Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Artikel 20 Lucht en geluid

Algemene doelstelling

Bevorderen van een solide en gezonde leefomgeving door de luchtkwaliteit te verbeteren en door geluidhinder te voorkomen of te beperken.

Rol en verantwoordelijkheden

Regisseren

Om qua luchtkwaliteit een solide en gezonde leefomgeving te bereiken, regisseert de Minister van IenM de inhoudelijke lijn voor de nationale inbreng in de ontwikkeling van het Europese luchtkwaliteits- en geluidbeleid. Meer specifiek is de Minister van IenM verantwoordelijk voor:

  • •  De coördinatie van de Nederlandse inzet in internationaal kader bij de vaststelling van grenswaarden en plafonds voor emissies van luchtverontreinigende stoffen, de vertaling daarvan naar Nederlandse wet- en regelgeving en de verdeling van doelstellingen over sectoren en milieuthema’s. De doelen, grenswaarden en normen hebben betrekking op verbetering van de luchtkwaliteit, op bronbeleid voor geluid- en industriële emissies en op bronbeleid om schadelijke luchtemissies door de verkeersector (auto’s, lucht- en scheepvaart) tegen te gaan.
  • •  De ondersteuning van gemeenten en provincies bij het opstellen van algemene regels en bij de vergunningverlening ter vermindering van luchtemissies bij de industrie en bij een juiste toepassing van de geluidregelgeving.
  • •  De reductie van administratieve lasten voor het bedrijfsleven door vereenvoudiging van de monitoring- en rapportagestructuur voor emissies.
  • •  Met de implementatie van de vernieuwde geluidregelgeving (wet SWUNG18) wordt een optimale gezondheidsbescherming van burgers en flexibiliteit voor de beheerders van rijkswegen en hoofdspoorwegen beoogd. SWUNG-2 zal de aanpak van geluidhinder op gemeentelijk en provinciaal niveau beter uitvoerbaar maken. Aan lagere overheden worden subsidiemiddelen ter beschikking gesteld om aan de voorschriften van deze regelgeving te kunnen voldoen en geluidsgevoelige locaties langs infrastructuur aan te pakken.

Stimuleren

Om de milieudoelen op het gebied van luchtkwaliteit en geluid te behalen, is het belangrijk deze op een proactieve wijze met maatschappelijke partners te delen. Daarom stimuleert de Minister van IenM:

  • •  Het aangaan en organiseren van allianties met en tussen bedrijven, branches, overheden en kennisorganisaties om de doelen uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) en SWUNG (geluid) tot een succesvolle uitvoering te brengen.
  • •  Schonere, zuiniger en stillere voertuigen. Dit gebeurt door samen met de verkeerssector een strategie te ontwikkelen, een internationale normering van voertuigen tot stand te brengen, een stabiel beleid gericht op de klimaatdoelen van 2050 te voeren, de voorlopers in de sector te subsidiëren en voor ontwikkeling van diverse alternatieve voertuigen en brandstoffen een kansrijke omgeving te creëren.
  • •  Medeoverheden tot uitvoering van maatregelpakketten in het NSL om daarmee de Europese normen voor luchtkwaliteit (voor fijnstof in 2011 en voor NO2 in 2015) te halen. Dit is belangrijk voor de gezondheid van burgers en hiermee schept de Minister tevens ruimte voor nieuwe infrastructuur, woningbouw en bedrijvigheid.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Kengetallen en indicatoren

Algemeen

Jaarlijks ontvangt de Tweede Kamer een monitoringsrapportage over de voortgang van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De monitoring dient om de voortgang van de uitvoering van het NSL te volgen en biedt een basis om het programma waar nodig bij te sturen. De monitoring betreft de ontwikkeling van de luchtkwaliteit en de uitvoering van projecten en maatregelen. Op 9 november 2016 is de zevende rapportage aan de Kamer verzonden (Kamerstukken II 2016–2017 30 175, nr. 247)

Kengetal: Tegengaan geluidhinder (kengetallen sanering verkeerslawaai, aantal woningen)
 

t.g.v. Rijksinfrastructuur

t.g.v. andere infrastructuur

Totaal

Aantal woningen

Rijkswegen inclusief betreffende A-lijst woningen

Spoorwegen

A-lijst

Overig

 

Totaal

109.800

70.650

77.355

335.800

593.605

Uitgevoerd 1980–1990 (schatting)

40.000

7.450

40.000

87.450

Uitgevoerd 1990–2011

58.302

16.238

48.650

36.721

159.911

Uitgevoerd 2012

549

3.031

1.125

4.705

Uitgevoerd 2013

831

3.000

2.784

6.615

Uitgevoerd 2014

56

704

3.000

397

4.157

Uitgevoerd 2015

22

2.311

2.000

434

4.767

Uitgevoerd 2016

 

740

1.600

1.832

4.172

Planning 2016

1.400

1.600

1.940

4.940

Planning 2017

600

200

1.675

2.475

Gepland restant per eind 2017

11.420

40.567

15.874

250.724

318.585

Aangepast restant per eind 2017

11.420

41.227

15.874

250.832

319.353

Bron: Bureau Sanering Verkeerslawaai (BSV), 20 december 2016

Toelichting:

De hier gepresenteerde realisatiecijfers voor Rijksinfrastructuur hebben betrekking op de sanering die door Bureau Sanering Verkeerslawaai (BSV) onder de Wet geluidhinder wordt afgehandeld. Deze sanering kent een ander normenkader dan de sanering zoals die nu door RWS en ProRail wordt uitgevoerd onder de (meer recente) Wet milieubeheer. Hierdoor wijken de hier gepresenteerde aantallen af van de aantallen bij beleidsartikel 14, die zijn gebaseerd op sanering onder de Wet milieubeheer.

De gerealiseerde en geplande uitvoering van de A-lijst betreft een aanname op basis van de beschikbare budgetten en gemiddelde kosten per woning. Voortgangsgegevens zijn niet centraal beschikbaar. Het verschil tussen «Planning 2016» en «Uitgevoerd 2016» wordt veroorzaakt doordat de projecten Eindhoven en Haren (sanering spoorwegen) niet zoals gepland in 2016, maar pas in 2017 gereed zullen komen.

Kengetal: Emissies luchtverontreinigende stoffen 1990, 2000, 2005, 2010 en 2014, doelstellingen en prognoses 2020 en 2030 in kton/jr.1Elk jaar wordt een nieuwe analyse uitgevoerd en door nieuwe kennis kan dat betekenen dat ook eerdere cijfers soms nog enigszins worden aangepast. Zie ook toelichting.
 

1990

2000

2005

2010

2010

2014

2020

20202

2030

2030

         

NEC- richt lijn

Reali satie

Raming

Vastgesteld 8 december 2016

Raming

Vastgesteld 8 december 2016

SO2

193

73

64

34

50

29

30

46

30

30

NOx

603

419

367

300

260

235

172

202

125

143

NH3

372

182

160

140

128

134

127

139

118

126

NM VOS3

489

243

180

165

185

143

146

166

149

153

PM2,5

50

28

21

16

 

13

10,4

13

9,6

12

Noot 2: Plafonds voor 2020 en 2030 zijn afgeleid van het akkoord dat op 30 juni 2016 gesloten is en op 8 december 2016 door de Europese Raad is aangenomen, waarin reductiepercentages zijn opgenomen ten opzichte van basisjaar 2005. De voorstellen voor 2020 zijn gelijk aan de waarden in het herziene Gotenburgprotocol, dat binnenkort zal worden geratificeerd.

Noot 3: NMVOS: Vluchtige organische stoffen, exclusief methaan.

Bronnen: de informatie over de gerealiseerde emissies is afkomstig uit «Informative Inventory Report 2016» (RIVM Rapport 2015_0210). De geraamde emissies komen uit de «Nationale Energieverkenning 2015» (ECN, PBL, CBS, RVO.nl, Petten, 2015). De ramingen gaan uit van uitvoering van vastgesteld en voorgenomen beleid.

Toelichting:

In mei 2012 zijn in Genève de nieuwe doelstellingen voor luchtverontreinigende stoffen vastgesteld. Het betreft aanpassing van het zogenaamde Gothenburg Protocol. Enigszins complicerend is dat er, in tegenstelling tot het bestaande protocol alsook de National Emission Ceiling (NEC) richtlijn, geen emissieplafonds zijn opgenomen, maar reductiepercentages. Het referentiejaar voor die reducties is 2005 en de doelstellingen betreffen reductiepercentages die in 2020 dienen te zijn gerealiseerd. In bovenstaande tabel zijn de reductiepercentages omgerekend naar vrachten. Naast voorgaande verandering geldt dat aan de bestaande stoffenlijst (NOx, SO2, NH3 en VOS) ook fijnstof PM2,5 is toegevoegd. Elk jaar wordt een nieuwe analyse uitgevoerd en door nieuwe kennis kan dat betekenen dat ook eerdere cijfers soms nog enigszins worden aangepast.

In de laatste kolom zijn de plafonds opgenomen die afgeleid kunnen worden uit het akkoord dat Raad en Europees Parlement op 30 juni 2016 bereikt hebben. In dit akkoord zijn ook de voorgestelde reductiepercentages uit het herziene Gothenburg Protocol opgenomen. Op 8 december 2016 is het voorstel door de Raad bekrachtigd.

Kengetal: Emissies luchtverontreinigende stoffen en broeikasgas door verkeer en vervoer1Betreft mobiele bronnen totaal, dus transportmiddelen en mobiele werktuigen, exclusief zeevaart. in kton/jr.
 

1990

2000

2005

2010

2012

2013

2014

2020

2030

 

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Raming

Raming

NOx

367

270

233

192

174

166

149

100

62

SO2

21

10

6

1

0,5

0,2

0,2

0,4

0,5

PM2,5

24

15

12

8

7

6

5

3

2

NH3

0,9

4,3

5,3

4,8

4,4

4,2

3,8

3,8

4,2

NMVOS2

202

81

52

41

36

34

31

32

29

Noot 2: NMVOS: Vluchtige organische stoffen, exclusief methaan.

Bronnen: Emission of trans boundary pollutants in the Netherlands 1990–2014 Informative Inventory Report 2016 (chapter 4, Transport page 45–84). De geraamde emissies NMVOS komen uit het «Erratum bij de Nationale energieverkenning 2015 voor de paragraaf 3.5 »Emissies van luchtverontreinigende stoffen», maart 2016 (Bijlage A). De ramingen gaan uit van uitvoering van vastgesteld en voorgenomen beleid. De geraamde emissies NOx, SO2, PM2,5 en NH3 komen uit de Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland, Rapportage 2016, Bijlage 1 Tabellen B1.1 tot en met B1.6. De ramingen gaan uit van uitvoering van vastgesteld en voorgenomen beleid (Beleid bovenraming = GCN = GDN).

Toelichting:

De getallen worden jaarlijks aan de hand van nieuwe inzichten voor emissieregistratie door het Planbureau voor de Leefomgeving in samenwerking met het RIVM, TNO e.d. bepaald, waarna doorrekening plaatsvindt voor de hele reeks. Dit laatste betekent dat daarmee ook realisaties uit voorgaande jaren eventueel worden bijgesteld.

Beleidsconclusies

Het op dit artikel uitgevoerde beleid en de bijbehorende resultaten waren het afgelopen jaar conform de verwachtingen zoals gemeld in de begroting. Er zijn geen grote afwijkingen of een noodzaak tot bijstelling aan het licht gekomen.

Jaarlijkse monitoring van de luchtkwaliteit laat zien dat de luchtkwaliteit in Nederland ieder jaar verbetert (Kamerstukken II 2016–2017 30 175, nr. 247). De normen worden bijna overal gehaald. Er resteren alleen nog enkele hardnekkige knelpunten in gebieden met intensieve veehouderij (fijnstof) en langs drukke binnenstedelijke wegen (Stikstofdioxide).

Focusonderwerp: Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)

De Kamercommissie heefteen specifiek focusonderwerp benoemd. Dit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).19 Het NSL valt onder beleidsartikel 20 Lucht en Geluid en beleidsartikel 14 Wegen en verkeersveiligheid.

1. Doelen en wettelijk kader20

Om een voldoende kwaliteit van de buitenlucht in de leefomgeving te waarborgen zijn er:

  • –  regels om de uitstoot bij de bron te beperken: verontreinigende stoffen door de industriële en agrarische bedrijven en het gemotoriseerde verkeer en
  • –  luchtkwaliteitsnormen (grenswaarden) voor een aanvaardbare luchtkwaliteit op leefniveau.

Luchtkwaliteitregels hebben gevolgen voor het uitvoeren van (ruimtelijke) projecten. Uitgangspunt is dat een project niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit.

De belangrijkste nationale regelgeving is de Wet milieubeheer (titel 5.2: luchtkwaliteitseisen). De kern bestaat uit luchtkwaliteitsnormen, gebaseerd op EU Luchtkwaliteitsrichtlijn. Verder bevat titel 5.2 van de Wet milieubeheer verplichtingen uit de Europese luchtkwaliteitregelgeving, namelijk: het beoordelen van luchtkwaliteit, jaarlijkse rapportage en de maatregelenplicht.

Het NSL is in 2009 vastgesteld om te zorgen dat wordt voldaan aan de luchtkwaliteitsnormen en bevat daartoe een pakket aan maatregelen. Het NSL heeft twee doelen:

  • •  het verbeteren van de luchtkwaliteit ten behoeve van de volksgezondheid;
  • •  het bieden van ruimte voor en bijdragen aan de onderbouwing van ruimtelijke projecten.
Beide doelen kunnen worden verwezenlijkt door ervoor te zorgen dat overal in Nederland aan de Europese normen voor luchtkwaliteit wordt voldaan.21

Het NSL vormde de basis voor het verzoek om uitstel aan de Europese Commissie, het zogenaamde derogatieverzoek. Op 7 april 2009 gaf de Europese Commissie het gevraagde uitstel, waardoor Nederland vanaf juni 2011 dient te voldoen aan de EU norm voor fijn stof en vanaf 2015 aan de norm voor stikstofdioxide.

2. Organisatie22

Binnen het NSL werken het rijk, acht provincies en een groot aantal gemeenten samen aan het verbeteren van de luchtkwaliteit. Het NSL bevat landelijke, regionale en lokale maatregelen om te voldoen aan de normen. Daarbij is rekening gehouden met gewenste en geplande ruimtelijke ontwikkelingen. Het NSL zet tegenover voorgenomen grote projecten die de luchtkwaliteit verslechteren maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Het pakket van maatregelen is zo opgesteld dat het de negatieve effecten van de ruimtelijke projecten ruimschoots compenseert.

Om het NSL actueel te houden, vindt jaarlijks de NSL-monitoring plaats. De monitoring is de gezamenlijke verantwoordelijkheid van gemeenten, provincies en het rijk. IenM is opdrachtgever en eindverantwoordelijke. Monitoring bewaakt de doelen van het NSL: op tijd de luchtkwaliteitsnormen halen. Daarmee blijft het NSL een rechtsgeldige en goede onderbouwing voor luchtkwaliteit van (bouw-)projecten.

3. Stand van zaken 2016

Zie hiervoor ook het Beleidsverslag en het onderdeel Budgettaire consequenties hierna.

De rijksoverheid heeft oorspronkelijk € 1,551 miljard begroot voor uitvoering van het NSL23:
  • –  Generieke maatregelen: € 524 miljoen, onder meer het versneld schoner maken van het dieselwegverkeer en stimuleringsmaatregelen in de landbouw en de binnenvaart.
  • –  Locatiespecifieke maatregelen door gemeenten en provincies: € 372 miljoen.
    • •  Voor lokale maatregelen in de sfeer van woningbouw, wegen en bedrijventerreinen is € 340 miljoen beschikbaar gesteld. Voor een deel van deze gelden geldt de cofinancieringeis, dat wil zeggen dat tegenover de verleende NSL-subsidies tenminste een zelfde bedrag aan cofinanciering (uit de eigen middelen van provincie resp. gemeente) is ingezet. In 2017 zal Overijssel als eerste provincie de eindafrekening van de NSL-subsidies indienen bij het rijk. De overige provincies volgen in 2018.
    • •  Hiernaast is binnen het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV) € 32 miljoen gereserveerd voor luchtkwaliteit. Dit budget is per 2011 gedecentraliseerd en de middelen zijn overgeheveld naar het gemeentefonds.
  • –  Maatregelen rondom het hoofdwegennet: € 625 miljoen. Deze uitgaven vallen onder begrotingsartikel 14 Wegen en verkeersveiligheid. Door het stoppen van het programma Anders Betalen voor Mobiliteit in oktober 2010 is het maatregelenpakket aangepast. Verder zijn locatiespecifieke maatregelen steeds herijkt op basis van actuele inzichten.
  • –  Innovatief onderzoeksspoor: € 30 miljoen. In totaal is € 30 miljoen euro uitgetrokken voor innovatief onderzoek naar maatregelen voor luchtkwaliteit rondom snelwegen (innovatieprogramma Luchtkwaliteit (IPL)) en voor onderzoek naar luchtwassystemen en andere maatregelen in de landbouw.
De locaties waar niet wordt voldaan aan de norm voor stikstofdioxide betreffen met name binnenstedelijke ontsluitingswegen. Samen met zeven gemeenten heeft IenM het Actieplan Luchtkwaliteit opgesteld om de hardnekkige binnenstedelijke knelpunten aan te pakken. Specifiek voor de aanpak van de meerdere, hardnekkige over de stad verspreide knelpunten in Amsterdam en Rotterdam is € 16 miljoen ter beschikking gesteld.24

Met Amsterdam en Rotterdam is afgesproken dat de middelen worden ingezet ter ondersteuning van gemeentelijke maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. De verantwoording van de middelen geschiedt via het Gemeentefonds. Daarnaast informeren Rotterdam en Amsterdam het Rijk jaarlijks over de voortgang van de maatregelen. Via de NSL-monitoring wordt de ontwikkeling van de luchtkwaliteit in de steden gevolgd. Amsterdam gebruikt de middelen als co-financiering voor de aanschaf van uitstootvrije OV-bussen die gaan rijden op de routes met luchtkwaliteitsknelpunten. Rotterdam zet de rijksmiddelen in als co-financiering voor het doorzetten van sloopregeling voor personen- en bestelauto’s, het verschonen van het eigen wagenpark en het plaatsen van e-laadpalen.

4. Doorkijk 2017–2019

De Europese normen voor luchtkwaliteit hebben de afgelopen jaren richting gegeven aan het luchtkwaliteitbeleid. Met het NSL wordt toegewerkt naar het halen van de normen. Ondanks deze voortgang doen zich nog steeds gezondheidsrisico’s voor. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) hanteert daarom scherpere advieswaarden om de gezondheidsrisico’s vanwege luchtverontreiniging verder terug te dringen. De Gezondheidsraad zal naar verwachting eind 2017 adviseren over hoe gezondheid meer centraal te stellen in het luchtkwaliteitsbeleid. Dit advies is een relevante bron voor de evaluatie die beoogt aanbevelingen te geven om de doeltreffendheid en doelmatigheid van het luchtkwaliteitsbeleid te verbeteren.25

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (bedragen x € 1.000)

20

Lucht en Geluid

       

Realisatie

Begroting

Verschil

 
   

2012

2013

2014

2015

2016

2016

2016

 

Verplichtingen

 

84.084

36.076

31.227

16.205

25.758

– 9.553

1)

Uitgaven

 

90.946

47.294

31.867

28.869

30.983

– 2.114

 

20.01

Luchtkwaliteit en tegengaan geluidshinder

 

90.946

47.294

31.867

28.869

30.983

– 2.114

 

20.01.01

Opdrachten

 

7.054

6.195

6.431

7.231

4.697

2.534

2)

 

– Verkeersemissies

 

2.923

2.218

3.061

3.163

2.038

1.125

 
 

– Geluid- en luchtsanering

 

4.131

3.977

3.370

4.068

2.659

1.409

3)

20.01.02

Subsidies

 

16.819

11.661

3.544

50

2.000

– 1.950

 
 

– Euro 6 en Euro-VI

 

16.701

11.661

3.544

0

2.000

– 2.000

 
 

– Overige subsidies

 

118

0

0

50

0

50

 

20.01.03

Bijdrage aan agentschappen

 

2.205

1.028

2.477

2.315

2.127

188

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

 

2.205

1.028

2.477

2.315

2.127

188

 

20.01.04

Bijdrage aan medeoverheden

 

63.732

27.517

18.095

18.010

21.285

– 3.275

4)

 

– NSL

 

42.000

0

0

0

0

0

 
 

– Wegverkeerlawaai

 

20.080

27.385

18.074

18.010

21.285

– 3.275

 
 

– Overige bijdrage medeoverheden

 

1.652

132

21

0

0

0

 

20.01.07

Bekostiging

 

1.136

893

1.320

1.263

874

389

 
 

Ontvangsten

 

337

427

0

236

0

236

 

Toelichting op de financiële instrumenten

Verplichtingen (ad 1)

De lagere verplichtingen hebben voornamelijk te maken met het niet publiceren van de subsidie in het kader van de compensatieregeling milieuzonering (€ 3,8 miljoen) en het lager uitvallen van de programmering voor het uitvoeren van de saneringsmaatregelen in het kader van geluidhinder (€ 3,3 miljoen).

20.01 Luchtkwaliteit en tegengaan geluidshinder

Zowel op Hoofdstuk XII als op het Infrastructuurfonds vinden uitgaven plaats voor de aanpak van luchtkwaliteit en geluidshinder. Bij de behandeling van het Jaarverslag 2015 op 30 juni 2016 is de motie Van Veldhoven aangenomen (Kamerstukken II 2015–2016 34 475, nr. 10). De motie verzoekt de uitgaven voor de aanpak van luchtkwaliteit en geluidshinder beter inzichtelijk te maken. Om de Kamer inzicht te verschaffen in de gerealiseerde uitgaven voor de aanpak van luchtkwaliteit en geluidshinder is onderstaande extracomptabele tabel opgenomen.

Extracomptabele tabel uitgaven voor de aanpak van luchtkwaliteit en geluidshinder (bedragen x € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

Hoofdstuk XII

 

90.946

47.294

31.867

28.870

 

Luchtkwaliteit

Artikelonderdeel 20.01

65.276

15.754

10.046

7.250

   

Waarvan NSL

 

42.000

0

0

0

 

Geluidshinder

Artikelonderdeel 20.01

25.670

31.540

21.821

21.620

               

Infrastructuurfonds

 

21.693

19.746

24.387

13.098

 

Luchtkwaliteit

Artikelonderdeel 12.03

4.929

82

334

0

   
Waarvan NSL1
 

4.929

82

334

0

 

Geluidshinder

Artikelonderdeel 12.03

8.011

11.778

20.758

5.503

     

Artikelonderdeel 13.03

8.753

7.886

3.295

7.595

Noot 1: Doordat de verantwoording van de uitgaven van NSL voornamelijk op de begroting Hoofdstuk XII plaatsvindt, zijn de uitgaven op het Infrastructuurfonds in de periode 2013 tot en met 2016 gering.

20.01.01 Opdrachten (ad 2)

In 2016 zijn opdrachten verstrekt en betalingen op lopende opdrachten gedaan in het kader van zowel beleidsonderbouwend onderzoek als uitvoeringswerkzaamheden op onderstaande beleidsterreinen:

  • •  Verkeersemissies (onder andere de steekproefcontrolepropgramma’s door TNO);
  • •  Geluid- en luchtsanering (onder andere de opdracht aan BSV (Bureau Sanering Verkeerslawaai) voor de uitvoering van het subsidieprogramma Sanering Wegverkeerslawaai en opdrachten samenhangend met Slimme en Gezonde Stad).

De hogere uitgaven op het opdrachtenbudget van artikelonderdeel 20.01.01 Luchtkwaliteit en tegengaan geluidshinder worden veroorzaakt door de opdrachten aan TNO mede naar aanleiding van de dieselfraude.

20.01.02 Subsidies (ad 3)

In 2016 is er een incidentele subsidie verstrekt in het kader van het project Slimme en Gezonde Stad. De subsidie in het kader van de compensatieregeling milieuzonering zal definitief niet worden gepubliceerd en leidt tot de onderuitputting van het subsidiebudget van artikelonderdeel 20.01.

20.01.03 Bijdrage aan agentschappen

Rijkswaterstaat, Unit Leefomgeving voert in opdracht van het Ministerie IenM werkzaamheden voor de uitvoering van de onderdelen Luchtkwaliteit/Monitoring NSL en Geluid van Infomil (centraal punt voor bundeling en verspreiding van milieu wet- en regelgeving), alsmede voor het programma Stiller op weg en het Expertisecentrum Milieuzones uit.

De budgetten voor de uitvoering van de bijdragen aan agentschappen waren voor een deel geraamd bij de opdrachtenbudgetten binnen dit artikel.

20.01.04 Bijdrage aan medeoverheden (ad 4)

NSL

In 2016 zijn geen betalingen in het kader van de NSL gedaan omdat de afrekeningen van de derde en vierde tranches van bijdragen aan de betreffende provincies in 2017 en 2018 plaatsvinden. Dit betreft financiële ondersteuning van luchtkwaliteitmaatregelen aan de gemeenten Amsterdam en Rotterdam.

Wegverkeerslawaai

In het kader van de bestrijding van geluidhinder zijn in 2016 bijdragen aan provincies en gemeenten verstrekt voor de kosten van geluidwerende maatregelen tegen wegverkeerslawaai aan woningen. Het gaat hierbij om de uitvoering van Subsidieregeling sanering verkeerslawaai en de Tijdelijke overgangsregeling Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV) geluid.

Het verschil tussen de begroting en de realisatie komt door een vertraging waardoor de bijdragen aan provincies en gemeenten voor het uitvoeren van de saneringsmaatregelen in het kader van geluidhinder lager waren dan oorspronkelijk geraamd. Bij minder woningen zijn de saneringsmaatregelen gereed gekomen dan oorspronkelijk was geraamd. Het verschil tussen het aantal geplande woningen en de gerealiseerde woningen wordt veroorzaakt doordat de projecten Eindhoven en Haren (sanering spoorwegen) niet zoals gepland in 2016, maar pas in 2017 gereed zullen komen.

20.01.07 Bekostiging

In 2016 zijn in het kader van de bekostiging van het jaarlijkse programma van milieu gerelateerd onderzoek, bijdragen verstrekt aan het Energie Onderzoek Centrum Nederland (ECN).

Noot 18: SWUNG: Samen Werken aan de Uitvoering van Nieuw Geluidbeleid

Noot 19: Kamerstukken II 2015–2016 31 865 nr. 80

Noot 20: Uitgebreide informatie over het NSL is te vinden op www.infomil.nl

Noot 21: Paragraaf 1.2 NSL, Kamerstukken II 2008–2009, 3175 nr. 58

Noot 22: Uitgebreide informatie over het NSL is te vinden op www.infomil.nl

Noot 23: Zie hoofdstuk 6 NSL

Noot 24: Kamerstukken II, 2015–2016, 30 175 nr. 223

Noot 25: Kamerstukken II, 2015–2016, 30 175 nr. 242