit de NEV van 2016 blijkt dat we op koers liggen om drie van de vijf doelen uit het Energieakkoord te halen. Uitsluitend de doelen van 14% hernieuwbare energie en 100 PJ extra energiebesparing in 2020 worden volgens de doorrekening uit de NEV 2016 nog niet gehaald. Op basis van de NEV 2016 is er met de partijen bij het Energieakkoord gewerkt aan extra maatregelen om alle doelen binnen bereik te brengen. Deze maatregelen zijn toegelicht in de Voortgangsrapportage Energieakkoord die in december 2016 aan de Tweede Kamer is aangeboden. In de Voortgangsrapportage concludeert de voorzitter van de Borgingscommissie namens de 47 ondertekenaars van het akkoord dat alle doelen binnen bereik zijn (TK 30 196, nr. 503).

In de evaluatie van de Warmtewet zijn ruim twintig knelpunten benoemd. Deze zijn verwerkt in de nieuwe Warmtewet, gericht op een betere werking van de markt voor warmtelevering en bescherming van de warmteconsument. Na de internetconsultatie in de zomer is het voorstel voor de nieuwe Warmtewet eind 2016 voor advies aan de Raad van State toegezonden (TK 34 415, nr. 1).

In 2016 is de Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie (SDE+) weer opengesteld, dit keer met een verplichtingenbudget van € 9 mld. Om de kosteneffectiviteit van de SDE+ ook bij hogere verplichtingenbudgetten te borgen is daarbij een aantal wijzigingen doorgevoerd. Indien alle projecten tot realisatie komen, leveren deze een bijdrage van 51,8 PJ aan het doelbereik. In december 2016 is de vormgeving van de SDE+ in 2017 aangekondigd (TK 31 239 nr. 225). Daarbij zal de regeling in 2017 naar verwachting met twee keer € 6 mld verplichtingenbudget worden opengesteld.

In 2016 is de SDE+ geëvalueerd (TK 31 239, nr. 249). Uit de evaluatie blijkt dat de vormgeving van de SDE+ leidt tot concurrentie om het beschikbare budget. Daarmee worden ondernemers geprikkeld om voor een zo laag mogelijk basisbedrag aanvragen in te dienen. CE Delft en SEO Economisch onderzoek concluderen dat de SDE+ naast kosteneffectief ook doelmatig is en adviseren om de systematiek van de SDE+ te handhaven. Verder werden de tarieven voor de Wet opslag duurzame energie voor 2017 vastgesteld (TK 34 497).

Energierapport, Energiedialoog, Energieagenda

In het Energierapport 2016 houdt het kabinet voor de periode ná het Energieakkoord vast aan de afspraak dat de CO2-uitstoot in 2030 met 40% en in 2050 met 80–95% moet zijn teruggedrongen op Europees niveau. Het einddoel voor 2050 is een CO2-arme energievoorziening, die veilig, betrouwbaar en betaalbaar is. Het Energierapport werd in 2016 gevolgd door de Energiedialoog, waarbij burgers, bedrijven, andere overheden en maatschappelijke organisaties zijn uitgenodigd om in dialoog te gaan over de energietransitie. In drie maanden dialoog zijn zo’n 4.000 mensen met elkaar in gesprek gegaan in 144 bijeenkomsten, waarvan het merendeel georganiseerd door partijen buiten het Rijk. Online zijn zo’n 10.000 unieke bezoekers actief geweest. De Energiedialoog heeft een veelheid en een rijkheid aan ideeën en initiatieven opgeleverd, en was daarmee een belangrijke inbreng voor de Energieagenda (TK 30 196, nr. 484).

In de Energieagenda schetst het kabinet een helder en ambitieus perspectief voor de transitie naar een betrouwbare, betaalbare, veilige en CO2-arme energievoorziening op een kosteneffectieve wijze. De energietransitie is alleen te realiseren als burgers, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en alle overheden hieraan bijdragen en samenwerken. Een breed pakket aan maatregelen wordt ingezet om dit te bereiken. Het kabinet zet bijvoorbeeld in op het voortzetten van de SDE+, een nieuwe routekaart voor wind op zee en het terugdringen van het gebruik van aardgas (TK 31 510, nr. 64).

Europa

Van 1 januari tot 1 juli 2016 was Nederland voor de twaalfde keer voorzitter van de Raad van Ministers van de Europese Unie. Nederland heeft de lopende agenda efficiënt en effectief uitgevoerd. In de informele en formele Energieraad is gesproken over regionale samenwerking en de noodzaak tot hervorming van de elektriciteitsmarkt om een groeiend aandeel hernieuwbare energie in het energiesysteem te kunnen integreren. Tevens heeft de Raad een algemene oriëntatie bereikt op het voorstel voor herziening van het besluit inzake intergouvernementele afspraken (IGA-besluit). Er is een politieke verklaring ondertekend om de regionale energiesamenwerking op de Noordzee een verdere impuls te geven en daarmee een belangrijke bijdrage te leveren aan de reductie van de broeikasgasuitstoot richting 2050 (TK 34 139,nr. 18).

Ontwerp-Structuurvisie Ondergrond

Op 11 november 2016 is in overeenstemming met de Minister van IenM de ontwerp-Structuurvisie Ondergrond aan de Tweede Kamer aangeboden (TK 33 136, nr. 14). Besluitvorming in de ontwerp-structuurvisie op schaliegas (verlenging van het kabinetsbesluit om geen commerciële opsporing en winning van schaliegas toe te staan tot 2023) is mede gebaseerd op de planMER schaliegas. Om die reden is de planMER schaliegas voor advies aan de commissie voor de milieueffectrapportage aangeboden. Het advies wordt begin 2017 verwacht.

ECN en TNO

In 2016 is het besluit genomen dat ECN en TNO hun krachten bundelen voor energie-innovatie. ECN wordt gesplitst, waarbij het onderzoek naar duurzame energievoorziening en de nucleaire activiteiten uit elkaar worden gehaald. Daarnaast gaat de rekenmeesterfunctie over van ECN naar het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Tot slot wordt er nader onderzoek gedaan naar een (eventuele) verdere ontvlechting van de nucleaire activiteiten van ECN (TK 30 196, nr. 476).

Budgettaire gevolgen van beleid artikel 14 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2012

2013

2014

2015

2016

2016

2016

VERPLICHTINGEN

2.289.462

3.397.213

2.646.202

6.494.697

17.514.501

5.432.919

12.081.582

Waarvan garantieverplichtingen

147.225

47.342

526

31.873

28.900

93.050

– 64.150

UITGAVEN

1.085.460

1.251.807

1.441.886

1.557.919

1.824.624

1.820.326

4.298

               

Subsidies

857.264

1.030.692

1.181.789

1.347.519

1.621.186

1.594.948

26.238

Topsectoren Energie

29.792

30.282

34.925

57.681

70.432

55.840

14.592

Energie-innovatie (Innovatie Agenda Energie)

56.868

36.766

27.383

17.300

16.190

2.377

13.813

Green Deal

225

1.889

918

1.809

2.660

16.354

– 13.694

Energieakkoord

   

666

10.631

19.891

48.089

– 28.198

MEP

619.608

505.321

432.032

362.995

288.426

278.022

10.404

SDE/SDE+

100.954

169.133

235.116

323.059

631.283

1.119.215

– 487.932

Storting begrotingsreserve duurzame energie

 

225.007

369.356

503.423

473.061

0

473.061

Bijdrage aan ECN

       

40.000

0

40.000

Compensatie Energie-intensieve bedrijven (ETS)

   

56.955

31.765

45.008

51.000

– 5.992

CCS

5.531

5.015

4.905

2.500

171

8.040

– 7.869

Hoge Flux Reactor

7.250

7.250

7.250

7.250

0

8.111

– 8.111

Aanschafsubsidie zonnepanelen

21.339

29.632

         

Regeling Sportaccomodaties

       

5.822

0

5.822

ISDE-regeling

       

18.018

0

18.018

Elektrisch rijden

2.154

2.535

2.184

1.541

844

0

844

Caribisch Nederland

1.304

3.161

6.807

17.108

8.472

7.900

572

Overige subsidies

12.239

14.701

3.292

10.457

908

0

908

               

Garanties

 

526

9.206

1.922

2.242

0

2.242

Aardwarmte

 

526

0

0

1.230

0

1.230

Begrotingsreserve Aardwarmte

   

9.206

1.922

1.012

0

1.012

               

Opdrachten

24.654

33.861

28.108

19.813

13.029

25.686

– 12.657

O&O bodembeheer

2.897

2.497

3.843

12.651

2.614

10.768

– 8.154

Joint implementation

14.787

12.148

768

252

5

314

– 309

Straling

5.006

9.726

9.257

50

0

20

– 20

Pallas

154

1.001

10.004

0

0

12.034

– 12.034

Onderzoek en opdrachten

1.810

8.489

4.236

6.860

10.410

2.550

7.860

               

Bijdragen aan agentschappen

43.095

45.589

47.281

41.805

46.026

41.106

4.920

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

42.342

38.680

41.949

40.168

44.400

39.424

4.976

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

753

698

692

681

676

678

– 2

Kern Fysische Dienst

 

6.211

3.690

       

KNMI

   

950

956

950

1.004

– 54

               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

86.418

103.039

110.603

107.423

113.356

113.116

240

Doorsluis COVA heffing

86.418

100.947

107.594

106.074

108.179

111.000

– 2.821

TNO bodembeheer

 

2.092

3.009

1.349

5.177

2.116

3.061

               

Bijdragen aan mede-overheden

             

Uitkoop

             
               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

74.029

38.100

64.899

39.437

28.785

45.470

– 16.685

ECN/NRG

73.557

37.757

57.903

38.819

27.982

44.487

– 16.505

Storting begrotingsreserve risicopremie lening ECN/NRG

   

6.600

       

Diverse instituten

472

343

396

618

803

983

– 180

               

ONTVANGSTEN

11.960.294

13.547.739

10.801.567

6.851.765

2.546.908

6.386.411

– 3.839.503

COVA

86.436

100.947

107.594

106.074

108.179

111.000

– 2.821

Opslag Duurzame Energie (ODE)

 

97.363

173.619

278.861

421.036

494.000

– 72.964

Onttrekking begrotingsreserve duurzame energie

     

20.000

77.000

77.000

0

Aardgasbaten

11.839.743

13.342.665

10.505.291

6.424.910

1.926.754

5.700.000

– 3.773.246

Ontvangsten zoutwinning

2.350

2.373

2.474

2.342

2.510

1.761

749

Diverse ontvangsten

31.765

4.391

12.589

19.578

11.429

2.650

8.779

Toelichting op de verplichtingen

  • •  De hogere verplichtingenrealisatie is met name toe te schrijven aan de hogere openstelling van de reguliere aanwijzingsregeling SDE+, de openstelling van twee tenders voor Wind op Zee (Borssele I en II en Borssele III en IV) en de subsidietoezegging aan TenneT voor de aanleg van het net op zee.
  • •  De lagere realisatie op de garantieverplichtingen heeft betrekking op de garantieregeling Geothermie, waarvoor minder aanvragen voor het afgeven van een garantie zijn ingediend dan verwacht.

Toelichting op de uitgaven

Subsidies

Topsectoren Energie

  • •  Op de SDE+-projecten topsectoren energie is voor een bedrag van € 13,3 mln minder uitbetaald dan beschikbaar in de vastgestelde begroting.
  • •  Op de Tenderregeling Energie-innovatie (TSE) is € 27,9 mln meer uitgegeven, met name vanwege een versnelling van de uitfinanciering op vóór 2016 aangegane verplichtingen.

Energie-innovatie (Innovatie Agenda Energie)

Bij de uitfinanciering van een aantal inmiddels beëindigde energie-innovatieregelingen, zoals Smart Grids, Groene grondstoffen, Wind op zee, Nieuw gas, de Unieke Kansen Regeling (UKR) en bij de Meerjaren Afspraken Energie (MJA-E), is de kasrealisatie € 13,8 mln hoger uitgevallen.

Green Deal

De lagere realisatie is met name het gevolg van overheveling van het grootste deel van het budget naar het Provinciefonds en het Gemeentefonds ter realisering van een aantal Green Deal projecten.

Energie-akkoord SER

De lagere uitgaven zijn met name toe te schrijven aan de Demonstratieregeling Energie Innovatie (DEI) en heeft vooral als oorzaak dat de betaling op reeds gecommiteerde projecten trager verloopt dan eerder ingeschat. Daarom is de kasraming voor de DEI bij 1e suppletoire begroting 2016 naar beneden bijgesteld.

Milieukwaliteit van de Elektriciteitsproductie (MEP), SDE, SDE+ en regeling Investerings Subsidie Duurzame Energie (ISDE)

De hogere uitgaven op de MEP-regeling zijn veroorzaakt door een hogere gerealiseerde subsidiabele elektriciteitsproductie dan waar in de raming eerder rekening mee was gehouden.

Op de SDE- en de SDE+-regeling is minder uitgegeven dan beschikbaar in de ontwerpbegroting, onder meer als gevolg van het trager op gang komen of de uitval van projecten. Voor de uitgaven op de InvesteringSubsidie Duurzame Energie (ISDE) waren in de Ontwerpbegroting nog geen middelen beschikbaar, maar deze middelen zijn beschikbaar gemaakt uit de middelen voor de SDE+. De op deze regelingen per saldo niet uitgegeven middelen zijn gestort in de begrotingsreserve duurzame energie.

Storting in begrotingsreserve duurzame energie

De in 2013 gevormde begrotingsreserve duurzame energie is bestemd voor middelen die in enig jaar onbesteed zijn gebleven als gevolg van vertraging of niet doorgaan van projecten. Deze middelen moeten later alsnog worden uitbetaald voor dezelfde projecten, of kunnen worden ingezet voor andere vervangende projecten met het oog op het bereiken van de doelstelling. Via de begrotingsreserve blijven de middelen beschikbaar tot het moment dat ze alsnog zullen worden uitbetaald. In 2016 is € 473,1 mln in de reserve gestort. Hiervan was € 282,1 mln beschikbaar gekomen via de Opslag Duurzame Energie (SDE+, SDE+-projecten topsectoren energie en ISDE). De resterende € 191,0 mln zijn afkomstig van de MEP en de SDE.

Bijdrage aan het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN)

Als onderdeel van de herinrichting van het energieonderzoek is een financieel arrangement getroffen met Stichting ECN (TK, 30 196, nr. 476). Daarin is in 2016 een kapitaalinjectie gegeven van € 40 mln aan ECN/NRG voor het verwerken en afvoeren van het (historisch) radioactief afval.

Kengetal

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Ambitie 2016

Aantal deelnemende bedrijven bij TKI

Bron: RVO.nl

n.v.t.

301

500

850

1.150

1.400

700

Kwaliteit van het Nederlandse energieonderzoek gemeten als retourpercentage van het Achtste EU kaderprogramma thema energie

7,4%

7,0%

6,8%

6,9%

7,2%

7,0%

7,0%

Indicator

Referentie-

waarde

Peildatum

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Streefwaarde

Planning

Bron

Duurzame energieproductie

4,5%

2013

5,5%

5,8%

in september 2017 bekend

16%

2023

CBS

Bron: BBS/NEV 2016

Opdrachten

Pallas

De eerder voor 2016 voorziene uitbetaling in het kader van de voorbereiding van de Pallas-reactor heeft niet plaatsgevonden, omdat de in 2014 door EZ verstrekte tranche voldoende blijkt te zijn om de uitgaven ten behoeve van het Pallas-project tot en met tenmiste 2016 te dekken.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Energieonderzoek Centrum Nederland/ Nuclear Research and Consultancy Group (ECN/NRG)

De eerder geplande 2016-tranche van de lening die in oktober 2014 aan ECN is verstrekt is in 2016 niet tot betaling gekomen. Het budget hiervoor blijft op basis van afspraken met het Ministerie van Financiën beschikbaar voor de jaren 2017 en verder.

Indicator

Referentie-

waarde

Peildatum

Streef-waarde 2016

Realisatie

2016

Bron

Klanttevredenheid ECN

8,6

2014

8,0

8,4

ECN

Kennisbenutting ECN

>80%

95%

ECN

Bron: rapportage klanttevredenheidsonderzoek ECN (15 februari 2017)

In 2015 zijn alle TO2-instituten overgegaan op een nieuwe, uniforme methode voor het meten van klanttevredenheid en kennisbenutting. De scores in bovenstaande tabel geven de gerealiseerde waarden van klanttevredenheid en kennisbenutting voor al het onderzoek dat ECN in opdracht uitvoert. Het betreft dus zowel Publiek-Private Samenwerking (PPS) onderzoek, als onderzoek in opdracht van private klanten als onderzoek in opdracht van de publieke sector (tenzij anders vermeld).

Ontvangsten

Opslag Duurzame Energie (ODE)

De ontvangsten op basis van de Opslag Duurzame Energie (ODE) zijn lager dan geraamd. De tariefstructuur van de ODE volgt de structuur van de energiebelasting. De ontvangstenreeks van de ODE is in eerste instantie in 2012 bij de invoering van de ODE meerjarig geraamd op basis van een aantal veronderstellingen over het energieverbruik, tempo van energiebesparing, de uitrol van zonnepanelen etc. De raming is in 2013 bij gelegenheid van het Energieakkoord weliswaar bijgesteld, echter zonder actualisatie van de variabelen die relevant zijn voor de hoogte van de ontvangsten. Bij het aantreden van een nieuw kabinet zal de ontvangstenraming van de ODE weer worden geactualiseerd op basis van de huidige inzichten. Naar verwachting zullen daardoor de verschillen tussen de geraamde opbrengsten en de gerealiseerde opbrengsten kleiner worden.

Aardgasbaten

De aardgasbaten zijn lager uitgevallen dan geraamd. De belangrijkste redenen hiervoor zijn een lagere gasprijs en lagere volumes. De gasprijs kwam in 2016 gemiddeld uit op circa 14 cent per m3, terwijl circa 20 cent per m3 was begroot. Qua volume vonden er verdere beperkingen van de hoogte van de productie uit Groningen plaats. Ten tijde van de begroting werd er rekening gehouden met een productieplafond van 33 miljard m3. Voor het gasjaar 2015–2016 (1 oktober 2015 tot en met 30 september 2016) gold een productieplafond van 27 miljard m3 (TK 33 529, nr. 212). Op 30 september 2016 heeft het kabinet een nieuw instemmingsbesluit genomen, waardoor vanaf het gasjaar 2016–2017 een jaarlijks productieplafond geldt van 24 miljard m3, conform het advies van het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM), met ruimte voor meer winning bij een winter die kouder is dan gemiddeld (TK 33 529, nr. 309).

Kengetallen

2011

2012

2013

2014

2015

2016

1.

Gewonnen volume aardgas kleine velden (in Nm3)

Bron: TNO

28 mld Nm3

26 mld Nm3

26 mld Nm3

24 mld Nm3

22 mld

Nm3

20 mld

Nm3

2.

Aantal boringen exploratie onshore en offshore

Bron: TNO

18

16

9

21

16

4

3.

Aantal boringen productie onshore en offshore

Bron: TNO

39

19

18

32

17

16

4.

Productie aardgas totaal (in Nm3)

Bron: TNO

74 mld

74 mld Nm3

80 mld Nm3

66 mld Nm3

50 mld Nm3

48 mld Nm3

5.

Euro/dollarkoers

Bron: CBS/CPB

1,39

1,28

1,33

1,33

1,11

1,11

6.

Olieprijs (dollar/vat) Bron: CBS/CPB

111,3

111,7

108,7

101,4

52,5

43,3

7.

Beursprijs van TTF-gas (eurocent/ m3)

Bron: APX Endex

22,9

24,0

26,0

21,3

19,8

13,6

Toelichting op de begrotingsreserves

Begrotingsreserve Geothermie

Bedragen x € 1 mln

Stand 1/1/2016

22,0

+ Storting

1,0

– Onttrekking

– 1,2

Stand per 31/12/2016

21,7

De begrotingsreserve voor de garantieregeling Geothermie is bedoeld om het budget voor deze regeling meerjarig in te kunnen zetten en een eventuele mismatch in de tijd tussen inkomsten en uitgaven op te vangen. Om gebruik te kunnen maken van de garantieregeling Geothermie betalen marktpartijen een premie aan de uitvoerder van de regeling (RVO.nl) die wordt gestort in de begrotingsreserve. Als dekking van uitgaven aan verliesdeclaraties op basis van de garantieregeling heeft in 2016 een onttrekking van € 1,2 mln aan de interne begrotingsreserve plaatsgevonden.

Begrotingsreserve Duurzame energie

Bedragen x € 1 mln

Stand 1/1/2016

1.077,8

+ Storting

473,1

– Onttrekking

– 77,0

Stand per 31/12/2016

1.473,9

De begrotingsreserve Duurzame energie is bestemd voor onbesteed gebleven middelen als gevolg van vertraging bij projecten waaraan reeds subsidie is toegekend en reeds verplichte projecten die niet tot uitvoering komen en door andere projecten moeten worden vervangen met het oog op het bereiken van de doelstelling voor duurzame energieproductie. Het gaat hier om middelen ten behoeve van de MEP, SDE, SDE+, ISDE en de SDE+projecten van de topsectoren energie. Via de begrotingsreserve blijven de middelen beschikbaar tot het moment dat ze alsnog zullen worden uitbetaald. In 2016 is € 473 mln in de reserve gestort en € 77 mln aan de reserve onttrokken (TK 34 210 XIII, nr. 4, antwoord op vraag 5).

Specificatie van begrotingsreserve Duurzame Energie (bedragen x € 1 mln)

Specificatie begrotingsreserve Duurzame Energie

2013

2014

2015

2016

Totaal

MEP (algemene middelen)

23

16

2

0

41

SDE (algemene middelen)

143

220

297

191

851

Tijdelijke onttrekking (MEP/SDE)

   

– 20

– 77

– 97

SDE+ (ODE gefinancierd)

59

134

204

282

679

Totaal

225

370

483

396

1.474

Begrotingsreserve risicopremie lening ECN/NRG

Bedragen x € 1 mln

Stand 1/1/2016

6,6

+ Storting

0

– Onttrekking

0

Stand per 31/12/2016

6,6

De middelen op de begrotingsreserve risicopremie ECN/NRG zullen worden aangesproken als ECN – al dan niet tijdelijk – (gedeeltelijk) niet kan voldoen aan de terugbetalingsverplichtingen volgens de in 2014 afgesloten leningsovereenkomst.

Overzicht maatregelen ten behoeve van het Energieakkoord (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

2015

Realisatie 2016

Begroting 2016

Verschil

ENERGIEBESPARING

       

MJA3 / MEE (EZ, art. 14)

3.061

4.242

2.377

1.865

EIA (FIN, fiscaal)

106.000

147.000

101.000

46.000

Compensatie indirecte kosten ETS (EZ, art. 14)

31.765

45.008

61.000

– 15.992

Duurzame warmte (EZ, art. 14)

262

0

0

0

Demo Schoon en Zuinig (EZ, art. 16)

911

1

0

1

Innovatieagenda Energie (EZ, art. 16)

640

1.096

1.629

– 533

Marktintroductie energie innovaties (MEI) (EZ, art. 16)

4.768

3.537

3.689

– 152

Investeringsregeling Energiebesparing (IRE) / Investeringsregeling Milieuvriendelijke Maatregelen (IMM) (EZ, art. 16)

3.275

6.124

3.710

2.414

Wet Milieubeheer energiebesparing (IenM, art. 19)

3.913

1.066

425

641

Openbare verlichting decentrale overheden (IenM, art. 19)

17

0

0

0

Revolverend fonds Energiebespaarfonds (NEF) (WenR, art. 2)

0

35.000

35.000

0

(Voorlopig) Energielabel (WenR, art. 2)

11.745

6.132

7.500

– 1.368

Subsidieregeling STEP (WenR, art. 2)

 

0

   

VNG: ondersteuningsstructuur energieke samenleving (WenR, art. 2)

5.000

4.000

4.000

0

Revolverend fonds; leningen VvE’s (WenR, art. 2)

 

0

0

0

Revolverend fonds; leningen verhuurders (WenR, art. 2)

0

0

72.800

72.800

Energiebesparing Koopsector (WenR, art. 2)

 

7.383

19.700

– 12.317

         

HERNIEUWBARE ENERGIE

       

MEP (EZ, art. 14)

362.995

288.426

278.022

10.404

SDE/SDE+ (EZ, art. 14)

323.059

614.493

1.119.215

– 504.722

Storting in begrotingsreserve duurzame energie (EZ, art. 14)

503.423

473.061

0

473.061

Storting in begrotingsreserve

Garantieregeling Aardwarmte (EZ, art. 14)

1.922

1.012

0

1.012

InvesteringsSubsidie Duurzame Energie (EZ, art. 14)

0

18.018

0

18.018

         

ENERGIE-INNOVATIE

       

Topsector Energie (EZ, art. 14)

36.516

38.915

11.000

27.915

Demonstratieregeling Energie-innovaties (EZ, art. 14)

10.153

19.330

44.000

– 24.670

Innovatiemiddelen SDE+ (EZ, art. 14)

21.138

31.497

44.840

– 13.343

         

MOBILITEIT

       

Elektrisch rijden (EZ, art. 14)

1.541

844

0

844

Lean and Green Personal Mobility (IenM, art. 14)

540

83

0

83

Meerjaren bewustwordingscampagne «Hopper» (IenM, art. 14)

50

0

35

– 35

Organisatiekosten Green Deal Autodelen (IenM, art. 14)

60

0

0

0

Campagne veilige, zuinige, stille banden op spanning (IenM, art. 19)

172

98

100

– 2

         

OVERIGE

       

Bijdrage RVO.nl uitvoeringslasten Energieakkoord (EZ, art. 14)

5.200

5.200

5.200

0

Uitvoeringskosten Revolverend Fonds Energiebesparing Verhuurders (RVO.nl) (WenR, art. 2)

353

88

450

– 362

Ondersteunende activiteiten t.b.v. Energieakkoord (WenR, art. 2)

5.869

5.243

4.760

483

Uitvoering STEP (RVO.nl) (WenR, art. 2)

1.161

1.300

1.100

200