Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

2. BELEIDSAGENDA

Beleidsprioriteiten over 2016

Inleiding

Het jaar 2016 staat in het teken van de uitvoering van de plannen die in deze kabinetsperiode zijn gestart en van het Nederlandse EU-voorzitterschap.

Werk in uitvoering

Het Nederlandse onderwijs doet het goed. Onze leerlingen en studenten zijn hoog opgeleid en presteren goed, ook vergeleken met leerlingen in andere landen. Iedere dag werken leraren, schoolleiders en bestuurders hard om het beste uit alle leerlingen te halen. Komend jaar zetten we in op de verdere uitvoering van de maatregelen uit het Regeerakkoord, zoals uitgewerkt in het Nationaal Onderwijsakkoord, de Lerarenagenda en de sectorakkoorden. Komend najaar rapporteren we over de voortgang hiervan. In het vervolg van deze beleidsagenda staan we stil bij de acties die voortvloeien uit deze akkoorden, zoals de professionele ontwikkeling van leraren en de kwaliteitsafspraken in het mbo. Gezamenlijk zorgen we ervoor dat het onderwijs leerlingen en studenten optimaal voorbereidt op de uitdagingen van de toekomst. Dat doen we samen met de Inspectie van het Onderwijs, DUO en al onze partners, zoals scholen en leerkrachten (en hun organisaties), medeoverheden en bedrijven. Ook de samenwerking tussen deze partijen onderling willen we stimuleren. De kracht ligt in de samenleving en bij de instellingen. Zij verdienen ons vertrouwen. Door verdere professionalisering van leraren, schoolleiders en bestuurders kunnen we de kwaliteit van ons onderwijs nog verder verhogen. We willen dat toptalenten zich volledig kunnen ontwikkelen en dat de kwetsbare jongeren een opleiding afronden. We gaan de nieuwe profielen in het vmbo invoeren en zetten in op herkenbaar mbo-onderwijs en het bevorderen van de menselijke maat waardoor leerlingen zich thuis voelen en gekend weten op school. We willen kwaliteitsverbetering en flexibilisering van het onderwijsaanbod bevorderen. In het hoger onderwijs richten we ons op de implementatie van het studievoorschot en de uitvoering van de Strategische Agenda.

Ook op de andere beleidsterreinen is veel in beweging. De uitvoering van de voorstellen uit de Wetenschapsvisie 2025 is in volle gang. De ambities in die visie zijn: de Nederlandse wetenschap is van wereldformaat, is meer verbonden met de maatschappij en het bedrijfsleven én is een broedplaats van talent. De Nationale Wetenschapsagenda zal zijn doorwerking krijgen in de profilering van de universiteiten en de inzet van de tweede geldstroom door NWO. De uitgangspunten in de brief Ruimte voor Cultuur zijn de basis voor het cultuurbeleid in de periode 2017–2020 en voor de samenstelling van de basisinfrastructuur. Cultuur heeft een eigen waarde die niet alleen te vatten is in termen van sociale en economische effecten of verbindingen met andere terreinen. De kwaliteit is altijd het vertrekpunt. Samenwerking en ruimte voor innovatie en profilering zorgen ervoor dat de kracht van cultuur zo zichtbaar mogelijk wordt gemaakt. Op Prinsjesdag 2016 maken we de besluiten bekend voor de basisinfrastructuur in de periode 2017–2020. De nieuwe Mediawet zal per 1 januari 2016 ingaan en het is het eerste jaar van het concessiebeleidsplan. Daarmee moet de publieke omroep zich onderscheiden met een programmering voor een breed en divers publiek die bijdraagt aan de publieke functies informatie, cultuur en educatie.

EU-voorzitterschap

Het tweede thema voor 2016 is het voorzitterschap van Nederland van de Europese Unie. In het voorjaar zal de Europese Commissie een Europese vaardighedenstrategie presenteren met diverse maatregelen om de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt te verbeteren. Bij een discussie hierover in de Onderwijs, Jeugd, Cultuur en Sport Raad kunnen de uitkomsten van de Nederlandse voorzitterschapsconferentie «Skills for a lifetime» worden betrokken. Hierin zal centraal staan hoe het mbo betekenisvol kan blijven in een veranderende arbeidsmarkt. In 2016 wil de Commissie ook een update presenteren van de ho-moderniseringsagenda van 2011. Deze agenda zal ingaan op prioriteiten zoals internationalisering, mobiliteit, digitalisering en nieuwe vaardigheden. Vooruitlopend hierop zal OCW een voorzitterschapsconferentie organiseren over open en online hoger onderwijs. OCW wil op het gebied van wetenschap en innovatie bijdragen aan het in Europa verder brengen van open science, waaronder open toegang tot publicaties en open onderzoeksdata. Daarnaast zullen de evaluatie van het Zevende Kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling (2007–2013), de randvoorwaarden voor onderzoek en innovatie én grootschalige onderzoeksfaciliteiten prioritaire thema’s zijn.

Op het vlak van cultuur zal OCW zich tijdens het voorzitterschap vooral concentreren op het inrichten en functioneren van onderdelen van de infrastructuur voor cultuurdata en digitaal erfgoed, waaronder het Europese project Europeana. Op mediaterrein zal OCW aandacht schenken aan de verbetering van de positie van het Europese audiovisuele product (waaronder film, drama, documentaire, kinderprogramma’s). Het stimuleren van deze producties is een van de onderdelen van de herziening van de richtlijn Audiovisuele mediadiensten waarvoor de Europese Commissie in 2016 voorstellen zal presenteren. OCW organiseert hierover een voorzitterschapsconferentie. Tot slot zal OCW de agenda gericht op gendergelijkheid en LHBTI-voorstellen van de Europese Commissie actief ondersteunen.

Leeswijzer beleidsagenda

In deze beleidsagenda zullen wij per beleidsterrein schetsen welke stappen wij willen zetten. We beginnen met het onderwijs en gaan daarna in op studiefinanciering, wetenschap, cultuur, media, emancipatie en Caribisch Nederland. Aan het eind van de beleidsagenda presenteren we een tabel met indicatoren en bijbehorende streefwaarden passend bij de beleidsambities.

1. Onderwijs

Samen met alle partners werken we aan de vier doelstellingen van deze kabinetsperiode:

  • 1.  Ambitieus onderwijs dat alle leerlingen en studenten uitdaagt;
  • 2.  Scholen en instellingen werken met goed opgeleide en vakkundige leraren, docenten en schoolleiders, die samen zorgen voor een veilig en ambitieus leerklimaat;
  • 3.  Scholen en instellingen maken resultaten inzichtelijk en worden aangesproken op hun prestaties;
  • 4.  Aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt verbeteren.

1.1 Ambitieus onderwijs dat alle leerlingen en studenten uitdaagt

In de sectorakkoorden hebben we afspraken gemaakt die moeten leiden tot uitdagender onderwijs voor alle leerlingen en studenten en onderwijs dat kan differentiëren, ook met betrekking tot achterstanden. Leerlingen moeten zo goed mogelijk worden uitgedaagd zich optimaal te ontwikkelen. Daarvoor zijn leraren nodig die kunnen inspelen op verschillen tussen leerlingen, die de talenten van leerlingen herkennen en benutten en prestaties van leerlingen zien en waarderen. In het kader van het plan van aanpak Toptalenten 2014–2018 werken ICLON en de Rijksuniversiteit Groningen tot in 2017 aan de uitwerking van een praktische aanpak voor differentiatie in de klas, waar alle leraren profijt van kunnen hebben. Ook kijken we hoe we meer maatwerk mogelijk kunnen maken. Een goed voorbeeld hiervan is de modernisering van de normen onderwijstijd in het voortgezet onderwijs. Door de nieuwe urennorm per opleiding is er veel ruimte voor maatwerk. Hierdoor kan iedere leerling een onderwijsprogramma op maat krijgen waarbij de onderwijstijdnorm niet langer een barrière vormt. Leerlingen in het vo (vmbo, havo, vwo) krijgen vanaf schooljaar 2015–2016 de vermelding cum laude op hun diploma indien ze gemiddeld een 8,0 of hoger halen. Belangrijk thema voor 2016 is de verbetering van de doorlopende leerlijn van het po naar het vo en van het vo naar het mbo, hbo of wo. In het mbo wordt in 2016 de uitvoering van de kwaliteitsplannen voortkomend uit de kwaliteitsafspraken nauwlettend gevolgd en betrokken bij de tussentijdse evaluatie in 2017. In deze plannen besteden we onder meer aandacht aan excellent vakmanschap. In het najaar zullen de resultaten van de monitor inzichtelijk worden. Met indicatoren die passen bij deze beleidsambitie monitoren we de voortgang op de doelstelling ook kwantitatief. Zo volgen we het aandeel leerlingen en studenten dat zich uitgedaagd voelt, het aandeel scholen dat aandacht heeft voor talentprogramma’s en het aandeel scholen dat leerlingen begeleidt in het ontdekken en ontwikkelen van hun talenten.

Zorg voor kwetsbare jongeren staat hoog op de agenda. Zo willen we het aantal uitvallers verder verminderen. Daarom bereiden we in het mbo een wetsvoorstel voor waarin een aanmelddatum voor het mbo van 1 april voorafgaand aan het studiejaar wordt geïntroduceerd. Onderdeel van het wetsvoorstel is ook het registreren van deze aanmeldingen, om leerlingen die zich niet tijdig bij het mbo aanmelden alsnog te begeleiden ter voorkoming van schooluitval. Tevens wordt in dit wetsvoorstel een toelatingsrecht tot het mbo geïntroduceerd, evenals de mogelijkheid voor leerlingen om bij de mbo-opleiding van aanmelding een studiekeuzeadvies te vragen. Het streven is de wetswijziging per 1 januari 2017 van kracht te laten zijn. De regionale meld- en coördinatiefunctie (RMC-functie) wordt verbreed om een sluitend regionaal vangnet voor voortijdig schoolverlaters en kwetsbare jongeren te creëren. Ook het aantal zittenblijvers willen we verminderen. In 2016 zal voor de tweede keer een regeling worden gepubliceerd op basis waarvan scholen in het vo subsidie kunnen aanvragen voor een zomerschool. Daarnaast worden ook alternatieven voor een zomerschool verkend. In het najaar 2015 zal het IBO Effectieve Leerroutes naar de Tweede Kamer worden verzonden. Op basis van de ervaringen met en de effecten van zomerscholen in 2015 en 2016 zal worden bepaald of de middelen die beschikbaar zijn voor de bestrijding van zittenblijven (structureel € 9 miljoen) vanaf 2017 worden toegevoegd aan de lumpsum of de prestatiebox.

Eind 2015 adviseert het Platform Onderwijs 2032 over een toekomstgericht curriculum voor het po en vo. Aan het Platform is een samenhangende visie en koersbepaling gevraagd over hoe leerlingen in het onderwijs moeten worden voorbereid op de toekomst. Welke kennis en vaardigheden zijn nodig voor het vervolgonderwijs en op de toekomstige arbeidsmarkt? Wat is nodig zodat leerlingen volwaardig kunnen participeren in een democratische samenleving? Welke bijdrage moet het onderwijs leveren aan talentontwikkeling en persoonsvorming? Nadrukkelijk zal worden gekeken naar vergelijkbare praktijken in andere landen, zowel binnen als buiten de EU. In 2016 begint de ontwerpfase. In deze fase vindt de vertaling plaats van het advies van het platform naar concrete kerndoelen en eindtermen. Wij willen ook in deze fase samen met leraren en schoolleiders optrekken.

De procedures om nieuwe scholen te beginnen sluiten niet meer aan bij de huidige maatschappelijke ontwikkelingen. Afgelopen juli is een brief naar de Tweede Kamer verzonden met het voorstel om artikel 23 van de Grondwet ruimer te interpreteren, zodat het starten van een school mogelijk is op basis van vernieuwende onderwijsconcepten en relatief nieuwe levensbeschouwingen. Eind 2016 zullen we een wetsvoorstel indienen om het eerste deel van het programma uit te voeren: het begrip «richting» schrappen uit een aantal onderwijswetten en een andere methode invoeren om te toetsen of een school levensvatbaar is en voor bekostiging in aanmerking komt.

Op het terrein van passend onderwijs worden de samenwerkingsverbanden vo, na de invoering van de wetgeving afgelopen jaar, ook verantwoordelijk voor lwoo-pro. Daarvoor ontvangen ze de budgetten voor lichte ondersteuning. In 2016 worden tevens de nieuwe profielen ingevoerd in de bovenbouw van het vmbo. Schoolbesturen maken daarvoor keuzes in hun beroepsgerichte onderwijsaanbod. Docenten in afdelingsvakken worden bijgeschoold in voor hen nieuwe thema's uit de nieuwe profielen. Vmbo-scholen gaan met mbo-instellingen en bedrijven aan de slag met de regionale inkleuring van hun onderwijsaanbod. Wij ondersteunen de invoering via een gericht programma bestaande uit onder andere regionale netwerkbijeenkomsten, voorbeeldmateriaal en het inzichtelijk maken van het scholingsaanbod.

In de samenleving en in het onderwijs leeft de behoefte aan herkenbaar mbo-onderwijs en aandacht voor de menselijke maat. Momenteel wordt bezien hoe wij dat kunnen faciliteren. Daarbij wordt gedacht aan de mogelijkheid dat mbo-instellingen zich om kunnen vormen naar een gemeenschap van mbo-colleges, met een college-directeur aan het hoofd van elk college. Hiermee willen wij het onderwijskundig leiderschap binnen een instelling versterken. In het najaar van 2015 sturen we hierover een brief naar de Tweede Kamer. Tevens zal in de brief worden ingegaan op het voornemen een samenwerkingsschool in het mbo te introduceren. Hiermee willen we het mogelijk maken dat twee of meer mbo-instellingen samen opleidingen of een cluster van opleidingen aanbieden, zonder dat daarvoor een fusie nodig is. In krimpregio’s bestaat bij mbo-instellingen de behoefte om meer samen te werken met andere mbo-instellingen. Ook in stedelijke regio’s is er een roep om meer mogelijkheden tot samenwerking. Zo wordt versnippering van het onderwijsaanbod voorkomen en zijn er meer mogelijkheden om tot een innovatief onderwijsaanbod te komen.

In 2016 zal worden beoordeeld of de hogescholen en universiteiten de ambities uit de prestatieafspraken op de terreinen onderwijskwaliteit en studiesucces, profilering en valorisatie hebben gerealiseerd. De Reviewcommissie Hoger Onderwijs en Onderzoek zal hierover een advies per instelling uitbrengen. Besluitvorming daarover vindt eveneens in 2016 plaats. De evaluatie van het experiment prestatieafspraken en prestatiebekostiging hoger onderwijs is een belangrijke basis voor de vormgeving van de nieuw te maken kwaliteitsafspraken. Volgend jaar zal een start gemaakt worden met die evaluatie.

Verder wordt in 2016 voor het hoger onderwijs een start gemaakt met de uitvoering van de Strategische Agenda Hoger Onderwijs 2015–2025 «De waarde(n) van weten». De agenda geeft de koers aan voor het hoger onderwijs voor de komende 10 jaar en staat in het teken van het leveren van een zichtbare impuls aan de kwaliteit van het hoger onderwijs en het onderwijs gerelateerd onderzoek met de middelen die voortkomen uit het studievoorschot. De strategische agenda richt zich op de vraag wat veranderingen in de wereld en in onze samenleving betekenen voor het hoger onderwijs. Een hogeschool of universiteit is een zelfstandige waardengemeenschap die, in verbinding met de maatschappij, getalenteerde jonge mensen in staat stelt om zich te ontwikkelen en persoonlijk te vormen. Het is belangrijk dat studenten zowel kennis en vaardigheden ontwikkelen als dat zij leren om te reflecteren en kritisch te denken, niet alleen over maatschappelijke en wetenschappelijke thema’s, maar ook over wat voor samenleving we willen en vanuit welke waarden we keuzes maken. Om dit te kunnen realiseren hebben we drie thema’s benoemd: onderwijs van wereldformaat, toegankelijkheid, talentonwikkeling en diversiteit, én verbinding met de samenleving. Het kabinet zet in op kleinschalig en intensief onderwijs, talentprogramma’s, onderwijs-gerelateerd onderzoek, en studiefaciliteiten en digitalisering. Ook willen we de samenwerking in de regio verbeteren ten behoeve van een betere doorstroom in het onderwijs en aansluiting op de arbeidsmarkt. De opbrengsten van het studievoorschot komen beschikbaar vanaf 2018. Vooruitlopend hierop is voor de jaren 2015 tot en met 2017 afgesproken met de universiteiten en hogescholen dat zij zelf jaarlijks een voorinvestering doen van € 200 miljoen.

1.2 Scholen en instellingen werken met goed opgeleide en vakkundige leraren, docenten en schoolleiders, die samen zorgen voor een veilig en ambitieus leerklimaat

Leraren leveren een belangrijke bijdrage aan de school- en onderwijsontwikkeling. In de Lerarenagenda is aangegeven hoe wij de kwaliteit en aantrekkelijkheid van de lerarenopleidingen willen verhogen. Ook willen wij zittende leraren, zowel starters áls ervaren docenten, in staat stellen zich continu te professionaliseren. De Inspectie van het Onderwijs geeft in het Onderwijsverslag aan dat er een directe relatie is tussen het beheersen van differentiatievaardigheden en de onderwijskwaliteit. We streven er daarom naar dat alle leraren in het po en vo de algemeen didactische en differentiatievaardigheden beheersen. De aanpak om de masterambitie te realiseren zal vergelijkbaar zijn met 2015: we trekken nieuwe doelgroepen aan, we stimuleren een grotere instroom van nieuwe leraren met een masteropleiding en we verhogen het opleidingsniveau van de zittende leraren. Het is aan de leraren en scholen zelf om gebruik te maken van deze instrumenten. Daarom wordt tegelijkertijd gewerkt aan de randvoorwaarden, zoals de kwaliteit van het personeelsbeleid en kennis- en informatie-uitwisseling. Hierbij willen we meerdere bestuurslagen betrekken. Met gemeenten, provincies en (grote) schoolbesturen treden wij in gesprek over regionale behoeften, knelpunten en goede voorbeelden.

Om deze professionalisering van leraren bij te houden wordt in 2016 het wettelijk kader afgerond om van het huidige vrijwillige register een verplicht lerarenregister te maken. Hierbij is een centrale rol weggelegd voor de leraren. Het zijn immers de leraren zelf die via het register vastleggen aan welke eisen een goede leraar moet voldoen. De Onderwijscoöperatie (OC) neemt de organisatie achter het register voor haar rekening. Zij stelt bijvoorbeeld leraren in staat om met elkaar te werken aan de eerste sets herregistratiecriteria en aan de eisen voor het valideren van professionaliseringsaanbod. Daarnaast organiseert de OC implementatieprojecten op scholen. Deze projecten zijn bedoeld om op schoolniveau inzichten op te leveren die kunnen worden gebruikt voor de landelijke invoering van het verplichte register in 2017. Het wetsvoorstel zelf wordt in 2016 in overleg met de betrokken partijen verder uitgewerkt. Daarmee wordt de basis gelegd voor de administratieve en informatiekundige aspecten van het register. Verder werken we in 2016 aan het vergroten van het aantal vrijwillig registreerde leraren. We streven ernaar dat in 2017 alle leraren zijn geregistreerd in het register. In het najaar van 2015 komen we met een plan van aanpak om onbevoegdheid tegen te gaan. In 2016 nemen we de uitwerking hiervan ter hand met de sector.

Ook wat betreft schoolleiders zetten we in op professionalisering. In het po is de registratie in het schoolleidersregister po in volle gang. Vanaf 1 januari 2016 start er een soortgelijk schoolleidersregister voor het vo en een stichting die het register beheert. Vanaf dan kunnen ook schoolleiders in het vo zich registreren en hun professionaliseringsactiviteiten bijhouden en zichtbaar maken. Schoolleiders worden door hun bestuur gestimuleerd en gefaciliteerd om te werken aan hun bekwaamheid en professionele ontwikkeling. Scholen hebben en gebruiken een degelijk inwerk- en begeleidingsprogramma voor startende schoolleiders dat onderdeel uitmaakt van het strategisch personeelsbeleid. We verwachten van besturen dat ze inzetten op het vergroten van de bekwaamheid van schoolleiders op het gebied van strategisch personeelsbeleid.

Met de extra middelen uit de invoering van het studievoorschot is het mogelijk om circa 4.000 extra docenten aan te nemen in het hoger onderwijs. Deze extra docenten zijn bedoeld om het hoger onderwijs intensiever en kleinschalig te maken, talentprogramma's te faciliteren en om de verwevenheid tussen onderwijs en onderzoek te versterken. Ook maakt dit het mogelijk meer aandacht te besteden aan bildung, het bevorderen van reflectie en het stimuleren van een ondernemende houding. Dit is van belang voor de kwaliteit, toegankelijkheid en doorstroom van het stelsel. Voor hogescholen en universiteiten is de belangrijkste opdracht vanuit een toekomstgericht personeels- en onderwijsbeleid te blijven werken aan permanente professionalisering van docenten en het scholen van bekwame onderwijsleiders. Om dit te stimuleren worden er bovendien Comenius-beurzen voor docenten en onderwijsleiders ontwikkeld gericht op onderwijsvernieuwing. Aan de universiteiten wordt gevraagd meer waardering te geven aan onderwijs en kennisbenutting door maatschappelijke en economische valorisatie. Daarbij vragen we expliciet aandacht te geven aan het bevorderen van differentiatie van carrières van docenten en onderzoekers. Voor hogescholen geldt dat er meer kwalitatief goede lectoren en onderzoekers moeten komen die stevig verbonden zijn met de beroepspraktijk en het beroepsonderwijs.

1.3 Scholen en instellingen maken resultaten inzichtelijk en worden aangesproken op hun prestaties

Onze doelstelling is te komen tot een duurzame onderwijsverbetering. We willen dat steeds meer scholen op alle indicatoren van kwaliteitszorg voldoende scoren en ook vaker opbrengstgericht werken. Een sectorbrede verbeteraanpak, een cyclus van kwaliteitszorg en een periodieke zelfevaluatie helpen schoolbesturen te komen tot gerichte verbeteracties. Daarbij is het belangrijk een koppeling te leggen tussen de ambities op het gebied van onderwijs, het personeelsbeleid en het financieel beleid. Bovendien kunnen scholen «als kritische vrienden» veel van elkaar leren. Het project «Q voor besturen» (gecoördineerd door de PO-raad) en Vensters PO/VO zullen hen ook komend jaar hierbij helpen. Wijzelf werken in 2016 aan een wetsvoorstel voor de vereenvoudiging van de bekostiging in het po en vo. Met een vereenvoudigd bekostigingsmodel wordt de opbouw van de lumpsum transparanter. Scholen kunnen hierdoor bijvoorbeeld eenvoudiger hun meerjarige inkomsten ramen. Het is verder van belang dat relevante gegevens over scholen openbaar beschikbaar, goed vindbaar en bruikbaar zijn voor ouders, leerlingen en andere betrokkenen. Dat is nu nog onvoldoende het geval. Daarom zetten we de komende periode in op meer transparantie in het onderwijs.

In het mbo wordt met de kwaliteitsafspraken een extra kwaliteitsverbetering bevorderd door instellingen te stimuleren op maat te investeren in hun onderwijs en hun onderwijsopbrengsten te verhogen. De komende jaren worden extra middelen (investeringsbudget en resultaatafhankelijk budget) ter beschikking gesteld en wordt systematisch informatie over de resultaten van individuele instellingen gepubliceerd. In het hoger onderwijs staat het jaar 2016 in het teken van een nieuw accreditatiestelsel. Uit de evaluaties in 2013 bleek dat het huidige stelsel in de kern goed functioneert, maar er zijn ook knelpunten. Met het stelsel worden bijvoorbeeld hoge administratieve lasten ervaren. Afgelopen juni hebben we in een brief aan de Tweede Kamer de contouren geschetst van het accreditatiestelsel dat we willen doorontwikkelen. Daarvoor is een wetswijziging nodig die volgend jaar aan de Raad van State en de Tweede Kamer zal worden aangeboden. Instellingen kunnen zich in 2016 voorbereiden op de pilot in 2017 met instellingsaccreditatie. Opleidingsevaluatie blijft de kern van het nieuwe stelsel.

1.4 Aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt verbeteren

Het jaar 2016 staat in het licht van «werk in uitvoering». We werken verder aan de maatregelen uit de brief «Ruim baan voor vakmanschap» waarmee we ruimte aan instellingen geven om onderwijs innovatief, op de regio gericht en kleinschalig te organiseren. Het experiment «cross overs» wil de flexibilisering van het mbo vergroten door meer ruimte te geven aan samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven op regionaal niveau. Gezamenlijk stellen zij een cross-sectorale kwalificatie samen waarmee sneller ingespeeld kan worden op cross-sectorale beroepen en innovatie. Innovatie is ook de reden voor de herziening van de kwalificatiestructuur. Het wetsvoorstel dat voorligt bij het parlement heeft als beoogde inwerkingtredingsdatum 1 augustus 2016. Instellingen zullen worden ondersteund bij de invoering en de benodigde aanpassing van processen en ICT-systemen.

In 2016 worden de nieuwe beroepsgerichte examenprogramma’s ingevoerd in het vmbo. Met deze examenprogramma’s kan flexibel worden ingespeeld op veranderingen in het vervolgonderwijs en de regionale arbeidsmarkt. Nieuwe beroepsgerichte keuzevakken kunnen binnen een jaar worden aangemeld, ontwikkeld, getoetst aan kwaliteitscriteria en geregistreerd, om vervolgens aan leerlingen aangeboden te kunnen worden. Hierbij is het uitgangspunt dat een vo-school bij het ontwikkelen van een beroepsgericht keuzevak het vervolgonderwijs en de regionale arbeidsmarkt betrekt.

Met het Regionaal Investeringsfonds mbo zijn inmiddels vele projecten in gang gezet om innovatieve samenwerking in het beroepsonderwijs en daarmee een betere aansluiting van het onderwijs op de praktijk te bereiken. Meer dan 600 bedrijven, ruim 50 mbo-instellingen en regionale overheden investeren gezamenlijk in innovatief onderwijs. Op basis van de ervaringen wordt de regeling per 2016 aangepast. Voor onderwijsinstellingen is het vanaf schooljaar 2015–2016 ook mogelijk om een gecombineerde leerweg bol-bbl aan te bieden. Tijdens het experiment krijgen studenten eerst les op school (bol) en gaan ze in het tweede deel van de opleiding voornamelijk aan de slag in een leerbedrijf (bbl). Onderzocht wordt of dit de kwaliteit en toegankelijkheid van het beroepsonderwijs en/of de aansluiting op de arbeidsmarkt verbetert.

De uitvoering van het Techniekpact is in volle gang en loopt tot en met 2020. Alle partijen – sociale partners, het onderwijs, de regio’s en de overheid – werken gezamenlijk aan de realisatie van de 22 maatregelen uit het pact. Doel is om voldoende vakbekwame technici op te leiden en te behouden. Het beroepsgerichte examenprogramma van de vijf technische profielen in het vmbo zal worden ingevoerd, evenals het nieuwe vak Informatietechnologie voor vmbo-g/tl leerlingen. Voor diezelfde groep leerlingen zal geëxperimenteerd gaan worden met een nieuw examenvak, namelijk Technologie & Toepassing. In 2016 zal de regionale aanpak verder verfijnd worden. De kracht van de uitvoering van het Techniekpact ligt in de regio. Door maatwerk per technische sector en/of regio kan ingespeeld worden op specifieke arbeidsmarktvraagstukken.

Met de bewindslieden van VWS werken we, tot slot, aan een Zorgpact om de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt in de zorg te verbeteren. Daarvoor willen we een goede regionale samenwerking stimuleren tussen de zorgsector, het mbo en hbo, en de overheid. Zo kunnen we huidige en toekomstige werknemers zo goed mogelijk voorbereiden op de zorg van de toekomst.

2. Studiefinanciering

Per 1 september 2015 is het studievoorschot in het hoger onderwijs ingevoerd. De komende jaren staan in het teken van de uitvoering door DUO, het blijven borgen van een goede voorlichting, het versterken van het financieel bewustzijn van studenten én de monitoring van de kwantitatieve en kwalitatieve effecten op deelname, studiegedrag en het gebruik van voorzieningen. Met het nieuwe stelsel wordt het mogelijk om met de middelen die vrijkomen (oplopend tot maximaal € 1 miljard in 2026) te investeren in de kwaliteit van het hoger onderwijs en aan hoger onderwijs gerelateerd onderzoek, zoals is uitgewerkt in de Strategische Agenda Hoger Onderwijs 2015–2025 «De waarde(n) van weten» uit juli 2015.

Per uiterlijk 1 januari 2017 krijgen ook minderjarige mbo-studenten recht op een studentenreisvoorziening. Dit stelt minderjarige mbo’ers in staat om breder te zoeken naar de meest geschikte opleiding en stage. Voor onderwijsinstellingen in het mbo biedt deze regeling bovendien meer mogelijkheden voor profilering en specialisatie, bijvoorbeeld in techniekstudies. Daarnaast is een taskforce opgericht waarin de OV-bedrijven, de overheid en andere betrokkenen de handen ineen slaan om de rijksuitgaven aan het studentenreisproduct te beperken tot € 850 miljoen vanaf 2020 aflopend naar € 750 miljoen vanaf 2025 door onderwijs en vervoer beter af te stemmen. In het voorjaar van 2016 worden de resultaten aan de Tweede Kamer aangeboden.

3. Wetenschap

Europese samenwerking op het terrein van onderzoek en innovatie is van groot belang om als Europa de concurrentie met andere grootmachten in de wereld te kunnen blijven aangaan. Het Europese Horizon 2020-programma is daar een belangrijk instrument voor. Het is belangrijk dat Nederlandse kennispartijen goed meedoen in de projecten die via Horizon 2020 gefinancierd worden. Uit de cijfers over het eerste jaar van Horizon 2020 blijkt dat Nederland de goede score van het vorige programma (het Zevende Kaderprogramma) overtreft. Ruim € 561 miljoen, 7,6 procent van het totaal aan subsidies, is toegezegd aan deelnemers in Nederland. Voor elke euro die Nederland via de afdracht aan de EU-begroting in Horizon 2020-subsidies investeert komt er dus € 1,52 terug.

In de Wetenschapsvisie 2025 heeft de regering drie ambities geformuleerd:

  • 1.  De Nederlandse wetenschap is van wereldformaat;
  • 2.  De Nederlandse wetenschap is meer verbonden met de maatschappij en het bedrijfsleven en heeft maximale impact;
  • 3.  De Nederlandse wetenschap is ook in 2025 een broedplaats voor talent.

De verbinding van de wetenschap met de maatschappij blijkt onder andere uit de meer dan 11.000 vragen die op de website van de Nationale Wetenschapsagenda zijn binnengekomen. Deze vragen zijn ter beoordeling aan wetenschappelijke jury’s voorgelegd en vormen input voor de Nationale Wetenschapsagenda die in november 2015 uitkomt. Vanaf 2016 krijgt de agenda zijn doorwerking in de profilering van de universiteiten en de inzet van de tweede geldstroom door NWO. Verder verschijnt in 2016 de eerste Balans van de Wetenschap en wordt het institutenlandschap integraal geëvalueerd.

4. Cultuur

Kunst en cultuur zijn van grote waarde voor de samenleving. Bij het cultuurbeleid staat kwaliteit voorop. Samenwerking en verbinding met de maatschappelijke thema’s wordt aangemoedigd. Kinderen en jongeren krijgen cultuuronderwijs en de kans hun talenten te ontwikkelen. Cultuuronderwijs op school bereikt alle kinderen, ongeacht hun achtergrond. Het programma cultuureducatie met kwaliteit draagt hier aan bij. Samen met private partijen geeft OCW tot en met 2020 een impuls aan het muziekonderwijs in het primair onderwijs.

Bescherming en behoud zijn belangrijke waarden in het erfgoedbeleid. 1 januari 2016 is de beoogde inwerkingtredingsdatum van de Erfgoedwet. De wet harmoniseert bestaande wet- en regelgeving, schrapt overbodige regels en legt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed zoveel mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Daarmee spreken we het vertrouwen uit in de sector om de zorg voor ons cultureel erfgoed in de praktijk waar te maken.

Van 1 december 2015 tot 1 februari 2016 kunnen instellingen subsidie aanvragen voor de BIS 2017–2020. Na advisering van de Raad voor Cultuur en afstemming met bestuurlijke partners zullen op Prinsjesdag 2016 de subsidiebesluiten bekend worden gemaakt. Verder zullen we begin 2016 samen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken een nieuw kader voor het internationale cultuurbeleid naar de Tweede Kamer sturen waarin we voortbouwen op de conclusies van de evaluatie van het internationaal cultuurbeleid uit 2015. Fondsen, ondersteunende instellingen en andere stakeholders worden betrokken bij de totstandkoming van het beleid.

Het kabinet stimuleert een vitale leescultuur in Nederland met de nieuwe Bibliotheekwet en met de verlenging van de Wet op de vaste boekenprijs. Daarnaast gaan we in 2016 van start met het actieprogramma «Tel mee met taal». In hun samenhang ondersteunen zij de keten van productie, distributie en consumptie van tekst en literatuur.

5. Media

In een steeds voller en gevarieerder medialandschap dienen publiek bekostigde media zich meer te onderscheiden op inhoud en kwaliteit. Door het stimuleren van programmering met publieke functies en waarden, en van bewust mediagebruik kunnen we onze doelstelling realiseren: een onafhankelijk, gevarieerd en kwalitatief hoogwaardig media-aanbod dat toegankelijk is voor alle lagen van de bevolking. In 2016 start de nieuwe concessie- en erkenningsperiode van de landelijke publieke omroep. Het streven is om de voorgestelde wijziging van de Mediawet gelijktijdig in werking te laten treden (per 1 januari 2016). Deze wetswijziging stelt een aanscherping van de publieke mediaopdracht voor. De publieke omroep moet zich onderscheiden met programmering voor een breed en divers publiek die bijdraagt aan de publieke functies informatie, cultuur en educatie. De toegang van producenten en andere makers tot de publieke omroep wordt vergroot en de voorgestelde wetswijziging geeft de Raad van Bestuur van de Nederlandse Publieke Omroep (NPO) de mogelijkheid om de koers van de publieke omroep beter te bepalen en te bewaken.

In het Concessiebeleidsplan 2016–2020 omschrijft de NPO hoe hij zijn opdracht in de komende concessieperiode uitvoert, rekening houdend met deze voorgenomen wetswijzigingen. Mede op basis van het concessiebeleidsplan wordt een nieuwe prestatieovereenkomst afgesloten met de NPO voor de periode 2016–2020. Het Commissariaat voor de Media ziet toe op de naleving ervan.

Een ander onderdeel van het genoemde wetsvoorstel is een versterking van de regionale publieke omroepen door invoering van een eenduidige en sterke bestuursstructuur. Er komt een wettelijke bestuurlijke organisatie voor de regionale omroepen: de Stichting Regionale Publieke Omroep (RPO). De RPO wordt met ingang van 1 januari 2016 het samenwerkingsorgaan voor de uitvoering van de publieke mediaopdracht op regionaal niveau. De RPO zal worden belast met de voorbereidende taken die nodig zijn om per 1 januari 2017 één gezamenlijke financieringslijn, begrotings- en verantwoordingscyclus en een gezamenlijk beleid voor de concessieperiode 2017–2020 te hebben. Hiermee wordt tevens invulling gegeven aan de efficiency taakstelling van € 17 miljoen vanaf 2017.

6. Emancipatie

Wij zetten in op het versterken van de economische zelfstandigheid en financiële zelfredzaamheid van vrouwen. Hiervoor zetten we in 2016 de aanpak met «Kracht on Tour» bijeenkomsten voort. Gemeenten kunnen in 2016 met ondersteuning van OCW een eigen «Kracht on Tour» organiseren. Dit traject richt zich op drie doelgroepen: jonge vrouwen die financieel zelfstandig zijn, vrouwen die in deeltijd werken en vrouwen met grote afstand tot de arbeidsmarkt. Aanvullend zal, na de eerdere «arbeid- en zorgbijeenkomst» in 2013, begin 2016 een tweede bijeenkomst worden georganiseerd, op verzoek van de Tweede Kamer. Daarbij zullen we samen optrekken met de Minister van SZW en de Staatssecretaris van VWS. De resultaten en ervaringen uit het project «Kracht on tour» en de expertmeeting «Gendersensitief beleid bij gemeenten» zullen worden betrokken bij de voorbereidingen op de tweede «arbeid- en zorgbijeenkomst». Ook continueren we het topvrouwenbeleid om de doorstroom van vrouwen naar de top van bedrijven een extra impuls te geven.

Verder zetten wij in 2016 in op de aanpak voor het vergroten van de bespreekbaarheid van seksuele diversiteit en genderidentiteit in etnische kringen met als doel de sociale acceptatie van LHBT's in deze kringen te vergroten. In samenwerking met SZW ligt de nadruk op een rolmodellenaanpak, verbetering van hulpverlening en het verbinden en versterken van initiatieven van het maatschappelijk middenveld. Verder worden 160 «peer educators» ingezet, die zijn opgeleid om taboes bespreekbaar te maken binnen de eigen kring. Sociale media worden benut om bespreekbaarheid van seksuele- en genderdiversiteit binnen de gesloten gemeenschappen op gang te brengen. Tot slot wordt de «empowerment» van de hulpverlening aan bi-culturele LHBT’s voortgezet.

7. Caribisch Nederland

De in 2011 vastgestelde Onderwijsagenda voor Caribisch Nederland loopt op 1 augustus 2016 af. Komend jaar zullen we met de scholen afspraken maken over het vervolg op de Onderwijsagenda. De komende jaren zal aandacht nodig blijven voor de verdere verbetering van de kwaliteit van het onderwijs. Dan gaat het om bestuurskracht, financial governance, leraren, taal, leerlingenzorg en onderwijshuisvesting.

De afgelopen periode is duidelijk geworden dat het wenselijk is het bestuurlijk vermogen en de bestuurlijke verhoudingen in Caribisch Nederland verder te ontwikkelen. Met ingang van 1 augustus 2016 zullen daarom de onderdelen van de sectorwetten in werking treden die betrekking hebben op de bestuurlijke en governance aspecten. Dit is een stimulans voor de verdere professionalisering van bestuur en management op de drie eilanden. Ook zal besluitvorming plaatsvinden over de inwerkingtreding van (delen van) wetgeving die bij de transitie was uitgesteld met een termijn van vijf jaar. De conclusies van de interdepartementale Evaluatiecommissie Caribisch Nederland zullen hierbij betrokken worden.

Het parlement zal medio 2016 een overkoepelende rapportage ontvangen over de voortgang van de verbetering van de onderwijskwaliteit opgesteld door de Inspectie van het Onderwijs op basis van haar reguliere toezichtactiviteiten.

Leeswijzer indicatorentabel

In de onderstaande tabel zijn de ambities voorzien van een aantal kwantitatieve doelen. Per indicator zijn bijbehorende streefwaarden opgenomen, passend bij de beleidsambities. Ten behoeve van een consistente monitoring zijn doelen en ambities van de beleidsagenda 2016 zoveel mogelijk overgenomen uit de beleidsagenda 2015. Op de volgende punten is de indicatorentabel gewijzigd:

  • –  Naar aanleiding van toezeggingen aan de Tweede Kamer, is additioneel een aantal indicatoren in de begroting 2016 opgenomen (in laatste kolom aangegeven met T).
  • –  Het afgelopen jaar zijn de bestuurs- en sectorakkoorden po/vo nader vormgegeven. Waar nodig zijn de begrotingsindicatoren nu ook in lijn gebracht met de specifieke doelen en ambities uit deze akkoorden. De wijzigingen worden per indicator in een voetnoot toegelicht.
  • –  Door verbeteringen afgelopen jaar in de bron en/of de meetmethode zijn de basis- en streefwaarde van enkele indicatoren gewijzigd. De wijzigingen worden per indicator in een voetnoot toegelicht.
  • –  Voor zover mogelijk zijn, op verzoek van de Tweede Kamer, tussenliggende streefwaarden toegevoegd. Bij een aantal indicatoren is «Hoger» opgenomen. Bij deze indicatoren is het niet mogelijk om een realistisch tijdspad in te schatten. De realisatiewaarden van de indicatoren zullen zich niet altijd lineair ontwikkelen, omdat er sprake is van een bepaalde «aanlooptijd», waarna realisatie pas zichtbaar wordt.
  • –  Naar aanleiding van de beleidsdoorlichting Media (2014) worden de indicatoren voor artikel 15 herzien. Hierbij wordt aangesloten op de prestatieafspraken met de NPO voor de periode 2016–2020, die dit najaar worden afgesloten. In deze rijksbegroting zijn daarom geen indicatoren opgenomen, omdat de prestatieovereenkomst met de NPO nog niet is afgesloten. Wel zijn er nieuwe kengetallen terug te vinden bij het beleidsartikel. Met ingang van de volgende rijksbegroting worden de indicatoren geactualiseerd.

Eindjaar per doelstelling

Per streefwaarde wordt voor zover mogelijk een eindjaar vermeld (kabinetsperiode of horizon van de betreffende afspraken met de sector). Het eindjaar en daarmee de tussenwaarde kunnen verschillen per indicator, omdat met verschillende sectoren afspraken zijn gemaakt met een verschillende tijdshorizon:

  • –  Een voorbeeld zijn de indicatoren uit de bestuurs- en sectorakkoorden po/vo. Hiervoor zijn voornamelijk afspraken gemaakt voor het eindjaar 2020. De tussenwaarde is (voor zover mogelijk) opgenomen voor het jaar 2017.
  • –  Bij enkele indicatoren zijn geen streefwaarden of tussendoelstellingen opgenomen. Bij deze indicatoren zijn afspraken op het niveau van de instelling gemaakt, die niet vertaald worden naar een streefwaarde op landelijk niveau. Opgenomen zijn de gerealiseerde landelijke waarden, bedoeld als signalering voor de voortgang op het stelselniveau. Zij dienen als onderbouwing bij de analyse of bijstelling van beleid noodzakelijk is.
Tabel Indicatoren

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

(jaartal)

Tussenwaarde1

(jaartal)

Streefwaarde

(jaartal)

Art.nr.

Bron2

1

Ambitieus onderwijs dat alle leerlingen en studenten uitdaagt

a)

Alle leerlingen en studenten worden uitgedaagd

           
 

Aandeel scholen dat leerlingen begeleidt in het ontdekken en ontwikkelen van hun talenten3

po

47% (2015)

75% (2017)

100% (2020)

1

SA

 

Aandeel toptalentleerlingen dat zich vaak of bijna altijd verveelt omdat de lesstof te makkelijk is of omdat hij/zij eerder klaar is dan de rest4

vo

56% (2014)

41% (2016)

25% (2018)

3

SA

 

Aandeel scholen dat aandacht heeft voor toptalenten in de vorm van uitdagend aanbod of talentprogramma’s

vo

Nog in

ontwikkeling5
 

100% (2018)

3

SA

 

Percentage studenten in het mbo dat zich uitgedaagd voelt

mbo

34%

(2010–2011)

36% (2013/2014)

Verbetering

4

C

 

Percentage studenten dat tevreden is over uitdagend onderwijs

ho

(2011)

(2014)

 

6/7

C

hbo: 59%

hbo: 54%

Hoger

wo: 69%

wo: 65%

Hoger

 

Aandeel thuiszittende leerlingen dat drie of meer maanden thuis zit zonder passend onderwijsaanbod6
     

(2020)

   

po

Nog in ontwikkeling

 

0%

1

SA

vo

Nog in ontwikkeling

 

0%

3

SA

b)

Vergroten studiesucces

           
 

Aandeel leerlingen dat de referentieniveaus voor taal/rekenen behaalt

po

Nog in ontwikkeling

 
Niet benoemd7

1

T

 

Aandeel zittenblijvers

 

(2013)

(2017)

(2020)

   

po

3%

2,7%

2%

1

SA

vo

5,9%8

4,7%

3,9%

3

SA

 

Percentage mbo-deelnemers per niveau dat met diploma de instelling verlaat, jaarresultaat per niveau

mbo

(2008)

(2013/2014)

(2020)

4

 

Niveau 1: 66%

79%

Hoger

Niveau 2: 62%

73%

Hoger

Niveau 3: 63%

72%

Hoger

Niveau 4: 65%

74%

Hoger

Totaal: 64%

73%

Hoger

 

Bachelor studiesucces (n+1) van herinschrijvers na het eerste jaar

ho

(2011)

(2014)

9

6/7

 

hbo: 65,7%

hbo: 60,4%

wo: 60,9%

wo: 70,4%

 

Uitval in het eerste jaar

ho

(2011)

(2014)

6/7

T

hbo: 27,9%

hbo: 29,2%

wo: 18,8%

wo: 17,2%

 

Switchen na het eerste jaar

ho

(2011)

hbo: 9,0%

wo: 9,1%

(2014)

hbo: 9,2%

wo: 8,8%

6/7

T

2

Scholen en instellingen werken met goed opgeleide en professionele leraren en schoolleiders die samen zorgen voor een veilig en ambitieus leerklimaat

a)

Vergroten kwaliteit leraren en schoolleiders

           
 

Aandeel lessen dat wordt gegeven doÇor daartoe bevoegde en benoembare leraren10

vo

84,1 (2013)

96% (2016)

100% (2017)

3

SA

 

Aandeel leraren met een afgeronde wo-bachelor of hbo-/wo masteropleiding11

po

20% (2013)

23% (2017)

30% (2020)

1

SA, LA

 

Aandeel leraren met een afgeronde hbo of wo masteropleiding

vo

33% (2013)

40% (2017)

50% (2020)

3

SA, LA

Bovenbouw vwo12

53% (2013)

Hoger (2017)

80–85% (2020)

3

SA, LA

hbo13

66,2% (2011)

72,2% (2013)

80% (2016)

6/7

 
 

Aandeel leraren dat de algemeen didactische vaardigheden beheerst14
 

(2013)

(2017)

(2020)

   

po

84%

92%

100%

1

SA, LA

vo

74%

86%

100%

3

SA, LA

 

Aandeel leraren dat de differentiatie vaardigheden beheerst15
 

(2013)

(2017)

(2020)

   

po

57%

70%

100%

1

SA, LA

vo

32%

40%

100%

3

SA, LA

b)

Verbetercultuur

           
 

Aandeel leraren dat deelneemt aan peer review

 

(2014)

(2017)

(2020)

 

LA, T

po

62%

81%

100%

1

vo

63%

81%

100%

3

 

Aandeel leraren dat is geregistreerd in het Lerarenregister

po/vo/mbo

7.9% (2014)

20% (2016)

100% (2017)

1, 3 en 4

SA, LA, T

 

Aandeel schoolleiders dat is geregistreerd in het schoolleidersregister

po

30%16 (2015)

70% (2017)

100% (2018)

1

SA

c)

Veilig leerklimaat

           
 

Aandeel leerlingen dat zich veilig voelt

 

(2012)

(2017)

(2020)17
 

T

po

95%

Stabiel of hoger

Stabiel of hoger

1

vo

93%

Stabiel of hoger

Stabiel of hoger

3

3

Scholen en instellingen maken resultaten inzichtelijk en worden aangesproken op hun prestaties

 

Aandeel scholen dat Vensters volledig heeft ingevuld

 

(2014)

(2016)

(2017)

 

SA, T

po

5,3%18

Hoger

100%

1

vo

94%

Hoger

100%

3

 

Aandeel scholen dat op alle indicatoren van kwaliteitszorg voldoende scoort

po

38%19 (2012–2013)

Stabiel of hoger (2017)

Hoger (2020)

1

SA

 

Aandeel scholen dat opbrengstgericht werkt

vo

47%20 (2012–2013)

77% (2017)

100% (2020)

3

SA

 

Aandeel (zeer) zwakke scholen dat zich binnen een jaar verbetert

po

Nog in

ontwikkeling21
 

100% (2017–2018)

1

SA

Aandeel zwakke afdelingen dat zich binnen twee jaar verbetert

vo

Nog in ontwikkeling

 

100% (2017–2018)

3

SA

Aandeel zeer zwakke afdelingen dat zich binnen één jaar verbetert

vo

Nog in ontwikkeling

 

100% (2017–2018)

3

SA

Oordeel ouders over betrokkenheid

po

Cijfer 7 (2012)

Stabiel of hoger (2017)

Hoger

1

T

 

Aantal voortijdig schoolverlaters

vo/mbo

41.800 (2009)

25.000 (2014/2015)

25.000 (2015/2016)

3 en 4

 
 

Studenten-tevredenheid

mbo

(Rapportcijfer 2014)

(2016)

(2020)

4

C

Opleiding

7,0

7,2

7,5

Instelling

6,5

6,7

7,0

 
(% tevreden over school en studie)22 2014: 49%

51% (2016)

55% (2020)

 

Studenten-tevredenheid

ho

(2011)

(2014)

23

6/7

 

hbo: 65,6%

hbo: 69,9%

wo: 80,1%

wo: 81,4%

4

Aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt verbeteren

 

Aandeel leerlingen in de beroepsgerichte leerweg van het vmbo dat kiest voor techniek

vo

23% (2012)24

28% (2016)

30% (2017)

3

 
 

Aandeel mbo-studenten techniek

mbo

25% (2012)

27,4% (2014)

30% (2016)

4

 
 

Aandeel afgestudeerden bètatechniek incl. snijvlakopleidingen

ho

(2012)

(2014)

(2016)

6/7

 

hbo: 18%

hbo: 18%

hbo: 19%

wo:21%

wo: 22%

wo: 22%

 

Percentage 25–64 jarigen dat deelneemt aan een leeractiviteit (Leven Lang Leren)

mbo/ho

16,6% (2010)

17,4% (2013)

20% (2020)

4 en 6/7

T

 

Percentage gediplomeerden dat aangaf dat de opleiding voldoende basis was om te starten op de arbeidsmarkt

mbo

80% (2012)

79% (2013)

Hoger

4

T

ho

hbo: 72% (2013)

hbo: 72% (2014)

Hoger25

6/7

wo: 56% (2011)

wo: 57% (2013)

Hoger26

5

Behoud van kwaliteit wetenschap en wetenschappelijk talent en versterken impact wetenschap

 

Mondiale top-5 positie op basis van citatiescores

owb

2e plaats (2009–2012) 1,52

≤5

kleiner of gelijk 5 (2010–2013)

16

 

6

Een sterke cultuursector, die ondernemend en innovatief is en goed zorgt voor ons erfgoed

a)

Eigen inkomsten

           
 

Percentage cultuurproducerende instellingen in de BIS (musea en presentatie-instellingen beeldende kunst) dat voldoet aan de eigen inkomstennorm van minimaal 21,5%

cultuur

76% (2010–2011)

Hoger (2015)

100% (2016)

14

C

 

Percentage podiumkunstinstelling en filmfestivals in de BIS dat voldoet aan de eigen inkomstennorm van minimaal 25,5%

cultuur

69% (2010–2011)

Hoger (2015)

100% (2016)

14

C

b)

Aantal bezoeken

           
 

Aantal bezoeken gesubsidieerde podiumkunsten (inclusief buitenland) voor 2014

cultuur

2,6 miljoen (2009)

2,2 miljoen (2015)

2,2 miljoen (2016)

14

C

 

Aantal bezoekers gesubsidieerde musea

cultuur

5,7 miljoen (2009)

7,5 miljoen (2015)

7,5 miljoen (2016)

14

C

7

Het waarborgen van een onafhankelijk, gevarieerd en kwalitatief hoogstaand media-aanbod dat toegankelijk is voor alle lagen van de bevolking27
 

Naar aanleiding van de beleidsdoorlichting Media (2014) worden de indicatoren voor artikel 15 herzien. Hierbij wordt aangesloten op de prestatieafspraken met de NPO voor de periode 2016–2020, die dit najaar worden afgesloten. Met ingang van de volgende rijksbegroting worden de indicatoren geactualiseerd.

media

     

15

T

8

Het bevorderen van emancipatie28
 

Sociale acceptatie homoseksualiteit onder de bevolking

emancipatie

90% (2010)

≥90%

≥90%

25

 

Noot 1: De opgenomen tussenwaarden worden definitief in de voortgangsrapportage van het sectorakkoord po en vo (verschijnt in oktober 2015).

Noot 2: SA = Sectorakkoorden, LA = Lerarenagenda, T = Toezegging Minister & Staatssecretaris, C = Opgenomen in verband met consistentie.

Noot 3: De indicator «Aandeel leraren dat vindt dat de school hen voldoende faciliteiten en ondersteuning biedt om uitdagend onderwijs te kunnen bieden aan toptalenten» uit de begroting 2015 is gewijzigd in de nu opgenomen indicator. Deze nieuwe indicator sluit beter aan op de afspraken in het bestuursakkoord voor de sector po.

Noot 4: De indicator «Aandeel leerlingen dat zich uitgedaagd voelt in het onderwijs» is gewijzigd. Deze indicator en streefwaarde sluiten beter aan bij de vraagstelling uit de peiling in 2014.

Noot 5: Het voorheen genoemde percentage van 68% wordt niet meer gehanteerd. Dit percentage was het resultaat van een meting onder scholen gericht op het aanbod voor hoogbegaafde – en excellente leerlingen in het VWO; het beleid uit het (oude) bestuursakkoord VO. Het toptalentenbeleid, zoals opgenomen in het sectorakkoord po en vo, is verbreed.

Noot 6: Deze indicator is gewijzigd op basis van het sectorakkoord po en vo. Betrouwbare gegevens op zijn vroegst eind 2015 beschikbaar.

Noot 7: Deze indicator is nog in ontwikkeling. De streefwaarde wordt nader bepaald op basis van de meting van de eerste verplichte eindtoets in schooljaar 2015/2016.

Noot 8: De basiswaarde (5,9%) is gecorrigeerd i.v.m. een nauwkeuriger meetmethode. Hiermee is de streefwaarde 3,9 procent geworden.

Noot 9: Hier geen landelijk streefdoel omdat er prestatieafspraken per instelling zijn gemaakt. Zie verder de brief van 21 april 2015 over de voortgang van de prestatieafspraken.

Noot 10: Om eenduidigheid te creëren tussen de afspraken in het sectorakkoord vo en de begroting, is de indicator aangepast. De waardes zijn gelijk gebleven aan de voorgaande begroting.

Noot 11: De indicator en basiswaardes zijn bijgesteld op basis van een nauwkeuriger meetmethode.

Noot 12: Voor de bovenbouw vwo betreft dit het aandeel leraren met een wo-masteropleiding.

Noot 13: Voor het hbo betreft dit het aandeel docenten met een afgeronde master- of PhD-opleiding

Noot 14: Basiswaarde betreft alle leraren; verwachte tussenwaarde en streefwaarde betreft de leraren met ten minste 3 jaar ervaring.

Noot 15: Basiswaarde betreft alle leraren; verwachte tussenwaarde en streefwaarde betreft de leraren met ruime ervaring (in overleg met de Inspectie van het Onderwijs nader te operationaliseren).

Noot 16: Basiswaarde is aangepast naar het aandeel geregistreerde schoolleiders in het schoolleidersregister i.p.v. het aandeel ingeschreven schoolleiders in het register. Het aandeel ingeschreven schoolleiders in het register stijgt en staat inmiddels op 74% (2015).

Noot 17: De streefwaarde is gewijzigd ten opzichte van de begroting 2015 om een realistischer beeld te geven i.v.m. haalbaarheid van de doelstelling.

Noot 18: Voor het po gaat het om het aandeel scholen dat de decentrale indicatoren uit Vensters PO voor minimaal 80% ingevuld heeft. Alle po-scholen hebben in principe de centrale indicatoren ingevuld.

Noot 19: Onder andere regelmatige evaluatie, planmatig werken aan verbetering, kwaliteitsborging. Vooralsnog alleen aandeel bij basisscholen opgenomen. Deze indicator is nog in ontwikkeling.

Noot 20: Dit betreft het aandeel afdelingen dat adequaat fase 1 doorloopt (meten en analyseren van behaalde resultaten van leerlingen).

Noot 21: De Inspectie van het Onderwijs ontwikkelt de indicator over de verbetertermijn van (zeer) zwakke scholen in het po en vo. In het Onderwijsverslag 2013–2014 worden de gegevens over de absolute aantallen afdelingen dat zich verbetert in een bepaalde termijn gegeven. Voor deze indicator zijn we op zoek naar het percentage van de totale populatie (zeer) zwakke scholen en afdelingen, dus inclusief de scholen en afdelingen die zich nog niet hebben verbeterd. Bij het opstellen van de begroting 2016 waren deze gegevens nog niet beschikbaar. In de voortgangsrapportage Sectorakkoorden po en vo zullen de waardes worden opgenomen.

Noot 22: In het (openbare) rapport JOB-monitor 2014 wordt in tabel op blz. 135 alleen het percentage opgenomen van tevreden studenten over school en studie.

Noot 23: Hier geen landelijk streefdoel omdat niet met alle instellingen over deze indicator prestatieafspraken zijn gemaakt en bovendien deze afspraken per instelling zijn gemaakt.

Noot 24: De waarde verschilt t.o.v. de begroting 2015 omdat de data van DUO wordt gebruikt in plaats van het Platform Bèta en Techniek.

Noot 25: Bron: Vereniging Hogescholen, factsheet «Feiten en cijfers: HBO-Monitor 2014». De indicator betreft de antwoordcategorieën «voldoende/goede aansluiting op de arbeidsmarkt». De HBO-Monitor wordt jaarlijks uitgevoerd.

Noot 26: Bron: VSNU, factsheets WO-Monitor 2011 en 2013. De indicator betreft de antwoordcategorieën «in sterke/zeer sterke mate». De WO-Monitor wordt eenmaal in de twee jaar uitgevoerd.

Noot 27: Naar aanleiding van de beleidsdoorlichting, die in 2014 is uitgevoerd op artikel 15 (Media), zijn de beleidsdoelstelling, subdoeldoelstellingen en kengetallen geactualiseerd. Hierdoor zijn ze in lijn met de visiebrief en het voorstel tot wijziging van de Mediawet 2008.

Noot 28: De ontwikkeling van de economische zelfstandigheid van vrouwen wordt gemonitord op de website OCW in Cijfers.

1 Aansluiting ontwerpbegroting 2015 naar 2016

Deze financiële paragraaf presenteert conform de rijksbegrotingsvoorschriften de belangrijkste budgettaire veranderingen op de OCW-begroting, zowel voor de uitgaven (tabel 1) als de ontvangsten (tabel 2).

Tabel 1 Belangrijkste beleidsmatige mutaties t.o.v. vorig jaar (uitgaven) (bedragen x € 1 miljoen)
 

Art.

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

 

36.032,1

36.210,4

36.305,8

36.195,9

36.090,7

36.082,4

Belangrijkste mutaties:

             

1) Leerlingen- en studentenontwikkeling

diverse

75,1

– 48,3

– 123,3

– 188,3

– 216,8

– 235,9

2) Bijstelling autonome raming studiefinanciering

11,12, 13

79,4

41,9

– 7,4

– 22,5

– 61,3

– 78,8

3) Ramingsbijstelling gewichtenregeling

1

0

– 10,0

– 20,0

– 30,0

– 40,0

– 50,0

4) Ramingsbijstelling onderwijsachterstandenbeleid

1

0

0

– 10,0

– 30,0

– 40,0

– 50,0

5) Ramingsbijstelling subsidies

diverse

0

– 20,0

– 20,0

– 20,0

– 20,0

– 20,0

6) Ramingsbijstelling 2017–2020

91

0

0,0

– 94,3

– 94,3

– 94,3

– 94,3

7) Regeerakkoord D32 tranche 2016

diverse

0

292,0

292,0

292,0

292,0

292,0

8) Eindejaarsmarge

91

– 57,1

0

0

0

0

0

9) Kasschuiven

diverse

– 39,5

392,8

– 372,4

– 119,4

33,0

105,4

10) Generieke digitale infrastructuur

diverse

– 5,6

– 6,2

– 5,7

– 5,1

– 4,2

– 4,2

11) Loonbijstelling

diverse

103,4

102,5

102,5

101,8

101,3

100,8

12) Prijsbijstelling

diverse

33,0

33,0

33,0

33,0

33,0

33,1

13) Niet-kader relevante mutaties

11,12

– 73,1

– 135,4

– 132,5

– 133,1

– 131,1

– 137,8

14) Overige mutaties

diverse

0,4

0,8

7,7

7,6

3,6

3,3

Stand ontwerpbegroting 2016

 

36.148,1

36.853,4

35.955,5

35.987,6

35.946,0

35.946,0

Tabel 2 Belangrijkste beleidsmatige mutaties t.o.v. vorig jaar (ontvangsten) (bedragen x € 1 miljoen)
 

Art.

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

 

1.256,7

1.320,7

1.382,1

1.459,0

1.517,6

1.594,4

Belangrijkste mutaties:

             

1) Leerlingen- en studentenontwikkeling

12,13

– 6,4

– 16,8

– 18,8

– 17,5

– 17,9

– 17,2

2) Bijstelling autonome raming studiefinanciering

11,12, 13

11,4

20,2

7,1

0,1

4,1

8,6

3) Niet kaderrelevante mutaties

11

43,8

66,1

89,8

115,8

144,3

175,2

4) Rente studiefinanciering

11

– 40,3

– 56,0

– 81,5

– 110,2

– 142,4

– 178,7

5) Overige mutaties

diverse

9,4

3,0

3,0

3,0

3,0

3,0

Stand ontwerpbegroting 2016

1.274,6

1.337,2

1.381,6

1.450,2

1.508,7

1.585,4

Toelichting:

Leerlingen- en studentenontwikkeling

In de begroting is, zoals gebruikelijk, de actuele raming van de leerlingen- en studentenaantallen verwerkt. De referentieraming 2015 wijst uit dat het aantal leerlingen en studenten per saldo lager is dan in de referentieraming 2014. Dit wordt veroorzaakt door demografische ontwikkelingen en nieuwe tel- en stroomgegevens 2014.

Zie het algemene deel van het verdiepingshoofdstuk voor de budgettaire bijstelling per onderwijssector.

Bijstelling autonome raming studiefinanciering

Ten opzichte van de begroting 2015 nemen in de begroting 2016 de kaderrelevante uitgaven aan studiefinanciering in 2015 en 2016 toe en vanaf 2017 nemen ze af. Dit is het gevolg van de verwerking van nieuwe realisatiegegevens van DUO. De hogere uitgaven in de eerste jaren doen zich voornamelijk voor bij de basisbeurs en de aanvullende beurs. Er worden in deze jaren naar verwachting meer verstrekte prestatiebeurzen omgezet in een gift dan aanvankelijk geraamd. Deze tegenvaller slaat in latere jaren om in een meevaller, doordat ten opzichte van de eerdere raming het aantal studenten daalt waarvan de prestatiebeurs nog omgezet zal worden in een gift. Bij de ontvangsten (exclusief rente) is er sprake van een meevaller. De uitvoeringsgegevens laten zien dat de ontvangsten uit kortlopende vorderingen enigszins zijn gestegen en deze stijging is naar verwachting structureel. Daarnaast is de ramingssystematiek van de lesgeldontvangsten aangepast en worden de verwachte toekomstige indexaties nu meegenomen.

Ramingsbijstelling gewichtenregeling

Het aantal gewichtenleerlingen daalt ten gevolge van de algemene leerlingendaling in het primair onderwijs en vanwege het feit dat het opleidingsniveau van ouders stijgt. Het geraamde budget voor de gewichtenregeling wordt dientengevolge verlaagd.

Ramingsbijstelling onderwijsachterstandenbeleid

Het aantal gewichtenleerlingen daalt ten gevolge van de algemene leerlingendaling in het primair onderwijs en vanwege het feit dat het opleidingsniveau van ouders stijgt. Het geraamde budget voor het onderwijsachterstandenbeleid wordt dientengevolge verlaagd.

Ramingsbijstelling subsidies

De raming voor subsidies wordt neerwaarts bijgesteld, vanwege verwachte onderuitputting op het subsidie-instrument.

Ramingsbijstelling 2017–2020

Een incidentele bijstelling van € 94,3 miljoen wordt voor de jaren 2017 tot en met 2020 gecentraliseerd op het artikel nominaal en onvoorzien. Bij de begroting 2017 zal deze worden verdeeld over de verschillende begrotingsartikelen, nadat rekening is gehouden met de budgettaire mutatie op basis van de referentie- en studiefinancieringsraming 2016.

Regeerakkoord D32 tranche 2016

De tranche 2016 van de intensivering D32 Onderwijs en onderzoek uit het Regeerakkoord Rutte II is overgeheveld van de aanvullende post naar de OCW-begroting. Deze middelen zijn voor het Nationaal Onderwijsakkoord (NOA).

Zie het algemene deel van het verdiepingshoofdstuk voor een verdeling van deze middelen over de begrotingsartikelen.

Eindejaarsmarge

In 2014 zijn diverse budgetten niet volledig tot besteding gekomen (in totaal € 126,8 miljoen). Daartegenover zijn eind 2014 twee betalingen gedaan, die eigenlijk in 2015 hadden moeten plaatsvinden (in totaal € 184,0 miljoen). De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd met een brief over technische mutaties bij de jaarafsluiting 2014.

Dit heeft geleid tot een negatieve eindejaarsmarge van € 57,1 miljoen in 2014 en dit wordt in 2015 gecompenseerd uit de middelen die overblijven doordat deze betalingen reeds in 2014 zijn gedaan.

Kasschuiven

Op diverse budgetten vinden kasschuiven plaats omdat middelen in latere (of eerdere) jaren benodigd zijn. De grootste zijn:

  • •  voor de ov-studentenkaart is er sprake van een kasschuif van € 400,0 miljoen uit de jaren 2017 en 2018 naar 2016 voor de optimalisatie van het kasritme van de staat;
  • •  voor het actieplan LeerKracht van Nederland worden de maatregelen uit dit actieplan en de dekking ervan met elkaar in evenwicht gebracht. In totaal wordt € 133,7 uit de jaren 2016 en 2017 doorgeschoven naar de jaren 2018 t/m 2020;
  • •  door vertraging in het masterplan onderwijshuisvesting in Caribisch Nederland wordt € 27,5 miljoen uit de jaren 2015 en 2016 doorgeschoven naar de jaren 2017–2019.

Generieke digitale infrastructuur

Dit betreft de bijdrage van OCW aan de voorzieningen binnen de generieke digitale infrastructuur (GDI).

Loonbijstelling & prijsbijstelling

De loon- en prijsbijstelling tranche 2015 is uitgekeerd aan de departementen. Zie het algemene deel van het verdiepingshoofdstuk voor de verdeling over de begrotingsartikelen.

Niet-kader relevante mutaties

De raming voor studiefinanciering laat lagere niet-kaderrelevante uitgaven en hogere niet-kaderrelevante ontvangsten zien ten opzichte van de begroting 2015. Dit betreft de doorwerking van de realisaties in 2014. De lagere uitgaven doen zich onder andere voor bij de reisvoorziening en de rentedragende lening. De hogere ontvangsten betreffen aflossingen op leningen: vanwege de lagere rente, wordt het aflossingsdeel in de terugbetalingen groter.

Rente studiefinanciering (ontvangsten)

De raming voor studiefinanciering laat lagere renteontvangsten zien ten opzichte van de in de OCW-begroting 2015 verwerkte raming uit het voorjaar 2014. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt doordat in de raming 2016 de rentevoet voor de komende jaren neerwaarts is bijgesteld.

Overige mutaties

Dit betreft desalderingen van uitgaven en ontvangsten en overboekingen van en naar andere departementen.

Meerjarenplan Beleidsdoorlichtingen

Tabel planning beleidsdoorlichtingen

Artikel/ doelstelling

Realisatie

Planning

 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Geheel artikel?

Nieuwe ambities en beleidsdoelen

               

1. Primair onderwijs

               
Prestaties van leerlingen en studenten omhoog1.
 

         
Zie toelichting2

Doelmatigheid en focus op onderwijs.

 

         

,,

Scholen en instellingen met een ambitieus leerklimaat inclusief.

           

,,

Brede scholen.

               

Scholen en instellingen maken resultaten inzichtelijk.

           

,,

3. Voortgezet onderwijs

               

Prestaties van leerlingen en studenten omhoog.

 

         

,,

Doelmatigheid en focus op onderwijs.

 

         

,,

Scholen en instellingen met een ambitieus leerklimaat inclusief.

           

,,

Brede scholen.

               

Scholen en instellingen maken resultaten inzichtelijk.

           

,,

4. Beroeps en volwasseneneducatie

         

 

Prestaties van leerlingen en studenten omhoog.

 

         

Zie toelichting

Doelmatigheid en focus op onderwijs.

 

         

,,

Scholen en instellingen met een ambitieus leerklimaat.

           

,,

Scholen en instellingen maken resultaten inzichtelijk.

           

,,

6. Hoger beroepsonderwijs

         

 

Prestaties van leerlingen en studenten omhoog.

 

         

Zie toelichting

Doelmatigheid en focus op onderwijs.

 

         

,,

Scholen en instellingen met een ambitieus leerklimaat.

           

,,

Scholen en instellingen maken resultaten inzichtelijk.

           

,,

7. Wetenschappelijk onderwijs

         

 

Prestaties van leerlingen en studenten omhoog.

 

         

Zie toelichting

Doelmatigheid en focus op onderwijs.

 

         

,,

Scholen en instellingen met een ambitieus leerklimaat.

           

,,

Scholen en instellingen maken resultaten inzichtelijk.

           

,,

8. Internationaal beleid3
               

9. Arbeidsmarkt- en Personeelsbeleid

               

Goed opgeleide en professionele leraren, docenten en schoolleiders.

 

         

,,

11. Studiefinanciering4
           

Prestaties van leerlingen en studenten omhoog.

 

         

Zie toelichting

12. Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

     

     

13. Lesgelden5
               

14. Cultuur

               

Een sterke cultuursector die ondernemend en innovatief is en goed zorgt voor ons erfgoed.

 

         

15. Media

           

Het waarborgen van een onafhankelijk, gevarieerd en kwalitatief hoogwaardig media-aanbod.

           

16. Onderzoek en wetenschapsbeleid

               

25. Emancipatie

       

   

Het bevorderen van emancipatie.

           

Afgeronde en eerder toegezegde beleidsdoorlichtingen.

               

16. Onderzoek- en Wetenschapsbeleid

             
Geen beleidsdoorlichting6

IBO Wetenschap.

               

Noot 1: De overkoepelende doorlichting Prestaties leerlingen en studenten omhoog zal worden uitgevoerd met daarin duidelijk herkenbaar de door te lichten beleidsdoelstellingen Doelmatigheid en focus op het onderwijs en Goed opgeleide en professionele leraren, docenten en schoolleiders.

Noot 2: In november 2011 heeft het MT-OCW besloten de periodieke beleidsdoorlichtingen niet te richten op de begrotingsartikelen maar juist op de speerpunten van het beleid (artikel overschrijdend) zoals weergegeven in de beleidsagenda van de begroting OCW 2012. In 2014 zijn twee van de vijf onderwijsdoelstellingen doorgelicht de overige drie onderwijsdoelstellingen worden in 2015 doorgelicht.Voor de doorlichtingen na 2015 heeft het MT-OCW in juni 2015 besloten de doorlichtingen weer op artikelniveau uit te voeren.

Noot 3: Internationaal beleid, is een restartikel en geen beleidsartikel. Er is dus geen beleidsdoorlichting gepland. Internationaal beleid draagt bij aan de beleidsdoelstellingen op andere artikelen.

Noot 4: Het studiefinancieringsbeleid is met de invoering van de Wet studievoorschot hoger onderwijs (Stb. 2015, nr. 50) per 1 september 2015 sterk gewijzigd. In 2020 zal er een doorlichting van het gewijzigd beleid plaatsvinden.

Noot 5: Lesgelden: het doel van het heffen van lesgeld is het genereren van inkomsten voor de financiering van het onderwijs. Dit is een financieel doel. Omdat het hier geen beleidsmatig doel betreft ligt een beleidsdoorlichting niet in de rede.

Noot 6: In 2014 is er Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) voor het beleidsterrein wetenschap uitgevoerd.

Overzicht van Risicoregelingen

Tabel 1 Overzicht verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)

Art.

Omschrijving

Uitstaande garanties 2014

Geraamd te verlenen 2015

Geraamd te vervallen 2015

Uitstaande garanties 2015

Geraamd te verlenen 2016

Geraamd te vervallen 2016

Uitstaande garanties 2016

Garantie-plafond

Totaal plafond

14

Indemniteits-regeling

351.000

600.000

651.000

300.000

600.000

600.000

300.000

300.000

300.000

14

Achterborg overeenkomst NRF

247.853

29.000

15.000

261.853

29.000

15.000

275.853

380.000

380.000

 

Bouwleningen aan Academische Ziekenhuizen

239.716

0

4.553

235.163

0

0

235.163

0

235.163

Toelichting:

De Indemniteitsregeling heeft tot doel een bijdrage te leveren aan het realiseren van tentoonstellingen van bijzonder belang of het tentoonstellen van bijzondere bruiklenen in Nederland door het beperken van de verzekeringskosten van musea. De garantstelling van het Rijk voor schade of verlies tot de eerste 30 procent van de verzekerde waarde (indemniteitsgarantie) van kunstwerken, verlaagt de verzekeringskosten van musea. Het risico is ook te verzekeren op de markt, maar de kosten zijn dan hoger, waardoor er minder budget voor tentoonstellingen overblijft. Daarnaast blijkt dat een indemniteitsgarantie ook als internationaal keurmerk fungeert: buitenlandse publieke en private eigenaren van museale objecten hechten aan de garantstelling vanuit het Rijk. Risicobeheersende maatregelen betreffen ondermeer dat alleen erkende musea een aanvraag mogen doen op de indemniteitsregeling bij de Rijksdienst Cultureel Erfgoed die deze aanvraag, mede op de aanwezigheid basis van een risico-inventarisatie en -analyse, toetst.

Een bedrag van € 15 miljoen dient als begrotingsreserve voor de indemniteitsregeling waaruit eventuele schadevergoedingen betaald kunnen worden.

Het NRF verstrekt hypothecaire leningen aan monumenteigenaren van rijksmonumenten om restauraties uit te voeren. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen laagrentende hypothecaire leningen uit het revolving fund en aanvullende financieringen om de gehele restauratieopgave gefinancierd te krijgen. De Achterborgovereenkomst NRF, en de garantie van het Ministerie van OCW, zien alleen toe op de aanvullende financiering. Door deze garantie kan het NRF financiering tegen een lagere rente aantrekken. Deze lagere rente wordt doorgerekend aan de monumenteigenaren zodat deze eigenaren gestimuleerd worden hun monument te restaureren.

Aangezien er een algemeen belang is (gebouwen van nationaal belang) waar een individu lasten van ervaart (hoge onderhoudskosten, beperkte mogelijkheden tot modernisering, dure oplossingen voor bijvoorbeeld energiebesparende maatregelen), wordt gebruik gemaakt van ondersteunende maatregelen. Door middel van deze regeling wordt cultureel erfgoed in stand gehouden en wordt tegelijkertijd minder gebruik gemaakt van de subsidie die het NRF ook uitbetaalt.

De Achterborg kan in werking treden en tot daadwerkelijke kasverplichtingen komen, wanneer de eigenaren van Rijksmonumenten op grote schaal niet meer in staat zijn aan de rente- en aflossingsverplichtingen te voldoen en het eigen vermogen van het Nationaal Restauratiefonds is uitgeput. Dit eigen vermogen (voornamelijk vanuit Revolverende Fondsen) is momenteel beduidend hoger dan de uitstaande leningen onder de Achterborg.

Voor de Academische Ziekenhuizen is sinds 1991 de garantieregeling niet meer van kracht, met uitzondering van enkele op dat moment in gang gezette bouwprojecten. Sinds 1996 zijn geen garanties meer verstrekt. Deze leningen hebben gemiddeld een looptijd van 40 jaar. Expiratie van deze leningen zal omstreeks het jaar 2035 volledig hebben plaatsgevonden.

Het Toetsingskader risicoregelingen studievoorschot is toegevoegd als bijlage aan het wetsvoorstel studievoorschot. Bij beleidsmatige wijzigingen van het studievoorschot wordt een nieuw Toetsingskader risicoregelingen opgesteld en aan het parlement gestuurd. In 2020 zal een beleidsdoorlichting van art. 11 Studiefinanciering plaats vinden waarin ook zal worden gekeken naar de risico’s voor de overheid.

Belastinguitgaven

Tabel Belastinguitgaven
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Inkomstenbelasting

             

Vrijstelling voorwerpen vankunst en wetenschap forfaitair rendement

5

6

6

6

6

6

6

Aftrek kosten monumentenwoning

57

57

57

57

57

58

58

Aftrek voor scholingsuitgaven (studiekosten)

271

273

261

276

293

310

328

               

Omzetbelasting verlaagd tarief

             

Boeken, tijdschriften, week- en dagbladen

442

436

430

425

420

415

410

Bibliotheken (verhuur boeken), musea e.d.

168

175

180

184

189

194

199

Kernissen, attractieparken, sportwedstrijden en accommodatie

419

438

457

476

496

516

538

Circussen, bioscopen, theaters en concerten

229

239

248

258

268

278

289