Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

5.5 Europese geldstromen

Inleiding

Deze bijlage biedt inzicht in de Europese geldstromen die relevant zijn voor de beleidsterreinen van EZ. Er wordt ingegaan op het Meerjarig Financieel Kader 2014–2020, op een aantal EU-fondsen en EU-programma’s voor de periode 2014–2020 en op de Eigen Middelen van de EU.

Meerjarig Financieel kader 2014–2020

In het Meerjarig Financieel Kader (MFK) worden zowel de maximale omvang van de jaarbegrotingen als de verdeling van de middelen over de hoofdthema’s van het beleid vastgelegd. Voor de volledige zeven jaar komt de meerjarenbegroting uit op een bedrag van € 1.083 mld (lopende prijzen). Dat is 1 procent van het BNP van alle lidstaten bij elkaar. Het MFK is vastgelegd in een verordening. Parallel hieraan wordt in het Eigen Middelen Besluit de financiering van het EU-beleid geregeld. Deze afspraken worden aangevuld met een Interinstitutioneel Akkoord over begrotingsaangelegenheden tussen Europese Commissie, Europees Parlement en Raad. Zoals in de MFK-verordening vastgelegd zal de Europese Commissie voor het eind van 2016 een tussentijdse evaluatie van het Meerjarig Financieel Kader presenteren.

De verschillende EU-programma’s en EU-fondsen

Voor de uitvoering in gedeeld beheer van het Europees Beleid worden vanuit de Europese Commissie eisen gesteld aan de uitvoering door de lidstaten. Deze eisen zijn vastgelegd in Raadsverordeningen en uitgewerkt in Commissieverordeningen en bijbehorende richtsnoeren. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de geharmoniseerde en éénduidige uitvoering van het EU-beleid.

Voor de uitvoering van het EU beleid stelt de Europese Commissie een aantal Europese Fondsen aan de lidstaten beschikbaar.

Voor EZ zijn de volgende EU-programma’s en EU-fondsen relevant:

  • 1.  Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 1e pijler (GLB): het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF);
  • 2.  Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 2e pijler (POP): het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO);
  • 3.  Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB): het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV);
  • 4.  Europees Structuurbeleid: Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO);
  • 5.  Horizon 2020 (periode 2014–2020).

Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) 2014–2020

Binnen het GLB zijn twee pijlers te onderscheiden. De 1e pijler bestaat uit directe inkomenssteun aan agrariërs en markt- en prijsbeleid. Met behulp van vooral rechtstreekse inkomenssteun richt deze pijler zich op het stabiliseren van landbouwinkomens. De 2e pijler betreft het plattelandsbeleid. Deze pijler richt zich op de kwaliteit van alle plattelandsgebieden in de EU.

1.GLB pijler 1: het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF)

De Kamer is geïnformeerd over de implementatie in Nederland van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) voor de periode 2014–2020 (TK, 28 625, nrs. 168, 189, 194 en 216).

Hieronder volgen de belangrijkste maatregelen:

1a. Inkomenssteun voor boeren

Het nieuwe GLB stuurt op de omvorming van op historische referentie gebaseerde directe betalingen naar een gelijke hectarebetaling binnen lidstaten. Op Europees niveau is vastgelegd dat landbouwbedrijven die gebruik willen maken van de directe betalingen in het nieuwe GLB verplicht zijn om vergroeningsmaatregelen toe te passen. Hiervoor is 30% van het budget voor directe betalingen bestemd.

Er zijn drie generieke vergroeningsmaatregelen Europees vastgesteld.

  • 1.  Gewasdiversificatie. Bedrijven moeten op bouwland minstens drie gewassen telen. Met name voor kleine bedrijven bestaan hierop enkele uitzonderingen.
  • 2.  Behoud van blijvend grasland.
  • 3.  Ecologische aandachtsgebieden met een omvang van 5% van het bouwlandoppervlak. Hierbij kunnen de lidstaten kiezen uit een aantal opties waaronder landschapselementen, akkerranden, bufferstroken, vanggewassen en stikstofbindende gewassen.

Om te voldoen aan de vergroeningsverplichting is het mogelijk dat lidstaten, naast bovengenoemde maatregelen en na goedkeuring door de Europese Commissie, equivalente maatregelen toevoegen aan de Europese lijst. Nederland maakt daar gebruik van.

1b. Extra ondersteuning jonge boeren

Meer dan twee-derde van de Europese boeren is ouder dan 55 jaar. Om de toekomst van de sector zeker te stellen wil de Commissie jonge boeren gedurende de eerste vijf jaar van het bestaan van hun bedrijf extra financiële ondersteuning bieden. Lidstaten worden verplicht extra steun aan jonge boeren te geven via een zogenaamd «top-up» op directe betalingen. Hiervoor dient maximaal 2% van de enveloppe voor directe betalingen (1e pijler GLB) te worden aangewend. Daarnaast is besloten dat via het plattelandsbeleid (2e pijler GLB) jonge boeren extra steun kunnen ontvangen. Conform de wens van de Kamer komt er een landsdekkende jongeboerenregeling gericht op innovatieve investeringen, en wel voor € 5,2 mln per jaar, waarvan de provincies € 2,6 mln cofinancieren. Conform de motie Dik-Faber (TK, 33 750-XIII, nr. 65) heeft de Staatssecretaris van EZ met de provincies afgesproken dat ze streven naar een zo gelijk mogelijke uitvoering van de regeling. Omdat het karakter van de regeling zich richt op innovaties kunnen per provincie wel accentverschillen aangebracht worden zodat beter ingespeeld kan worden op regionale behoeften.

2. Markt- en prijsbeleid

Met de nieuwe integrale Gemeenschappelijke Marktordening (iGMO) is een belangrijke stap gezet naar verdere marktoriëntatie. Het nieuwe wetgevingspakket voor markt- en prijsbeleid is grotendeels in werking getreden op 1 januari 2014. De quotaregeling voor melk is per 1 april 2015 beëindigd en de quotaregeling voor suiker loopt door tot 1 oktober 2017.

Een belangrijke wijziging ten opzichte van de vorige iGMO is dat nu voor alle agrarische sectoren de mogelijkheid bestaat om producenten- en brancheorganisaties op te richten. Onder bepaalde voorwaarden kunnen deze organisaties toestemming krijgen om regels algemeen verbindend te verklaren (AVV). Een AVV kan onder meer betrekking hebben op regels op het gebied van dier- en plantgezondheid en voedselveiligheid.

Financieel overzicht

Onderstaand overzicht geeft de voor Nederland beschikbaar komende EU budgetten voor de directe betalingen (Zie ook bijlage 2 van Verordening 1307/2013).

Directe betalingen (x € 1 mln):

Kalenderjaar

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Nationale enveloppe directe betalingen

749

737

724

713

701

732

2. GLB pijler 2: Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO)

De Kamer is geïnformeerd over het Plattelands Ontwikkelings Programma (POP3) 2014–2020 (TK, 28 625, nrs. 168, 189 en 194). Met de provincies is een akkoord bereikt over de invulling van het Plattelandsprogramma voor de periode 2014–2020. Eind 2014 is het Nederlandse POP3 voor goedkeuring verzonden aan de Europese Commissie. Op 13 februari 2015 heeft de Europese Commissie het Nederlandse POP3 goedgekeurd.

POP3 wordt ingevuld door de provincies en aangevuld door het Rijk. Hiermee kunnen gebiedsspecifieke behoeftes in de landbouw worden aangepakt. Aan generieke behoeftes wordt landsdekkend invulling gegeven. Met deze combinatie kan optimaal ingespeeld worden op het bevorderen van een gelijk speelveld. De provincies leveren het grootste deel van de benodigde nationale middelen cofinanciering voor POP 3, aangevuld met co-financiering door de waterschappen (verbetering waterkwaliteit).

Het standaard cofinancieringspercentage van de Europese Unie voor POP3 bedraagt maximaal 53%. Voor investeringen en maatregelen ten behoeve van milieu, klimaatadaptatie en klimaatmitigatie is een uitzondering gemaakt en besloten tot maximaal 75% Europese cofinanciering. Inmiddels heeft Nederland gekozen voor een cofinancieringspercentage van 50% met uitzondering van agrarisch natuurbeheer. Hier is het 75%.

In overleg met de provincies is besloten POP3 concreet te richten op de volgende thema’s:

  • 1)  Versterken van innovatie, verduurzaming en concurrentiekracht;
  • 2)  Jonge boeren;
  • 3)  Natuur en landschap (zoals afgesproken in het Natuurpact);
  • 4)  Verbetering van de waterkwaliteit;
  • 5)  LEADER (inclusief projecten onder het programma Duurzaam Door).

Met ingang van 2016 zullen in het POP3 wijzigingen worden doorgevoerd. In verband met de convergentie naar een gelijke hectare premie in 2019 is besloten tot een herschikking van de beschikbare middelen van de eerste pijler. Hiervan komt € 10,5 mln ten behoeve van enkele sectoren die te maken krijgen met een substantiële vermindering van directe betalingen (zonder nationale co-financiering). Daarnaast wordt extra geld aangewend voor watermaatregelen (€ 20 mln) (aangevuld met € 20 mln nationale co-financiering door de waterschappen/provincies). Een andere aanpassing betreft de overgang naar een stelsel van collectief agrarisch natuurbeheer met ingang van 2016 (TK, 33 576, nr 3).

Onderstaand volgt een overzicht van de bedragen die gemiddeld per jaar voor het Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014 -2020 (POP3) beschikbaar zijn (bedragen x € 1 mln):

Kalenderjaar

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

totaal

Bijdrage EU

87,0

87,0

118,5

118,4

118,3

118,1

118,0

765,3

Bijdrage provincies

82,1

82,1

102,1

102,1

102,1

102,1

102,1

674,7

Bijdrage Rijk

9,7

9,7

9,7

9,7

9,7

9,7

9,7

67,9

Het bedrag dat voor Nederland vanuit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) beschikbaar is voor POP3 bedraagt € 765 mln voor de periode 2014–2020. Dat is circa € 110 mln per jaar. De nationale co-financiering ligt in dezelfde orde van grootte, welke grotendeels voor rekening komt van de provincies en waterschappen. Het EZ aandeel bedraagt circa € 9,7 mln per jaar en deze uitgaven worden verantwoord in het jaarverslag van EZ (artikel 16). Het Rijksaandeel heeft betrekking op regeling garantstelling marktintroductie risicovolle innovaties en op de regeling brede weersverzekering. Vanaf 2016 is EZ eveneens verantwoordelijk voor de uitvoering van de regelingen voor de kalversector, aardappelzetmeelsector en vleesveesector. Deze regelingen worden alleen via de EU gefinancierd, de hiervoor benodigde middelen zijn vanuit GLB pijler 1 overgeheveld naar pijler 2.

3. Gemeenschappelijk Visserij Beleid (GVB): Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV)

Het GVB is in de eerste plaats gericht op de ontwikkeling van een verantwoorde visserijketen waarmee een evenwichtige en duurzame exploitatie van de visstand wordt bevorderd. Hiertoe zijn in EU-verband regels opgesteld, zoals beperkingen voor bepaalde visserijmethoden. Tevens zijn afspraken gemaakt ten aanzien van controle & handhaving, datacollectie en ter bevordering van de stabiliteit van de vismarkt.

Ontwikkelingen EFMZV 2014–2020

Met de brief van 18 maart 2015 (TK, 32 201, nr. 75) is de Kamer op de hoogte gesteld dat het Nederlandse Operationeel Programma (OP) van het EFMZV is goedgekeurd door de Europese Commissie. Op 1 juli 2015 (TK, 32 201, nr. 77) is de Kamer geïnformeerd over de inzet van EZ ten aanzien van het EFMZV.

Hoofddoel van het EFMZV is het bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het hervormde GVB, dat wil zeggen aan de verdere verduurzaming en versterking van de concurrentiekracht van de visserij en aquacultuur. Het EFMZV biedt de sector kansen om initiatieven voor meer duurzaamheid, kostprijsverlaging en kwaliteitsverbetering te ontwikkelen en deze te implementeren. Het fonds wordt eveneens ingezet om uitdagingen op te pakken en oplossingen aan te dragen voor de invoering van de aanlandplicht.

Het Nederlandse OP geeft voor de komende jaren richting en sturing aan de inzet van het EFMZV in Nederland. In het OP is het EFMZV-instrumentarium gericht op 3 hoofdthema’s:

  • 1.  Invoering van de aanlandplicht;
  • 2.  Verdere verduurzaming van de visserij- en aquacultuur;
  • 3.  Verbetering van de rendementen in de visserij- en aquacultuurketen.

Financieel overzicht Operationeel Programma

De Minister van EZ heeft voor de uitvoering van het EFMZV een Operationeel programma opgesteld voor de periode 2014–2020. De verdeling van de kosten van dit programma tussen overheid en begunstigden bedraagt in de meeste gevallen 50–50. Van het overheidsdeel komt gemiddeld 75% uit het EFMZV, de resterende 25% is nationale cofinanciering.

De voor Nederland beschikbaar komende EU-budgetten voor het EFMZV (2014–2020) zijn (x € 1 mln):

Kalenderjaar

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

totaal

EFMZV middelen

13,9

14,1

14,2

14,5

14,8

14,9

15,1

101,5

Op de begroting van EZ zijn op artikel 16 voor de cofinanciering van het GVB 2014–2020 de volgende nationale middelen beschikbaar (x € 1 mln):

Kalenderjaar

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

totaal

Rijksmiddelen co-financiering GVB

 

5,0

5,8

7,3

5,3

5,3

1,3

30,0

4. Europese Structuur en Investeringsfondsen

De Europese Structuur en Investeringsfondsen (ESI) hebben tot doel om de economische concurrentiekracht, werkgelegenheid en cohesie in Europa te versterken. Onder de ESI-fondsen vallen het ELFPO en EFMZV (hierboven toegelicht), het Europees Sociaal Fonds (dat valt onder SZW) en EFRO en INTERREG.

De Kamer is geïnformeerd over de structuurfondsen voor de periode 2014–2020 met TK 22 112 nr 1246; 21 501-08 nr 392; 21 501-08 nr 423; 21 501-08 nr 461; 21 501-08 nr 470; 21 501-08-489; 21 501-08 nr 493; 21 501-08 nr 497; 21 501-08 nr 536; 21 501-08 nr 564 en tot slot de brief van 17 juli 2015 (TK, 32 851, nr. 27).

Het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) wordt in Nederland gebruikt voor regionale projecten op het gebied van innovatie en de koolstofarme economie (met name duurzame energie en energie efficiëntie). Uitgangspunt voor het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) is dat wordt bijgedragen aan de nationale doelen in het kader van de Europa 2020 strategie. Met EFRO worden vier landsdelige programma’s gefinancierd, te weten Noord-Nederland, Oost-Nederland, West-Nederland en Zuid-Nederland. Daarnaast worden vier grensoverschrijdende programma’s ondersteund. Dit zijn de programma’s Duitsland-Nederland, Euregio Maas-Rijn, Vlaanderen-Nederland en Twee Zeeën.

Voor de nieuwe programmaperiode 2014–2020 zijn de gezamenlijke hoofddoelen van Rijk en regio voor de landsdelige programma’s vastgesteld op innovatie en koolstofarme economie. Het MKB is een belangrijke doelgroep. Belangrijke thema’s binnen Interreg zijn grensoverschrijdende innovatiesamenwerking, koolstofarme economie en arbeidsmobiliteit.

Besloten is om de decentrale uitvoering van de landsdelige programma’s te continueren. Ook is afgesproken dat de landsdelige beheersautoriteiten nauwer gaan samenwerken en een uniforme werkwijze hanteren.

Een aparte afdeling binnen EFRO zijn de programma’s voor Europese Territoriale Samenwerking, ook wel INTERREG genoemd. INTERREG A, de samenwerking met de buurlanden, valt onder EZ. INTERREG B en C, samenwerking in grotere verbanden met minder betrokkenheid van het bedrijfsleven, valt onder I&M. Nederland neemt deel aan vier grensoverschrijdende INTERREG A programma’s. Dit zijn de programma’s Duitsland-Nederland, Euregio Maas-Rijn, Vlaanderen-Nederland en Twee Zeeën. Belangrijke thema’s binnen Interreg zijn grensoverschrijdende innovatiesamenwerking, koolstofarme economie en arbeidsmobiliteit.

Nederland ontvangt aan EFRO voor de nieuwe programmaperiode 2014–2020 € 507,3 mln (in lopende prijzen) voor de landsdelige programma’s en € 389,7 mln (in lopende prijzen) voor de grensoverschrijdende samenwerking. EZ stelt voor de uitvoering van de nieuwe programmaperiode 2014–2020 in totaal € 91 mln aan Rijkscofinanciering beschikbaar voor de vier landsdelige programma’s en € 49 mln voor de grensoverschrijdende programma’s (exclusief uitvoeringskosten). De landsdelige EFRO-programma’s zijn in 2014 goedgekeurd door de Europese Commissie.

Voor Interreg geldt dat Duitsland-Nederland en Vlaanderen-Nederland zijn goedgekeurd, voor Twee Zeeën en Euregio Maas Rijn vindt dit in de tweede helft van 2015 plaats. Voor nadere informatie over de landsdelige programma’s EFRO wordt verwezen naar de Kamerbrieven (TK, 21 501-08, nrs. 489, 507 en 525).

Voor de cofinanciering van het EFRO 2014–2020 zijn de volgende Rijksmiddelen (inclusief uitvoeringskosten) op de begroting van EZ (artikel 18) beschikbaar (x € 1 mln):

Kalenderjaar

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Totaal

Rijksmiddelen co-financiering EFRO

11,0

16,9

17,2

31,2

31,2

23,1

23,1

11,0

11,0

175,7

5. Horizon 2020 (kaderprogramma voor onderzoek en innovatie) periode 2014–2020

Horizon 2020 is het programma van de Europese Commissie om Europees onderzoek en innovatie te stimuleren. Horizon 2020 loopt sinds 1 januari 2014 en is de opvolger van het Zevende Kaderprogramma (KP7). Het budget van Horizon 2020 is in het meerjarig financieel kader vastgesteld op € 70,2 mld constante prijzen. Met Horizon 2020 willen de Europese Commissie en het kabinet wetenschap en innovatie stimuleren bij het bedrijfsleven en de academische wereld. Zo kunnen zij het concurrentievermogen van Europa vergroten. De RVO.nl is nationaal contactpunt voor dit programma.

Horizon 2020 bestaat uit 3 pijlers. Deze sluiten aan bij de Europese doelen voor werkgelegenheid en groei (Europe 2020) en het bijbehorende vlaggenschip Innovation Union. De eerste pijler, Excellente Kennisbasis, is gericht op wetenschap. De tweede pijler, Industrieel leiderschap, wil investeringen aanjagen in de belangrijkste industriële technologieën. Dat gebeurt door Europese bedrijven te stimuleren om te groeien tot wereldleiders op hun gebied. Jaarlijks worden verscheidene oproepen opengesteld waarop projectvoorstellen kunnen worden ingediend. Deze voorstellen worden door een onafhankelijke groep van deskundigen beoordeeld. De beste voorstellen worden gefinancierd tot het maximum beschikbare budget van € 300–350 mln. Er is geen nationale allocatie. De derde pijler, Maatschappelijke Uitdagingen, zet in op ontwikkeling en benutting van kennis voor het oplossen van maatschappelijke uitdagingen. Zie ook de toelchting op het onderwerp H2020 bij beleidsartikel 12.Naast bijdrages aan projecten draagt de Europese Commissie vanuit het Kaderprogramma ook bij aan publiekpublieke en publiekprivate programma’s met een eigen Europese rechtsgrondslag:

de publiekpublieke programma’s zijn gebaseerd op artikel 185 van het EU-Werkingsverdrag en worden ook nationaal gecofinancierd. EZ cofinanciert één daarvan direct, het artikel 185 initiatief Eurostars, dat gericht is op het MKB. Indirect (via het standaardeninstituut VSL) wordt het artikel 185 initiatief European Metrology Research Programme door EZ gecofinancierd.

De publiekprivate programma’s, zogenaamde Joint Technology Initiatives (JTI), zijn gebaseerd op artikel 187 van het EU-Werkingsverdrag en wordt in een geval eveneens nationaal gecofinancierd. Tijdens de periode van Horizon 2020 betreft dit het JTI ECSEL. Dit JTI wordt door EZ gecofinancierd. In samenhang met deze communautaire samenwerkingsvormen bestaat er gouvernementele samenwerking in Eureka-clusters om de mondiale concurrentiekracht van ICT industrie te versterken.

Middelen voor cofinanciering Horizon2020 op begroting EZ (bedragen x € 1.mln)
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

JTI/Eureka

(Internationaal Innoveren)

14,0

23,7

33,7

39,7

39,7

39,7

39,7

Eurostars

10,6

13,1

15,5

18,2

18,4

18,4

18,4

Totaal

24,6

36,8

49,2

58,0

58,1

58,1

58,1