Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

4.1 Beleidsartikel 1 Bewaking en bestrijding van dierziekten en voorkomen en verminderen van welzijnsproblemen

Algemene doelstelling

Bewaking en bestrijding van bepaalde dierziekten en het voorkomen en verminderen van welzijnsproblemen.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is verantwoordelijk voor:

  • –  Het bestrijden van dierziekten die op basis van wetgeving verplicht moeten worden bestreden en indirect verantwoordelijk voor welzijnsaspecten bij de bestrijding.
  • –  Het tijdig signaleren en afhandelen van verdenkingen en besmettingen door onderzoek en monitoring/bewaking van bepaalde dierziekten (bijvoorbeeld scrapie, blauwtong, brucella melitensis, klassieke en Afrikaanse varkens pest, MKZ, AI, Ziekte van Aujeszky, salmonella en Mycoplasma en BSE).
  • –  Effectieve en doelmatige crisisorganisatie bij dierziektenuitbraken.

Telkens na een uitbraak van een besmettelijke dierziekte vindt een evaluatie plaats op alle onderdelen van bestrijdingsmaatregelen, welzijnsmaatregelen en crisisorganisatie.

Beleidswijzigingen

Beleidswijzigingen op het terrein van het diergezondheid worden opgenomen onder artikel 16 «Concurrerende, duurzame, veilige, agro-,visserij- en voedselketens» van de EZ-begroting.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

01 Bewaking en bestrijding van dierziekten en voorkomen en verminderen van welzijnsproblemen

             
               

Verplichtingen

13.751

42.824

30.620

30.620

30.620

30.620

30.620

Uitgaven

13.751

42.824

30.620

30.620

30.620

30.620

30.620

waarvan juridisch verplicht

   

63%

       

Beginsaldo

9.294

19.064

         

Programma-uitgaven

13.751

42.824

30.620

30.620

30.620

30.620

30.620

               

Opdrachten

13.751

42.824

30.620

30.620

30.620

30.620

30.620

1. Bewaking van dierziekten

4.531

9.307

17.707

17.707

17.707

17.657

17.657

2. Bestrijding van dierziekten

9.147

33.517

12.553

12.553

12.553

12.603

12.603

3. Voorkomen en verminderen van welzijnsproblemen

4.Overig

73

– 

360

360

360

360

360

               

Ontvangsten

23.521

42.824

30.620

30.620

30.620

30.620

30.620

               

Eindsaldo

19.064

           
               

Specificatie ontvangsten:

             
Ontvangsten van EZ1
   

10.486

10.486

10.486

10.486

10.486

Ontvangsten van EU m.b.t. salmonella bewaking en bestrijding

   

2.750

2.750

2.750

2.750

2.750

Ontvangsten van sector

(bewaking)2
   

9.799

9.799

9.799

9.799

9.799

Ontvangsten van sector

(bestrijding)

   

7.585

7.585

7.585

7.585

7.585

Noot 1: Dekking uit artikel 16,onderdeel «bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken» (in 2016 € 4,040 mln), het restant uit andere instrumenten van artikel 16.

Noot 2: De ontvangsten van sector uit de heffingen en / of sectorreserves moeten op basis van het in het voorjaar van 2015 afgesloten convenant de komende periode worden uitgewerkt in wet- en regelgeving. Mede op basis hiervan kunnen de komende jaren nog verschuivingen optreden in de financiering door EZ en sector.

Budgetflexibiliteit

Er is sprake van doorlopende contracten met bedrijven om bewakingsprogramma’s uit te voeren en/of om beschikbaar te zijn voor dienstverlening tijdens crises, waardoor uitgaven voor ruwweg 63% juridisch verplicht zijn. De resterende 37% is op basis van het convenant aan bestuurlijke afspraken gebonden en betreft de jaarlijks terugkerende bestrijdingskosten, de subsidie basismonitoring, die EZ al jaren verleent en waarover met sectoren afspraken zijn gemaakt over continuering van hun bijdragen (en die van EZ) via het DGF en de sectorbijdragen aan de Stichting Diergeneesmiddelen Autoriteit (SDa).

Financiering DGF

De middelen ter financiering van de uitgaven van het DGF zijn afkomstig van het Rijk, van het bedrijfsleven (middels een heffing of uit sectorreserves) en van de Europese Unie. De bijdrage van het Rijk wordt geraamd en verantwoord in het beleidsartikel 16 van de EZ-begroting. De afspraken over de bijdrage van het bedrijfsleven aan het DGF zijn vastgelegd in het op 30 april 2015 ondertekende vierde «Convenant financiering bestrijding besmettelijke dierziekten 2015–2019» tussen EZ en de sectorpartijen vereniging ZuivelNL, stichting Brancheorganisatie Kalversector, stichting AVINED, Producentenorganisatie Varkenshouderij, LTO Nederland (vakgroepen Schapenhouderij, Melkgeitenhouderij en Vleesveehouderij) en het Platform Kleinschalige Schapen- en Geitenhouders (TK, 29 683, nr. 198).

Het vorige convenant tussen de overheid en de productschappen voor de veehouderijsectoren rund, varken, schapen en geiten en pluimvee eindigde tegelijk met het opheffen van de productschappen per 31 december 2014. Soortgelijke convenanten hebben sinds het jaar 2000 voorzien in de afspraken over de medefinanciering door de sectoren aan de verplichte, door EZ uitgevoerde, dierziektebestrijding. Om vanaf 1 januari 2015 de afspraken rondom de financiering van de dierziektenbestrijding in te vullen zijn de veterinair inhoudelijke en financiële wensen met de sector afgestemd. Tevens is er een nieuwe heffingsgrondslag gekozen na het wegvallen van de PBO-heffing: een heffing van EZ op basis van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. De inkomsten uit de heffing worden geraamd op het ontvangstenartikel DGF

Het convenant werkt terug tot en met 1 januari 2015 om de continuïteit van de afspraken te waarborgen. Nieuw in dit convenant is dat er nu ook afspraken gemaakt zijn over de financiering van overgenomen PBO-taken, zoals de basismonitoring, de kosten voor de Stichting Diergeneesmiddelen Autoriteit en kosten voor de preventie en bestrijding van Salmonella Se/St, Mycoplasma Gallisepticum, Ziekte van Aujeszky, Leukose en voor de monitoring van Aviaire Influenza en Newcastle Disease.

Het convenant beschrijft wie (sector en/of overheid) voor welke kosten aan de lat staat en bepaalt hoeveel de deelsectoren maximaal zelf moeten betalen (de plafondbedragen).

De nieuwe plafondbedragen voor de periode 2015 tot en met 2019 zijn vastgesteld op:

(* € 1.000). De bedragen worden jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de omvang van de veestapel en het consumentenprijsindexcijfer alle huishoudens (art. 7 convenant).

Sector

Plafond

Toelichting

Runderen (melkkoeien, vleeskalveren en vleesvee)

23.540

 

Varkens

53.447

waarvan 30.000 voor AVP en SVD

Pluimvee

47.138

waarvan 2.113 voor NCD

Schapen en geiten

5.074

 

In het convenant is verder bepaald dat met ingang van 2016 in de begroting van het Diergezondheidsfonds crisisreserves worden gevormd en in stand gehouden uit de bijdragen van de sectoren ter grootte van 20% van de begrote bestrijdingskosten per sector in de convenantsperiode. De reserves zijn bedoeld om in geval van een crisis direct de bestrijdingskosten te kunnen betalen. Echter de begrote ontvangsten voorzien nog niet in een component «opbouw reserves»; deze zal bij een eerstvolgende tariefswijziging worden meegenomen.

De opbrengsten uit de diergezondheidsheffing worden aangewend voor die sectoren waarvan de middelen afkomstig zijn. In de administratie van inkomsten en uitgaven van het fonds worden daartoe per diersoort de daaraan gerelateerde inkomsten en uitgaven geadministreerd.

Toelichting op de instrumenten

1. Bewaking van dierziekten

Het signaleren van (mogelijke) dierziekten vindt plaats door houders van dieren, dierenartsen en/of medewerkers van laboratoria/onderzoeksinstellingen, hetzij op basis van klinische verschijnselen dan wel op basis van de uitkomsten van laboratoriumonderzoek. In het geval deze verschijnselen kunnen wijzen op een aangifteplichtige ziekte, dient dit onmiddellijk bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) te worden gemeld. Naast de meldplicht worden in opdracht van EZ bewakings- en monitoringsprogramma’s uitgevoerd die deels door de Europese Unie (EU) verplicht zijn gesteld ter behoud van de dierziektevrij-status. Door bewakingsonderzoeken uit te voeren wordt het risico dat een ziekte niet of niet tijdig wordt opgemerkt gereduceerd. Bewakingsprogramma’s ondersteunen tevens de preventie van de betreffende dierziekten.

Streefwaarden

  • –  Behoud van de huidige, officieel door de EU en door de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE) verleende, status vrij te zijn van een aantal dierziekten.

Beleidsinstrumenten

De EU en de OIE verlenen onder bepaalde voorwaarden aan lidstaten officiële erkenningen voor het vrij zijn van besmettelijke dierziekten. Deze door de EU erkende statussen «vrij van dierziekten» worden bewaakt op basis van meldingen van actuele uitbraken en voor bepaalde dierziekten door het periodiek uitvoeren van bewakingsprogramma’s. Lidstaten en bij de OIE aangesloten landen zijn verplicht om uitbraken van ziekten direct te melden aan de OIE en EU.

Om de door de EU en de OIE verleende erkenningen «vrij van dierziekten» dan wel «verwaarloosbaar risico» te behouden worden bewakingsprogramma’s voor de volgende zes dierziekten uitgevoerd: Brucella melitensis, Brucellose, Blauwtong, BSE, Ziekte van Aujeszky en Aviaire Influenza (AI).

Naast deze officiële vrijstatus zijn er andere redenen voor het uitvoeren van monitoringprogramma’s, bijvoorbeeld de volksgezondheid of nationale diergezondheidsbelangen. Zo is voor Nederland de monitoring op Q-koorts, Mycoplasma gallisepticum en Salmonella St/Se belangrijk. In 2015 worden deze monitoringsprogramma’s voortgezet.

Voor een snelle opsporing van dierziekten is de overheid in sterke mate afhankelijk van de opmerkzaamheid van veehouder en dierenarts en van hun bereidheid een verdenking te melden. In aanvulling op de monitoringsprogramma’s worden daarom zogenaamde «early warning»-programma’s uitgevoerd voor AI en KVP. Deze bieden de mogelijkheid om bij een eventuele verdenking van een infectie (een) monster(s) op te sturen voor uitsluitingsdiagnostiek.

Prestatiegegevens

Bewaking van dierziekten

Bedrijven

(aantallen)

Dieren

(aantallen)

Uitgaven

(x € 1.000,–)

Basismonitoring

   

3.800

Brucella (schaap, geit)

1.500

14.000

400

Blauwtong (rund, schaap, geit)

291

387

100

BSE rund, bij destructor en bij noodslachting

 

48.000

1.950

TSE schaap/geit, bij destructor1
 

3.000

40

KVP (varkens)

     

– Veehouderij (early warning)

 

540

 

– Veehouderij (tonsillen)

 

4.600

300

– Wilde zwijnen

 

500

150

AI

     

Bedrijfsmatig pluimvee: early warning

 

1.400

 

– Insturen monsters (swabs)

1.500

 

100

– Melding afwijkende verschijnselen (bij GD)

1.200

   

– Bedrijfsmatig pluimvee: monitoring serologische testen

2.700

170.000

850

Wilde vogels:

     

– Monitoring levende wilde vogels

 

5.000

 

– Monitoring dode vogels

 

500

105

Q-koorts (melkmonsters)

380

 

915

       

Subtotaal

   

7.860

       

Overgenomen Productschapstaken

     
Basismonitoring2
   

4.600

Leukose

 

26.000

450

Ziekte van Aujeszky (varken)

   

40

Salmonella Se St (pluimvee)

     
– Bewaking en preventie3
 

9.358

484

– verificatieonderzoek VB

58

 

36

– verificatieonderzoek Leg

26

 

121

– vaccinatie

2.000 koppels leg en 693 koppels vermeerdering

 
4.0004

Mycoplasma

   

116

       

Subtotaal

   

9.847

       

Totaal bewaking van dierziekten

   

17.707

       

Begrote sectorbijdrage

     

Rund (inclusief leukose monitoring)

   

3.539

Varken (inclusief ziekte van Aujeszky)

   

1.429

Schapen en geiten

   

1.134

Pluimvee (inclusief Salmonella Se St en mycoplasma)

   

3.697

Noot 1: In 2013 is het monitoringsprogramma voor TSE bij schapen en geiten aangepast, omdat door de gedaalde omvang van het schapen- en geitenbestand conform EU-wetgeving volstaan kan worden met een kleiner aantal monsters. Hiermee is in de begroting rekening gehouden

Noot 2: Betreft 50% sectoraandeel plus de BTW.

Noot 3: Verwachting 2016: vleeskuikens 85 detectie en 5 serotypering; kalkoenen 6 detectie en 2 serotypering, Vermeerdering 5.600 detectie en 60 serotypering; leg 3.500 detectie en 100 serotypering. Totaal 9.358 monsters die genomen worden.

Noot 4: 50% Cofinanciering door EU en 50% door sector.

Bron: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (BSE en TSE), Erasmus MC (onderzoek levende wilde vogels), SOVON en CVI (onderzoek dode wilde vogels), Nederlandse Schapen- en Geitenfokkers Organisatie (Brucella) en Gezondheidsdienst voor Dieren (overig).

De aantallen bedrijven en dieren in bovenstaande tabel zijn indicatief en gebaseerd op realisatiecijfers in voorgaande jaren en een inschatting van de ontwikkelingen.

De Europese cofinanciering voor de uitvoering van BSE- en TSE-tests wordt afgebouwd van 100% in 2015 naar de reguliere 50% in 2017 (2016: 75%). EZ en sector zullen de lagere Europese vergoeding ieder voor de helft compenseren door hogere bijdragen.

2. Bestrijding van dierziekten

Onder de bestrijding van dierziekten vallen:

  • –  Onderzoek naar verschijnselen die kunnen duiden op een aangifteplichtige dierziekte na een melding door een (vee)houder en/of door een dierenarts;
  • –  Onderzoek van verdachte dieren;
  • –  Treffen van voorzieningen om onmiddellijk te kunnen bestrijden;
  • –  Bestrijding van besmettelijke dierziekten zoals Q-koorts, tuberculose, brucellose en leukose;
  • –  Bestrijding van zeer besmettelijke dierziekten zoals AI, MKZ en KVP.

Als veehouders verschijnselen signaleren bij hun dieren die kunnen duiden op een aangifteplichtige dierziekte, is melding daarvan verplicht. Het onderzoeken van deze meldingen is een belangrijke structurele taak van de NVWA. Naast dit structureel onderzoeken van verschijnselen bij dieren als gevolg van een melding, wordt structureel onderzoek uitgevoerd naar brucellose bij runderen als deze runderen binnen een bepaalde periode hun vrucht hebben verloren. Ook bij een positief testresultaat in een bewakingsonderzoek van een aangifteplichtige ziekte wordt dit gemeld bij de NVWA. Indien een bevestigingstest positief is, wordt het bedrijf door de NVWA besmet verklaard en wordt tot bestrijding overgegaan.

De bestrijding van dierziekten omvat feitelijk twee fasen, de eerste fase (de verdenkingsfase) vangt aan als verschijnselen, informatie of resultaten van onderzoek worden gemeld die kunnen duiden op een aangifteplichtige dierziekte, de tweede fase (de bestrijdingsfase) vangt aan als een besmetting is vastgesteld of als er zodanige aanwijzingen zijn dat moet worden uitgegaan van een besmetting.

Zodra sprake is of moet worden uitgegaan van een besmetting, worden onmiddellijk bestrijdingsmaatregelen getroffen door de (permanente) crisisorganisatie van EZ. Vertraging van de bestrijding leidt tot meer besmettingen en daarmede tot langduriger bestrijdingsmaatregelen. Door EZ zijn contracten gesloten met bedrijven voor de beschikbaarstelling van mensen en middelen die een kritische rol vervullen in het bestrijdingsproces. Bestrijding vindt plaats volgens Europese bestrijdingsrichtlijnen. De aanpak is geregeld in diverse draaiboeken van het ministerie. Op www.rijksoverheid.nl staan de actuele draaiboeken.

In bepaalde gevallen kan de inzet van beschermende noodvaccinatie (vaccinatie «voor het leven») een effectieve bestrijdingsmethode zijn. In plaats van het in grote aantallen ruimen van dieren kan de uitbraak bij bepaalde dierziekten tot staan worden gebracht door vaccinatie, in een bepaalde cirkel rondom besmette bedrijven. Gezonde gevaccineerde dieren worden niet meer gedood. Op basis van de huidige EU-regelgeving is beschermende noodvaccinatie mogelijk bij de bestrijding van uitbraken van MKZ, KVP en AI. Deze aanpak is op dit moment alleen uitvoerbaar bij dierziekten waarvoor een effectief vaccin beschikbaar is, te weten MKZ en KVP. De mogelijkheid van noodvaccinatie is vastgelegd in de betreffende beleidsdraaiboeken.

Streefwaarden

  • –  Zo snel en effectief mogelijk bestrijden van dierziekten.

Concreet houdt dit in dat bij een melding een onderzoek wordt ingesteld. Voor zover de melding betrekking heeft op verschijnselen die duiden op een zeer besmettelijke dierziekte, moet binnen 3 uur een deskundigenteam ter plaatse een onderzoek instellen.

Beleidsinstrumenten

Voor de bestrijding van dierziekten staan onder andere de volgende instrumenten ter beschikking:

  • –  wettelijke verplichting van houders van dieren en dierenartsen om verschijnselen die duiden op een aangifteplichtige dierziekte te melden;
  • –  klinische inspectie door een team van dierenartsen op bedrijven waar mogelijk sprake is van aangifteplichtige dierziekten;
  • –  monsternames door een team;
  • –  diagnostisch onderzoek van afgenomen monsters bij dieren;
  • –  instellen van stand-still, vervoersverboden, compartimenten;
  • –  vaccineren van dieren;
  • –  onderzoek van dieren op buurtbedrijven en andere relevante bedrijven;
  • –  tracering van een besmetting (van en naar);
  • –  doden van besmette dieren;
  • –  doden van dieren die een reëel gevaar zijn voor verspreiding van de besmetting;
  • –  destructie van (besmette) dieren;
  • –  reinigen en ontsmetten van bedrijven;
  • –  schadeloosstellen van houders voor gedode dieren.

De grondslag voor de inzet van bovenstaande instrumenten zijn:

  • –  EU-richtlijnen en EU-verordeningen;
  • –  Gwwd;
  • –  (beleids)draaiboeken;
  • –  crisisorganisatie en voorzieningen.
Begrote uitgaven 2016 (x € 1.000)

Bestrijding van dierziekten

Uitgaven1

Verdenkingen

 
– Brucellose (verwerpersonderzoek)2

1.000

– KVP

100

– MKZ (rund, schaap, geit)

15

– AI (LPAI)

300

– BSE (rund)

20

– TSE (schaap, geit)

15

– Diagnostiek verdenkingen3

600

   

Voorzieningen

 

– AUV

300

– Calamiteitenreserve destructie

1.890

– Waakvlamcontracten

650

– Voorziening vaccinatie ZvA, MKZ en KVP

– Overige voorzieningen

2.400

   

Bestrijding

 

Jaarlijks terugkerende kosten bestrijding

2.700

   

Subtotaal

9.990

   

Overgenomen Productschapstaken

 

Bestrijding Ziekte van Aujeszky

760

Bestrijding Salmonella

 

– ruimingskosten

303

– vergoeding waarde dieren4

1.500

   

Subtotaal

2.563

   

Totaal

12.553

   
Begrote sectorbijdrage5
 

Rund

2.122

Varken (inclusief ziekte van Aujeszky)

1.835

Schapen en geiten

420

Pluimvee (inclusief Salmonella)

3.208

Noot 1: Begrote bedragen gebaseerd op gerealiseerde kosten 2011–2013 (zie jaarverslagen DGF), daarbij rekening houdend met meerjarige trends en structurele veranderingen.

Noot 2: Aantal bemonsterde dieren geraamd op 11.000.

Noot 3: Met betrekking tot de diagnostiek verdenkingen is een contract gesloten met het CVI waarbij naar schatting € 0,6 mln ten laste van bestrijding dierziekten komt. De kosten worden uiteindelijk afgerekend per diersoort.

Noot 4: 50% Cofinanciering door EU en 50% door sector.

Noot 5: De geraamde sectorbijdragen bevatten nog geen component «reserve bestrijdingskosten» vanwege de latere afspraken die hierover zijn gemaakt (na de vaststelling van de tarieven en de afspraken over de bijdragen uit sectorale reserves rund en varken).

Toelichting

Kosten van verdenkingen en bestrijding van overige relevante dierziekten worden opgenomen in de suppletoire wetten en in de verantwoording, indien zich hierbij uitgaven voordoen.

3. Voorkomen en verminderen van welzijnsproblemen

Bij uitbraken van wettelijk te bestrijden dierziekten treden – op basis van het draaiboek – diverse veterinaire maatregelen in werking. Eén van de maatregelen is het instellen van een vervoersverbod waardoor in bepaalde gebieden het vervoer van bepaalde diercategorieën niet meer is toegestaan dan wel aan stringente voorwaarden is gebonden. Als gevolg van het vervoersverbod kunnen in deze gebieden welzijns- en huisvestingsproblemen ontstaan (meer of grotere dieren dan de beschikbare hokcapaciteit toelaat, met als gevolg onder andere gezondheidsproblemen, agressiviteit, stress etc.). Ter vermindering van de meest urgente welzijnsproblemen kan worden besloten om dieren op te kopen en gecontroleerd af te voeren.

Streefwaarden

Beperken van de welzijnsproblemen bij dieren in geval van een dierziekte uitbraak.

Beleidsinstrumenten

Opkoopregeling

Een opkoopregeling wordt toegepast als sprake is van of een situatie ontstaat van overvolle stallen als direct gevolg van de bestrijdingsmaatregelen. Bij het instellen van een opkoopregeling kunnen veehouders in een afgebakend gebied hun dieren op vrijwillige basis aan de overheid aanbieden. Hier staat een financiële bijdrage tegenover waarbij aanvullende voorwaarden kunnen worden gesteld.

4. Overig

Dit artikel is voor de financiering van overige uitgaven, zoals de sectorbijdragen aan de SDa, eventuele terugstorting van de voorfinanciering naar de begroting van EZ en uitgaven die onder andere betrekking hebben op de voedselveiligheid en daarmee samenhangend de diergezondheid. Omdat het karakter van dergelijke uitgaven op voorhand niet is te voorspellen, kunnen geen streefwaarden worden opgenomen.

Ontvangsten

De ontvangsten betreffen bijdragen van het bedrijfsleven en van het Rijk. De huidige verdeling van de kosten tussen bedrijfsleven en het Rijk is vastgelegd in het «Convenant financiering bestrijding besmettelijke dierziekten 2015–2019». De kosten van bewaking van dierziekten worden in beginsel 50% door het Rijk en 50% door het bedrijfsleven gefinancierd met uitzondering van de bewakingsprogramma’s die EZ heeft overgenomen van de productschappen. De basismonitoring blijft 50/50 gefinancierd. De financiering van de kosten van bestrijding is afhankelijk van de soort dierziekte en de noodzakelijke voorzieningen. In aanleg worden deze kosten – tot een per diersoort afgesproken plafond – voor 100% doorberekend aan de veehouderijsectoren. Behalve de kosten van de voorzieningen; deze worden gefinancierd door overheid en sector, beide voor 50%. Boven deze plafonds draagt de overheid de resterende kosten in de betreffende convenantsperiode. Voor de basismonitoring zijn de plafonds niet van toepassing.