Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

BIJLAGE 4: EUROPESE GELDSTROMEN

Inleiding

Deze bijlage biedt inzicht in de Europese geldstromen voor zover relevant voor de beleidsterreinen van EZ. Er wordt ingegaan op een aantal EU-fondsen en EU-programma’s waarbij inzicht wordt gegeven in de EU- geldstromen, de cofinanciering met EZ-middelen en middelen van andere overheden en private partijen.

Meerjarig Financieel kader 2014–2020

In het Meerjarig Financieel Kader (MFK) worden zowel de maximale omvang van de jaarbegrotingen als de verdeling van de middelen over de hoofdthema’s van het beleid vastgelegd. Het MFK is vastgesteld in een verordening. Parallel hieraan wordt in het Eigen Middelen Besluit de financiering van het EU-beleid geregeld. Deze afspraken worden aangevuld met een Interinstitutioneel Akkoord over begrotingsaangelegenheden tussen Europese Commissie, Europees Parlement en Raad.

In september 2016 heeft de Commissie een tussentijdse evaluatie van het MFK gepresenteerd. Daarin heeft de Commissie onder andere voorgesteld de budgetten voor een aantal uitgavenprogramma’s te verhogen en de flexibiliteit in het MFK te vergroten. Over deze tussentijdse evaluatie moet nog een akkoord worden bereikt binnen de Raad en met het Europees Parlement.

Eigen Middelen EU

De Eigen Middelen van de EU bestaan uit de volgende onderdelen:

  • 1.  Traditionele eigen middelen (vooral invoerrechten);
  • 2.  BTW-afdracht;
  • 3.  Afdracht op basis van het Bruto Nationaal Inkomen (BNI).

De voor EZ relevante afdrachten zijn de zogenaamde douanerechten op landbouwproducten en productieheffingen (categorie 1: Traditionele eigen middelen). Deze ontvangsten worden op de EZ begroting verantwoord (artikel 16) en worden na inhouding van een perceptiekostenvergoeding afgedragen aan de EU. De ontvangsten voor douanerechten op landbouwproducten en productieheffingen voor 2014 bedragen € 222 mln. De afdrachten worden verantwoord in het jaarverslag van Buitenlandse Zaken.

De verschillende EU-programma’s en EU-fondsen

De Europese Commissie stelt voor de realisatie van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, het Gemeenschappelijk Visserijbeleid en het Europees structuurbeleid middelen uit EU-fondsen aan de lidstaten beschikbaar.

Voor EZ zijn de volgende EU-programma’s en EU-fondsen relevant:

  • 1.  Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 1e pijler (GLB): het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF);
  • 2.  Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 2e pijler (POP): het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO);
  • 3.  Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB): het Europees Visserijfonds (EVF) en het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV 2014–2020). EFMZV is de opvolger van EVF;
  • 4.  Europees Structuurbeleid: Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO);
  • 5.  Horizon 2020 (periode 2014–2020), opvolger van Zevende Kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling (KP7);
  • 6.  Programma’s Eurostars en Joint Technology Initiatives (JTI).

1. Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 1e pijler (GLB): Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF)

De ontvangen EU-steun voor het GLB pijler 1 bedraagt in 2016 € 812 mln voor directe inkomenssteun en markt- en prijsmaatregelen. De steun voor markt- en prijsmaatregelen fluctueert afhankelijk van de marktomstandigheden. Ten aanzien van het GLB is EZ verantwoordelijk voor een recht- en doelmatige uitvoering van het op EU-niveau vastgestelde beleid binnen Nederland. De uitvoering van het GLB is aan stringente Europese voorwaarden gebonden die met name de rechtmatigheid van de uitvoering moeten waarborgen. Nederland beschikt vanaf 16 oktober 2013 over één erkend betaalorgaan voor de uitvoering van het GLB (RVO). De Auditdienst Rijk (ADR) is belast met de controle van de door het betaalorgaan ingediende rekeningen bij de Europese landbouwfondsen.

Het Gemeenschappelijk landbouwbeleid pijler 1 maatregelen is onder te verdelen in:

  • a.  Basisbetalingsregeling;
  • b.  Betaling voor vergroening;
  • c.  Betaling voor jonge boeren;
  • d.  Graasdierpremie;
  • e.  Teruggave financiële discipline;
  • f.  Bedrijfstoeslag (nabetalingen);
  • g.  Artikel 68 maatregelen (nabetalingen);
  • h.  Markt- en prijsbeleid.

a. Basisbetalingsregeling

In 2016 zijn de eerste betalingen gedaan onder het nieuwe GLB. De bedrijfstoeslag is vervangen door de basisbetaling. Voor de basisbetaling is € 492 mln gedeclareerd bij de Europese Commissie.

b. Betaling voor vergroening

Landbouwers die gebruik maken van de basisbetalingsregeling zijn verplicht om vergroeningsmaatregelen toe te passen op hun bedrijf. Voor de vergroeningsbetalingen is 30% van het budget voor directe betalingen bestemd. In 2016 is € 211 mln voor vergroeningsbetalingen gedeclareerd bij de Europese Commissie.

c. Betaling voor jonge boeren

Voor de zogenaamde «top-up» betaling voor jonge boeren is 2% van het budget voor directe betalingen beschikbaar. In 2016 is bij de Europese Commissie € 10,8 mln gedeclareerd voor de «top-up» betaling voor jonge boeren.

d. Graasdierpremie

In 2016 werd € 1,5 mln voor steun aan graasdieren (runderen en schapen) gedeclareerd bij de Europese Commissie.

e. Teruggave financiële discipline

Op alle directe betalingen wordt een korting toegepast ten behoeve van de crisisreserve van de Europese Commissie. Indien de crisisreserve niet (volledig) wordt benut vindt teruggave plaats aan de landbouwers. In 2016 werd € 9,3 mln terugbetaald aan landbouwers.

f. Bedrijfstoeslag (nabetalingen)

In 2016 zijn nabetalingen gedaan die nog vielen onder het oude GLB-regime. Het betroffen voor een belangrijk deel de directe betalingen in de vorm van bedrijfstoeslagen. In 2016 is € 0,8 mln gedeclareerd bij de Europese Commissie voor bedrijfstoeslagen.

g. Artikel 68 maatregelen (nabetalingen)

Op basis van artikel 68 mocht Nederland een deel van de nationale enveloppe voor inkomenssteun herbestemmen voor het stimuleren van bijvoorbeeld milieuvriendelijke landbouw, kwaliteitslandbouw en risicoverzekeringen. In 2016 is voor nabetalingen van regelingen voor duurzame stallen, vaarvergoeding en precisielandbouw € 0,5 mln gedeclareerd bij de Europese Commissie.

h. Markt- en prijsbeleid

Het markt- en prijsbeleid is afgebouwd met als doel de landbouw marktgerichter te maken. Bij het markt- en prijsbeleid zijn er aan de ene kant uitgaven voor reguliere programma’s en aan de andere kant uitgaven in verband met slechte marktsituaties.

In 2016 bestond de reguliere steun uit operationele programma’s groente en fruit van € 39,5 mln, welk € 6 mln lager was dan in 2015 (€ 45,3 mln). Voor afzetbevordering is € 8,2 mln uitgegeven. Het betrof hier uitgaven in het kader van schoolfruit & melk en promotieprogramma’s. De uitgaven voor het Bijenprogramma bedroegen € 0,2 mln.

In verband met de slechte marktsituaties waren er in 2016 uitgaven. Deze bestonden uit tijdelijke bijzondere steunmaatregelen in reactie op het Russische invoerverbod voor de sectoren groente en fruit, waarvoor € 0,5 mln werd uitgekeerd. Voor zuivel en varkensvlees een extra steunpakket van € 29,9 mln. Vanwege de marktomstandigheden was € 9,3 mln besteed aan steun voor particuliere opslag van zuivel en varkensvlees en openbare opslag van magere melkpoeder.

2. Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 2e pijler (POP): Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO)

Op 13 februari 2015 heeft de Europese Commissie het Nederlandse POP3 goedgekeurd.

Conform het akkoord tussen Rijk en provincies zijn de provincies verantwoordelijk voor het overgrote deel van het plattelandsontwikkelingsprogramma 2014–2020 (POP3). De provincies leveren het grootste deel van de benodigde nationale middelen cofinanciering voor POP3, aangevuld met cofinanciering door de waterschappen (verbetering waterkwaliteit).

In overleg met de provincies is besloten POP3 concreet te richten op de volgende thema’s:

  • 1)  Versterken van innovatie, verduurzaming en concurrentiekracht;
  • 2)  Jonge boeren;
  • 3)  Natuur en landschap (zoals afgesproken in het Natuurpact);
  • 4)  Verbetering van de waterkwaliteit;
  • 5)  LEADER (inclusief projecten onder het programma Duurzaam Door).

Met ingang van 2016 zijn in het POP3 wijzigingen doorgevoerd. In verband met de convergentie naar een gelijke hectare premie in 2019 is besloten tot een herschikking van de beschikbare middelen van de eerste pijler. Hiervan komt € 10,5 mln ten behoeve van enkele sectoren die te maken krijgen met een substantiële vermindering van directe betalingen (zonder nationale cofinanciering). Daarnaast wordt extra geld aangewend voor watermaatregelen (€ 20 mln) (aangevuld met € 20 mln nationale cofinanciering door de waterschappen/provincies). Een andere aanpassing betreft de overgang naar een stelsel van collectief agrarisch natuurbeheer met ingang van 2016 (TK, 33 576, nr 3).

Onderstaand volgt een overzicht van de bedragen die gemiddeld per jaar voor het Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014–2020 (POP3) beschikbaar zijn (bedragen x € 1 mln):

Kalenderjaar

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

totaal

Bijdrage EU

87,0

87,0

118,5

118,4

118,3

118,1

118,0

765,3

Bijdrage provincies

82,1

82,1

102,1

102,1

102,1

102,1

102,1

674,7

Bijdrage Rijk

 

5,5

5,5

5,5

5,5

5,5

5,5

33

Het EZ aandeel bedraagt circa € 5,5 mln per jaar en deze uitgaven worden verantwoord in het jaarverslag van EZ (artikel 16). Het Rijksaandeel heeft betrekking op de regeling brede weersverzekering. Vanaf 2016 is EZ eveneens verantwoordelijk voor de uitvoering van de regelingen voor de kalversector, aardappelzetmeelsector en vleesveesector. Deze regelingen worden alleen via de EU gefinancierd, de hiervoor benodigde middelen zijn vanuit GLB pijler 1 overgeheveld naar pijler 2.

Onder POP3 is een ruimer bestedingsregime van kracht. Per jaartranche dient het geld binnen 4 jaar te zijn uitgegeven (N+3, was N+2).

De realisatie tot en met 2016 ziet er als volgt uit (bedragen x € 1 mln). De bedragen zijn nog laag in verband met het late tijdstip van goedkeuring van het POP3 (februari 2015).

Kalenderjaar

2014

2015

2016

Realisatie totaal 2014–2016

Bijdrage EU

0

33

41

74

Bijdrage provincies

0

10

18

28

Bijdrage Rijk

0

4

4,6

8,6

3. Gemeenschappelijk Visserij Beleid (GVB): Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV)

Het GVB is in de eerste plaats gericht op de ontwikkeling van een verantwoorde visserijketen waarmee een evenwichtige en duurzame exploitatie van de visstand wordt bevorderd. Hiertoe zijn in EU-verband regels opgesteld, zoals beperkingen voor bepaalde visserijmethoden. Tevens zijn afspraken gemaakt ter bevordering van de stabiliteit van de vismarkt.

In 2016 vond de uitfinanciering plaats van de programmaperiode 2007–2013 van het Europees Visserijfonds en zijn de afsluitende werkzaamheden gestart. Uiterlijk 31 maart 2017 wordt de einddeclaratie voor de gehele programmaperiode ingediend bij de Europese Commissie.

Ontwikkelingen EFMZV 2014–2020

Hoofddoel van het EFMZV is het bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het hervormde GVB, dat wil zeggen aan de verdere verduurzaming en versterking van de concurrentiekracht van de visserij en aquacultuur. Het EFMZV biedt de sector kansen om initiatieven voor meer duurzaamheid, kostprijsverlaging en kwaliteitsverbetering te ontwikkelen en deze te implementeren. Het fonds zal eveneens worden ingezet om uitdagingen op te pakken en oplossingen aan te dragen voor de invoering van de aanlandplicht.

Het EFMZV-instrumentarium, zoals opgenomen in het in februari 2015 goedgekeurde Operationeel Programma, is gericht op 3 hoofdthema’s:

  • 1.  Invoering van de aanlandplicht;
  • 2.  Verdere verduurzaming van de visserij- en aquacultuur;
  • 3.  Verbetering van de rendementen in de visserij- en aquacultuurketen.

In 2016 zijn in uitvoering van het Operationeel Programma de navolgende vijf maatregelen opengesteld voor de visserijsector:

  • 1.  Jonge vissers;
  • 2.  Productie- en afzetprogramma’s voor producentenorganisaties 2016;
  • 3.  Afzetbevorderingsprojecten voor visserij en aquacultuur;
  • 4.  Innovatieprojecten aquacultuur;
  • 5.  Innovatieprojecten rendementsverbeteringen.

De maatregelen jonge vissers (budget € 240.000) en productie- en afzetprogramma’s voor producentenorganisaties (budget € 59.000) zijn jaarlijks terugkerende openstellingen en zijn ook in 2016 opengesteld. De maatregel jonge vissers is bedoeld voor jonge vissers om nieuwe economische activiteiten op te starten. Vissers jonger dan 40 jaar kunnen een subsidie ontvangen als zij voor het eerst een vissersvaartuig willen aanschaffen. De maatregel productie- en afzetprogramma’s is bedoeld voor het ondersteunen van producentenorganisaties bij het realiseren van de doelstellingen van de gemeenschappelijke marktordening voor visserij- en aquacultuurproducten.

De maatregel afzetbevorderingsprojecten voor visserij en aquacultuur (budget € 2,8 mln) is gericht op producenten- en brancheorganisatie of deelnemers in een samenwerkingsverband. Zij kunnen financiële ondersteuning krijgen bij het vinden van nieuwe afzetmarkten of het verbeteren van de kwaliteit en de toegevoegde waarde van visserij- en aquacultuurproducten.

In het Nationaal Strategisch Plan Aquacultuur (2014–2020) is een meerjarenvisie opgenomen. Deze is gericht op een duurzame ontwikkeling van de aquacultuur binnen Nederland. Om invulling te geven aan de ontwikkelrichtingen in het plan wordt door middel van de maatregel innovatieprojecten aquacultuur (budget € 3 mln) subsidie verleend om innovaties in de aquacultuur te bevorderen. Hierbij worden verschillende aspecten van duurzaamheid meegewogen.

Hoge kosten en dalende opbrengstprijzen zetten de rendementen in de visserij onder druk. De maatregel innovatieprojecten rendementsverbeteringen (budget € 2 mln) biedt ondersteuning in het verbeteren van rendementen in de keten, meer specifiek in het kader van innovatieprojecten.

Naast de vijf opengestelde maatregelen is vanuit het EFMZV budget vastgelegd voor een aantal door de overheid gefinancierde projecten. In 2016 is voor een totaal bedrag van € 40.214.200,– budget vastgelegd voor de volgende projecten:

  • •  Studies on the effects of nano- en microplasticdeeltjes on the aquatic / marine environment;
  • •  Monitoring riverine litter;
  • •  Datacollectie 2014–2016;
  • •  Datacollectie 2017–2019;
  • •  TransVIR2RVO-01: Basis op Orde VIRIS3 – Onderstroom. Fase 1: Vooronderzoek;
  • •  TransVIR2RVO-02: Overdracht taken en systemen vangstregistratie van de NVWA naar RVO-VIR. Fase 1: Vooronderzoek;
  • •  TransVIR2RVO-03: Basis op Orde VIRIS3 – Onderstroom;
  • •  TransVIR2RVO-05: Vernieuwing ERS Fishing Activity via FLUX;
  • •  Onderzoek effecten pulstechniek binnen de garnalenvisserij.

De projecten «studies on the effects of nano- en microplasticdeeltjes on the aquatic / marine environment» en «monitoring riverine litter» zijn twee projecten die worden uitgevoerd door Rijkswaterstaat en gaan over afval in water en de effecten daarvan op het mariene milieu. De datacollectie projecten betreffen meerjaarlijkse onderzoeken naar visbestanden in het kader van het Data Collection Framework. De TransVIR2RVO projecten zijn IT- projecten bij de afdeling Visserijregelingen van RVO.nl. De projecten beogen de systemen voor visserijregistratie aan te passen aan de meest recente regelgeving en systemen toekomstbestendig te maken. Daarnaast wordt onderzoek gedaan naar de effecten van pulstechniek binnen de garnalenvisserij.

De voornoemde regelingen en overheidsopdrachten hebben in 2016 nog niet geleid tot uitbetalingen. Dit wordt voor 2017 wel verwacht. De Rijksmiddelen 2016 blijven gereserveerd voor de nationale cofinanciering van het EFMZV.

Financieel overzicht

De Minister van EZ heeft voor de uitvoering van het GVB een Operationeel programma opgesteld voor de periode 2014–2020. De verdeling van de kosten van dit programma tussen overheid en begunstigden bedraagt in de meeste gevallen 50–50. Van het overheidsdeel komt gemiddeld 75% uit het EFMZV, de resterende 25% is nationale cofinanciering.

De voor Nederland beschikbare EU-budgetten voor het EFMZV (2014–2020) zijn (x € 1 mln):

Kalenderjaar

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

totaal

EFMZV middelen

13,9

14,1

14,2

14,5

14,8

14,9

15,1

101,5

Op de begroting van EZ zijn op beleidsartikel 16 voor de cofinanciering van het GVB 2014–2020 de volgende nationale middelen beschikbaar (x € 1 mln):

Kalenderjaar

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

totaal

Rijksmiddelen co-financiering GVB

 

5,0

5,8

7,3

5,3

5,3

1,3

30,0

In 2016 is er een bedrag van € 0,3 mln uitgegeven. De Rijksmiddelen 2015 en 2016 waarvoor nog geen uitgaven zijn gedaan (€ 10,5 mln), blijven gereserveerd voor de nationale cofinanciering van EFMZV.

4. Europees Structuurbeleid: Europees Fond voor Regionale Ontwikkeling (EFRO)

Programmaperiode 2014–2020

Voor de programmaperiode 2014–2020 ontvangt Nederland aan middelen uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) € 507 mln voor de vier landsdelige programma’s en € 389 mln voor de Interreg (A,B en C) programma’s voor grensoverschrijdende samenwerking (bedragen in lopende prijzen). Deze Europese middelen worden nationaal gecofinancierd. EZ stelt in totaal € 91 mln aan Rijkscofinanciering beschikbaar voor de landsdelige en € 49 mln voor de grensoverschrijdende programma’s (Interreg A). Deze middelen worden ingezet in aansluiting op beleidsprioriteiten van het Ministerie van Eonomische Zaken. Ook decentrale overheden en private partijen dragen bij aan cofinanciering van EFRO-projecten.

Landsdelige programma’s

De vier landsdelige programma’s kennen allemaal twee hoofddoelen:

  • •  versterking van technologische ontwikkeling en innovatie;
  • •  overgang naar een koolstofarme economie.

Een belangrijkrijke doelgroep is het MKB. MKB-bedrijven zijn door hun flexibiliteit in staat om nieuwe kennis snel te benutten, niches te vinden, innovaties naar de markt te brengen en daarmee economische groei te stimuleren. De uitvoerende organisaties voor EFRO, de managementautoriteiten, geven voorlichting en ondersteuning aan het MKB over deelname aan het EFRO-programma. Waar mogelijk wordt regelgeving vereenvoudigd of verbeterd met het oog op deelname van het MKB. Op Europees niveau is daarvoor de High Level Group on simplification ingesteld. Daarnaast hebben de autoriteiten die in Nederland betrokken zijn bij de uitvoering van EFRO gezamenlijk een kader opgesteld voor de EFRO-controlepraktijk, met als doel de controledruk voor ondernemers te verlagen.

Bij de inzet van de EFRO middelen wordt aangesloten bij sterke sectoren en speerpunten in het betreffende gebied. Voor elk landsdeel zijn hiervoor zogenaamde «Slimme Specialisatie Strategieën» (smart specialisation strategies), opgesteld, waarin de volgende sterke sectoren en speerpunten naar voren komen (inclusief EFRO-budget per landsdeel):

  • •  Noord (€ 103 mln): energie, watertechnologie, healthy ageing, agribusiness, slimme (sensor)systemen en materialen en accent op maatschappelijke opgaven.
  • •  Oost (€ 100 mln): agri&food, health, High Tech Systemen en Materialen (HTSM), energie & milieutechnologie (EMT).
  • •  Zuid (€ 114 mln): agri&food, HTSM, chemie en nadruk op cross-overs.
  • •  West (€ 190 mln): alle topsectoren, nadruk op cross-overs, duurzaamheid, biobased en ICT.

Vanuit de landsdelige programma’s werd in 2016 een groot en divers pakket aan regelingen opengesteld voor innovatiestimulering (onder andere valorisatie, proeftuinen, R&D samenwerking en clustervorming) en het realiseren van een koolstofarme economie. In het derde kwartaal van 2016 was gemiddeld over de landsdelen 24% van het budget gecommitteerd voor innovatiestimulering en 16% voor de prioriteit koolstofarme economie. Net als in de periode 2007–2013 worden met de EFRO-subsidies in ruime mate private investeringen uitgelokt. Selectie van ingediende projecten vindt plaats door commissies van onafhankelijke deskundigen. Voor de beoordeling van de projecten geldt een uniform toetsingskader voor alle landsdelen waarbij kwaliteit van de businesscase en de mate waarin het project bijdraagt aan duurzame ontwikkeling onder meer criteria zijn.

Rijkscofinanciering wordt ingezet voor projecten die bijdragen aan het realiseren van nationale beleidsdoelen op het gebied van innovatie en energie (TK, 21 501-08, nr. 489). In dit verband is aan een aantal fieldlabs van de Actieagenda Smart Industry EFRO-subsidie en Rijkscofinanciering toegekend (TK, 29 697, nr. 23) en dat geldt ook voor diverse grote publiek-private R&D samenwerkingsverbanden en projecten in of rond innovatieve clusters.

Programma’s voor grensoverschrijdende samenwerking (Interreg A)

Er zijn vier Interreg A programma’s: Twee-Zeeën, Euregio MaasRijn, Duitsland-Nederland en Vlaanderen-Nederland. Na eerdere goedkeuring van de programma’s door de Europese Commissie kunnen bedrijven, kennisinstellingen en andere partijen projecten indienen. Voor de verschillende programma’s is het beeld over 2016 als volgt:

  • •  Het Duitsland-Nederland programma heeft tot en met 2016 82 projecten goedgekeurd voor een totale investering van € 314 mln waarvan € 14,38 mln Rijkscofinanciering. Het gaat met name om projecten op het gebied van HTSM, energie efficiency en health & life sciences. Een voorbeeldproject is MariGreen waarin 59 Duitse en Nederlandse maritieme MKB ondernemingen en kennisinstellingen innovaties doen gericht op vergroening van de scheepvaart.
  • •  Het Vlaanderen-Nederland programma heeft in 2016 26 projecten goedgekeurd waarvan 9 Rijkscofinanciering ontvangen. Het gaat met name om projecten op het gebied van duurzame energie, energie-efficiency en bio-based economy.
  • •  Het programma Twee-Zeeën heeft in 2016 23 projecten goedgekeurd, waarvan twee Rijkscofinanciering hebben gekregen. Het grootste gedeelte van het budget ging naar projecten op het gebied van koolstofarme technologieën, daarna naar klimaatverandering en technologische innovatie.
  • •  Het Euregio MaasRijn programma heeft in 2016 de eerste projecten goedgekeurd waarna de tweede call is opengesteld. Onder de projecten in de eerste call zijn geen projecten die Rijkscofinanciering ontvangen.

Communicatie over de resultaten

Over de resultaten van EFRO wordt onder meer gecommuniceerd via de website www.europaomdehoek.nl en via de «Europa om de Hoek Kijkdagen». Deze «Kijkdagen», waarop EFRO-projecten worden opengesteld voor het publiek, worden jaarlijks in mei georganiseerd door de managementautoriteiten van deelnemende programma’s in nauwe samenwerking met de projectuitvoerders. EZ coördineert het netwerk waarbinnen de Europa om de hoek Kijkdagen georganiseerd worden. Gebleken is dat de manier waarop de communicatie over EFRO-resultaten in Nederland is georganiseerd, inspirerend werkt richting andere Lidstaten. Met de eerste prijs (2015) in het kader van de European Public Communication Award voor de «Europa om de Hoek Kijkdagen» heeft Nederland zich in de kijker gespeeld. In de eerste helft van 2017 komen monitoringsgegevens over zowel de landsdelige als grensoverschrijdende programma’s beschikbaar op de website van het Ministerie van Economische Zaken over de voortgang van het bedrijvenbeleid (www.bedrijvenbeleidinbeeld.nl).

Programmaperiode 2007–2013

Voor de programmaperiode 2007–2013 is in totaal € 1,1 mld Europees budget beschikbaar gesteld. Inmiddels is die programmaperiode in de eindfase en zal naar verwachting in 2017 definitief worden afgesloten. Uiterlijk op 31 maart 2017 moeten de eindverslagen van de landsdelen over deze programmaperiode bij de Europese Commissie zijn ingediend. Algemeen beeld is dat de programma’s succesvol zijn geweest onder andere wat betreft het hefboomeffect van EFRO voor het aantrekken van private financiering.

5. Horizon 2020 (kaderprogramma voor onderzoek en innovatie) periode 2014–2020

Op Europees niveau wordt een aantal programma’s uitgevoerd die steun verlenen aan onderzoek en innovatie. Dit betreft met name Horizon 2020, het Kaderprogramma voor onderzoek en innovatie voor de periode 2014–2020. Een beperkt deel van het budget van dit Kaderprogramma wordt gealloceerd bij publiekpublieke en publiekprivate programma’s. Uitvoering van dat deel van het budget geschiedt niet door de Europese Commissie (zoals regulier het geval is bij het Kaderprogramma) maar door de daarvoor opgerichte samenwerkingsvormen.

Horizon 2020

Horizon 2020 (looptijd 2014–2020) is het huidige programma voor onderzoek en innovatie en heeft als doel de wetenschappelijke en technologische basis van Europa te versterken, evenals de concurrentiekracht van het Europese bedrijfsleven. Een belangrijk onderdeel daarvan is benutting van kennis voor het oplossen van maatschappelijke uitdagingen. De Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO) stimuleert in opdracht van EZ en andere departementen de Nederlandse deelname aan Horizon 2020 door middel van training, advies en informatie.

Voor EZ gaat de aandacht uit naar het verbinden van Horizon 2020 met het nationale innovatiebeleid – in het bijzonder de pijlers industrieel leiderschap en maatschappelijke uitdagingen met de topsectoren –, het op peil houden van de deelname van Nederlandse partijen en het verbeteren van de bedrijfsdeelname (specifiek het MKB). Daarnaast wordt ook nadrukkelijk aansluiting gezocht met de regionale initiatieven gesteund vanuit de structuurfondsen.

In 2016 kon de balans opgemaakt worden over hoe Nederland participeerde tijdens de eerste 2,5 jaar van Horizon 2020. Sinds de start van Horizon 2020 is er € 1,446 mld aan Nederlandse stakeholders toegekend (peildatum 30 september 2016). Hiervan is 25,9% toegekend aan Nederlandse bedrijven, waarvan 56,6% direct ten gunste komt van het MKB. Nederland kent een retourpercentage van 7,6% (toegekende financiering ten opzichte van het totale budget) en komt daarmee boven de EZ-streefwaarde van 7% uit.

Gezamenlijke technologie initiatieven (JTI’s) en publiek-publieke samenwerkingsprogramma’s

Naast bijdrages aan projecten draagt de Europese Commissie vanuit het Kaderprogramma ook bij aan publiekpublieke en publiekprivate programma's.

Publiekpublieke programma's zijn gebaseerd op artikel 185 van het EU-Werkingsverdrag en worden ook nationaal gecofinancierd. Het Ministerie van EZ cofinanciert één daarvan direct, het artikel 185 initiatief Eurostars, dat gericht is op het MKB. Aan Eurostars nemen 36 landen deel. De regeling Eurostars is met name gericht op het high-tech MKB en ondersteunt bedrijven en kennisinstellingen die met buitenlandse partijen willen samenwerken in projecten die gericht zijn op marktgericht technologisch onderzoek en ontwikkeling. Dankzij deelname aan Eurostars-projecten krijgen Nederlandse bedrijven en organisaties toegang tot de kennis en R&D-resultaten van buitenlandse bedrijven en organisaties. Naast Eurostars cofinanciert EZ (indirect via het standaardeninstituut VSL) het artikel 185 initiatief European Metrology Research Programme.

De publiekprivate programma's, zogenaamde Joint Technology Initiatives, worden in de regel niet nationaal gecofinancierd, met uitzondering van het JTI ECSEL, gericht op embedded computing systems en nano electronica. Dit JTI wordt door het Ministerie van EZ gecofinancierd. Nederlandse organisaties kunnen het hierdoor onverminderd goed blijven doen in ECSEL. 42 Nederlandse partijen nemen deel in 9 van de in totaal 14 ECSEL-projecten, die € 725 mln aan R&D investeringen beslaan. De publieke bijdrage aan de Nederlandse deelname betreft ruim € 46 mln, waarvan € 22,3 mln vanuit het Nederlandse topsectorenbeleid (€ 19,8 mln) en de TKI-toeslag (€ 2,5 mln) en € 24,4 mln aan EU-cofinanciering. Na Duitsland en Frankrijk is Nederland de grootste participant in ECSEL. In samenhang met deze communautaire samenwerkingsvorm bestaat er gouvernementele samenwerking in Eureka-clusters om de mondiale concurrentiekracht van ICT industrie te versterken.

Middelen voor cofinanciering Horizon2020 op begroting EZ (bedragen in € 1.000)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

JTI/Eureka

27.095

33.771

39.799

39.799

39.799

39.799

Eurostars

12.044

14.689

17.808

17.958

17.958

17.958

Totaal

39.139

48.460

57.607

57.757

57.757

57.757

De middelen voor JTI/Eureka bevatten de eerste jaren nog uitfinanciering van KP7. De bedragen van Eurostars zijn inclusief top-up (25%) van Europa.

Op Europees niveau wordt een aantal programma’s uitgevoerd die steun verlenen aan onderzoek en innovatie. Dit betreft met name Horizon 2020, het Kaderprogramma voor onderzoek en innovatie voor de periode 2014–2020. Een beperkt deel van het budget van dit Kaderprogramma wordt gealloceerd bij publiekpublieke en publiekprivate programma’s. Uitvoering van dat deel van het budget geschiedt niet door de Europese Commissie (zoals regulier het geval is bij het Kaderprogramma) maar door de daarvoor opgerichte samenwerkingsvormen.

Horizon 2020

Horizon 2020 (looptijd 2014–2020) is het huidige programma voor onderzoek en innovatie en heeft als doel de wetenschappelijke en technologische basis van Europa te versterken, evenals de concurrentiekracht van het Europese bedrijfsleven. Onderdeel daarvan is benutting van kennis voor het oplossen van maatschappelijke uitdagingen een belangrijk uitgangspunt. De Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) stimuleert in opdracht van EZ en andere departementen de Nederlandse deelname aan Horizon 2020 door middel van training, advies en informatie.

Voor EZ gaat de aandacht uit naar het verbinden van Horizon 2020 met het nationale innovatiebeleid – in het bijzonder naar twee pijlers van Horizon 2020: industrieel leiderschap en maatschappelijke uitdagingen met de topsectoren –, het op peil houden van de deelname van Nederlandse partijen en het verbeteren van de bedrijfsdeelname (specifiek het MKB). Daarnaast wordt ook nadrukkelijk aansluiting gezocht met de regionale initiatieven gesteund vanuit de structuurfondsen.

In 2015 kon de balans opgemaakt worden over hoe Nederland participeerde in het eerste jaar van Horizon 2020. Daarbij blijkt dat het aandeel van de middelen dat naar bedrijven gaat ten opzichte van KP7 is toegenomen en met 29% (peildatum 30 mei 2015) boven de streefwaarde van 25% uitkomt. Meer resultaten over Horizon 2020 staan in artikel 12.

In 2015 zijn, als onderdeel van de kennis en innovatiecontracten van de topsectoren, vanuit NWO voor twee jaar middelen toegekend voor cofinanciering van gezamenlijke programma’s voor maatschappelijke uitdagingen.

Gezamenlijke technologie initiatieven (JTI’s) en publiek-publieke samenwerkingsprogramma’s

Naast bijdrages aan projecten draagt de Europese Commissie vanuit het Kaderprogramma ook bij aan publiekpublieke en publiekprivate programma's. Publiekpublieke programma's zijn gebaseerd op artikel 185 van het EU-Werkingsverdrag en worden ook nationaal gecofinancierd. Het Ministerie van EZ cofinanciert één daarvan direct, het artikel 185 initiatief Eurostars, dat gericht is op het MKB. Aan Eurostars nemen 34 landen deel. De regeling Eurostars is met name gericht op het high-tech MKB en ondersteunt bedrijven en kennisinstellingen die met buitenlandse partijen in Europa willen samenwerken in projecten die gericht zijn op marktgericht technologisch onderzoek en ontwikkeling. Dankzij deelname aan Eurostars-projecten krijgen Nederlandse bedrijven en organisaties toegang tot de kennis en R&D-resultaten van buitenlandse bedrijven en organisaties. Zo is in 2015 Thrombo DX ondersteund, dat werkt aan nieuwe longkanker diagnostiek. Naast Eurostars cofinanciert EZ (indirect via het standaardeninstituut VSL) het artikel 185 initiatief European Metrology Research Programme.

De publiekprivate programma's, zogenaamde Joint Technology Initiatives, worden in de regel niet nationaal gecofinancierd, met uitzondering van het JTI ECSEL, gericht op embedded computing systems en nano electronica. Dit JTI wordt door het Ministerie van EZ gecofinancierd. Nederlandse organisaties kunnen het hierdoor onverminderd goed blijven doen in ECSEL. Nederlandse HTSM deelnemers nemen deel in 9 van de in totaal 13 ECSEL-projecten, die € 596 mln aan R&D investeringen beslaan, waarvan € 112 mln aan R&D investeringen van Nederlandse partijen. De publieke bijdrage aan de Nederlandse deelname betreft ruim € 42 mln, waarvan € 20 mln vanuit het Nederlandse topsectorenbeleid en € 22 mln aan Brusselse cofinanciering. Na de Duitse participanten nemen de Nederlanders de grootste participatie voor hun rekening. In samenhang met deze communautaire samenwerkingsvorm bestaat er gouvernementele samenwerking in Eureka-clusters om de mondiale concurrentiekracht van ICT industrie te versterken.

Middelen voor cofinanciering Horizon2020 op begroting EZ (bedragen in € 1.000)
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

JTI/Eureka

40.894

37.026

39.794

39.724

39.724

39.724

39.724

Eurostars

8.192

13.098

15.502

18.226

18.376

18.376

18.376

Totaal

49.086

50.124

55.296

57.950

58.100

58.100

58.100

De middelen voor JTI/Eureka bevatten de eerste jaren nog uitfinanciering van KP7. De bedragen van Eurostars zijn inclusief top-up (25%) van Europa.