Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

2.2 DE BELEIDSARTIKELEN

2.2.1. Beleidsartikel 1: Inzet

Algemene doelstelling

De krijgsmacht is er voor de verdediging en ter bescherming van (de belangen van) het Koninkrijk, alsmede voor de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde. De krijgsmacht ondersteunt civiele autoriteiten bij rechtshandhaving, rampenbestrijding en humanitaire hulp, zowel nationaal als internationaal. Om deze taken te kunnen uitvoeren stelt Defensie militaire eenheden gereed die daarvoor kunnen worden ingezet.

Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Minister is verantwoordelijk voor de beschikbaarstelling en inzet van eenheden om de veiligheid van het eigen en bondgenootschappelijk grondgebied te handhaven. Verder is de Minister in samenwerking met bondgenoten verantwoordelijk voor de uitvoering van bijdragen aan missies voor conflictpreventie, crisisbeheersing en vredesopbouw, zowel in Europa als daarbuiten. Het Koninkrijk der Nederlanden draagt daarmee bij aan de handhaving en bevordering van de internationale rechtsorde. De eenheden kunnen ook worden ingezet voor nationale taken en het verlenen van (internationale) noodhulp.

Beleidswijzigingen

Nederlandse bijdragen aan de volgende operaties/missies zijn aangevangen dan wel verlengd:

  • •  EUTM Somalië (European Union Training Mission, verlengd tot eind 2016);
  • •  UNMISS (United Nations Mission in the Republic of South Sudan, verlengd tot maart 2016);
  • •  MINUSMA (United Nations Multidimensional Integrated Stabilization Mission in Mali, verlengd tot eind 2016);
  • •  Strijd tegen ISIS in Irak (ATF-ME en CBMI, verlengd tot oktober 2016);
  • •  Resolute Support Mission (RSM, Fase 1 verlengd).

Verder is in 2015 het budget Financiering Nationale Inzet Krijgsmacht (FNIK) structureel verhoogd met € 0,7 miljoen om taken en middelen beter met elkaar in evenwicht te brengen.

Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Artikel 1 Inzet (Bedragen x € 1.000)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen

263.764

301.477

367.889

318.389

318.389

318.388

318.388

               

Uitgaven

252.576

301.477

367.889

318.389

318.389

318.388

318.388

waarvan juridisch verplicht

   

0%

       
               

Programma uitgaven

252.576

301.477

367.889

318.389

318.389

318.388

318.388

Opdracht Inzet

             

– Crisisbeheersingsoperaties / Verdeelartikel BIV (HGIS)

228.517

292.251

364.800

315.300

315.300

315.300

315.300

– Financiering Nationale Inzet Krijgsmacht

1.939

3.126

3.089

3.089

3.089

3.088

3.088

– Overige inzet

22.120

6.100

0

0

0

0

0

               

Ontvangsten

11.645

6.707

26.774

32.207

6.707

6.707

6.707

Programma ontvangsten

             

– Crisisbeheersingsoperaties (HGIS)

8.293

6.707

26.774

32.207

6.707

6.707

6.707

– Overige inzet

3.352

           

Toelichting op de instrumenten

Toelichting algemeen

In artikel 1 worden de defensie-uitgaven voor inzet voor internationale veiligheid verantwoord en de uitgaven voor nationale inzet begroot en verantwoord.

De inzet van Defensie voor internationale veiligheid wordt met ingang van 2014 gefinancierd vanuit het Budget Internationale Veiligheid. Uit dit budget kunnen zowel activiteiten in het kader van officiële ontwikkelingshulp (Official Development Assistance; ODA) als non-ODA activiteiten, militair of civiel, worden gefinancierd. Het BIV maakt deel uit van de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS).

Een gecoördineerde inzet van instrumenten voor diplomatieke, militaire en ontwikkelingssamenwerking is het uitgangspunt voor de handhaving en bevordering van de internationale rechtsorde. Om het geïntegreerde karakter te borgen wordt besluitvorming over het BIV interdepartementaal voorbereid en uitgevoerd. Middelen voor hervorming van de veiligheidssector, beveiliging van diplomaten en ambassades in gebieden waar dat noodzakelijk is, rechtstaatontwikkeling en capaciteitsopbouw worden jaarlijks bij de 1e suppletoire begroting overgeheveld naar de begrotingen van BH&OS en BZ.

Overzicht missies

Toelichting uitgaven per missie (crisisbeheersingsoperaties)
Overzicht Crisisbeheersingsoperaties

(Bedragen x € 1.000)

2016

2017

2018

2019

2020

United Nations Multidimensional Integrated Stabilization Mission in Mali (MINUSMA)

85.000

16.000

10.000

   

Strijd tegen ISIS (ATF-ME en CBMI)

66.000

23.000

     

Contributies

33.000

33.000

33.000

33.000

33.000

Resolute Support Mission (RSM)

15.000

7.369

     

Vessel Protection Detachments (VPD’s)

13.300

13.300

13.300

13.300

13.300

Missies Algemeen

5.500

5.500

5.500

5.500

5.500

Patriot-missie Turkije/Ballistic Missile Defence Taskforce (BMDTF)

5.000

       

Police Training Group Kunduz (PTG Kunduz)

5.000

       

Kleinschalige NL-bijdragen (< € 2,5 mln. per jaar)

3.222

850

850

850

850

EUNAVFOR Atalanta

500

       

Totaal

231.522

99.019

62.650

52.650

52.650

Toelichting per missie

United Nations Multidimensional Integrated Stabilization Mission in Mali (MINUSMA)

Met de VN-missie MINUSMA begeleidt de VN Mali naar een functionerende overheid die veiligheid en andere diensten aan de bevolking levert in het hele land. De Nederlandse bijdrage is gericht op een militaire niche-capaciteit, namelijk inlichtingen en verkenningen. Daarnaast draagt Nederland bij met drie Chinook helikopters voor transport en medische evacuatie. Hiermee voorziet Nederland de VN van belangrijke behoeftes in de missie. Het budget van € 85 miljoen is nodig voor de verlenging van de missie in 2016 (Kamerstuk 29 521, nr. 293, 19 juni 2015).

Strijd tegen ISIS in Irak (ATF-ME en CBMI)

Een internationale coalitie is in 2014, op verzoek van de Iraakse regering, gestart met het bijdragen in de strijd tegen ISIS. De Nederlandse bijdrage aan deze coalitie bestaat uit een Air Task Force Middle East (ATF-ME) van ongeveer 200 militairen en een trainingsteam Capacity Building Mission Iraq (CBMI) van ongeveer 130 militairen in Bagdad en Erbil. Het budget van € 66 miljoen is nodig voor de verlenging van de missie in 2016 (Kamerstuk 27 925, nr. 539, 19 juni 2015). De militaire campagne is ingebed in een strategie die ISIS langs verschillende sporen bestrijdt, waaronder de financiering van ISIS en de stroom van Foreign Terrorist Fighters naar Irak en Syrië.

Contributies

Nederland draagt met contributies bij aan de gemeenschappelijke uitgaven voor crisisbeheersingsoperaties van de Navo en de EU. Deze contributies staan los van een eventuele Nederlandse deelname aan een specifieke missie van de Navo of de EU. Onderdeel van de contributies is de jaarlijkse bijdrage aan de Strategic Airlift Capability (SAC) C-17, gehuisvest op Papa Air Base te Hongarije. Dit is een internationaal samenwerkingsverband van tien Navo-lidstaten.

Resolute Support Mission (RSM)

De Resolute Support Mission van de Navo richt zich op het trainen, adviseren en assisteren van de Afghan National Security Forces. De Nederlandse bijdrage aan RSM concentreert zich op de regio Noord en de Duitse samenwerking in Mazar-e-Sharif. Nederland neemt met ongeveer 100 militairen deel aan RSM. Het budget van € 15 miljoen in 2016 is nodig voor de voortzetting van de missie in 2016 (Kamerstuk 27 925, nr. 541, 19 juni 2015).

Vessel Protection Detachments (VPD’s)

In overleg met reders is de maximaal beschikbare VPD-capaciteit in 2012 uitgebreid tot 175 inzetten. De veiligheidssituatie in het operatiegebied waar de VPD’s worden ingezet bepaalt mede wat de definitieve vraag van de reders wordt. Op basis van de huidige veiligheidssituatie en de daaraan gekoppelde vraag wordt verwacht dat in 2016 tussen de 50 en 75 VPD’s worden ingezet. In de begroting is dekking zeker gesteld voor dit volume. De additionele uitgaven bestaan hoofdzakelijk uit toelagen, reis- en verblijfskosten en de kosten van de opslag van materieelpakketten in de regio. De bijdrage van de Nederlandse reders aan de additionele uitgaven voor de VPD’s is in de uitgavenraming verwerkt.

Patriots Turkije (BMDTF)

De inzet van de Patriotsystemen is begin 2015 beëindigd en alle systemen en het personeel zijn terug in Nederland. Het budget van € 5 miljoen is voor het weer inzetbaar maken van het materieel na terugkeer van de missie.

Police Training Group Kunduz (PTG Kunduz)

Op 1 juli 2013 is de Geïntegreerde Politietrainingsmissie (GPM) beëindigd en is aansluitend de redeployment van de Politie Trainingsgroep uitgevoerd. Een deel van de verplichtingen voor het wederom inzetbaar maken van het teruggekeerde materieel loopt door tot in 2016.

Kleinschalige NL-bijdragen

In onderstaand overzicht staan de kleinschalige Nederlandse bijdragen met een financiële omvang van minder dan € 2,5 miljoen per jaar.

Missie

Maximale

Nederlandse bijdrage

Netherlands Liaison Team CENTCOM (NLTC)

4

Combined Maritime Forces (CMF)

3

European Union Rule of Law Mission in Kosovo (EULEX Kosovo)

15

United Nations Disengagement Observer Force (UNDOF)

2

United Nations Truce Supervision Organisation (UNTSO)

12

United Nations Mission in the Republic of South Sudan (UNMISS)

31

United Nations Assistance Mission in Afghanistan (UNAMA)

2

European Union Border assistance Mission at Rafah (EUBAM RAFAH)

3

European Union Training Mission Mali (EUTM Mali)

1

European Union Military Assistance Mission (EUMAM Central African Republic)

2

European Union Training Mission Somalië (EUTM Somalië)

15

Operational Headquarters Operation ATALANTA (OHQ OP ATALANTA UK)

7

Opbouw regionale vredeshandhavingscapaciteit

Onderstaande programma’s worden door derden (met name door het Ministerie van Buitenlandse Zaken) gefinancierd en mede door Defensie uitgevoerd en daarom hieronder toegelicht.

Security Sector Development (SSD) Burundi

Nederland heeft de afgelopen jaren via het SSD-programma bijgedragen aan de ontwikkeling van de Burundese veiligheidssector. Gezien de politieke ontwikkelingen in 2015 is besloten het programma met de Burundese overheid gedeeltelijk op te schorten. Het is vooralsnog niet bekend of dit deel van het programma, en daarmee ook de bijdrage van Defensie, in 2016 zal worden hervat.

Africa Contingency Operations Training and Assistance (ACOTA)

Het ACOTA-samenwerkingsprogramma draagt bij aan de versterking van de capaciteit van Afrikaanse partnerlanden zodat zij kunnen deelnemen aan multinationale operaties onder leiding van de VN of Afrikaanse Unie (AU). Nederland zet enkele tientallen militairen in voor verschillende trainingen.

Toelichting op nationale inzet

De Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Veiligheid en Justitie en Defensie hebben afspraken gemaakt over de gegarandeerde beschikbaarheid van militaire (specialistische) capaciteiten voor nationale veiligheid, crisisbeheersing en de operationele aansturing daarvan onder civiel gezag (Bestuursafspraken over intensivering civiel-militaire samenwerking).

Defensie levert de volgende vormen van ondersteuning aan de civiele autoriteiten, zowel in Nederland als in het Caribisch deel van het Koninkrijk:

  • –  Structurele nationale taken:
    • •  Inzet van de Koninklijke Marechaussee voor politietaken zoals beschreven in artikel 4 van de Politiewet 2012:
      • ○  Beveiliging Koninklijk Huis;
      • ○  Politietaak voor Defensie;
      • ○  Politietaak op Schiphol en andere aangewezen luchthavens;
      • ○  Beveiliging burgerluchtvaart;
      • ○  Verlening van bijstand aan en samenwerking met de politie alsmede assistentieverlening bij grensoverschrijdende criminaliteit;
      • ○  Politietaak op plaatsen onder beheer van de Minister van Defensie, op aangewezen verboden plaatsen en de ambtswoning van de Minister-President;
      • ○  Uitvoering van vreemdelingentaken op basis van de Vreemdelingenwet 2000;
      • ○  Bestrijding van mensensmokkel en van fraude met reis- en identiteitsdocumenten;
      • ○  Beveiligingswerkzaamheden voor De Nederlandsche Bank N.V.
    • •  Materieel, personeel en coördinatie voor Kustwacht Nederland;
    • •  Beheer en inzet defensiemiddelen voor Kustwacht Caribisch gebied;
    • •  Explosievenopruiming;
    • •  Luchtruimbewaking/bestrijding van terroristische aanvallen tegen de (burger)luchtvaart, waaronder de Quick Reaction Alert (QRA) van twee bewapende F-16’s;
      • ○  Bijzondere bijstandseenheden, waaronder de Unit Interventie Mariniers (UIM), een Aanhoudings- en Ondersteuningseenheid van de Koninklijke Marechaussee en een personele bijdrage aan de Dienst Speciale Interventies (DSI) van de Landelijke Eenheid van de Nationale Politie;
    • ○  Calamiteitenhospitaal in het Centraal Militair Hospitaal;
    • ○  Hydrografische opneming van de zeebodem en de verwerking daarvan tot zeekaarten.
  • •  Militaire bijstand op grond van de Politiewet 2012:
    • ○  Ondersteuning van de handhaving van de openbare orde;
    • ○  Ondersteuning van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde.
  • •  Militaire bijstand op grond van de Wet Veiligheidsregio’s;
  • •  Militaire steunverlening in het openbaar belang.

Naast de gegarandeerde militaire capaciteiten worden verscheidene incidentele inzetten verwacht die niet vallen onder structurele en reguliere militaire bijstand of militaire steunverlening.

De tabel indicatieve inzet voor 2016 geeft de geprognosticeerde nationale inzet weer.

Indicatieve inzet in 2016

Betreft

Aantal

Artikel

Explosieven opruiming

Aantal ruimingen

1.900

CLAS/FNIK

Explosieven opruiming Noordzee

Aantal ruimingen

40

CZSK

Duikassistentie

Aantal aanvragen

10

CZSK/FNIK

Strafrechtelijke handhaving rechtsorde

Aantal aanvragen

30

CZSK/FNIK

Patiëntenvervoer

Aantal uitgevoerde transporten

100

CLSK

Onderscheppingen luchtruim

Aantal onderscheppingen

5

CLSK

Strafrechtelijke handhaving rechtsorde

Aantal aanvragen

100

KMar/CLAS/FNIK

Handhaving openbare orde en veiligheid

Aantal aanvragen

30

KMar/FNIK

Wet veiligheidsregio

Aantal aanvragen

10

KMar/CLAS/FNIK

Militaire steunverlening in het openbaar belang

Aantal aanvragen

40

Alle krijgsmachtdelen/FNIK

Bijstand Caribisch gebied

Aantal aanvragen

10

CZSK/FNIK

Toelichting: In de rechter kolom staat het artikel dat de uitgaven draagt die worden gemaakt om de taken te kunnen uitvoeren. Indien de inzet voldoet aan de criteria, worden de additionele uitgaven met FNIK verrekend. Soms zijn er meer krijgsmachtdelen die de taken kunnen uitvoeren.

Additionele uitgaven voor de uitvoering van militaire bijstand en militaire steunverlening worden gefinancierd uit het budget Financiering Nationale Inzet Krijgsmacht (FNIK). In 2014 is een interdepartementale evaluatie over het convenant FNIK voltooid en in 2015 is het FNIK-budget opnieuw vastgesteld. De structurele bijdragen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, het Ministerie van Veiligheid en Justitie en het Gemeentefonds zijn vanaf 2015 verhoogd naar circa € 3,1 miljoen. Dit budget is bedoeld voor routinematige incidentele inzetten. Indien er sprake is van uitzonderlijke inzet die niet binnen de voorziening kan worden opgevangen, worden met de betrokken partijen afzonderlijke afspraken gemaakt over de verrekening.

Toelichting op overige inzet

Op dit moment is er voor 2016 nog geen overige inzet gepland.

Toelichting op ontvangsten

Crisisbeheersingsoperaties

De ontvangsten hebben voornamelijk betrekking op de vergoedingen van de EU, de Navo en VN-partners voor de door Nederland in het verleden geleverde diensten of ingezette personele en materiële middelen. Daarnaast ontvangt Nederland een tegemoetkoming van de VN voor deelname aan MINUSMA. Ook wordt de bijdrage van de reders voor de inzet van VPD's hier geraamd.

2.2.2. Beleidsartikel 2: Taakuitvoering zeestrijdkrachten

Algemene doelstelling

De zeestrijdkrachten leveren operationeel gerede maritieme capaciteit, zowel vloot als mariniers, voor nationale en internationale operaties.

Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Minister is verantwoordelijk voor de vaststelling van de omvang en samenstelling van de zeestrijdkrachten alsmede de mate van gereedheid van maritieme eenheden. Het Commando Zeestrijdkrachten (CZSK) is verantwoordelijk voor het operationeel gereedstellen en in stand houden van deze eenheden. De zeestrijdkrachten zijn inzetbaar voor zowel internationaleals voor nationale taken.

Indicatoren algemene doelstelling

In de onderstaande tabel staan de operationele eenheden van het CZSK voor de periode 2016 tot en met 2020. De tabel bevat het aantal eenheden en de operationele gereedheid ervan. Vanwege de cycli voor onderhoud, opwerken, operationele gereedheid en recuperatie hebben planmatig niet alle eenheden de status «operationeel gereed». In de kolom «Norm OG» staat het aantal eenheden dat nodig is om te voldoen aan de inzetbaarheidsdoelstellingen. De kolom «OG 2016» bevat de actuele verwachting voor 2016. Planmatig kunnen er tijdelijk afwijkingen zijn van de norm, maar ook knelpunten in de bedrijfsvoering zorgen voor afwijkingen. De afwijkingen worden kort toegelicht in de voetnoten. Een verdere toelichting wordt naar aanleiding van de motie-Eijsink/Teeven (Kamerstuk 34 200-X, nr. 12) gegeven in een afzonderlijke brief die bij de begroting wordt verstuurd.

Doelstellingenmatrix CZSK 2016–2020

Groep

Organieke component

Totaal aantal

Norm OG

OG 2016

Staf

NLMARFOR

1

1

1

Vlooteenheden

Fregatten

LC-fregat

4

2

2

M-fregat

2

1

1

Patrouilleschepen1

4

2

1

Bevoorradingsschip

1

0,52

0,5

Landing Platform Docks

2

1

1

Onderzeeboten

4

2

13
Ondersteuningsvaartuig OZD4

1

0,2

0,2

Mijnenbestrijdingsvaartuigen

6

35

3

Hydrografische opnemingsvaartuigen

2

1

1

Marinierseenheden

Marines Combat Group

2

1

1

Surface Assault & Training Group6

1

0,5

0,5

Sea-based Support Group

1

1

1

Squadron NLMARSOF

2

1,5

1,5

Commandant der Zeemacht in het Caribisch gebied (CZMCARIB)

Infanteriecompagnie Curaçao

1

1

1

Marinierscompagnie Caribisch gebied

1

1

1

Infanteriepeloton Sint Maarten

1

1

1

Boattroop Caribisch gebied

1

1

1

Ondersteuningsvaartuig Caribisch gebied

1

0,7

0,7

Overige eenheden

Defensie Duikgroep

1

1

1

Noot 1: De patrouilleschepen ondergaan vanaf 2015 hun eerste onderhoud. Dit is gekoppeld aan de datum van de indienststelling. Daardoor zijn in 2016 twee schepen vrijwel gelijktijdig in onderhoud. Eén schip is operationeel gereed, het laatste schip werkt op en wordt gedurende het jaar operationeel gereed.

Noot 2: Er is maar één schip van deze klasse. Het schip is vanwege onderhoud en opwerken gemiddeld niet het hele jaar operationeel gereed.

Noot 3: Het instandhoudingsprogramma heeft een langere doorlooptijd dan het reguliere onderhoud, waardoor meer boten gelijktijdig in onderhoud zijn. Tot 2021 is één onderzeeboot operationeel gereed. Een tweede onderzeeboot werkt op.

Noot 4: Het ondersteuningsvaartuig Zr. Ms. Mercuur is de eerste helft van 2016 niet inzetbaar in verband met onderhoud.

Noot 5: Twee van de opgegeven mijnenbestrijdingsvaartuigen hebben het missieprofiel «NRF» (gereed voor gehele organieke taak) en één mijnenbestrijdingsvaartuig als Ready Duty Ship met een beperkte taakstelling voor het opsporen en vernietigen van explosieven op het continentaal plat.

Noot 6: De component Surface Assault & Training Group (SATG) bestaat uit twee Landing Craft & Control Teams. Hiervan is één team Operationeel Gereed (0,5) en het andere team behoort tot het voortzettingsvermogen (0,5).

Beleidswijzigingen

Joint Support Ship (JSS)

Het logistiek ondersteunings- en bevoorradingsschip Zr. Ms. Karel Doorman is in april 2015 in dienst gesteld. Hiervoor heeft het schip van november 2014 tot januari 2015 de door ebola getroffen landen Liberia, Sierra Leone en Guinea voorzien van hulpgoederen die door de EU-lidstaten, NGO’s en hulporganisaties ter beschikking waren gesteld. Medio 2016 moet Zr. Ms. Karel Doorman volledig inzetbaar zijn en kan het schip worden ingezet voor de maritieme bevoorradingsfunctie. Dit is één van de drie taken die het JSS kan uitvoeren. De overige twee taken (strategisch transport en seabasing) voert CZSK niet uit (Kamerstuk 33 763, nr. 17). Momenteel onderzoekt CZSK hoe, door samenwerking met internationale partners, in de toekomst invulling gegeven kan worden aan deze twee taken. Eind 2015 wordt de Tweede Kamer hierover geïnformeerd.

Contraterrorisme Interventiecapaciteit

Naar aanleiding van het verwachte langdurige karakter van het huidige dreigingsbeeld is vaker snel beschikbare interventiecapaciteit noodzakelijk. Hiertoe heeft het kabinet besloten om de veiligheidsketen in Nederland te versterken door onder meer de Dienst Speciale Interventies (DSI) uit te breiden. De DSI bestaat uit personeel van Defensie en Politie. Het Defensiepersoneel (de Unit Interventie Mariniers: UIM) behorende bij de DSI is beheersmatig ondergebracht bij CZSK. Voor de uitbreiding is € 5,6 miljoen beschikbaar, hiervan is € 2,9 miljoen toegevoegd aan de begroting van CZSK. Het overige budget is onder andere toegevoegd aan bedrijfsvoeringsgerelateerde budgetten (€ 1,0 miljoen) en aan artikel 6 (Investeringen) voor investeringen voor deze extra capaciteit (€ 1,6 miljoen).

De Groene Draeck

De Groene Draeck is een Lemsteraak die in 1957 door de Nederlandse bevolking aan toenmalig kroonprinses Beatrix is geschonken. De Staat gaf daarbij mede het onderhoud aan de Groene Draeck als geschenk. Het Ministerie van Defensie is verantwoordelijk voor de uitvoering van het onderhoud aan en de exploitatie van de Groene Draeck. De uitgaven voor het reguliere onderhoud ad € 51.000 stonden op begroting I De Koning. Het kabinet heeft, naar aanleiding van de evaluatie van de begroting van de Koning, besloten deze uitgaven weer onder te brengen op de begroting van Defensie.

Budgettaire gevolgen van het beleid en budgetflexibiliteit

Artikel 2 Taakuitvoering Zeestrijdkrachten (bedragen x € 1.000)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen

750.869

714.995

689.550

684.177

674.286

674.158

676.368

Uitgaven

736.193

714.995

689.550

684.177

674.286

674.158

676.368

Waarvan juridisch verplicht

   

75%

       

Programma uitgaven

133.877

133.015

125.054

120.173

116.360

116.275

117.339

Opdracht Gereedstelling en instandhouding Commando ZSK

133.877

133.015

125.054

120.173

116.360

116.275

117.339

Gereedstelling

20.576

21.498

15.957

15.951

11.307

11.296

11.291

– waarvan bijdrage aan SSO Paresto

   

4.684

4.498

4.498

4.498

4.498

Bijdrage aan agentschap

16.204

16.798

12.981

12.981

12.981

12.981

12.981

– RWS

16.204

16.798

12.981

12.981

12.981

12.981

12.981

Instandhouding

97.097

94.719

96.116

91.241

92.072

91.998

93.067

               

Apparaatsuitgaven

602.316

581.980

564.496

564.004

557.926

557.883

559.029

Personele uitgaven

534.497

521.519

502.604

503.275

497.602

498.089

498.690

– waarvan eigen personeel

531.846

515.619

502.604

503.275

497.602

498.089

498.690

– waarvan externe inhuur

2.651

5.900

         

Materiële uitgaven

67.819

60.461

61.892

60.729

60.324

59.794

60.339

– waarvan ICT

3.308

3.165

2.657

2.656

2.656

2.656

2.655

– waarvan overige exploitatie

57.594

53.968

59.235

58.073

57.668

57.138

57.684

– waarvan bijdrage aan SSO Paresto

6.917

3.328

         
               

Apparaatsontvangsten

19.714

19.951

19.951

19.951

19.951

19.951

19.951

Het aandeel «juridisch verplicht» heeft betrekking op programma-uitgaven voor levering van goederen en/of diensten waarvoor Defensie een overeenkomst is aangegaan en op de apparaatsuitgaven die voor het merendeel uit personele uitgaven bestaan. Voor 2016 gaat het om 75 procent. Het betreft verplichtingen die zijn aangegaan voor de apparaatsuitgaven, de instandhouding van de zeewapensystemen, inzet en de verplichtingen voor het oefenprogramma.

Toelichting op de instrumenten

Programma-uitgaven

Gereedstelling

De geraamde uitgaven voor gereedstelling zijn gerelateerd aan de uitgaven voor de kustwacht in Nederland en het Caribisch gebied. Daarnaast betreft het de geraamde uitgaven voor opwerk- en oefenactiviteiten.

Instandhouding

De geraamde uitgaven voor de instandhouding van materieel betreffen het onderhoud van wapensystemen (wapensysteemlogistiek), walinstellingen en procesgebonden installaties en de herbevoorrading van operationele en ondersteunende eenheden (ketenlogistiek).

Waarvan bijdragen aan SSO’s

Om de apparaatsuitgaven binnen de baten-lastenagentschappen beter te laten aansluiten bij de uitgavenbegroting, worden Rijksbreed de betalingen aan de baten-lastenagentschappen zichtbaar gemaakt in de uitgavenbegroting onder de noemer «waarvan bijdragen aan SSO’s» (shared service organisation). Het betreft hier de uitgaven aan Paresto.

Waarvan bijdragen aan agentschap

Het betreft hier voor 2016 de uitgaven aan Rijkswaterstaat (RWS), voor de Rijksbrede Civiele Rederij (RCR). Dit is een baten-lastenagentschap van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. De activiteiten die zij verrichten voor het CZSK hebben betrekking op gereedstelling.

Toelichting op de apparaatsuitgaven

De apparaatsuitgaven bevatten vooral personele uitgaven. Deze uitgaven bestaan hoofdzakelijk uit salarissen, sociale lasten en uitgaven voor toelagen en reiskosten woon-werkverkeer. De personele uitgaven worden besteed aan de volgende aantallen personeel (gemiddelde jaarsterktes):

2015

2016

2017

2018

2019

2020

9.930

9.750

9.748

9.735

9.736

9.738

Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de personeelsrapportage die periodiek aan de Tweede Kamer wordt aangeboden en het niet-beleidsartikel 10 (Centraal apparaat).

Groene Draeck

De uitgaven voor onderhoud aan en exploitatie van de Groene Draeck betreffen met name personele uitgaven en worden daarom onder dit instrument begroot. Defensie heeft in samenwerking met een externe expert geconstateerd dat het reguliere onderhoudsbudget van € 51.000, dat voorheen op de begroting van de Koning stond, ontoereikend is voor het totale uit te voeren onderhoud tegen actuele tarieven. Meerjarig wordt daarom een totaalbedrag van € 95.000 geraamd voor het onderhoud aan en de exploitatie van de Groene Draeck. Dit betreft het hieronder gepresenteerde begrote budget. Dekking hiervoor wordt gevonden binnen dit artikel.

Artikel 2 Taakuitvoering Zeestrijdkrachten (bedragen x € 1.000)
 

2016

2017

2018

2019

2020

Onderhoud en exploitatie Groene Draeck

95

95

95

95

95

2.2.3. Beleidsartikel 3: Taakuitvoering landstrijdkrachten

Algemene doelstelling

De landstrijdkrachten leveren operationeel gerede grondgebonden capaciteit voor nationale en internationale operaties.

Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Minister is verantwoordelijk voor de vaststelling van de omvang en samenstelling van de landstrijdkrachten alsmede de mate van gereedheid van de grondgebonden eenheden. Het Commando Landstrijdkrachten (CLAS) is verantwoordelijk voor het operationeel gereedstellen en in stand houden van de eenheden. De landstrijdkrachten zijn inzetbaar voor zowel internationale als voor nationale taken.

Indicatoren algemene doelstelling

In de onderstaande tabel staan de operationele eenheden van het CLAS voor de periode 2016 tot en met 2020. De tabel bevat het aantal eenheden en de operationele gereedheid ervan. Vanwege de cycli voor onderhoud, opwerken, operationele gereedheid en recuperatie hebben planmatig niet alle eenheden de status «operationeel gereed». In de kolom «Norm OG» staat het aantal eenheden dat nodig is om te voldoen aan de inzetbaarheidsdoelstellingen. De kolom «OG 2016» bevat de actuele verwachting voor 2016. Planmatig kunnen er tijdelijk afwijkingen zijn van de norm, maar ook knelpunten in de bedrijfsvoering zorgen voor afwijkingen. De afwijkingen worden kort toegelicht in de voetnoten. Een verdere toelichting wordt n.a.v. de motie-Eijsink/Teeven (Kamerstuk 34 200-X, nr. 12) gegeven in een afzonderlijke brief die bij de begroting wordt verstuurd.

Doelstellingenmatrix CLAS 2016 – 2020

Groep

Organiek Component

Totaal aantal

Norm OG

OG 2016

High Readiness Forces (Land) Headquarters

NLD deel staf HRF HQ

1

1

1

NLD deel CIS Battalion

1

1

1

NLD deel Staff Support Battalion

1

1

1

Brigade Hoofdkwartier

Staf

3

1

1

Verkenningseskadron

3

1

1

ISTAR Module

5

2

11

CIMIC Support Element

4

2

2

Psyops Support Element

4

2

1

((Re)Deployment Taskforce HQ

Hoofdkwartier OOCL

1

1

02

Defensie Grondgebonden LuchtverdedigingsCommando

C2 Patriot/AGBADS

1

1

03

Patriot Fire Unit

3

3

0

AMRAAM-Peloton

2

2

04

STINGER-Peloton

3

3

15

Korps Commandotroepen

Commandotroepencompagnie

4

2

2

Bataljonstaakgroep

Manoeuvre bataljon6

7

2

1

Pantserhouwitser /Mortier batterij

3

2

2

Pantsergeniecompagnie

4

1

1

Luchtmobiel Geniepeloton

3

1

07

CIS-Compagnie

3

1

08

Geneeskundig peloton

7

3

3

Cybercommando

Cyber entiteit

3

1

1

Combat Support Elements

Staf Vuursteuncommando

1

1

1

Staf Geniebataljon

3

1

1

Constructiecompagnie

2

1

1

Brugmodule

2

1

1

CBRN-Compagnie

2

1

09

EODD Ploeg

48

20

20

Combat Service Support Elements

Bataljonsstaf National Support Element

1

1

1

Bataljonsstaf Geneeskundig bataljon

1

1/3

1/3

B&T module

7

2

2

Bevoorradingspeloton

3

1

1

Herstelpeloton

11

4

4

ROLE 2 Medical Treatment Facility

4

2

 
CBRN A&A team11

9

1

1

 

CBRN DIM team

8

1

1

Nationale Reserve

BATALJON

3

3

3

Noot 1: De lage materiële gereedheid van specifiek materieel, vooral EOV en UAV, heeft negatieve invloed op de operationele gereedheid.

Noot 2: De geoefendheid is te laag, vooral door de inzet van het personeel in kleine kaderzware missies.

Noot 3: Door eerdere missie in Turkije is de eenheid maar beperkt geoefend. Gedurende 2016 zal de situatie verbeteren. In verband met groot onderhoud en modificaties zijn de systemen gedurende 2016 maar beperkt beschikbaar.

Noot 4: De verwerving van de benodigde beveiligde radioverbindingen wordt pas in de loop van 2016 voltooid. De opleidingen met deze radioverbindingen kunnen pas starten zodra deze in 2016 beschikbaar komen. Hierdoor kunnen de systemen niet binnen een netwerk worden ingezet.

Noot 5: Door de beperkte materiële gereedheid van de Fennek en het nog ontbreken van de beveiligde radioverbindingen kan slechts één peloton Stinger worden gereedgesteld.

Noot 6: Dit is een andere weergave dan voorheen. De manoeuvre bataljons bestaan uit de gemechaniseerde, gemotoriseerde en luchtmobiele bataljons. Het CLAS heeft de mogelijkheid om uit deze bataljons een op maat gemaakte bataljonstaakgroep samen te stellen. Deze wijze van indelen sluit beter aan bij de praktijk van het samenstellen van een taakgroep.

Noot 7: Door de inzet van materieel en de lage materiële gereedheid door gebrek aan reservedelen zijn de eenheden niet operationeel gereed.

Noot 8: Door de geplande vernieuwing van het operationele netwerk TITAAN bereikt de CIS compagnie gedurende 2016 niet de status «operationeel gereed».

Noot 9: De materiële gereedheid is te laag, onder meer vanwege een vertraagde levering van monsternameapparatuur. Hierdoor is er ook een opleidingsachterstand.

Noot 10: Het Mobiel Geneeskundig Operatiekamer Systeem (MOGOS) is buiten gebruik gesteld omdat deze niet voldoet aan de civiele normen. De verwerving voor de vervanging is gestart en loopt door tot in 2016.

Noot 11: De CBRN teams A&A (Advies & Assistentie) en DIM (Detectie, Identificatie en Monitoring) maken deel uit van de CBRN-response eenheid die in het kader van VCMS is opgericht. Om deze capaciteiten zichtbaar te maken zijn ze vanaf de begroting 2016 opgenomen in de doelstellingenmatrix van het CLAS. De tabel laat zien dat er voldoende teams beschikbaar zijn om de korte reactietijd van 2,5 uur te waarborgen.

Beleidswijzigingen

In 2015 is het Defensie Cyber Commando (DCC) opgericht. Het DCC bestaat uit een technische en een operationele entiteit en het Defensie Cyber Expertise Centrum (DCEC). In 2016 zal alleen het DCEC volledig operationeel gereed zijn.

Budgettaire gevolgen van het beleid en budgetflexibiliteit

Artikel 3 Taakuitvoering Landstrijdkrachten (bedragen x € 1.000)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen

1.290.862

1.162.607

1.137.980

1.125.045

1.117.259

1.116.346

1.111.648

Uitgaven

1.203.245

1.162.607

1.137.980

1.125.045

1.117.259

1.116.346

1.111.648

Waarvan juridisch verplicht

   

80%

       

Programma uitgaven

139.710

155.505

161.402

151.366

151.046

148.228

148.078

Opdracht Gereedstelling en instandhouding Commando LAS

139.710

155.505

161.402

151.366

151.046

148.228

148.078

– Gereedstelling

49.031

54.730

47.613

47.607

47.606

47.606

47.606

– waarvan bijdrage aan SSO Paresto

   

11.251

10.806

10.806

10.806

10.806

– instandhouding

90.679

100.775

113.789

103.759

103.440

100.622

100.472

               

Apparaatsuitgaven

1.063.535

1.007.102

976.578

973.679

966.213

968.118

963.570

Personele uitgaven

986.631

931.031

896.581

894.089

884.810

885.576

886.477

– waarvan eigen personeel

982.136

922.946

896.581

894.089

884.810

885.576

886.477

– waarvan externe inhuur

4.495

8.085

Materiële uitgaven

76.904

76.071

79.997

79.590

81.403

82.542

77.093

– waarvan overige exploitatie

67.753

66.215

79.997

79.590

81.403

82.542

77.093

– waarvan bijdrage aan SSO Paresto

9.151

9.856

               

Apparaatsontvangsten

21.691

20.523

20.523

20.523

20.523

20.523

20.523

Het aandeel «juridisch verplicht» heeft betrekking op programma-uitgaven voor levering van goederen en/of diensten waarvoor Defensie een overeenkomst is aangegaan en op de apparaatsuitgaven die voor het merendeel uit personele uitgaven bestaan. Voor 2016 gaat het om 80 procent. Het betreft verplichtingen die zijn aangegaan voor de apparaatsuitgaven, de instandhouding van de landwapensystemen en voor het oefenprogramma.

Toelichting op de instrumenten

Programma-uitgaven

Gereedstelling

De geraamde uitgaven voor gereedstelling zijn voor oefenactiviteiten.

Instandhouding

De geraamde uitgaven voor de instandhouding van materieel betreffen het onderhoud van wapensystemen (wapensysteemlogistiek) en de bevoorrading van operationele en ondersteunende eenheden door het Materieellogistiek Commando (matlogco).

Waarvan bijdragen aan SSO’s

Om de apparaatsuitgaven binnen de baten-lastenagentschappen beter te laten aansluiten bij de uitgavenbegroting, worden Rijksbreed de betalingen aan de baten-lastenagentschappen zichtbaar gemaakt in de uitgavenbegroting onder de noemer «waarvan bijdragen aan SSO’s» (shared service organisation). Het betreft hier de uitgaven aan Paresto.

Toelichting op de apparaatsuitgaven

De apparaatsuitgaven bevatten vooral personele uitgaven. Deze uitgaven bestaan hoofdzakelijk uit salarissen, sociale lasten en uitgaven voor toelagen en reiskosten woon-werkverkeer. De personele uitgaven worden besteed aan de volgende aantallen personeel (gemiddelde jaarsterktes):

2015

2016

2017

2018

2019

2020

19.414

19.190

19.146

19.106

19.106

19.107

De overige exploitatie is voor het grootste deel personeelsgebonden. Deze uitgaven bestaan voornamelijk uit opleidingen, werving, dienstreizen en overige materiële uitgaven.

Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de personeelsrapportage die periodiek aan de Tweede Kamer wordt aangeboden en het niet-beleidsartikel 10 (Centraal apparaat).

2.2.4. Beleidsartikel 4: Taakuitvoering luchtstrijdkrachten

Algemene doelstelling

De luchtstrijdkrachten leveren lucht- en grondgebonden capaciteit voor nationale en internationale operaties.

Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Minister is verantwoordelijk voor de vaststelling van de omvang en de samenstelling van de luchtstrijdkrachten alsmede de mate van gereedheid van de luchtstrijdkrachten.

Het Commando Luchtstrijdkrachten (CLSK) is verantwoordelijk voor het operationeel gereedstellen en in stand houden van de eenheden. De luchtstrijdkrachten zijn inzetbaar voor zowel internationale taken als voor nationale taken.

Indicatoren algemene doelstelling

In de onderstaande tabel staan de operationele eenheden van het CLSK voor de periode 2016 tot en met 2020. De tabel bevat het aantal eenheden en de operationele gereedheid ervan. Vanwege de cycli voor onderhoud, opwerken, operationele gereedheid en recuperatie hebben planmatig niet alle eenheden de status «operationeel gereed». In de kolom «Norm OG» staat het aantal eenheden dat nodig is om te voldoen aan de inzetbaarheidsdoelstellingen. De kolom «OG 2016» bevat de actuele verwachting voor 2016. Planmatig kunnen er tijdelijk afwijkingen zijn van de norm, maar ook knelpunten in de bedrijfsvoering zorgen voor afwijkingen. De afwijkingen worden kort toegelicht in de voetnoten. Een verdere toelichting wordt n.a.v. de motie-Eijsink/Teeven (Kamerstuk 34 200-X, nr. 12) gegeven in een afzonderlijke brief die bij de begroting wordt verstuurd.

Doelstellingenmatrix CLSK 2016–2020

Groep

Organieke component

Totaal aantal

Norm OG

OG 2016

Jachtvliegtuigen

F-161

61

11

62

Helikopters

AH-64D Apache3

28

10

44

CH-47 Chinook

17

6

3

AS-532 Cougar

12

5

5

NH-905

18→20

2→5

16

Transport-

vliegtuigen

KDC-10

2

1

1

C-130H Hercules

4

2

2

Kustwacht

Nederland

Dornier DO-2287

2

1

1

Force Protection

OGRV eenheden

4

2

2

Air C4ISR

AOCS – Luchtverkeersleiding8

1

1

19

AOCS – Luchtgevechtsleiding

1

1

1

NDMC

1

1

1

Noot 1: Gedurende de looptijd van de Nederlandse bijdrage aan de Strijd tegen ISIS, worden geen F-16’s aangeboden voor de Nato Response Force (NRF). Vanaf 2019 stroomt de F-35 in. In latere begrotingen zal dit worden verwerkt in de doelstellingenmatrix.

Noot 2: Er zijn slechts voldoende vlieguren beschikbaar om crews getraind te houden voor de QRA en ATFME. Op zijn vroegst voldoet de operationele gereedheid van de F-16 in de tweede helft van 2017 weer aan de norm OG.

Noot 3: Voor Apache en Chinook worden bemanningen opgeleid tot Limited Combat Ready. Dit betekent dat voor missies in de hoogste geweldscenario’s, waarbij de tegenstander nog over een werkend luchtverdedigingssysteem beschikt, additionele training benodigd is.

Noot 4: Er zijn slechts voldoende vlieguren beschikbaar om crews geoefend te houden voor inzet in MINUSMA. Vanwege de beperkte beschikbaarheid en getraindheid van het personeel zijn slechts 3 Chinooks/4 Apache’s beschikbaar voor langdurige inzet.

Noot 5: Eind 2014 is de afname bij de leverancier van de NH-90 hervat en loopt het aantal NH-90’s op. Echter door de vertraagde invoer van de NH-90 alsmede de reservedelenproblematiek van de NH-90 vloot is de opbouw van zowel het aantal operationele crews als het aantal operationele NH-90’s niet evenredig aan de instroom van het aantal NH-90’s. Hierdoor blijft het aantal operationeel gerede NH-90’s op één staan in 2016. Gedurende de begrotingsperiode loopt dit aantal naar verwachting op naar vijf in 2020. Vanaf 2023 wordt het gewenste aantal van zeven operationele gerede toestellen bereikt.

Noot 6: De crews zijn «limited combat ready» opgeleid. Het retrofit programma van de helikopters en het toevoegen van missiepakketten duurt minimaal tot eind 2017. Er zijn in 2016 dan ook geen «combat ready»-crews en -toestellen beschikbaar. Gedurende 2016 zal gemiddeld 1 helikopter worden ingezet aan boord van schepen.

Noot 7: Defensie treedt tot november 2017 op als eigenaar en operator van de Dornier. De weergegeven doelstelling geldt tot november 2017. Daarna is de doelstelling afhankelijk van de implementatie van de budgettaire afspraken (uit rapport Verdere modernisering van de Nederlandse Kustwacht 2015 – 2025) tussen de verantwoordelijke departementen die voor dekking van de benodigde investerings- en exploitatie-uitgaven zorgen.

Noot 8: Om de verschillende taken van het Air Operations Control Station (AOCS) beter zichtbaar te maken is vanaf dit jaar onderscheid gemaakt in luchtverkeersleiding en luchtgevechtsleiding.

Noot 9: Door beperkte personele capaciteit ontstaan situaties waarbij moet worden geprioriteerd bij de inzet van personeel.

De permanent in de Verenigde Staten gestationeerde toestellen zijn opgenomen in de totalen. Het betreft tien F-16’s, acht Apaches en vier Chinooks. Deze hebben een operationele configuratie, maar zijn permanent in gebruik voor opleidingen en training. Deze toestellen maken daarom geen deel uit van de norm voor de operationele gereedheid, maar worden samen met het (niet-operationele) F-16 testtoestel toegerekend aan het voortzettingsvermogen.

Beleidswijzigingen

Operationele beperkingen (capability gap) Helikopters

Om de toegenomen capability gap op te vangen, die is ontstaan door de vertraagde invoering van de NH-90, is besloten om de huidige Cougarvloot uit te breiden en langer aan te houden. De uitbreiding vindt plaats door de verkoop van de Cougars te staken en de operationele vloot te vergroten van acht naar twaalf Cougar helikopters. Vooralsnog wordt voorzien om tot 2023 met de Cougar door te vliegen (Kamerstuk 25 928, nr. 68). De totale kosten voor de extra Cougarinzet, inclusief gederfde opbrengsten, in de periode 2015 tot 2023 zijn geraamd op € 130 miljoen.

Budgettaire gevolgen van het beleid en budgetflexibiliteit

Artikel 4 Taakuitvoering Luchtstrijdkrachten (bedragen x € 1.000)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen

704.621

689.574

633.799

633.609

631.473

623.416

621.628

Uitgaven

653.271

689.574

633.799

633.609

631.473

623.416

621.628

Waarvan juridisch verplicht

   

78%

       

Programma uitgaven

147.339

174.013

153.559

155.368

158.568

149.879

151.804

Opdracht Gereedstelling en instandhouding Commando LSK

147.339

174.013

153.559

155.368

158.568

149.879

151.804

– Gereedstelling

9.562

13.570

13.244

13.239

13.229

13.272

13.272

– waarvan bijdrage aan SSO Paresto

   

2.265

2.175

2.175

2.175

2.175

– Instandhouding

137.777

160.443

140.315

142.129

145.339

136.607

138.532

               

Apparaatsuitgaven

505.932

515.561

480.240

478.241

472.905

473.537

469.824

Personele uitgaven

413.109

393.827

378.538

377.339

377.438

376.457

374.349

– waarvan eigen personeel

409.385

386.327

377.538

376.339

377.438

376.457

374.349

– waarvan externe inhuur

3.724

7.500

1.000

1.000

     

Materiële uitgaven

92.823

121.734

101.702

100.902

95.467

97.080

95.475

– waarvan overige exploitatie

88.967

120.710

101.702

100.902

95.467

97.080

95.475

– waarvan bijdrage aan SSO Paresto

3.856

1.024

               

Apparaatsontvangsten

13.052

15.759

15.759

15.759

15.759

15.759

15.759

Het aandeel «juridisch verplicht» heeft betrekking op programma-uitgaven voor levering van goederen en/of diensten waarvoor Defensie een overeenkomst is aangegaan en op de apparaatsuitgaven die voor het merendeel uit personele uitgaven bestaan. Voor 2016 gaat het om 78 procent. Het betreft verplichtingen die zijn aangegaan voor de apparaatsuitgaven, de instandhouding van de luchtwapensystemen en voor het oefenprogramma.

Toelichting op de instrumenten

Programma-uitgaven

Gereedstelling

De geraamde uitgaven voor gereedstelling zijn voor oefenactiviteiten.

Instandhouding

De geraamde uitgaven voor de instandhouding van materieel betreffen het onderhoud van de wapensystemen. De instandhoudingsuitgaven van het Logistiek Centrum Woensdrecht zijn hierin opgenomen. Naast uitgaven voor de diverse ondersteunende installaties gaat het om uitgaven voor de instandhouding van de wapensystemen die in de doelstellingenmatrix zijn genoemd.

Waarvan bijdragen aan SSO’s

Om de apparaatsuitgaven binnen de baten-lastenagentschappen beter te laten aansluiten bij de uitgavenbegroting, worden Rijksbreed de betalingen aan de baten-lastenagentschappen zichtbaar gemaakt in de uitgavenbegroting onder de noemer «waarvan bijdragen aan SSO’s» (shared service organisation). Het betreft hier de uitgaven aan Paresto.

Toelichting op de apparaatsuitgaven

De apparaatsuitgaven bevatten vooral personele uitgaven. Deze uitgaven bestaan hoofdzakelijk uit salarissen, sociale lasten en uitgaven voor toelagen en reiskosten woon-werkverkeer. De personele uitgaven worden besteed aan de volgende aantallen personeel (gemiddelde jaarsterktes):

2015

2016

2017

2018

2019

2020

7.408

7.374

7.381

7.331

7.311

7.251

De overige exploitatie is voor het grootste deel personeelsgebonden. Deze uitgaven bestaan voornamelijk uit (vlieger)opleidingen, werving, dienstreizen en overige materiële uitgaven.

Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de personeelsrapportage die periodiek aan de Tweede Kamer wordt aangeboden en het niet-beleidsartikel 10 (Centraal apparaat).

2.2.5. Beleidsartikel 5: Taakuitvoering Marechaussee

Algemene doelstelling

De Koninklijke Marechaussee (KMar) voert politietaken uit op grond van de Politiewet 2012 (PW). Deze taak wordt zowel nationaal als internationaal en tijdens missies uitgevoerd. Daarnaast levert de KMar capaciteit aan de CDS voor deelname aan (militaire) missies waarbij de KMar andere taken uitvoert dan die in de Politiewet (PW) zijn opgedragen.

Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Minister van Defensie is beheersverantwoordelijk en verantwoordelijk voor de vaststelling van de omvang, samenstelling en de vereiste mate van gereedheid van de KMar. De uitvoering is opgedragen aan de Koninklijke Marechaussee (KMar). Het gezag over de KMar berust bij meerdere ministeries. Afhankelijk van de betreffende taak zijn dat de Ministeries van Veiligheid en Justitie, Buitenlandse Zaken, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, en Defensie.

In artikel 4 van de Politiewet (2012) wordt de KMar de onderstaande taken opgedragen;

  • –  Bewaken en beveiligen van koninklijke paleizen, ambassades in risicogebieden4, de Nederlandsche Bank en militaire objecten en personen. De KMar kan ook worden ingezet voor de bewaking en beveiliging van hoog risico objecten;
  • –  Handhaving van de Vreemdelingenwetgeving waaronder bestrijding van identiteit- en documentfraude, mensensmokkel en grenstoezicht, bijvoorbeeld in Frontex-verband de ondersteuning van de grensbewaking van EU-lidstaten;
  • –  Politietaken ten behoeve van Defensie;
  • –  Bijdrage aan de opbouw van veiligheidssector in missiegebieden;
  • –  Politietaken op en beveiliging van burgerluchtvaartterreinen;
  • –  Samenwerking met en bijstand aan de nationale politie.

Naast het reguliere takenpakket fungeert de KMar ook als strategische reserve voor de nationale politie. Hiermee levert de KMar continue een bijdrage aan de veiligheid van de Staat door optreden in binnen- en buitenland.

Indicatoren algemene doelstelling

In onderstaande tabel staan de operationeel gerede eenheden en het voortzettingsvermogen van de KMar voor 2016 tot en met 2020. De gereedstelling voor onderstaande taken wordt onder beheersverantwoordelijkheid van de Minister van Defensie uitgevoerd.

Doelstellingenmatrix KMar 2016–2020

Groep

Organieke component

Totaal aantal

Norm OG

OG 2016

District Landelijke en Buitenlandse Eenheden/ Brigade Buitenland Missies en districten

Vte'n voor expeditionaire inzet

306

153

153

Landelijke bijstandsorganisatie KMar

Peloton voor Crowd Riot Control (CRC)

1

1

0,51

District Landelijke en Buitenlandse Eenheden/ Brigade Speciale Beveiligingsopdrachten

Vte’n voor Close Protection Team (CPT) ter begeleiding van VIP’s in buitenland.

26

13

13

Noot 1: Door inzet van de gehele landelijke bijstandorganisatie voor Hoog Risico Beveiligingstaken tot aan medio 2016 als de extra HRB-pelotons zijn gevuld, is in 2016 slechts 50% van de CRC capaciteit beschikbaar.

Geplande inzet

Het takenpakket van de KMar is gericht op de veiligheid van de Staat en kent op hoofdlijnen drie operationele speerpunten: bewaken en beveiligen, de grenspolitietaak en internationale en militaire politietaken.

Bewaken en Beveiligen

Vanuit dit speerpunt draagt de KMar zorg voor de bewaking en beveiliging van bepaalde vitale objecten en personen. De KMar doet dit in samenwerking met (keten-)partners op nationaal, internationaal, publiek en privaat vlak.

Kengetallen

Prognose 2016

Het percentage uitvoering Toezichtprogramma Beveiliging burgerluchtvaart

100%

Het aantal permanent te bewaken objecten

7

Het aantal inzetbare Hoog Risico Beveiligingspelotons voor non-permanente bewaking van te bewaken objecten

6

Het servicepercentage beveiligde waardetransporten voor De Nederlandsche Bank

100%

Beschikbare operationele KMar-eenheden voor expeditionaire beveiligingsopdrachten

(zie indicatoren algemene doelstelling)

Grenspolitietaak

Vanuit dit speerpunt richt de KMar zich op de bestrijding van illegale migratie, grensoverschrijdende criminaliteit en terrorisme. Deze taak wordt doelmatig en flexibel, en zo mogelijk informatie- en risicogestuurd uitgevoerd.

Kengetallen

Prognose 2016

Aantal luchthavens waar grensbewaking wordt uitgevoerd

8

waarvan permanent

6

Aantal prioriteitsmeldingen (op luchthavens waar politietaken worden uitgevoerd)

24.000

Aantal verwijderingen (directe verwijderingen zonder tussenkomst Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) en verwijderingen na aanlevering van DT&V)

3.500

waarvan begeleid

500

Internationale en militaire politietaken

Vanuit dit speerpunt is de KMar als één van de vier operationele commando’s van Defensie medeverantwoordelijk voor de uitvoering van het buitenland- en veiligheidsbeleid van Nederland. De KMar voert op grond van de PW politietaken uit in Nederland (inclusief Caribisch Nederland op grond van de Rijkswet Politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, St. Eustatius en Saba). Bij inzet van Nederlandse militairen in het binnen- en buitenland wordt aan hen politiezorg verleend door de KMar, onder meer door strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. Daarnaast zorgt de KMar voor de bewaking van de integriteit van de krijgsmacht. Vanwege de specifieke organisatiekenmerken en expertise kan de KMar zowel met de andere krijgsmachtsonderdelen als zelfstandige (politie)organisatie in binnen- en buitenland optreden. Daarbij kan capaciteit ook worden ingezet in instabiele landen, bijvoorbeeld door deelname aan opbouwoperaties.

Kengetallen

Prognose 2016

Aantal misdrijfdossiers (aangeleverd aan OM Arnhem)

725

Beschikbare operationele KMar-eenheden voor internationale crisis- en humanitaire operaties

(zie indicatoren algemene doelstelling)

Beleidswijzigingen

Contraterrorisme interventiecapaciteit

Naar aanleiding van het verwachte langdurige karakter van het huidige dreigingsbeeld is vaker snel beschikbare interventiecapaciteit noodzakelijk en is de verwachting dat het langdurig bewaken en beveiligen van objecten en personen toeneemt.

Het kabinet heeft besloten om de veiligheidsketen in Nederland te versterken en de capaciteit van de KMar uit te breiden (Kamerstuk 29 754, nr. 302). Voor de KMar betekent dit een versterking van de inlichtingenpositie en een uitbreiding van de taken op het gebied van bewaken en beveiliging van objecten met een hoog risicoprofiel. Eind 2016 zal de KMar zijn uitgebreid met zes Hoog Risico Beveiliging (HRB)-pelotons. Tevens zal er een uitbreiding van de Brigade Speciale Beveiligingsopdrachten (BSB) plaatsvinden vanwege de intensivering in het stelsel van speciale interventies.

Hiervoor zijn de apparaatsuitgaven van de KMar vanaf 2016 verhoogd met € 23,6 miljoen. De budgettaire consequenties voor 2015 zullen worden verwerkt met de tweede suppletoire begroting van 2015.

Budgettaire gevolgen van het beleid en budgetflexibiliteit

Artikel 5 Taakuitvoering Koninklijke Marechaussee (bedragen x € 1.000)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen

337.665

322.233

319.517

323.890

319.724

320.102

320.097

Uitgaven

333.990

322.233

319.517

323.890

319.724

320.102

320.097

Waarvan juridisch verplicht

   

91%

       

Programma uitgaven

1.617

1.671

2.014

2.364

2.364

2.364

2.364

Opdracht Inzet KMAR

1.617

1.671

2.014

2.364

2.364

2.364

2.364

– Gereedstelling

1.617

1.671

2.014

2.364

2.364

2.364

2.364

               

Apparaatsuitgaven

332.373

320.562

317.503

321.526

317.360

317.738

317.733

Personele uitgaven

297.663

285.172

287.371

292.126

288.160

288.531

288.531

– waarvan eigen personeel

297.383

283.912

272.851

272.606

268.640

269.011

269.011

– waarvan externe inhuur

280

1.260

         

Materiële uitgaven

34.710

35.390

30.132

29.400

29.200

29.207

29.202

– waarvan overige exploitatie

33.957

35.001

29.026

28.338

28.138

28.145

28.140

– waarvan bijdrage aan SSO Paresto

753

389

1.106

1.062

1.062

1.062

1.062

               

Apparaatsontvangsten

6.529

4.590

4.590

4.590

4.590

4.590

4.590

Het aandeel «juridisch verplicht» heeft betrekking op apparaatsuitgaven voor levering van goederen en/of diensten waarvoor Defensie een overeenkomst is aangegaan en op de apparaatsuitgaven die voor het merendeel uit personele uitgaven bestaan. Voor 2016 gaat het om 91 procent. Deze verplichtingen hebben volledig betrekking op de personele uitgaven.

Toelichting op de instrumenten

Programma uitgaven

Gereedstelling

De uitgaven voor gereedstelling betreffen vooral de uitgaven voor meerdaagse (oefen) activiteiten.

Toelichting op de apparaatsuitgaven

De apparaatsuitgaven bevatten vooral personele uitgaven. Deze uitgaven bestaan hoofdzakelijk uit salarissen, sociale lasten en uitgaven voor toelagen en reiskosten woon-werkverkeer. De personele uitgaven worden besteed aan de volgende aantallen personeel (gemiddelde jaarsterktes):

2015

2016

2017

2018

2019

2020

6.001

5.938

5.920

5.896

5.896

5.896

De overige exploitatie is voor het grootste deel personeelsgebonden. Deze uitgaven bestaan voornamelijk uit opleidingen, werving, dienstreizen en overige materiële uitgaven.

Waarvan bijdragen aan SSO’s

Om de apparaatsuitgaven binnen de baten-lastenagentschappen beter te laten aansluiten bij de uitgavenbegroting, worden Rijksbreed de betalingen aan de baten-lastenagentschappen zichtbaar gemaakt in de uitgavenbegroting onder de noemer «waarvan bijdragen aan SSO’s» (shared service organisation). Het betreft hier de uitgaven aan Paresto.

Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de personeelsrapportage die periodiek aan de Tweede Kamer wordt aangeboden en het niet-beleidsartikel 10 (Centraal apparaat).

2.2.6 Beleidsartikel 6: Investeringen krijgsmacht

Algemene doelstelling

Defensie voorziet in nieuw materieel, infrastructuur en IT-middelen en zij verkoopt, indien aan de orde, groot materieel en infrastructuur.

Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Minister van Defensie is verantwoordelijk voor het tijdig voorzien in nieuw materieel, infrastructuur en IT-middelen alsmede de afstoting van overtollig groot materieel en infrastructuur. Tot de investeringen worden gerekend alle planbehoeften met een meerjarig karakter. Dit omvat ook de bijdragen aan de Navo voor het doen van investeringen en wetenschappelijk onderzoek. Tot de investeringen worden ook bijdragen gerekend aan de materiële exploitatie, die direct samenhangen met de betreffende investering.

Beleidswijziging

Ten opzichte van de defensiebegroting 2015 is het investeringsbudget meerjarig verhoogd en zijn diverse projecten herschikt in het investeringsplan. De verhoging van het investeringsbudget is met name toegewezen aan de komende begrotingsjaren. Hierdoor sluiten de omvangrijke projecten vervanging en modernisering Chinook, Verbeterd Operationeel Soldaat Systeem (VOSS) en Defensiebrede Vervanging Operationele Wielervoertuigen (DVOW) beter aan op de verwachte of gewenste realisatie, en kunnen deze eerder dan voorzien worden uitgevoerd. De verhoging van het investeringsbudget, met het zwaartepunt op investeringen in de komende jaren, wordt zo goed en volledig mogelijk gepland, maar in de praktijk kunnen verschuivingen nodig zijn.

Investeringsquote

Defensie streeft ernaar om op termijn meerjarig gemiddeld ten minste 20 procent van haar uitgavenbudget te besteden aan investeringen. Dit streven komt voort uit het besef dat een moderne krijgsmacht voldoende investeringsruimte moet hebben om haar hoofdwapensystemen te vervangen of te moderniseren. Het kengetal dat hiervoor wordt gebruikt is de investeringsquote. De Navo hanteert dit percentage als richtlijn5, het is geen absoluut gegeven.

Het is daarbij van belang dat niet eenzijdig gefocust wordt op de investeringsquote, maar dat er meerjarig een balans bestaat tussen investeringen en exploitatie. In het kader van financiële duurzaamheid zal Defensie de komende jaren meer op basis van de Life Cycle Costing gaan werken. Deze benadering helpt Defensie om investeringen en exploitatie beter in samenhang te kunnen beoordelen en dus ook om keuzes te maken. Het investeringspercentage kan, door veranderende verwervingsstrategieën, onderhoudsprincipes of internationale samenwerking, in de toekomst anders uitkomen. Uiteindelijk gaat het om de meest effectieve en efficiënte wijze van samenstellen en verkrijgen van de benodigde capaciteiten.

Er zijn diverse factoren van invloed op het realiseren van de investeringsquote. Zoals gesteld, wordt er gestreefd naar een investeringsbudget van 20 procent. De realisatie daarvan is, zeker bij de grote projecten, afhankelijk van een groot aantal factoren zoals de mate waarin projecten concreet beschreven kunnen worden, de beoordeling en weging van keuzes op basis van business-cases, het onderzoek naar mogelijke (internationale) samenwerking, het al dan niet betrekken van de industrie en het uiteindelijke besluitvormingsproces (DMP). Dit wordt zo goed en volledig mogelijk gepland, maar in de praktijk blijkt echter dat verschuivingen in de tijd niet altijd te vermijden zijn. Ook externe factoren zijn relevant, zoals tijdige en kwalitatief juiste levering door leveranciers, de voortgang bij eventuele partnerlanden in het geval van internationale samenwerking, een ongestoord verloop van het verwervingsproces en de ontwikkeling van prijzen en valutakoersen.

Met de uitwerking van het groeitraject Financiële Duurzaamheid wordt ruim aandacht besteed aan versterking van het aan de begroting ten grondslag liggende ramingsproces, inclusief de samenhang tussen investeringen en exploitatie en een verbeterd risicomanagement.

Een tijdelijk lagere investeringsquote leidt niet onmiddellijk tot beperkingen voor gereedstelling en inzet, omdat deze uitgaven in de regel worden gefinancierd uit het exploitatiebudget. Op langere termijn kan dit wel negatieve gevolgen hebben. Veroudering hangt immers potentieel samen met een grotere kans op storingen, een lagere beschikbaarheid, verminderde inzetbaarheid of operationele relevantie. Dit verschilt per (wapen)systeem en is afhankelijk van de mate van dreiging, de snelheid en frequentie waarmee deze (wapen)systemen moeten worden ingezet.

In overeenstemming met de Motie Hachchi c.s. (Kamerstuk 34 200-X, nr. 11) wordt in het vervolg van dit beleidsartikel inzichtelijk gemaakt op welke manier de investeringsquote is opgebouwd. Ook wordt toegelicht welke projecten en plannen met bijbehorende omvang ten grondslag liggen aan de investeringsverplichtingen en -uitgaven. Dit is concreet gemaakt door ten eerste de berekening van de gerealiseerde investeringsquote 2010–2014 en de geraamde investeringsquote 2010–2020 weer te geven. Ten tweede zijn de in het begrotingsjaar 2016 grote aan te gane verplichtingen vermeld. Ten derde wordt uitgelegd welke projecten meetellen in de begrote investeringsquote voor 2016. Ten vierde is, waar mogelijk, aangegeven welke risico’s worden verwacht voor de realisatie van deze investeringen.

Voortaan zal Defensie voor de investeringsquote uitgaan van een vijfjarig voortschrijdend gemiddelde. Dit is overeenkomstig de aanbeveling uit het IBO Wapensystemen om een gemiddelde investeringsquote als richtsnoer te gebruiken. Dit laat overigens onverlet dat de investeringsquote onder invloed van uiteenlopende factoren altijd fluctuaties zal vertonen. Defensie zal de komende jaren de waarde van de investeringsquote dan ook onderzoeken.

Op grond van het beschikbare budget bedraagt de geraamde investeringsquote voor 2016 18 procent. Zoals bekend, kampt Defensie al jaren met onderrealisatie. Opeenvolgende reorganisaties hebben het investeringstempo vertraagd, waardoor projecten zijn uitgesteld of geschrapt. Er zijn inmiddels maatregelen getroffen om de verwervingsketen (van behoeftestelling tot realisatie) te versterken, maar de effecten daarvan moeten de komende jaren nog zichtbaar worden. Ook voor 2016 is daarom een onderrealisatie van enkele procentpunten mogelijk. Het investeringsbudget zelf blijft ongewijzigd en kan via de ongelimiteerde eindejaarsmarge doorschuiven naar volgende jaren. Dit is dringend nodig, aangezien de investeringsbehoefte voor alle benodigde vernieuwingen en vervangingen de komende vijftien jaar groter is dan het beschikbare budget. In verband hiermee was het noodzakelijk om geplande projecten uit te stellen of aan te passen, zoals de vervanging van het licht indirect vurend wapensysteem (LIVS), de beschermingspakketten van het infanterie gevechtsvoertuig, de Capability Upgrade Elektronische Oorlogsvoering (CUP EOV) en de MALE UAV. Ook voor het investeringsbudget geldt dat ambities moeten aansluiten bij de beschikbare middelen. Dit leidt tot keuzes.

Gedurende de begrotingsperiode hoeven geen werkzaamheden voor projecten in realisatie te worden gestaakt of onderbroken. Voor deze projecten is budget voorzien in de plannen. Dit bevordert de rust in het planproces en de realisatie daarvan. Voorts is het investeringsplan realistischer gemaakt door alle projecten te indexeren en door de fasering van projecten beter af te stemmen op de verwachte realisatiemomenten. De invoering van de levensduurbenadering zal het realiteitsgehalte van de investeringsplannen van Defensie verder doen toenemen en daarmee de begroting duurzamer maken. Die benadering behelst onder meer het verwerken van de gevolgen van investeringsprojecten voor de exploitatie en het vroegtijdig plannen van vervangingsinvesteringen. Een duurzamere begroting vergt ook aandacht voor de ontwikkeling van materieel- en munitieprijzen en de aanzienlijke gevolgen van valutawisselingen.

Berekening gerealiseerde investeringsquote 2010/2014 en geraamde investeringsquote 2015/2020

De geraamde investeringsquote wordt uitgedrukt als percentage van het investeringsbudget (beleidsartikel 6 Investeringen) ten opzichte van de defensiebegroting, gecorrigeerd voor het BIV (beleidsartikel 1 Inzet) en attachés (beleidsartikel 6 Ondersteuning Commando DienstenCentra). De gerealiseerde investeringsquote wordt op dezelfde wijze berekend als de begroting, maar dan op basis van de daadwerkelijk gerealiseerde uitgaven. Door te corrigeren voor het BIV en attachés is de berekende investeringsquote gebaseerd op alle elementen uit de begroting die ten dienste staan aan de normale bedrijfsvoering en het gereedstellingsproces.

Een aanbeveling uit het IBO is om de gemiddelde investeringsquote als richtsnoer te gebruiken. De berekening van de gerealiseerde investeringsquote over de afgelopen vijf jaren is in onderstaande tabel weergegeven. Het gemiddelde over deze periode bedraagt 15,3 procent. De verwachting is dat dit gemiddelde de komende jaren zal stijgen.

Begrotingsjaar

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Teller (totaal Investeringen)

1.413.383

1.285.886

1.193.516

1.019.656

1.073.768

1.217.256

1.446.203

1.737.320

1.774.760

1.866.337

1.732.509

                       

Noemer (totaal defensiebudget minus HGIS en attachés)

8.131.390

7.949.870

7.861.154

7.511.951

7.531.416

7.657.360

7.852.409

8.084.553

8.102.150

8.117.872

8.063.461

Gerealiseerde investeringsquote per jaar (zie Jaarverslag 2014)

17%

16%

15%

14%

14%

           

Geraamde investeringsquote per jaar

21%

19%

15%

16%

16%

16%

18%

21%

22%

23%

21%

Gerealiseerde en voortschrijdend gemiddelde investeringsquote 2010/2020

       

15%

15%

15%

17%

18%

20%

21%

De tabel maakt onderscheid in de realisatie van 2010 tot en met 2014 en de begrote investeringsquote vanaf 2015. Het grafisch verloop van raming en realisatie over de jaren 2010 tot en met 2014 is in onderstaande grafiek weergegeven.

Grafiek 6.1 realisatie investeringsquote 2010 / 2014, raming investeringsquote 2015 / 2020 en het voortschrijdend gemiddelde investeringsquote 2010/2020.

Defensie is, zoals bekend, bezig met een meerjarig groeitraject dat is ingezet met de nota «In het belang van Nederland». Financiële en operationele duurzaamheid is het doel. Veranderingen in bedrijfsvoering en ondersteunende systemen moeten daartoe in samenhang worden gerealiseerd. Ook herstel van de investeringsquote en de realisatie daarvan, is het streven.

Budgettaire gevolgen van het beleid en budgetflexibiliteit

Artikel 6 Investeringen Krijgsmacht (bedragen x € 1.000)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen

996.956

1.290.659

1.479.879

1.739.620

1.777.060

1.871.537

1.752.571

Opdracht Voorzien in nieuw materieel

531.601

873.128

1.092.306

1.260.426

1.412.145

1.599.687

1.479.587

Opdracht Voorzien in infrastructuur

316.794

206.095

145.000

208.878

149.487

105.829

129.507

Opdracht Voorzien in IT

55.017

109.876

157.105

185.069

130.177

80.770

58.226

Bekostiging Wetenschappelijk onderzoek

55.229

60.005

57.175

56.954

56.957

56.957

56.957

Bijdrage aan de NAVO

38.315

41.555

28.293

28.293

28.294

28.294

28.294

               

Uitgaven

1.065.480

1.217.256

1.446.203

1.737.320

1.774.760

1.866.337

1.732.509

Waarvan juridisch verplicht

   

74%

       

Programma uitgaven

1.065.480

1.217.256

1.446.203

1.737.320

1.774.760

1.866.337

1.732.509

Opdracht Voorzien in nieuw materieel

604.014

764.815

916.210

1.258.126

1.409.845

1.594.487

1.460.588

Opdracht Voorzien in infrastructuur

309.820

203.384

253.820

208.878

149.487

105.829

129.005

waarvan agentschap RVB

27.353

177.200

169.800

149.487

105.829

129.005

Opdracht Voorzien in IT

64.938

147.497

190.705

185.069

130.177

80.770

57.665

waarvan SSO DMO/OPS

68.113

52.462

58.721

65.638

57.308

51.573

51.573

Bekostiging Wetenschappelijk onderzoek

59.403

60.005

57.175

56.954

56.957

56.957

56.957

Bijdrage aan de NAVO

27.305

41.555

28.293

28.293

28.294

28.294

28.294

               

Programma ontvangsten

119.620

190.995

77.636

121.736

175.056

103.756

174.028

– Verkoopopbrengsten groot materieel

92.946

153.586

58.586

104.286

151.086

95.086

156.358

– Verkoopopbrengsten infrastructuur

20.417

22.100

17.180

15.580

22.100

6.800

15.800

– Overige ontvangsten

6.257

15.309

1.870

1.870

1.870

1.870

1.870

Het aandeel «juridisch verplicht» heeft betrekking op programma-uitgaven voor levering van goederen of diensten waarvoor Defensie een overeenkomst is aangegaan. Voor 2016 betreft het 74 procent. Om de budgetten en de investeringsplannen beter op elkaar aan te laten sluiten is een deel van het investeringsbudget uit 2016 (€ 200 miljoen) verschoven naar de jaren 2018 (€ 75 miljoen) en 2019 (€ 125 miljoen).

Bijdragen aan SSO’s

Om de apparaatsuitgaven binnen de baten-lastenagentschappen beter te laten aansluiten bij de uitgavenbegroting, worden Rijksbreed de betalingen aan de baten-lastenagentschappen zichtbaar gemaakt in de uitgavenbegroting, onder de noemer «waarvan bijdragen aan SSO’s» (Shared Service Organisations). Het betreft hier de uitgaven voor het RVB (€ 177,2 miljoen voor 2016) en DTO (€ 58,7 miljoen voor 2016).

Toelichting op de instrumenten

In dit beleidsartikel wordt inzicht gegeven in de uitgaven en verplichtingen die in het begrotingsjaar zijn geraamd en die ten grondslag liggen aan de investeringsquote. Tevens wordt aangegeven wat de verwachte risico’s zijn voor de realisatie van de uitgaven, overeenkomstig de motie Hachchi c.s. (Kamerstuk 34 200 X, nr. 11).

Ten grondslag aan de berekening van de investeringsquote voor 2016 van 18 procent liggen de volgende bedragen:

Opbouw Investeringsquote
   

Raming uitgaven 2016

Totaal Voorzien in nieuw materieel:

 
     
 

Zee (zie tabel Projecten Zeestrijdkrachten)

 
     
 

Land (zie tabel Projecten Landstrijdkrachten)

 
   

916.210

 

Lucht (zie tabel Luchtstrijdkrachten)

 
     
 

Projecten Defensiebreed (zie tabel Projecten Defensiebreed)

 
     
 

Projecten < € 25 miljoen

 

Voorzien in infrastructuur

253.820

Voorzien in IT

190.705

Bekostiging wetenschappelijk onderzoek

57.175

Bijdrage aan de Navo

28.293

Totaal investeringen

1.446.203

Totaal Defensie

7.852.409

De investeringsquote: 1.446.203 : 7.852.409 = 18 procent

In de tabellen van Voorzien in nieuw materiaal, Voorzien in infrastructuur, Voorzien in IT en Bekostiging Wetenschappelijk Onderzoek zijn alle projecten met een financiële omvang van meer dan € 25 miljoen opgenomen.

De projecten in realisatie waarvan de financiële omvang van meer dan € 10 miljoen is gewijzigd, alsmede de projecten waarvan de planning met meer dan een jaar is gewijzigd, worden onderaan de tabellen nader toegelicht. Tevens worden de projecten in planning opgesomd waarvan wordt verwacht dat deze in 2016 tot uitgaven leiden. Wezenlijke veranderingen ten opzichte van de begroting 2015 worden hierbij toegelicht.

Voorzien in nieuw materieel

In het Materieelprojectenoverzicht (MPO) worden alle strategische materieelprojecten met een financiële omvang van meer dan € 25 miljoen uitgebreid toegelicht. Voor de projecten in planning wordt bovendien de verwachte fasering in het Defensie Materieel Proces (DMP) vermeld.

Risico’s bij Voorzien in nieuw materieel

Aan de uitvoering van projecten zijn diverse risico’s verbonden waardoor de realisatie kan afwijken van de initiële planning. Diverse risico’s bij het realiseren van projecten zijn:

Internationale samenwerking/co-financiering

Dit geldt vooral bij projecten die in samenwerking met verschillende andere landen worden gepland en uitgevoerd. Het NH-90 project met een verwachte realisatie van € 55,3 miljoen is hier een goed voorbeeld van. De doorlooptijd van de (inter)nationale besluitvorming kan langer zijn dan gepland, waardoor de behoeften van de deelnemende landen later onder contract kunnen worden gebracht en derhalve later worden gerealiseerd. Bij projecten met co-financiering vormt de mate waarin de partners hun financiering rond krijgen een risico voor de uitvoering van projecten.

Onvoldoende budget/herijking

In het geval dat sprake is van een tekort aan investeringsbudget, door bijvoorbeeld het duurder uitvallen van een aanbesteding, bijstellingen in de behoefte, zal een project herijkt moeten worden.

Vertraging in levering

Het risico bestaat dat zich vertragingen voordoen t.o.v. het beoogde of overeengekomen leverschema, waardoor budget moet worden doorgeschoven.

Juridische procedures

In een verwervingstraject is het nooit geheel uitgesloten dat (afgewezen) leveranciers juridische stappen ondernemen om alsnog te kunnen leveren. Dergelijke procedures kunnen leiden tot vertragingen in het proces, waardoor geplande verplichtingen- en kasramingen niet worden gerealiseerd.

Capaciteit

Door het ontbreken van relevante capaciteit en kennis op enig moment kunnen zich vertragingen voordoen.

Kwaliteit

Als bij een levering blijkt dat niet is voldaan aan de kwaliteitseisen zullen betalingen worden opgeschort. In dit geval zullen geplande budgetten pas tot betaling komen nadat aan de kwaliteitseisen is voldaan.

Prestatieverklaring en Facturatie

Indien een lange periode bestaat tussen het leveren van de prestatie en de ontvangst van de factuur zal het lastig zijn om een prestatieverklaring te krijgen en daarbij tot betaling over te gaan. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn: F-16 zelfbescherming Aircraft Survivability Equipment (ASE) € 43,4 miljoen, AH-64D zelfbescherming (ASE) € 18,6 miljoen). Door het Special Billing Arrangement (SBA) is de voorspelbaarheid van de uitgaven van dergelijke projecten lastig.

Projecten Zeestrijdkrachten

Projecten in realisatie zeestrijdkrachten (bedragen x € 1 miljoen)

Projectomschrijving

Project-volume

Raming uitgaven

Fasering tot en met

 

t/m 2015

2016

2017

2018

2019

2020

Instandhouding M-fregatten

58,6

52,8

5,8

       

2016

Instandhouding Walrusklasse onderzeeboten

96,0

49,7

10,0

8,0

8,0

8,0

8,0

2021

Instandhouding Goalkeeper

34,5

27,2

5,4

1,9

     

2017

Low Frequency Active Sonar (LFAS)

27,3

24,6

1,7

1,0

     

2017

Luchtverdedigings- en Commandofregatten

1.560,3

1.559,0

1,3

       

2016

Maritime Ballistic Missile Defence (MBMD)

126,8

77,5

16,2

18,1

4,5

5,6

2,7

2021

Patrouilleschepen

530,0

528,8

1,2

       

2016

Verwerving Joint Logistiek Ondersteuningsschip (JSS)

409,3

401,6

7,7

       

2016

Midlife upgrade BV206D (MLU BV206D)

31,7

5,5

4,2

12,6

9,3

0,1

 

2019

Verbetering MK 48 torpedo

71,8

29,1

17,7

24,6

0,4

   

2018

Evolved Sea Sparrow Missile Block II: deelneming internationaal ontwikkeltraject

37,1

36,3

0,8

       

2016

Midlife Upgrade BV206D en Verbetering MK 48 torpedo

Nieuw in realisatie zijn het project Midlife Upgrade BV206D en de verbetering MK 48 torpedo. Bij de overige projecten zijn geen significante wijzigingen opgetreden.

Project in planning met verwachte uitgaven in 2016

Bij de projecten Instandhoudingsprogramma Luchtverdedigings- en commandofregatten en Midlife Upgrade Landing Craft Utility zijn geen significante wijzigingen opgetreden.

Projecten Landstrijdkrachten

Projecten in realisatie landstrijdkrachten (bedragen x € 1 miljoen)

Projectomschrijving

Project-volume

Raming uitgaven

Fasering tot en met

 

t/m 2015

2016

2017

2018

2019

2020

Army Ground Based Air Defence System (AGBADS)

133,3

128,3

3,0

2,0

     

2017

Battlefield Management Systeem (BMS)

60,8

57,4

3,4

       

2016

Datacommunicatie Mobiel Optreden (DCMO)

42,4

41,2

1,2

       

2016

Patriot vervanging COMPATRIOT

30,8

19

9,2

2,6

     

2017

Groot Pantserwielvoertuig (GPW, Boxer). productie

796,6

542,6

142,6

94,3

14,9

2,2

2019

Vervanging genie- en doorbraaktank

91,5

87

3,4

1,1

     

2017

Aanvulling Bushmasters

32,8

5,1

12,4

15,3

     

2017

Army Ground Based Air Defence System (AGBADS)

Naar aanleiding van de herijking is de fasering van het project aangepast. Het projectbudget is verhoogd met € 7,0 miljoen in verband met de aanschaf van een ander type data radio’s. Naar verwachting wordt het contract afgesloten in 2016 met betalingen in 2016 en 2017.

Project in planning met verwachte uitgaven in 2016

Verwerving CE-pakketten Infanterie Gevechtsvoertuig (IGV)

Als gevolg van prioriteitstelling in het investeringsplan is de reeks voor «aanschaf» drie jaar vertraagd naar de periode 2020 – 2023. Hierdoor is de CE-bescherming later beschikbaar. De studie- en testfase gaan door als gepland.

CRAM en CLASS-UAV-detectiecapaciteit

Door prioriteitstelling in het investeringsplan is dit project met drie jaar vertraagd naar de periode 2019 – 2022.

Patriot en Zwaar Bergingsvoertuig

Bij de projecten Patriot verlenging levensduur en Levensduurverlenging zwaar Bergingsvoertuig zijn geen significante wijzigingen opgetreden.

Projecten Luchtstrijdkrachten

Projecten in realisatie luchtstrijdkrachten (bedragen x € 1 miljoen)

Projectomschrijving

Project-volume

Raming uitgaven

Fasering tot en met

 

t/m 2015

2016

2017

2018

2019

2020

AH-64D Block II upgrade

120,0

44,5

10

15

29,2

11,3

 

2019

AH-64D verbetering bewapening

37,3

1,4

18,2

5,2

6,5

6,0

 

2019

AH-64D zelfbescherming (ASE)

92,0

2,3

18,6

11,2

7,5

26,4

12,8

2021

F-16 infrarood geleide lucht-lucht raket

50,0

15,0

11,6

14,4

9,0

   

2018

F-16 M5 modificatie

38,8

36,1

2,7

   

2016

F-16 onderhoudstape M6.5

25,6

12,5

3,6

6,9

2,6

   

2018

F-16 mode 5 IFF

42,1

30,3

5

4,4

2,4

   

2018

F-16 verbetering lucht-grond bewapening, fase 1

59,4

58,8

0,4

0,2

   

2017

F-16 zelfbescherming (ASE)

94,5

13,8

43,4

24,7

12,6

   

2018

Langer Doorvliegen F-16 – Vliegveiligheid & Luchtwaardigheid

42,9

8,8

6,0

5,9

6,4

5,5

4,3

2021

Obsolescence Prevention Program PC-7

30,0

5,8

14,4

9,8

     

2017

Vervanging Medium Power Radars Wier en Nieuw-Milligen

61,4

12,0

15,0

11,6

10,1

9,9

2,7

2021

Verwerving F-35 (budgetreeks)

4.691,6

522,8

113,4

323,7

491,7

742,0

707,0

2023

AH-64D

Het budget voor zowel het project AH-64D zelfbescherming als het project AH-64D verbetering bewapening is verhoogd met de prijspeilaanpassing 2015 en de compensatie voor de aanpassing van de dollarplankoers. Daarnaast is de uitvoering van het project AH-64D zelfbescherming (ASE) een jaar verlengd in verband met het doorvoeren van standaardisatie van de zelfbeschermingsystemen naar US-Army voorbeeld. De mogelijkheden en de aanschaf van dit Amerikaanse systeem dient verder uitgewerkt te worden; hiervoor is dus een jaar extra gepland.

F-16

Bij het project F-16 zelfbescherming (ASE) is sprake van herfasering door vertraging bij het opstellen van de Letter of Agreement. Dit is voornamelijk het gevolg van procedures bij de Amerikaanse overheid. Het projectbudget is gestegen door compensatie voor de gestegen dollarkoers en toekenning van de prijspeilcompensatie.

Het project Infrarood geleide lucht-lucht raket is in omvang en looptijd toegenomen door een uitbreiding van het aantal te verwerven missiles, met behulp van de in deze begroting verwerkte verhoging van het investeringsbudget. Hiermee groeit de voorraad verder richting het normaantal.

Nieuw in realisatie zijn de projecten Langer doorvliegen F-16 – Instandhouding, Langer doorvliegen F-16 – Operationele Zelfverdediging, Obsolescence Prevention Program PC-7 en Vervanging Medium Power Radars in Wier en Nieuw Milligen. Bij de overige projecten zijn geen significante wijzigingen opgetreden.

Verwerving F-35

Raming uitgaven (bedragen x € 1 miljoen)

Projectomschrijving

Projectvolume

Raming uitgaven

Fasering tot

   

t/m 2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021 en verder

 

Budget verwerving F-35

4.691,6

522,8

113,4

323,7

491,7

742,0

707,0

1.791,0

2023

Raming verwerving F-35

5.241,1

522,8

113,4

255,7

709,0

912,7

931,6

1.795,9

2023

Waarvan verwerving 2 testtoestellen (inclusief bijkomende middelen)

274,0

268,9

2,5

2,5

0,0

0,0

0,0

0,0

2013

Waarvan verwerving toestellen (inclusief bijkomende middelen)

4.555,4

253,9

110,9

253,1

614,9

818,6

837,5

1.666,5

2023

Waarvan PSFD MoU

190,7

141,3

11,8

9,0

7,9

5,1

4,6

11,0

2023

Waarvan deelname IOT&E (inclusief exploitatie testtoestellen t/m 2019)

87,1

33,7

17,0

17,5

18,9

0,0

0,0

0,0

2019

Waarvan voorziening risicoreservering investeringen

411,7

0,0

0,0

0,0

94,1

94,1

94,1

129,4

2023

F-35 en koerswisselingen

Dit jaar is het investeringsbudget door prijsbijstelling toegenomen tot € 4.692 miljoen (prijspeil 2015). De huidige projectraming bedraagt € 5.241 miljoen en bestaat uit de geraamde investeringskosten van € 4.517 miljoen, een risicoreservering van € 412 miljoen en een overheveling naar de exploitatie van € 312 miljoen. Per saldo is er sprake van een negatief verschil tussen budget en raming van € 550 miljoen, waarvan € 75 miljoen aan hogere BTW-afdrachten. De stijging van de geraamde investeringskosten is het gevolg van een fors hogere dollarkoers.

Het kabinet acht het onverstandig om op dit moment het budget aan de raming aan te passen. Dit zou abrupte, ingrijpende maatregelen vergen, terwijl het onzeker is of die uiteindelijk nodig zullen zijn, ook omdat de toestellen in verschillende tranches over een reeks van jaren worden aangeschaft. Zowel veranderingen in de dollarkoers als in de prijzen (in dollars) zullen de komende jaren immers van invloed zijn op de ramingen. Vanzelfsprekend volgt het kabinet de ontwikkelingen op de voet.

Sommige onderdelen van de Rijksbegroting zijn gevoeliger dan andere voor plotselinge wisselingen van de valutakoersen. Dat geldt bijvoorbeeld voor defensie-investeringen, in het bijzonder het F-35 project. Zoals in de beleidsagenda van deze begroting is aangegeven onderzoekt de Studiegroep Begrotingsruimte de omgang met valutakoerswisselingen en prijsontwikkelingen. Het afsprakenkader dat voor de F35 geldt, wordt hiernaast gelegd.

Aanpassing taakstellend budget investeringen (bedragen x € 1 miljoen)
 

Bedrag

Budget verwerving F-35 in prijspeil 2014

4.675,3

Bijstelling budget o.b.v. Nederlandse prijsindexatie

16,3

Budget verwerving F-35 in prijspeil 2015

4.691,6

Project in planning met verwachte uitgaven in 2016

Chinook Vervanging en Modernisering

Nadat in 2014 bleek dat een offerte voor de elf toestellen in een gelijke configuratie als de CH-47F aanzienlijk hoger uitviel dan verwacht, is afgelopen jaar een herijking uitgevoerd. Over de uitkomst hiervan wordt de Kamer in de tweede helft van 2015 met de B/C/D-brief geïnformeerd.

Projecten Marechaussee

Dit betreft de investeringsprojecten (voor zover niet in infrastructuur en informatievoorziening) voor de Koninklijke Marechaussee. Geen van de projecten heeft een investeringsbudget van meer dan € 25 miljoen.

Projecten Defensiebreed

Projecten in realisatie defensiebreed (bedragen x € 1 miljoen)

Projectomschrijving

Project

volume

Raming uitgaven

Fasering

Tot

 

t/m 2015

2016

2017

2018

2019

2020

C-IED blok 2 (incl CD&E en R&D)

29,5

25,5

4

       

2016

Counter Improvised Explosive Devices (C-IED) Blok 3

54,0

10,3

17,8

14,2

7,0

1,5

1,5

2023

Defensiebrede vervanging van ondersteunende Klein Kaliber Wapens

60,2

3,0

20,0

30,0

7,0

0,2

 

2019

Militaire Satelliet Capaciteit (MILSATCAP)

31,4

25,3

3,6

1,4

1,1

   

2018

Militaire Satelliet Communicatie lange termijn defensiebreed (MILSATCOM)

132,3

122,1

7,5

2,6

0,1

   

2018

Modernisering navigatiesystemen

38,9

21,8

2,3

3,1

6,3

5,4

 

2019

NH-90

1.198,3

1006,9

55,3

60,2

45,2

30,7

 

2019

Uitbreiding Chemische Biologische Radiologische en Nucleaire (CBRN)-capaciteit in het kader van de Intensivering Civiel Militaire Samenwerking (ICMS), materieel

62,0

29,9

16,4

15,1

0,2

0,3

0,1

2020

Verbeterd Operationeel Soldaat Systeem (VOSS)

215,4

42,6

64,2

27,7

49,7

30,5

0,7

2020

Nieuw in realisatie zijn de projecten Defensiebrede vervanging van ondersteunende Klein Kaliber Wapens en Verbeterd Operationeel Soldaat Systeem (VOSS). Bij deze projecten zijn geen significante wijzigingen opgetreden.

Project in planning met verwachte uitgaven in 2016

Defensiebrede Vervanging Operationele Wielvoertuigen (DVOW)

In juli 2015 is de Kamer met de C-brief geïnformeerd over de C-fase van het project DVOW (kamerstuk 26 396 nr.105). Daarin is de Kamer geïnformeerd over de herijking van het project op zowel aantallen als op budget.

Medium Altitude Long Endurance Unmanned Aerial Vehicle (MaleUAV)

Als gevolg van prioriteitstelling in het investeringsplan is dit project met zeven jaar vertraagd. De ISR-capaciteit komt dus later ter beschikking. Defensie onderzoekt nog of op alternatieve wijze, bijvoorbeeld via een leaseconstructie, in deze behoefte kan worden voorzien.

Vervanging mortieren 60/81mm

Als gevolg van prioriteitstelling in het investeringsplan is het project (voor het 81mm deel) gesplitst in een deel in de oorspronkelijke planning (voor het CZSK) en een deel in 2022 (voor het CLAS).

NGIS

Dit project wordt uitgevoerd om Defensie te laten voldoen aan de binnen Navo gemaakte afspraken. Hierdoor is Nederland beter in staat te voldoen aan wettelijk opgedragen taken, zoals luchtruimbewaking en Air Policing, en kunnen taken in internationaal verband veilig en goed worden uitgevoerd.

Bij de volgende projecten zijn geen significante wijzigingen opgetreden:

  • •  Defensiebrede Vervanging hand gedragen warmtebeeldkijkers;
  • •  Defensie Operationeel Kledingsysteem (DOKS);
  • •  Joint Fires;
  • •  Vervanging grondterminals MILSATCOM;
  • •  Verwerving HV brillen.

Aan te gane verplichtingen

Gedurende 2016 worden de volgende verplichtingen aangegaan. Projecten waarvoor een verplichting groter dan € 25 miljoen worden aangegaan en geen commercieel vertrouwelijke informatie bevatten zijn separaat weergegeven.

Verplichtingen

Aan te gaan in 2016

Projecten met projectvolume > 25 miljoen.:

 

met aan te gane verplichting > € 25 miljoen

 

• Verwerving F-35

730,0

• NH-90

46

• Diverse projecten

159,7

met aan te gane verplichting < € 25 miljoen

 

• Diverse projecten

131

 

Overige projecten met projectvolume < 25 miljoen:

 

Diverse projecten

143,3

Bandbreedte projecten

70,7

   

Totaal

1.280,7

Voorzien in infrastructuur

In 2016 zal het CDC circa € 124 miljoen aan programma’s van eisen indienen bij het Rijksvastgoedbedrijf. Het betreft hier met name projecten die in de jaren vanaf 2018 tot daadwerkelijke uitgaven zullen leiden. De projecten zijn te verdelen in nieuwbouw (€ 77 miljoen), renovatie (€ 8 miljoen), uitbreiding (€ 8 miljoen), verbouwingen (€ 4 miljoen) en herbelegging (€ 27 miljoen). De projecten die in de jaren 2016–2017 tot uitgaven zullen leiden zijn reeds in uitvoering bij het Rijksvastgoedbedrijf. Daarnaast wordt € 21 miljoen aan kortlopende verplichtingen voorzien vanwege ingenieursdiensten. Het totaal aan te gane verplichtingen in 2016 wordt hiermee € 145 miljoen.

Grote infrastructuurprojecten in realisatie (bedragen x € 1 miljoen)

Project-omschrijving

Defensieonderdeel

Projectvolume

t/m 2015

2016

2017

2018

2019

2020 e.v.

Fasering t/m

Hoger Onderhoud Woensdrecht

CLSK

67,7

42,2

7,8

13,4

4,3

   

2018

Nieuwbouw Schiphol

KMar

140,4

140,4

         

2015

Nieuwbouw OTCKMar

KMar

84,3

55,5

15,2

13,6

   

2017

EPA Maatregelen

Algemeen

65,3

38,9

8,8

8,8

8,8

   

2018

Bouwtechnische verbetermaatregelen brandveiligheid

Algemeen

43,7

4,7

13

13

13

   

2018

Aanpassing vastgoed a.g.v. gewijzigde regelgeving

Algemeen

142,2

10

26,1

18,2

25

22,6

40,3

2024

Deelproject 1.3.7.1. HVD: Schuifplan Ermelo (GSK, JPK, PMK en VHK)

CLAS

57,9

52,8

1,9

1,6

1,6

   

2018

Deelproject 1.3.7.5. HVD: Herbeleggen RVS Oirschot

CLAS

40,1

22

10,7

7,4

     

2017

Deelproject 2a.6. HVD: Belegging Breda (KvB, TvZ, Seelig)

CDC

36,3

9,8

12,7

8,3

0

0

5,5

2021

Deelproject 2b.3. CLAS Reorganisatie Materieellogistieke Eenheden

CLAS

25,7

18,1

7,6

       

2016

Hoger onderhoud Woensdrecht

Het project betreft de totale behoefte aan infrastructuur om het Logistiek Centrum Woensdrecht (LCW) op Vliegbasis Woensdrecht te kunnen huisvesten. Hiermee kunnen de defensielocaties LCW Rhenen en LCW Dongen worden afgestoten. De nieuwbouw legering is opgeleverd, evenals het werkcentrum Avionica en het Logistiek Complex. Nieuwbouw voor het squadron Technologie en Missieondersteuning is in ontwikkeling. Het LCW Rhenen is reeds voor afstoting overgedragen aan het Rijksvastgoedbedrijf.

Nieuwbouw Schiphol

In de nabijheid van de luchthaven Schiphol is voor het District Schiphol van de KMar een nieuw complex gerealiseerd ter vervanging van de gehuurde en verspreid liggende accommodaties. De Koningin Maximakazerne is reeds in gebruik genomen. Een aantal deelprojecten wordt verder in 2015 voltooid.

Bouwtechnische verbetermaatregelen brandveiligheid

Met de uitvoering van verbetermaatregelen brengt Defensie de brandveiligheid van de meest risicovolle gebouwen op orde en biedt ze haar personeel een veilige woon- (legering) en werkomgeving. De planning is in lijn met de nalevingsafspraak die is overeengekomen met de Inspectie Leefomgeving en Transport van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu.

Aanpassing vastgoed a.g.v. gewijzigde regelgeving

Wijzigingen in wet- en regelgeving, aanscherping van milieu- en veiligheidseisen en ontwikkelingen in het omgevingsrecht hebben geleid tot nieuwe eisen aan het vastgoed en de infrastructuur van Defensie. Het aanpassingsproject vastgoed als gevolg van gewijzigde regelgeving omvat een pakket aan maatregelen die tot en met 2024 uitgevoerd moeten worden. De verschillende maatregelen zijn:

  • –  vervanging en/of aanpassing van installaties die werken op koelmiddelen met hydrochloorfluorkoolwaterstof (HCFK);
  • –  op norm brengen van drinkwaterinstallaties;
  • –  verbetering brandveiligheid van gebouwen;
  • –  vervanging van brandmeldinstallaties;
  • –  verwijdering van asbest;
  • –  het op norm brengen en houden van monumentale panden en terreinen.

Nieuwbouw OTCKMar (Opleidings- en Trainings Centrum KMar)

Het OTCKMar wordt ondergebracht op het complex Koning Willem III/Frank van Bijnenkazerne in Apeldoorn. Het project is in uitvoering en wordt naar verwachting in 2019 voltooid.

Energie Prestatie Adviezen (EPA) Maatregelen

Dit project betreft een verzameling van energiebesparende maatregelen voor de bestaande infrastructuur.

Deelproject 1.3.7.1. HVD Schuifplan Ermelo

Het schuifplan Ermelo zorgt ervoor dat de verhuizing en sluiting van de KMS in Weert mogelijk wordt. Daarvoor moet eerst ruimte worden gemaakt door eenheden na elkaar te verhuizen van Havelte naar Wezep, van Ermelo naar Havelte en tot slot van Weert naar Ermelo. De KMS is reeds naar Ermelo verhuisd. Een aantal deelprojecten wordt nog voltooid.

Deelproject 1.3.7.5. HVD Herbeleggen Ruiter van Steveninckkazerne Oirschot

Door gebruik te maken van vrijgevallen infrastructuur (tankbataljons) is een schuifplan opgesteld om oude gebouwen leeg te maken en te slopen en vooral goede infrastructuur aan te houden en te gebruiken voor het huisvesten van de nieuwe organisatie. Aanvullende nieuwbouw wordt gerealiseerd voor de nieuw opgerichte CBRN-eenheid. Het project is in uitvoering.

Deelproject 2.a.6. HVD Belegging Breda

Met dit project wordt de verhuizing mogelijk van het Instituut Defensie Leergangen van Rijswijk naar Breda, onder meer door aanvullende nieuwbouw van legering en aanpassing van lesaccommodaties en kantoren op de Trip van Zoutlandkazerne (TvZ). Een verdere concentratie op de TvZ, het Kasteel van Breda en de Luchtmachttoren maakt het mogelijk elders in de stad locaties af te stoten. Het project is in uitvoering.

Deelproject 2.b.3. CLAS Reorganisatie materieel-logistieke eenheden

Door de reorganisatie van de materieellogistiek is het Defensie Bedrijf Grondgebonden Systemen (DBGS) en de huidige zes herstelcompagnieën omgevormd tot het Materieellogistiek Commando en drie nieuwe Brigade Herstelcompagnieën. De totale personele omvang van de materieellogistieke eenheden vermindert met ongeveer een derde. Op de verschillende locaties is het aanpassen van werkplaatsen noodzakelijk.

Risico’s bij Voorzien in infrastructuur

De volgende vier projecten hebben op basis van de huidige inzichten een risico in het niet in 2016 realiseren van het geplande budget. In het algemeen geldt dat projecten in uitvoering en dus aanbesteed, een beperkt risico hebben. Alle benodigde vergunningen zijn verleend. Er is immers sprake van een «fixed price» behoudens onvoorzien werk. Als gevolg van een gebrek aan capaciteit zijn er risico’s in de realisatie van nieuwbouwprojecten en het verkopen van infrastructuur.

Bouwtechnische verbetermaatregelen brandveiligheid

Er wordt gestart met het uitvoeren van pilotprojecten om een betere inschatting te kunnen maken van tijd en geld. In gebruik zijnde legeringsgebouwen zullen veelal moeten worden ontruimd om de werkzaamheden mogelijk te maken.

Aanpassing vastgoed a.g.v. gewijzigde regelgeving

Dit project wordt momenteel ontwikkeld en moet nog worden aanbesteed. Het project kent een onzekerheid voor tijd en budget ten opzichte van de planning.

Nieuwbouw/renovatie NCIA

De aanbestedingsprocedure (Design and Construct) loopt momenteel niet conform plan, wat mogelijk gevolgen heeft voor de geplande realisatie.

Projecten in planning met verwachte uitgaven in 2016

Deelproject 2.a.5. HVD Realisatie 20 Gezondheidscentra (GZHC) en 7 tandheelkundige centra (THKC)

Dit project betreft de aanpassing van de huisvesting aan de nieuwe organisatie van de bedrijfsgroep Gezondheidszorg, door aanpassing van bestaande infrastructuur en door nieuwbouw op verschillende locaties. De locaties Ermelo en Stroe zijn in voorbereiding.

F-35 Motoronderhoud

Nederland is als één van de Europese landen aangewezen om in de toekomst het F-35 motoronderhoud te gaan uitvoeren. Hiervoor moeten faciliteiten worden gebouwd op Vliegbasis Woensdrecht. De motoronderhoudsfaciliteit vergt een investering. Naast Defensie overwegen Economische Zaken en de provincie Noord-Brabant daarvan een deel voor hun rekening te nemen. De drie investerende partijen willen dit najaar een definitief besluit nemen. Vooruitlopend op de bouw moeten diverse onderzoeken worden uitgevoerd.

Deelproject HVD 1.3.6.2. MARKAZ Zeeland

Met de bouw van een geheel nieuwe kazerne te Vlissingen wordt de verhuizing mogelijk gemaakt van het Mariniers Trainingscommando vanuit de Van Braam Houckgeestkazerne te Doorn en het Logistiek Centrum Maartensdijk. Het project wordt gerealiseerd met een geïntegreerd contract.

Nieuwbouw/renovatie NCIA

Nabij de Waalsdorpervlakte in Den Haag bevindt zich één van de vestigingen van het NATO Communications and Information Agency (NCIA). Momenteel heeft het agentschap een drietal hoofdvestigingen in Brussel, Mons (beiden België) en Den Haag. Met het oog op een doelmatige bedrijfsvoering is besloten een groter aantal activiteiten te concentreren op de NCIA-hoofdvestiging in Den Haag. Om dit mogelijk te maken heeft Nederland zich als Host Nation bereid verklaard om in de jaren 2015–2018 een grootschalig nieuwbouw- en renovatieproject uit te voeren en te financieren, met bijdragen van de Ministeries van Buitenlandse Zaken, Economische Zaken, Defensie en de gemeente Den Haag.

Huisvesting Operations Center JIVC DMO/OPS op CNA

Dit project voorziet op Camp New Amsterdam met renovatie van bestaande huisvesting en nieuwbouw in het onderbrengen van het Operations Center JIVC DMO/OPS. Hierdoor kunnen verschillende (beheer)activiteiten op één locatie worden geconcentreerd.

IHBVN: KMar en Informatie Gestuurd Optreden

In de nota «In Het Belang Van Nederland» is vastgelegd dat het optreden van de KMar transformeert van een gebiedsgebonden aansturing naar een centraal landelijk en meer flexibel optreden. De hierbij behorende centrale aansturing zal plaatsvinden op basis van het sturingsmechanisme informatie gestuurd optreden. Om de KMar informatie gestuurd te laten optreden zullen de districtsstaven bij de brigades komen te vervallen en gereduceerd opgaan in het centraal Landelijk Tactisch Commando (LTC), waarvoor huisvesting gerealiseerd zal worden op het Camp New Amsterdam. Door het vervallen van de districtsstaven kunnen de huidige locaties in Baarn, Fort de Bilt Utrecht en Kamp Nieuw Milligen worden afgestoten.

Deelproject 2b.3. CLAS Reorganisatie Materieellogistieke Eenheden

De Afdeling Techniek MatlogCo van CLAS op de locatie Leusden verricht het Hoger Onderhoud van Landsystemen (o.a. wiel- en rupsvoertuigen) van Defensie. Door veroudering voldoet het complex al langere tijd niet aan de wettelijke veiligheidseisen, waarbij met name de brandveiligheid in het gebouw tekort schiet. Er is vastgesteld dat de nu in uitvoering zijnde werkzaamheden niet voldoende zijn om te kunnen voldoen aan vigerende wet- regelgeving op met name het gebied van brandveiligheid. Ook zal het complex heringericht moet worden. Deze aspecten worden thans uitgewerkt, met gevolgen van de planning in tijd en geld.

Voorzien in IT

Projecten in realisatie IT (bedragen x € 1 miljoen)

Projectomschrijving

Project

volume

Verplichtingen 2016

Raming uitgaven

Fasering

t/m

 

t/m 2015

2016

2017

2018

2019

2020

Vernieuwing TITAAN

58,4

4,0

12,5

24,1

6,8

6,0

4,8

2021

ERP M/F/P Fase 2

120,5

15,0

15,0

12,0

12,0

12,0

12,0

2027

Vernieuwing TITAAN

Het project Vernieuwing TITAAN is een project gericht op het ontwikkelen en realiseren van een uniforme infrastructuur, zowel de software als de hardware, voor het ontplooid optreden. Dit betreft zowel hoog als laag gerubriceerde informatie. Samen met het project Secure Werkplek Defensie ontstaat hiermee één generiek netwerk zowel in Nederland als in de operatie gebieden buiten Nederland voor alle defensie-onderdelen. Tevens is het netwerk ingericht als een Federatief Missie Netwerk, gebaseerd op Navo standaarden, waardoor op een gecontroleerde basis samengewerkt kan worden met diverse (veiligheids-)partners. Hierbij wordt gestreefd naar maximale standaardisatie van laag- en hoog gerubriceerde werkplekdiensten.

ERP M/F/P Fase 2

Er wordt gewerkt aan de verdere optimalisatie van ERP M&F en het gebruik daarvan. Het doel is de aansluiting van ERP op de bedrijfsvoering optimaal te krijgen en te houden.

De vervolgwerkzaamheden bestaan onder meer uit het leveren van ondersteuning, het aanbrengen van verbeteringen en het toevoegen van functionaliteit. Elk jaar wordt hiertoe een aantal activiteiten uitgewerkt in concrete projectvoorstellen, waarbij ook het financiële en personele beslag wordt bepaald.

Risico’s bij Voorzien in IT

De projecten die behoren tot de IT-investeringen zijn aan de hand van vastgestelde criteria gescoord op waarde en risico. In deze fase van risicomanagement wordt o.a. getoetst op de navolgende criteria:

Waarde criteria

  • •  Bijdrage beleid & strategie operationeel optreden. De mate waarin het project bijdraagt aan strategische doelstellingen op het gebied van inzet en de voorbereiding daarvan in het operationeel optreden van de krijgsmacht.
  • •  Wettelijke verplichting. De mate waarin het project bijdraagt aan de strategische doelstellingen op het gebied van besturende en ondersteunende processen (bedrijfsvoering).
  • •  Financiële bijdrage. De mate waarin het project bijdraagt aan de verbetering van de efficiency en betaalbaarheid, uitgedrukt in de terugverdientijd van projectkosten (investeringen en exploitatie) en financiële baten.
  • •  Bijdrage IT. De mate waarin het project bijdraagt aan de verbetering van de IT en randvoorwaardelijk is voor continuïteit, veiligheid of integriteit.

Risico criteria

  • •  Omvang aantal gebruikers. Het aantal gebruikers dat door het project geraakt wordt.
  • •  Impact op proces. De mate waarin het project het primaire proces van Defensie beïnvloedt.
  • •  Project resultaat. De mate waarin het project en het projectresultaat gedefinieerd, bekend en concreet zijn.
  • •  Architectuur. De mate waarin het project binnen de architectuur past en gebruik maakt van «proven technology».
  • •  Expertise / beschikbare capaciteiten. De mate waarin de organisatie en het project afhankelijk is van vaardigheden, kennis en tools om succesvol te zijn.
  • •  Sponsorschap. In hoeverre er een commandant of lijnmanager is geïdentificeerd die verantwoordelijk is voor de realisatie van het verandertraject, voor het in gebruik nemen van het IT-project en het realiseren van de business benefits.
  • •  Doorlooptijd van het project. De duur van de periode tussen het begin en het einde van het project.

Alle projecten in het projectenportfolio zijn aan de hand van door de CDS vastgestelde criteria bekeken op waarde en risico. Deze scores worden beschouwd in het proces Project Portfoliomanagement (PPM). Voor de projecten met een hoog risico worden mitigerende maatregelen getroffen om het risico zo veel mogelijk te beperken. De risico’s kunnen toenemen als gevolg van de onzekerheden in relatie tot de IT-Vernieuwing en risico’s ten gevolge van beperkte capaciteit bij de verwervingsorganisatie en uitvoeringsorganisaties

Voor de in het overzicht genoemde projecten heeft het project «Vernieuwing TITAAN» een hoog risico op factor Tijd. De geplande start van de studiefase is, als gevolg van de lopende planvorming met betrekking tot de IT-Vernieuwing, vertraagd met circa 3,5 maand en vindt nu op zijn vroegst medio oktober 2015 plaats. Dit heeft mogelijk gevolgen voor de geplande realisatie in 2016.

Project in planning met verwachte uitgaven in 2016

Projecten in planning IT (bedragen x € 1 miljoen)

Projectomschrijving

Project

volume

Raming uitgaven

Fasering

t/m

Projectomschrijving

Project

volume

Raming uitgaven

Fasering

t/m

Projectomschrijving

Cyber

138,6

5,0

7,0

9,0

9,0

9,0

9,0

2031 e.v.

IT-problematiek

40,2

15,0

15,0

10,0

0,2

   

2018

De projecten Cyberwapens, IT KMar IGO en IT-problematiek zijn nog in voorbereiding.

Bekostiging Wetenschappelijk onderzoek

Bekostiging Wetenschappelijk onderzoek (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Programmafinanciering TNO

34.108

33.543

33.528

33.307

33.308

33.308

33.308

Programmafinanciering NLR

517

517

517

517

517

517

517

Contractonderzoek technologieontwikkeling

20.918

20.400

18.035

18.035

18.037

18.037

18.037

Contractonderzoek kennistoepassing

3.860

5.545

5.095

5.095

5.095

5.095

5.095

Totaal

59.403

60.005

57.175

56.954

56.957

56.957

56.957

Het centrale kennis- en technologiebudget voor wetenschappelijk onderzoek wordt gebruikt om een defensiespecifieke kennisbasis op te bouwen en in stand te houden. Hiermee kan Defensie wetenschappelijk worden ondersteund in haar taakuitvoering. Het budget wordt ook ingezet om innovatieve operationele capaciteiten, werkwijzen of concepten in de defensieorganisatie mogelijk te maken waarmee het operationeel handelingsvermogen wordt vergroot, verbeterd of tegen lagere (levensduur)kosten beschikbaar komt. Met de uitvoering van onderzoekprogramma’s en -projecten wordt tevens invulling gegeven aan de prioriteiten uit de Strategie-, Kennis- en Innovatieagenda (SKIA, Kamerstuk 32 733, nr. 3 van 19 mei 2011).

Programmafinanciering TNO (inclusief MARIN) en NLR

De uit te voeren onderzoeksprogramma’s bouwen een defensiespecifieke kennisbasis op bij TNO (inclusief kennisinstituut MARIN) en het NLR en houden deze in stand conform de Herijking Kennisportfolio Defensie (HKD, Kamerstuk 27 830, nr. 71 van 28 januari 2010). Om praktische redenen wordt het budget voor MARIN toegevoegd aan dat van TNO. Voor 2016 betreft het € 1 miljoen. Naar verwachting zal er ook de komende jaren budget worden besteed voor een defensiespecifieke kennisbasis bij MARIN. Programmatisch onderzoek betreft investeringen in een kennisbasis die niet binnen Defensie aanwezig is en die zonder een gerichte financiële inspanning van Defensie niet beschikbaar komt of toegankelijk is. Met de opgebouwde kennis laat Defensie zich vervolgens adviseren en ondersteunen bij de beleidsvorming, verwerving en onderhoud van materieel, opleiding en training, bedrijfsvoering en operationeel optreden. De advisering richt zich onder meer op noodzakelijke verbeteringen en innovatieve vernieuwingen op deze gebieden. De programmafinanciering bedraagt in 2016 ongeveer € 34 miljoen.

Contractonderzoek technologieontwikkeling

Voor technologieontwikkeling is in 2016 € 18 miljoen beschikbaar. Deze projectmatige uitgaven worden ingezet waar technologie een oplossing kan bieden voor (operationele) tekortkomingen, de (operationele) output van Defensie kan verbeteren of tot besparingen kan leiden. De uitvoering gebeurt vaak binnen de gouden driehoek van overheid, industrie en kennisinstituten. Het instrument draagt bij aan de versterking van het innovatief vermogen van de Nederlandse defensie-gerelateerde industrie en daarmee aan de doelstelling van de Defensie Industrie Strategie (DIS, Kamerstuk 31 125, nr. 20 van 13 december 2013) en het Rijksbrede topsectorenbeleid. In de begrotingsafspraken van oktober 2013 is een bezuiniging doorgevoerd op subsidies in het kader van het bedrijfslevenbeleid. De defensiebijdrage hieraan in 2016 bedraagt € 1 miljoen en is in deze reeks verwerkt. De technologieprojecten worden, waar van toepassing, interdepartementaal (topsectorenbeleid) en internationaal (Navo en European Defence Agency, EDA) afgestemd en ingebed.

Bijdragen en contractonderzoek kennistoepassing

De toepassing van (met centrale middelen) opgebouwde kennis, wordt primair gefinancierd uit de decentrale budgetten van de behoeftestellende defensieonderdelen. Op centraal niveau is nog een beperkt budget beschikbaar voor acute, onvoorziene kennisondersteuning. Vooral de interdepartementaal afgesproken bijdragen aan de instandhouding van grote experimentele onderzoeksfaciliteiten bij TNO en het NLR worden uit de centrale middelen betaald. In 2016 is hiervoor € 5 miljoen beschikbaar.

CODEMO

De CODEMO-regeling (Commissie Defensie Materieel Ontwikkeling) is een aansprekend instrument dat vooral wordt ingezet voor innovatieve productontwikkeling met het Midden- en Kleinbedrijf (MKB). Defensie neemt, van goedgekeurde projectvoorstellen, 50 procent van de ontwikkelingskosten voor haar rekening. Eventuele opbrengsten voor Defensie in de vorm van royalties over de verkoop van de ontwikkelde producten zijn beschikbaar voor nieuwe ontwikkelingsvoorstellen. Defensie heeft € 10 miljoen beschikbaar gesteld voor de CODEMO-regeling, waarvan tot nu toe € 8,7 miljoen is besteed.

Als antwoord op motie Günal-Gezer/Eijsink (Kamerstuk 33 750-X, nr. 24) is onderstaande tabel weergegeven.

CODEMO

Ingediende voorstellen

63

Gehonoreerde voorstellen

18

Afgewezen voorstellen

45

Afgeronde voorstellen

4

De gehonoreerde voorstellen betreffen vijftien Midden- en Klein Bedrijven (MKB) en drie grootbedrijven.

Bijdragen aan de Navo

De uitgaven hebben betrekking op de Nederlandse bijdrage in gemeenschappelijk gefinancierde Navo-investeringsprogramma’s. Ook de investeringsuitgaven voor de AWACS-vliegtuigen zijn hierin opgenomen.

Verkoopopbrengsten Groot Materieel

Het uitgavenkader wordt aangepast vanwege bijgestelde ontvangsten. De wijzigingen in de ontvangsten betreffen de neerwaartse bijstelling van de verkoopopbrengsten van groot materieel onder meer door het uit de verkoop halen van negen Cougars vanwege het invullen van de helikopter capability cap en het langer aanhouden van de Gulfstream (2016 – € 53,1 miljoen, 2017 – € 17,9 miljoen, 2018 € 0,5 miljoen, 2019 – € 31,9 miljoen en 2020 € 56,3 miljoen), het overdragen van de Leopard 2 tank aan Duitsland (– € 18 miljoen) en de harmonisatie van de vastgoedprojecten in beleidsartikel 6 investeringen krijgsmacht (2016 € 2,4 miljoen, 2017 € 0,2 miljoen, 2018 € 6,6 miljoen, 2019 – € 1,2 miljoen en 2020 – € 7,6 miljoen). Daarnaast de bijstelling van de ontvangsten vanwege medegebruik Marine vliegkamp Valkenburg (beleidsartikel 4 CLSK) en de wijziging van de ontvangsten (bij het CDC) door de stichting ziektekostenverzekering krijgsmacht voor de bijdrage aan de renovatie van het Centraal Militair Hospitaal (CMH)

Afstotingen

Het volgende materieel is nog beschikbaar om verkocht te worden:

  • •  De Pantserhouwitser 2000 (PzH2000) en mijnenbestrijdingvaartuigen: dit betreft afname van deze capaciteit conform eerder genomen maatregelen;
  • •  Rupsvoertuigen YPR en voorraad wielvoertuigen: dit betreft de reguliere vervanging en invoering van nieuwe wielvoertuigen conform het project DVOW;
  • •  Overtollige voorraden, onderdelen, etc.: dit betreft het doelmatig afstoten van voorraden die de Nederlandse krijgsmacht niet meer nodig heeft, maar die voor andere landen wel bruikbaar zijn.

Verkoopopbrengsten Infrastructuur

De verkoopopbrengsten Infrastructuur hebben betrekking op opbrengsten van af te stoten objecten. In 2014 is besloten dat departementen en diensten het vastgoed dat zij niet langer nodig hebben voor hun bedrijfsvoering over moeten dragen aan het Rijksvastgoedbedrijf (RVB). Het RVB zal op basis van het Kader Overname Vastgoed Rijksvastgoed (KORV) het overtollige vastgoed van de departementen en rijksdiensten overnemen tegen een inkoopprijs die wordt vastgesteld door gecertificeerde (onafhankelijke) vastgoedtaxateurs van het RVB. De opbrengsten van alle objecten die voor ingangsdatum van het KORV zijn aangeboden aan het RVOB worden geëffectueerd na daadwerkelijke verkoop aan een marktpartij. Op dit moment zijn verschillende objecten zowel onder het oude regime als binnen het KORV in afstoting. De grootste overtolligheid van het Defensie vastgoed loopt door tot 2019.

2.2.7. Beleidsartikel 7: Ondersteuning krijgsmacht door Defensie Materieel Organisatie

Algemene doelstelling

De Defensie Materieel Organisatie (DMO) zorgt voor de verwerving van modern, robuust en kwalitatief hoogwaardig en inzetbaar materieel evenals de beschikbaarstelling van IT-middelen, brandstof, munitie en kleding en uitrusting aan de defensieonderdelen.

Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Minister is verantwoordelijk voor de aanschaf en instandhouding van materieel en zo ook voor de afstoting van overtollig materieel van de krijgsmacht.

Beleidswijzigingen

Er zijn geen significante beleidswijzigingen ten opzichte van de begroting 2015.

Budgettaire gevolgen van het beleid en budgetflexibiliteit

Artikel 7 Ondersteuning krijgsmacht door Defensie Materieel Organisatie (bedragen x € 1.000)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen

606.479

715.661

743.894

735.066

731.362

718.756

742.071

Uitgaven

788.427

715.661

743.894

735.066

731.362

718.756

742.071

Waarvan juridisch verplicht

   

37%

       

Programma uitgaven

293.389

286.026

326.518

320.074

322.168

307.787

327.165

Opdracht Logistieke ondersteuning

293.389

286.026

326.518

320.074

322.348

307.787

327.165

– Gereedstelling

214.792

213.636

231.467

230.055

232.593

225.722

237.400

– Instandhouding

78.597

72.390

95.051

90.019

89.575

82.065

89.765

               

Apparaatsuitgaven

495.038

429.635

417.376

414.992

409.194

410.969

414.906

Personele uitgaven

192.287

186.583

171.521

171.626

169.864

169.964

169.964

– waarvan eigen personeel

172.714

161.376

167.024

167.126

165.364

165.464

165.464

– waarvan externe inhuur

19.573

25.207

4.497

4.500

4.500

4.500

4.500

Materiële uitgaven

302.751

243.052

245.855

245.866

241.650

243.505

247.442

– waarvan IT; bijdrage aan SSO DMO/OPS

 

186.951

157.208

150.435

149.255

150.945

150.945

– waarvan IT; Overig

228.784

 

35.339

40.837

40.835

38.169

38.682

– waarvan overige exploitatie

73.604

55.768

53.099

54.393

51.539

54.190

57.614

– waarvan overige exploitatie; bijdrage aan SSO Paresto

363

333

209

201

201

201

201

               

Apparaatsontvangsten

25.189

42.933

42.933

43.433

43.433

43.433

43.433

Het aandeel «juridisch verplicht» heeft betrekking op programma-uitgaven voor levering van goederen en/of diensten waarvoor Defensie een overeenkomst is aangegaan en op de apparaatsuitgaven die voor het merendeel uit personele uitgaven bestaan. Voor 2016 gaat het om 37 procent. Het betreft verplichtingen die zijn aangegaan voor de apparaatsuitgaven, de aanschaf van munitie en instandhoudingsuitgaven.

Toelichting op de instrumenten

Gereedstelling

De uitgaven voor gereedstelling bestaan vooral uit brandstof voor varend, rijdend en vliegend materieel en munitie. Dit betreft uitgaven voor defensiebrede contracten.

Instandhouding

De uitgaven voor instandhouding betreffen vooral grote wapensystemen en eenheden van de operationele commando's. In de doelstellingenmatrices bij de beleidsartikelen van de operationele commando’s staan de wapensystemen vermeld waarvoor uitgaven worden geraamd.

Toelichting op de apparaatsuitgaven

Personele uitgaven

De apparaatsuitgaven bevatten vooral personele uitgaven. Deze uitgaven bestaan hoofdzakelijk uit salarissen, sociale lasten en uitgaven voor toelagen en reiskosten woon-werkverkeer. De uitgaven voor salarissen en sociale lasten worden besteed aan de volgende aantallen personeel (gemiddelde jaarsterktes):

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2.451

2.522

2.516

2.523

2.521

2.521

De uitgaven IT worden met ingang van 2013 voor alle defensieonderdelen verantwoord op dit artikel. Dit betreffen uitgaven voor de werkplekdiensten en het onderhoud van IV-systemen.

Materiële uitgaven (waarvan bijdragen aan SSO’s)

Om de apparaatsuitgaven binnen de baten-lastenagentschappen beter te laten aansluiten bij de uitgavenbegroting, worden rijksbreed de betalingen aan de baten-lastenagentschappen zichtbaar gemaakt in de uitgavenbegroting onder de noemer «waarvan bijdragen aan SSO’s» (shared service organisation). Het betreft voor 2016 uitgaven aan de Defensie Telematica Organisatie (DTO) (alle informatievoorziening € 192,5 miljoen) en Paresto (€ 0,2 miljoen).

De overige exploitatie is voor het grootste deel personeelsgebonden. Deze uitgaven bestaan voornamelijk uit opleidingen, werving, dienstreizen en kleding en uitrusting en overige materiële uitgaven.

Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de personeelsrapportage die periodiek aan de Tweede Kamer wordt aangeboden en het niet-beleidsartikel 10 (Centraal apparaat).

2.2.8. Beleidsartikel 8: Ondersteuning krijgsmacht door Commando DienstenCentra

Algemene doelstelling

Het Commando DienstenCentra (CDC) voorziet in een doelmatige en doeltreffende ondersteuning van de krijgsmacht. Het CDC draagt zorg voor de levering van ondersteunende diensten aan de krijgsmacht. Een groot deel van de ondersteuning levert het CDC zelf, een deel van de ondersteuning wordt geleverd door organisaties buiten het Ministerie van Defensie. CDC is daarbij de verbindende schakel tussen vraag en aanbod.

De ondersteuning van het CDC is ingedeeld in drie categorieën ondersteuning; te weten vast (zoals vastgoed en gezondheidszorg), semi-flexibel (zoals opleidingen) en flexibel (zoals transport en media). De drie categorieën zijn nader onderverdeeld in achttien dienstenclusters.

Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Minister is verantwoordelijk voor een doeltreffende en doelmatige dienstverlening bij Defensie. Het CDC levert hieraan een belangrijke bijdrage.

Beleidswijzigingen

De samenvoeging van de defensiebrede niet-operationele gezondheidszorg bij de divisie Defensie Gezondheidsorganisatie (DGO) is in de besluitvormingsfase en zal naar verwachting begin 2016 plaatsvinden.

Budgettaire gevolgen van het beleid en budgetflexibiliteit

Artikel 8 Ondersteuning krijgsmacht door Commando DienstenCentra (bedragen x € 1.000)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen

1.057.642

1.049.884

1.040.571

1.023.483

999.341

972.377

976.188

Uitgaven

1.061.257

1.049.803

1.040.571

1.023.483

999.341

972.377

976.188

Waarvan juridisch verplicht

   

73%

       

Programma uitgaven

             

Opdracht Dienstverlenende eenheden

12

           

– Gereedstelling

1

           

– Instandhouding

11

           
               

Apparaatsuitgaven

1.061.245

1.049.803

1.040.571

1.023.483

999.341

972.377

976.188

Personele uitgaven

443.228

446.549

491.975

475.974

468.868

465.169

465.068

– waarvan eigen personeel

415.171

420.430

476.730

466.868

459.762

456.063

455.962

– waarvan externe inhuur

16.216

16.000

5.646

118

118

118

118

– waarvan overig; attachés

11.841

10.119

9.599

8.988

8.988

8.988

8.988

Materiële uitgaven

618.017

603.254

548.596

547.509

530.473

507.208

511.120

Huisvesting en infrastructuur (incl. bijdrage agentschap RVB)

385.000

371.008

341.756

339.392

337.273

321.686

304.511

– waarvan bijdrage agentschap RVB, zie huisvesting en infrastructuur

193.218

173.192

226.806

226.302

226.471

226.490

233.040

Overige exploitatie (incl bijdrage SSO Paresto)

233.017

232.246

206.840

208.117

193.200

185.522

206.609

– waarvan bijdrage door SSO Paresto (catering; overige exploitatie)

31.013

30.471

29.367

29.077

28.665

28.600

28.458

– waarvan overig; attachés

6.009

7.850

7.122

7.122

7.122

7.122

7.122

               

Apparaatsontvangsten

49.243

51.860

53.611

55.581

53.747

51.572

51.572

Het aandeel «juridisch verplicht» heeft betrekking op de appaaraatsuitgaven. Voor 2016 gaat het om 73 procent. Dit betreft de uitgaven aan personeel, overige exploitatie en de uitgaven aan het agentschap RVB.

Toelichting op apparaatsuitgaven

Personele uitgaven

De apparaatsuitgaven bevatten personele uitgaven. Deze uitgaven bestaan hoofdzakelijk uit salarissen, sociale lasten en uitgaven voor toelagen en reiskosten woon-werkverkeer. De personele uitgaven worden besteed aan de volgende aantallen personeel (gemiddelde jaarsterktes):

2015

2016

2017

2018

2019

2020

6.622

7.460

7.417

7.369

7.359

7.358

Materiële uitgaven (waarvan bijdragen aan SSO’s)

De materiële uitgaven betreffen uitgaven voor Huisvesting & Infrastructuur, overige exploitatie, bijdragen aan SSO’s, attachés en departementsbrede uitgaven.

Het CDC levert, mede in samenwerking met RVB, alle ondersteuning op het gebied van het vastgoed van Defensie. Defensie beschikt momenteel over circa 34.500 hectare terreinoppervlak en 6,0 miljoen m2 bruto vloeroppervlak gebouwen. De ondersteuning bestaat uit de volgende activiteiten:

  • •  Het onderhoud van alle vastgoedobjecten;
  • •  Beheer van alle huurobjecten en PPS-constructies alsmede het leveren van rijkshuisvesting in het buitenland;
  • •  Facilitaire ondersteuning voor het vastgoed zoals beveiliging en schoonmaak;
  • •  Zorg voor nutscontracten.

De overige ondersteuning is voornamelijk voor het defensiepersoneel in Nederland en het buitenland. De ondersteuning bestaat uit de volgende activiteiten:

  • •  Verzorgen van catering en voeding;
  • •  Verzorgen van facilitaire diensten zoals centraal wagenparkbeheer en audiovisuele diensten;
  • •  Verzorgen van P&O diensten voor circa 51.000 defensiemedewerkers;
  • •  Verzorgen van gezondheidsdiensten voor circa 38.500 militairen;
  • •  Verzorgen van wereldwijd vervoer van personen en goederen;
  • •  Leveren van producten op het gebied van kennis en ontwikkeling.

De bijdrage aan agentschap RVB (voorheen DVD) (€ 226,8 miljoen) respectievelijk SSO Paresto (€ 29,4 miljoen) zijn onderdeel van in bovengenoemde uitgaven Huisvesting & Infrastructuur en Overige Exploitatie.

Voor een nadere toelichting op de apparaatsuitgaven wordt verwezen naar de personeelsrapportage die periodiek aan de Tweede Kamer wordt aangeboden en het niet-beleidsartikel 10 Centraal apparaat.

Noot 4: Budgettaire compensatie van deze taak wordt jaarlijks bij de eerste suppletoire begroting toegekend en is nog niet in de begroting opgenomen.

Noot 5: Deze richtlijn is bij de Wales summit in 2014 herbevestigd.