Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Artikel 19 Klimaat

Algemene doelstelling

Klimaatverandering door menselijk handelen tegengaan. Door uitstoot van CO2 en overige broeikasgassen stijgt de temperatuur op aarde. Hierdoor verandert het klimaat en stijgt de zeespiegel. Nederland heeft internationale afspraken gemaakt om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen en zo de klimaatverandering te beperken. Vermindering van CO2-uitstoot biedt bovendien economische kansen, stimuleert slimme groene investeringen, creëert daarmee banen, en bevordert zo Nederlandse innovaties die ook buiten de landsgrenzen kunnen worden ingezet.

Rol en verantwoordelijkheden

Regisseren

De Minister van IenM regisseert de inhoudelijke lijn voor de nationale inbreng in de ontwikkeling van het Europese en het mondiale klimaatbeleid. Meer specifiek is de Minister van IenM verantwoordelijk voor:

  • •  Het door Nederland nakomen van de (onder andere) in UNFCCC17 en EU-verband gemaakte afspraken over het reduceren van emissies van CO2 en overige broeikasgassen en voor het emissiehandelssysteem waaronder het toewijzen en het doen veilen van CO2-emissierechten.
  • •  De regie op de internationale aspecten van het IenM-beleid, inclusief het politieke optreden en de vertegenwoordiging in de betreffende internationale gremia. Daartoe horen onder andere de Europese Transport- en Milieuraad en relevante VN-bijeenkomsten.
  • •  De opdracht aan de NEa voor het handelssysteem in CO2-emissierechten. Ook de registratie van biobrandstoffen en de rapportage hierover ter controle van de duurzaamheid en de CO2-prestatie zijn hier onderdeel van.
  • •  De coördinatie van de Nederlandse inzet in internationaal kader bij de vaststelling van normen en plafonds, de vertaling daarvan naar Nederlandse wet- en regelgeving en de verdeling van doelstellingen over sectoren en milieuthema’s. De doelen en normen hebben betrekking op het reduceren van CO2-emissies, op brandstofkwaliteit, op productie en inzet van duurzame biobrandstoffen, op de mondiale uitfasering van ozonlaagafbrekende stoffen en van gefluorideerde broeikasgassen en op de handel in CO2-emissierechten (Emissions Trading System/ETS).

Het internationale IenM-beleid vindt niet alleen haar grondslag in dit artikel. Specifieke rollen en verantwoordelijkheden van de Minister op de verschillende beleidsterreinen van IenM zijn bij de betreffende artikelen vermeld.

Stimuleren

Om de milieudoelen op het gebied van klimaat te behalen, is het belangrijk deze op een proactieve wijze met maatschappelijke partners te delen. Daarom stimuleert de Minister van IenM:

  • •  Het aangaan en organiseren van allianties met en tussen bedrijven, branches, overheden en kennisorganisaties om de doelen uit de Klimaatagenda, de afspraken in het SER-energieakkoord waar de Minister voor verantwoordelijk is en de Lokale Klimaatagenda tot succesvolle uitvoering te brengen.
  • •  Via de Lokale Klimaatagenda, Green Deals en initiatieven voor reductie van CO2-emissies. Ondernemers, burgers en andere overheden brengt zij beter in positie om maatregelen te nemen die goed zijn voor klimaat en economie.
  • •  Zuinigere voertuigen. Dit gebeurt onder andere door de voorlopers in de sector te stimuleren en voor ontwikkeling van diverse alternatieve voertuigen en brandstoffen een kansrijke omgeving te creëren.
  • •  Het verduurzamen van brandstoffen in de sectoren mobiliteit en transport door afspraken te maken over de rijksbijdrage aan de Actieagenda duurzame brandstofvisie voor het doelbereik van 15 tot 20 petajoule energiebesparing voor 2020 en een maximumuitstoot van 25 megaton CO2 in 2030. Dit vanuit het SER-energieakkoord, pijler zeven transport en mobiliteit. Het bereiken van de jaardoelstelling voor hernieuwbare energie stimuleren door ontwikkeling en toepassing van alternatieve energiedragers zoals elektrisch rijden en rijden op waterstof en het faciliteren van de aanleg van tankinfrastructuur voor alternatieve energiedragers.

Tenslotte is de Minister van IenM verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en Toezicht).

Kengetallen en indicatoren

Kengetal: Sectorale niet-ETS emissieplafonds voor 2020 (in megaton CO2equivalenten)

Verantwoordelijk ministerie

Nieuwe raming (Mton)

 

Emissieplafond (Mton)

CO2 industrie en energie

EZ

6,5

11

CO2 verkeer en vervoer

IenM

33,1

36

CO2 gebouwde omgeving

BZK

23,0

22,5

CO2 land- en tuinbouw

EZ

5,3

6

Overige CO2 broeikasgassen landbouw

EZ

18,7

16

Resterende overige broeikasgassen

IenM

8,8

9

Bron: Nationale Energieverkenning 2016, tabel 3.12op blz. 106 www.pbl.nl;

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-597873

Toelichting:

In deze tabel zijn de sectorale emissieplafonds en de raming weergegeven. De raming geeft aan in welke mate het doelbereik in zicht is. In deze raming is het effect van het begrotingsakkoord, het SER-energieakkoord en de Klimaatagenda «weerbaar, welvarend en groen» verwerkt.

In de kabinetsaanpak Klimaatbeleid op weg naar 2020 heeft het kabinet afgesproken dat indien in een sector tegenvallers optreden die samenhangen met (de uitvoering van) het beleid van het ministerie, de verantwoordelijke bewindspersoon in beginsel compenserende maatregelen neemt. Wanneer is aangetoond dat (alle) binnen de sector mogelijke compenserende maatregelen veel duurder zijn dan de oorspronkelijke maatregelen, zal het kabinet zoeken naar alternatieve kosteneffectieve maatregelen – binnen de beschikbare middelen – in andere sectoren. Vervolgens zal het kabinet een besluit nemen en de Tweede Kamer hierover informeren. Is er een tegenvaller die niets van doen heeft met tegenvallende beleidseffecten, dan volstaat naar verwachting het overschot in andere sectoren om deze tegenvaller op te vangen.

Kengetal: Ontwikkeling verplichting aandeel hernieuwbare energie in het vervoer (in %)

Verplichtingen

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Besluit Hernieuwbare energie vervoer 2015

2

3,25

3,75

4

4,25

4,5

5

5,5

6,25

7

7,75

8,5

9,25

10

Realisatie

2

3,26

3,75

4,01

4,31

4,54

5,05

5,54

6,25

         

Bron: Besluit Hernieuwbare energie vervoer 2015 (Stb. 2014, 460)

Bron realisatie 2015: Rapportage hernieuwbare energie 2015 van de Nederlandse Emissieautoriteit (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-782293)

Toelichting:

In artikel 2.1 van het Besluit Hernieuwbare Energie vervoer 2015 dat op 1 januari 2015 van kracht is geworden, is de ontwikkeling van de jaarverplichting hernieuwbare energie in het vervoer tot en met 2020 vastgelegd.

Kengetal: Ontwikkeling CO2-emissie nieuwe personenauto’s in gram CO2per kilometer
 

2005

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2021

EU norm

130,0

95,0

Realisatie EU

162,6

145,7

140,3

135,7

132,2

127,0

123,4

119,5

Realisatie NL

169,9

146,9

135,8

126,2

118,6

109,1

107,3

101,2

Bron definitieve cijfers 2015: European Environment Agency; EEA Technical report No 27/2016. Monitoring CO2 emissions from new passenger cars and vans in 2015

Toelichting:

Nadat vrijwillige afspraken over CO2-reductie met de Europese autofabrikanten niet tot gewenste resultaten hebben geleid, heeft de Europese Commissie in december 2007 een voorstel gedaan voor verplichte reductiedoelstellingen. Dat voorstel is in 2009 aangenomen en bevatte een verplichte norm van gemiddeld 130 g CO2/km in 2015. Daarnaast is in november 2013 overeenstemming bereikt dat een verplichte norm van gemiddeld 95 g CO2/km in 2021 zal gelden.

Alleen voor 2015 en 2021 zijn er EU-normen (voor fabrikanten). De CO2-uitstoot van nieuwe voertuigen in Nederland wordt jaarlijks gemonitord.

Met name fiscaal beleid, waaronder de korting op de bijtelling voor het privé gebruik van zakelijke auto’s, heeft ervoor gezorgd dat de gemiddelde CO2-uitstoot van nieuw verkochte voertuigen in Nederland veel sterker is gedaald, dan in de rest van Europa. Daarmee onderstreept Nederland het belang van de reductie van broeikasgassen in het verkeer.

De gegevens over 2016 zijn nog niet beschikbaar en worden derhalve opgenomen in de Ontwerpbegroting 2018.

Beleidsconclusies

Uit de voortgangsrapportage 2016 van het Energieakkoord voor duurzame groei blijkt dat de doelen voor het SER Energieakkoord binnen bereik zijn (Kamerstukken II 2016–2017 30 196, nr. 503). Het feit dat alle partijen opnieuw afspraken met elkaar hebben kunnen maken over een pakket intensiveringen, toont aan dat de aanpak van het Energieakkoord goed werkt. Dit blijkt ook uit de evaluatie van het Energieakkoord (Kamerstukken II 2016–2017 30 196, nr. 479). Daarnaast laat de Nationale Energieverkenning (NEV) 2016 zien dat Nederland naar verwachting ruimschoots voldoet aan zijn Europese doel voor reductie van uitstoot van broeikasgassen in 2020. De jaarlijkse niet-ETS emissie daalt bij zowel vastgesteld als voorgenomen beleid van 102 megaton CO2-equivalenten in 2015 naar 95 [92–99] megaton in 2020. De cumulatieve uitstoot komt op ongeveer 800 megaton CO2-equivalenten (Kamerstukken II 2016–2017 30 196, nr. 479). Het kabinet heeft in juni 2015 (Kamerstukken II 2015–2016 31 793, nr. 116) aangekondigd dat eventuele overschotten aan emissierechten geannuleerd zullen worden en dus niet meegenomen zullen worden naar de periode na 2020. In de brief over de voortgangsrapportage 2016 (Kamerstukken II 2016–2017 30196, nr. 503) wordt ook aangegeven dat Nederland in 2020 ten opzichte van 1990 25% of meer broeikasgasreductie zal bereiken. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan het Urgenda-vonnis.

Op 4 november 2016 trad het Parijs Akkoord in werking. Meer dan 100 partijen hebben het Parijs Akkoord inmiddels geratificeerd. Ook in Nederland is het ratificatieproces in volle gang. In Marrakesh is in november 2016 bij COP22 een aanvang gemaakt met de uitwerking en uitvoering van het Parijs Akkoord. Voor Nederland zijn de Europese afspraken leidend en heeft het uitvoeren van de bestaande 2030-afspraken prioriteit. Deze afspraken vormen de basis voor de klimaatbijdrage van de EU aan het Parijs Akkoord. De Europese Unie heeft zich gecommitteerd aan een broeikasgasreductie van ten minste 40% in 2030 ten opzichte van 1990.

De in het klimaatakkoord aangescherpte mondiale ambitie onderstreept het belang om binnen de EU de reeds in gang gezette trajecten voortvarend te behandelen, waaronder:

  • 1.  De aanpassing van het emissiehandelssysteem (EU-ETS) voor de periode 2021–2030. Het kabinet heeft zich gedurende 2016 hard gemaakt voor verdere versterking van het EU-ETS, aangezien dit een belangrijk en onmisbaar onderdeel vormt van het klimaatbeleid. Het ETS moet een effectieve prijsprikkel geven, waardoor nu de investeringen worden gedaan in schone technieken, die nodig zijn om op de lange termijn kosteneffectief CO2 te blijven reduceren. De onderhandelingen over herziening van de ETS-richtlijn hebben in het eerste halfjaar van 2016 onder Nederlands voorzitterschap plaatsgevonden en worden naar verwachting in 2017 afgerond. Belangrijke elementen in de herziening van de richtlijn zijn het verhogen van de jaarlijkse emissiereductie, de wijze van bescherming van de internationaal concurrerende industrie en de vereenvoudiging van de ETS-regelgeving.
  • 2.  De Europese Commissie heeft in juli 2016 het voorstel voor de Effort Sharing Regulation uitgebracht, waarmee de niet-ETS opgave verdeeld wordt over de lidstaten. De Commissie stelt een bindend nationaal reductiedoel voor dat per lidstaat verschilt en dat wordt vertaald in een cumulatief emissiebudget voor de periode 2021–2030. Het voorstel voor het Nederlandse reductiedoel van 36% ten opzichte van 2005 is vergelijkbaar met de inspanningen van omringende landen. Lidstaten mogen zelf bepalen met welke maatregelen het gestelde doel zal worden behaald. Het jaarlijks dalend emissiebudget gaat daarbij uit van de meest recente emissies die bekend zijn; het gemiddelde over 2016–2018. Het voorstel bevat verder op meerdere punten flexibiliteit, die lidstaten kan helpen aan de verplichtingen te voldoen. Zo wordt in het voorstel bijvoorbeeld de mogelijkheid gecreëerd om ETS-rechten of rechten van de landgebruik- en bosbouwsectoren (LULUCF) in te zetten om opgave in de niet-ETS sectoren te verkleinen.
  • 3.  Gelijktijdig heeft de Commissie een voorstel uitgebracht over de wijze waarop emissies en opname van broeikasgassen in de LULUCF worden opgenomen in het EU 2030 klimaat- en energieraamwerk.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (bedragen x € 1.000)

19

Klimaat

       

Realisatie

Begroting

Verschil

 
   

2012

2013

2014

2015

2016

2016

2016

 

Verplichtingen

 

27.629

63.217

32.414

71.954

54.747

17.207

1)

Uitgaven

 

95.080

65.813

81.400

72.006

57.761

14.245

 

19.01

Tegengaan klimaatverandering

 

11.749

16.934

21.582

15.190

14.026

1.164

 

19.01.01

Opdrachten

 

876

3.243

3.327

2.681

2.352

329

 

19.01.02

Subsidies

 

1.667

1.696

4.697

992

102

890

2)

19.01.03

Bijdrage aan agentschappen

 

9.206

11.995

13.558

11.517

11.572

– 55

 
 

– waarvan bijdrage aan KNMI

 

411

906

716

809

220

589

 
 

– Waarvan bijdrage aan RWS

 

5.187

4.146

5.522

2.691

4.178

– 1.487

 
 

– Waarvan bijdrage aan Nea

 

3.608

6.943

7.320

8.017

7.174

843

 

19.02

Internationaal beleid, coördinatie en samenwerking

 

83.331

48.879

59.818

56.815

43.735

13.080

 

19.02.01

Opdrachten

 

76.931

4.715

8.868

3.314

6.649

– 3.335

3)

 

– Uitvoering CDM

 

29.905

2.863

5.114

68

0

68

 
 

– Overige opdrachten

 

29.613

0

0

0

0

0

 
 

– RVO

 

8.096

34

0

0

0

0

 
 

– Interreg

 

8.097

344

1.671

108

1.805

– 1.697

 
 

– Overige opdrachten

 

1.220

1.474

2.083

3.206

4.844

– 1.638

 

19.02.02

Subsidies

 

0

0

913

1.437

500

937

 
 

– Interreg

 

0

0

913

638

500

138

 
 

– Overige subsidies

 

0

0

0

800

0

800

 

19.02.03

Bijdrage aan agentschappen

 

3.258

40.311

46.222

43.024

34.212

8.812

4)

 

– waarvan bijdrage aan RIVM

 

3.258

29.647

35.181

33.194

29.802

3.392

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

 

0

449

319

338

354

– 16

 
 

– waarvan bijdrage aan AgNL

 

0

10.215

0

0

0

0

 
 

– waarvan bijdrage aan RVO

 

0

0

10.722

9.492

4.056

5.436

 

19.02.05

Bijdrage aan internationale organisaties

 

3.142

3.853

3.815

9.040

2.374

6.666

5)

 

Ontvangsten

 

134.567

134.089

188.286

145.474

189.000

– 43.526

6)

Toelichting op de financiële instrumenten

Verplichtingen (ad 1)

De hogere verplichtingen hebben met name te maken met de overboeking van middelen naar artikel 19 Klimaat voor de gecoördineerde opdrachtverlening RVO en RIVM (€ 7,9 miljoen) en de programma’s Partnership for Market Readiness en Carbon Pricing Leadership Coalition (€ 5,9 miljoen). Dit is bij 1e suppletoire begroting 2016 verantwoord.

19.01 Klimaat

19.01.01 Opdrachten

In 2016 zijn opdrachten verstrekt en betalingen gedaan in het kader van de beleidsterreinen:

  • •  Klimaat (onder andere de uitwerking van de Lokale Klimaatagenda, alsmede de Roadmap/Klimaatagenda 2050 en de uitwerking van de Klimaattop in Parijs);
  • •  SER-Energieakkoord;
  • •  Duurzame mobiliteit (onder andere in verband met de duurzame brandstoffenvisie).

19.01.02 Subsidies (ad 2)

In 2016 zijn er een drietal incidentele subsidies verstrekt. Het betreffen subsidies in het kader van de uitvoering van het SER-Energieakkoord, de Nederlandse Klimaatcoalitie en de nieuwe Omgevingswet.

19.01.03 Bijdrage aan agentschappen

Koninklijk Meteorologisch Instituut (KNMI)

Aan het KNMI zijn middelen ter beschikking gesteld voor diverse werkzaamheden in het kader van klimaatonderzoek en het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC).

Rijkswaterstaat (RWS)

Aan RWS Leefomgeving zijn voor 2016 middelen ter beschikking gesteld voor de uitvoering van de klimaat- en energiegerelateerde onderdelen van Infomil (centraal punt voor bundeling en verspreiding van milieu wet- en regelgeving), alsmede voor programma’s in het kader van onder andere lokale klimaatinitiatieven, overige broeikasgassen, rijden op waterstof en monitoring duurzame mobiliteit.

Nederlandse Emissieautoriteit (NEA)

Aan de NEa zijn via de jaarlijkse opdrachtverlening middelen ter beschikking gesteld voor de uitvoering van alle (grotendeels wettelijk vereiste) werkzaamheden in het kader van emissiehandel, alsmede het register voor biobrandstoffen.

19.02 Internationaal beleid, coördinatie en samenwerking

19.02.01 Opdrachten (ad 3)

Interreg

Interreg is een Europese subsidieregeling waarin partijen uit meerdere landen samenwerken op het terrein van innovatie, duurzaamheid, bereikbaarheid en regionale gebiedsontwikkeling. De deelname van Nederlandse organisaties aan de transnationale en interregionale programma’s van Interreg wordt bevorderd. Met de beschikbare middelen wordt de Nederlandse bijdrage voor de kosten van de internationale uitvoering en de uitvoering in Nederland (waaronder begrepen de stimulering van de deelname door Nederlandse partners) gefinancierd. Deze subsidiëring gebeurt via de PSR-regeling (projectstimulering) en via de CETSI-regeling (cofinanciering). Beide worden hieronder bij 19.02.02 vermeld.

Het verschil tussen de begroting en de realisatie wordt met name verklaard door de bij 1e suppletoire begroting 2016 toegelichte overheveling van € 1,3 miljoen van het opdrachtenbudget naar het subsidiebudget op artikel 19.02 en door de storting van Interreg middelen in het Provinciefonds, Gemeentefonds en het BTW-compensatiefonds (€ 0,6 miljoen).

Overige opdrachten

In 2016 zijn opdrachten verleend in het kader van internationale diplomatie waaronder het uitvoeren van bedrijfslevenmissies en voor het ondersteunen en faciliteren van de delegaties bij internationale bijeenkomsten. Tevens is in 2016 de opdracht voor de bouw van het Gallileo Reference Centre (GRC) in Noordwijk verstrekt.

Het verschil tussen begroting en realisatie wordt met name verklaard door de bij 2e suppletoire begroting 2016 toegelichte overheveling van € 0,8 miljoen van het opdrachtenbudget naar het financieel instrument subsidies op artikel 19.02. Daarnaast wordt het verklaard door de (als gevolg van de latere start van de bouw) circa € 0,3 miljoen lager uitgevallen betalingen 2016 voor het GRC en tenslotte zijn ook de begrote uitgaven voor het EU-voorzitterschap en de kosten van enkele andere opdrachten lager uitgevallen.

19.02.02 Subsidies

Interreg

Op 18 november 2015 is in de Staatscourant het subsidieplafond 2016 voor de Projectstimuleringregeling Interreg V (PSR-regeling) gepubliceerd (Stcrt. 2015, nr. 43029). In 2016 is in totaal € 1,2 miljoen betaald voor de PSR-regeling, waarvan € 0,6 miljoen ten laste van dit instrument en € 0,6 miljoen via een decentralisatie-uitkering (overboeking naar het Gemeentefonds, Provinciefonds en BTW-compensatiefonds). In de Staatscourant van 24 september 2015 is het subsidieplafond 2015/2016 gepubliceerd voor de Cofinancieringsregeling Interreg V (CETSI-regeling, Stcrt. 2015, nr. 30863). Op deze regeling hebben in 2016 geen betalingen plaatsgevonden.

Overige subsidies

In 2016 is een subsidie aan Duurzaam Doen van € 0,8 miljoen verstrekt. Duurzaam Doen is een gezamenlijk initiatief van het Ministerie van IenM, Milieu Centraal en Stichting Natuur & Milieu en heeft als doel duurzame keuzes voor de consument eenvoudiger te maken.

19.02.03 Bijdrage aan agentschappen (ad 4)

RIVM

IenM heeft een deel van de beleidsuitvoering uitbesteed aan externe uitvoeringsorganisaties, zoals het RIVM (uitvoering van wettelijke taken en beleidsonderbouwend onderzoek). IenM heeft ervoor gekozen om de gecoördineerde opdrachtverlening voor de capaciteitsinzet van RIVM via het artikelonderdeel 19.02.03 te laten plaatsvinden. Daartoe zijn bij suppletoire begrotingen vanuit de beleidsartikelen middelen naar dit onderdeel overgeheveld. Dit verklaart het verschil tussen de begroting en de realisatie.

RWS

RWS voert in opdracht van IenM werkzaamheden uit die verband houden met de uitvoering van de Wet bescherming Antarctica. Daarnaast zijn aan RWS voor een aantal overige activiteiten, waaronder Horizon 2020, EU handboek en voor de uitvoering van InfoMil (centraal punt voor bundeling en verspreiding van milieuwet- en regelgeving) middelen toegekend.

RVO

IenM heeft een deel van de beleidsuitvoering uitbesteed aan externe uitvoeringsorganisaties, zoals RVO Nederland (uitvoering van subsidieregelingen en beleidsonderbouwend onderzoek). IenM heeft ervoor gekozen om de gecoördineerde opdrachtverlening voor de capaciteitsinzet RVO via het artikelonderdeel 19.02.03 te laten plaatsvinden. Daartoe zijn bij suppletoire begrotingen vanuit de beleidsartikelen middelen naar dit onderdeel overgeheveld. Dit verklaart het verschil tussen de begroting en de realisatie.

19.02.05 Bijdrage aan internationale organisaties (ad 5)

Op grond van internationale verdragen, internationale afspraken, contributieverplichtingen en aanvragen, zijn aan internationale organisaties in 2016 de volgende bijdragen van € 0,1 miljoen of meer betaald.

Organisatie

Onderwerp

Bedrag x € 1.000

International Bank for Reconstruction and Development (IRBD – Wereldbank)

Bijdrage ten behoeve van de activiteiten op het gebied van carbon pricing en meer in het bijzonder van de Carbon Pricing Leadership Coalition (CPLC). Carbon pricing is een van de speerpunten voor het internationale klimaatbeleid en de Wereldbank is daarin een onmisbare schakel. Door de deelname van de bewindspersoon van IenM aan de High Level Assembly kan jaarlijks politiek mede richting worden geven aan de CPLC en het werkprogramma.

NB: deze bijdrage werd reeds toegezegd tijdens COP 21 van december 2015 in Parijs en is geformaliseerd in 2016.

2.000

International Bank for Reconstruction and Development (IRBD – Wereldbank)

Bijdrage ten behoeve van vervolgactiviteiten door de Wereldbank op het gebied van carbon pricing. Het betreft het in landen en sectoren starten met concrete initiatieven die bijdragen aan het introduceren, verbreden/verdiepen en aan elkaar verbinden van systemen van carbon pricing. Bij de toekenning van de bijdrage is bewust gekozen voor een prioriteitstelling en focus op Azië en Latijns-Amerika en op een dialoog met de financiële sector. Al deze activiteiten dragen concreet bij aan de implementatie van systemen voor carbon pricing.

1.900

Global Environment Facility (GEF); via Wereldbank

Bijdrage aan het Capacity-Building Initiative for Transparency Fund (CBIT). Uit dit fonds worden activiteiten gefinancierd die als doel hebben om te zorgen dat in ontwikkelingslanden voldoende kennis en capaciteit beschikbaar is voor het registreren en rapporteren van hun emissies. Dat is van groot belang, zodat duidelijk is wat er in de verschillende landen daadwerkelijk gebeurt. Transparantie en verantwoording vormen immers de ruggengraat van alle systemen van carbon pricing en deze zaken moeten op orde zijn om de kans op fraude en «windhandel» zo klein mogelijk te houden.

1.000

International Civil Aviation Organization (ICAO)

Bijdrage aan het Voluntary Environment Fund van de ICAO (de burgerluchtvaartorganisatie), ten behoeve van de invoering van het Carbon Offsetting and Reduction Scheme for International Aviation (CORSIA). Een snelle opzet van dit systeem is van groot belang in verband met de in ICAO-verband gemaakte afspraken dat de emissies van de luchtvaart onder een systeem van carbon pricing gaan vallen.

509

Bogor Agricultural University (Indonesië)

Bijdrage aan het project van het Center for Climate Risk and Opportunity Management (CCROM) van de universiteit van Bogor, betreffende de opzet van een systeem van emissieregistratie in Indonesië. De totale bijdrage bedraagt € 0,5 miljoen, waarmee de eerste twee jaren van dit vierjarige project kunnen worden gefinancierd. De betaling van € 0,224 miljoen in 2016 betreft het eerste jaar.

224

UNEP

Het aandeel van IenM in de Nederlandse bijdrage aan het United Nations Environment Programme (UNEP).

615

Dutch Cycling Embassy

Bijdrage voor het promoten van Nederlandse fietscultuur in het buitenland. Het betreft kennis, innovatie, mobiliteit, infrastructuur, exportbevordering en «Holland Branding» en past in de modernisering van het milieubeleid (smart / healthy cities).

190

International Transport Forum (ITF)

Van deze mondiale organisatie op vervoersgebied (een dochterorganisatie van de OESO, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling), zijn 54 landen lid: alle Europese landen en bijvoorbeeld ook de VS, China en Rusland. Het ITF is hét internationale publiek/private platform dat ontwikkelingen op vervoersgebied bespreekt, zoals de globalisering en de verduurzaming.

176

World Resources Institute (WRI)

Bijdrage aan de operationalisering van het online instrument Aqueduct. Bij het plannen van besluiten over klimaatadaptatie is inzicht nodig in bestaande en toekomstige risico's en in de effecten van maatregelen voor het verlagen van risico's. Met dat doel wordt het instrument Aqueduct ontwikkeld door een consortium van WRI, Deltares, VU-Amsterdam en PBL, gericht op Flood Risk and Intervention Assessment for Global Cities.

150

UNEP

Bijdrage aan het International Resource Panel, de pendant van het klimaatpanel IPCC. Het bestaat uit vooraanstaande wetenschappers en verschaft onafhankelijke informatie over het gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Net als bij klimaat is het op dat gebied van belang te beschikken over onafhankelijke beleidsrelevante gegevens. De bijdrage verzekert invloed door middel van het lidmaatschap van de stuurgroep.

100

China Council

Nederland, in de persoon van de secretaris-generaal van IenM, neemt (op uitnodiging van China) deel aan deze adviesraad op hoog niveau op het gebied van duurzame ontwikkeling. De contributies worden gebruikt voor het laten doen van studies. Nederland heeft veel ervaring en kennis op het voor China relevante thema steden en wil dit thema de komende jaren beter onder de aandacht brengen.

100

UNEP

Bijdrage aan de Climate and Clean Air Coalition. Dit in 2012 opgerichte vrijwillige partnerschap van landen, wetenschappelijke instellingen, internationale organisaties en NGO’s wil via gerichte initiatieven en projecten een lagere uitstoot van short lived climate pollutants bewerkstelligen: kortlevende stoffen als roet en ozon die zorgen voor klimaatopwarming en een slechtere luchtkwaliteit. Nederland is eind 2012 toegetreden.

100

UNEP

Bijdrage aan het Climate Initiatives Platform: een internationale coalitie, gericht op het dichten van het emissiegat («Wedging the Gap»). De bijdrage 2016 voorziet in voortzetting van de ondersteuning hiervan, de verdere ontwikkeling van de initiatievendatabase, het opzetten van nieuwe initiatieven en het produceren van rapportages over de bijdragen van niet-statelijke actoren.

100

UNEP

Bijdrage aan de Division of Technology, Industry and Economics (DTIE) van UNEP, bestemd voor samenwerkingsprojecten op het gebied van afvalbeheer. Prioriteit daarbij is het thema afval op «smal island developing states» (SIDS), met een deelproject waarbij Aruba, Curacao en Sint Maarten met de BES-eilanden overleggen over gezamenlijke aanpak (publiek/privaat) van de afvalproblematiek op de eilanden.

100

UNFCCC

Bijdrage aan het Trust fund for supplementary activities. Het fonds is bestemd voor aanvullende activiteiten, waartoe landen in gezamenlijkheid hebben besloten tijdens klimaatconferenties.

100

     

Diverse organisaties

Bijdragen van minder dan € 0,1 miljoen.

1.676

Totaal

 

9.040

Bij 1e suppletoire begroting 2016 is het opdrachtenbudget met € 5,9 miljoen opgehoogd. Het betrof resterende Clean Development Mechanism (CDM)-middelen die door de CDM-uitvoeringsorganisaties naar de IenM-begroting zijn teruggestort. Binnen de klimaatbeleidsdoelstellingen zijn deze middelen herbestemd voor activiteiten op het gebied van Carbon Pricing. Deze activiteiten zijn echter via het financieel instrument Bijdragen aan (inter)nationale organisaties gerealiseerd. Vandaar dat bij 2e suppletoire begroting 2016 het bedrag naar dat instrument is overgeheveld. Vanuit deze middelen zijn de eerste vijf bijdragen in bovenstaande tabel gefinancierd.

Ontvangsten (ad 6)

Dit betreft de ontvangsten in het kader van de Emission Trade System (ETS) veilingopbrengsten. Uiteindelijk is de veilingopbrengst in 2016 op € 145,5 miljoen uitgekomen, hetgeen € 43,5 miljoen minder is dan de oorspronkelijke raming. De lagere ETS-ontvangsten komen doordat de veilingopbrengst per emissierecht lager zijn dan vooraf was ingeschat.

Noot 17: United Nations Framework Convention on Climate Change.