Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

4. BEROEPSONDERWIJS EN VOLWASSENENEDUCATIE

Algemene doelstelling

Het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie zorgen ervoor dat deelnemers hun talenten maximaal kunnen ontplooien en volwaardig kunnen deelnemen aan de samenleving. Deelnemers worden voorbereid op passend vervolgonderwijs en/of een positie op de arbeidsmarkt die optimaal aansluit bij hun talenten.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor een middelbaar onderwijsstelsel dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten en de ambities van individuele deelnemers en bij de behoeftes van de maatschappij. De bve-sector omvat het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) en de volwasseneneducatie. Het middelbaar beroepsonderwijs heeft een belangrijke maatschappelijke en economische functie. Het is een belangrijke leverancier van werknemers voor de arbeidsmarkt. Ook is het een schakel tussen het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs en het hoger beroepsonderwijs.

Financieren: De Minister is verantwoordelijk voor de financiering van het middelbaar onderwijs door lumpsumbekostiging van de onderwijsinstellingen. Hierdoor wordt de toegankelijkheid van het onderwijs gewaarborgd.

Stimuleren: De Minister stimuleert specifieke beleidsonderwerpen door het verstrekken van aanvullende bekostiging, subsidies, en de inzet van andere instrumenten zoals overleg, voorlichting, kwaliteitsafspraken en wet- en regelgeving.

Regisseren: De Minister vult haar verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderwijs in via een regisserende rol. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving; de Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving.

Indicatoren/kengetallen

Tabel 4.1 Indicatoren

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

(jaartal)

Tussenwaarde1

(jaartal)

Streefwaarde

(jaartal)

Art.nr.

Bron2

1

Ambitieus onderwijs dat alle leerlingen en studenten uitdaagt

a)

Alle leerlingen en studenten worden uitgedaagd

           
 

Percentage studenten in het mbo dat zich uitgedaagd voelt

mbo

34% (2010–2011)

36% (2013/2014)

Verbetering

4

C

b)

Vergroten studiesucces

           
 

Percentage mbo-deelnemers per niveau dat met diploma de instelling verlaat, jaarresultaat per niveau

mbo

(2008)

(2013/2014)

(2020)

4

 

Niveau 1: 66%

79%

Hoger

Niveau 2: 62%

73%

Hoger

Niveau 3: 63%

72%

Hoger

Niveau 4: 65%

74%

Hoger

Totaal: 64%

73%

Hoger

2

Scholen en instellingen werken met goed opgeleide en professionele leraren en schoolleiders die samen zorgen voor een veilig en ambitieus leerklimaat

 

Aandeel leraren dat is geregistreerd in het Lerarenregister

po/vo/mbo

7.9% (2014)

20% (2016)

100% (2017)

1, 3 en 4

SA, LA, T

3

Scholen en instellingen maken resultaten inzichtelijk en worden aangesproken op hun prestaties

 

Aantal voortijdig schoolverlaters

vo/mbo

41.800 (2009)

25.000 (2014/2015)

25.000 (2015/2016)

3 en 4

 
 

Studenten-tevredenheid

mbo

(Rapportcijfer 2014)

(2016)

(2020)

4

C

– 

Opleiding

7,0

7,2

7,5

– 

Instelling

6,5

6,7

7,0

 
(% tevreden over school en studie)3 2014: 49%

51% (2016)

55% (2020)

 

hbo: 65,6%

hbo: 69,9%

 

wo: 80,1%

wo: 81,4%

4

Aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt verbeteren

 

Aandeel mbo-studenten techniek

mbo

25% (2012)

27,4% (2014)

30% (2016)

4

 
 

Percentage 25–64 jarigen dat deelneemt aan een leeractiviteit (Leven Lang Leren)

mbo/ho

16,6% (2010)

17,4% (2013)

20% (2020)

4 en 6/7

T

 

Percentage gediplomeerden dat aangaf dat de opleiding voldoende basis was om te starten op de arbeidsmarkt

mbo

80% (2012)

79% (2013)

Hoger

4

T

Noot 1: De opgenoemen tussenwaarden worden definitief in de voortgangsrapportage van het sectorakkoord po en vo (verschijnt in oktober 2015).

Noot 2: SA = Sectorakkoorden, LA = Lerarenagenda, T = Toezegging Minister en Staatssecretaris, C = Opgenomen in vreband met consistentie.

Noot 3: Onder andere regelmatige evaluatie, planmatig werken aan verbetering, kwaliteitsborging, vooralsnog alleen aandeel bij basisscholen opgenomen. Deze indicator is nog in ontwikkeling.

Tabel 4.2 Kengetallen

Indicator

2015

2016

2017

2018

2019

2020

1.

Aantal deelnemers mbo (excl. «groen onderwijs», vavo)

449.600

450.000

448.600

449.100

448.700

445.500

 

Bol

354.900

352.200

351.300

351.800

351.800

350.900

 

bbl

94.700

97.800

97.300

97.300

96.800

94.600

 

dt-bol

0

0

0

0

0

0

 

vavo

8.200

8.400

8.400

8.300

8.000

6.700

Bron: OCW-Referentieraming 2015

2.

Onderwijsuitgaven per mbo-student (x € 1.00)1.

8,0

7,9

7,9

7,9

7,9

7,9

Noot 1: De onderwijsuitgaven per student zijn berekend door de middelen voor het instrument bekostiging te delen door het ongewogen aantal mbo-studenten uit de referentieraming 2015

Beleidswijzigingen

Voor de voorgenomen maatregelen wordt verwezen naar de beleidsagenda hiervoor. De voorstellen zijn een verdere verdieping en verbreding van de ingezette koers en geven een impuls aan kwaliteitsverbetering van de mbo-opleidingen. Door verschillende trends zal de dynamiek op de arbeidsmark steeds groter worden en het mbo zal responsiever moeten worden om deze veranderingen een plek te kunnen geven in het onderwijs.

Ook zal 2016 het jaar zijn waarin de herziene kwalificatiestructuur verplicht in werking treedt en de keuzedelen een plek krijgen in het mbo. Zo kan de inhoud van het mbo-onderwijs sneller inspelen op veranderingen binnen het bedrijfsleven en in de samenleving. Per augustus 2015 heeft de stichting Samenwerking beroepsonderwijs en bedrijfsleven (SBB) de taken ten aanzien van de kwalificatiestructuur en beroepspraktijkvorming die zijn overgeheveld van de kenniscentra overgenomen. Zo wordt de organisatie van de kwalificatiestructuur en beroepspraktijkvorming gestroomlijnd. Dit is noodzakelijk om vernieuwingen in het beroepsonderwijs mogelijk te maken.

2016 zal ook het jaar worden waarin vervolgstappen worden gezet om het onderwijs responsiever te maken voor de veranderende arbeidsmarkt en tegelijkertijd herkenbaar voor studenten en het bedrijfsleven.

Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Tabel 4.3 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 4 (bedragen x € 1.000)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen

3.898.698

4.115.057

4.026.058

4.058.428

4.010.137

3.990.053

3.945.374

Waarvan garantieverplichtingen

25.160

18.830

         

Totale uitgaven

3.757.009

4.086.757

4.064.713

4.024.329

4.053.148

4.009.856

3.986.080

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

99,7%

       
               

Bekostiging

3.404.283

3.677.623

3.618.097

3.583.173

3.637.117

3.606.606

3.595.343

Hoofdbekostiging

3.166.278

3.312.976

3.173.954

3.125.737

3.164.439

3.141.173

3.136.954

 

Bekostiging roc's/overige regelingen

2.995.643

3.198.238

3.107.548

3.059.317

3.098.019

3.074.753

3.070.534

 

Bekostiging kbb's

108.001

46.134

0

0

0

0

0

 

Bekostiging Caribisch Nederland

4.313

9.070

6.872

6.886

6.886

6.886

6.886

 

Bekostiging vavo

58.321

59.534

59.534

59.534

59.534

59.534

59.534

Kwaliteitsafspraken

31.845

228.100

319.900

322.900

322.900

322.900

322.900

 

Investeringsbudget

4.100

191.600

184.000

187.000

187.000

187.000

187.000

 

Resultaatsafhankelijk budget

27.745

36.500

135.900

135.900

135.900

135.900

135.900

Aanvullende bekostiging

206.160

136.547

124.243

134.536

149.778

142.533

135.489

 

Schoolmaatschappelijk werk in het mbo

13.922

13.944

15.000

15.000

15.000

15.000

15.000

 

Regionaal Investeringsfonds

3.575

14.760

18.410

23.410

43.945

36.700

29.656

 

Salarismix Randstadregio's

41.114

41.120

41.283

41.283

41.283

41.283

41.283

 

Plusvoorzieningen overbelaste jongeren

30.408

30.400

30.400

30.400

30.400

30.400

30.400

 

Programmagelden regio's

19.458

19.258

19.150

24.443

19.150

19.150

19.150

 

Convenanten met RMC-regio's

16.329

17.065

0

0

0

0

0

 

Taal en Rekenen

52.600

0

0

0

0

0

0

 

Leerlinggebonden financiering (LGF)

18.529

0

0

0

0

0

0

 

School-ex 2.0

10.115

0

0

0

0

0

0

 

Aanvullende vergoeding experimenten vmbo-mbo 2

110

0

0

0

0

0

0

                   

Subsidies

238.592

256.180

252.140

250.658

227.641

216.072

216.064

 

Subsidieregeling praktijkleren

197.055

206.500

206.500

206.500

206.500

206.500

206.500

 

Actieplan Laaggeletterdheid/Tel mee met taal

3.715

4.000

11.300

10.750

10.200

7.000

7.000

 

Pilots laaggeletterdheid

5.000

5.000

0

0

0

0

0

 

Loopbaanoriëntatie

700

2.100

1.300

1.300

1.300

1.300

1.300

 

ROC Leiden

0

0

20.000

20.000

0

0

0

 

Sectorplan mbo-hbo techniek

0

0

1.800

1.300

0

0

0

 

Netwerkscholen

3.500

0

0

0

0

0

0

 

Overige subsidies

28.622

38.580

11.240

10.808

9.641

1.272

1.264

                   

Opdrachten

6.556

4.312

2.311

2.311

2.311

2.311

2.311

 

In- en uitbesteding

1.509

4.312

2.311

2.311

2.311

2.311

2.311

 

Caribisch Nederland1

5.047

0

0

0

0

0

0

                   

Bijdrage aan agentschappen

19.123

22.635

19.699

18.893

17.269

17.266

17.261

 

Dienst Uitvoering Onderwijs

19.123

18.369

17.199

16.393

14.769

14.766

14.761

 

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

0

4.266

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

                   

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

45

22.514

63.251

63.866

63.666

63.466

63.466

 

College voor Toetsen en Examens

45

551

4.365

4.365

4.365

4.365

4.365

 

Wet SLOA

0

2.706

9.588

10.303

10.303

10.303

10.303

 

SBB

0

19.257

49.298

49.198

48.998

48.798

48.798

                   

Bijdrage aan medeoverheden

34.526

103.493

109.215

105.428

105.144

104.135

91.635

 

RMC's

32.200

32.550

32.550

32.550

32.550

32.550

32.550

 

Educatie

0

56.234

56.234

56.234

56.234

56.234

56.234

 

Caribisch Nederland

2.326

14.709

20.431

16.644

16.360

15.351

2.851

                   

Bijdrage aan sociale fondsen

53.884

0

0

0

0

0

0

 

Participatiebudget

53.884

0

0

0

0

0

0

Ontvangsten

8.038

6.500

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

Noot 1: Dit is inclusief verbetermiddelen Caribisch Nederland. Zie overzicht rijksuitgaven Caribisch Nederland van het BES-fonds.

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 4 is in 2016 99,7 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2016 is 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op de betalingen aan mbo-instellingen (inclusief Caribisch Nederland). In de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) en het Uitvoeringsbesluit WEB (UWEB) zijn de bepalingen, bedragen en percentages opgenomen op basis waarvan de rijksbijdrage en aanvullende bekostiging via regelingen wordt berekend.

Subsidies

Van het beschikbare budget is in 2016 95 procent juridisch verplicht. Het resterende deel van het budget is beleidsmatig verplicht. Ervaringsgegevens laten zien dat in de loop van het jaar het resterende deel van het budget wordt verplicht. Voor nadere toelichting wordt verwezen naar de subsidiebijlage.

Opdrachten

Van het beschikbare budget is in 2016 75 procent juridisch verplicht. Het resterende deel van het budget is beleidsmatig verplicht. Ervaringsgegevens laten zien dat in de loop van het jaar het resterende deel van het budget wordt verplicht.

Bijdragen aan baten/lastendienst

Het budget voor 2016 is 100 procent juridisch verplicht. Op basis van managementafspraken tussen bestuursdepartement en DUO zijn afspraken vastgelegd voor het komende jaar.

Bijdragen aan medeoverheden

De middelen voor Caribisch Nederland voor 2016 zijn voor 95 procent verplicht. Het gaat om incidentele investeringen en voorzieningen in Caribisch Nederland die (nog) niet uit de lumpsum bekostigd kunnen worden. De rest van de middelen die onder medeoverheden vallen zijn voor 100 procent verplicht in 2016.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Het budget voor 2016 is voor 100 procent juridisch verplicht. Deze middelen zijn grotendeels bestemd voor de uitvoering van de wettelijke taken van SBB en de ontwikkeling van centrale examinering taal en rekenen door Cito en het College voor Examens.

Toelichting op de financiële instrumenten

Bekostiging

Hoofdbekostiging

Bekostiging roc’s en vakinstellingen

De rijksbijdrage die de mbo-instellingen ontvangen, is gebaseerd op de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB). In deze wet is een aantal maatregelen uit het actieplan «Focus op vakmanschap» opgenomen. Deze maatregelen zijn per 1-8-2014 in werking getreden (Stb 2013, 288). Ook is de basis gelegd voor aanpassing in van het bekostigingsmodel. Deze aanpassingen zijn nader uitgewerkt in het Uitvoeringsbesluit WEB (Stb 2014, 142). De nieuwe bekostigingssystematiek is voor het eerst toegepast voor het bekostigingsjaar 2015. Het landelijk budget dat beschikbaar is voor het beroepsonderwijs wordt verdeeld in een budget voor entreeopleidingen en een budget voor de niveaus 2 t/m 4. Voor de entreeopleidingen wordt het budget verdeeld over de instellingen naar rato van het aantal ingeschreven studenten. Voor de niveaus 2 t/m 4 naar rato van het aantal ingeschreven studenten en het aantal afgegeven diploma’s van elke instelling. De mate waarop een student meetelt, is afhankelijk van de leerweg (bol of bbl), de opleiding (c.q. prijsfactor van de opleiding) en het aantal verblijfsjaren in het mbo. De mate waarop een diploma meetelt is afhankelijk van het niveau en of de student al eerder een mbo-diploma heeft behaald. Voor de jaren 2015 tot en met 2018 is nog voorzien in een overgangsbekostiging om te zorgen voor een geleidelijke overgang naar het nieuwe bekostigingsmodel.

Bekostiging Caribisch Nederland

In Caribisch Nederland wordt op alle drie de eilanden middelbaar beroepsonderwijs (mbo) aangeboden. Op de bovenwindse eilanden wordt alleen een beperkt aantal opleidingen op niveau 1 en 2 aangeboden. Op Bonaire worden op alle mbo-niveaus (1–4) opleidingen aangeboden. Deze middelen zijn bedoeld om de instellingen in Caribisch Nederland via lumpsumbekostiging te financieren voor de studenten die middelbaar beroepsonderwijs volgen.

Bekostiging vavo

Sinds 1 januari 2013 wordt het vavo rechtstreeks door OCW bekostigd. In 2013 en 2014 op basis van de overgangsbekostiging. Vanaf het bekostigingsjaar 2015 wordt het nieuwe bekostigingsmodel toegepast (Stb 2014, 148). Voor de verdeling van de beschikbare middelen wordt gebruik gemaakt van drie maatstaven, namelijk het aantal ingeschreven studenten, het aantal vakken dat door studenten met een voldoende is afgesloten en het aantal afgegeven diploma’s. Voor de jaren 2015 en 2016 is nog voorzien in een overgangstraject om te zorgen voor een geleidelijke overgang naar het nieuwe model.

Prestatiebox

Kwaliteitsafspraken

Vanaf 2015 worden integrale kwaliteitsafspraken gemaakt met instellingen. De kwaliteitsafspraken bestaan uit drie delen:

Per 2015 is de eerste tranche van de kwaliteitsafspraken in werking getreden, die betrekking heeft op kwalitatieve afspraken waarbij mbo-instellingen hun verbeterambities ten aanzien van de onderwijskwaliteit formuleren in een kwaliteitsplan. De volgende thema’s staan hierbij centraal: professionele ontwikkeling van het onderwijzend personeel (waaronder examenfunctionarissen), taal en rekenen, kwaliteit van de beroepspraktijkvorming, excellent vakmanschap, vsv en kwetsbare jongeren en studiewaarde. Het integrale kwaliteitsplan en de maatregelen die daarin opgenomen zijn, staan in dienst van de opgave van het mbo: de drievoudige kwalificering, nodig voor een goede aansluiting op de arbeidsmarkt en een goede aansluiting op het hoger beroepsonderwijs. Aan de instellingen wordt voor de kwalitatieve afspraken een investeringsbudget beschikbaar gesteld. Daartoe zijn een aantal bestaande regelingen gebundeld.

Naast een resultaatafhankelijke beloning voor voortijdig schoolverlaten worden vanaf 2016 mbo-instellingen die goede resultaten laten zien op het gebied van studiewaarde beloond. OCW ontwikkelt in samenwerking met de MBO Raad en het georganiseerd bedrijfsleven (beide vertegenwoordigd in de Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven) een valide indicator voor de kwaliteit van de bpv die een rechtmatige bekostiging toelaat vanaf 2017.

Via www.kwaliteitsafsprakenmbo.nl worden per instelling de (kwantitatieve) resultaten transparant gemaakt.

Aanvullende bekostiging

Schoolmaatschappelijk werk in het mbo

Voor schoolmaatschappelijk werk worden jaarlijks middelen aan het mbo-veld ter beschikking gesteld. Met deze middelen kunnen instellingen voor de studenten, die dit tijdelijk nodig hebben, snel en adequaat hulpverlening inschakelen. Hierdoor wordt het risico op uitval van deze student verkleind.

Regionaal investeringsfonds mbo

Met het Regionaal investeringsfonds mbo, onderdeel van het Techniekpact, zal in de periode 2014 tot en met 2017 € 100 miljoen beschikbaar worden gesteld voor duurzame publiek-private samenwerking (pps) in het beroepsonderwijs. Mbo-instellingen, bedrijfsleven en bijvoorbeeld regionale overheden kunnen samen een aanvraag indienen. Die aanvraag moet bijdragen aan een betere aansluiting van onderwijs op de arbeidsmarkt. Bovendien moeten bedrijfsleven en, bij voorkeur, regionale overheden in de desbetreffende regio de subsidie aanvullen met een financiële bijdrage.

Salarismix mbo Randstadregio’s

Aanvullend op de in de lumpsum op te nemen beloningsmaatregelen zijn in het actieplan LeerKracht van Nederland afspraken gemaakt over de versterking van de salarismix in de zogenaamde Randstadregio’s. Hier kennen scholen een grotere beloningsachterstand ten opzichte van de marktsector, een grotere arbeidsmarktproblematiek en (een optelsom van) grootstedelijke problemen. De middelen worden op grond van een ministeriële regeling in aanvulling op de lumpsum verstrekt aan instellingen in deze regio’s.

Plusvoorziening/Programmagelden regio’s

Op grond van de Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten ontvangt iedere RMC-regio middelen voor een regionaal programma vsv met als doel het voorkomen van voortijdig schoolverlaten. De Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten is een bundeling van de voormalige vsv-onderwijsprogramma’s en de subsidie Plusvoorzieningen voor overbelaste jongeren.

Subsidies

Voor het stimuleren en realiseren van verscheidene beleidsdoelstellingen worden subsidies verstrekt (zie voor het totaaloverzicht bijlage 4: Subsidies).

Subsidieregeling praktijkleren

De subsidieregeling praktijkleren heeft tot doel het stimuleren van werkgevers tot het bieden van praktijkleerplaatsen en werkleerplaatsen en is een compensatie voor de kosten die een werkgever maakt voor begeleiding in de praktijk van de leerling/student.

De regeling wordt vooral gericht op de groep jongeren in een kwetsbare positie waar bijvoorbeeld jeugdwerkloosheid een groot probleem is, studenten die een opleiding volgen in sectoren waarin knelpunten in de personele voorziening worden verwacht en wetenschappelijk personeel dat onmisbaar is voor onze kenniseconomie.

Actieplan Tel mee met Taal

Ter ondersteuning van de aanpak van laaggeletterdheid wordt in 2016 € 7 miljoen beschikbaar gesteld als bijdrage aan het actieplan «Tel mee met Taal 2016–2018» dat door de ministeries van OCW, SZW en VWS wordt uitgevoerd en gefinancierd. Activiteiten in dit kader worden door nader aan te wijzen partijen uitgevoerd. Onderdeel van de bijdrage van € 7 miljoen betreffen de € 5 miljoen die als gevolg van de motie Ypma c.s. structureel zijn toegevoegd aan het budget voor de aanpak van laaggeletterdheid.

Loopbaanoriëntatie (LOB)

LOB gelden worden voornamelijk geïnvesteerd in ondersteuning van mbo-instellingen zodat zij (aanstaande) mbo-studenten beter kunnen begeleiden bij hun studieloopbaan, studiekeuzes en persoonlijke bewustwording en ontwikkeling. Loopbaanoriëntatie moet het risico op uitval en switchgedrag beperken.

ROC Leiden

In het kader van de problematiek rondom ROC Leiden zal in totaal een (maximale) financiële bijdrage van € 40 miljoen beschikbaar gesteld worden. Dit bedrag zal in tranches verstrekt worden en komt uit het macrobudget. De korting, van twee keer € 20 miljoen, zal in 2016 en 2017 plaatsvinden.

Sectorplan mbo-hbo techniek 2011–2016

Dit betreft middelen voor het sectorplan mbo-techniek en het sectorplan hbo-techniek. Hiermee worden de centers of expertise in het hbo en de centra voor innovatief vakmanschap in het mbo gefinancierd (eerste generatie). Deze centra, die met cofinanciering van bedrijven tot stand komen, zijn gericht op toponderwijs, toponderzoek en innovaties in het bedrijfsleven.

Overige projecten

Hieronder vallen posten zoals internationalisering en kwaliteitsbeleid.

Opdrachten

Dit betreft middelen voor diverse beleidsgerichte activiteiten en onderzoeken.

Bijdrage aan agentschappen

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Bekostiging SBB

Vanaf 1 augustus 2015 zijn de wettelijke taken van de kenniscentra overgedragen aan de stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (ZBO). De SBB ontvangt middelen om de wettelijke taken uit te voeren, waarmee wordt bijdragen aan het primaire proces van het beroepsonderwijs. Hiertoe behoort het ontwikkelen en onderhouden van de kwalificatiestructuur. Tevens werft en accrediteert de SBB leerbedrijven, zorgt voor voldoende praktijkplaatsen en bevordert de kwaliteit van de praktijkplaatsen. De samenwerking van onderwijs en bedrijfsleven binnen één organisatie biedt mogelijkheden voor een nieuwe, frisse manier van werken die bijdraagt aan kwalitatief goed beroepsonderwijs met opleidingen die up-to- date zijn en voldoende, goede stageplaatsen.

College voor Toetsen en Examens

Het College voor Toetsen en Examens (CvTE) is een ZBO die verantwoordelijk is voor de examens rekenen en taal in het beroepsonderwijs en staatsexamens Nederlands als tweede taal.

Bijdrage aan medeoverheden

Caribisch Nederland

Deze middelen worden ingezet voor het verhogen van de kwaliteit van het onderwijs in Caribisch Nederland tot een naar Nederlandse maatstaven aanvaardbaar niveau. Een groot gedeelte van het budget is bestemd voor de verbetering van de onderwijshuisvesting. Daarnaast is er voor samenwerking met Curaçao, Sint Maarten en Aruba structureel een beperkt budget beschikbaar, bestemd voor het bevorderen van voorzieningen in de regio, mede ten behoeve van de inwoners van Caribisch Nederland.

RMC’s

Dit is de bekostiging van de rmc-functie van 39 rmc-regio’s. De rmc-functie heeft tot taak met de vsv’ers van 18 jaar en ouder uit vo en mbo contact te leggen en hen zoveel mogelijk terug te begeleiden naar school of naar een combinatie van school en werk.

Educatie

Met ingang van 1 januari 2015 wordt het educatiebudget – in elk geval tot en met 2017 – per specifieke uitkering verstrekt aan samenwerkende gemeenten binnen een regio (via de contactgemeente). Hierbij wordt de verplichte besteding bij roc’s afgebouwd en wordt het mogelijk voor gemeenten maatwerk te bieden voor de diverse doelgroepen van de volwasseneneducatie.

Tabel 4.4 Overzicht Specifieke Uitkering (bedragen x € 1 miljoen)
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

1.

Ontvangende partij(en)

32,6

32,6

32,6

32,6

32,6

32,6

 

Gemeenten

           
 

Korte omschrijving uitkering

           
 

Regionale meld- en coördinatiecentra voortijdig schoolverlaten. De RMC-functie heeft tot taak met de niet meer kwalificatieplichtige dreigende vsv’ers uit VO en MBO contact te leggen en het zoveel mogelijk terug te begeleiden naar school en/of werk. De daarvoor beschikbare middelen worden over de RMC- regio’s verdeeld volgens een verdeelsleutel die is vastgelegd in het «Besluit regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten». Het bedrag per regio wordt uitgekeerd aan de RMC-contactgemeente van de regio.

           
 

Vindplaats regelgeving

           
 

Artikel 8.3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs

           

2.

Ontvangende partij(en)

56,2

56,2

56,2

56,2

56,2

56,2

 

Gemeenten

           
 

Korte omschrijving uitkering

           
 

Sinds 1 januari 2009 maakte het educatiebudget onderdeel uit van het Participatiebudget, een specifieke uitkering voor gemeenten. Met ingang van 1 januari 2015 wordt het educatiebudget per specifieke uitkering verstrekt aan de samenwerkende gemeenten binnen een regio (via de contactgemeente). Hierbij wordt de verplichte besteding bij roc’s binnen een aantal jaren afgebouwd en wordt het mogelijk voor gemeenten maatwerk te bieden voor de diverse doelgroepen van de volwasseneneducatie.

           
 

Vindplaats regelgeving

           
 

Wijzigingswet Wet participatiebudget, enz. (invoeren specifieke uitkering educatie en vervallen verplichte besteding educatiemiddelen bij regionale opleidingencentra)

           

Artikel