Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

2.2. De Beleidsartikelen

11 Goed functionerende economie en markten

Algemene doelstelling

Het scheppen van voorwaarden voor een goed functionerende economie en goed functionerende markten, waaronder de markt voor elektronische communicatie.

Goed functionerende markten dragen in belangrijke mate bij aan de economische groei en innovatie. In een goed functionerende markt reageren vraag en aanbod effectief op elkaar. Consumenten en bedrijven profiteren daarvan. Op goed functionerende markten ontstaat een optimale prijs – kwaliteitverhouding van goederen en diensten en hebben gebruikers keuzevrijheid. Het slim benutten van en zorgdragen voor hoogwaardige elektronische communicatie netwerken en digitale infrastructuren waar de Nederlandse samenleving op kan bouwen én vertrouwen draagt bij aan het economisch groeivermogen en een goed functionerende economie.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is op grond van de Telecommunicatiewet verantwoordelijk voor het stellen van regels voor vaste en mobiele communicatienetwerken. Daarnaast ziet de Minister van EZ het als een taak eventuele belemmeringen voor het goed functioneren van markten te verminderen of weg te nemen en heeft een systeemverantwoordelijkheid voor de statistische informatievoorziening van rijkswege. Hieruit vloeien de volgende verantwoordelijkheden voort:

Stimuleren

  • –  Het stimuleren van een goede balans tussen de belangen van bedrijven en consumenten met generiek consumentenbeleid waarbij de Wet handhaving consumentenbescherming centraal staat;

Financieren

  • –  Het bijdragen aan het goed functioneren van markten door het financieren van TenderNed (het elektronisch aanbestedingssysteem) en diverse organisaties op het gebied van metrologie, normalisatie, accreditatie en markttoezicht;
  • –  Het financieren van een deel van de exploitatie van het Agentschap Telecom en het verrichten van uitgaven voor opdrachten inzake beleidsvoorbereiding en evaluaties voor frequentiebeleid en veiligheid;
  • –  Het financieren van het CBS om het van overheidswege verrichten van statistisch onderzoek ten behoeve van praktijk, beleid en wetenschap en het openbaar maken van de op grond van zodanig onderzoek samengestelde statistieken mogelijk te maken;

(Doen) uitvoeren

  • –  Het tegengaan van mededingingsbeperkende gedragingen met de Mededingingswet en mededingingsbeleid in alle sectoren van de Nederlandse economie;
  • –  Het reguleren van de postmarkt met de Postwet 2009 waardoor een toegankelijke en betaalbare basisvoorziening voor de post is gewaarborgd (universele postdienst);
  • –  Het opstellen van verkeersregels voor het gebruik van de ether, door afspraken te maken in internationaal verband voor harmonisatie en door – in geval van schaarste – te bepalen op welke wijze het spectrum wordt verdeeld;
  • –  Het inzetten op het realiseren van hoogwaardige en innovatieve breedbandige mobiele communicatie en omroeptoepassingen door verruiming van gebruiksmogelijkheden van het spectrum en door de uitgifte van beschikbare frequentieruimte;

Regisseren

  • –  Het bevorderen van goed functionerende markten door het scheppen van randvoorwaarden via wet- en regelgeving;
  • –  Het scheppen van voorwaarden waarbinnen concurrentie kan plaatsvinden door middel van de Waarborgwet, de Winkeltijdenwet, de Aanbestedingswet, de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie en de Metrologiewet;
  • –  Het op basis van de middellange termijnvisie op de ontwikkeling van telecommunicatie, media en Internet in 2016 verder moderniseren van de regelgeving om deze te kunnen laten meegroeien met de ontwikkelingen in de markt en de behoeftes in de samenleving.

Beleidswijzigingen

Een wetsvoorstel ter verhoging van de wettelijke maxima van de ACM-boetes is in het voorjaar van 2015 ingediend bij de Tweede Kamer. Doelstelling van dit wetsvoorstel is het vergroten van de afschrikkende werking van de ACM-boetes en daarmee van de effectiviteit van het markttoezicht dat de ACM uitoefent, onder meer op het gebied van mededinging, consumentenbescherming en de regulering van de sectoren post en telecom. Naar verwachting treedt de wet in de loop van 2016 in werking.

Op 26 mei 2015 heeft de Eerste Kamer het wetsvoorstel tot modernisering en flexibilisering van de universele postdienst aangenomen. Met dit wetsvoorstel worden de eisen aan de universele postdienst meer in lijn gebracht met de snel veranderende behoeften van gebruikers, onder meer door het aanpassen van de eisen voor postvestigingen en brievenbussen en door enkele UPD-eisen niet langer op het niveau van de wet neer te leggen maar in een algemene maatregel van bestuur (het Postbesluit 2009). Inwerkingtreding zal gelijktijdig plaatsvinden met de inwerkingtreding van het aangepaste Postbesluit 2009, dat voor de zomer van 2015 voor advies naar de Raad van State is gestuurd. Als gevolg van inwerkingtreding van het wetsvoorstel krijgt de verlener van de universele postdienst meer ruimte om het aantal postvestigingen en brievenbussen te verminderen en zal gedurende de komende jaren per locatie worden bezien of locaties van postvestigingen en brievenbussen kunnen worden heroverwogen.

In 2015 wordt bij de Tweede Kamer het wetsvoorstel tot wijziging van de Aanbestedingswet 2012 ter implementatie van een drietal aanbestedingsrichtlijnen ingediend. Daardoor krijgen aanbestedende diensten meer flexibiliteit bij aanbesteden. Daarnaast wordt een nieuw aanbestedingsregime voor het verlenen van concessieopdrachten ingevoerd. De wet treedt naar verwachting in werking op 18 april 2016.

Mede naar aanleiding van de lessen uit een overnamepoging van KPN in 2013 is de Tweede Kamer in 2014 geïnformeerd over een beleidsvoornemen om de Minister van Economische Zaken extra bevoegdheden te geven indien een partij overwegende zeggenschap wil verwerven in een telecommunicatiebedrijf dat beschikt over vitale infrastructuur. In de 2e helft van 2016 zal een wetsvoorstel daartoe voor behandeling worden voorgelegd aan de Tweede Kamer.

De planning is dat de Verzamelwet met diverse wijzigingen van de Telecommunicatiewet rond de zomer van 2015 aan de Tweede Kamer wordt aangeboden. In 2016 zal naar verwachting de parlementaire behandeling kunnen worden afgerond en het wetsvoorstel in werking treden.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

VERPLICHTINGEN

195.559

199.167

182.901

179.153

171.354

171.362

171.359

UITGAVEN

197.270

198.864

184.122

177.036

170.337

170.345

170.342

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

96%

       
               

Subsidies

356

900

100

1.100

1.080

   

Digitalisering regionale radio

356

900

100

1.100

1.080

   
               

Opdrachten

6.593

8.803

7.894

7.118

6.940

8.023

8.020

Onderzoek en Opdrachten

2.833

2.318

1.458

1.458

1.458

1.458

1.458

PIANOo/TenderNed

689

943

         

Beleidsvoorbereiding en evaluaties Frequenties en Veiligheid

3.071

5.542

6.436

5.660

5.482

6.565

6.562

               

Bijdragen aan agentschappen

16.075

19.117

15.524

15.023

14.594

14.599

14.599

Agentschap Telecom

10.735

11.526

9.539

9.044

8.615

8.620

8.620

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland

351

758

         

DICTU

4.989

6.833

5.985

5.979

5.979

5.979

5.979

               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

170.667

165.508

156.690

149.610

143.556

143.556

143.556

Metrologie

14.319

14.246

13.573

12.949

12.247

12.247

12.247

Raad voor Accreditatie

262

105

142

129

127

127

127

ACM

695

402

375

375

377

377

377

CBS

155.391

150.755

142.600

136.157

130.805

130.805

130.805

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

3.579

4.536

3.914

4.185

4.167

4.167

4.167

Nederlands Normalisatie Instituut (NEN)

1.480

1.040

1.206

1.184

1.060

1.060

1.060

Internationale organisaties

2.043

3.425

2.637

2.930

3.036

3.036

3.036

Raad van deskundigen voor de nationale meetstandaarden

56

71

71

71

71

71

71

               

ONTVANGSTEN

58.853

37.165

59.934

30.900

30.900

30.900

30.900

Ontvangsten ACM

963

           

High Trust

34.441

31.300

31.300

30.200

30.200

30.200

30.200

Diverse ontvangsten

23.449

5.865

28.634

700

700

700

700

Budgetflexibiliteit

Subsidies: Het bedrag dat geraamd is in 2016 voor deze subsidie vloeit voort uit een verplichting die in het verleden is aangegaan; deze is dus 100% juridisch verplicht.

Opdrachten: Het geraamde bedrag voor uitgaven uit hoofde van opdrachten is voor 24% juridisch verplicht. Het betreft met name geraamde kosten voor de uitoefening van het toezicht op de post voorziening op de BES eilanden, geraamde kosten voor de Commissie van Aanbestedingsexperts en kosten in het kader van de uitvoering van de Wet informatie uitwisseling Ondergrondse Netten (WION).

Bijdragenaanagentschappen: Het budget betreft de uitfinanciering van opdrachten 2016 aan Agentschappen en is 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s: Van de totaal voor 2016 geraamde uitgaven voor artikel 11 is circa € 157 mln bestemd voor bijdragen aan ZBO’s/RWT’s. Hiervan is 100% niet flexibel inzetbaar in 2016 als gevolg van overeenkomsten met betrokken organisaties.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties: Over de contributies aan (inter)nationale organisaties zijn meerjarige afspraken gemaakt, de bedragen zijn voor 88% juridisch verplicht.

Toelichting op de financiële instrumenten

Subsidies

Digitalisering regionale radio

Dit betreft de uitfinanciering van de in 2011 afgegeven subsidiebeschikking aan de Stichting Regionale Omroep Overleg en Samenwerking. Dit zal worden aangewend voor investeringen in digitale radio voor regionaal publieke omroepen.

Een indicatie voor het succes van de introductie van digitale radio is de penetratiegraad van digitale radio-ontvangers in huishoudens. Dit wordt gemonitord in de jaarlijkse uitgave «De Digitale Economie» van het CBS. Belangrijke indicator voor dit succes is het percentage huishoudens dat over een DAB+ ontvanger beschikt en daarmee toegang heeft tot digitale radio. Als dit in meer dan 50% van de huishoudens het geval is, ligt het in de rede om de analoge FM op termijn af te schakelen.

Opdrachten

Onderzoek en opdrachten

Dit betreft onderzoeksopdrachten die dienen ter ondersteuning van het beleid op het gebied van onder andere het marktordeningsbeleid, mededingingsbeleid, consumentenbeleid, aanbestedingsbeleid, Europese zaken en strategie.

PIANOo en TenderNed (aanbestedingsbeleid)

De op 1 april 2013 in werking getreden Aanbestedingswet 2012 beoogt een eenduidig en helder regelgevend kader te geven van de voorwaarden waaronder aanbestedende diensten hun opdrachten voor concurrentie moeten openstellen.

Een belangrijk element in het aanbestedingsbeleid vormt TenderNed. TenderNed is het elektronische aanbestedingssysteem, waardoor alle openbare (overheids)opdrachten op één centrale plaats te vinden zijn. TenderNed levert een belangrijke bijdrage aan de professionalisering van de overheidsinkoop, verbetering van naleving van de aanbestedingsregels en vermindering van de administratieve lasten voor ondernemers. Ondernemers kunnen dankzij de verplichting voor aanbestedende diensten om op TenderNed te publiceren alle openbare (overheids-)opdrachten vinden op één centrale plaats.

Beleidsvoorbereiding en evaluaties Frequenties en Veiligheid

  • –  De begrote bedragen zijn voor opdrachten met betrekking tot de volgende onderwerpen ten aanzien van frequenties: De (heruitgifte) van frequenties voor publieke en commerciële radio. De huidige vergunningen voor commerciële radio lopen op 1 september 2017 af. In 2016 zal verder uitvoering worden gegeven aan het medio 2015 genomen besluit over de (her)uitgifte van de vergunningen voor de analoge radio via de AM en de FM en voor digitale radio via TDAB.
  • –  De (heruitgifte) van frequenties voor publieke en commerciële televisie. Begin 2017 lopen de huidige DVBT-vergunningen (digitale ethertelevisie) van Digitenne (KPN) en de Publieke Omroep in het UHF-spectrum af. In 2016 zal verder uitvoering worden gegeven aan het in het najaar van 2015 te nemen besluit over de (her)uitgifte van de vergunningen voor DVBT en de herbestemming van de 700 MHz-band. Dit deel van het UHF-spectrum krijgt vanaf 2020 de bestemming mobiele communicatie.
  • –  De in 2015 verlengde vergunningen voor de 2 GHz band lopen af op 1 januari 2021. De Europese Unie zal de 700 MHz band gaan herbestemmen voor mobiele communicatie. Vanaf 2020 dient de 700 MHz voor mobiel breedband beschikbaar te zijn in lidstaten. Het uitgiftebeleid voor de frequenties in deze banden krijgt vanaf 2016 zijn uitwerking.

Kengetal

2011

2012

2013

2014

Ambitie 2020

Concurrentie markt mobiele telefonie (HHI-index)

3.721

3.740

3.7001

n.n.b.

dalend

Bron: TNO

         

Noot 1: de waarde wijkt af van de in de begroting van EZ 2014 opgenomen waarde omdat deze betrekking had op het derde kwartaal van 2013

Toelichting

De Herfindahl-Hirschman Index (HHI) geeft een indicatie van de marktconcentratie, die afhankelijk is van enerzijds het aantal partijen in de markt (hoe meer partijen, des te lager de HHI) en anderzijds de marktaandelen van deze partijen (hoe groter het marktaandeel van de marktleiders, des te hoger de HHI). Bij dalingen van de HHI kan dus gesproken worden van toegenomen concurrentie. De betreffende HHI kijkt alleen naar de markt op netwerkniveau, dat wil zeggen dat het alleen naar de marktaandelen kijkt van partijen met een eigen netwerk. In de markt voor mobiele telefonie zijn echter ook partijen aanwezig die zelf diensten aanbieden, maar dat doen via de netwerken van de drie grote aanbieders. Het streven is dat door uitgifte van frequenties voor nieuwe mobiele toepassingen ook nieuwe partijen de markt kunnen betreden. Met de veiling voor frequenties voor nieuwe generatie mobiele telecommunicatie is er een nieuwe netwerkaanbieder bij gekomen. Naarmate deze netwerkaanbieder marktaandeel gaat verwerven en vergroten zal de HHI-waarde kunnen dalen.

De begrote bedragen zijn daarnaast voor opdrachten met betrekking tot de continuïteit van netwerken internetveiligheid en cybersecurity:

  • –  Het verhogen van internetveiligheid onder meer in samenwerking met het Platform Internetveiligheid. Betreft onderwerpen als aanpak van botnets, het verbeteren van de intrinsieke veiligheid van software, standaardisatie van privacyvoorwaarden en de veiligheid van mobiele toepassingen.
  • –  De doorontwikkeling en exploitatie van de portal veiliginternetten.nl. Deze portal is er op gericht om eindgebruikers (in het bijzonder individuele gebruikers, MKB en ZZP-ers) bewust te maken van een veilig internetgebruik en hen voor te lichten over en tools te bieden voor veilig internetten en veilig online zakendoen.
  • –  Bijdragen aan onderzoeks- en innovatieprojecten gerelateerd aan de Nationale Cybersecurity Research Agenda.
  • –  Het vergroten van de weerbaarheid van de samenleving door het Agentschap Telecom te ondersteunen in het onderzoek naar telekwetsbaarheid, risico’s voor de samenleving en het kenbaar maken van mogelijke oplossingen.

Bijdragen aan agentschappen

Agentschap Telecom

Agentschap Telecom draagt onder meer zorg voor de toelating tot het spectrum en ziet toe op het juiste gebruik daarvan. De begrote bedragen hebben betrekking op deze taken. De voornaamste uitvoeringstaken zijn voorlichting in het kader van het antennebeleid, juridische procedures en een bijdrage voor werkzaamheden in het kader van vergunningvrije toepassingen. De toezichtstaken hebben betrekking op onder meer toezicht ondergrondse netten (WION), bevoegd aftappen en dataretentie.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Metrologie

Met de Metrologiewet worden nationale meetstandaarden beschikbaar gesteld, die de basis vormen van een internationaal herleidbare metrologische infrastructuur. Het gebruik van gecontroleerde meetinstrumenten bij het leveren van goederen draagt onder andere bij aan eerlijke handel en consumentenbescherming.

VSL B.V. ontwikkelt, beheert en onderhoudt de nationale meetstandaarden. Verispect B.V. houdt toezicht op de Metrologiewet en de Waarborgwet. In beide gevallen gaat het om een overeenkomst voor onbepaalde tijd. In 2015 is een wetsvoorstel ingediend bij het parlement waardoor het toezicht op de Metrologiewet en Waarborgwet in 2016 wordt ondergebracht bij Agentschap Telecom.

Raad voor Accreditatie

De Raad voor Accreditatie (RvA) is een ZBO dat controleert of een keuringsinstantie, certificeringsinstantie, inspectie-instantie of een laboratorium aan de accreditatienormen voldoet. De taken van de Raad voor Accreditatie zijn vastgelegd in de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie. De RvA ontvangt jaarlijks een bijdrage van de Staat voor de kosten die de RvA maakt in het kader van Europese en internationale activiteiten die relevant zijn voor de accreditatie sector als geheel. In de tweede helft van 2015 zal worden gestart met een externe evaluatie van de RvA, die in de loop van 2016 moet zijn afgerond.

Autoriteit Consument en Markt (ACM)

Sinds 1 april 2013 is de uitoefening van het markttoezicht op de niet-financiële markten opgedragen aan de Autoriteit Consument en Markt (ACM). De ACM is belast met wettelijke taken op het gebied van het generieke mededingingstoezicht (Mededingingswet), generieke consumentenbescherming (Wet handhaving consumentenbescherming) en het sectorspecifieke markttoezicht in de sectoren energie, telecommunicatie, post en vervoer.

De apparaatsuitgaven van de ACM zijn geraamd op artikel 40, voor zover de kosten van de ACM niet worden doorbelast naar marktorganisaties die onder het ACM-toezicht vallen. Het bedrag geraamd op artikel 11 betreft de geraamde kosten van de leden van het bestuur van de ACM.

In 2015 wordt de eerste evaluatie van de ZBO ACM uitgevoerd. In het evaluatieonderzoek zullen conclusies worden getrokken over het functioneren van de ZBO ACM. In 2016 zal uitvoering worden gegeven aan eventuele aanbevelingen ter verbetering van het functioneren van de ZBO ACM.

Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)

CBS publiceert als onafhankelijk kennisinstituut betrouwbare en samenhangende feitelijke informatie, gericht op het bieden van inzicht in actuele ontwikkelingen van economie en samenleving. Deze informatie omvat vele maatschappelijke aspecten, van macro-economische indicatoren als economische groei en consumentenprijzen, tot de inkomenssituatie van personen en huishoudens. Producten van CBS omvatten onder andere ruim 500 nieuwsberichten per jaar en 3.400 datasets met 14 miljard cellen die als open data beschikbaar worden gesteld. CBS-producten worden intensief benut door een breed palet van gebruikers voor onder meer het opstellen en evalueren van beleid en voor het signaleren van maatschappelijke trends. CBS staat voor de opgave verder in te spelen op de groeiende vraag naar statistische informatie, de toegankelijkheid van gegevens verder te vergroten, de kwaliteit te handhaven, en tegelijkertijd te bezuinigen.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties:

Nederlands Normalisatie Instituut (NEN)

Het Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) ontvangt een bijdrage van de Staat voor het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden die voortvloeien uit de Europese verordening voor normalisatie (Verordening (EU) Nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012) en de Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen die over het geven van informatie over normen gaat. Tevens is de bijdrage bedoeld voor het informeren van Nederlandse belanghebbenden over initiatieven van de Europese en mondiale normalisatie-instellingen. Daarnaast gebruikt het NEN de bijdrage voor een deel van de contributies die het NEN is verschuldigd aan de Europese en mondiale normalisatie-instellingen en voor de controle op actualiteit van verwijzingen naar normen in regelgeving en kennisgeving aan ministeries indien verwezen wordt naar ingetrokken normen. Begin 2015 is de externe evaluatie van de subsidie aan NEN aan de Tweede Kamer aangeboden (2014–2015, 34 000 XIII, nr. 148)

Internationale organisaties

Dit betreft bijdragen aan:

  • –  Universal Postal Union (UPU): In het najaar van 2016 zal het vierjaarlijkse UPU Congres plaatsvinden, waarin afspraken worden gemaakt voor de periode 2017–2021. In 2016 zal worden gewerkt aan de voorbereidingen voor het Congres.
  • –  European Conference of Postal and Telecommunications Administrations (CEPT): De inzet in de ITU en UPU wordt regionaal voorbereid, voor landen in Europa is daarvoor CEPT het aangewezen kanaal. Daarnaast zal in CEPT verder worden gewerkt aan regionale afspraken over nummers en frequentieverdelingen en aan (technische) mandaten van de Europese Commissie. De rapporten die CEPT opstelt aan de hand van deze mandaten vormen een belangrijke input voor besluiten in het Radio Spectrum Comité van de EU. EZ draagt jaarlijks bij aan de kosten van ERO (het permanente ondersteunende bureau van CEPT in Kopenhagen).
  • –  Internationale organisaties Metrologie. Het gaat om bijdragen op het gebied van metrologie die vastliggen in internationale verdragen (Organisation Internationale de Métrologie Légale (OIML), WELMEC, Bureau International des Poids et Mesures (BIPM)).
  • –  Nederland betaalt als lid van de International Telecommunications Union (ITU) lidmaatschap. Binnen de ITU worden internationale afspraken gemaakt over wereldwijde toewijzing van radiofrequenties aan categorieën van diensten en over de toewijzing van (schaarse) ruimteposities aan satellietsystemen.
  • –  EZ doneert jaarlijks een bedrag aan het secretariaat van het Internet Governance Forum (IGF). Dit forum is een uitvloeisel van het VN-top World Summit on Information Society in 2005.
  • –  Nederland heeft een stoel in het overheidsadviescomité binnen The Internet Corporation for Assigned Names and Numbers/Governmental Advisory Committee (ICANN/GAC). EZ financiert samen met Brazilië en Noorwegen het secretariaat van dit comité met als doel de slagkracht van overheden binnen ICANN te vergroten. Vanaf 2016 wordt deze financiering afgebouwd.

Raad van deskundigen voor de nationale meetstandaarden

Het geraamde bedrag betreft vergoedingen voor de leden van de op grond van de Metrologiewet verplicht ingestelde adviesraad, kosten secretariaat en vergaderkosten. De Raad is een technisch specialistisch adviescollege als bedoeld in de Kaderwet adviescolleges. De Raad oefent toezicht uit op de verwezenlijking en het beheer van onze nationale meetstandaarden en geeft gevraagd en ongevraagd advies over meetstandaarden en grootheden.

Toelichting op de ontvangsten

High Trust

Betreft raming van ontvangsten van boetes die toezichthouders van EZ opleggen en waar – in het kader van het zogenaamde High Trust-beleid – een meerjarige raming voor wordt aangehouden. Verreweg het grootste deel van de ontvangsten betreft boetes die opgelegd worden door de ACM.

Diverse ontvangsten

Betreft ramingen voor ontvangsten uit hoofde van het beleid inzake Telecommunicatie.

Budgettair belang fiscale maatregelen

Bedragen x € 1 mln
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

BTW-vrijstelling Post

102

98

94

89

86

82

78

Een toelichting op deze fiscale regeling is opgenomen in de internetbijlage 12 bij de Miljoenennota (Toelichting op de belastinguitgaven).

12 Een sterk innovatievermogen

Algemene doelstelling

Een sterker innovatievermogen van de Nederlandse economie.

  • –  De ambitie is de positie van Nederland in het Innovation Union Scoreboard te verbeteren naar de groep van innovatieleiders. Nederland neemt nu de vijfde plaats in en is daarmee de hoogst scorende innovatievolger.
  • –  In het kader van de Europa 2020-strategie stelt Nederland zich ten doel dat in 2020 2,5% van het bruto binnenlands product aan onderzoek en ontwikkeling (R&D) wordt uitgegeven.
  • –  Bovendien is het een ambitie van het bedrijvenbeleid dat publieke en private partijen in 2020 voor tenminste € 800 mln participeren in Topconsortia voor Kennis en Innovatie, waarvan tenminste 40% gefinancierd wordt door het bedrijfsleven.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Economische Zaken is Rijksbreed verantwoordelijk voor versterking van het innovatievermogen, in het bijzonder gericht op het bedrijfsleven, om te komen tot:

  • –  nieuwe of sterk verbeterde producten, processen of diensten;
  • –  administratieve, organisatorische of marketinginnovatie.

Samen met de bewindspersonen van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is de Minister van Economische Zaken verantwoordelijk voor het coördineren en borgen van de publieke kennisinfrastructuur voor toegepast en fundamenteel onderzoek.

Vanuit deze verantwoordelijkheden heeft de Minister een stimulerende en regisserende rol:

Stimuleren

  • –  Het stimuleren van extra investeringen in R&D en innovatie in generieke zin en specifiek ten aanzien van topsectoren, door alle bedrijven, inclusief het MKB.
  • –  Het stimuleren van privaat-publieke samenwerking tussen kennisinstellingen en bedrijven, zoals in de topconsortia voor kennis en innovatie (TKI).
  • –  Het stimuleren van Europese en internationale samenwerking op het gebied van innovatie en samen met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het stimuleren van Europese en internationale samenwerking op het gebied van R&D.

Regisseren

  • –  De kabinetsbrede regie van het topsectorenbeleid en de invulling van de kennis- en innovatiecontracten.
  • –  Het regisseren van een effectief stelsel voor kennisbescherming en -benutting.
  • –  Het regisseren van het Nederlandse lucht- en ruimtevaartbeleid.

Voorts heeft de Minister een financierende en faciliterende rol bij het versterken van de innovatiekracht via het Toekomstfonds, zoals beschreven in artikel 19.

In het kader van motie Schouw (TK 21 501-20, nr. 537) worden de landenspecifieke aanbevelingen voor Nederland in de departementale begrotingen opgenomen. De Europese Commissie heeft in 2015 Nederland voor onderzoek en innovatie het volgende aanbevolen:

«Overheidsuitgaven verschuiven naar de ondersteuning van investeringen in onderzoek en ontwikkeling (O&O) en werken aan randvoorwaarden voor de verbetering van particuliere O&O-uitgaven, teneinde de neerwaartse trend in de publieke O&O-uitgaven te keren en het potentieel voor economische groei te vergroten.» Hoewel de innovatiekracht van Nederland nog altijd goed is1, is het van belang om investeringen op een hoger peil te brengen om groei op lange termijn te versterken om de doelstelling in 2020 2,5% van het BBP te besteden aan onderzoek en innovatie in zicht te houden. Het kabinet stimuleert private uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling via fiscale maatregelen die bewezen effectief zijn zoals de WBSO en de topsectorenaanpak. Met het oog op de toekomst, is het van belang om verdere mogelijkheden te benutten om zowel de publieke als private bestedingen aan onderzoek en innovatie op een hoger peil te brengen. Zo zal worden bezien in hoeverre private partijen nog meer geprikkeld kunnen worden om deel te nemen aan langjarige (meer risicovolle) PPS-programma’s. Daarnaast wordt bezien in hoeverre het fiscale ondernemerschaps-instrumentarium effectiever kan worden gericht op onder andere het bereiken van meer maatschappelijk rendement in termen van innovatie, productiviteitsgroei, ondernemersklimaat en werkgelegenheid. Verder kan het goed benutten van de additionele financieringsmogelijkheden van het Europees Fonds voor Strategische Investeringen leiden tot meer investeringen in onderzoek en innovatie. Tenslotte draagt het Toekomstfonds (artikel 19) bij aan intensivering van publieke en private uitgaven aan R&D.

Indicator

Referentiewaarde1

Peildatum

Raming 2016

Streefwaarde

Planning

Bron

R&D-uitgaven als % van het BBP2

1,98%

2013

2,0%

2,5%

2020

CBS

– waarvan private sector

1,10%

2013

1,1%

n.v.t.

 

CBS

– waarvan publieke sector

0,88%

2013

0,9%

n.v.t.

 

CBS

Noot 1: In de meest recente R&D-cijfers van het CBS, gepubliceerd in mei 2015, heeft een methodiekverandering plaatsgevonden ten opzichte van de cijfers die in de begroting voor 2015 en het jaarverslag over 2014 zijn gepresenteerd. Diverse organisaties die eerder tot de bedrijvensector werden gerekend zijn nu als private non-profitorganisaties aangemerkt en daarmee bij de researchinstellingen ondergebracht. Het CBS publiceert geen aparte gegevens over de R&D-uitgaven in de private non-profitorganisaties. Daarom zijn deze in de onderhavige tabel meegenomen in de categorie R&D-uitgaven in de publieke sector, hoewel ze feitelijk beschouwd onder de R&D-uitgaven in de private sector vallen.

Noot 2: De getoonde uitsplitsing van R&D-uitgaven naar publieke en private sector heeft betrekking op de sector waarbinnen het onderzoek wordt uitgevoerd, niet op de financieringsbron

Kengetallen: Innovatieprestaties van Nederland

Kengetal

2010

2011

2012

2013

2014

Innovation Union Scoreboard: positie Nederland in de EU

8e

7e

5e

6e

5e

Bron: Europese Commissie (Innovation Union Scoreboard 2015)

         

Toelichting

Op 7 mei 2015 heeft de Europese Commissie de nieuwe editie van het Innovation Union Scoreboard gepubliceerd. Deze ranglijst geeft de innovatiekracht van de 28 EU-landen weer op basis van 25 indicatoren. Nederland steeg een plaats – van 6 naar 5 – en werd daarmee leider van een groep «innovatievolgers». Dit kwam enerzijds doordat de score van Luxemburg (vorig jaar nummer 5) daalde, anderzijds steeg de score van Nederland met 0,3% iets sterker dan die van het EU-gemiddelde (0,2%) en kwam daarmee dichterbij de groep innovatieleiders. De stap naar de groep leiders is echter nog een grote. Om tot die groep te behoren moet een land tenminste 20% boven het EU-gemiddelde presteren. Binnen die groep zagen Zweden, Finland en Duitsland hun prestatie afnemen, alleen Denemarken boekte groei. Kijkend naar de ontwikkeling van de 25 onderliggende indicatoren resulteert voor Nederland een gemengd beeld wat betreft de innovatieprestatie. Sterke punten zijn onderzoekkwaliteit, octrooiaanvragen, PPS en innovatieomzet. Relatief zwak zijn bedrijfsinvesteringen in R&D en beschikbaarheid van risicokapitaal. Een uitgebreidere toelichting wordt opgenomen in de Monitor Bedrijvenbeleid 2015.

Voor de kengetallen over het aantal aangevraagde octrooien en handelsmerken, het aandeel innoverende bedrijven en de mate van samenwerking met publieke kennisinstellingen wordt verwezen naar de Monitor Bedrijvenbeleid die elk jaar in het najaar verschijnt.

Beleidswijzigingen

Samenvoeging WBSO/RDA

Het kabinet is voornemens de WBSO en de Research- & Development Aftrek (RDA) per 2016 samen te voegen tot één fiscale S&O-regeling, waarbij het financiële voordeel wordt verrekend met de loonheffing. Dit voornemen staat nader toegelicht in het Belastingplan 2016. Door de WBSO en de RDA te integreren, wil het kabinet de effectiviteit van deze regelingen verbeteren en de aanvraagprocedure voor bedrijven vereenvoudigen. De integratie leidt naar verwachting ook tot een vereenvoudiging van de werkprocessen van de Belastingdienst.

Voortzetting samenwerking Rijk/regio in de MKB innovatiestimulering Topsectoren (MIT)

De samenwerking met provincies op MIT die in 2015 ten volle is gestart wordt in 2015, het eerste uitvoeringsjaar, zorgvuldig gemonitord en geanalyseerd. Mede op basis daarvan wordt de uitvoering in 2016 waar nodig verbeterd en wordt de samenwerking met de provincies zo mogelijk verder uitgebreid.

InnovatiePrestatieContracten (IPC)

Met de toedeling van middelen op basis van het amendement Van Veen/Vos zal de IPC-regeling – net als in 2015 – ook in 2016 met een budget van € 3 mln worden opengesteld. Innovatieprestatiecontracten (IPC) is een subsidie voor samenwerkende MKB-bedrijven in dezelfde regio, keten of branche die een meerjarig innovatietraject uitvoeren. De generieke IPC-regeling liep eerder van 2007–2013 en werd in 2010 positief geëvalueerd. In 2014 maakte de IPC-regeling specifiek voor topsectoren deel uit van de MIT-regeling.

Unitair octrooi

Naar verwachting zal in 2016 het nieuwe Europese octrooisysteem in werking treden, waarmee het voor personen, bedrijven of instellingen, gemakkelijker en goedkoper wordt om uitvindingen binnen Europa te beschermen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

VERPLICHTINGEN

656.850

592.947

488.218

475.366

470.568

471.324

510.251

UITGAVEN

695.721

572.543

528.564

509.118

494.663

502.001

511.530

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

88%

       
               
Leningen1

72.107

           

Innovatiefonds (IF): innovatiekrediet

43.282

           

IF: risicokapitaal

13.430

           

IF: Dutch Venture Initiative/Fund of Funds/Vroege fase/informal Investors

12.395

           

IF: Rom’s

3.000

           
               

Subsidies

49.598

93.870

57.645

55.260

50.076

49.353

55.782

MKB Innovatiestimulering Topsectoren (MIT)

16.398

45.662

34.022

31.103

29.153

28.289

34.718

Eurostars

7.299

10.555

13.098

15.502

18.226

18.376

18.376

Lucht- en Ruimtevaart

7.317

26.224

4.874

4.302

1.798

1.798

1.798

Overig

18.584

11.429

5.651

4.353

899

890

890

               

Opdrachten

1.151

1.240

1.493

1.246

1.219

1.228

1.228

Onderzoek en opdrachten

1.151

1.240

1.493

1.246

1.219

1.228

1.228

               

Bijdragen aan agentschappen

65.706

61.823

56.727

54.145

50.859

50.871

50.726

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland

65.462

61.185

56.444

53.862

50.576

50.588

50.588

Agentschap Telecom

244

638

283

283

283

283

138

               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

138.851

121.747

134.750

129.131

127.019

127.019

127.019

TNO

138.851

121.747

134.750

129.131

127.019

127.019

127.019

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

368.312

293.863

277.949

269.336

265.490

273.530

276.775

Toeslag Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI-toeslag)

58.011

51.346

75.364

94.196

106.340

113.598

118.598

Internationaal Innoveren

4.539

14.039

23.679

33.707

39.724

39.724

39.724

Topsectoren overig

171.756

119.499

68.613

45.264

35.237

36.018

34.118

Marin, Deltares, NLR

43.028

44.407

32.344

30.983

30.081

30.081

30.081

Ruimtevaart (ESA)

90.154

64.061

76.776

64.013

52.935

52.936

53.081

Overig

824

511

1.173

1.173

1.173

1.173

1.173

               

ONTVANGSTEN

61.491

44.013

45.449

48.946

50.242

52.437

49.593

Luchtvaartkredietregeling

2.523

3.800

5.777

9.695

12.203

14.125

11.281

Technische Ontwikkelingsprojecten (TOP)

860

3.000

2.000

500

     

Rijksoctrooiwet

35.182

31.212

32.512

32.512

31.212

31.212

31.212

Innovatiekredieten

8.685

           

Seed

3.209

           

Fund of Funds

103

           

Ontvangsten ROM’s

2.999

           

Eurostars

248

2.413

3.572

4.651

5.239

5.512

5.512

Diverse ontvangsten

7.660

3.588

1.588

1.588

1.588

1.588

1.588

Noot 1: Met de nota van wijziging op de Ontwerpbegroting 2015 is het onderdeel Leningen (Innovatiefonds) onderdeel geworden van artikel 19 Toekomstfonds.

Budgetflexibiliteit

Subsidies: De beleidsbudgetten worden per jaar gepubliceerd. Van het beschikbare bedrag in 2016 is 57% juridisch verplicht. Het betreft onder andere uitfinanciering van tot en met 2015 aangegane verplichtingen. Het budget van de regeling MKB Innovatiestimulering Topsectoren (totaal € 34 mln) is voor € 16,7 mln nog niet juridisch verplicht. Van het totale budget subsidies heeft 3% betrekking op de rente luchtvaartkredietregeling. Dit budget is bestuurlijk gebonden.

Opdrachten: Van het opdrachtenbudget is 63% juridisch verplicht. Het betreft de uitfinanciering van in voorgaande jaren aangegane verplichtingen.

Bijdragen aan agentschappen: Het budget betreft de financiering van het opdrachtenpakket 2016 aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en Agentschap Telecom en is 100% juridisch verplicht.

Bijdragen ZBO’s/RWT’s: Het budget betreft de uitfinanciering van de verplichting 2016 aan TNO. Het budget is 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties: Van dit bedrag is 86% juridisch verplicht. Dit betreft vooral de bijdragen aan de TO2-instituten, Stichting Technische Wetenschappen, verschillende Technologische Topinstituten en de uitfinanciering van verschillende innovatieprogramma’s. € 27,8 mln van het budget van de TKI-toeslagregeling is nog niet juridisch verplicht. Dit betreft circa 10% van het totale budget voor (inter)nationale organisaties. De juridische verplichting hiervan zal naar verwachting in 2016 worden aangegaan.

Toelichting op de financiële instrumenten

Het innovatiebeleid heeft twee sporen: het generieke spoor en het specifieke spoor. Het generieke spoor bestaat uit het fiscale innovatie-instrumentarium (WBSO, RDA, innovatiebox), het Innovatiefonds MKB+ (onderdeel van het Dutch Venture Initiative) en Eurostars. De generieke instrumenten beogen – tegen geringe uitvoeringskosten – bedrijven in de volle breedte van de economie aan te zetten tot innovatie.

Het specifieke spoor heeft betrekking op de topsectorenaanpak. De kern van het specifieke beleid is publiek-private samenwerking (PPS). Een essentieel onderdeel daarvan zijn de innovatiecontracten. Daarin formuleren bedrijven, kennisinstellingen en overheden, samen de «gouden driehoek», op het gebied van innovatie en kennis de agenda’s en de programma’s, waarbij ook de inzet van middelen van de betrokken partijen is bepaald. Door een intensievere samenwerking tussen de excellente Nederlandse publieke kennisinfrastructuur en bedrijven vindt de kennis beter zijn weg richting innovatieve producten en oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen. Vanuit budgettaire optiek zijn hier de bijdragen aan de toegepaste kennisinstellingen (TNO, DLO, Deltares, Marin, ECN en NLR), de TKI-toeslag en de MIT van belang.

In figuur 1 wordt een verdeling van middelen naar generieke en specifieke instrumenten getoond. Daaruit blijkt dat 90 procent van het totale budget voor innovatie-instrumenten toegankelijk is voor alle innovatieve bedrijven. In figuur 1 zijn bijdragen aan kennisinstellingen niet meegenomen, omdat die deels onder andere begrotingsartikelen vallen. De innovatiebox is niet meegenomen, aangezien de middelen daarvoor niet binnen dit begrotingsartikel vallen. Bij de specifieke instrumenten zijn de budgetten voor TKI-toeslag, MIT, JTI’s en Eurekaclusters meegeteld.

Figuur 1: budget innovatie-instrumenten 2015 verdeeld naar generiek en specifiek

Een andere manier om naar de samenhang van middelen voor innovatiebevordering bij bedrijven te kijken, is door onderscheid te maken naar grootteklasse van de ontvangende ondernemingen. Het MKB (bedrijven met minder dan 250 werkzame personen) is in termen van uitgevoerde R&D met 41% bijna net zo belangrijk als het grootbedrijf met 59% (zie figuur 2b, bron: CBS, ICT, Kennis en economie 2015). In vergelijking hiermee, toont figuur 2a dat het MKB een relatief ruim aandeel (65%) van de innovatiemiddelen ten gunste van bedrijven ontvangt. In figuur 2a zijn de middelen voor de TKI-toeslag en de toegepaste kennisinstellingen niet meegenomen, omdat deze niet rechtstreeks aan bedrijven beschikbaar gesteld worden.

Een goede verbinding met de initiatieven van de EU en andere landen is integraal onderdeel van het Nederlandse innovatiebeleid. Essentieel is de band tussen de topsectoren en de EU-programma’s op het terrein van kennis en innovatie. Het topsectorenbeleid maakt bovendien gericht werk van bilaterale contacten en economische diplomatie.

De uitgaven aan onderzoek en innovatie van alle departementen gezamenlijk worden door het Rathenau Instituut jaarlijks berekend en openbaar gemaakt in de publicatie Totale Investeringen in Wetenschap en Innovatie (TWIN).

Subsidies

MKB Innovatiestimulering Topsectoren (MIT)

De instrumenten onder MIT bestaan uit innovatieadviesprojecten, haalbaarheidsprojecten, R&D- samenwerkingsprojecten, en vouchers. Daarnaast kunnen TKI’s binnen het MIT subsidie aanvragen voor netwerkactiviteiten en innovatiemakelaars voor het MKB. De doelstellingen van de MIT zijn:

  • 1.  Zoveel mogelijk MKB ondernemers aan te laten sluiten bij de topsectoren. De streefwaarde wordt uitgedrukt in aantallen deelnemers aan de MIT.
  • 2.  Innovatieve MKB bedrijven zoveel mogelijk te laten samenwerken bij onderzoek en innovatie, zowel met elkaar als met kennisinstellingen. Dit doel zal getoetst worden in een evaluatie, die naar verwachting in 2017 wordt afgerond. Daarnaast zal op termijn worden nagegaan waar de diverse projecten toe hebben geleid in termen van bijvoorbeeld vervolgonderzoek en ontwikkelen van nieuwe producten.

Voor 2016 wordt door EZ een budget beschikbaar gesteld van € 35,5 mln waarin tevens de ophoging als gevolg van het amendement Van Veen/Vos is verwerkt. Middels cofinanciering van de regio zal dit bedrag ook in 2016 verder worden vergroot, maar de exacte omvang hiervan is nog niet bekend.

De samenwerking met de regio’s is in 2015 verder uitgebouwd, daarbij geruggesteund door onder meer de motie Mulder2. Deze samenwerking wordt in dat eerste uitvoeringsjaar zorgvuldig gemonitord en geanalyseerd. Mede op basis daarvan wordt de uitvoering in 2016 waar nodig verbeterd en wordt de samenwerking met de regio’s zo mogelijk verder uitgebreid.

Het aantal deelnemers in 2016 aan MIT zal naar verwachting ongeveer gelijk zijn als het aantal in 2015.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Streefwaarde 2016

Bron

Aantal bedrijven dat deelneemt aan MIT1

662

2014

1.7002

RVO.nl

Omvang private R&D-uitgaven ondersteund met MIT (x € 1 mln)

€ 61

2014

€ 81,5

RVO.nl

Noot 1: Ter beperking van de administratieve lasten voor de TKI’s worden de activiteiten netwerkbijeenkomsten en innovatiemakelaars niet meer meegenomen in de berekening van het aantal bedrijven.

Noot 2: Dit aantal is gebaseerd op subsidiebudget van € 50,5 mln – (evenals in 2015) waarvan € 35,5 mln afkomstig van EZ (waarvan € 15 mln ingezet als cofinanciering voor decentrale uitvoering) en € 15 mln afkomstig vanuit provincies – en de gehanteerde subsidiepercentages.

Toelichting

Het aantal bedrijven dat deelneemt en daarmee de realisatiewaarde en streefwaarde, is rechtstreeks afhankelijk van de hoogte van het budget en van het budget per instrumenten. Dat kan per jaar verschillen. Naar verwachting zullen er met € 50,5 mln circa 1.700 bedrijven kunnen deelnemen.

Eurostars

Eurostars is een internationaal programma dat 34 deelnemende landen en de EU gezamenlijk financieren. De regeling Eurostars is met name gericht op het hightech MKB en ondersteunt bedrijven en kennisinstellingen die met buitenlandse partijen in Europa willen samenwerken in projecten die gericht zijn op marktgericht technologisch onderzoek en ontwikkeling. Dankzij deelname aan Eurostars-projecten krijgen Nederlandse bedrijven en organisaties toegang tot de kennis en R&D-resultaten van buitenlandse bedrijven en organisaties.

Eurostars II is in 2014 gestart om vervolg te geven aan het Eurostars I-programma van de periode 2007–2013. Voor het totale beleidsbudget van Eurostars II is bijna een verdrievoudiging voorzien voor de komende zeven jaar ten opzichte van Eurostars I. Hiermee wordt tegemoetgekomen aan de grote belangstelling vanuit bedrijven en kennisinstellingen. Met de brief van 28 mei 2015 (TK, 32 637, nr. 183) is de Kamer geïnformeerd over de resultaten van Nederlandse deelnemers aan de eerste calls van Eurostars-2.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Streefwaarde

Planning

Bron

Aantal Nederlandse deelnemers aan Eurostars

20

2014

50

2016

RVO.nl

– waarvan bedrijven

13

 

40

   

– waarvan hightech MKB (%)

100%

 

85%

   

Door Eurostars ondersteunde private R&D-uitgaven van Nederlandse deelnemers (x € 1 mln)

7

2014

20

2016

RVO.nl

Toelichting

De referentiewaarden in bovenstaande tabel hebben betrekking op alle projecten die in 2014 gerealiseerd werden. Wat het aantal deelnemers betreft tonen bovenstaande cijfers de organisaties die in 2014 succesvol aan een call hebben deelgenomen. De omvang van de ondersteunde private R&D-uitgaven is de som van de door Nederlandse deelnemers opgegeven subsidiabele kosten op het moment van commitering, verminderd met het subsidiebedrag.

De EU stelt in totaal € 287 mln beschikbaar voor het Eurostars-II-programma tijdens de looptijd van H2020. Bovengenoemde streefwaarden zijn gebaseerd op de Nederlandse financiering voor Eurostars inclusief de EU-bijdrage, die bestaat uit maximaal een derde van het bedrag dat nationale overheden aan financiering voor Eurostars-projecten toekennen.

Lucht- en Ruimtevaart

Deze post heeft betrekking op de uitfinanciering van het specifieke luchtvaartbeleid (de luchtvaartkredietregeling en het Nationaal Programma Luchtvaart).

Opdrachten

Onderzoek en opdrachten

Uit dit budget worden beleidsonderzoek, verplichte evaluaties van beleidsinstrumenten en beleidsdoorlichtingen gefinancierd.

Bijdragen aan agentschappen

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl)

De uitvoering van de meeste van de innovatie-instrumenten, zoals WBSO, Eurostars, ondersteuning van het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (Horizon 2020), MKB Innovatiestimulering Topsectoren en TKI Toeslag, wordt verzorgd door RVO.nl. Dit betreft activiteiten als beoordeling van aanvragen, bedrijfscontroles, voorlichting over de instrumenten en het terugontvangen van kredieten. Daarnaast heeft RVO.nl ook andere taken:

  • •  Het netwerk van Innovatie Attachés is een onderdeel van RVO.nl en bevordert de samenwerking van Nederlandse bedrijven, kennisinstellingen en overheidsorganisaties met het buitenland met als doel het innovatievermogen van Nederland te versterken. Daarbij concentreert het zich op de internationalisering van de innovatiecontracten van de topsectoren en speelt het in op nieuwe technologische ontwikkelingen die voor de Nederlandse kenniseconomie en de hele innovatieketen van belang zijn.
  • •  Een goed functionerend stelsel van intellectuele eigendomsrechten is een belangrijke voorwaarde voor een innoverende en dynamische kenniseconomie en voor het versterken van de innovatiekracht van bedrijven. Essentieel daarbij is het vinden van de juiste balans tussen enerzijds kennisbescherming en anderzijds de verspreiding en benutting van kennis. Octrooicentrum Nederland, onderdeel van RVO.nl, is belast met het uitvoeren van taken die bij of op grond van wetten of verdragen zijn opgedragen zoals bijvoorbeeld de verlening en registratie van octrooien, de inning van taksen, de vertegenwoordiging van Nederland in Europese en mondiale organisaties en de uitvoering van andere wettelijke taken onder de Rijksoctrooiwet 1995 evenals de nakoming van Europese en internationale verplichtingen. Voor het stimuleren en het toegankelijk maken van het gebruik van het octrooisysteem en van de kennis die in octrooidatabanken is opgeslagen, geeft Octrooicentrum Nederland voorlichting en advies aan bedrijven, kennisinstellingen, overheden en uitvinders.

Agentschap Telecom

De uitvoering, het toezicht en de handhaving van de bepalingen van de Wet ruimtevaartactiviteiten wordt verzorgd door Agentschap Telecom. Het gaat om werkzaamheden die voortkomen uit aanvragen voor een ruimtevaartvergunning, registreren van ruimtevoorwerpen, deelname aan internationale gremia, adviseren en voorlichting geven over ruimtevaartactiviteiten.

Het wettelijke toezicht heeft betrekking op de afgifte van ruimtevaartvergunningen.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

TNO

TNO (Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek) werkt samen met vijf andere instituten in de federatie Toegepaste Onderzoek Organisaties (TO2). EZ investeert samen met enkele andere ministeries in deze instituten, omdat hier onafhankelijk onderzoek in Nederland plaatsvindt dat kansen kan creëren voor innovatie en economische groei en dat een bijdrage levert aan de publieke kennis op terreinen van maatschappelijk belang.

TNO bestrijkt een breed onderzoeksgebied op het terrein van meerdere topsectoren, met name HTSM, energie en agri&food. Daarnaast ontwikkelt het kennis op een aantal maatschappelijke thema’s, met name defensie, maatschappelijke veiligheid, leefomgeving, en arbeid & gezondheid.

Het budget voor TNO is vanaf 2016 verhoogd met € 17 mln, dit in verband met de gevolgen van jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie met betrekking tot de BTW.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Toeslag Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI-toeslag)

In 2013 zijn de Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s) gestart met het bundelen en stroomlijnen van de onderzoeksprogrammering in de gehele kennisketen. Mede om de werkwijze van de TKI’s te vereenvoudigen hebben in 2013 alle belanghebbenden, waaronder de topteams, afspraken gemaakt over de programmering van fundamenteel en toegepast onderzoek en bijbehorende modellen voor intellectueel eigendom. In 2014 is begonnen met de verdere vereenvoudiging en uniformiteit van de werking van de TKI’s en is tevens de TKI-toeslag vereenvoudigd. In 2015 is de TKI-toeslagregeling verder vereenvoudigd en geflexibiliseerd door meer ANBI (Algemeen nut beogende instellingen)-bijdragen toe te staan. In 2016 zal de TKI-regeling zo ontwikkeld zijn dat het een stevige bijdrage levert aan privaat-publieke samenwerking bij kennis en innovatie.

De TKI-regeling stimuleert privaat-publieke samenwerkingsprogramma’s in lijn met de onderzoeksagenda’s van de topsectoren en de maatschappelijke uitdagingen. De TKI’s zijn daarbij programmerend en regisserend.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2016

Streefwaarde

Planning

Bron

Omvang middelen PPS-programma’s TKI (x € 1 mln)

780

2014

750

800

2020

TKI (bewerking RVO)

– waarvan private middelen (%)

44% (340)

2014

40%

40%

2020

TKI (bewerking RVO)

Toelichting

De indicator -omvang van middelen in privaat-publieke samenwerkingsprogramma’s- is een schatting op basis van de door TKI’s opgegeven private middelen in PPS («grondslag»). In 2014 hebben private partijen voor € 340 mln cash bijgedragen aan privaat-publieke samenwerkingsprojecten op basis waarvan de TKI’s toeslag hebben aangevraagd.

Op basis van eerdere programma’s bedraagt het private deel van de financiering 44% van het totaal. Daarmee komt de geschatte totale PPS-projectomvang waarvoor TKI-toeslag is aangevraagd in 2014 op € 780 mln. Doordat steeds meer informatie beschikbaar komt over de verhouding tussen private en publieke middelen binnen PPS projecten, kan deze indicator steeds beter geschat worden.

Horizon 2020/Internationaal Innoveren

Horizon 2020 (H2020, looptijd 2014–2020), het Europese financieringsprogramma voor onderzoek en innovatie, is de opvolger van het Zevende Kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling (KP7). Horizon 2020 omvat programma’s die in KP7 zaten, de innovatie gerelateerde onderdelen die in de vorige periode waren ondergebracht in het Concurrentiekracht en Innovatie Programma (CIP) en het Europees Instituut voor Innovatie en Technologie (EIT).

Het doel van H2020 is de wetenschappelijke en technologische basis van Europa te versterken, evenals de concurrentiekracht van het Europese bedrijfsleven. Daarnaast is ontwikkeling en benutting van kennis voor het oplossen van maatschappelijke uitdagingen een belangrijk uitgangspunt.

Het budget van H2020 is in het meerjarig financieel kader vastgesteld op € 70,2 mld constante prijzen en is hiermee mondiaal het grootste grensoverschrijdende programma voor onderzoek en innovatie. De verdeling van de middelen vindt plaats op basis van competitie waarbij objectieve criteria worden gehanteerd en de beste voorstellen worden gehonoreerd.

Net als in 2015 gaat voor EZ de aandacht uit naar het verbinden van H2020 met het nationale innovatiebeleid, in het bijzonder de topsectoren, het op peil houden van de deelname van Nederlandse partijen en het vergroten van de bedrijfsdeelname (vooral het MKB). Daarnaast wordt ook nadrukkelijk aansluiting gezocht met de structuurfondsen. De RVO.nl stimuleert in opdracht van EZ en andere departementen Nederlandse deelname aan H2020.

De geraamde reeks voor internationaal innoveren is gereserveerd voor de rijkscofinanciering op Nederlandse deelname in de EU-programma’s Eureka en Joint Technology Initiatives.

Indicator

Referentiewaarde1

Peildatum

Streefwaarde2

Planning

Bron

Aantal Nederlandse deelnemers aan KP7/ H2020

493

2014

1.350

2016

RVO/EC

– waarvan bedrijven

337

 

900

   

Omvang KP7/H2020-middelen voor Nederlandse deelnemers (retour in mln euro)

€ 659

2014

3

2016

RVO/EC

– waarvan bedrijven (%)

26,5%

 

25%

   

Retourpercentage voor Nederland (%)

7,6%

2014

7%

2016

RVO/EC

Noot 1: De referentiewaardes betreffen de voorlopige cijfers van H2020 uit 2014 (peildatum 30 juli 2015; in deze cijfers is ook een klein deel van 2015 opgenomen).

Noot 2: De streefwaarden voor 2016 betreffen cumulatieve cijfers van H2020 (2014–2016)

Noot 3: Bij het opmaken van de begroting was nog niet bekend welk deel van de Europese H2020-middelen beschikbaar komt voor calls, waardoor deze streefwaarde nog niet kon worden vastgesteld.

Toelichting

De referentiewaardes in de bovenstaande tabel betreffen de voorlopige cijfers van H2020 uit 2014 (peildatum 30 juli 2015). De cijfers worden mogelijk aangepast wanneer de definitieve cijfers over dit jaar bekend zijn. De cijfers geven een beeld van de resultaten uit het eerste jaar bij een nieuwe structuur en opzet van Europese onderzoeks- en innovatiefinancieringsprogramma H2020.

De streefwaarden in de tabel zijn cumulatieve ramingen van deelname tot en met 2016 die gebaseerd zijn op basis van voorlopige cijfers H2020 uit 2014.

Naar verwachting zal de concurrentie met andere lidstaten in H2020 toenemen omdat ook de Midden- en Oost-Europese «nieuwe» landen kwalitatief beter worden in onderzoek en innovatie. Uit de voorlopige H2020 cijfers uit 2014 blijkt dat het aantal ingediende voorstellen dan ook is toegenomen en de gemiddelde slaagkans voor deelname omlaag is gegaan.

Voor 2016 is het streven om 7,0% retourpercentage – door Nederlandse participanten te behalen – te realiseren van het bedrag dat de Europese Commissie in calls beschikbaar stelt voor 2016. Dit bedrag is nog niet bekend. Het streven is voorts dat bedrijven een aandeel van 25% hebben in de H2020 middelen voor Nederlandse deelnemers, in lijn met de doelstellingen van H2020.

Toegepaste Onderzoek organisaties (TO2)

TO2 bestaat uit zes instituten. Naast TNO (Nederlandse organisatie voor Toegepast-Natuurwetenschappelijk Onderzoek) (zie «bijdragen aan ZBO’s/RWT’s») zijn dit:

  • –  Deltares (Delta Research): instituut op het gebied van deltatechnologie. Deltares levert bijdragen aan innovatieve oplossingen voor water-, ondergrond- en deltavraagstukken die het leven in delta’s, kust- en riviergebieden veilig, schoon en duurzaam maken.
  • –  MARIN (Maritiem Research Instituut Nederland): instituut op het gebied van hydromechanisch en nautisch onderzoek.
  • –  NLR (Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium): instituut op het gebied van militaire (ten behoeve van het Ministerie van Defensie) en civiele luchtvaart (ten behoeve van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu).
  • –  ECN (Energieonderzoek Centrum Nederland) en DLO (Dienst Landbouwkundig Onderzoek): deze instituten worden toegelicht in respectievelijk artikel 14 en 16.

De TO2 instituten verrichten onderzoek op de uitwerking van de agenda’s van de topsectoren uit het bedrijfslevenbeleid. Hiervoor zijn nadere spelregels afgesproken (TK, 28 753 nr. 30) die in publiekprivate samenwerkingsverbanden in topsectoren maatgevend zullen zijn. Daarnaast verrichten de TO2-instituten onderzoek in het kader van maatschappelijke thema’s zoals leefomgeving, maatschappelijke veiligheid, arbeid en gezondheid en voor onderzoek ten behoeve van (wettelijke) taken van de overheid.

Met de Kabinetsvisie op toegepast onderzoek (TK, 32 637 nr. 68) is een aantal beleidsmaatregelen aangekondigd. De belangrijkste actiepunten voor 2016 inzake toegepast onderzoek zijn:

Verdere uitwerking geven aan de rol die de instituten spelen in de innovatiecontracten en in het bijzonder de Topconsortia voor Kennis en Innovatie.

Een scherpere balans tussen een sterke publieke kennisbasis en het flexibel inspelen op en nader invullen van de vraag uit de topsectoren.

De uitvoering van een uniforme evaluatie voor alle zes TO2 instituten.

De uitwerking van een uniform juridisch kader voor alle zes TO2 instituten.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Streefwaarde

Planning

Bron

Klanttevredenheid Deltares

7,91

2014

8,0

2016

Deltares

Klanttevredenheid Marin

9,0

2014

8,0

2016

Marin

Klanttevredenheid NLR

8,7

2014

8,0

2016

NLR

Klanttevredenheid TNO

8,3

2014

8,0

2016

TNO

Noot 1: De wijze waarop Deltares over 2014 klanttevredenheid heeft gemeten verschilt met de manier waarop de andere TO2 instituten dat gedaan hebben en is daarom niet vergelijkbaar. Met ingang van 2015 meten alle TO2 instituten klanttevredenheid op dezelfde manier.NB: Klanttevredenheid ECN is opgenomen in EZ begrotingsartikel 14. Klanttevredenheid ECN is 8,6.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Streefwaarde

Planning

Bron

Kennisbenutting Deltares

>80%

2016

Deltares

Kennisbenutting Marin

>80%

2016

Marin

Kennisbenutting NLR

>80%

2016

NLR

Kennisbenutting TNO

>80%

2016

TNO

NB1: Kennisbenutting DLO en ECN zijn opgenomen in de EZ begrotingsartikelen 14 en 16. Kennisbenutting van door EZ gefinancierd agro onderzoek is 85% (waaronder veel onderzoek uitgevoerd door DLO).

NB2: Over 2015 wordt voor het eerst kennisbenutting op een uniforme wijze gemeten. De referentiewaarde zal worden gebaseerd op die meting.

Toelichting

In 2015 zijn alle TO2 instituten overgegaan op een nieuwe, uniforme methode voor het meten van klanttevredenheid en kennisbenutting. De scores in bovenstaande tabellen geven de gerealiseerde waarden van klanttevredenheid en kennisbenutting voor al het onderzoek dat de TO2 in opdracht uitvoeren (het betreft dus zowel PPS onderzoek, als onderzoek in opdracht van private klanten als onderzoek in opdracht van de publieke sector, tenzij anders vermeld). Over 2014 is een uniforme meting van klanttevredenheid uitgevoerd, daarop is de referentiewaarde voor klanttevredenheid gebaseerd. In 2015 zal voor het eerst ook kennisbenutting uniform worden gemeten, dat zal de basis vormen voor de referentiewaarde van kennisbenutting. Over deze indicatoren wordt nader gerapporteerd in de monitor Bedrijfslevenbeleid. In de Visie op het toegepaste onderzoek (TK 2012–13, 32 637 nr. 68) is aangegeven dat het kabinet de instituten in de toekomst op kwaliteit en maatschappelijke impact van het onderzoek wil beoordelen. Daartoe wordt in 2015 een uniform evaluatie- en monitoringskader ontwikkeld waarmee de instituten in 2017 geëvalueerd worden. Tevens wordt in 2015 een eerste meting uitgevoerd.

Topsectoren overig

Stichting voor de Technische Wetenschappen (STW, onderdeel van NWO) financiert technisch wetenschappelijk onderzoek aan Nederlandse universiteiten en instituten. Met de bijdrage van EZ worden de Perspectiefprogramma’s gefinancierd, die worden ingezet voor innovatiecontracten van topsectoren. Voor de bijdrage aan STW is structureel circa € 20 mln per jaar beschikbaar.

De perspectiefprogramma’s van STW worden inhoudelijk ingebed in de innovatiecontracten van de topsectoren. Dat gebeurt door de onderzoeksvoorstellen behalve op excellentie en utilisatie ook te toetsen op de mate waarin voorstellen passen in onderzoekroadmaps van topsectoren.

Deze post bevat daarnaast de middelen die gereserveerd zijn voor de afbouw van een aantal FES-projecten. Ook de afbouw van de voormalige Innovatieprogramma’s, waaronder Point One, wordt hier geraamd. Tot slot worden enkele kleine posten met betrekking tot het huidige topsectorenbeleid onder deze post verantwoord.

Ruimtevaart (ESA)

De financiële bijdrage aan Ruimtevaart bestaat uit verplichte programma’s (contributie) van European Space Agency (ESA) en uit gerichte inschrijving op optionele programma’s van ESA. De ingeschreven middelen worden via open competitie in contracten uitgezet bij Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen (Geo Return systeem). Daarnaast kent het Ruimtevaartbeleid een (beperkt) flankerend beleid waarin onder andere wetenschappelijke instrumenten ontwikkeld worden en de interactie met ESTEC. In dit beleid worden ook de middelen verantwoord voor de EZ-bijdrage om het TROPOMI-instrument te bouwen. Bovendien wordt in 2015 verder vorm en inhoud gegeven aan beleid om te bevorderen dat nieuwe diensten worden ontwikkeld op basis van satellietdata, die beschikbaar komen via de nieuwe Copernicus aardobservatiesatellieten van de EU en ESA en het satellietdataportaal van het Netherlands Space Office (NSO). Uitvoering van dit beleid is neergelegd bij het NSO. In 2015 en 2016 wordt gewerkt aan de voorbereiding van de ESA-Ministersconferentie, die naar verwachting eind 2016 zal plaatsvinden in Zwitserland.

Om de ambities van Nederland op het gebied van ruimtevaart financieel op peil te houden is vanaf 2018 € 13 mln door het Kabinet gereserveerd op Aanvullende post van de Rijksbegroting. Het betreft de middelen die in het Regeerakkoord beschikbaar zijn gesteld voor fundamenteel onderzoek (maatregel D 32).

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Streefwaarde

Planning

Bron

Aantal Nederlandse bedrijven dat deelneemt aan ruimtevaartprogramma’s ESA (1)

n.n.b.

2015

125

2016

ESA

Ruimtevaart geo-return/retour (%) (2)

1,09

2011

1

2016

ESA

Toelichting

  • 1)  In het hier weergegeven getal zijn alle contracten van Nederlandse bedrijven met ESA opgenomen, ook de contracten die niet direct aan ruimtevaartprogramma’s zijn gekoppeld, maar gerelateerd zijn aan de vestiging van ESTEC in Nederland. Verschillende divisies van een bedrijf worden als afzonderlijke contractanten meegeteld. Er is geen referentiewaarde opgenomen omdat ESA in 2015 is gestart met een nieuwe, opgeschoonde database waardoor de waarde substantieel lager zal uitvallen, dan de cumulatieve waarden tot en met 2014. Bedrijven waarmee al enige tijd geen contracten zijn afgesloten zullen niet in het nieuwe databestand worden opgenomen. Het betreft een cumulatief getal op basis van databestanden van ESA vanaf 1 januari 2015.
  • 2)  De prestatie-indicator «ruimtevaart geo-return/retour (%)» betreft research- en leveringsopdrachten van ESA aan de Nederlandse industrie en kennisinstellingen. Deze opdrachten komen voort uit de Nederlandse contributies aan diverse ruimtevaartprogramma’s van ESA. Daarbij wordt door ESA een retour van 0,9 (90%) van de bijdragen van lidstaten aan deze programma’s gegarandeerd. Een hogere retour dan 1 betekent dat Nederlandse bedrijven extra succesvol zijn bij het werven van ESA-orders, maar ook dat Nederland uit eigen middelen mogelijk moet compenseren aan lidstaten met een lagere retour dan 1; vandaar de streefwaarde van 1.

Budgettair belang fiscale maatregelen

Bedragen x € 1 mln
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Aftrek speur- en ontwikkelingswerk (WBSO)1

8

8

8

8

8

8

8

Afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO)

780

794

1.143

1.120

1.120

1.120

1.120

Research & Development Aftrek (RDA)

255

238

0

0

0

0

0

Noot 1: De bedragen per 2016 hebben betrekking op de geïntegreerde WBSO en RDA. De geïntegreerde regeling gaat onder de naam WBSO verder.

S&O-afdrachtvermindering (WBSO)

De WBSO is de verzamelnaam voor de faciliteit afdrachtsvermindering speur- en ontwikkelingswerk (S&O) in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen en de S&O-aftrek in de Wet inkomstenbelasting. De WBSO is gericht op het stimuleren van Speur- en Ontwikkelingswerk (S&O) door het bedrijfsleven, door het verlagen van de aan S&O-gerelateerde kosten. De WBSO richt zich nu alleen op de loonkosten van S&O-medewerkers. Door de integratie met de RDA, zal de WBSO zich ook richten op de overige aan S&O-gerelateerde kosten en uitgaven. De RDA is thans vormgegeven als aftrekpost voor de winstbelasting (vennootschapsbelasting of inkomstenbelasting).

Parameters WBSO 2016

 

Tarief eerste schijf

32%

Tarief eerste schijf starters

40%

Loongrens eerste schijf

€ 350.000

Tarief tweede schijf

16%

Kengetallen

2010

2011

2012

2013

2014

Aantal bedrijven dat gebruik maakt van WBSO1

19.450

20.530

22.220

22.640

22.974

Door WBSO ondersteunde private R&D-uitgaven (S&O-loon, x € 1 mln)

3.377

3.571

3.854

3.917

3.997

Aantal bedrijven dat gebruik maakt van RDA2

n.v.t

n.v.t.

13.860

16.160

16.622

Door RDA ondersteunde private R&D uitgaven

(x € 1 mln)

n.v.t.

n.v.t

2.035

2.530

2.587

Bron: RVO

         

Noot 1: Hier wordt bedoeld: ondernemingen, kennisinstellingen en zelfstandig ondernemers met een S&O-verklaring.

Noot 2: Hier wordt bedoeld: ondernemingen en zelfstandig ondernemers met een RDA-beschikking.

Toelichting

Het aantal WBSO-gebruikers is in 2014 ten opzichte van 2013 met 1,5% gegroeid tot 22.974. Daarvan behoorde 97% tot het MKB. Van het toegekende budget ging 76% naar het MKB. Het aantal toegekende S&O-arbeidsjaren is met 2,2% gegroeid tot 83.468 S&O-arbeidsjaren. Aldus ondersteunde de WBSO circa € 3,4 mld van de S&O-loonuitgaven van bedrijven.

De RDA is in 2012 geïntroduceerd. Het aantal RDA-gebruikers is in 2014 is ten opzichte van 2013 met 3,1% gegroeid tot 16.622. Daarvan behoorde 98% tot het MKB. Van het toegekende RDA-bedrag ging 45% naar het MKB. De door RDA ondersteunde private R&D-uitgaven bedragen circa € 2,6 mld, 2,3% meer dan in 2013.

13 Een excellent ondernemingsklimaat

Algemene doelstelling

Bedrijven zijn de motor achter economische groei. De overheid zet zich in om de juiste voorwaarden voor een excellent ondernemersklimaat te creëren, zodat bedrijven kunnen investeren en groeien. Bijzondere aandacht gaat daarbij uit naar de concurrentiekracht van negen topsectoren en naar groene groei.

Om deze doelstelling te bereiken zet de Minister van Economische Zaken financiële instrumenten in, zoals borgstellingen en garanties. De financiële instrumenten verbeteren de toegang tot financiering voor het Nederlandse bedrijfsleven.

Daarnaast maakt de Minister van Economische Zaken gebruik van niet-financiële instrumenten, zoals het terugdringen van onnodige regeldruk en het verbeteren van (digitale) dienstverlening aan bedrijven. Onder deze doelstelling valt ook het opschalen van ICT toepassingen om maatschappelijke en economische uitdagingen op te lossen, bijvoorbeeld met de ICT-doorbraakprojecten. Via onder andere het interdepartementaal programma Biobased Economy, de Green Deal aanpak en het aanpassen van belemmerende regelgeving wordt bijgedragen aan groene economische groei.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Economische Zaken is vanuit een stimulerende rol verantwoordelijk voor het scheppen van randvoorwaarden voor een excellent ondernemingsklimaat door:

Stimuleren

  • –  Het stimuleren van een ambitieuze en duurzame ondernemerschapscultuur.
  • –  Het stimuleren van de start en (internationale) doorgroei van bedrijven.
  • –  Het stimuleren van de implementatie en het gebruik van generieke digitale voorzieningen door alle overheidsorganisaties om de dienstverlening aan ondernemers te verbeteren, zoals eHerkenning, het digitaal Ondernemersplein, het Ondernemingsdossier en Standard Business Reporting.
  • –  Het stimuleren van het gebruik en kennis van ICT door het midden- en kleinbedrijf, in de topsectoren, de industrie en in sectoren als de detailhandel, logistiek, agro en het onderwijs door het in publiek-private samenwerking uitvoeren van de actieagenda Smart Industry, het Retailpact en de ICT-doorbraakprojecten.
  • –  De stimulering, coördinatie en facilitering van de transitie naar een biobased economy.
  • –  Het bevorderen van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen.

Regisseren/faciliteren

  • –  Het ondersteunen van de toegang tot (risico)kapitaal voor bedrijven en de transitie op de kapitaalmarkt met voldoende ruimte voor alternatieve vormen van financiering.
  • –  Inzetten op verdere investeringen in Nederland onder meer via het Nederlands Investerings Agentschap (NIA) en via het private initiatief van institutionele beleggers in de vorm van de Nederlandse Investeringsinstelling (NLII).
  • –  Het versterken van het startup ecosysteem onder de overkoepelende term StartupDelta.
  • –  Het verbeteren van de dienstverlening aan de ondernemers door de Kamer van Koophandel, onder andere door middel van Ondernemerspleinen.
  • –  De kabinetsbrede coördinatie van het topsectorenbeleid.
  • –  Het versterken van de bijdrage van ICT-innovatie aan de economie, onder meer door het vernieuwen van de kennis- en innovatieagenda 2016–2017 (Roadmap ICT voor de topsectoren), een topsectorenplan big data en een Human Capital agenda ICT.
  • –  De coördinatie en het faciliteren van het kabinetsbrede regeldrukverminderingsprogramma «Goed Geregeld, een verantwoorde vermindering van regeldruk 2012–2017». In dit programma zijn de vakministers verantwoordelijk voor de regeldrukvermindering op hun beleidsterrein. De Minister van Economische Zaken coördineert de aanpak voor bedrijven, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de aanpak voor burgers en professionals, evenals het lokaal toezicht.
  • –  Faciliteren van het Nederlandse bedrijfsleven in hun duurzame grondstoffenvoorzieningszekerheid zoals in de grondstoffennotitie.
  • –  De coördinatie van het Groene Groei-traject en de Green Deal aanpak.
  • –  Het waarborgen van een internationaal level playing field.
  • –  Een betere aansluiting tussen het onderwijs en de arbeidsmarkt.
  • –  Het verbeteren van de match tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt voor technisch personeel (Techniekpact).

Uitgangspunt is de juiste randvoorwaarden te creëren en ondernemers de ruimte te geven voor vernieuwing en groei. In dialoog met bedrijven, maatschappelijke organisaties en medeoverheden worden kansen benut en knelpunten opgelost. De Minister van EZ is gesprekspartner en aanspreekpunt voor het bedrijfsleven, sectoren, branches en individuele bedrijven. De overheid is terughoudend met ingrijpen in het bedrijfsleven, maar er kan soms een rol zijn in geval van externe effecten, informatie-asymmetrie of verstorend gedrag van (internationale) overheden. Hiervoor zet de Minister zowel financiële instrumenten in, zoals garanties en subsidies aan bedrijven en instellingen, als niet financiële instrumenten.

1 – Global Competitiveness Index

2011

2012

2013

2014

2015

Ambitie

Positie van Nederland

7e

5e

8e

8e

n.n.b.

Top-5 in 2020

Bron: World Economic Forum (Global Competitiveness Report, 2013–2014)

           
             
2 – Aandeel snelle groeiers1

2007/2010

2008/2011

2009/2012

2010/2013

2011/2014

 

Nederland

3,7%

3,7%

4,0%

3,2%

3,1%

 

Bron: CBS

           

Noot 1: Het CBS heeft voor de berekening van snelle groeiers in 2015 een methodische verbetering doorgevoerd waardoor bedrijven beter over de tijd te volgen zijn. Gebruikte cijfers in de begroting 2015 zijn daarmee achterhaald. Cijfers over snelle groeiers zijn inclusief bedrijven waarbij de groei, in elk geval voor een deel, is toe te schrijven aan een overname van een ander bedrijf. Indien alle bedrijven die in een onderhavige periode een overname deden buiten beschouwing worden gelaten, dan ligt het aantal snelle groeiers tussen de 0,3 en 0,5 procentpunt lager.

Toelichting

  • 1.  Het Nederlandse ondernemingsklimaat behoort sinds 2007 tot de top-10 volgens de Global Competitiveness Index van het World Economic Forum. Tussen 2009 en 2012 is Nederland gestegen van de 10e naar de 5e plek. In 2014 heeft Nederland een achtste plaats op de ranglijst behaald. Dit onderschrijft de noodzaak van goede financieringsmogelijkheden voor ondernemers, blijvende investeringen in onderwijs en onderzoek, vermindering van regeldruk en stimulering van innovatie.
  • 2.  Een bedrijf wordt een snelle groeier genoemd wanneer de werkgelegenheid over een periode van 3 jaar met meer dan 72,8% toeneemt (20% per jaar). 3,1% van de bedrijven met meer dan 10 werknemers over de periode 2011–2014 kan op basis van deze definitie worden geclassificeerd als een snelle groeier. Dat aandeel ligt op een vergelijkbaar niveau als de voorgaande periode (2010–2013), maar lager dan de 3 periodes daarvoor.

Beleidswijzigingen

Actieplan MKB-financiering

Uit hoofde van het aanvullend Actieplan MKB-financiering wordt in 2015 onder meer een fundinggarantie voor nieuwe aanbieders van MKB financiering, de aanvullende funding van Qredits, de verhoging van de bijdragen aan DVI, het structureel maken van Vroege fase financiering en een aantal flankerende maatregelen geregeld. De garantie voor nieuwe aanbieders van achtergestelde leningen zal waarschijnlijk in 2016 starten en verder gebruik maken van de Groeifaciliteit. In 2016 blijft EZ inzetten op goede investeringen in Nederland, ook vanuit Europese fondsen en sluit daarbij aan op de organisatiecapaciteit van onder meer NIA.

Motorenonderhoud JSF

Het Ministerie van Economische Zaken overweegt om, naast het Ministerie van Defensie en de provincie Noord Brabant, een deel van de investering voor de F-35 motorenonderhoudsfaciliteit te financieren. In het najaar van 2015 zal een definitief besluit worden genomen. De verwerking van de bijdrage zal plaatsvinden bij Voorjaarsnota 2016.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

VERPLICHTINGEN

757.490

2.470.444

1.836.610

1.829.759

1.826.524

1.830.023

1.830.397

Waarvan garantieverplichtingen

516.609

2.264.501

1.650.000

1.650.000

1.650.000

1.650.000

1.650.000

UITGAVEN

404.941

302.595

265.666

249.925

243.026

246.787

247.681

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

90%

       
               

Garanties

153.377

95.137

67.480

62.480

62.480

62.480

62.480

BMKB

97.779

71.000

42.594

37.594

37.594

37.594

37.594

Begrotingsreserve BMKB

26.555

           

Groeifaciliteit

2.168

8.616

9.365

9.365

9.365

9.365

9.365

Garantie Ondernemings-financiering (GO)

17.875

11.842

11.842

11.842

11.842

11.842

11.842

Garantieregeling scheepsnieuwbouwfinanciering

0

3.679

3.679

3.679

3.679

3.679

3.679

Begrotingsreserve MKB Financiering

9.000

           
               

Subsidies

30.567

39.187

21.486

13.158

9.913

13.673

14.573

Bevorderen ondernemerschap

8.254

24.832

10.709

6.448

7.248

11.258

12.158

Interdepartementaal Programma Biobased Economy

3.509

1.589

2.884

2.384

250

   

Microkrediet

506

           

Uitfinanciering subsidies

18.298

12.766

7.893

4.326

2.415

2.415

2.415

               

Opdrachten

24.104

15.283

21.456

22.198

21.434

21.434

21.434

Onderzoek & ontwikkeling

2.640

1.526

1.019

1.037

910

910

910

ICT-beleid

20.001

11.537

18.111

16.770

16.068

16.068

16.068

Beleidsvoorbereiding en evaluaties

459

14

120

2.120

2.120

2.120

2.120

Regiegroep Regeldruk / ACTAL

1.004

2.206

2.206

2.271

2.336

2.336

2.336

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

17.034

14.148

12.319

11.991

11.991

11.991

11.991

NBTC

10.152

8.490

8.469

8.469

8.469

8.469

8.469

UNWTO

291

240

240

240

240

240

240

Bijdragen aan instituten

6.591

5.418

3.610

3.282

3.282

3.282

3.282

               

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

150.288

107.741

117.606

115.527

114.716

114.715

114.709

Kamer van Koophandel / Ondernemerspleinen

150.288

107.741

117.606

115.527

114.716

114.715

114.709

               

Bijdragen aan agentschappen

29.573

31.099

25.319

24.571

22.492

22.494

22.494

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland

25.906

28.889

23.109

22.361

20.282

20.284

20.284

DICTU

22

0

Logius

3.645

2.210

2.210

2.210

2.210

2.210

2.210

               

ONTVANGSTEN

55.967

78.831

61.952

57.932

59.669

62.071

65.385

BMKB

30.389

25.000

29.000

29.000

29.000

29.000

29.000

Begrotingsreserve BMKB

 

25.406

5.000

       

Groeifaciliteit

2.436

8.000

8.000

8.000

8.000

8.000

8.000

Garantie Ondernemingsfinan-ciering (GO)

9.380

13.000

13.000

13.000

13.000

13.000

13.000

Begrotingsreserve GO

9.612

           

Borgstelling Scheepsnieuwbouw

46

4.000

4.000

4.000

4.000

4.000

4.000

Joint Strike Fighter

988

1.204

1.843

2.823

4.560

6.962

10.276

Diverse ontvangsten

3.116

2.221

1.109

1.109

1.109

1.109

1.109

Budgetflexibiliteit

Garanties: Het budget voor de verschillende garanties is voor 100% juridisch verplicht. Het budget is nodig om de verwachte schades te kunnen betalen op garanties die eerder zijn aangegaan.

Subsidies: De beleidsbudgetten worden per jaar gepubliceerd. Van het beschikbare bedrag 2016 is 62% juridisch verplicht. Het betreft uitfinanciering van tot en met 2015 aangegane verplichtingen. Het beschikbare budget voor het Aanvullend actieplan MKB-financiering (€ 6 mln) is nog niet juridisch verplicht. Dit betreft 28% van het totale budget voor subsidies. De juridische verplichting hiervan zal naar verwachting in 2016 worden aangegaan.

Opdrachten: Van het opdrachtenbudget is 66% juridisch verplicht. Het betreft de uitfinanciering van in voorgaande jaren aangegane verplichtingen.

Bijdragen aan agentschappen: Het budget betreft de financiering van het opdrachtenpakket 2016 aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) en is 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s: De bijdrage aan de Kamer van Koophandel (inclusief de bijdrage voor het Nieuwe Handelsregister) is voor 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties: Van dit bedrag is 3% juridisch verplicht en is 84% bestuurlijk gebonden. Dit betreft onder andere de bijdragen aan het Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen en de World Tourism Organization (UNWTO).

Toelichting op de financiële instrumenten

Ter versterking van de financiering van het bedrijfsleven en in het bijzonder het MKB beschikt EZ over een aantal instrumenten: met name de hierna opgenomen garanties en de in het Toekomstfonds opgenomen instrumenten ten aanzien van risicodragend vermogen. Om de transitie naar een meer divers financieringslandschap mogelijk te maken zijn deze instrumenten aangevuld of voor een deel aangepast. In het kader van het aanvullend actieplan MKB-financiering zijn daarnaast een aantal primair tijdelijke maatregelen genomen. Een belangrijk deel wordt in 2015 uitgevoerd. Dat betreft de fundinggarantie voor nieuwe aanbieders van MKB -financiering, de aanvullende funding van Qredits, de verhoging van de bijdragen aan DVI, het structureel maken van Vroege fase financiering en een aantal flankerende maatregelen. Van enkele maatregelen is de inschatting dat deze over de jaargrens heen zal lopen. Zo zal de garantie voor nieuwe aanbieders van achtergestelde leningen waarschijnlijk in 2016 en verder gebruik maken van de Groeifaciliteit. In 2016 blijft EZ inzetten op goede investeringen in Nederland, ook vanuit Europese fondsen en sluit daarbij aan op de organisatiecapaciteit van onder meer de NIA.

Garanties

Borgstelling MKB-kredieten (BMKB)

De BMKB is bedoeld voor bedrijven die te weinig zekerheden (onderpand) kunnen bieden aan een kredietverstrekker. De kredietverstrekker vindt het risico dat het bedrijf zijn lening niet kan terugbetalen dan vaak te hoog. Via de BMKB staat de overheid borg voor het deel van de lening waar het bedrijf geen onderpand voor heeft. De kredietverstrekker kan voor dat deel dus terugvallen op de overheid.

De feitelijke benutting hangt af van de kredietbehoefte van het bedrijfsleven en is daarmee sterk afhankelijk van de ontwikkeling van de conjunctuur. Maximale benutting van de regeling is daarmee geen doel op zich. De mate van benutting wordt wel in het oog gehouden om te bezien of de regeling nog aansluit bij de behoefte van de markt. Deze informatie wordt halfjaarlijks in een rapportage verstrekt aan de Tweede Kamer. Als in 2016 de economie, zoals voorspeld, verder aantrekt, is de verwachting dat in 2016 ook de benutting van de BMKB weer toeneemt. Om inzicht te krijgen in de uitgaven van de BMKB is in de budgettaire tabel een splitsing gemaakt tussen de werkelijke schadebetalingen en stortingen in de interne begrotingsreserve BMKB.

Kengetal

2010

2011

2012

2013

2014

Verstrekte garanties BMKB, x € 1 mln

742

909

486

344

372

Totaal aantal verstrekte garanties

3.701

4.325

2.640

1.983

1.949

Bron: RVO.nl

         

Groeifaciliteit

De Groeifaciliteit richt zich op buffervermogen – zoals eigen vermogen van participatiemaatschappijen en achtergestelde leningen door banken – en is vooral gericht op de start-, groei- en expansiefase van een bedrijf. Versterking van het buffervermogen wint aan belang doordat bij bancaire financiering van bedrijven grotere buffers worden gevraagd. Achtergestelde leningen en aandelenkapitaal verstrekt door participatiemaatschappijen vallen tot maximaal € 25 mln onder de garantieregeling. Een bank kan een garantiefinanciering verstrekken tot maximaal € 5 mln in de vorm van achtergestelde leningen. De garantie van de overheid bedraagt 50%. De Groeifaciliteit is kostendekkend opgezet.

De feitelijke benutting van de regeling hangt onder meer af van investerings- en overnameplannen van het bedrijfsleven, en is nauw verbonden met de ontwikkeling van de conjunctuur. De mate van gebruik van deze regeling wordt halfjaarlijks in een rapportage verstrekt aan de Tweede Kamer.

Op dit moment is de verwachting de Groeifaciliteit de meest effectieve manier is om achtergestelde leningen fondsen voor het MKB te stimuleren. In 2016 wordt op basis van de dan beschikbare informatie bezien met welke omvang het budget van de Groeifaciliteit meerjarig moet worden opgehoogd om deze fondsen, voor het NLII, te accommoderen. Deze verhoging wordt gedekt uit het garantiebudget van € 500 mln dat in het Aanvullend actieplan MKB-financiering beschikbaar is gesteld voor achtergestelde leningenfondsen.

Kengetal

2010

2011

2012

2013

2014

Verstrekte garanties Groeifaciliteit, x € 1 mln

25

12

13

8

32

Totaal aantal verstrekte garanties

32

17

21

16

20

Bron: RVO.nl

         

Garantie Ondernemingsfinanciering

De GO-regeling is ingevoerd ten tijde van de kredietcrisis en gericht op middelgrote en grote bedrijven. Via deze regeling krijgen banken een garantie van 50% van de overheid, zodat nieuwe bankleningen en/of bankgaranties kunnen worden verstrekt. In het geval van bankgaranties zijn ook schadeverzekeraars toegelaten tot de regeling. De GO-regeling is net als de Groeifaciliteit kostendekkend, met als opzet dat banken/schadeverzekeraars er slechts gebruik van maken indien zij vanwege het risicoprofiel niet zelfstandig of onvoldoende in staat zijn in de kern gezonde bedrijven te financieren. Het gebruik volgt sterk de conjuncturele ontwikkeling. In het regeerakkoord van het huidige kabinet is afgesproken om de GO-regeling structureel te maken met een garantieplafond van € 400 mln.

Kengetal

2010

2011

2012

2013

2014

Verstrekte garanties GO, x € 1 mln

413

261

103

103

82

Totaal aantal verstrekte garanties

104

62

53

51

39

Bron: RVO.nl

         

Garantieregeling Scheepsnieuwbouwfinanciering

In navolging van andere EU-landen is een garantieregeling geïntroduceerd die het bankkrediet aan de scheepsbouwer garandeert gedurende de periode van de bouw van het schip. Met de GSF kunnen banken 80% Staatsgarantie krijgen op de financiering van de bouw van een schip. Op basis van de beperkte benutting van de regeling sinds de start in 2013 is het jaarlijks garantieplafond per 2015, in overeenstemming met het garantiekader, teruggebracht tot € 400 mln. Dit is ook het voorgestelde plafond voor 2016. Met stakeholders (onder andere maritieme sector en betrokken banken) is in de afgelopen periode onderzocht wat de oorzaken van het geringe gebruik zijn en wordt nog bezien of en hoe aanpassing van de regeling gewenst en mogelijk is. De regeling die een looptijd heeft van vijf jaar wordt voorlopig voortgezet.

Kengetal

2013

2014

Verstrekte garanties Scheepsnieuwbouw, x € 1 mln

44

0

Totaal aantal verstrekte garanties

6

0

Bron: RVO.nl

   

MKB-financiering

In het aanvullend actieplan MKB-financiering van 8 juli 2014 heeft het kabinet aangekondigd een garantiebedrag van € 400 mln ter beschikking te stellen om de funding van nieuwe aanbieders van MKB-financiering mogelijk te maken. Naast alle andere initiatieven en plannen is er behoefte aan nieuwe financiers en nieuwe financieringsmogelijkheden voor het verstrekken van vreemd vermogen aan het MKB. Het vinden van funding voor deze nieuwe mogelijkheden is echter, bij gebrek aan voldoende track-record van dergelijke financiers, lastig. Met het Aanvullend Actieplan MKB-financiering is er daarom voor goede initiatieven ruimte beschikbaar om die funding te vereenvoudigen met behulp van een overheidsgarantie. Een overheidsgarantie zal kostendekkend moeten zijn en geen staatssteun mogen inhouden. Na een oproep voor voorstellen eind 2014 zijn 8 partijen uitgekozen, waarmee de onderhandelingen over een garantie-overeenkomst zullen worden gestart.

Er zijn nog geen uitgaven gerealiseerd, alleen een storting in de interne begrotingsreserve MKB financiering.

Subsidies

Bevorderen Ondernemerschap

Dit budget wordt gebruikt voor diverse instrumenten die als doel hebben het ondernemingsklimaat te verbeteren. Het budget wordt gebruikt voor het realiseren van de nieuwe beleidsambities, zoals Techniekpact en Ambitieus Ondernemerschap. In het Aanvullend Actieplan MKB-financiering zijn middelen uitgetrokken voor ketenfinanciering, verbeteren kredietinformatie, het verhogen van de ambitie en verbetering groeivaardigheden in het kleinbedrijf en het stroomlijnen en toegankelijker maken van het financieringsinstrumentarium. Verder is het budget gebruikt voor (uitvoerings)bekostiging van de jaarlijkse Transparantie Benchmark, programma’s voor kapitaalmarkt, zelfstandigenregeling, innovatiegericht inkopen, topsectoren en de programmakosten voor corporate governance.

Microfinanciering

Voor kleine bedrijven en startende ondernemers is het zogenaamde microfinancieringsbeleid ontwikkeld. Qredits (stichting Microfinanciering Nederland) biedt sinds 2009 microkredieten aan in heel Nederland tot maximaal € 50.000. EZ heeft hier financieel aan bijgedragen door het verstrekken van een (achtergestelde) lening en een garantstelling op de lening van de BNG aan Qredits.

Naast het krediet is coaching een belangrijk onderdeel van het microfinancieringsbeleid. Qredits heeft hiervoor de afgelopen jaren met steun van EZ onder andere een vrijwillige coachpool opgezet.

Sinds eind 2013 verstrekt Qredits ook zogenaamde MKB-kredieten tussen de € 50.000 en € 150.000. Om dit mogelijk te maken heeft het kabinet in 2013 € 30 mln uitgetrokken voor de vervolgfinanciering van Qredits (stimuleringspakket, september 2013). De grens van het MKB krediet is eind 2014 opgetrokken tot € 250.000. Mede gezien de groeiende behoefte aan werkkapitaal is het de verwachting dat Qredits vanaf het najaar 2015 hier ook een financieringsproduct beschikbaar voor heeft, de zogenoemde werkkapitaalkredieten.

Het kabinet heeft € 100 mln. garantieruimte beschikbaar, mocht voor het verstrekken van nieuwe funding aan Qredits een overheidsgarantie nodig zijn. De verwachting is dat hiermee minimaal € 100 mln nieuwe financiering in de markt mogelijk wordt gemaakt.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2016

Bron

Aantal verstrekte kredieten (Micro- en MKB-krediet)

610

2009

2.250

Qredits

De verwachting is dat Qredits in 2016 1.400 microkredieten en 250 MKB-kredieten en 600 werkkapitaal kredieten verstrekt en dus totaal 2.250 kredieten aan kleine en startende ondernemers. Bij de start van het microfinancieringsbeleid (en Qredits) in 2009 is een streefwaarde voor 2016 gesteld om 2.500 kredieten te verstrekken. De verwachting is dat deze niet geheel gehaald wordt, maar wel bij benadering.

Biobased Economy (BBE)

Binnen de topsectorenaanpak is biobased economy een cross-sectoraal thema voor met name de sectoren Energie, Chemie en Agrifood. Voor de uitvoering van het innovatiecontract BBE is het Topconsortium voor Kennis- en Innovatie (TKI) BBE opgericht. Voor de komende 12 jaar heeft de TKI BBE de onderzoekagenda 2015–2027 ontwikkeld, samen met DLO, TNO, NWO, ECN en VNO en ruim 180 al eerder bij de TKI betrokken bedrijven. Bedrijven hebben zich via een letter of intent bereid verklaard in totaal € 270 mln bij te dragen.

De regio’s in Nederland zijn voortvarend aan de slag met biobased economy. Zes actieve regionale clusters, ieder met zijn eigen specialisatie, hebben in totaal € 50 mln per jaar gereserveerd in specifieke biobased investeringsfondsen.

Alles bijeen zijn, in de diverse regio’s, zeker 700 bedrijven betrokken en is de afgelopen drie jaar meer dan € 1,5 mld geïnvesteerd, waarvan € 1,1 mld in bio-energieprojecten.

Met het project «Ruimte in regels» worden belemmeringen in wet- en regelgeving onderzocht die bedrijven ervaren bij het doen van innovatieve investeringen. EZ zoekt samen met ondernemers naar oplossingen om investeringen mogelijk te maken of sneller en effectiever te kunnen doen.

Het kabinet zet de Green Deal aanpak voort met als doel groene groei te versnellen door de creativiteit en dynamiek in de samenleving te benutten. Green Deals bieden bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden een laagdrempelige mogelijkheid om samen met de overheid te werken aan groene groei. Centrale gedachte is dat de overheid initiatieven faciliteert en versnelt door het wegnemen van knelpunten op het vlak van wet- en regelgeving, netwerkvorming, innovatie en marktprikkels. Een overzicht van de Green Deals is te vinden op www.ondernemendgroen.nl/Greendeals en in de loop van 2015 ook op www.greendeals.nl. In 2016 komen de resultaten beschikbaar van de externe effectmeting. De aanpak zal verder verbreed worden naar andere maatschappelijke domeinen, zoals gezondheid en zal internationaal onder de aandacht worden gebracht van andere EU lidstaten en de Europese Commissie.

In nauwe samenwerking met het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) wordt gewerkt aan het aanpakken van kwetsbaarheden rond grondstoffenvoorzieningszekerheid door de innovatieve kracht van de circulaire economie in te zetten. De kennisbasis om kwetsbaarheden en circulaire kansen inzichtelijk te krijgen dient verder te worden versterkt. Een belangrijke basis zal de Monitor Materiaalstromen Plus zijn die in 2016 waar mogelijk wordt geïmplementeerd. Deze monitor vormt de basis waarop andere bronnen en analyses worden gebouwd.

Uitfinanciering subsidies

De volgende regelingen zijn inmiddels beëindigd en betreffen alleen nog uitfinanciering: Valorisatie/SKE, Innovatieve scheepsbouw en Besluit Subsidie Regionale Investeringsprojecten.

Opdrachten

Onderzoek & ontwikkeling

Uit dit budget worden beleidsonderzoek, verplichte evaluaties van beleidsinstrumenten en beleidsdoorlichtingen gefinancierd.

ICT-beleid

Voorzien wordt dat de komende decennia een vergaande digitalisering van economische en productieprocessen zal plaatsvinden. Om de Nederlandse economie hierop voor te bereiden heeft de Minister van Economische Zaken een boegbeeld ICT aangesteld die samen met de wetenschap en industrie aan de slag gaat om de economie te helpen met de inbedding van deze productieprocessen.

Voor toepassingen van (over)morgen (onder andere zorg, duurzame energie) en voor economische ontwikkeling en voor talentontwikkeling, is een sterke kennis- en innovatiebasis op ICT-gebied belangrijk. De technologie en de toepassingen ontwikkelen zich immers razendsnel, bijvoorbeeld op het gebied van big data, sensoren en cyber security. Het doel van de nieuwe Roadmap ICT voor Topsectoren (2016–2019) is dat die ICT-innovatiekansen kunnen worden benut, waarbij de overheid faciliteert dat bedrijven samenwerken met kennisinstellingen, zoals universiteiten, NWO en TNO.

Belangrijke acties op het ICT-domein zijn:

Smart Industry

Met FME, VNO NCW, TNO en de Kamer van Koophandel is het Actieplan Smart Industry opgesteld met acties gericht op het verzilveren van bestaande kennis, het versnellen in fieldlabs, versterken van Research&Development en expliciete aandacht voor human capital.

ICT doorbraakprojecten

EZ werkt aan een tiental ICT-doorbraakprojecten die gericht zijn op het opschalen van ICT-toepassingen in een aantal topsectoren, zoals zorg, onderwijs en detailhandel. Het doel is om de belemmeringen voor het gebruik van ICT weg te nemen en de ICT kennis te vergroten.

Skills

Digitale vaardigheden van de (toekomstige) beroepsbevolking zijn van toenemend belang om te zorgen voor economische groei en innovatief vermogen. Het kabinet werkt met het bedrijfsleven en maatschappelijke partners aan het publiek-private programma Digivaardig en aan een Human Capital Actieagenda ICT-innovatie. Met de Human Capital Agenda ICT-innovatie wil EZ een bijdrage leveren aan voldoende ICT’ers en werknemers met de gevraagde ICT- en innovatievaardigheden (toekomstgerichte, flexibele en duurzame skills), zodat zij nu en in de toekomst goed kunnen omgaan met nieuwe, snel veranderende technologieën.

ICT onderzoek

De Nederlandse ICT infrastructuur is van hoog niveau. Om de ICT onderzoekinfrastructuur op niveau te houden zijn aanvullende innovatie-investeringen nodig. Voor de periode 2017 tot en met 2019 dragen EZ en OCW daarom samen € 12 mln bij. De structureel benodigde financiering zal volgens EZ en OCW moeten worden geregeld door de hoger onderwijs instellingen.

Digitale overheid

Het kabinet heeft de ambitie dat ondernemers en burgers in 2017 hun zaken met de overheid digitaal kunnen afhandelen, waarbij zij gebruik kunnen maken van een aantal generieke voorzieningen. Een informatieportaal (ondernemersplein.nl), een inlogvoorziening (eHerkenning/eID), een voorziening om digitaal zaken te doen met de overheid (Ondernemingsdossier), een Berichtenbox en standaarden voor informatie-uitwisseling (zoals Standard Business Reporting en e-factureren) zijn onderdeel van de Generieke Digitale Infrastructuur,waarmee ondernemers steeds meer zaken «24 uur per dag, 7 dagen per week» kunnen regelen met de overheid. Dat leidt tot meer gemak en tijdsbesparing voor zowel ondernemers als de overheid.

Ondernemingsdossier

Het Ondernemingsdossier is het generieke platform waarmee ondernemers digitaal zaken doen met de overheid. De focus ligt hierbij op MKB-ondernemers die vaak met de overheid te maken hebben. Zes nieuwe branches zijn actief, zodat inmiddels in totaal tien branches aangesloten zijn. Inmiddels is met de uitrol via brancheorganisaties en verschillende overheden zoals gemeenten een solide basis gelegd om het Ondernemingsdossier verder uit te rollen.

Vermindering regeldruk

Met het kabinetsbrede programma «Goed Geregeld: een verantwoorde vermindering van de regeldruk 2012–2017» zet het kabinet in op de vermindering van regeldruk voor bedrijven, burgers en professionals. De aanpak bestaat uit zes samenhangende actielijnen:

  • 1.  Minder regeldruk door transparantie van wet- en regelgeving.
  • 2.  Structurele verlaging van de regeldruk met € 2,5 mld.
  • 3.  Minder regeldruk door betere (digitale) dienstverlening.
  • 4.  Minder stapeling, slimmer toezicht.
  • 5.  Merkbare vermindering regeldruk in regeldichte domeinen.
  • 6.  Minder regeldruk door bestuurlijke samenwerking (gemeenten en Europa).

In de aansluitende tabel is de doelstelling en raming 2016 van de kwantitatieve doelstelling van € 2,5 mld in kaart gebracht. Naar verwachting zal de realisatie eind 2016 op € 2,2 mld uitkomen.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2016

Streefwaarde

Planning

Bron

Netto verlaging regeldruk (cumulatief)

€ 1,153 mld

2014

€ 2,2 mld

€ 2,5 mld

2017

EZ

Gezien het steeds sneller wordende tempo van innovatie is het van belang om als overheid wendbaar te blijven, onder andere door wet -en regelgeving aan te passen aan de veranderende economische en maatschappelijke dynamiek. Daarom is een aanpak gestart waarbij ten eerste een aantal concrete casussen zijn bekeken waar wet en regelgeving innovatie belemmert. Daarnaast is gekeken hoe wet- en regelgeving in algemene zin toekomstbestendiger kan worden gemaakt, onder andere door het toepassen van concepten als doelregulering, Right to Challenge en experimenteerruimte.

Maatwerkaanpak

Het kabinet zet niet alleen in op een kwantitatieve reductie van regeldruk. Binnen de maatwerkaanpak regeldichte domeinen is het kabinet met ondernemers in dialoog om te achterhalen waar regels in de praktijk leiden tot ergernissen of onnodige regeldruk. In 2016 zullen voor de meeste maatwerksectoren, waaronder logistiek, bouw, agrofood, winkelambacht en de chemie actieplannen in uitvoering zijn en concrete resultaten kunnen worden bereikt.

Slimmer toezicht

Om een impuls te geven aan «beter, slimmer en efficiënter toezicht» is EZ met andere departementen, inspecties en bedrijfsleven via zogenaamde toezichttafels in sectoren op zoek naar mogelijkheden om de naleving van regels te verbeteren en maatschappelijke risico’s te beperken.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen (NBTC) en de United Nations World Tourism Organization (UNWTO)

EZ zal voor de periode 2016–2019 een meerjarig contract met het NBTC afsluiten om het inkomend toerisme te bevorderen. EZ stelt in deze periode budget beschikbaar voor de internationale branding en marketing van Nederland en internationale congreswerving. Het budget wordt ingezet op de belangrijkste toeristische herkomstmarkten en doelgroepen. De strategie is erop gericht om internationale bezoekers te spreiden in tijd en ruimte.

UNWTO

Er wordt bijgedragen in de overheadkosten van het secretariaat van de UNWTO.

Bijdragen aan instituten

Betreft een verzamelpost van verschillende kleine bijdragen aan diverse instituten, ten behoeve van het programma-onderzoek op het terrein van MKB en ondernemerschap, het kenniscentrum MVO Nederland en de Koning-Willem I prijs.

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

De Kamer van Koophandel voert vijf wettelijke taken uit in het kader van ondernemerschapsbeleid: houden van het handelsregister, inrichten en beheren van Ondernemerspleinen – zowel digitaal als fysiek, geven van inlichtingen en voorlichting aan ondernemers onder meer via online informatie, stimuleren van innovatie via advies en voorlichting, en regio specifieke activiteiten bijvoorbeeld door middel van regionale onderzoeken, overleggen en samenwerkingsvormen. Hiervoor krijgt de Kamer van Koophandel een rijksbijdrage, daarnaast genereert de Kamer van Koophandel eigen inkomsten uit verkoop van eigen producten en diensten. Jaarlijks wordt een activiteitenplan opgesteld. Bij het opstellen ervan spelen de Centrale Raad en de Regionale Raden met daarin onder meer ondernemers een adviserende rol. Hoe de Kamer van Koophandel presteert wordt gemonitord door middel van prestatie-indicatoren zoals bereik en de tevredenheid van ondernemers over de dienstverlening van de Kamer van Koophandel. De Kamer van Koophandel heeft vorig jaar een versnelde digitaliseringsstrategie gekozen, deze krijgt in 2016 verder vorm.

Daarnaast zal naar verwachting begin 2016 de Wijziging van de Handelsregisterwet 2007 aan de Tweede Kamer aangeboden worden. Het wetsvoorstel beoogt ter versterking van de rechtszekerheid in het economisch verkeer, de kwaliteit van het handelsregister te vergroten en de slagvaardigheid van de Kamer van Koophandel bij de uitvoering van de handelsregistertaak te verbeteren. Het handelsregister maakt als basisregistratie onderdeel uit van de Generieke Digitale Infrastructuur (GDI).

Verder wordt gewerkt aan de verdere ontwikkeling van de regionale ondernemerspleinen, het digitale ondernemersplein en het vergroten van bereik en klantwaardering. Daartoe is in 2015 ingezet op het plaatsen van meer content op het digitale ondernemersplein en de realisatie van een Engelstalige versie. In 2016 zal het digitale ondernemersplein zich verder ontwikkelen, onder andere door de ondernemer persoonlijker van dienst te zijn en hem gerichter informatie aan te bieden. De informatiebehoefte bij ondernemers is hierbij leidend.

Het digitale ondernemersplein zal faciliteren dat de content gemakkelijk door andere overheidsorganisaties op hun kanalen kan worden hergebruikt.

Bijdrage aan agentschappen

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl)

Deze middelen zijn grotendeels voor de uitvoering van de garantie-instrumenten, zoals BMKB, Groeifaciliteit, Garantie Ondernemingsfinanciering en de Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering, uitvoering van de IND zelfstandigen- en BBH-regeling. Dit betreft activiteiten als beoordeling van aanvragen, voorlichting over de instrumenten, terugontvangen van kredieten, etc.

Logius

De bijdrage aan Logius bestaat uit een bijdrage aan het programma (Bureau)Forum Standaardisatie.

Industrieel participatiebeleid

Het doel van het industrieel participatiebeleid (IP-beleid) is om bij een gebrek aan een open en gelijke internationale defensiemarkt de Nederlandse defensie- en veiligheid gerelateerde bedrijven te ondersteunen bij het verkrijgen van een gelijkwaardige positie op de defensiemarkt. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de overheidstaken op het gebied van veiligheid van Nederland; zowel in directe zin als door deelname aan internationale samenwerkingsprogramma’s. Het beleid is erop gericht om bij de aanschaf van defensiematerieel bij buitenlandse bedrijven door het Ministerie van Defensie de Nederlandse industrie en kennisinstellingen zo goed mogelijk te betrekken.

Het IP-beleid houdt in dat bij aanbestedingen van defensiematerieel per geval wordt bekeken of er industriële participatie (IP) zal worden geëist. De basis hiervoor is de Defensie Industrie Strategie (DIS) waarin prioritaire technologiegebieden zijn vastgesteld. De inhoud en omvang van de IP wordt per geval afgesproken. Verwacht wordt dat de omvang gemiddeld circa 60% van de opdrachtwaarde van Defensie zal zijn.

De indicator «gerealiseerde invulling IP-verplichtingen» geeft het bedrag weer dat door buitenlandse partijen bij Nederlandse bedrijven besteed wordt als invulling van IP-afspraken. De streefwaarde voor de gerealiseerde invulling voor 2016 is gesteld op € 350 mln.

Indicator

Referentie- waarde

Peil- datum

Raming 2016

Bron

Gerealiseerde invulling compensatie / IP-verplichting (5 jaars gemiddelde)

€ 383 mln

2014

€ 350 mln

EZ

Ontvangsten

De posten Begrotingsreserve BMKB en GO hebben betrekking op de geraamde onttrekkingen uit de begrotingsreserves ter dekking van de geraamde uitgaven op de ingeroepen garanties.

De post «Joint Strike Fighter» betreft de geraamde afdrachten van de Nederlandse industrie aan de Staat op basis van in de Medefinancieringsovereenkomst JSF (MFO) overeengekomen afdrachtregeling over de Nederlandse industrie-inkomsten ten gevolge van uitgevoerde productie- en instandhoudingsopdrachten voor het F-35 project (JSF).

In de budgettaire tabel zijn onder het kopje «ontvangsten» de interne begrotingsreserves van de BMKB en GO expliciet vermeldt om een splitsing te duiden tussen de provisie ontvangsten en onttrekkingen in de interne begrotingsreserves.

Interne begrotingsreserves

Er zijn interne begrotingsreserves voor de BMKB, de regeling Garantie Ondernemingsfinanciering (GO), de Groeifaciliteit (GF), de Garantieregeling Scheepsnieuwbouwfinanciering (GSF) en de garanties voor nieuwe aanbieders van MKB-financiering. De GO, GF, GSF en de garanties voor alternatieve aanbieders van MKB-financiering betreffen kostendekkende regelingen, waarvan de te realiseren premie-ontvangsten toereikend zijn voor het afdekken van eventuele verliesdeclaraties. De interne begrotingsreserves zijn ervoor bedoeld inkomsten uit premies en uitgaven voor schades, die over de jaren kunnen fluctueren, te verevenen.

In onderstaande tabel zijn de saldi van de begrotingsreserves per 31 december 2014 weergegeven.

Stand interne begrotingsreserves per 31 december 2014 (x € 1.000)

 

Interne begrotingsreserve Borgstelling MKB-kredieten (BMKB)

66.555

Interne begrotingsreserve Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

55.009

Interne begrotingsreserve Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering

10.044

Interne begrotingsreserve Groeifaciliteit

5.000

Interne begrotingsreserve garantie MKB-faciliteiten

9.000

Budgettair belang fiscale maatregelen

Bedragen x € 1 mln
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Zelfstandigenaftrek

1.782

1.822

1.843

1.875

1.906

1.936

1.968

Extra zelfstandigenaftrek starters

109

111

113

115

117

119

121

Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid

2

2

2

2

2

2

2

FOR, niet omgezet in lijfrente

49

49

48

48

48

48

49

Meewerkaftrek

7

7

7

6

6

6

6

Stakingsaftrek

16

15

14

14

13

12

12

Doorschuiving stakingswinst

232

245

250

262

275

289

303

Bedrijfsopvolgingsfaciliteit in successiewet

250

250

250

250

250

250

250

Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek

371

395

402

414

427

440

453

Willekeurige afschrijving starters

8

8

8

8

8

8

9

Persoonsgebonden aftrekpost durfkapitaal

4

3

3

2

1

0

0

Verlaagd BTW-tarief Logiesverstrekking (incl. kamperen)

594

606

616

626

637

648

659

Verlaagd BTW-tarief Voedingsmiddelen horeca

1.674

1.700

1.724

1.749

1.774

1.800

1.826

BTW Kleine ondernemersregeling

130

139

147

156

166

176

186

Verlaagd accijnstarief kleine brouwerijen

1

2

2

2

2

2

2

Vrijstelling overdrachtsbelasting bedrijfsoverdracht in familiesfeer

16

16

16

17

17

17

18

Een toelichting op deze fiscale regelingen is opgenomen in de internetbijlage 12 bij de Miljoenennota (Toelichting op de belastinguitgaven).

14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Algemene doelstelling

Een internationaal concurrerende energievoorziening die betrouwbaar, veilig en duurzaam is.

Om deze doelstelling te bereiken zet EZ financiële instrumenten in zoals subsidies en garanties, maar ook niet-financiële instrumenten zoals het stroomlijnen van energieregelgeving om de werking van de energiemarkt te verbeteren, de regeldruk te verminderen en efficiënter toezicht mogelijk te maken.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is op grond van de Elektriciteitswet en de Gaswet verantwoordelijk voor het energiebeleid. Hieruit vloeien de volgende verantwoordelijkheden voort:

Financieren

  • –  Het voeren van het financieel instrumentarium op de beleidsterreinen hernieuwbare energie, energiebesparing en innovatieve energietechnologieën.

(Doen)Uitvoeren

  • –  Het vergroten van het aandeel hernieuwbare energie (conform afspraken Energieakkoord: 14% in 2020 en 16% in 2023).
  • –  Het vergroten van het aandeel energiebesparing (conform afspraken Energieakkoord: besparing met gemiddeld 1,5% per jaar en 100 PJ in 2020).

Regisseren

  • –  Het regisseren van de realisatie van grote energie-infrastructuur projecten die onder de rijkscoördinatieregeling vallen; dit betekent als projectminister, samen met de Minister van Infrastructuur en Milieu, verantwoordelijk voor de ruimtelijke inpassing van projecten en voor de coördinatie van benodigde projecten.
  • –  Het stimuleren van een goed werkende Europese energiemarkt met een adequate infrastructuur.
  • –  Het creëren van randvoorwaarden waardoor de energievoorziening internationaal kan concurreren en het verdienpotentieel van de energiesector ten volle wordt benut.
  • –  Het creëren van randvoorwaarden voor een doelmatige en verantwoorde winning van onze bodemschatten.
  • –  Het stimuleren van de transitie naar een duurzame en betrouwbare energievoorziening.
  • –  Het bieden van mogelijkheden aan lokale energieprojecten.
  • –  Het coördineren van het energiebesparingsbeleid via de verschillende vakministers en het stimuleren van energiebesparing in de industrie en energiesectoren.
  • –  Het stimuleren van de ontwikkeling en gebruik van innovatieve energietechnologieën.
  • –  Het stimuleren van de verdergaande reductie van CO2– uitstoot van energiebedrijven en industrie.

Kengetal HHI en C3

De C3 is het gezamenlijk marktaandeel van de drie grootste leveranciers. De mate van concentratie op de kleinverbruikersmarkt voor elektriciteit en gas vormt een indicatie voor de concurrentie op die markten. Een indicator hiervoor is de Herfindahl-Hirschman Index (HHI). Een markt met een HHI onder de 1.800 punten wordt gezien als een competitieve markt en een markt met een index tussen de 1.800 en 8.000 punten wordt gezien als een geconcentreerde markt.

Kengetal

2011

2012

2013

2014

Ambitie 2016

1. Concentratiegraad in de retailsector elektriciteit

– HHI

2.465

2.338

2.276

2.230

Stabiliseren tussen 1.800–2.500

– C3

85%

83%

81%

81%

Daling/lager

2. Concentratiegraad in de retailsector gas

– HHI

2.344

2.258

2.204

2.171

Stabiliseren tussen 1.800–2.500

– C3

83%

81%

79%

79%

Daling/lager

Bron: ACM

         

Kengetal

2011

2012

2013

2014

Elektriciteitsstoring in minuten per jaar

23 min

27 min

23 min

20 min

Bron: Netbeheer Nederland

       

Toelichting

Het aantal storingsminuten per huishouden per jaar geeft een indicatie van de leveringszekerheid van elektriciteit. Het aantal en de duur van de stroomstoringen was in 2014 historisch laag. Een huishouden had in 2014 gemiddeld 20 minuten geen stroom als gevolg van een storing. In 2015 heeft een stroomstoring bij Diemen grote maatschappelijke effecten gehad voor in het noorden van de Randstad. Naar verwachting zal als gevolg hiervan het aantal storingsminuten in 2015 stijgen.

Beleidswijzigingen

Groningen

Met de besluiten over het winningsplafond, de bestuurlijke akkoorden van begin 2014 en begin 2015 en het instellen van een Nationaal Coördinator Groningen (NCG) wordt gewerkt aan herstel van vertrouwen in Groningen. Vertrouwen dat noodzakelijk is om in de toekomst veilig en met draagvlak gas te kunnen winnen in Groningen. Daarmee hangen ook investeringen samen. Specifiek gaat het om de Overheidsdienst Groningen, de onderzoeksgroep energie en de versterking van het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM).

STROOM

Het voorstel voor een Elektriciteits- en gaswet (STROOM) is op 4 mei 2015 ingediend bij de Tweede Kamer. Het streven is het wetsvoorstel per 1 januari 2016 in werking te kunnen laten treden, zodat in 2016 en de jaren daarna belangrijke stappen gezet kunnen worden in de uitvoering van het Energieakkoord. Met name voor de doelstelling voor windenergie op zee is tijdige inwerkingtreding van STROOM cruciaal.

Om tijdige inwerkingtreding van STROOM te kunnen realiseren is ervoor gekozen delen van het wetsvoorstel beleidsneutraal over te nemen uit bestaande wetten. Het voornemen is in 2016 een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer in te dienen om de resterende wenselijke wijzigingen door te voeren in de elektriciteits- en gasregelgeving. Met name de regelgeving omtrent levering, consument en de codes van ACM zijn aan herziening toe. Met stroomlijning, optimalisering en modernisering van het resterende deel is de elektriciteits- en gasregelgeving klaar voor de toekomst met minder regeldruk voor bedrijven en de overheid.

Wind op Zee

Conform de afspraken in het Energieakkoord wordt in 2016 de nieuwe aanpak voor de uitrol van wind op zee voortgezet. De wet windenergie op zee, die op 1 juli 2015 in werking is getreden, is hiervoor een belangrijke randvoorwaarde. De eerste tender voor het gebied Borssele zal eind 2015 worden opengesteld en wordt in de eerste helft van 2016 afgerond. De voorbereidingen voor de tender van het tweede park in het gebied Borssele worden in 2016 afgerond, in het bijzonder door het vaststellen van het kavelbesluit voor dit tweede park. De tender voor het tweede kavel in Borssele wordt opengesteld in de tweede helft van 2016 en sluit voor het einde van het jaar. In 2016 wordt bovendien het inpassingsplan voor het transmissiesysteem voor het gebied Borssele vastgesteld.

Energierapport

In december 2015 zal het kabinet het Energierapport met een integrale en strategische visie op de energievoorziening in Nederland uitbrengen. Het Energierapport bevat tevens specifieke thema’s en dilemma’s die relevant zijn richting een volledig duurzame energievoorziening in 2050. Deze zullen in 2016 tijdens een Energiedialoog met de samenleving aan de orde moeten komen. Gegeven de complexiteit van het energievraagstuk hecht het kabinet sterk aan externe inbreng. Burgers, bedrijven, andere overheden en maatschappelijke organisaties worden uitgenodigd aan de dialoog deel te nemen en hun kennis en kunde in te brengen voor de energietransitie. Uit de dialoog volgt in het najaar van 2016 een beleidsagenda. Tegelijkertijd zal de evaluatie van het Energieakkoord worden gepubliceerd.

Europa

De transitie naar een duurzame energievoorziening en naar een CO2-arme economie met 80–95% CO2-reductie in 2050 is de samenbindende koers voor Nederland en voor Europa. Een goed werkende interne markt voor energie is wat Nederland betreft het belangrijkste middel om de transitie naar een CO2-arme economie te faciliteren en tegelijkertijd de leveringszekerheid en de betaalbaarheid te borgen en daarmee de concurrentiekracht van de Unie te vergroten onder andere door versterking van de regionale samenwerking, zowel in het kader van het Penta-overleg als in versterking van de bilaterale samenwerking met Duitsland en België. Nederland is de eerste helft van 2016 voorzitter van de Europese Unie. In dat kader organiseert EZ op energiegebied twee grote evenementen: een Informele Energieraad en een ambtelijke bijeenkomst Energie.

Schaliegas

Het kabinet heeft besloten dat deze kabinetsperiode geen boringen naar schaliegas zullen plaatsvinden. In het Energierapport 2015 zal het kabinet een integrale visie op een duurzame energievoorziening geven. Indien daaruit blijkt dat het wenselijk is om de winning van schaliegas in Nederland als optie niet uit te sluiten, zal het kabinet participeren in breed, langjarig wetenschappelijk onderzoek in Europees verband met alleen ruimte voor boringen met een wetenschappelijk doel. De keuze die in het Energierapport over schaliegas wordt gemaakt, zal begin 2016 worden verankerd en ruimtelijk worden uitgewerkt in de structuurvisie Ondergrond. Gelet op het belang van een integrale afweging wordt geen aparte structuurvisie Schaliegas meer opgesteld. Commerciële opsporing en winning van schaliegas is de komende vijf jaar niet aan de orde. De bestaande vergunningen gericht op de opsporing van schaliegas worden dan ook niet verlengd. Nieuwe aanvragen zullen worden afgewezen. Deze aanpak biedt de gelegenheid om decentrale overheden actief te betrekken bij de besluitvorming, conform de kabinetsreactie op het rapport «Aardbevingsrisico’s in Groningen» van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) (TK, 33 529, nr. 143).

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

VERPLICHTINGEN

2.646.202

5.421.291

5.442.919

371.626

328.886

325.891

327.891

Waarvan garantieverplichtingen

526

31.324

93.050

       

UITGAVEN

1.441.886

1.626.999

1.830.326

1.967.843

2.207.333

2.787.041

3.453.489

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

97%

       
               

Subsidies

1.181.789

1.390.584

1.604.948

1.735.467

1.993.971

2.578.074

3.244.974

Topsector Energie

34.925

67.862

55.840

53.688

44.090

41.490

36.490

Energie-innovatie (Innovatie Agenda Energie)

27.383

7.882

2.377

2.368

2.368

2.368

2.368

Green Deal

918

4.296

16.354

       

Energieakkoord

666

35.464

48.089

53.089

49.000

49.000

49.000

MEP

432.032

364.987

278.022

187.847

54.991

47.025

40.025

SDE/SDE +

235.116

802.709

1.119.215

1.337.857

1.762.331

2.358.000

3.036.900

Interne begrotingsreserve duurzame energie

369.356

           

Compensatie Energie-intensieve bedrijven (ETS)

56.956

61.000

61.000

83.045

62.000

61.000

61.000

CCS

4.905

18.705

8.040

6.362

8.080

8.080

8.080

Hoge Flux Reactor

7.250

7.250

8.111

8.111

8.111

8.111

8.111

Elektrisch rijden

2.184

1.123

         

Caribisch Nederland

6.807

17.357

7.900

3.100

3.000

3.000

3.000

Overige subsidies

3.292

1.949

         
               

Garanties

9.206

1.000

         

Interne begrotingsreserve Aardwarmte

9.206

1.000

         
               

Opdrachten

28.108

24.579

25.686

17.301

11.137

9.137

9.137

O&O bodembeheer

3.843

6.272

10.768

10.768

8.768

6.768

6.768

Joint implementation

768

1.837

314

209

     

Straling

9.257

23

20

46

46

46

46

Pallas

10.004

13.538

12.034

4.011

     

Onderzoek en opdrachten

4.236

2.909

2.550

2.267

2.323

2.323

2.323

               

Bijdragen aan agentschappen

47.281

41.197

41.106

40.986

34.784

32.389

32.389

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland

41.949

39.512

39.424

39.310

33.111

30.716

30.716

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

692

681

678

672

669

669

669

Kern Fysische Dienst

3.690

0

0

0

0

0

0

KNMI

950

1.004

1.004

1.004

1.004

1.004

1.004

               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

110.603

113.116

113.116

113.116

113.116

113.116

113.116

Doorsluis COVA heffing

107.594

111.000

111.000

111.000

111.000

111.000

111.000

TNO Bodembeheer

3.009

2.116

2.116

2.116

2.116

2.116

2.116

               

Bijdragen aan mede-overheden

     

28.000

28.000

28.000

28.000

Uitkoop

     

28.000

28.000

28.000

28.000

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

64.899

56.523

45.470

32.973

26.325

26.325

25.873

ECN/NRG

57.903

55.867

44.487

31.936

25.288

25.288

24.836

Interne begrotingsreserve risicopremie lening ECN/NRG

6.600

           

Diverse instituten

396

656

983

1.037

1.037

1.037

1.037

               

ONTVANGSTEN

10.801.567

7.305.411

6.386.411

6.170.411

6.659.761

7.470.761

7.993.761

COVA

107.594

111.000

111.000

111.000

111.000

111.000

111.000

SDE+

173.619

320.000

494.000

678.000

1.074.000

1.730.000

2.308.000

Interne begrotingsreserve duurzame energie

 

20.000

77.000

77.000

73.000

78.000

73.000

Aardgasbaten

10.505.291

6.850.000

5.700.000

5.300.000

5.400.000

5.550.000

5.500.000

Ontvangsten zoutwinning

2.474

1.761

1.761

1.761

1.761

1.761

1.761

Diverse ontvangsten

12.589

2.650

2.650

2.650

     

Budgetflexibiliteit

Subsidies: Van het totale subsidiebudget is 97% juridisch verplicht. Dit percentage is hoog als gevolg van uitfinanciering van tot en met 2015 aangegane verplichtingen, met name langlopende uitbetalingen op reeds afgegeven beschikkingen in het kader van de MEP/SDE en verplichtingen die in 2011, 2012, 2013, 2014 en 2015 zijn aangegaan voor de SDE+.

Opdrachten: Van het opdrachtenbudget is 80% juridisch verplicht. Het betreft uitfinanciering van in voorgaande jaren afgegeven beschikkingen, met name in het kader van Joint Implementation en Pallas.

Bijdragen aan agentschappen: Het budget betreft de financiering van de opdracht 2016 aan RVO.nl, NVWA en het KNMI en is 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s: Op dit onderdeel is geen sprake van budgetflexibiliteit. Het betreft met name de doorsluis van de COVA-heffing op aardolieproducten, bedoeld voor het dekken van de kosten van het aanhouden van voorraden. Dit is gebaseerd op nationale en internationale wetgeving.

Bijdragen (inter)nationale organisaties: Van het beschikbare budget voor (inter)nationale organisaties is 99% juridisch verplicht. De bijdrage aan ECN betreft een al langlopende gevestigde en op overeenkomsten gebaseerde subsidierelatie ten behoeve van energieonderzoek. Dit betekent dat er op dit onderdeel sprake is van enige budgetflexibiliteit, zij het beperkt op de korte termijn.

Toelichting op de financiële instrumenten

Subsidies

Topsector Energie

De Topsector Energie richt zich op de verduurzaming van de energievoorziening en de versterking van de toegevoegde waarde van de energiesector voor de Nederlandse economie. In samenwerking tussen de overheid, het bedrijfsleven en kennisinstellingen is ervoor gekozen om daarbij de focus te leggen op windenergie op zee, zonne-energie, bio-energie, energiebesparing in de industrie en de gebouwde omgeving, gas, en intelligente netten. In 2015 zijn de innovatiecontracten herzien en geaccordeerd door de Minister van EZ. Deze innovatiecontracten bevatten de gezamenlijke onderzoeks- en innovatieagenda van bedrijven en kennisinstellingen, waarmee aansluiting van onderzoek op de behoeften vanuit de markt wordt gewaarborgd. De Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s) voeren deze agenda uit. EZ stimuleert en ondersteunt de topsector energie met reguliere innovatie-middelen en een speciaal voor innovatie afgezonderd deel van de SDE+ middelen.

Het Topteam Energie ziet toe op het onderzoeks- en innovatieportfolio van de TKI’s en stuurt zo nodig bij. In 2016 zullen drie TKI’s fuseren tot een nieuwe overkoepelende TKI. Dit is het sluitstuk van de versterkte samenwerking tussen de TKI ’s die zich richten op energiebesparing in de gebouwde omgeving, zonne-energie en intelligente netten. Daarnaast is er in 2016 veel aandacht voor de verdere uitwerking van systeemintegratie en de cross-overs tussen de verschillende topsectoren en thema’s. Het thema systeemintegratie richt zich op inpassing van energie uit hernieuwbare bronnen in het energiesysteem, met specifieke aandacht voor cross-overs tussen elektriciteit, gas en warmte.

Energie-innovatie (Innovatie Agenda Energie)

De Innovatie Agenda Energie is afgerond in 2015. Dit betreft de uitfinanciering van een groot aantal specifieke innovatieprogramma’s die in de periode 2008–2011 zijn opgestart met een eenmalige impuls vanuit het Fonds Economische Structuurversterking (FES). De uitkomsten uit de Innovatie Agenda Energie worden zoveel mogelijke meegenomen binnen de Topsector Energie.

Kengetal

2011

2012

2013

2014

2015

Ambitie 2016

Aantal deelnemende bedrijven bij TKI1

Bron: RvO

n.v.t.

3012

486

612

n.n.b.

700

Kwaliteit van het Nederlandse energieonderzoek gemeten als retourpercentage van het Achtste EU kaderprogramma thema energie3

7,4%

7,0%

6,8%

6,6%

n.n.b.

7,0%

Noot 1: In september 2012 zijn de TKI ’s opgericht. Daardoor is er geen waarde beschikbaar voor 2011.

Noot 2: De oorspronkelijke waarde van 333 is bijgesteld naar 301. Oorzaken hiervoor waren: het terugtrekken van bedrijven uit samenwerkingsprojecten en goedgekeurde projecten die uiteindelijk niet zijn doorgegaan of waarvan de aanvraag is ingetrokken.

Noot 3: De cijfers betreffen cumulatieve cijfers vanaf de start van het zevende kaderprogramma in 2007.

Green Deal

De Green Deal aanpak is sinds 2011 een onderdeel van het groene groei beleid van het kabinet. Ook in het Energieakkoord zijn de Green Deals als één van de instrumenten genoemd in het streven om tot een volledig duurzame energiehuishouding te komen. De onderwerpen van deze energie deals zijn zeer divers, variërend van energiebesparing tot elektrisch vervoer. Aangezien het initiatieven uit de samenleving zijn, is er op voorhand geen inzicht mogelijk in welk type energiedeals er in 2016 zullen worden afgesloten. De deals hebben veelal een looptijd van drie jaar en zijn volop in uitvoering. Een aantal deals is in 2015 beëindigd. Sinds 2011 zijn er 105 Green Deals afgesloten met als (deel) thema energie. Een compleet overzicht van Green Deals is te vinden op: http://www.greendeals.nl.

Energieakkoord

De Demonstratieregeling Energie-innovatie (DEI) komt voort uit het Energieakkoord en is gericht op versnelling van de commercialisering van energie-innovaties voor de export. De regeling draagt bij aan de ambitie om de economische waarde van de schone energie-technologieketen in 2020 te verviervoudigen ten opzichte van 2010. De regeling is in 2014 gestart. In 2015 zijn twee tenders uitgevoerd, waarvoor in totaal € 34 mln aan subsidiebudget beschikbaar was. In 2016 zal het subsidiebudget stijgen tot € 44 mln.

Milieukwaliteit van de Elektriciteitsproductie (MEP) / Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE)

Dit betreft de uitfinanciering van verplichtingen die in het verleden in het kader van de Milieukwaliteit van de Elektriciteitsproductie (MEP) en Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE) zijn aangegaan. MEP-subsidie is verleend aan elektriciteitsproducenten met wind- en zon-energie, waterkracht en biomassa. Projecten ontvangen MEP-subsidie tot aan het einde van de subsidietermijn. De MEP-subsidie geldt voor een periode van tien jaar. Aan het eind van de looptijd wordt de definitieve subsidie vastgesteld.

De SDE-regeling is de opvolger van de MEP. De SDE is een exploitatiesubsidie die het verschil vergoedt tussen de kostprijs van hernieuwbare energie en de marktprijs (de onrendabele top) voor projecten op het gebied van hernieuwbaar gas en hernieuwbare elektriciteit. De regeling is daarmee breder dan de MEP. Met ingang van 2011 is de SDE omgevormd en aangepast tot de SDE+.

Stimulering Duurzame Energieproductie+ (SDE+)

In het Energieakkoord voor duurzame energie is afgesproken dat Nederland in 2020 een aandeel van 14% hernieuwbare energieproductie heeft. Verder is afgesproken dat dit aandeel in 2023 16% zal zijn. Het belangrijkste instrument dat het kabinet heeft om dit te realiseren is de SDE+. De SDE+ richt zich op de opties hernieuwbare elektriciteit, groen gas en hernieuwbare warmte en subsidieert het verschil tussen de kostprijs van hernieuwbare energie en de marktprijs, de zogenaamde onrendabele top. Doordat in de SDE+ goedkopere projecten voorrang hebben bij het verkrijgen van subsidie en er concurrentie is tussen verschillende vormen van hernieuwbare energie, zal op de meest kosteneffectieve wijze de productie van hernieuwbare energie worden gestimuleerd. De totale uitgaven zijn afhankelijk van de beschikbare projecten en de ontwikkeling van de energieprijs. Voor 2016 is voor de tender wind op zee een verplichtingenbedrag van € 5 mld opgenomen. Daarnaast zal in het najaar van 2015 de Tweede Kamer worden geïnformeerd over het bedrag dat voor de reguliere SDE+ in 2016 gepubliceerd zal worden.

Indicator

Referentie-waarde

Peildatum

Streefwaarde

Planning

Bron

Duurzame energieproductie

4,5%

2013

16%

2023

CBS

Compensatie indirecte kosten ETS elektriciteitsgrootverbruikers

Door de introductie van het Europese Emissiehandelssysteem (ETS) wordt de CO2-prijs door de elektriciteitsproducenten aan de elektriciteitsgrootgebruikers doorberekend. Elektriciteitsgrootgebruikers die internationaal concurreren kunnen in veel gevallen die CO2-kosten (ook wel indirecte kosten genoemd) niet doorberekenen omdat de concurrenten buiten de EU die kosten niet hebben. Naast verstoring van het gelijke speelveld leidt dit tot een CO2-weglek risico (het verplaatsen van bedrijven met veel directe of indirecte CO2 uitstoot naar landen waar de uitstoot van CO2 geen prijs heeft). Voor de compensatie van de indirecte kosten in het kader van het ETS is in 2016 een bedrag beschikbaar van € 61 mln op de EZ begroting. Dit budget neemt de komende jaren af in verband met het niveau van de CO2– prijs.

Afvang en opslag van CO2

Om op de lange termijn te komen tot een volledig duurzame energievoorziening zal afvang, gebruik en opslag van CO2 (CCS) onvermijdelijk zijn. CCS kan worden toegepast bij de industrie en ook bij gas- en kolencentrales. De rijksoverheid heeft het initiatief genomen voor een lange termijn visie over CCS. De visie CCS is een bouwsteen voor het Energierapport 2015. De relevante acties uit deze visie CCS zullen in 2016 in gang worden gezet. De rijksoverheid heeft reeds eerder toegezegd € 150 mln aan cofinanciering bij te dragen aan het grootschalige CCS demonstratieproject ROAD. Het gaat hierbij om het afvangen van CO2 bij de nieuwe E.ON kolencentrale op de Maasvlakte die vervolgens buiten de kust in een leeg gasveld wordt opgeslagen. Begin 2016 zal er door de initiatiefnemers een definitief investeringsbesluit worden genomen.

Hoge Flux Reactor (HFR)

De HFR in Petten is eigendom van de Europese Commissie en wordt geëxploiteerd door de Nucleair Research and consultancy Group (NRG). De exploitatie van de HFR wordt ondersteund door een reeks aanvullende onderzoeksprogramma’s. De voor de HFR opgenomen middelen betreft de Nederlandse bijdrage aan het «aanvullend programma» van het Joint Research Centre van de Europese Commissie, dat in de HFR wordt uitgevoerd. Het voornaamste doel van het aanvullend onderzoeksprogramma van de HFR, is een constante en betrouwbare neutronenflux voor experimentele doeleinden te leveren.

Elektrisch rijden

Het project Elektrisch Rijden is onderdeel van het Energieakkoord voor duurzame groei. Uiterlijk 1 januari 2016 ligt er een nieuw beleidsplan dat volwaardig invulling geeft aan de voorzetting van het programma Elektrisch Vervoer en aansluit bij de plannen van het Formule E-team. Dit plan is tot stand gekomen onder meer op basis van de Actie-agenda Brandstoffenvisie die het kader vormt voor het Elektrisch Vervoerbeleid. Het beleidsplan heeft als focus het verzilveren van het verdienpotentieel, het adequaat faciliteren van het totale innovatiesysteem en de inpassing van de verdergaande elektrificering van mobiliteit in het energiesysteem. Het beleidsplan houdt de uitrol van voertuigen op een pad richting het doel van 2035 dat alle nieuwe personenauto’s in staat moeten zijn tot zero-emissie rijden. De uitwerking vindt vooral plaats door gebruik te maken van bestaande beleids- en ondersteuningsinstrumenten. Nederland probeert haar positie in de kopgroep van de uitrol van voertuigen en laadinfrastructuur te behouden en zich te blijven profileren als een interessante plek om innovaties te testen en te demonstreren. Dit vereist gunstige randvoorwaarden.

Caribisch Nederland

Per 1 januari 2014 is het Gemeenschappelijk Energie Bedrijf (GEBE) van de bovenwindse eilanden ontvlochten en opgesplitst in drie bedrijven voor ieder van de eilanden één. Op Saba en St. Eustatius ontstonden de verzelfstandigde bedrijven Saba Electric Company (SEC) en Statia Utility Company (STUCO). Al vóór de ontvlechting van GEBE zijn beslag kreeg was duidelijk dat SEC en STUCO hun tarieven fors zouden moeten verhogen om een sluitende begroting te hebben, want de impliciete subsidie van St. Maarten aan Saba en St. Eustatius verdween door de ontvlechting.

De kosten van energievoorzieining op de eilanden van Caribisch Nederland zijn relatief hoog. De beperkte schaalgrootte, het insulair karakter alsook de sociaal-economische omstandgheden zijn van dien aard dat de netwerkkosten op de eilanden substantieel hoger zijn dan in Europees Nederland. Een forse verhoging van de tarieven werd zowel door de Eilandbesturen als door het Ministerie van Economische Zaken onwenselijk geacht. Mede daarom zal de Elektriciteits en Drinkwaterwet BES ruimte bieden de hoge netwerkkosten (tijdelijk) te subsidiëren, de subsidie wordt over een periode van tien jaar afgebouwd. Door de subsidie voor de netwerkkosten zullen de netwerktarieven voor elektriciteit op de eilanden ongeveer even hoog zijn als in Europees Nederland.

Daarnaast wordt ingezet op kostprijsverlaging door introductie van duurzame energie (zon, wind) en verplaatsing en modernisering van de elektriciteitscentrale Saba. In 2014 is begonnen met de verplaatsing van de elektriciteitscentrale op Saba. In 2015 zijn aanbestedingen gehouden op Saba en St. Eustatius voor grootschalige parken met zonne-energie. De subsidies worden gespreid over de jaren beschikbaar gesteld, naarmate de werkzaamheden vorderen. Naar verwachting worden de werkzaamheden in 2016 afgerond.

Overige subsidies

Dit betreft de uitfinanciering van verplichtingen van reeds beëindigde subsidieregelingen. Dit betreft met name de uitfinanciering van het Besluit Subsidies Investeringen Kennisinfrastructuur (BSIK), transitiemanagement en duurzame warmte.

Garanties

Aardwarmte

Aardwarmte of Geothermie betreft het winnen van warmte uit diepe aardlagen. Het potentieel van aardwarmte is 11 petajoule (PJ) in 2020. Het ontbreken van een (betaalbare) verzekering is een belangrijk knelpunt voor de toepassing van aardwarmte. De garantieregeling aardwarmte heeft als doel het afdekken van het risico dat het boren van putten voor de toepassing van aardwarmte niet succesvol is. De overheid dekt dit risico af door middel van het uitgeven van garanties aan marktpartijen die hiervoor een premie betalen.

In 2015 is de garantieregeling opnieuw opengesteld. Ook in 2016 is openstelling van de regeling wenselijk, aangezien de verzekeringsmarkt het geologisch risico nog niet afdekt en voor financiering van de projecten een garantstelling vereist is.

Opdrachten

O&O bodembeheer

Dit betreft opdrachten ten behoeve van de Mijnraad en de Technische commissie bodembeweging (Tcbb).

Joint implementation

De Joint Implementation aankoopprogramma’s die gericht waren op het aankopen van CO2– rechten voor het door Nederland nakomen van de Kyoto-doelstelling zijn afgesloten. Voor een aantal van de in de programma’s gesteunde projecten lopen nog financiële verplichtingen en voor één project loopt nog een juridisch traject.

Pallas

Het kabinet en de provincie Noord-Holland investeren elk maximaal € 40 mln in het project Pallas met als doel de realisatie van een nieuwe onderzoeksreactor in Petten. Deze bijdrage in de periode 2013–2017 is bedoeld voor het ontwerp, de aanbesteding en de vergunningprocedure van de reactor. Voor de realisatie van de onderzoeksreactor is in 2013 de onafhankelijke Stichting Voorbereiding Pallas-reactor opgericht. In 2016 verwacht de stichting het ontwerp van de onderzoeksreactor te kunnen aanbesteden, een start te maken met het aanvragen van de nodige vergunningen en de strategie voor het verwerven van de benodigde financiering uit te werken op basis van een geactualiseerde business case. Uitgangspunt van het kabinet is dat de bouw en exploitatie van de reactor met privaat en risicodragend kapitaal wordt gefinancierd, waarbij de gemaakte kosten voor ontwerp, aanbesteding en vergunningprocedure moeten worden terugbetaald.

Onderzoek en opdrachten

Dit betreft kleinere onderzoeksopdrachten- veelal met een looptijd van minder dan één jaar- die dienen ter ondersteuning van het energiebeleid en die veelal gericht zijn op beantwoording van één specifieke vraag (al dan niet op verzoek van de Tweede Kamer).

Bijdrage aan agentschappen

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl)

Dit betreft vooral de kosten van uitvoering door RVO.nl van energiesubsidieregelingen, waaronder de Milieukwaliteit van de Elektriciteitsproductie (MEP) en Stimulering Duurzame Energieproductie(+) (SDE(+)). Voor een klein deel heeft het betrekking op voorbereidende en ondersteunende werkzaamheden van RVO.nl op het gebied van het energiebeleid.

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)

NVWA voert het toezicht uit op de naleving van de Wet Implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie. De werkzaamheden van NVWA in dat kader betreffen het uitvoeren van inspecties en producttesten, internationale contacten en samenwerking, interventies bij niet-naleving, het volgen van marktontwikkelingen en het geven van voorlichting. De vergoeding betreft de kosten van de werkzaamheden, alsmede de kosten van aanschaf van te testen apparatuur.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Doorsluis Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten (COVA) heffing

Het crisisbeleid op het gebied van de olievoorzieningszekerheid dient verstoringen in de olieaanvoer op te vangen. Door de Stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten (COVA) en het oliebedrijfsleven worden in opdracht van EZ strategische olievoorraden aangehouden in lijn met hetgeen hierover geregeld is in de Wet voorraadvorming aardolieproducten (Wva) 2012. De uitgavenreeks op de EZ-begroting betreft de doorsluis van de ontvangen voorraadheffingen naar de COVA. De voorraadheffing is een heffing ingesteld op aan accijns van minerale oliën onderworpen aardolieproducten. De heffing bedraagt momenteel € 8,– per 1.000 liter benzine en diesel en wordt door de Minister van Financiën geheven en ingevorderd door de Belastingdienst. De Minister van EZ keert de opbrengst van heffing uit aan de stichting COVA ter dekking van de operationele kosten en financieringslasten van de COVA. Per 1 april 2013 is de Wva 2012 van kracht geworden en in lijn met de bepalingen in de nieuwe Wva 2012 is een verhoging van de voorraadheffing doorgevoerd. In deze wet is onder andere de EU Richtlijn 2009/119/EU over strategische aardolievoorraden geïmplementeerd.

Bijdrage TNO-AGE

Dit betreft een bijdrage aan TNO-AGE voor de adviestaak voortvloeiend uit de Mijnbouwwet en Mijnbouwregeling. De adviserende taak ligt op het vlak van het opsporen en winnen van delfstoffen (olie, gas en steenzout) en aardwarmte en het opslaan van stoffen in de (diepe) ondergrond van Nederland.

Bijdragen aan medeoverheden

Verkabelingregeling

Het Rijk maakt het vanaf 2017 mogelijk om 140 kilometer aan bestaande hoogspanningslijnen van 50, 110 en 150 kV, die in de buurt van woningen staan, gedeeltelijk onder de grond te brengen (verkabelen). De verkabeling gaat alleen door als de gemeente een bijdrage wil leveren. Gemeenten dragen niet langer alle kosten, maar slechts 25%. Netbeheerder TenneT mag de overige 75% van de transportkosten van elektriciteit doorberekenen aan klanten.

De regeling heeft een looptijd van vijftien jaar. Waar ondergrondse hoogspanningslijnen niet mogelijk zijn of financieel niet wenselijk, kunnen bewoners met een woning recht onder een hoogspanningsverbinding worden uitgekocht (TK, 31 574, nr. 29; TK, 34 199).

Uitkoopregeling

Woningen die direct onder de hoogspanningslijnen staan van 220 en 380 kV verbindingen en 110 en 150 kV buiten de bevolkingskernen, komen in aanmerking voor uitkoop. Het Rijk stelt vanaf 2017 geld beschikbaar voor een vrijwillige uitkoopregeling onder de voorwaarde dat de betrokken gemeenten besluiten tot verwijderen van de woonfunctie. De regeling wordt samen met de betrokken gemeenten uitgewerkt en heeft een looptijd van vijf jaar (TK, 31 574, nr. 29).

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Energie Onderzoekcentrum Nederland (ECN)/Nuclear Research and consultancy Group (NRG)

ECN ontwikkelt hoogwaardige kennis en technologie voor een efficiënte en duurzame energievoorziening en brengt deze naar de markt. Het onderzoeksprogramma van ECN wordt in overleg met de Topsector Energie vormgegeven. Daarnaast ondersteunt ECN de ontwikkeling en uitvoering van energiebeleid. Voor NRG betreft het onderzoeksactiviteiten op het gebied van de nucleaire veiligheid, radioactief afval en stralingsbescherming. Centraal daarbij staat de ontwikkeling van kennis, producten en processen voor veilige toepassing van nucleaire technologie voor energie, milieu en gezondheid. In de Visie op het toegepaste onderzoek is aangegeven dat het kabinet de TO2-instituten in de toekomst op kwaliteit en maatschappelijke impact van het onderzoek wil beoordelen. Voor 2016 maakt EZ hier voor zover mogelijk al concrete prestatieafspraken over met ECN, naar aanleiding van de prestatiemeting in het najaar van 2015.

Indicator: klanttevredenheid en kennisbenutting

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Streefwaarde

Planning

Bron

Klanttevredenheid ECN

8,6

2014

8,0

2016

ECN

Kennisbenutting ECN

>80%

2016

ECN

Toelichting

In 2015 zijn alle TO2 instituten overgegaan op een nieuwe, uniforme methode voor het meten van klanttevredenheid en kennisbenutting. De scores in bovenstaande tabellen geven de gerealiseerde waarden van klanttevredenheid en kennisbenutting voor al het onderzoek dat de TO2 in opdracht uitvoeren (het betreft dus zowel Publiek-private samenwerking (PPS) onderzoek, als onderzoek in opdracht van private klanten als onderzoek in opdracht van de publieke sector, tenzij anders vermeld). Over 2014 is al wel een uniforme meting van klanttevredenheid uitgevoerd, daarop is de referentiewaarde voor klanttevredenheid gebaseerd. In 2015 zal voor het eerst ook kennisbenutting uniform worden gemeten, dat zal de basis vormen voor de referentiewaarde van kennisbenutting. Over deze indicatoren wordt nader gerapporteerd in de monitor Bedrijfslevenbeleid. In de Visie op het toegepaste onderzoek (TK, 2012–13, 32 637 nr. 68) is aangegeven dat het kabinet de instituten in de toekomst op kwaliteit en maatschappelijke impact van het onderzoek wil beoordelen. Daartoe wordt in 2015 een uniform evaluatie- en monitoringskader ontwikkeld waarmee de instituten in 2017 geëvalueerd worden. Tevens wordt in 2015 een eerste meting uitgevoerd.

Diverse instituten

Nederland participeert in een aantal internationale organisaties of programma’s, die zich bezig houden met voorzieningszekerheid. Het gaat dan om het International Energy Agency (IEA), het Energy Charter Treaty (ECT), het International Energy Forum, het Gas Exporting Countries Forum (GECF) en het Nederlands Polair Programma (NPP). Daarnaast is Nederland samen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken en een aantal bedrijven partner in het Clingendael International Energy Programme (CIEP).

In het Pentalateraal Energieforum wordt in 2016 gewerkt aan de implementatie van het vastgestelde programma in de politieke verklaring van juni 2015. Dit betreft drie werkterreinen:

marktintegratie, leveringszekerheid en flexibiliteit. Op het terrein van marktintegratie zullen de resultaten van het «flow based-marktkoppelingssysteem» worden gemonitord en zal dit systeem waar mogelijk in samenwerking met netbeheerders, beurzen en toezichthouders verder worden verbeterd. Het systeem van flow based marktkoppeling is in mei 2015 van start gegaan. Hiermee wordt de beschikbare capaciteit van de netwerken nog efficiënter benut dan voorheen. Op het terrein van leveringszekerheid zal worden bezien welke verbeteringen mogelijk zijn in de regionale leveringszekerheidsanalyse die in 2017 opnieuw door de netwerkbeheerders (TSO’s) in de pentalaterale regio zal worden uitgevoerd. Daarnaast zullen er afspraken gemaakt worden over grensoverschrijdende deelname aan capaciteitsmechanismen in de Noordwest-Europese regio en over het beperken van marktverstorende grensoverschrijdende effecten van deze mechanismen. Tot slot zullen in een nieuwe werkgroep afspraken worden gemaakt gericht op toename van flexibiliteit in het energiesysteem. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om het creëren van efficiëntere balanceringsmarkten, de ontwikkeling van vraagzijderespons en de bevordering van mogelijkheden voor de opslag van elektriciteit. Daarnaast zal gewerkt worden aan versterkte operationele samenwerking tussen TSO’s in de Noordwest-Europese regio ter bevordering van leveringszekerheid en flexibiliteit.

Toelichting op de ontvangsten

COVA

Betreft ontvangsten uit hoofde van de voorraadheffing COVA, zoals toegelicht bij de uitgavenpost «Doorsluis COVA heffing».

SDE+

De uitgaven van de SDE+ subsidie worden gefinancierd via een opslag op de energierekening. Deze opslag is in 2013 ingevoerd.

Aardgasbaten

Het kabinet heeft besloten om de gaswinning uit het Groningenveld voor 2015 terug te brengen tot 30 miljard m3. De landelijk gasnetbeheerder, Gas Transport Services, heeft immers aangegeven dat uit oogpunt van leveringszekerheid in een koud jaar een volume van 33 miljard m3 gaswinning uit het Groningenveld noodzakelijk is (zie bijlage 2, Kamerstukken II 2014/15, 33 529, nr. 96). Aangezien de gasopslag Norg aan het eind van 2014 is uitgebreid en daardoor een tijd buiten gebruik is geweest wegens werkzaamheden, is er in 2015 de eenmalige mogelijkheid om 3 miljard m3 meer gas uit Norg te betrekken. In lijn met het besluit over 2015 is voor de berekening van de gasbaten voor de jaren 2016–2020 voor het Groningenveld voorlopig uitgegaan van het niveau dat noodzakelijk is voor de leveringszekerheid (33 mld m3). Er loopt inmiddels een tweetal onderzoeken naar respectievelijk een verantwoord niveau van gaswinning en omkering van het systeem van gaslevering om eind 2015 tot een goed besluit te kunnen komen over de gaswinning in 2016 en de jaren daarna (TK 33 529 nr. 174). De raming van de aardgasbaten voor 2015 en verder is gebaseerd op het meest recente scenario van het CPB uit de Macro Economische Verkenning (MEV).

Verwachting 2015–2016

2015

2016

Productie aardgas totaal (in Groningen equivalenten)

55

55

Euro/dollarkoers

1,11

1,09

Olieprijs (dollar/vat)

57,7

60,0

Beursprijs van TTF-gas (eurocent/ m3)

21

20

Kengetallen

2011

2012

2013

2014

1. Gewonnen volume aardgas kleine velden (in Nm3)1

Bron: TNO

28 mld Nm3

26 mld Nm3

26 mld Nm3

24 mld Nm3

2. Aantal boringen exploratie onshore en offshore

Bron: TNO

18

162

9

21

3. Aantal boringen productie onshore en offshore

Bron: TNO

39

193

18

32

4. Productie aardgas totaal (in Nm3)

Bron: TNO

74 mld Nm3

74 mld Nm3

80 mld Nm3

66 mld Nm3

5. Euro/dollarkoers

Bron: CBS/CPB

1,39

1,284

1,33

1,33

6. Olieprijs (dollar/vat) Bron: CBS/CPB

111,3

111,7

108,7

101,4

7. Beursprijs van TTF-gas (eurocent/ m3)

Bron: APX Endex

22,95

24,0

26,0

21,3

Noot 1: De reeks wijkt af van de in de Rijksbegroting 2015 opgenomen waarden. Er is voor gekozen om de waarden op te nemen in Nm3 in plaats van Sm3 omdat Nm3 beter aansluit bij de eenheid waarin de productie van het Groninger gas wordt uitgedrukt; de «Groningen equivalenten».

Noot 2: De waarde wijkt af van de in de Rijksbegroting 2014 opgenomen waarde. Uit een in februari 2014 ontvangen TNO-rapportage blijkt dat een correctie, in de tabel van 2012, van 1 is doorgevoerd in verband met een indeling in de verkeerde categorie.

Noot 3: De waarde wijkt af van de in de Rijksbegroting 2014 opgenomen waarde. Uit een in februari 2014 ontvangen TNO rapportage blijkt dat een correctie, in de tabel van 2012, van 10 is doorgevoerd in verband met een rekenfout.

Noot 4: De waarde van de euro/dollarkoers wijkt af van de in de Rijksbegroting opgenomen waarde. Deze waarde was gebaseerd op een raming van het CBS/CPB.

Noot 5: De waarden van 2011 en 2012 wijken af van de in de Rijksbegroting 2014 opgenomen waarden. Dit is veroorzaakt door het in het verleden toepassen van een onjuiste correctiefactor.

  • 1 t/m 4  In het kader van voorzieningszekerheid is het van belang dat het aardgas dat zich bevindt in de Nederlandse kleine velden ook wordt gewonnen. Dit omvat zowel het produceren van reeds ontdekte velden (kengetal 1,3 en 4) als het exploreren van nieuwe velden (kengetal 2). EZ stelt de randvoorwaarden middels een concurrerend mijnbouwklimaat, marktpartijen nemen de productie en exploratie voor hun rekening. Kengetal 1 geeft de totale hoeveelheid gewonnen gas uit kleine velden (onshore en offshore). Kengetal 4 geeft de totale aardgasproductie in Nederland weer in standaard m3, dus aardgas gewonnen uit kleine velden en het Groningerveld.
  • 5 t/m 7  De bepalende factoren voor de geraamde aardgasbaten zijn de aardgasprijs en het volume van de verkopen. De aardgasprijs is gerelateerd aan enerzijds de prijs van olie in dollars in combinatie met de euro/dollar-koers en anderzijds aan de prijs van gas die onafhankelijk van de olieprijs op de markt tot stand komt op onder andere gasbeurzen.

Interne begrotingsreserves

De interne begrotingsreserve voor duurzame energie is bestemd voor onbesteed gebleven middelen als gevolg van vertraging bij projecten waaraan reeds subsidie is toegekend en reeds verplichte projecten die niet tot uitvoering komen en door andere projecten moeten worden vervangen met het oog op het bereiken van de doelstelling. Via de reserve blijven de middelen beschikbaar tot het moment dat ze alsnog zullen worden uitbetaald. De interne begrotingsreserve voor de garantieregeling Aardwarmte is bedoeld om het budget voor deze regeling meerjarig in te kunnen zetten en een eventuele mismatch in de tijd tussen inkomsten en uitgaven op te vangen. Om gebruik te kunnen maken van de garantieregeling Aardwarmte betalen marktpartijen een premie aan de uitvoerder van de regeling (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) die wordt gestort in de interne begrotingsreserve.

Stand interne begrotingsreserve per 31 december 2014 (x € 1.000)

 

Interne begrotingsreserve duurzame energie

594.363

Interne begrotingsreserve Aardwarmte

20.037

Interne begrotingsreserve ECN verstrekte leningen

6.600

Budgettair belang fiscale maatregelen

Bedragen x € 1 mln
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Energie-investeringsaftrek (EIA)

124

106

101

101

101

101

101

Lokaal opgewekte duurzame energie

0

0

1

1

2

3

5

Met de energie-investeringsaftrek (EIA) stimuleert EZ investeringen in energiebesparing in of bij bedrijfsgebouwen, processen en transportmiddelen, duurzame energie en energie-advies. De EIA maakt het mogelijk om een extra fiscale aftrek te genieten op de gedane investeringen die leiden tot energiebesparing. Ten opzichte van het historisch verbruik of het gemiddeld gangbare energiegebruik bij nieuwbouw moeten investeringen in energiebesparing per jaar per geïnvesteerde euro een bepaalde hoeveelheid energie besparen. Alleen de nieuwste typen bedrijfsmiddelen komen hierdoor in aanmerking. De EIA stimuleert zo de marktintroductie van een nieuwe generatie efficiënte bedrijfsmiddelen. Om meer middelen beschikbaar te houden voor investeringen in energiebesparing en energie-efficiëntieverbetering in het bedrijfsleven, is in het Energieakkoord voor duurzame groei opgenomen dat de EIA-regeling zoveel mogelijk wordt gericht op investeringen in energiebesparing. Sinds 2014 komen projecten die een SDE+ subsidie krijgen niet meer in aanmerking voor de EIA. Daarom zijn sinds 2014 in de SDE+-regeling iets hogere basisbedragen vastgesteld, omdat het voordeel van de EIA niet meer wordt meegerekend.

Overzicht maatregelen ten behoeve van het Energieakkoord

Conform de motie Leegte (TK, 2014–2015, 30 196 nr. 278) is onderstaand een totaaloverzicht opgenomen van alle maatregelen van alle ministeries ten behoeve van het Energieakkoord. De maatregelen zijn gegroepeerd op basis van de doelstelling uit het Energieakkoord waaraan de maatregelen het meest direct bijdragen. Veel maatregelen dragen echter bij aan meerdere doelen.

In de begrotingen van Infrastructuur en Milieu en van Wonen en Rijksdienst zijn verwijzingen naar dit totaaloverzicht opgenomen. De betreffende maatregelen die op deze begrotingen staan zijn in onderstaand overzicht opgenomen. Achter de maatregelen in dit overzicht wordt aangegeven op welke begroting en beleidsartikel de maatregelen feitelijk staan.

De budgettaire gevolgen van het Energieakkoord zijn als bijlage bij de aanbiedingsbrief van het Energieakkoord gevoegd (TK, 30 196, nr. 202). Hierin zijn ook de fiscale maatregelen vermeld die onderdeel vormen van het Energieakkoord. De budgettaire gevolgen van deze aanpassingen zijn niet veranderd ten opzichte van het afsluiten van het Energieakkoord. Deze aanpassingen zijn derhalve niet meegenomen in dit overzicht en worden ook niet apart vermeld in de begroting van Financiën (IX).

Uitgaven x € 1.000
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

ENERGIEBESPARING

           

MJA3 / MEE (EZ, art.14)

3.551

2.377

2.238

2.238

2.238

2.238

EIA (EZ, art.14)

106.000

101.000

101.000

101.000

101.000

101.000

Compensatie indirecte kosten ETS (EZ, art. 14)

61.000

61.000

83.045

62.000

61.000

61.000

Demo Schoon en Zuinig (EZ, art. 16)

1.035

Innovatieagenda Energie (EZ, art.16)

1.213

1.629

1.628

2.908

2.908

2.908

Marktintroductie energie innovaties (MEI) (EZ, art. 16)

5.636

3.689

1.289

4.735

5.539

5.539

Investeringsregeling Energiebesparing (IRE) / Investeringsregeling Milieuvriendelijke Maatregelen (IMM) (EZ, art. 16)

1.918

3.710

4.819

4.900

4.900

4.900

Wet Milieubeheer energiebesparing (IenM, art. 19)

3.050

425

425

Openbare verlichting decentrale overheden (IenM, art. 19)

35

Revolverend fonds: Energiebespaarfonds (NEF) (WenR, art. 2)

25.000

(Voorlopig) Energielabel (WenR, art. 2)

9.300

Subsidieregeling STEP (WenR, art. 2)

195.000

200.000

VNG: ondersteuningsstructuur energieke samenleving (WenR, art. 2)

5.000

5.000

Revolverend fonds; leningen VvE’s (WenR, art. 2)

35.000

Revolverend fonds; leningen verhuurders (WenR, art. 2)

72.800

             

HERNIEUWBARE ENERGIE

           

MEP (EZ, art. 14)

364.987

278.022

187.487

54.991

47.025

40.025

SDE/SDE+ (EZ, art.14)

802.709

1.119.215

1.337.857

1.762.331

2.358.000

3.036.900

Storting in Interne begrotingsreserve duurzame energie (EZ, art. 14)

           

Garantieregeling aardwarmte (EZ, art. 14)

1.000

Storting in Interne begrotingsreserve

Garantieregeling aardwarmte (EZ, art. 14)

           
             

ENERGIE-INNOVATIE

           

Topsector Energie (EZ, art.14)

25.623

11.000

30.088

30.770

31.490

31.490

Demonstratieregeling Energie-innovaties (EZ, art. 14)

34.000

44.000

49.000

49.000

49.000

49.000

Innovatiemiddelen SDE+ (EZ, art. 14)

42.239

44.840

23.600

13.320

10.000

5.000

             

MOBILITEIT

           

Elektrisch rijden (EZ, art. 14)

1.123

Lean and Green Personal Mobility (IenM, art. 14)

600

Meerjaren bewustwording champagne «Hopper» (IenM, art. 14)

50

35

Organisatiekosten Green Deal Autodelen (IenM, art. 14)

60

Campagne veilige, zuinige, stille banden op spanning (IenM, art. 19)

200

             

OVERIGE

           

Bijdrage RVO uitvoeringslasten Energieakkoord (EZ, art. 14)

5.200

5.200

5.200

Uitvoering revolverend fonds (RVO) (WenR, art. 2)

400

400

400

400

400

Ondersteunende activiteiten t.b.v. Energieakkoord (WenR, art. 2)

2.219

7.535

7.069

6.749

6.450

6.445

Uitvoering STEP (RVO) (WenR, art. 2)

750

300

200

3.500

370

16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Algemene doelstelling

EZ streeft naar internationaal toonaangevende, concurrerende, sociaal verantwoorde, veilige, en dier- en milieuvriendelijke agro-, visserij- en voedselketens.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is verantwoordelijk voor:

Stimuleren

  • –  Het versterken van de positie van de Nederlandse agro-, visserij- en voedselketens en het stimuleren van groene economische groei via energie- en klimaatbeleid voor de landbouw en de voedings- en genotmiddelen industrie.
  • –  Het stimuleren van een adequate en duurzame voedselvoorziening/voedselzekerheid, voedselkwaliteit op Europees en mondiaal niveau evenals het bijdragen aan het Europese en internationale landbouw- en visserijbeleid.
  • –  Het stimuleren van marktgedreven verduurzaming van de veehouderij door de ontwikkeling van onderscheidende duurzame marktconcepten, nieuwe vormen van ketensamenwerking en nieuwe marktstrategieën.

Regisseren

  • –  Het borgen van voedselveiligheid. Producenten en partijen uit de voedselketen zijn primair verantwoordelijk voor hun producten en productiewijze. Zij opereren op basis van normen en kaders die de overheid stelt en die goeddeels hun grondslag vinden in internationale, vooral Europese regelgeving. De Minister van VWS is verantwoordelijk voor wetgeving voor voedselveiligheid, met uitzondering van wetgeving voor het slachten van dieren en het keuren en uitsnijden van vlees, waar de Minister van EZ verantwoordelijk voor is.
  • –  Het zeker stellen van goede gewasbescherming, evenals het borgen van plant- en diergezondheid en dierenwelzijn.

Uitvoeren

  • –  Het uitvoeren van een effectief mestbeleid ter realisatie van de doelstellingen uit de Europese Nitraatrichtlijn (91/676/EEG).
  • –  Het uitvoeren van adequaat veterinair en fytosanitair beleid.
  • –  De controle op en handhaving van de regels voor de veiligheid van voedsel in de primaire productie en slachterijfase.
  • –  Het handhaven van de regelgeving op gebied van dier- en plantgezondheid, zorgvuldig gebruik van antibiotica en dierenwelzijn.
  • –  Het uitvoeren van kennisontwikkeling en financieren van innovatie ten behoeve van het groene domein.
  • –  Het uitvoeren van een gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid.

Bij het verder vormgeven van het Europees Landbouwbeleid voor de periode 2014–2020 heeft de Minister de rol om de Nederlandse inbreng goed tot zijn recht te laten komen. Vereenvoudiging is hierbij een belangrijk onderwerp van discussie. In de Beleidsagenda en bijlage Europese geldstromen wordt hier nader op ingegaan.

Beleidswijzigingen

Op de volgende speerpunten en beleidswijzigingen wordt ingezet in 2016:

  • –  Vanaf 1 januari 2015 wordt de sectorbijdrage aan het Diergezondheidsfonds (DGF) door middel van heffingen op grond van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwwd) door EZ geïnd. Op basis van de huidige Gwwd staat een heffing voor 3 jaar vast. Beoogd wordt om onder andere de heffingssystematiek voor zowel de reguliere- als de crisiskosten in de Gwwd meer flexibel te maken, zodat beter ingespeeld kan worden op actuele ontwikkelingen. De meer flexibele systematiek zal zo spoedig mogelijk, naar verwachting met ingang van 1 januari 2018, toegepast worden.
  • –  Het kabinet komt met een reactie op het WRR-Advies «Naar een voedselbeleid». In 2016 geeft het kabinet een vervolg aan de voedselagenda en de daarin vermelde acties en activiteiten. Naar aanleiding van het onderzoek naar de risico’s in de vleesketen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid zal keuring en toezicht en de aanpak van fraude verder vorm worden gegeven door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) (TK, 2013–2014, 26 991, nr. 418).
  • –  De uitvoering van de beleidsbrief dierenwelzijn van 4 oktober 2013 (TK, 2013–2014, 28 286, nr. 651) die toeziet op de verbetering van dierenwelzijn, onder andere door het uitfaseren van ingrepen bij landbouwhuisdieren, het stimuleren van een maatschappelijk geaccepteerde fokkerij, het tegengaan van impulsaankopen en welke dieren gehouden mogen worden. De huisdierenlijst voor zoogdiersoorten is in 2015 van kracht geworden. Deze lijst wordt in 2016 nader ingevuld. Op basis van de ervaringen zal gekeken worden naar een huisdierenlijst vogels, reptielen en amfibieën.
  • –  In nauw overleg met de partners van het Convenant Weidegang worden maatregelen uitgewerkt waarmee het gewenste ambitieniveau van 80% weidegang voor melkvee in 2020 wordt gerealiseerd.
  • –  Het Platform Varkensketen geeft in samenwerking met EZ en andere betrokken partijen uitvoering aan de Innovatie- en uitvoeringsagenda van de toekomstvisie Recept voor Duurzaam Varkensvlees. Doel is een hoogwaardig, duurzaam producerende en toekomstbestendige Nederlandse varkensketen in 2020 die maatschappelijk wordt gewaardeerd.
  • –  Parlementaire behandeling van het wijzigingsvoorstel van de Wet dieren houdende bepalingen betreffende de regulering van aantallen productiedieren in relatie tot de volksgezondheid. Hiermee krijgen de provincies de mogelijkheid om vanuit een oogpunt van volksgezondheid de omvang van de veehouderij in een aangewezen gebied te reguleren.
  • –  In 2014 zijn de WOT’s Besmettelijke Dierziekten, Voedselveiligheid en Genetische bronnen geëvalueerd. In 2015 worden de WOT’s Visserijonderzoek en Economische Informatievoorziening geëvalueerd. Voor de WOT Besmettelijke Dierziekten is inmiddels een nieuwe uitvoeringsovereenkomst opgesteld. Op basis van de evaluaties zal voor de andere vier geëvalueerde WOT’s in 2015 en 2016 eveneens nieuwe uitvoeringsovereenkomsten worden opgesteld. In 2016 zal als laatste het WOT-programma Natuur en Milieu worden geëvalueerd.
Beleidsinformatie

Kengetal

2011

2012

2013

2014

1. Maatschappelijke appreciatiescore

Bron:TNS/NIPO

Geen meting

7,5

7,6

Geen meting

2. Mate van vertrouwen consumenten in voedsel

Bron:NVWA monitor

3,4

Geen meting

3,2

Geen meting

3. Export van agrarische producten uit Nederland (bedragen x miljoen)

       

Duitsland

18.613

19.731

20.758

Nog niet bekend

België

7.483

7.811

8.425

Verenigd Koninkrijk

6.970

7.431

7.838

Frankrijk

7.154

7.204

7.434

Italië

3.736

3.703

3.742

 

Overige landen

27.633

28.987

30.855

 

Totaal

71.589

74.867

79.052

 

Bron: UN Comtrade via http://www.agrimatie.nl/Data.aspx

       

Toelichting

  • 1.  De maatschappelijke appreciatiescore is een rapportcijfer voor de waardering van de Nederlandse samenleving voor de agrarische- en visserijsector, productiewijzen en de verwerking van agrofood en visproducten. Basis is periodiek door TNS/NIPO uitgevoerd onderzoek.
  • 2.  De NVWA meet op een schaal van 1–5 het vertrouwen van de consument in de veiligheid van voedsel. Sinds 2013 vindt de meting tweejaarlijks plaats. Als gevolg op de paardenvlees- en eierenfraude en enkele voedselincidenten in 2013, is de ambitie het licht gedaalde vertrouwen weer terug te brengen op de waarde van 2011.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

VERPLICHTINGEN

729.130

708.480

636.548

615.104

616.117

602.036

602.036

Waarvan garantieverplichtingen

28.537

131.408

131.610

132.062

133.167

133.150

133.150

UITGAVEN

660.124

626.078

544.121

506.777

494.637

487.008

487.008

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

88%

       
               

Subsidies

73.559

76.813

40.817

34.517

30.352

30.511

30.511

Duurzame veehouderij

6.256

8.058

10.320

6.081

402

402

402

Investeringsregeling duurzame stallen

2.076

3.215

4.458

2.940

     

Regeling fijnstofmaatregelen

1.491

1.825

4.720

2.014

     

Overig

2.689

3.018

1.142

1.127

402

402

402

Plantaardige productie

12.724

11.917

9.063

6.437

10.183

10.987

10.987

Investeringsregeling Milieuvriendelijke Maatregelen (IMM)

2.068

4.475

5.100

5.100

5.400

5.400

5.400

Marktintroductie energie innovaties (MEI)

8.642

5.636

3.689

1.289

4.735

5.539

5.539

Overig

2.014

1.806

274

48

48

48

48

Visserij

5.416

7.854

6.518

7.320

5.315

5.315

5.315

Regelingen onder het nieuwe EFMZV

0

5.017

5.779

7.320

5.315

5.315

5.315

Overige (uitfinanciering regelingen onder EVF)

5.416

2.837

739

       

Agrarisch ondernemerschap

8.824

8.507

6.535

6.518

6.518

6.518

6.518

Brede weersverzekering

1.403

6.019

6.518

6.518

6.518

6.518

6.518

Investeringsregeling Jonge Agrariërs

2.235

2.488

17

       

Overig

5.186

           

Kennisontwikkeling en (agrarische) innovatie

2.091

4.241

1.092

872

645

   

Overig

2.091

4.241

1.092

872

645

   

Apurement

35.247

7.289

7.289

7.289

7.289

7.289

7.289

Regeling apurement

35.247

7.289

7.289

7.289

7.289

7.289

7.289

Interne begrotingsreserves

3.001

28.947

         

Interne begrotingsreserve landbouw

2.511

           

Interne begrotingsreserve apurement

490

28.947

         
               

Garanties

27.191

24.569

21.560

18.552

15.543

9.326

9.326

Bijdrage begrotingsreserve Borgstellingsfaciliteit

3.056

5.014

5.014

5.014

5.014

5.014

5.014

Verliesdeclaraties Borgstellingsfaciliteit

24.135

17.048

14.039

11.031

8.022

1.805

1.805

Garantstelling Marktintroductie Innovaties (GMI)

0

2.507

2.507

2.507

2.507

2.507

2.507

               

Opdrachten

161.779

140.751

121.899

117.940

117.023

116.008

116.008

Duurzame veehouderij

2.908

4.766

4.139

2.383

2.436

1.734

1.734

Mestbeleid

13.007

8.930

9.318

9.606

7.576

7.576

7.651

Plantaardige productie

5.334

1.784

1.877

1.875

3.166

3.166

3.166

Plantgezondheid

1.605

2.219

2.023

1.980

2.078

2.453

2.453

Diergezondheid en dierenwelzijn

13.895

12.688

11.967

12.539

11.638

11.708

11.708

Voedselveiligheid- en kwaliteit

5.909

5.298

4.572

4.359

4.558

4.558

4.558

Voedselzekerheid en internationaal en Europees landbouwbeleid

4.382

2.396

3.587

3.626

3.730

3.730

3.730

Visserij

1.388

1.117

1.202

1.196

1.251

1.251

1.251

Agrarisch ondernemerschap

2.547

3.034

2.409

2.398

2.507

2.507

2.507

Kennisontwikkeling en (agrarische) innovatie

110.804

98.519

80.805

77.978

78.083

77.325

77.250

               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

105.610

83.235

83.206

74.239

73.998

73.396

73.396

Medebewind en overige voormalige publieke PBO-taken

25.477

4.500

5.631

4.961

5.160

5.160

5.160

Dienst Landbouwkundig Onderzoek

77.341

76.120

75.646

67.584

65.272

65.272

65.272

Zon-MW (dierproeven)

0

0

0

0

1.885

1.885

1.885

College Toelating Gewasbeschermingssmiddelen en Biociden

2.792

1.693

1.007

972

959

357

357

Centrale Commissie Dierproeven

0

922

922

722

722

722

722

               

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

3.145

4.778

4.040

4.022

4.206

4.206

4.206

Diergezondheidsfonds

3.145

4.778

4.040

4.022

4.206

4.206

4.206

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

10.647

11.032

8.861

9.101

9.303

9.303

9.303

FAO en overige contributies

10.647

11.032

8.861

9.101

9.303

9.303

9.303

               

Bijdragen aan agentschappen

278.193

284.900

263.738

248.406

244.212

244.258

244.258

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

130.740

130.803

124.786

116.761

112.266

112.291

112.291

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland

138.948

144.398

131.887

124.580

124.881

124.902

124.902

Dienst Landelijk Gebied

222

1.933

         

Rijksrederij

8.283

7.766

7.065

7.065

7.065

7.065

7.065

               

ONTVANGSTEN

357.416

100.146

64.078

56.247

50.999

42.906

42.906

Mestbeleid

5.884

6.509

7.209

7.209

7.209

7.209

7.209

Diergezondheid en dierenwelzijn

3.932

700

500

500

500

500

500

Voedselveiligheid en kwaliteit

94

500

0

0

0

0

0

Voedselzekerheid en internationaal en Europees landbouwbeleid

228.287

44.173

15.926

15.926

15.926

15.926

15.926

Visserij

8.891

5.693

4.993

4.993

4.993

4.993

4.993

Agrarisch ondernemerschap

3.430

618

245

245

245

245

245

Kennisontwikkeling en (agrarische) innovatie

20.884

13.010

12.380

12.380

12.233

12.233

12.233

Garanties (provisies)

2.004

2.000

1.800

1.800

1.800

1.800

1.800

Agentschappen

15

           

Begrotingsreserves

83.995

26.943

21.025

13.194

8.093

   

Opmerking: Voor EFMZV, Brede weersverzekering en GMI geldt dat de bedragen betrekking hebben op de nationale cofinanciering van een Europese subsidieregeling in kader van het GLB.

Budgetflexibiliteit

Het budget 2016 is voor circa € 480 mln (88%) juridisch verplicht. Dat komt met name door de verplichtingen die rusten op het onderdeel Kennis (meerjarige programma’s en wettelijke onderzoekstaken bij de Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO). Ook voor het onderdeel Agentschappen zijn de verplichtingen al in het voorafgaande jaar aangegaan.

De feitelijke budgetflexibiliteit is veel lager omdat naast de zaken die al juridisch zijn aangegaan, er politieke en bestuurlijke toezeggingen liggen die nog tot een juridische verplichting gaan leiden.

Subsidies: Van het beschikbare budget 2016 is circa 53% juridisch verplicht. Het betreft de uitfinanciering van tot en met 2015 aangegane verplichtingen op subsidieregelingen.

Garanties: Bijdrage aan de begrotingsreserve Borgstellingsfaciliteit is geraamd op basis van meerjarig structureel benodigd budget. De verliesdeclaratie 2016 betreft een raming van de verplichte betalingen aan banken voor bedrijven die niet meer aan hun betalingsverplichtingen kunnen voldoen.

Opdrachten: Van het budget 2016 is circa 85% juridisch verplicht. Het betreft de uitfinanciering van verplichtingen die tot en met 2015 zijn aangegaan.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s: Betreft bijdragen aan vooral DLO (Kennisbasis, Wettelijke onderzoekstaken).

Bijdragen aan agentschappen: Het budget betreft de financiering van het opdrachtenpakket voor 2016 aan de NVWA, Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) en de Rijksrederij, inclusief de kosten van uitvoering van EU-regelingen. Op basis van het offertetraject is het budget voor 2016 100% juridisch verplicht.

Toelichting op de financiële instrumenten (per beleidsthema geordend)

Duurzame veehouderij

De inzet van EZ voor de veehouderij is gericht op een transitie naar een toekomstbestendige duurzame en maatschappelijk gewaardeerde veehouderij in 2020. Dit vraagt een integrale aanpak naar een veehouderij met aandacht voor effecten op de volksgezondheid, dierenwelzijn, emissies naar het milieu, gebruik van duurzaam geproduceerde grondstoffen en de directe leefomgeving. In de Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij (UDV) (TK, 2008–2009, 28 973, nr. 34) zijn de uitdagingen en speerpunten beschreven. Een belangrijk aspect van verduurzaming wordt gevormd door de stal(systemen) waarin dieren worden gehouden.

De partners in de UDV hebben afgesproken dat vanaf 2015 elke ondernemer bij nieuwbouw duurzaamheidsstappen zet waarbij de plusstal geldt als basisniveau voor verduurzaming in de veehouderij. Voor de plusstal is een apart certificaat uitgewerkt waarmee kan worden aangetoond dat een stal voldoet aan de criteria. Het plusstalcertificaat zal onder meer dienen als basisvoorwaarde voor de garantstelling voor de nieuw- en verbouw van stallen (Regeling garantstelling landbouw). Daarnaast kunnen ondernemers kiezen voor de realisatie van integraal duurzame stallen die voldoen aan de Maatlat Duurzame Veehouderij, Milieukeur en andere geborgde ketenconcepten of biologische regelgeving.

Vanwege de mogelijke effecten van zoönosen uit veehouderijen op de volksgezondheid, bereidt het kabinet een wijzigingsvoorstel van de Wet dieren voor dat provincies de mogelijkheid biedt, grenzen te stellen aan de omvang van de veehouderij in bepaalde gebieden. In 2013 werd 70% van de koeien geweid (op basis van gegevens CBS). EZ is in overleg met de partners van het Convenant Weidegang om het aandeel weidegang te verhogen naar 80% in 2020.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2016

Bron

Percentage integraal duurzame stallen

0%

2008

14%

WUR

Subsidies

De begrote bedragen betreffen uitfinanciering op eerdere openstellingen van de subsidieregelingen duurzame stallen en fijnstofmaatregelen. Onder de categorie overig valt de uitfinanciering op de regelingen kleine en grote netwerken, beroepsopleiding en voorlichting, meetprogramma duurzame stallen, duurzame veehouderij (UDV), beëindigings- en saneringsregeling en de Subsidieregeling Stimulering Biologische Productie (SSBP).

Opdrachten

Het budget heeft betrekking op opdrachten en bijdragen aan derden die ondersteunend zijn voor de beleidsontwikkeling en -uitvoering, zoals projecten op het gebied van intensieve veehouderij en biologische landbouw, ontwikkeling duurzame stallen, uitrijden van dierlijke mest en voer- en managementmaatregelen.

Mestbeleid

Met het nationale mestbeleid wordt invulling gegeven aan de verplichtingen die volgen uit de Nitraatrichtlijn (91/676/EG). Doel van het mestbeleid is een verbetering van de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater door het bevorderen van een effectief en efficiënt gebruik van meststoffen in de landbouw. Daartoe kent de Meststoffenwet vier stelsels. Het stelsel van gebruiksnormen en voorschriften stuurt rechtstreeks op de hoeveelheid meststoffen en de wijze en het moment van toediening, het stelsel van varkens- en pluimveerechten stuurt op de productie van dierlijke mest en de stelsels van verplichte mestverwerking en verantwoorde groei melkveehouderij sturen op een verantwoorde afzet van dierlijke mest.

De jaarlijkse derogatierapportages en de vierjaarlijkse evaluatie van de Meststoffenwet worden altijd aan de Tweede Kamer aangeboden. De vierjaarlijkse Nitraatrichtlijnrapportage (waarvoor het Ministerie van I&M eerstverantwoordelijk is) en de resultaten Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid staan op de site van het RIVM.

Opdrachten

De bedragen onder Mestbeleid hebben voor het grootste deel betrekking op de financiering van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid, waarbinnen monitoring plaatsvindt van de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater op landbouwbedrijven om het effect van het mestbeleid te kunnen evalueren en te kunnen voldoen aan de monitoringsverplichtingen van de Europese Commissie.

Ontvangsten

De ontvangsten betreffen de boete-inkomsten in het kader van de handhaving van het mestbeleid en de bijdrage van agrarische bedrijven aan de kosten van het derogatiemeetnet binnen het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid.

Plantaardige productie

De inzet van EZ is gericht op het in stand houden van een Nederlandse plantaardige sector die wereldwijd bekend staat om de kwaliteit van productie en productietechnologie voor voedings- en siergewassen. Plantenveredeling en duurzame intensivering van de teelt zijn van fundamenteel belang voor het vergroten van (mondiale) voedselzekerheid en concurrentiekracht van de betrokken sectoren. In de beleidsbrief tuinbouw (TK, 2013–2014, 32 627, nr. 14) staat aangegeven dat nieuwe verdienmodellen noodzakelijk zijn om het perspectief van de tuinbouw te versterken. Dat is primair een opgave voor het bedrijfsleven zelf. De overheid wil dat stimuleren. Doel is te komen tot samenwerkende tuinbouwketens die toonaangevend zijn in concurrentiekracht en duurzaamheid. Het keteninnovatieprogramma uit de beleidsbrief is in 2015 begonnen en de uitvoering hiervan loopt door in 2016. De ambitieuze klimaat- en energiedoelen die voor de tuinbouw gesteld zijn, worden conform de Meerjarenafspaak Energietransitie glastuinbouw 2014 – 2020 en bijbehorende versnellingsplannen uitgewerkt. Voor de overige landbouwsectoren en de voedings- en genotmiddelenindustrie zal uitvoering worden gegeven aan de ambities en doelen van respectievelijk het herijkte convenant Schone en Zuinige Agrosectoren en de geactualiseerde Meerjarenafspraken Energiebesparing (MEE en MJA3). Verder stelt EZ een nieuwe nationale strategie voor de Gemeenschappelijke Marktordening Groenten en Fruit op met daarin focus op marktgericht produceren, afzetstructuur en duurzaamheid.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2016

Streefwaarde

Planning

Bron

Totale CO2-emissie glastuinbouw

Circa 7,5 Mton

2013

6,9 Mton

6,2 Mton

2020

LEI

Energie-efficiency index

voedings- en genot-middelenindustrie (VGI)

100%

2005

82%

70%

2020

RVO.nl

Toelichting

De indicatoren geven inzicht in de voortgang van de verduurzaming op energie- en klimaatgebied van deze twee sectoren.

Subsidies

De begrote bedragen betreffen betalingen op zowel eerdere als nieuwe openstellingen van de regeling Marktintroductie energie innovaties (MEI) en de module energie-efficiëntie en hernieuwbare energie glastuinbouw van de Investeringsregeling milieuvriendelijke maatregelen (voorheen Investeringsregeling energiebesparing (IRE)). Onder de categorie overig vindt nog de uitfinanciering plaats van de eerder opengestelde en inmiddels afgesloten Demoregeling Schoon en Zuinig en de uitfinanciering van de set aside regeling en de regeling verbetering honingproductie.

Opdrachten

Het budget heeft betrekking op (onderzoeks)opdrachten op het gebied van de innovatieagenda energie en energietransitie.

Plantgezondheid

Een hoogwaardige kwaliteit en een hoog plantgezondheidsniveau van plantaardige producten zijn voor de Nederlandse concurrentiekracht van groot belang. Belangrijke speerpunt is het voorkomen van de in- en uitsleep van plantenziekten in Nederland, bijvoorbeeld door het in 2016 tussen EZ en de plantaardige sector op te stellen convenant Preventie en Risicobeheer Plantgezondheid. Ook de bevordering van markttoegang voor Nederlands uitgangsmateriaal en plantaardige producten door gerichte inzet in prioritaire landen blijft van belang. Beschermen van gewassen en teelten tegen ziekten, plagen en onkruiden is een belangrijke randvoorwaarde om een hoogwaardige productie te blijven realiseren. Over het verminderen van de milieulast van gewasbeschermingsmiddelen en de concrete gestelde beleidsdoelen is de beleidsnota duurzame gewasbescherming 2013–2023 «Gezonde groei, duurzame oogst» (TK, 2012–2013, 27 858 nr. 146) het kader. Daarnaast zet EZ beleidsmatig in op een transitie naar een duurzamere gewasbescherming en een versnelling van de «vergroening» van gewasbeschermingsmiddelen, zowel nationaal, als ook in de EU.

Opdrachten

De nadruk ligt op het versnellen van de transitie naar verduurzaming van gewasbescherming. Daartoe wordt het gebruik van laag-risico middelen en basisstoffen gefaciliteerd en geïntensiveerd via een Green Deal met de sector en via een EU-spoor. Ook wordt de toelating voor kleine toepassingen gestimuleerd via het Fonds kleine toepassingen. Tenslotte wordt het budget voor opdrachten benut voor en het goed functioneren van het in 2015 ingerichte EU-coördinatiepunt voor kleine toepassingen en hoogwaardige teelten.

Diergezondheid en dierenwelzijn

Aandacht voor dierenwelzijn en -gezondheid van landbouwhuisdieren is van belang voor een sterke duurzame veehouderij en komt tegemoet aan de toenemende belangstelling vanuit de samenleving voor de veehouderij. Tevens neemt de politieke en maatschappelijke aandacht voor gezelschapsdieren en paarden toe. EZ richt zich op de bevordering van verbetering van dierenwelzijn door implementatie van (Europese) wetgeving en door het stimuleren van (keten)partijen. Op Europees niveau wordt in 2016 ingezet op de nadere uitwerking van de Verklaring van Vught (dierenwelzijnsconferentie 2014) en de onderliggende positionpapers over het verbeteren van welzijn van varkens, het verbeteren van transport en het oprichten van een structureel EU-platform waarin de lidstaten met de Europese Commissie overleggen over onderwerpen met betrekking tot dierenwelzijn. Nationaal wordt gewerkt aan het verbeteren van dierenwelzijn door uitvoering te geven aan de beleidsbrief dierenwelzijn, waarbij wordt ingezet op het uitfaseren van ingrepen, het stimuleren van een maatschappelijk geaccepteerde fokkerij van vooral honden, het tegengaan van impulsaankopen en de huisdierlijsten waarop is aangegeven welke dieren gehouden mogen worden, vroegtijdige signalering en vermindering van mishandeling en verwaarlozing en het verbeteren van brandveiligheid van veestallen.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2016

Streefwaarde

Planning

Bron

EU-OIE vrije status

7

2009

7

7

Jaarlijkse vaststelling

EU en OIE

Toelichting

Dierziektenvrije status; deze indicator geeft het aantal ziekten weer, waarvoor Nederland een officiële EU en/of OIE dierziektenvrije status heeft.

Opdrachten

Het budget voor opdrachten wordt ingezet voor de volgende activiteiten:

  • –  Uitvoeren van de actiepunten uit de beleidsbrief Dierenwelzijn (TK 2013–2014, 28 286 nr. 651).
  • –  Bijdrage aan de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming voor handhavingsactiviteiten op terrein gezelschapsdieren en het Landelijke Informatie Centrum Gezelschapsdieren (LICG) voor communicatie- en voorlichtingsdoeleinden.
  • –  Bijdrage aan het loket Welzijn landbouwhuisdieren.
  • –  Bijdrage aan het CIBG (VWS) voor het in stand houden van het register van diergeneeskundigen.
  • –  Voorlichting en communicatie over de preventie van dierziekten en diergezondheid.
  • –  Early warning, monitoring en bewaking van dierziekten en zoönosen. Bijdragen aan onder andere de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD) en het Dutch Wildlife Health Centre (Universiteit Utrecht).
  • –  Het aanhouden van een crisisorganisatie bij de GD, waardoor direct gekwalificeerd personeel beschikbaar is om de NVWA te assisteren bij verdenkingen.
  • –  De uitvoering van de Regeling In Beslag Genomen goederen. Dit is een vergoeding voor kosten van opvang van in beslag genomen gezelschapsdieren en landbouwhuisdieren.

Ontvangsten

De ontvangsten hebben vooral betrekking op op overtreders verhaalde kosten en dwangsommen die worden opgelegd in het kader van de handhaving van de Gwwd.

Voedselveiligheid en voedselkwaliteit

Borging van voedselveiligheid en het tegengaan van voedselfraude draagt bij aan het verkleinen van risico’s voor de volksgezondheid, het vergroten van het vertrouwen in voedsel en het versterken van de positie van de agrofoodketen. Het beleid op deze thema’s is integraal op de ketens gericht, inclusief onderdelen als diervoeders, diergeneesmiddelen en dierlijke bijproducten. EZ geeft mede vorm aan het anticiperen, monitoren en beheersen van mogelijke risico’s op het gebied van voedselveiligheid en -integriteit. Europese wetgeving is hierbij het kader en bedrijven in de voedselketen zijn primair verantwoordelijk.

Het verduurzamen van de voedselketen is belangrijk om te komen tot een toekomstbestendig voedselsysteem. In zijn reactie op het WRR-advies «Naar een voedselbeleid» zal het kabinet aangegeven kansen te zien om het voedselbeleid nog steviger en in nog meer samenhang uit te voeren. Daartoe zal het kabinet de contouren van een «voedselagenda» gepresenteerd. Het kabinet wil met de verschillende actoren in de voedselketen in gesprek om te komen tot een breed gedragen voedselagenda, die toewerkt naar een gezonde, ecologische houdbare en robuuste voedselvoorziening. Dat betekent werken aan vertrouwen, het organiseren van maatschappelijk debat en maatschappelijke betrokkenheid, het waarborgen van transparantie en het agenderen en stimuleren van de verduurzaming van voedsel en voedingspatronen, nationaal en internationaal. In 2016 zal vervolg worden gegeven aan de «voedselagenda» en de daarin vermelde acties en activiteiten.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2016

Streefwaarde

Planning

Bron

1. Mate van afname van antibiotica-gebruik in de dierhouderij

Antibioticagebruik in 2009

2009

p.m.

70% reductie (t.o.v. 2009)

2015

SDa

2. Nalevingsniveau HACCP-verplichting

80%

April 2009

90%

90%

2018

NVWA

Toelichting

  • 1.  Het betreft de reductie van het antibioticagebruik in de dierhouderij ten opzichte van 2009. De raming 2016 is afhankelijk van het vervolgbeleid 2016–2020. Daarover wordt de Kamer begin 2016 geïnformeerd.
  • 2.  Het betreft het percentage van het totale aantal gecontroleerde bedrijven met een wettelijk verplicht Hazard Analysis and Critical Control Points (HACCP)-systeem uit het eerste deel van de vleesketen (slachthuizen, uitsnijderijen en koel- en vrieshuizen) dat aan alle controle-items voor HACCP voldoet.

Opdrachten

Het budget voor opdrachten heeft onder andere betrekking op:

  • –  Diverse projecten zorgvuldig antibioticagebruik die bijdragen aan een vervolgbeleid voor 2016–2020 dat meer gericht is op vermindering van resistentierisico’s en meer sectorspecifiek is.
  • –  Bijdrage aan de jaarlijkse organisatie van de Codex Alimentaris Commission.
  • –  Beleidsadvisering door het Bureau Diergeneesmiddelen.
  • –  Herziening van Europese regels voor vleeskeuring en (risicogebaseerd) toezicht in de pluimveesector (zogenaamde Hygiënepakket).
  • –  Monitoring van alimentaire zoönosen (zoals salmonella).
  • –  Versoepeling van beheersingsmaatregelen op het gebied van TSE/BSE.
  • –  Informatievoorziening aan consumenten over voedselveiligheid, voedselkwaliteit en voedselverspilling via het Voedingscentrum Nederland.
  • –  Monitoring verduurzaming voedselproductie en monitoring voedselverspilling
  • –  Aanpassing van regelgeving gericht op een veilige en duurzame toepassing van nieuwe technologieën in de agrosector, zoals ggo’s.

Voedselzekerheid en internationaal en Europees landbouwbeleid

Nederland hoort bij de grootste agro-exporteurs van de wereld. Daardoor heeft het de mogelijkheid om een belangrijke bijdrage te leveren aan de uitdaging om op duurzame wijze de voedselproductie in de wereld te verhogen. Het bedrijfsleven speelt hierin een sleutelrol en EZ ondersteunt ondernemers in hun internationale ambities en werkt daarbij nauw samen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BuZa). Hierbij is de gezamenlijke brief van EZ en BuZa over de «Nederlandse inzet voor wereldwijde voedselzekerheid (TK, 33 625, nr. 147 van 18/11/2014) van eind 2014 het uitgangspunt.

Opdrachten

Het budget voor opdrachten wordt ingezet voor de volgende activiteiten:

  • –  Internationale programma’s van de topsectoren Agro&Food en Tuinbouw en Uitgangsmateriaal die zich richten op het versterken van de landbouwsector in ontwikkelende en ontwikkelingslanden.
  • –  Samenwerking met transitielanden en ontwikkelingslanden op het gebied van voedselzekerheid.
  • –  Nieuwe initiatieven en partnerschappen op het gebied van mondiale voedselzekerheid en duurzame economische ontwikkeling op de volgende pijlers: klimaatslimme landbouw, Oceanen, Biodiversiteit (uitgangsmateriaal en genetische bronnen), beperken van voedselverliezen.
  • –  Daarnaast streeft EZ, in samenwerking met de topsectoren, naar duurzame veehouderijontwikkeling, verbeterde bodemvruchtbaarheid, versterking van de zaadsector in ontwikkelingslanden en verbetering van gewasbeschermingssystemen.
  • –  Bijdrage aan het Kennisloket Steunpunt Schoolfruit van de Wageningen Universiteit.

Ontvangsten

De ontvangsten betreffen voornamelijk de productieheffing op suiker die via de begroting van Buitenlandse Zaken worden afgedragen aan de Europese Commissie. Daarnaast zijn er (forfaitaire) ontvangsten op basis van aan boeren opgelegde sancties in het kader van GLB-inkomenssteun en door het betaalorgaan op bedrijven ingehouden waarborgsommen voor verleende exportrestituties die ten onrechte zijn uitgekeerd. Tot en met 2014 werden de invoerheffingen op landbouwproducten op de begroting van EZ verantwoord die via de begroting van Buitenlandse zaken werden afgedragen aan de Europese Commissie. Op basis van EU wetgeving wordt door de douane vanaf 2015 geen onderscheid meer gemaakt tussen landbouwrechten en invoerrechten. Omdat de Minister van Financiën verantwoordelijk is voor de heffing en inning van de douanerechten worden deze ontvangsten vanaf 1 januari 2015 verantwoord op de begroting van Financiën.

Visserij

Centraal onderdeel van de in 2014 ingezette hervorming van het Gemeenschappelijk Visserij Beleid is de invoering van een aanlandplicht. Vissoorten waarvoor vangstbeperkingen gelden mogen niet meer teruggegooid te worden, maar dienen te worden aangeland. Doel van de aanlandplicht is de verdere verduurzaming van de visserij en het tegengaan van voedselverspilling. De besluitvorming over de precieze invulling van de aanlandplicht vindt in hoofdzaak in regionaal verband van de lidstaten (onder andere de Noordzee) plaats. EZ faciliteert de introductie van de aanlandplicht door de sector te ondersteunen in de omschakeling naar meer selectieve vistechnieken en aanpassingen aan boord en in de visketen. Hiervoor kan Nederland het Europese Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij 2014–2020 (EFMZV) inzetten. Het EFMZV omvat ook de fondsen voor datacollectie (gegevensverzamelingen in Europees verband), visserij controle en de uitgaven voor het Geïntegreerd Maritiem Beleid. Op 25 februari 2015 is het Nederlandse Operationeel Programma EFMZV door de Europese Commissie goedgekeurd. Hierover is de Kamer op 18 maart 2015 geïnformeerd (TK, 2014–2015, 32 201, nrs. 75). Vanaf de tweede helft van 2015 zullen de eerste openstellingen plaatsvinden voor subsidies uit het EFMZV. Bij The International Council for the Exploration of the Sea (ICES) is informatie te vinden omtrent internationale adviezen en de ontwikkeling van vispopulaties.

Subsidies

In 2016 vindt nog de laatste uitfinanciering plaats op subsidieregelingen die onder het Europees Visserijfonds (EVF) vallen. Daarnaast zullen nieuwe openstellingen plaatsvinden van regelingen die onder het EFMZV vallen, gericht op duurzame innovaties en investeringen, op rendementsverbetering in de visserij en aquacultuur en op controle en datacollectie.

Opdrachten

Het budget heeft betrekking op opdrachten aan derden die ondersteunend zijn voor de beleidsontwikkeling op visserijgebied, zoals monitoringactiviteiten en het flankerend beleid voor schubvissers op het IJsselmeer.

Ontvangsten

De ontvangsten hebben met name betrekking op de geïnde leges van afgegeven visserij-vergunningen (zoals mosselpercelen).

Agrarisch ondernemerschap

Vergroting van het concurrentievermogen is essentieel voor het agrocomplex. Het beleid is gericht op goed en duurzaam presterende agrarische ondernemers.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2016

Streefwaarde

Planning

Bron

Verhouding duurzame – totale investeringen

36%

2013

27%

30%

2016

LEI

Toelichting

Duurzame investeringen omvatten investeringen in duurzame productiemiddelen zoals bedrijfsgebouwen, glasopstanden en installaties. De totale investeringen in de land-, tuinbouw en visserij nemen de afgelopen jaren af, waardoor het percentage duurzame investeringen toeneemt. In het laatste onderzoek over het jaar 2013 waren de totale investeringen € 2,7 mld en de duurzame investeringen bijna € 1 mld. Hierdoor was het aandeel duurzame van de totale investeringen in de land-, tuinbouw en visserij 36%.

Subsidies

In 2016 wordt de subsidieregeling Brede Weerverzekering opnieuw opengesteld, waarmee de beschikbaarheid van brede verzekeringen tegen weerschade in de open teelten wordt gefaciliteerd.

Opdrachten

Het budget heeft betrekking op de overheidsinzet voor agrarisch Nederland wereldwijd bij het opzetten, verbeteren en versterken van duurzame ketens. Dit in nauwe samenwerking met het Landbouwradennetwerk.

Kennisontwikkeling en (agrarische) innovatie

Kennisontwikkeling en agrarische innovatie leveren een belangrijke bijdrage aan de oplossing van maatschappelijke vraagstukken die zich voordoen in het groene agro- en natuurdomein.

Daarnaast draagt een goed functionerend kennissysteem bij aan de economische positie van de Nederlandse agro-, visserij- en voedselketens en aan de natuurdoelstellingen. Veel bedrijven in de voedselverwerkende industrie hebben hun onderzoeks- en innovatieafdelingen in Nederland geplaatst. Samen met Wageningen UR heeft Nederland een toonaangevende landbouwuniversiteit en onderzoekscentrum in huis.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2016

Streefwaarde

Planning

Bron

1 Vraagsturing van groen onderzoek door maatschappelijke actoren (beleid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties)

80%

2013

>85%

>85%

2020

PROSU

2 Kennisbenutting door beleid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties

88%

2013

>85%

>85%

2020

PROSU

3 Percentage innoverende agrarische bedrijven

11,6%

2006

10%

10%

2016

LEI

Toelichting

  • 1.  In 2013 betrof het voor 49% van de projecten vraagsturing door (nationaal) beleid en voor 31% vraagsturing door maatschappelijke organisaties en bedrijfsleven. In andere gevallen was er sprake van indirecte vraagsturing, bijvoorbeeld een vraag volgend op voorafgaand onderzoek.
  • 2.  In 2015 zijn alle TO2 instituten overgegaan op een nieuwe, uniforme methode voor het meten van klanttevredenheid en kennisbenutting, Vanaf de begroting 2017 zullen de resultaten van die meting worden weergegeven. Een uitgebreide toelichting staat bij de tabel in artikel 12.
  • 3.  Dit geeft het percentage van de bedrijven weer dat product- of procesinnovaties heeft doorgevoerd. Het gaat hierbij zowel om bedrijven die als eerste bedrijf iets nieuws hebben doorgevoerd als om innovatieve volgers (vroege volgers).

Subsidies

De begrote bedragen betreffen de uitfinanciering op de subsidieregelingen Samenwerking bij innovatie, VAMIL-compensatie3 en Functionele Agrobiodiversiteit.

Opdrachten

Het budget voor opdrachten is bestemd voor:

  • –  De innovatie-agenda’s van de topsectoren Agri & Food en Tuinbouw en Uitgangsmaterialen;
  • –  De ondersteuning van beleidsontwikkeling en politieke besluitvorming voor onder andere internationale markt en handelstoegang in relatie tot veterinaire en fytosanitaire problematiek, de relatie volksgezondheid en intensieve veehouderij, waarborgen voedselveiligheid en diergezondheid, welzijn van landbouwhuisdieren en gezelschapsdieren, platteland en omgeving, vermaatschappelijking natuur, natuurinclusieve landbouw, voedselverspilling en voedselzekerheid;
  • –  Internationale samenwerking in Joint Programming Initiatives (JPI’s) en European Research Area Network (ERA-Net) en multilaterale samenwerking op het gebied van voedselzekerheid.
  • –  Het uitvoeren van evaluaties, de projectbijdrage aan het Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt (NAJK) en opdrachten voor agrarische innovatie, waarbij de focus ligt op de nieuwe uitdagingen van het GLB: klimaat, hernieuwbare energie, water en biodiversiteit.

Ontvangsten

De ontvangsten hebben betrekking op terugontvangen rente en aflossing van DLO en diverse ontvangsten samenhangend met de onderzoeksfinanciering.

Apurement

De Europese Commissie voert in bepaalde gevallen financiële correcties door op door Nederland ingediende declaraties bij Europese Fondsen, wanneer de uitvoering in de ogen van de Commissie niet volgens Europese regelgeving heeft plaatsgevonden (apurement-procedure). Zo kunnen er in het kader van de Gemeenschappelijke Marktordening Groenten en Fruit naar aanleiding van audits uitgevoerd in 2009 en 2011 correcties worden opgelegd. Hierover vindt nog hoor- en wederhoor plaats (stand van zaken juni 2015). De hoogte van de correcties is vooraf moeilijk in te schatten, daarom wordt jaarlijks een bedrag in de begrotingsreserve gestort om deze op peil te houden om toekomstige correcties uit te kunnen betalen.

Nederland zet zich overigens op Europees niveau in voor aanpassing van de GMO-regelgeving om deze beter uitvoerbaar te maken en daarmee EU-conforme uitvoering te bevorderen en het risico op correcties te verkleinen.

Garanties

EZ verleent steun aan bedrijven in de primaire sector (agrariërs en vissers) door het verstrekken van garanties op leningen voor investeringen. Hierdoor wordt de financiering mogelijk gemaakt van investeringen die in de markt niet tot stand komen vanwege een tekort aan zekerheden die de betreffende bedrijven kunnen bieden. Tegelijkertijd wordt er met deze faciliteit een extra stimulans gegeven aan de verduurzamingsopgave van de primaire sector. Jaarlijks vindt er, naast de premieontvangsten van € 1,8 mln, een storting plaats van € 3 mln in de begrotingsreserve Borgstellingsfaciliteit om de begrotingsreserve op peil te houden, zodat verliesdeclaraties van uitstaande garanties onder de Garantieregelingen Landbouw en Landbouw-plus opgevangen kunnen worden.

Medio 2015 is de garantstelling Marktintroductie Innovaties gepubliceerd als onderdeel van het Nederlandse POP3-programma. Hiermee beoogt EZ specifieke investeringen te stimuleren gericht op de introductie van systeem-innovaties die kansen bieden voor producten met meer toegevoegde waarde in de markt. Voor deze regeling wordt jaarlijks € 2,5 mln in de begrotingsreserve Borgstellingsfaciliteit gestort.

Ontvangsten

De ontvangsten betreffen inkomsten uit door agrariërs betaalde provisies voor door het ministerie afgegeven garantstellingen aan banken.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Medebewind en overige voormalige publieke PBO-taken

In 2014 zijn publieke taken van de PBO’s overgaan naar de centrale overheid. Het begrote bedrag is onder meer bestemd voor vereffening van de opgeheven PBO’s, ICT/transitiekosten voor inbedding van voormalige PBO-taken in de EZ-organisatie en afvloeiingskosten van medebewindspersoneel dat al vóór de opheffing boventallig is verklaard.

Dienst Landbouwkundig Onderzoek

Dit betreft zowel funderend onderzoek als wettelijke onderzoekstaken (WOT). Wageningen UR heeft een nieuw strategisch plan ontwikkeld voor de jaren 2015–2018. De nieuwe ontwikkellijnen zijn basis voor het nieuwe vierjarig programma Kennisbasisonderzoek dat in 2015 is gestart. Wettelijke onderzoekstaken vloeien voort uit (inter)nationale wetten, verordeningen en verdragen.

ZonMW dierproeven

Tot en met 2017 is het budget overgeheveld naar VWS/ZonMW voor ontwikkeling en uitvoering van alternatieven voor dierproeven. Voor de jaren erna is het budget gereserveerd voor verdere ontwikkeling en uitvoering alternatieven voor dierproeven.

College Toelating Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden (Ctgb)

Het betreft, mede namens de ministeries van SZW, VWS en I&M, de opdracht aan het Ctgb, met name op het gebied van beleidsadvisering.

Centrale Commissie Dierproeven (CCD)

De CCD verstrekt vergunningen voor het mogen verrichten van dierproeven.

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

Dit betreft de EZ-bijdrage aan de DGF-begroting voor de monitoring en bestrijding van bestrijdingsplichtige dierziekten, het aanhouden van een calamiteitenreserve bij destructiebedrijf Rendac en het voorraadbeheer van vaccins voor bestrijding dierziekten bekostigd.

Bijdragen aan agentschappen

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)

De bijdrage aan de NVWA is onder andere bestemd voor de handhaving van de wet- en regelgeving en het toezicht op het gebied van dier- en plantgezondheid, dierenwelzijn, diervoeders, diergeneesmiddelen, dierlijke bijproducten, dierproeven, mest, natuur en de veiligheid van voedsel en consumentenproducten. Het Plan van Aanpak NVWA (TK, 2013–2014, 33 835 nr. 1) heeft een looptijd van 2014 tot en met 2018 en legt prioriteit bij versterking van het toezicht op vijf domeinen (vee en vlees, exportcertificering, plantaardig, tweedelijnstoezicht zuivel en consument & veiligheid) en het versterken van de organisatie. In maart 2015 is de tweede voortgangsrapportage aan de Tweede Kamer gestuurd (TK, 2014–2015, 33 835 nr. 12). Daaruit blijkt dat, over de hele linie bezien, het Plan van Aanpak goed op koers ligt. Belangrijk onderdeel van het Plan van Aanpak NVWA is ook de herbezinning op de inrichting van het systeem van keuring en toezicht. Het kabinet zal voor de zomer van 2016 de vernieuwde inrichting van het systeem van keuring en toezicht presenteren.

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO.nl)

De bijdrage aan RVO.nl is onder andere bedoeld voor de uitvoering van zijn taak als Europees betaalorgaan. Vanwege deze status kan RVO.nl Europese subsidies uitbetalen, bijvoorbeeld de basisbetaling, de betaling voor jonge landbouwers en de betaling voor klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken en de uitvoering van het Europese Fonds Maritieme Zaken en Visserij. Naast de Europese subsidieregelingen voert RVO.nl ook nationale subsidieregelingen uit, zoals de regelingen voor innovaties en het visserijbeleid, energiebesparing en voor investeringen in duurzaamheid evenals maatregelen in het versterken van de innovatie en concurrentiekracht van de landbouw in het kader van de cofinanciering van inzet van Europese middelen.

Voorts worden taken uitgevoerd betreffende identificatie en registratie van dieren en het mestbeleid. Daarnaast verleent RVO.nl bepaalde vergunningen voor agrarische ondernemers en voor bezit en handel in beschermde plant- en diersoorten. Verder fungeert RVO.nl als thuishaven voor het landbouwradennetwerk.

Vanaf 2015 is een aantal onderwerpen en taken toegevoegd aan het werkpakket van RVO.nl. Dit zijn de in medebewind gegeven taken en de autonome publieke taken van de (voormalige) PBO’s, taken die zijn overgekomen als gevolg van de opheffing van de Dienst Landelijk Gebied en de visserij-uitvoeringstaken die overgekomen zijn vanuit het beleidsdepartement.

Rijksrederij

De bijdrage aan de Rijksrederij is bestemd voor de inzet van schepen en bemanning voor het uitvoeren van taken op het gebied van visserijonderzoek en het beheer en de inspectie voor natuur en visserij.

Interne begrotingsreserves

Naast het reguliere financiële instrumentarium zijn er begrotingsreserves. Hier kan ten behoeve van artikel 16 geld uit worden onttrokken. Ook kan vanuit artikel 16 hierin geld gestort worden (voeding). Door middel van de begrotingsreserves worden uitgaven opgevangen die jaarlijks sterk in omvang kunnen variëren.

Stand interne begrotingsreserves per 31 december 2014

(x € 1.000)

238.268

Interne begrotingsreserve Landbouw

33.249

Interne begrotingsreserve Visserij

13.425

Interne begrotingsreserve Borgstellingsfaciliteit

41.290

Interne begrotingsreserve Apurement

150.304

  • –  Met de interne begrotingsreserve Landbouw wordt stabiliteit en zekerheid gecreëerd voor de uitfinanciering van omvangrijke en sterk fluctuerende transitie-uitgaven voor verduurzaming en innovatie in de landbouwsector. Het betreft uitgaven voor al aangegane verplichtingen, onder andere op het terrein van energietransitie in de glastuinbouwsector, jonge agrariërs, duurzame stallen, investeringen in milieuvriendelijke maatregelen, fijnstofmaatregelen en de VAMIL-compensatieregeling.
  • –  De interne begrotingsreserve Visserij is bestemd voor de nationale cofinanciering die benodigd is voor de uitfinanciering van subsidieregelingen die onder het EVF worden uitgevoerd.
  • –  De interne begrotingsreserve Borgstellingsfaciliteit is bedoeld om de verliesdeclaraties te betalen voortvloeiend uit garantstellingen aan banken waarmee innovatieve en duurzame investeringen in de landbouw en visserij worden gefaciliteerd. De komende jaren wordt rekening gehouden met een omvangrijk bedrag aan uit te keren verliesdeclaraties, waardoor de begrotingsreserve aanzienlijk in omvang zal afnemen. Tegenover deze onttrekking staan een jaarlijkse reguliere storting van € 3 mln en van € 1,8 mln aan van agrariërs ontvangen provisies. Vanaf 2015 wordt verder jaarlijks € 2,5 mln in de begrotingsreserve gestort voor de Garantieregeling marktintroductie innovaties (GMI). Tenslotte wordt een jaarlijkse storting van € 2 mln van 2011 tot en met 2024 voorzien voor het flankerend beleid voor het verbod op de pelsdierhouderij (amendement Van Gerven/Dijsselbloem, TK, 2010–2011, 32 609 XIII, nr. 4).
  • –  De interne begrotingsreserve Apurement is bestemd voor het terugbetalen van financiële correcties van de Europese Commissie en is gebaseerd op de in recente jaren ontvangen correctievoorstellen van de Europese Commissie. EZ heeft maatregelen genomen om de risico’s op toekomstige financiële correcties te verkleinen door interpretaties van EU-regelgeving zoveel mogelijk vooraf aan de Europese Commissie ter verduidelijking voor te leggen. In de gevallen waarin de Europese subsidie op onrechtmatige wijze is verkregen, vordert EZ deze subsidie terug van de ontvanger.

Ontvangsten

De ontvangsten hebben betrekking op onttrekkingen uit de interne begrotingsreserves Landbouw, Visserij, Borgstellingsfaciliteit en Apurement die zijn toegevoegd aan de begroting van artikel 16.

Budgettair belang fiscale maatregelen

Bedragen x € 1 mln
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Landbouwvrijstelling

1.299

1.324

1.350

1.377

1.405

1.433

1.462

Verlaagd tarief glastuinbouw

81

79

81

81

81

82

82

Verlaagd tarief sierteelt

227

231

233

236

238

240

243

Landbouwregeling

19

17

17

16

15

15

14

Vrijstelling cultuurgrond

104

110

115

117

120

123

125

Een toelichting op de fiscale instrumenten is opgenomen in de internetbijlage 12 bij de Miljoenennota (Toelichting op de belastinguitgaven).

17 Groen onderwijs van hoge kwaliteit

Algemene doelstelling

Groen onderwijs van hoge kwaliteit. Hierbij streeft het Ministerie van Economische Zaken (EZ) naar:

  • –  Voldoende gekwalificeerde beroepsbeoefenaren voor het agrofoodcomplex en de groene ruimte.
  • –  Vergroten van de kennisverspreiding en -benutting voor het agrofoodcomplex en de groene ruimte.

Hiermee draagt groen onderwijs bij aan de doelstellingen van de artikelen 16 (Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens) en 18 (Natuur en regio).

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is verantwoordelijk voor:

Voldoende gekwalificeerde beroepsbeoefenaren voor het agrofoodcomplex en de groene ruimte.

Stimuleren

  • –  Stimuleren van een hoog kwaliteitsniveau van onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
  • –  Stimuleren van voorwaarden om te voldoen aan de vervangingsvraag en de transitie naar een groene economie. Afspraken maken met instellingen over bevorderen doorstroom, verminderen aantal voortijdige schoolverlaters, leven lang leren door om- her- en bijscholing, versterken doorlopende leerlijnen binnen de groene beroepskolom, bevorderen van cross-overs met het overig beroepsonderwijs en vakinhoudelijke vernieuwing van het groen onderwijs.
  • –  Stimuleren, in overleg met de instellingen, van ondernemerschap en internationalisering waardoor leerlingen/studenten na afronding van hun opleiding een basis hebben voor de start van een eigen bedrijf in het groene domein.

Regisseren

  • –  Met de instellingen en het bedrijfsleven zorgdragen voor het versterken van gekwalificeerde functies binnen het domein voedsel, natuur en leefomgeving door het groen (voorbereidend) beroepsonderwijs en van de kennisverspreiding binnen de groene kennisinfrastructuur.

Financieren

  • –  De groene instellingen functioneren binnen het wettelijk stelsel dat voor het gehele onderwijs geldt.

Kennisverspreiding en -benutting voor het agrofoodcomplex en de groene ruimte (natuur en groene leefomgeving), onder meer door actieve inzet van het groen onderwijs om beleidsdoelen te realiseren.

Stimuleren

  • –  Stimuleren van vraaggestuurde landelijke Centra voor Innovatief Vakmanschap (CIV) voor het MBO en Centers of Expertise (CoE) voor het HBO op een achttal expertisethema’s: Biobased Economy, Greenports, Agrodier, Food, Open teelten, Natuur en groene Leefomgeving, Agri&Food en Tuinbouw en Uitgangsmaterialen. Daarbij worden verbindingen gemaakt tussen regionaal opererende organisaties en wordt landelijke afstemming gezocht tussen onderwijs, regionaal Midden- en Kleinbedrijf (MKB), maatschappelijke organisaties en lagere overheden (stimuleren van de gouden driehoek in de groene sector). Belangrijke speerpunten zijn het opleiden van talent dat aansluit bij de innovatieopgaven van ondernemers, zwaartepuntvorming onderwijs en onderzoek, stimuleren van ondernemerschap en excellent praktijkgericht onderzoek samen met bedrijfsleven.
  • –  Stimuleren van het innovatief vermogen van het MKB door het instrument van groene plus lectoraten in het groene Hoger beroepsonderwijs meer vraaggestuurd in te zetten voor kennisvragen vanuit het MKB.
  • –  Stimuleren van activiteiten gericht op het verspreiden, doorstromen en benutten van kennis voor doelgroepen die deelnemen aan de Nederlandse samenleving.
  • –  Stimuleren van educatieve activiteiten (gericht op sociale innovatie) voor een groene economie (onder andere via het programma DuurzaamDoor in het onderwijs, bij en met andere overheden, bedrijven en maatschappelijke organisaties, zowel landelijk als op regionaal niveau).

Kengetal

2010

2011

2012

2013

2014

Ambitie

Adequaat aanbod aan de vraag op de arbeidsmarkt

 

1%

 

52%

 

60%

Bron: The Research Centre for Education and the Labour Market (ROA)

           

Toelichting

Adequaat aanbod wordt tweejaarlijks gemeten door middel van de Indicator Toekomstige Knelpunten in de Personeelsvoorziening naar Beroep (ITKB). Deze indicator geeft aan in welke mate het voor werkgevers mogelijk is om binnen beroepsgroepen de gewenste personeelssamenstelling naar opleidingsachtergrond te realiseren, rekening houdende met vraag en aanbod verhoudingen voor de verschillende opleidingstypen. Een laag percentage betekent een groot verwacht tekort van mensen met de vereiste specifieke kennis en vaardigheden.

Beleidswijzigingen

Algemeen

Het jaar 2016 staat voor het Groen onderwijs in het teken van consolidatie en verder bouwen aan de kennis- en innovatieopgave binnen het groene domein. De resultaten van de Meerjarige InvesteringsProgramma’s (MIP 2013 – 2015) zullen worden ingebed in een kennisbasisinfrastructuur waarop na 2015 verder kan worden gebouwd. Het Groen onderwijs zal hieraan invulling geven in samenwerking met het bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en EZ. De meerjarige sectorplannen van de AOC’s, de HASsen en het strategisch plan Wageningen Universiteit bieden een goed vertrekpunt om te komen tot de vernieuwingsslag van het Groen onderwijsmodel.

In 2016 zal ook uitvoering worden gegeven aan het vervolg van de motie Van Veldhoven/Lodders4 en het bekostigingsonderzoek onderwijs (Panteia-rapport). De beleidsreactie van het kabinet verschijnt tezamen met de bijbehorende rapporten voor de begrotingsbehandeling.

Voorbereidend Middelbaar Beroepsonderwijs (VMBO)

Het Groene VMBO gaat in 2016 zijn examenprogramma vernieuwen en op basis van de nieuwe profielen VMBO-breed invoeren. Invoering voor het profiel Groen is voorzien per 1 augustus 2016. De Agrarische Opleidings Centra (AOC) en de groene afdelingen van de scholengemeenschappen kunnen met het nieuwe profiel Groen en de keuzedelen een betere aansluiting tot stand brengen op het Middelbaar Beroepsonderwijs (MBO) en de regionale arbeidsmarkt.

MBO

Het MBO voert ingaande het schooljaar 2015–2016 de nieuwe kwalificatiestructuur in. In dat schooljaar kunnen de instellingen de nieuwe kwalificaties aanbieden naast de «oude» competentiegerichte kwalificaties. In de nieuwe kwalificatiestructuur is veel aandacht besteed aan het borgen van wettelijke beroepsvereisten vanuit wetgeving van EZ. Deze zijn veelal ondergebracht in herkenbare onderdelen van kwalificaties waaraan een certificaat kan worden verbonden.

Per 1 augustus 2015 zijn de wettelijke taken van de Kenniscentra Beroepsonderwijs – Bedrijfsleven KBB overgedragen aan de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs – Bedrijfsleven SBB. Binnen SBB wordt één van de acht Sectorkamers verantwoordelijk voor het onderhoud en de ontwikkeling van de «groene» kwalificaties en voor een voldoende aanbod van leerbedrijven in de groene sector. EZ is mede-opdrachtgever van SBB, subsidieert dit voor het «groene» aandeel en onderhoudt een bestuurlijke relatie met deze Sectorkamer.

De AOC’s ontwikkelen in 2015 vanuit een gezamenlijke missie en positionering een sectorplan. In 2016 worden gezamenlijke acties vanuit dit plan uitgevoerd.

Hoger onderwijs

Op 17 februari 2015 is het tweede Sectorplan voor het Groene HBO, Impact door samenwerking, gepresenteerd. Het Sectorplan is gericht op de periode 2015–2019 en is input voor de Strategische Agenda Hoger Onderwijs waaraan OCW en EZ gezamenlijk werken. Het sectorplan is ook gevoed vanuit de strategische discussie van het veld met OCW/EZ.

Het plan richt zich op de onderstaande doelen en resultaten:

  • 1.  Vergroten van de instroom van groene HBO’ers in lijn met de behoefte van de arbeidsmarkt.
  • 2.  Doorontwikkeling van de samenwerking tussen de Groene Hogescholen op basis van ontwikkel- en uitvoeringsdoelmatigheid.
  • 3.  Betere aansluiting op arbeidsmarkt, meer praktijkgerichtheid van het onderwijs door aansluiting op kennisvragen van de arbeidsmarkt (via het lectoratenprogramma).
  • 4.  Ontwikkelen van crossovers in opleidingsportfolio in combinatie met andere disciplines.

Wageningen Universiteit zet in haar Strategisch Plan voor de periode 2015–2018 extra in op (inter)nationale economische en maatschappelijke waardecreatie, gericht op bijdragen aan innovatie van bedrijven en de dialoog met de maatschappij. Onderdeel hiervan is een nieuwe onderwijsaanpak om in de komende jaren de goede balans te vinden tussen de groei van het aantal studenten en de onderwijskwaliteit (One Wageningen Education System).

Versterken verticale onderwijskolom

De afzonderlijke Sectorplannen c.q. Strategisch Plan vanaf MBO tot aan WO zullen ook in onderlinge samenhang worden bezien om te komen tot samenwerking in de groene onderwijskolom met het doel de doorlopende leerlijnen zo goed mogelijk op elkaar aan te laten sluiten en het vakonderwijs op alle niveaus te vernieuwen en gereed te maken voor de toekomstige opgaven. De Groene tafel (GT) speelt hierbij een belangrijke rol. De kennisinstellingen in het groene onderwijs hebben met de oprichting van de GT onderstreept, dat zij de samenwerking in de onderwijskolom belangrijk vinden voor de samenhang, kwaliteit en continuïteit van het groene onderwijs. De GT heeft de ontwikkelrichtingen van het Groene onderwijs vastgelegd in de Strategische Ontwikkelagenda. De GT organiseert ook de vraagsturing richting de ondersteunende instellingen en functies. Beoogd resultaat hiervan is een systeemontwerp voor kennisdoorstroom en innovatie vanaf 2016.

Met het programma DuurzaamDoor wordt ook bijgedragen aan de maatschappelijke discussie over de toekomstgerichtheid van het curriculum en de invulling van de nieuwe kwalificatiestructuur MBO, met name daar waar het gaat om het thema duurzaamheid. In internationaal perspectief is DuurzaamDoor het platform waarop het Global Action Plan 2015–2020 van UNESCO vorm krijgt, evenals de invulling van de Sustainable Development Goals (SDG), waarvan SDG 4 «educatio.n» betreft. In 2016 zal daar binnen de bestaande mogelijkheden nadrukkelijk aandacht aan worden geschonken.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

VERPLICHTINGEN

862.305

903.178

842.665

836.893

819.705

808.263

798.109

UITGAVEN

807.497

847.809

796.001

785.897

765.963

753.725

743.524

Waarvan juridisch verplicht

   

100%

       
               

Leningen

             

Schatkistbankieren

             

Bekostiging

739.107

778.752

761.219

756.558

739.971

728.625

718.471

WO-groen

169.299

173.519

176.986

180.560

181.313

182.250

182.672

HBO-groen

84.478

91.017

80.912

76.871

76.330

77.362

77.274

MBO-groen

153.186

180.456

165.447

163.814

160.248

152.119

151.323

Voorbereidende en Ondersteunende Activiteiten (VOA)

12.733

           

Wachtgelden

13.966

13.977

13.977

13.977

13.977

13.977

13.977

VMBO-groen

297.706

314.801

321.163

318.754

305.620

300.516

290.934

Aequor

7.739

4.982

2.734

2.582

2.483

2.401

2.291

               

Subsidies

66.194

67.203

33.540

29.303

25.956

25.064

25.017

Aansturing collectieve ondersteuning

3.325

4.057

         

School als Kenniscentrum

23.851

27.103

1.554

       

Kennisverspreiding en innovatie groen onderwijs

2.044

716

98

       

Aanvullende onderwijssubsidies

33.272

30.617

27.200

24.891

21.544

20.652

20.605

Ontwikkeling en beheer natuurkwaliteit

2.435

1.501

1.201

1.201

1.201

1.201

1.201

Educatie

1.267

3.209

3.487

3.211

3.211

3.211

3.211

               

Opdrachten

646

612

 

36

36

36

36

Kennisverspreidingsprojecten

646

612

 

36

36

36

36

               

Bijdragen aan agentschappen

1.550

1.242

1.242

       

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland

1.550

1.242

1.242

       
               

ONTVANGSTEN

231

75

75

75

75

75

75

Budgetflexibiliteit

De volgende uitgaven zijn juridisch verplicht:

  • –  Aanpassing van de bekostiging (€ 761,2 mln) en het OCW-volgende deel van de aanvullende onderwijssubsidies (€ 21,3 mln) vereist aanpassing van de relevante regelgeving.
  • –  Voor de overige begrotingsonderdelen is het budget vastgelegd in meerjarige verplichtingen (€ 13,5 mln).

Toelichting op de financiële instrumenten

Bekostiging

Rijksbijdrage WO-groen, HBO-groen, MBO-groen, Wachtgelden, VMBO-groen en SBB

Het betreft normatieve bekostiging gebaseerd op de onderwijswetgeving. EZ bekostigt groen wetenschappelijk onderwijs, 5 HBO-instellingen, 12 Agrarische Opleidingscentra voor Voorbereidend Middelbaar Beroepsonderwijs/Middelbaar Beroepsonderwijs (VMBO/MBO), de groene MBO-opleiding aan Regionaal Opleidingscentrum (ROC) Landstede, 36 groene afdelingen van scholengemeenschappen en de stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB). SBB voert sinds 1 augustus 2015 de wettelijke taken uit van Aequor, het voormalig Kenniscentrum Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (KBB) voor de groene sector. Hierdoor is SBB verantwoordelijk voor de kwalificatiedossiers voor het MBO en het aanbod en de kwaliteit van leerbedrijven.

Bekostigde aantallen in het groen onderwijs in 2016

Instrument

Type studenten/ getuigschriften/ promoties

Aantallen

Prijs

Bedrag

* € 1.000

Uitgaven 2016

* € 1.000

Bekostiging WO-groen

Inschrijvingen

6.028

5.180

31.225

 
 

Graden Bachelor

866

8.204

7.105

 
 

Graden Master

1.035

11.228

11.621

 
 

Promoties

287

93.756

26.908

 
 

Vaste componenten

   

100.127

176.986

Bekostiging HBO-groen

Inschrijvingen hoog

8.254

6.684

55.170

 
 

Graden hoog

1.491

6.684

9.966

 
 

Vaste componenten

   

15.776

80.912

Bekostiging MBO-groen

Deelnemers beroepsopleidende leerweg

20.000

7.038

140.763

 
 

Deelnemers beroepsbegeleidende leerweg

6.000

4.114

24.684

165.447

Wachtgelden

Vaste component

     

13.977

Bekostiging VMBO-groen

Leerlingen VMBO/VBO

21.800

7.240

157.832

 
 

Leerlingen VMBO/LWOO+PRO

14.300

11.422

163.331

321.163

SBB

Vaste component

     

2.734

Totaal

       

761.219

Bekostigde aantallen studenten in het groen onderwijs tot en met 2020

Onderwijssoort

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

WO

7.500

8.300

9.000

8.700

8.800

8.900

9.100

HBO

9.300

10.000

10.500

10.000

10.000

10.100

10.200

MBO

28.900

27.900

26.000

25.600

25.600

25.300

25.400

VO

34.000

35.300

36.100

35.900

34.900

33.900

32.800

Als gevolg van de geraamde toename van de leerlingen- en studentaantallen in het Groen onderwijs stijgen de kosten voor de jaren 2015 tot en met 2022. Deze problematiek is opgelost door inzet van incidentele meevallers binnen de EZ-begroting en een kasschuif ten laste van latere jaren wanneer de toename van de leerlingen- en studentenaantallen weer afvlakt.

Kengetal

2010

2011

2012

2013

2014

Ambitie

% afgestudeerden dat minimaal werkt op niveau van opleiding

76%

71%

72%

70%

71%

85%

Bron: The Research Centre for Education and the Labour Market (ROA)

           

Toelichting

De waarde is een gemiddelde van het cijfer voor niveau 4 van de Beroepsopleidende leerweg (BOL 4) en HBO in het groen onderwijs.

Kengetal

2010

2011

2012

2013

2014

Ambitie

Kwaliteitsniveau groen onderwijs

88%

82%

83%

88%

89%

90%

Bron: Inspectie voor het onderwijs

           

Toelichting

De inspectie voor het onderwijs bepaalt periodiek op basis van meerdere gestandaardiseerde criteria welk percentage groene scholen voldoende kwaliteit heeft. Hoe hoger het percentage, hoe meer groene scholen voor Middelbaar Beroepsonderwijs (MBO) en Voorbereidend Middelbaar Beroepsonderwijs (VMBO) gemiddeld genomen een voldoende scoren op kwaliteit. De opgenomen waarden zijn het gemiddelde van VMBO en MBO, in 2014 respectievelijk 86,4% en 91,6%.

Subsidies

School als Kenniscentrum, Kennisverspreiding en innovatie groen onderwijs

Met Groen Kennisnet (GKN), het Ontwikkelcentrum (OC) en het Onderwijsvernieuwingsprogramma (OVP) werkt het Groen onderwijs aan de vraagsturing voor wat betreft de ondersteuningsbehoefte bij de AOC. In 2015 is het vraagsturingsproces ingericht en dit zal in 2016 tot uitvoering worden gebracht. Resultaat van deze aanpak is dat er nu met de Groene Tafel afgestemde werkplannen voor 2016 liggen, die invulling geven aan meer vraaggestuurd werken en aan alternatieve vormen van financiering.

Aanvullende onderwijssubsidies

  • –  Subsidies toetsing en examinering (CITO);
  • –  Subsidieregelingen van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor onderwijsvernieuwing onder andere: internationale mobiliteit, verhoging van opleidingsniveau, deelname leven lang leren, carrièrepatroon docenten;
  • –  Subsidies van EZ voor Groene plus lectoraten, Centra voor Innovatief Vakmanschap en Centres of Expertise. Doel is om het beroepsonderwijs te vernieuwen door kenniscirculatie tot stand te brengen binnen de gouden driehoek.

Kengetal

2010

2011

2012

2013

2014

Ambitie

Voortijdig schoolverlaten

4,4%

4,6%

4,3%

3%

2,8%

2,5%

Bron: DUO

           

Toelichting

Het betreft het percentage leerlingen VMBO leerjaar 3 en 4 plus MBO leerlingen dat zonder startkwalificatie (minimaal MBO-2 niveau) het onderwijs verlaat ten opzichte van het totaal aantal VMBO 3–4 plus MBO leerlingen.

Ontwikkeling en Beheer Natuurkwaliteit

Het betreft subsidies voor het ontwikkelen van maatregelen om negatieve gevolgen van verdroging, vermesting en verzuring tegen te gaan. Het levert kennis op voor de implementatie van belangrijke beleidsitems zoals Natura 2000, realiseren van natuurterreinen en leefgebiedplannen. Sinds 1 januari 2014 coördineert de VBNE (Vereniging van bos en natuurterreineigenaren) het OBN.

Educatie

Het betreft subsidies ten behoeve van samenwerkingsovereenkomsten met organisaties (scholen, maatschappelijke organisaties, andere overheden, bedrijven en coalities daarvan) die educatieactiviteiten organiseren. Het kennisprogramma DuurzaamDoor richt zich op het bredere concept duurzaamheid, het organiseren van netwerken en coalities die – met coproductie en cofinanciering met provincies – op lokaal/regionaal niveau duurzaamheidsprojecten organiseren (zie TK, 20 487, nr 41).

Opdrachten

Kennisverspreidingsprojecten

Hiermee zet EZ in op een betere ontsluiting van kennis voor gebruik door ondernemers en maatschappelijke groepen. Kennisverspreidingsprojecten richten zich op thema’s als dierenwelzijn, klimaat en milieu, en multifunctionele landbouw.

Bijdragen aan agentschappen

Dit betreft de bijdrage aan Rijksdienst voor Ondernemend Nederland ten behoeve van het educatie-programma DuurzaamDoor.

Interne begrotingsreserve

Stand interne begrotingsreserves per 31 december 2014 (x € 1.000)

 

Interne begrotingsreserve schatkistbankieren Groen Onderwijs

83

EZ staat garant voor het in gebreke blijven van de groene onderwijsinstellingen die gebruik maken van de regeling schatkistbankieren. De premies van instellingen worden jaarlijks via het Ministerie van Financiën aan EZ overgemaakt en in het jaarverslag verwerkt.

18 Natuur en regio

Algemene doelstelling

EZ streeft naar een concurrerende ruimtelijk-economische structuur, een veelzijdige natuur en een wederzijdse versterking van ecologie en economie.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is verantwoordelijk voor:

Een concurrerende ruimtelijk-economische structuur

Stimuleren en financieren

  • –  De Minister is systeemverantwoordelijk voor een gezonde ruimtelijke economische structuur en stimuleert en financiert daarbinnen de versterking van de regionale en ruimtelijke uitwerking van het EZ beleid. Hierbij is het van belang om agenda’s van verschillende overheden te verbinden ten einde schaalvoordelen te benutten, overheidsinspanningen te versterken en versnippering tegen te gaan.

Regisseren en financieren

  • –  De Minister is lidstaatverantwoordelijk en heeft een regisserende rol voor het Europees Fonds Regionale Ontwikkeling (EFRO). Binnen EFRO bestaan, behalve de nationale programma’s, ook vier grensoverschrijdende programma’s (INTERREG A – ETS) Dit zijn: Euregio Maas-Rijn, Duitsland-Nederland, Vlaanderen-Nederland en Twee Zeeën. De Minister stelt budget beschikbaar in het kader van de nationale cofinanciering voor de landsdelige en de grensoverschrijdende programma’s.

Een veelzijdige natuur en een wederzijdse versterking van ecologie en economie

Stimuleren

  • –  Om de wederzijdse versterking van ecologie en economie te bevorderen en de maatschappij meer te betrekken bij natuur (Rijksnatuurvisie «Natuurlijk Verder»), stimuleert het rijk acties en initiatieven van bedrijven, natuurorganisaties en andere maatschappelijke actoren. Met behulp van een subsidieregeling worden innovaties op het gebied van groene groei gestimuleerd. In de uitvoeringsagenda natuurvisies wordt verder invulling gegeven aan stimuleringsacties.

Regisseren

  • –  De Minister van EZ is systeemverantwoordelijk voor het behoud en duurzaam gebruik van de nationale biodiversiteit – mede als natuurlijke hulpbron – en voor de zekerstelling van de aanwezigheid van natuur op lange termijn.
  • –  De Minister van EZ is tevens medeverantwoordelijk voor het behoud en duurzaam gebruik van de internationale biodiversiteit. Op grond daarvan is de Minister verantwoordelijk voor het stellen van kaders voor de omvang en kwaliteit van natuurgebieden, voor soortenbescherming zowel op het land, in de zee, als ook overzees in Caribisch Nederland en voor Europese en internationale afspraken over de handel in en het gebruik van planten, dieren en natuurlijke grondstoffen zoals bijvoorbeeld tropisch hardhout.

(Doen) Uitvoeren

  • –  Onderdeel van de decentralisatieafspraken over natuur (Bestuursakkoord Natuur en Natuurpact) is dat provincies binnen de gestelde rijkskaders verantwoordelijk zijn voor het realiseren en beheren van het Natuurnetwerk Nederland en de daarin gelegen N2000 gebieden en, naar aanleiding van het regeerakkoord: herstelbeheer, soortenbeleid binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland en agrarisch natuurbeheer.

Prestatiemeting

Kengetal

2011/2012

2012/2013

2013/2014

Ambitie 2016

Niveau Clusterontwikkeling

4.9

5.2

5.3

5.3

NL positie

15

9

7

7

Bron: The World Competitiveness report, World Economic Forum

       

Toelichting

Het beleid richt zich op het verbinden van de regionale en ruimtelijke aspecten van het EZ-beleid om de concurrentiepositie te versterken. In internationale vergelijking is de mate van clustervorming (specialisatie en samenhang tussen bedrijven, kennisinstellingen, diensten, infrastructuur) in Nederland relatief hoog en er is sprake van een positieve trend.

Percentage niet bedreigde soorten

1995

2006

2014

61,4%

61,2%

61,8%

Bron: CBS

   

Toelichting

Voor een aantal beleidsrelevante soortgroepen in Nederland bestaan Rode Lijsten van bedreigde planten- of diersoorten (onderverdeeld naar de ernst van de bedreiging: gevoelig, kwetsbaar, bedreigd, ernstig bedreigd, verdwenen uit Nederland). Het aantal soorten dat op een Rode Lijst staat is een maat voor de toestand van de Nederlandse biodiversiteit: hoe minder soorten bedreigd zijn, des te beter staat de natuur ervoor en andersom. Tot en met de rijksbegroting 2015 is deze indicator gebaseerd op gegevens van broedvogels, zoogdieren en dagvlinders, en werd deze gepresenteerd als een indexcijfer. Voor deze begroting is de indicator uitgebreid met nog vier soortgroepen: libellen, vaatplanten, amfibieën en reptielen. De indicator wordt de komende jaren verder doorontwikkeld. Voor een betere duiding is nu gekozen voor de weergave van het percentage niet bedreigde soorten. Deze Rode Lijst Indicator geeft het percentage soorten dat NIET op de Rode Lijst staat. Bij een waarde van 100% staan er geen zoogdieren, vogels, reptielen, amfibieën, vlinders, libellen of vaatplanten meer op een Rode Lijst.

Beleidswijzigingen

  • –  Natuur, de biodiversiteit in het bijzonder, is essentieel voor een gezonde leefomgeving en heeft een grote economische waarde; Het kabinet heeft in het regeerakkoord de ambitie uitgesproken om de Nederlandse natuur verder te versterken door middel van een robuust Natuurnetwerk Nederland, natuur meer te integreren met andere maatschappelijke belangen en meer ruimte en ondersteuning te bieden aan ondernemerschap en initiatieven van burgers en andere private partijen. Om die ambitie waar te kunnen maken zijn nationale, Europese en internationale bestuurlijke en juridische kaders onmisbaar. Het is voor die ambitie ook noodzakelijk om onderhoud te blijven plegen op die kaders. Daarom hecht het Kabinet belang aan een goede aanpak van de fitness check van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn, aan voortgang in de herziening van het stelsel voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer, en aan effectieve implementatie van de nieuwe natuurwet. Deze nieuwe wet geeft invulling aan de decentralisatieafspraken, vereenvoudigt en moderniseert het huidige stelsel en sluit beter aan op het EU- en omgevingsrecht. Met de implementatie wordt ingezet op een zorgvuldige overdracht van bevoegdheden aan de provincies.
  • –  Dit kabinet heeft op basis van de Rijksnatuurvisie «Natuurlijk Verder» in 2014 een maatschappelijk proces in gang gezet om de wederzijdse versterking van ecologie en economie te bevorderen en de maatschappelijke betrokkenheid bij natuur te versterken. Op basis van de uitvoeringsagenda natuurvisies wordt in 2016 verder invulling gegeven aan stimuleringsacties. Hierover wordt een jaarlijkse rapportage opgesteld.
  • –  De onder het vorige kabinet in gang gezette decentralisatie naar provincies van de uitvoering van het gebiedsgerichte natuurbeleid wordt in 2016 verder vormgegeven. Tussen Rijk en IPO gemaakte afspraken over decentralisatie en bevoegdheidsverdeling zijn verankerd in de Wet Inrichting Landelijk gebied en de nieuwe Wet Natuurbescherming die naar verwachting in 2016 in werking zal treden.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

VERPLICHTINGEN

392.375

179.346

151.579

139.263

127.688

116.880

116.880

UITGAVEN

337.416

268.059

210.728

178.982

164.383

158.879

158.879

Waarvan juridisch verplicht

   

86%

       
               

Subsidies

75.285

81.820

49.987

35.637

34.180

28.562

28.405

Zuiderzeelijn

5.490

6.315

3.835

       

Cofinanciering EFRO, incl. ETS

44.461

54.432

29.590

31.246

31.657

26.118

25.961

Bijdrage aan ROM’s

5.205

5.337

6.337

1.000

     

Pieken in de Delta

13.391

10.372

6.226

       

Programma Natuurlijk Ondernemen en Green Deals

1.591

1.481

1.098

802

Beheer Kroondomein

749

772

772

772

772

772

772

Regelingen Natuur (Burgereducatie, RDN, SBL, VNBL)

4.398

3.111

2.129

1.817

1.751

1.672

1.672

Leningen

30.489

28.747

29.175

30.745

30.745

30.745

30.745

Rente en aflossingen voor bestaande leningen (EHS & PNB)

30.489

28.747

29.175

30.745

30.745

30.745

30.745

Opdrachten

33.519

37.350

33.520

36.980

36.617

38.462

38.619

Onderzoeksmiddelen

30

672

460

498

490

490

490

NURG/Maaswerken

9.354

8.015

3.815

2.835

2.840

4.505

4.505

Mainport Rotterdam

7.102

7.269

7.410

7.560

7.701

7.859

8.016

Nationale parken

 

1.000

         

Programma Rijke Waddenzee

1.627

623

623

623

623

623

623

Deltaprogramma

1.424

           

Programma Natuurlijk Ondernemen en Green Deals

3.647

3.175

4.035

4.452

4.031

4.091

4.091

Natuurvisie

450

4.593

7.220

9.349

9.275

9.360

9.360

Regiekosten regionale functie

968

746

886

1.166

1.166

765

765

Kaderrichtlijn Marine Strategie/Noordzee

315

579

569

623

623

998

998

Natura 2000

441

3.212

2.149

2.149

2.149

2.149

2.149

Monitoring

2.469

2.264

1.672

3.980

3.980

3.980

3.980

Internationale biodiversiteit

41

362

362

362

362

362

362

Caribisch Nederland

980

781

1.137

1.538

1.538

1.538

1.538

Overig

4.671

4.059

3.182

1.845

1.839

1.742

1.742

               

Bijdragen aan medeoverheden

33.599

17.654

22.355

14.192

4.268

2.660

2.660

Uitfinanciering Sterke Regio’s en Nota Ruimte

27.849

8.900

10.664

3.914

1.611

0

0

Programmatische Aanpak Stikstof

5.171

6.097

2.507

2.507

2.507

2.510

2.510

Westerschelde

0

0

7.028

6.117

0

0

0

Caribisch Nederland

579

2.507

2.006

1.504

0

0

0

Decentralisatiemiddelen natuur

0

150

150

150

150

150

150

               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

26.604

29.776

25.947

24.885

24.471

24.471

24.471

Staatsbosbeheer

26.604

29.776

25.947

24.885

24.471

24.471

24.471

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

785

1.261

1.115

1.075

1.007

1.007

1.007

Diverse contributies

785

1.261

1.115

1.075

1.007

1.007

1.007

               

Bijdragen aan agentschappen

137.135

71.451

48.629

35.468

33.095

32.972

32.972

DLG

75.291

6.173

0

0

0

0

0

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland

52.719

56.085

39.284

26.206

24.135

24.010

24.010

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

9.125

9.193

9.345

9.262

8.960

8.962

8.962

               

ONTVANGSTEN

118.525

121.907

100.957

64.282

51.380

39.061

32.703

Landinrichtingsrente

51.357

42.161

42.161

40.161

37.259

34.940

31.418

Jachtakten

913

1.031

1.031

1.031

1.031

1.031

1.031

Verkoop gronden

58.177

45.000

50.000

20.000

10.000

0

0

Overige

8.078

33.715

7.765

3.090

3.090

3.090

254

Budgetflexibiliteit

Het budget 2016 is voor circa € 182 mln (86%) juridisch verplicht. Dat komt met name door de verplichtingen die rusten op de onderdelen rente en aflossing, cofinanciering EFRO, bijdrage aan ZBO en Agentschappen.

Subsidies: van het voor subsidies beschikbare budget is 96% juridisch verplicht. Het betreft de uitfinanciering van tot en met 2015 aangegane verplichtingen op subsidieregelingen.

Leningen: Het budget betreft die middelen die nodig zijn voor de betaling van rente en aflossingen van door het Rijk via het Groenfonds aangegane leningen ter realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en is 100% verplicht.

Opdrachten: Van het voor opdrachten beschikbare budget is 51% juridisch verplicht. Het (nog) niet verplichte budget is noodzakelijk voor het nakomen van diverse Europese en internationale verplichtingen en afspraken op het terrein van natuur en biodiversiteit en ten behoeve van de regionale functie. Verder betreft het de uitfinanciering van verplichtingen die tot en met 2015 zijn aangegaan.

Bijdragen aan medeoverheden: Het beschikbare budget betreft de financiering van decentrale overheden voor de uitvoering van diverse programma’s en projecten uit hoofde van wettelijke regeling, bestuursovereenkomst en bestuurlijke afspraken met provincies met betrekking tot de decentralisatie van natuurtaken en is 58% verplicht.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s: Betreft de financiering van de opdracht 2016 aan SBB en is 100% verplicht.

Bijdragen aan agentschappen: Het budget betreft de financiering van het opdrachtenpakket voor 2016 aan de NVWA en Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), inclusief de kosten van uitvoering van (EU-)subsidie regelingen. Op basis van het offertetraject is het budget voor 2016 100% juridisch verplicht.

Toelichting op de financiële instrumenten

Subsidies

Zuiderzeelijn

Dit betreft uitfinanciering van in voorgaande jaren aangegane subsidieverplichtingen.

Cofinanciering EFRO, inclusief Europese territoriale Samenwerking (ETS)

EZ heeft Rijkscofinanciering beschikbaar voor projecten die worden gefinancierd vanuit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO). Er is zowel een bedrag beschikbaar voor de vier landsdelige programma’s Noord, Oost, Zuid en West als voor de vier grensoverschrijdende programma’s (ETS) Duitsland-Nederland, Twee Zeeën, Euregio Maas Rijn en Nederland-Vlaanderen. In de programmaperiode 2014–2020 worden de EFRO-middelen ingezet op twee doelen: innovatie en koolstofarme economie. Het MKB is de belangrijkste doelgroep. Daarnaast heeft EZ middelen op de begroting voor de uitvoeringskosten van deze programma’s, waarbij EZ functioneert als opdrachtgever voor de audit- en certificeringsautoriteit.

De regio’s zelf zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van deze programma’s. Hiervoor zijn inmiddels goedgekeurde operationele programma’s ontwikkeld. Nog meer dan in het verleden is hierin aandacht voor focus en resultaat. In de programma’s zijn zowel resultaat- als outputindicatoren opgenomen om het effect van EFRO te kunnen monitoren. De cofinancieringsmiddelen voor EFRO richt EZ op projecten die de regionaal economische dynamiek van de topsectoren versterken. Bezien wordt daarbij in hoeverre het mogelijk is EFRO ook op nationaal niveau te monitoren met vergelijkbare indicatoren voor zowel de landsdelige als de grensoverschrijdende programma’s.

Bijdrage aan Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s)

Deze middelen hebben tot doel de economische krachten in de regio te versterken en te bundelen met sectorale initiatieven vanuit het topsectorbeleid en ander generiek beleid. Met de subsidierelatie worden de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen NOM (Noord), BOM (Brabant), LIOF (Limburg) Oost NV (Oost) en InnovationQuarter (IQ) ondersteund. Verder is voorzien in eventuele ondersteuning van een nog op te richten ROM voor de Noordvleugel en zijn er middelen beschikbaar gesteld voor samenwerking met Zeeland.

De ROM’s spitsen hun activiteiten toe op de topsectorenaanpak in het kader van het bedrijvenbeleid. Binnen die context spelen zij in aanvulling op de eerstelijns advisering aan MKB-ondernemers via het Ondernemersplein een rol in de tweedelijnsadvisering, waarbij zij een goede verbinding leggen tussen regionale en sectorale agenda’s. Taken die daarbinnen passen zijn de advisering aan innovatieve koplopers en het leggen van de verbinding met de TKI’s, ontwikkeling van innovatieprojecten en daaruit voortvloeiende valorisatie-inspanningen. Zij vormen een belangrijke schakel in de keten van onderzoek, innovatie, valorisatie en marktintroductie. Ook zoeken de ROM’s proactief naar bovenregionale samenwerking in een landsdekkende structuur.

Pieken in de Delta

Dit betreft uitfinanciering van in voorgaande jaren aangegane subsidieverplichtingen.

Programma Natuurlijk Ondernemen en Green Deals

Als onderdeel van een Green Deal met het Platform Biodiversiteit, Ecosystemen en Economie (BEE) voert het ministerie een subsidieregeling uit voor innovatieve projecten van ondernemers, gericht op het zorgvuldiger omgaan met biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen. Zie verder toelichting onder «Opdrachten».

Beheer Kroondomein

Kroondomein Het Loo is een landgoed van circa 10.400 hectare en bestaat uit twee deelgebieden: de Staatsdomeinen bij Het Loo (afdeling Hoog Soeren en afdeling Paleispark, circa 3.650 hectare) en het eigenlijke Kroondomein (circa 6.750 hectare). Het Kroondomein is al meer dan 300 jaar verbonden met het Huis Oranje-Nassau. Het beheer van het Kroondomein wordt namens de Kroon uitgevoerd door de rentmeester. Voor het gehele Kroondomein bestaat eenheid van beheer.

Bij de Staatsdomeinen bij Het Loo zijn de baten en lasten voor rekening van de Staat. De baten en lasten van het eigenlijke Kroondomein zijn voor rekening van de Kroondrager. De Kroondrager is economisch eigenaar van het eigenlijke Kroondomein en heeft hierop het vruchtgebruik en gebruikersrechten. Het bloot eigendom berust bij de Staat.

Het Rijk verstrekt jaarlijks een subsidie van circa € 770.000,- aan de Kroondrager, als privaatrechtelijk vruchtgebruiker van het eigenlijke Kroondomein, voor beheers- en inrichtingsmaatregelen van Kroondomein Het Loo. De Kroondrager kan, net als iedere andere private exploitant van bos- en natuurterreinen, onder dezelfde voorwaarden gebruikmaken van de betreffende subsidieregelingen. De subsidie betreft derhalve geen uitgaaf die samenhangt met de uitoefening van het koningschap. Op de subsidie zijn de voorwaarden van de provinciale subsidieverordeningen Natuur- en Landschapsbeheer en Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap van toepassing.

Regelingen Natuur

Burgereducatie: Er wordt een subsidie van € 1,0 mln verleend aan het Instituut voor Natuureducatie en duurzaamheid (IVN) ten behoeve van ondersteuning van de educatie- en communicatiefunctie in de Nationale Parken.

Uitfinanciering:

Voor het overige betreft het hier de uitfinanciering van de subsidieregelingen:

  • –  Stimulering bosuitbreiding op landbouwgronden (SBL);
  • –  Regeling draagvlak natuur (RDN);
  • –  Tijdelijke regeling Particulier Natuurbeheer (TRPN).

Leningen

Rente en aflossingen voor bestaande leningen (EHS & PNB)

Ten behoeve van realisatie (verwerving en doorlevering van gronden) van de EHS zijn in het verleden verschillende leningen verstrekt met tussenkomst van het Groenfonds. Het Rijk gaat als gevolg van de decentralisatie van het natuurbeleid naar de provincies geen nieuwe leningen meer aan ten behoeve van Natuur. EZ draagt zorg voor (af)betaling van rente en aflossingen van bestaande leningen.

Opdrachten

Onderzoeksmiddelen

Op basis van de politiek-bestuurlijke context en aansluitend op de regionale functie van EZ worden op vijf prioritaire beleidsthema’s middelen aangewend voor beantwoording van strategische vraagstukken en kennisvragen. Hieronder valt bijvoorbeeld onderzoek ter ondersteuning van het EZ-beleid en de uitwerking daarvan in regionale en ruimtelijke aspecten ter versterking van de concurrentiepositie van Nederland. Ten aanzien van deze middelen is verder sprake van een blijvende focus op: mainports, brainports en greenports; Europa in de regio (grensoverschrijdend); wederzijdse versterking van economie en ecologie; economie van stedelijke clusters en agglomeraties en ruimte en water voor EZ-doelen.

NURG/Maaswerken

In het kader van de Nadere Uitwerking Rivierengebied (NURG) werken I&M en EZ gezamenlijk aan projecten ter verbetering van de hoogwaterveiligheid en ontwikkeling van natuur in rivierengebieden. Er worden rivier verruimende maatregelen uitgevoerd om de veiligheid in het rivierengebied te vergroten. I&M en EZ hebben verder afgesproken om 6.687 hectare nieuwe natuur te realiseren in de uiterwaarden van de Rijntakken en de bedijkte Maas. De projecten met een taakstelling voor waterstandsverlaging uit de Planologische Kernbeslissing (PKB) Ruimte voor de Rivier worden met voorrang gerealiseerd, de overige daarna.

Project Mainport Rotterdam

De ontwikkeling van de Mainport Rotterdam kent met het Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR) een dubbeldoelstelling van zowel de versterking van de economische positie van de Mainport Rotterdam als de verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving in Rijnmond. Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR) 750 is één van de drie deelprojecten die voortvloeien uit de planologische kernbeslissing «PKB-plus: Project Mainportontwikkeling Rotterdam Deel 4» van 26 september 2003. Dit deelproject behelst de ontwikkeling van 750 hectare nieuwe natuur- en recreatiegebieden in de Rotterdamse regio. De provincie Zuid-Holland is coördinerend opdrachtnemer en één van de uitvoerende partijen.

Nationale Parken

In 2015 is, naar aanleiding van een amendement, het Programma Nationale Parken gestart. De belangrijkste opgave voor het programma is om een nieuwe standaard voor Nationale Parken in Nederland te ontwikkelen, die betekenis moet geven aan een aantal (natuur)gebieden in Nederland als «places to be», en deze in een aantal te selecteren gebieden te implementeren. Dat betekent dat deze gebieden zich zowel vanuit het perspectief van natuur en landschap, als vanuit recreatief-toeristisch en bedrijfsmatig perspectief internationaal moeten onderscheiden, waarbij het (natuurlijke) karakter en de waarden van deze gebieden leidend zijn. Dit betekent dat geïnvesteerd moet worden in een grotere kwaliteit, uitstraling en toegankelijkheid van deze gebieden voor de binnen- en buitenlandse toerist. Branding, governance en het ontwikkelen van nieuwe verdienmodellen zijn daarbij sleutelbegrippen.

Programma Rijke Waddenzee

Het Ministerie van EZ is verantwoordelijk voor de trilaterale samenwerking tussen Denemarken, Duitsland en Nederland voor de Waddenzee en is tevens de siteholder (voor Nederland) van dit internationale UNESCO Werelderfgoedgebied. De Nederlandse delegatie bestaat uit vertegenwoordigers van het Rijk (EZ en I&M), de waddenprovincies en -gemeenten. Tot en met 2018 is Nederland voorzitter van deze trilaterale samenwerking. Een belangrijk speerpunt van de Nederlandse inzet is om een Wadden Foundation op te richten om het werelderfgoed op een duurzame en toonaangevende manier (inter)nationaal te promoten met inzet van bedrijfsleven en overheden.

Het Programma naar een Rijke Waddenzee (PRW) is een uitvoeringsprogramma dat loopt tot en met 2018. Het is een programma dat lopende en nieuwe initiatieven voor natuurherstel en duurzaam gebruik in de Waddenzee met elkaar verbindt, nieuwe samenwerkingsverbanden vorm kan geven en begeleidt en nieuwe projecten voor natuurherstel in combinatie met een duurzaam gebruik van de Waddenzee initieert. PRW voert daarnaast het secretariaat van de Beheerraad en de Samenwerkingsagenda beheer Waddenzee.

PRW is een gezamenlijk programma van Rijk (EZ en I&M), provincies en natuurorganisaties (verenigd in de Coalitie Wadden Natuurlijk). Vanuit een gedeelde verantwoordelijkheid voor natuurherstel en duurzaam gebruik in de Waddenzee leveren de Waddenprovincies en I&M gezamenlijk een vergelijkbare bijdrage aan het programma.

Het Programma naar een Rijke Waddenzee komt voort uit het Convenant transitie mosselsector en natuurherstel Waddenzee. In 2016 zal specifiek aandacht worden besteed aan de ontwikkeling en uitvoering van de visstrategie en internationale «Fly Way» voor vogels in het waddengebied.

Programma Natuurlijk Ondernemen en Green Deals

Het kabinet is in 2012 het programma Natuurlijk Ondernemen gestart, een innovatieprogramma gericht op ondernemers die (willen) bijdragen aan behoud en ontwikkeling van natuur en biodiversiteit door uit eigen belang te investeren in het (ontzien van) natuurlijk kapitaal. De Green Deals geven invulling aan het programma evenals het programma «The Economics of Ecosystems and Biodiversity» (TEEB). Het TEEB programma komt voort uit de eerder gedane studies en geeft inzicht in de waarde van natuur bij besluitvormingstrajecten voor zowel bedrijven als overheden. In 2016 blijft EZ inzetten op praktische afspraken met bedrijfsleven, kennisinstellingen en andere overheden. De nieuwe afspraken zijn erop gericht om opgedane handelingsperspectieven doorwerking te geven in sectoren en zo opschaling te bewerkstelligen. Het verder verduurzamen van agroketens en het beheer van bossen zal dit jaar extra aandacht krijgen.

Natuurvisie

Om veranderingen verder op gang te helpen en te faciliteren wordt, conform de maatschappelijke uitvoeringsagenda van de rijksnatuurvisie «Natuurlijk Verder», extra ingezet op stimulering van:

  • –  groen ondernemerschap (waaronder «ontwikkelen en bouwen voor natuur»);
  • –  natuurinclusieve landbouw;
  • –  gebiedsgerichte natuurontwikkeling;
  • –  groener wonen en werken.

De middelen die hiervoor ingezet worden richten zich overwegend op het verder brengen van maatschappelijke initiatieven (via verkenningen, pilot-ontwikkeling, onderzoek en procesondersteuning).

Regiekosten regionale functie

Deze reservering is bedoeld om de regioambassadeurs van EZ te ondersteunen in de contact- en netwerkfunctie die ze voor EZ in de regio vervullen. De regioambassadeurs signaleren, verbinden en interveniëren ten einde de implementatie van EZ-beleid in de regio te bevorderen en versnellen. Daarbij participeren zij in activiteiten in de regio die tot doel hebben de regionale agenda’s te verbinden met de EZ-agenda.

Kaderrichtlijn Mariene Strategie/ Noordzee

Deel I van de EU-Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) beschrijft de huidige toestand van het mariene systeem, de gewenste toestand in 2020 en de daarbij behorende doelen en indicatoren. In 2014 is een monitoringsprogramma vastgesteld (Deel 2 KRM). Het KRM programma van maatregelen (KRM Deel 3) is onderdeel van het Nationaal Waterplan 2016–2021. Het Nationaal Waterplan en het KRM programma van Maatregelen zullen waarschijnlijk eind 2015 in de ministerraad worden vastgesteld. EZ draagt samen met RWS bij aan het Informatiehuis Marien, een gemeenschappelijk initiatief van I&M en EZ om alle mariene informatie en onderzoeksgegevens over de Noordzee op één plek toegankelijk te maken voor belangstellenden, overheden en professionals. Tevens heeft het Informatiehuis Marien een coördinerende rol in de uitvoering van het KRM-monitoringsprogramma toebedeeld gekregen, waar EZ ook aan bijdraagt.

Natura 2000

Natura 2000 heeft tot doel Europees belangrijke natuurwaarden te beschermen. Dit gebeurt door middel van het aanwijzen van gebieden en het gericht beheer van deze gebieden. De aanwijzing van de gebieden is de verantwoordelijkheid van EZ evenals het opstellen van een kwart van de beheerplannen voor de 160 Natura 2000- gebieden. EZ is tevens verantwoordelijk voor rapportage aan de Europese Commissie betreffende de «staat van instandhouding».

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2016

Streefwaarde

Planning

Bron

Aantal definitief aangewezen Natura 2000 gebieden

34

2010

160

160

2016

EZ

Aantal definitief vastgestelde EZ- beheerplannen

0

2010

40

40

2016

EZ

Toelichting

  • –  In Nederland worden in het kader van de Vogel- en Habitatrichtlijn ruim 160 gebieden aangewezen. Besluitvorming over de aanwijzingen van de meeste gebieden heeft in 2013 en 2014 plaatsgevonden. Het streven is om alle aanwijzingen in 2016 definitief te maken.
  • –  Voor elk N2000 gebied dient een beheerplan te worden vastgesteld. EZ is voortouwnemer bij het opstellen van 40 beheerplannen in 2016.

Monitoring

Het verzamelen van gegevens over planten, dieren en habitats (monitoring) is nodig voor het volgen van internationale natuurdoelen en het opstellen van de internationale rapportages op het gebied van natuur- en biodiversiteit (waaronder de EU-richtlijnen, CBD, Verdrag van Bern, Bonn, Waddenverdrag). Deze worden vooral via het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM) verzameld. In aanvulling hierop leveren de provincies informatie over habitattypen en in toenemende mate over natuurkwaliteit. Het CBS zorgt voor de statistische bewerking van deze natuurgegevens tot trends, omvang populaties en verspreidingsbeelden. De gegevens worden toegankelijk gemaakt voor derden via de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). EZ is medefinancier van het onderhoud en de exploitatie van deze databank.

Internationale biodiversiteit

Dit budget wordt onder meer gebruikt voor de uitvoering van acties die zijn afgesproken in het kader van internationale verdragen, zoals de Conventie inzake Biologische Diversiteit (CBD), IPBES, CITES, CMS, Ramsar en IWC, en in 2016 in het bijzonder voor internationale bijeenkomsten die in het kader van het Nederlands EU-voorzitterschap nodig worden geacht.

Caribisch Nederland

Op grond van de Wet grondslagen natuurbeheer en bescherming BES is EZ verantwoordelijk voor de implementatie van internationale verdragen (CBD, Cartagena/ SPAW protocol, CITES, CMS, IAC en Ramsar) in Caribisch Nederland (Bonaire, Saba en Sint Eustatius). Uitvoering betreft een wettelijke verplichting gericht op onder meer de ontwikkeling van een natuurbeleidsplan, monitoring, rapportage, onderzoek & educatie, toezicht, handhaving en vergunningverlening. Het natuurbeleidsplan Caribisch Nederland richt zich op bescherming van kwetsbare soorten en gebieden (koraalriffen), afspraken met landen in de regio en de balans tussen biodiversiteit, recreatief gebruik en toerisme.

Overig

Dit begrotingsinstrument bevat onder andere de middelen voor kosten voor «in beslag genomen goederen» (IBG), twee kleine opdrachten in het kader van soortenbeleid (hamsterbeheer en beheer genenbank) en voor de Leerstoel agrarisch natuurbeheer.

Bijdragen aan medeoverheden

Uitfinanciering Sterke Regio’s en Nota Ruimte

Deze middelen hebben betrekking op de uitfinanciering van in het verleden aangegane verplichtingen in het kader van het oplossen van knelpunten en benutten van gebiedsgerichte kansen gericht op versterking van het Nederlandse vestigingsklimaat en gebiedsprojecten die een bijdrage hebben gekregen uit het Nota Ruimte-budget van EZ. Het Nota Ruimte-budget voor Brainport Avenue Eindhoven (€ 4,75 mln) wordt in 2016 gedecentraliseerd.

Programmatische Aanpak Stikstof (PAS)

Nederland zet de Programmatische Aanpak Stikstof in voor het realiseren van de Natura 2000-doelen, terwijl tegelijkertijd economische ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Het Programma Aanpak Stikstof is op 1 juli 2015 in werking getreden. De beschikbare middelen worden onder andere ingezet voor het meten van effecten van het PAS op de stikstof en ammoniakconcentraties, kosten voor herzieningen van het plan als gevolg van monitoring en bijsturing, en het beheer van het rekeninstrument Aerius.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Streefwaarde

Planning

Bron

% stikstofgevoelige N2000 gebieden waar PAS ontwikkelingsruimte creëert

0

2015

> 95%

2016

Aerius (PBL)

Toelichting

Tot inwerkingtreding van het Programma Aanpak Stikstof 2015–2021 per 1 juli 2015 worden bij 117 gebieden slechts moeizaam vergunningen verleend vanwege onduidelijkheid over de stikstofproblematiek. Deze gebieden vormen samen de populatie van gebieden (100%), waarvan het percentage wordt bepaald van gebieden die ontwikkelingsruimte krijgen via het Programma per 1 juli 2015.

Westerschelde

Sinds 2006 wordt het Natuurherstel Programma Westerschelde (NPW) uitgevoerd. Door middel van diverse projecten, waaronder de Hedwigepolder, wordt minimaal 600 hectare nieuwe estuariene natuur gecreëerd. De planvorming is nagenoeg afgerond en het Rijk stelt de middelen beschikbaar aan de provincie Zeeland die de diverse projecten uitvoert.

Caribisch Nederland

De ontwikkeling van natuur, landbouw en visserij krijgt in 2016 meer geïntegreerde aandacht in het licht van het beleid gericht op versterking van de economische situatie op de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De ontwikkeling van de landbouw en de visserij biedt kansen voor werkgelegenheid en het verbeteren van de zelfvoorziening in voedsel. De eilanden zijn hiervoor zelf verantwoordelijk. EZ zal hierbij ondersteuning bieden indien de eilandelijke overheden dat wensen.

Op grond van de Wet grondslagen natuurbeheer en bescherming BES is EZ verantwoordelijk voor de implementatie van Internationale verdragen (CBD, Cartagena/ SPAW protocol, CITES, CMS, IAC en Ramsar) in Caribisch Nederland. Uitvoering is gericht op onder meer de uitvoering van het Natuurbeleidsplan Caribisch Nederland, daarin staan doelen op het gebied van monitoring, rapportage, onderzoek & educatie, toezicht, handhaving en vergunningverlening. Het natuurbeleidsplan Caribisch Nederland richt zich op duurzaam gebruik van biodiversiteit als economische bron, bescherming van kwetsbare soorten en gebieden (koraalriffen), en afspraken met landen in de regio hieromtrent.

Bijdrage ZBO’s/RWT’s:

Staatsbosbeheer

Het betreft een bijdrage aan de organisatiekosten van SBB en voor aanvullende opdrachten en projecten zoals het beheer van rijksmonumenten.

Bijdragen aan agentschappen:

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl)

De bijdrage is onder meer voor de uitvoering van taken voor het versterken van de ecologie, het versterken van de relatie van de ecologie met de economie, uitvoering van de natuurwetgeving, uitvoering van CITES, de uitvoering van agrarisch natuurbeheer en activiteiten voor de omslag naar een collectief agrarisch natuurbeheer.

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)

Met de handhaving op de Flora- en Faunawet, Natuurbeschermingswet 1998, FLEGT en CITES-regelgeving, levert de NVWA ook een bijdrage aan het tegengaan van illegale handel en bezit van bedreigde dier- en plantensoorten en producten daarvan, tegengaan van illegale handel in hout(producten) en toezien op rechtmatig gebruik van natuursubsidies. De NVWA opereert in een handhavingsketen van partijen zoals Douane, Politie, OM, Staatsbosbeheer, Kustwacht, RVO.nl en omgevingsdiensten.

Toelichting op de ontvangsten

Landinrichtingsrente

Tot aan de start van het ILG in 2007 werd wettelijke landinrichting uitgevoerd op basis van de Landinrichtingswet. Op grond van deze wet schiet het Rijk de kosten van een landinrichting voor en worden de kosten daarna door de gezamenlijke eigenaren terugbetaald. Dit gebeurt in 26 jaar door middel van de landinrichtingsrente. Op dit moment zijn er nog diverse projecten op basis van de Landinrichtingswet in uitvoering. Op basis hiervan wordt voorzien dat het Rijk nog circa 30 jaar landinrichtingsrente zal ontvangen.

Verkoop gronden

Op grond van het regeerakkoord uit 2010 is sprake van een inkomstentaakstelling uit de verkoop van gronden van ZBO’s (Bureau Beheer Landbouwgronden en Staatsbosbeheer), of via overige inkomstenbronnen.

Budgettair belang fiscale maatregelen

Naast onderstaande regelingen neemt ook de Natuurschoonwet een belangrijke plaats in. Deze Nederlandse wet biedt fiscale voordelen aan eigenaars van landgoederen.

Bedragen x € 1 mln
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Vrijstelling landinrichting

1

1

1

1

1

1

1

Vrijstelling Bureau Beheer Landbouwgronden

8

4

         

Bosbouwvrijstelling

1

1

1

1

1

1

1

Vrijstelling vergoeding bos- en natuurbeheer

7

6

6

6

6

6

6

Vrijstelling bos- en natuurterreinen forfaitaire rendement

6

6

7

7

7

7

7

Vrijstelling natuurgrond

3

3

4

4

4

4

4

Een toelichting op de fiscale instrumenten is opgenomen in de internetbijlage 12 bij de Miljoenennota (Toelichting op de belastinguitgaven).

19 Toekomstfonds

Algemene Doelstelling

Versterken van de innovatieve kracht van Nederland door het beschikbaar stellen van financiering voor innovatief en snelgroeiend MKB en voor fundamenteel en toegepast onderzoek en het behouden van vermogen voor toekomstige generaties.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Economische Zaken is rijksbreed verantwoordelijk voor versterking van het innovatievermogen, in het bijzonder gericht op het bedrijfsleven en verantwoordelijk voor het scheppen van randvoorwaarden voor een excellent ondernemingsklimaat.

De Minister van EZ en de bewindslieden van OCW coördineren en borgen de publieke kennisinfrastructuur voor toegepast en fundamenteel onderzoek.

Vanuit deze verantwoordelijkheden heeft de Minister een financierende en faciliterende rol, samenhangend met de stimulerende, regisserende en faciliterende rollen zoals vermeld in de artikelen 12 en 13 van deze begroting:

Financieren/faciliteren

  • –  Het mede-financieren van investeringen in R&D en innovatie.
  • –  Het faciliteren van toegang tot en financieren van (risico)kapitaal voor bedrijven.
  • –  Het mede-financieren van Europese en internationale samenwerking op het gebied van onderzoek en innovatie.

Beleidswijzigingen

Toekomstfonds

Het Toekomstfonds heeft een startkapitaal van € 200 mln en wordt gevoed door mogelijke meevallers in de gasbaten. Ook de begrotingsmiddelen voor het Innovatiefonds MKB+ en de participatie van het Rijk in de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) zijn in het Toekomstfonds ondergebracht.

Voor behoud van vermogen wordt vanaf 2018 een buffer opgebouwd van € 50 mln voor de niet renderende investeringen in fundamenteel en toegepast onderzoek. De middelen voor deze buffer van € 5 mln per jaar vanaf 2018 gedurende tien jaar zijn beschikbaar op een aanvullende post van de Rijksbegroting. Het betreft de middelen die in het Regeerakkoord beschikbaar zijn gesteld voor fundamenteel onderzoek (maatregel D 32).

In 2017 zal worden onderzocht of de voedingssystematiek en governancestructuur van het Toekomstfonds goed functioneren. In 2020 volgt een evaluatie van de werking van het gehele fonds.

Vroegefasefinanciering

Met ingang van 2 juli 2015 is de regeling voor Vroegefasefinanciering (VFF) enigszins aangepast. In navolging tot de aanvragen van academische starters wordt ook over de VFF-aanvragen van MKB-ondernemers en innovatieve starters voortaan geadviseerd door een adviescommissie met inhoudelijke deskundigen. Tevens is de samenwerking met het eco-systeem verstevigd door de opzet van regionale teams die samenwerken op gebied van voorlichting en screening en scouting van ondernemers die van VFF gebruik willen maken.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

VERPLICHTINGEN

 

336.529

158.184

71.247

73.778

67.765

75.266

UITGAVEN

 

238.020

164.741

121.978

128.827

110.168

122.315

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

59%

       
               

Leningen

 

232.176

159.418

116.655

123.504

104.845

116.992

I MKB-FINANCIERING

             

Volledig revolverend

             

Dutch Venture Initiative/Fund of Funds

 

32.400

36.700

32.600

26.392

23.392

24.392

Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen

 

42.000

         
               

Gedeeltelijk revolverend

             

Innovatiekrediet

 

76.340

41.025

52.024

46.718

38.864

49.210

Risicokapitaal (seed capital)

 

18.567

20.079

20.417

28.278

26.474

27.275

Vroege fasefinanciering

 

12.869

11.614

11.614

22.116

16.115

16.115

               

II INVESTERINGEN IN FUNDAMENTEEL EN TOEGEPAST ONDERZOEK

Met vermogensbehoud

 

50.000

50.000

       
               

III Staatsobligaties Toekomstfonds

             
               

Subsidies

             

IV Reëel rendement voor onderzoek

             
               

Bijdragen Agentschappen

 

5.844

5.323

5.323

5.323

5.323

5.323

Bijdrage Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

 

5.844

5.323

5.323

5.323

5.323

5.323

               

ONTVANGSTEN

 

63.188

32.088

33.388

40.588

42.588

47.600

MKB-FINANCIERING BESTAND INSTRUMENTARIUM

             

Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen

 

42.000

         

Fund of Funds (DVI I/Business Angels)

     

100

800

2.800

7.800

Innovatiekredieten

 

18.788

25.388

25.288

30.688

31.188

30.400

Seed

 

2.400

6.700

8.000

9.100

8.600

9.400

               

MKB-FINANCIERING INCIDENTELE MIDDELEN

             

Ontvangsten DVI II

             
               

Ontvangsten fundamenteel en toegepast onderzoek

             
               

Renteontvangsten Toekomstfonds

             

Het Innovatiefonds werd in het verleden geraamd en verantwoord op artikel 12. Met de nota van wijziging op de Ontwerpbegroting 2015 is het Innovatiefonds onderdeel geworden van het Toekomstfonds op artikel 19. Hieronder zijn de realisatiegegevens van het Innovatiefonds in de periode 2012 tot en met 2014 weergegeven.

Bedragen x € 1.000
 

2012

2013

2014

VERPLICHTINGEN

168.892

83.841

103.106

UITGAVEN

39.646

99.539

72.107

       

Leningen

     

I MKB-FINANCIERING

     

Volledig revolverend

 

34.073

15.395

       

Gedeeltelijk revolverend

39.646

65.466

56.712

       

II INVESTERINGEN IN FUNDAMENTEEL EN TOEGEPAST ONDERZOEK

Met vermogensbehoud

     
       

ONTVANGSTEN

43.351

35.916

14.996

Budgetflexibiliteit

Leningen: Het budget in 2016 is voor 57% juridisch verplicht. Het budget voor fundamenteel en toegepast onderzoek (€ 50 mln) is nog niet juridisch verplicht. Het betreft 31% van het budget voor leningen. De juridische verplichting zal naar verwachting in 2016 plaatsvinden.

Bijdragen aan agentschappen: Het budget betreft de financiering van het opdrachtenpakket 2016 aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) en is 100% juridisch verplicht.

Toelichting op de financiële instrumenten

Leningen

Binnen de structuur van het in 2014 gevormde Toekomstfonds (TK, 34 000-XIII-5), bestaat het Innovatiefonds MKB+ uit het volledig revolverende instrumenten (het Dutch Venture Initiative (DVI) en de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen) en gedeeltelijk revolverende instrumenten (Innovatiekrediet, de Seed capital-regeling (risicokapitaal), en de regeling Vroegefasefinanciering).

MKB-financiering: volledig revolverend

  • –  Het Dutch Venture Initiative stelt risico-kapitaal beschikbaar voor doorgroei van het innovatieve MKB. Het DVI-1 wordt samen met het Europees Investeringsfonds (EIF) en het participatiefonds PPM Oost uitgevoerd. Naast de € 130 mln bijdrage vanuit het Rijk dragen het EIF € 67,5 mln en de BOM € 5 mln bij, waarmee in totaal een investeringsfonds van € 202,5 mln actief is. Hiermee wordt geïnvesteerd in private investeringsfondsen die zich richten op innovatief en snel groeiend MKB. Private investeerders, als niet institutionele investeerders, spelen ook een belangrijke rol in de toegang van het MKB tot risicokapitaalfinanciering. Naast deze middelen is met het Aanvullend Actieplan MKB-financiering nog eens € 100 mln extra beschikbaar gesteld in 2014 voor het DVI-2 voor investeringen in participatiemaatschappijen en private investeerders. De inzet van het kabinet is geslaagd, om evenals bij de eerste investering in DVI, het Europees Investeringsfonds/EIF weer mee te laten investeren. De bijdrage vanuit het EIF zal nu € 100 mln zijn.
  • –  Naast het DVI worden de eventuele participaties in de ROM’s onder de revolverende investeringen verantwoord.

MKB-financiering: gedeeltelijk revolverend

  • –  Het Innovatiekrediet vergemakkelijkt de toegang tot vreemd vermogen voor het innovatieve MKB en het grootbedrijf. De verhoging van de Innovatiekredietbijdrage is eind 2014 permanent verhoogd van 35% naar maximaal 50% voor MKB-samenwerkingsprojecten en het maximum subsidiebedrag is verhoogd van € 5 mln naar € 10 mln om bedrijven ruimere mogelijkheden te bieden bij de financiering van innovatieprojecten.
  • –  De Seed capital-regeling (risico-kapitaal) ondersteunt starters in high tech en creatieve sectoren bij het verwerven van risico-kapitaal.
  • –  De nieuwe regeling Vroege Fase Financiering is onderdeel van het Innovatiefonds MKB+. Het biedt financiering -in de vorm van een geldlening- voor academische starters, voor innovatieve starters en kleine bedrijven in een vroege ontwikkelingsfase: van validatie en onderbouwing van een business case, van idee naar concept. Hierdoor wordt ook de toegang tot vervolgfinanciering gefaciliteerd. Dit initiatief wordt door RVO en de Stichting Technische Wetenschappen (STW) uitgevoerd.

Bovengenoemde instrumenten versterken en stimuleren private vermogensverschaffers om innovatieprojecten van bedrijven te financieren en voorzien in de behoefte van bedrijven voor een betere toegang tot risicokapitaal voor innovatie.

De instrumenten voor MKB-financiering hebben een revolverend karakter, waarbij naar verwachting gemiddeld 60–80% van de investeringen wordt terugbetaald. Opbrengsten van succesvolle innovaties vloeien zo terug in het Toekomstfonds, zodat ze weer opnieuw kunnen worden ingezet. Het fonds is daarmee additioneel aan de markt: de overheid neemt het grootste risico, waardoor private investeerders kunnen mee-investeren in innovatieve ondernemingen. De overheid deelt echter mee in de opbrengsten van geslaagde innovaties, waardoor deze middelen opnieuw kunnen worden ingezet voor het vergroten van het beschikbare risicokapitaal voor innovatieve bedrijven.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2016

Bron

Aantal bedrijven dat Innovatiekrediet gebruikt

42

2014

>30

RVO

Omvang private R&D-uitgaven ondersteund met een Innovatiekrediet (x € 1 mln)

123

2014

>120

RVO

Aantal participaties via SEED en Fund of Funds

32

2014

45

RVO/EIF

Omvang gestimuleerd risicokapitaal voor innovatieve bedrijven door SEED en Dutch Venture Initiative/Fund of Funds (x € 1 mln)

257

2014

390

RVO/EIF

Aantal ondernemers dat Vroege Fase Financiering gebruikt

>30

RVO/STW

Toelichting

EZ hanteert voor de innovatiekredieten een indicator die aangeeft hoeveel private R&D-uitgaven worden ondersteund met het innovatiekrediet. De streefwaarde voor 2016 (> € 120 mln) is vastgesteld op basis van het beschikbare verplichtingenbedrag voor innovatiekredieten in 2016 (€ 60 mln) en het feit dat EZ maximaal 50% van de subsidiabele innovatieprojectkosten financiert. De verwachting is dat hiermee in 2016 ongeveer 37 bedrijven kunnen starten met hun innovatieprojecten.

Voor het stimuleren van de risicokapitaalmarkt via de SEED-capitalregeling en het DVI is een relevante indicator hoeveel participaties de overheid genomen heeft via private risicokapitaalfondsen. Daarnaast wordt een indicator gehanteerd die aangeeft hoeveel risicokapitaal in totaal (private en overheidsbijdrage) beschikbaar komt voor innovatieve ondernemingen. De streefwaarde voor 2016 is minimaal € 390 mln.

De streefwaarde voor het aantal ondernemers dat Vroegefasefinanciering gebruikt, is gebaseerd op het beschikbaar budget en een maximale leningsomvang van de ondernemer. Naar verwachting kan aan circa 36 ondernemers Vroegefasefinanciering verstrekt worden.

Investeringen in fundamenteel en toegepast onderzoek (met vermogensbehoud)

Vanuit het onderzoeksdeel van het Toekomstfonds wordt geïnvesteerd in nieuwe onderzoeksfaciliteiten en upgrading van bestaande. De behoefte aan investeringen in hoogwaardige onderzoeksfaciliteiten in Nederland betreft vooral toegepaste onderzoeksinstellingen en HBO-instellingen. De onderzoeksfaciliteiten kunnen worden benut voor fundamenteel en toepassingsgericht (toegepast- en praktijkgericht) onderzoek.

Daarnaast wordt vanuit het onderzoeksdeel geïnvesteerd in specifieke thema’s.

De investeringen uit het toekomstfonds versterken het innovatievermogen van Nederland en bieden perspectief op nieuwe producten, diensten en maatschappelijke innovaties.

Van de € 100 mln startkapitaal wordt in 2015 € 80 miljoen in gelijke delen beschikbaar gesteld op onderzoeksfaciliteiten respectievelijk op de thema’s Smart Industry, Proof of Concept en Thematische Technology Transfer. De toedeling van de resterende € 20 mln vindt in een volgende tranche plaats, waarbij ook rekening gehouden kan worden met de ervaringen van het Toekomstfonds.

Indicator

Streefwaarde

Planning

Bron

Verstrekte leningen onderzoeksinfrastructuur

40 mln

2016

RVO

Uitgelokte investeringen in onderzoeksinfrastructuur

> 40 mln

2016

RVO

Toelichting

Vanuit het onderzoeksdeel van het Toekomstfonds wordt geïnvesteerd in onderzoeksinfrastructuur waarbij de mate waarin leningen passend binnen de criteria verstrekt kunnen worden een indicatie is van de bijdrage van de regeling aan het op peil houden van de publieke kennisinfrastructuur. Het streven is dat dit minimaal een gelijk volume aan uitgelokte investeringen met zich meebrengt.

Na verdere uitwerking van de andere onderdelen van het onderzoeksdeel Toekomstfonds worden hiervoor aanvullende indicatoren opgenomen.

Investeringen in fundamenteel en toegepast onderzoek (zonder vermogensbehoud)

De reële rendementen uit het Toekomstfonds worden ingezet voor fundamenteel en toegepast onderzoek (waaronder ook Europese co-financiering) zonder de voorwaarde van vermogensbehoud. Vooralsnog worden dergelijke rendementen niet geraamd, zodat er voor deze uitgavencategorie geen raming is opgenomen.

Procedure staatsobligaties

Het Toekomstfonds wordt gevoed met mogelijke meevallers in de gasbaten vanaf 2014. Er is sprake van meevallers wanneer de gerealiseerde gasbaten in een bepaald jaar hoger zijn dan de gasbaten zoals die geraamd zijn in de onderstaande tabel5. De motie Pechtold c.s. (Kamerstukken II, 2013/14, 27 406, nr. 210) vraagt om het inzetten van de gasbaten met vermogensbehoud. Daarom worden de meevallers in de gasbaten belegd in Nederlandse staatsobligaties. Voor een nadere beschrijving van de procedure voor het beleggen in staatsobligaties wordt verwezen naar de nota van wijziging op de ontwerpbegroting 2015 (TK, 34 000 – XIII, nr. 11).

Toelichting ijklijn gasbaten

Het Toekomstfonds wordt mede gevoed met eventuele meevallers uit de aardgasbaten. Er is sprake van meevallers wanneer de gerealiseerde aardgasbaten in een bepaald jaar hoger zijn dan de aardgasbaten zoals die voor dat betreffende jaar geraamd zijn in de Miljoenennota 2015. Deze raming wordt herijkt als er beleidsmatige aanpassingen van de gasproductie plaatsvinden (Kamerstukken II, 2014/15, 34 000 XIII, nr.5).

Bij Voorjaarsnota 2015 is de raming herijkt naar aanleiding van de naar beneden bijstellen van de gasproductie in Groningen (Kamerstukken II, 2014/15, 33 529 XIII, nr. 91).

Bedragen x € 1 mln
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Raming aardgasbaten Miljoenennota 2015

10.750

9.100

8.900

8.550

8.350

8.200

 

Bijstelling n.a.v. beleidsmatige aanpassingen (volume-effect) bij Voorjaarsnota 2015

–  450

–  350

–  100

–  150

–  150

 

Ijklijn aardgasbaten Voorjaarsnota 2015

10.750

8.650

8.550

8.450

8.200

8.050

6.800

Bijstelling n.a.v. beleidsmatige aanpassingen (volume-effect) bij Miljoenennota 2016

 

– 900

– 1.300

– 1.050

– 900

– 500

– 300

Nieuwe ijklijn aardgasbaten Miljoenennota 2016

 

7.750

7.250

7.400

7.300

7.550

6.500

Daarnaast heeft het kabinet eind juni 2015 besloten om de gaswinning uit het Groningenveld voor 2015 terug te brengen tot 30 miljard m3. In lijn met het besluit over 2015 is voor de berekening van de gasbaten voor de jaren 2016–2020 voor het Groningenveld voorlopig uitgegaan van het niveau dat noodzakelijk is voor de leveringszekerheid (33 mld m3) (Kamerstukken II, 2014/15, 33 529 XIII, nr. 174). Dit heeft gevolgen voor de ijklijn die van invloed is voor de bepaling van de voeding van het Toekomstfonds. Er is sprake van meevallers wanneer de gerealiseerde gasbaten in een bepaald jaar hoger zijn dan de gasbaten zoals in bovenstaande tabel is opgenomen (nieuwe ijklijn aardgasbaten Miljoenennota 2016).

Deze nieuwe ijklijn wijkt af van de raming van de aardgasbaten op beleidsartikel 14 omdat voor het Toekomstfonds alleen de beleidsmatige aanpassingen van de gasproductie van toepassing zijn. Bij het vaststellen van de gasbatenraming op beleidsartikel 14 spelen onder andere de euro/dollar koers en de olieprijs een rol. Deze blijven bij de berekening van de ijklijn voor het Toekomstfonds buiten beschouwing.

Noot 1: Nederland stijgt dit jaar van plaats 6 naar plaats 5 gemeten in innovatiekracht op de ranglijst van de Europese Commissie, de Innovation Union Scoreboard. En ook in het aantal aangevraagde octrooien staan we in de Europese top 3 met 8.100 patenten, hoger dan het Verenigd Koninkrijk en Zweden, achter Duitsland en Frankrijk.

Noot 2: TK, 33 930-XIII, nr. 19

Noot 3: Compensatie van ondernemers die in 2007 of 2008 hebben geïnvesteerd in een stal of een kas en voor die jaren niet in aanmerking kwamen voor de VAMIL-regeling.

Noot 4: TK, 34 000 XIII, nr.75

Noot 5: De raming wordt herijkt als er beleidsmatige aanpassingen van de gasproductie plaatsvinden, zoals recent het plafond op gaswinning uit het Groningerveld is aangepast.