Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

2. BELEIDSAGENDA

De internationale economie raakt verder geïntegreerd in mondiale waardeketens...

De Nederlandse economie heeft eindelijk de crisis achter zich gelaten en laat betere groeicijfers zien. Nederland blijft aantrekkelijk voor buitenlandse investeerders. Vorig jaar werd een recordbedrag aan buitenlandse investeringen aangetrokken, wat weer extra banen oplevert. Ook de export, motor van de groei tijdens de crisis, blijft groeien. Lage- en middeninkomenslanden raken meer en meer geïntegreerd in mondiale waardeketens, wat zorgt voor economische ontwikkeling, werkgelegenheid en vermindering van armoede. Investeringen spelen hierin een belangrijke rol. De lage- en middeninkomenslanden weten steeds meer buitenlandse investeringen aan te trekken in bijvoorbeeld de aanleg van wegen, voedselproductie, stedelijke ontwikkeling en de energievoorziening – zaken die cruciaal zijn voor ontwikkeling. Ook op het gebied van de Millennium Ontwikkelingsdoelen, die dit jaar aflopen, is veel voortgang geboekt. De armoede in de wereld is sinds 1990 gehalveerd; 90% van de kinderen in de basisschoolleeftijd gaat naar school; kindersterfte tot 5 jaar is met 50% gedaald en moedersterfte met 45%. Veel meer mensen hebben toegang tot veilig drinkwater.

...maar de wereld staat voor grote complexe uitdagingen...

Tegelijkertijd moet de wereld oplossingen vinden voor een aantal complexe uitdagingen. Er is sprake van hardnekkige armoede in fragiele staten, grote ongelijkheid in middeninkomenslanden, langdurige droogte en grote overstromingen als gevolg van klimaatveranderingen en grote politieke spanningen en instabiliteit in delen van Afrika en het Midden-Oosten. Het aantal mensen dat op de vlucht is voor armoede, conflict of natuurgeweld is nog nooit zo groot geweest. Ruim 60 miljoen mensen hebben huis en haard moeten verlaten, met grote humanitaire consequenties en druk op het noodhulpsysteem. Ook zijn er grote uitdagingen in het verder bevorderen en verduurzamen van handels- en investeringsstromen en zijn er onzekerheden in de wereldeconomie, zoals de ontwikkeling van de olieprijzen en de afnemende groei van de Chinese economie. De complexe economische verwevenheid van landen biedt veel kansen voor groei en ontwikkeling, maar laat nog lacunes zoals het effectief tegengaan van belastingontwijking, of op het gebied van internationale mededinging en de regulering van investeringen.

...die om goede afspraken vragen op internationaal niveau...

Deze uitdagingen zijn mondiale uitdagingen: zij raken alle landen. Dat betekent dat er gedeelde belangen zijn bij een verder uitgewerkt internationaal handels- en investeringssysteem met afspraken over zaken als belastingontwijking, maar ook over mensenrechten en arbeidsstandaarden, Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO) en duurzaam gebruik van grondstoffen. Ook moet er samengewerkt worden om extreme armoede uit te bannen en duurzame en inclusieve ontwikkeling te bevorderen. Naar verwachting zal de internationale gemeenschap eind september 2015 de Sustainable Development Goals (SDG’s) aannemen en zich daarmee verbinden aan een brede agenda voor duurzame ontwikkeling. Maar zonder actie geen resultaat. Nederland zal bezien hoe het huidige Nederlandse ontwikkelingsbeleid aansluit bij deze nieuwe duurzame ontwikkelingsdoelen en de implementatie van de SDG’s ondersteunen. In 2015 en 2016 vindt een aantal grote internationale conferenties plaats waarin stappen vooruit moeten worden gezet. Tijdens de COP-21 Klimaatconferentie in Parijs is het zaak nadere afspraken te maken over het mitigeren van de gevolgen van klimaatverandering. Op de VN World Humanitarian Summit in mei in Istanboel zal Nederland aandacht vragen voor betere internationale samenwerking op het gebied van noodhulp en de Habitat III Conferentie moet een nieuwe mondiale agenda voor stedelijke ontwikkeling opleveren. Tijdens UN Environmental Assembly 2 moeten afspraken worden gemaakt over bescherming van het milieu in het kader de post-2015 agenda. In al deze conferenties zet Nederland erop in dat er ambitieuze afspraken gemaakt worden die door alle partijen gedragen worden.

...op Europees niveau...

Internationale afspraken dienen ook hun weerslag te krijgen in het EU-beleid. Vanuit de agenda voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (BHOS) wil Nederland het EU-voorzitterschap aangrijpen om de gezamenlijke EU-inzet op het gebied van noodhulp en migratie te verbeteren en de SDG’s – nadat deze in internationaal verband zijn aangenomen – te verankeren in het EU-beleid. Nederland wil tevens aandacht vragen voor de verdere verduurzaming van mondiale waardeketens en de synergie tussen hulp en handel in het EU-beleid versterken. Daarnaast wordt er hard gewerkt aan de economische relaties van de EU en verbetering van de markttoegang van het bedrijfsleven in de rest van de wereld. Het Transatlantic Trade and Investment Partnership tussen de EU en de VS (TTIP) is daar een belangrijke stap in Nederland kan veel voordeel behalen bij TTIP, zowel voor consumenten (vergroting productkeuze) als voor de werkgelegenheid. Bijna de helft van de Nederlandse werknemers is in dienst bij een bedrijf dat exporteert. Wanneer de internationale handel toeneemt, maken bedrijven meer omzet. Dit kan weer voor meer investeringen van bedrijven zorgen. Hierdoor ontstaan meer banen.

Samen hebben de VS en de EU de ambitie om het mondiale handelssysteem te versterken en met TTIP daar hoge standaarden voor te zetten die in WTO-verband normstellend zijn. Teneinde de onderhandelingen succesvol te kunnen afronden, dient voor Nederland wel aan belangrijke randvoorwaarden te worden voldaan, zoals het behoud van ons sociaal-economisch stelsel en onze hoge normen op het gebied van mens, dier en milieu. Verder zet Nederland in op de verdere uitwerking van een investeringsbeschermingshoofdstuk, inclusief een modern geschillenbeslechtingsmechanisme. TTIP strekt zich uit over vele onderwerpen. Nederland heeft onder meer belangen in de landbouw, high-tech en maritieme sector. Goede informatievoorziening over TTIP is daarom cruciaal. Het kabinet spant zich er voor in de samenleving bij de discussie over TTIP te betrekken. Naast de transatlantische band werkt de EU aan intensievere banden via handels- en/of investeringsakkoorden met o.a. Brazilië, China, Japan, India en Vietnam. Een goed handels- en investeringssysteem is van goot belang voor een handelsland bij uitstek als Nederland.

...en actie in Nederland.

De SDG’s zijn universeel en brengen, na multilaterale overeenstemming erover, ook voor Nederland verantwoordelijkheden met zich mee. Met de agenda voor hulp, handel en investeringen draagt Nederland bij aan oplossingen voor mondiale uitdagingen. Het uitgangspunt is om samen te werken met andere overheden, maatschappelijke organisaties, bedrijven, (ontwikkelings)banken en kennisinstellingen om zo de slagkracht te vergroten. Bovendien moet er recht gedaan worden aan de complexiteit en de samenhang van de problemen waar we voor staan. Klimaatverandering en armoede beïnvloeden elkaar, evenals economische ontwikkeling en veiligheid, en migratie. Die zaken moeten in samenhang bezien en aangepakt worden. Dat doen we door hulp, handel en investeringen met elkaar te verbinden, maar bijvoorbeeld ook met een pleidooi in diverse fora (VN, EU) voor een integrale aanpak op het gebied van vrede, veiligheid en ontwikkelingssamenwerking. Nederland gebruikt de instrumenten uit deze zogeheten 3D-benadering (diplomacy, defense en development) om per situatie te kiezen voor de beste mix van instrumenten en deze in het veld met elkaar te verbinden. Dit geldt ook voor onze bijdrage aan brede vredesmissies van de EU en VN, waarbij we streven naar het leveren van een meerwaarde binnen niches (o.a. inzet op resolutie 1325, community policing, intel) die zich in elk van de drie D’s aandienen.

Migratie

Conflicten, onveiligheid en repressie in landen nabij Europa hebben geleid tot menselijk leed op ongekende schaal. Steeds meer mensen zien zich genoodzaakt alles achter te laten in een poging een veilig heenkomen te vinden. De dagelijkse, schrijnende beelden van vluchtelingen die in Europa aankomen, brengen de crises in landen als Syrië, Irak en Eritrea heel dichtbij. In 2015 is Nederland, net als veel andere Europese landen, geconfronteerd met een sterk verhoogde instroom van asielzoekers. Hoewel het verloop van de asielinstroom grillig en lastig te voorspellen is, kan vanwege de aanvragen van nareizende gezinsleden verwacht worden dat ook in 2016 de asielinstroom ten opzichte van de begroting 2015 hoger zal zijn. De hogere instroom stelt alle actoren rond het asielproces voor belangrijke uitdagingen en vraagt kabinetsbreed om aanvullende maatregelen. Deze maatregelen beperken zich niet tot het nationale terrein, maar hebben ook een belangrijke internationale dimensie.

Inmiddels is overal in Europa het besef aanwezig dat we de huidige migratieproblematiek alleen kunnen oplossen door Europese solidariteit en samenwerking, bundeling van al onze instrumenten en middelen, nieuwe maatregelen, meer inzet op aanpak van de grondoorzaken van gedwongen migratie en op humanitaire hulp voor vluchtelingen en ontheemden.

Op al deze terreinen is Nederland een actieve speler. Om nog beter in staat te zijn geïntegreerd beleid uit te werken en vernieuwende ideeën te presenteren, heeft het kabinet een Ministeriële Commissie Migratie opgericht. Deze commissie zal zich over de migratieproblematiek buigen op mondiaal, Europees en nationaal niveau en met concrete plannen komen om de migratieproblematiek aan te pakken.

1. Aanpak grondoorzaken

Doordat jaarlijks meer Afrikaanse jongeren op de arbeidsmarkt komen dan er nieuwe banen bijkomen, groeit de jeugdwerkloosheid in rap tempo. Het is van groot belang deze jongeren meer kansen te geven hun dromen en ambities waar te maken in eigen land. Zo wordt ook hun kwetsbaarheid voor mensensmokkelaars of radicalisering verminderd. Nederland investeert daarom extra in het creëren van werkgelegenheid in Afrika, onder meer door EUR 50 miljoen te investeren in het creëren van jeugdwerkgelegenheid en ondernemerschap in landen waar weinig economisch perspectief is. Ook pleiten we binnen de EU, Wereldbank en VN voor meer aandacht voor Afrikaanse jongeren als belangrijke doelgroep binnen tal van programma’s.

Daarnaast werkt Nederland – in een gezamenlijke inspanning van Buitenlandse Zaken, Defensie en Veiligheid en Justitie – aan het verbeteren van de veiligheid en stabiliteit in landen waar veel vluchtelingen vandaan komen zoals Syrië, Irak en Afghanistan. Dat betekent trainen en opleiden van het leger en politie (of de oppositie in geval van Syrië) en het versterken van de civiele controle op veiligheidsorganisaties, zodat burgers zich veiliger weten. Dat betekent ook het ondersteunen van diplomatieke inspanningen en bemiddelingspogingen om conflicten op te lossen, zoals het werk van VN gezant De Mistura in Syrië en tevens het borgen van rechten van mensen, zodat ze weer vertrouwen kunnen opbouwen in de overheid en rechterlijk macht, bijvoorbeeld door ondersteuning van de op verzoening gerichte grondwetsherziening in Irak.

2. Migratiepartnerschap met Hoorn van Afrika

Nederland heeft, samen met de Europese Commissie, een trekkersrol bij het EU regionale ontwikkelings- en beschermingsprogramma in de Hoorn van Afrika. Nederland wil die rol benutten voor een bredere dialoog met de Hoorn van Afrika, over de mogelijkheden om tot partnerschappen op migratieterrein te komen, waar zowel de landen in de Hoorn, Europese landen en migranten en vluchtelingen baat bij hebben. Dit doel staat ook centraal bij de topbijeenkomst in Valletta in november. Het gaat bij deze partnerschappen onder meer om gezamenlijke aanpak van mensensmokkel, verminderen spanningen met gastgemeenschappen, aanpak grondoorzaken, goede afspraken over terugkeer en herintegratie en capaciteitsopbouw op migratieterrein.

3. Innovatie van noodhulp

Naast deze inzet op structurele oplossingen maakt Nederland zich sterk voor vluchtelingen en ontheemden. De meeste vluchtelingen verblijven niet ver van de grens van hun land van oorsprong (opvang in de regio). Met het instellen van het Relief Fund (EUR 570 miljoen voor periode 2014–2017), bovenop het jaarlijkse budget van ca. EUR 200 miljoen dat beschikbaar is voor humanitaire hulp, kan Nederland hier een forse extra bijdrage aan geven. Het gaat echter niet alleen om meer hulp. Nederland speelt internationaal een voortrekkersrol bij de vernieuwing van humanitaire hulp. De World Humanitarian Summit in Istanbul in 2016 biedt een uitgelezen kans om hier werk van te maken. Samen met de VN introduceren we gebruik van «big data» om humanitaire hulp te verbeteren; zo maken de gegevens (facebook, internetgebruik, sms, twitter, radio, verplaatsingspatroon mobiele telefoons enz.) van miljoenen klanten van grote telecom- en internetbedrijven het mogelijk migratiestromen beter te voorspellen. Samen met het bedrijfsleven werken we aan vernieuwing, innovatieve financiering en kostenreducties. Internationaal pleiten we voor meer steun voor gastgemeenschappen. En binnen IMF en Wereldbank maken we ons sterk voor openstelling van zachte leningen voor middeninkomenslanden, zoals Libanon en Jordanië, waar publieke voorzieningen dreigen te bezwijken onder het grote aantal vluchtelingen.

Klimaat

Ook klimaatverandering moet gezien worden in een bredere context. Klimaatverandering is een belangrijke oorzaak van armoede, ongelijkheid en instabiliteit. Lage- en middeninkomenslanden zijn relatief kwetsbaar voor de gevolgen van klimaatverandering en de bevolking heeft vaak minder mogelijkheden om te anticiperen op nieuwe omstandigheden zoals extreem weer. Nederland spant zich daarom zowel in voor het tegengaan van klimaatverandering (mitigatie) als voor het vergroten van de weerbaarheid van de meest kwetsbare groepen (adaptatie). Nederland helpt lage- en middeninkomenslanden met het investeren in hernieuwbare energie en de toegang daartoe en met een beter beheer van landschappen en bossen om het effect van economische ontwikkeling op uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen te beperken. Nederland is daarom ook een belangrijke donor en lid van de Board van het Green Climate Fund. Programma’s gericht op voedselzekerheid en water zorgen voor een grotere weerbaarheid tegen klimaatverandering. Via de organisatie van een grote conferentie over klimaatadaptatie, Adaptation Futures 2016, samen met o.a. de Europese Commissie wil Nederland bijdragen aan internationale maatregelen om lage- en midden-inkomenslanden weerbaarder te maken tegen klimaatverandering.

De internationale veiligheid en human security komen door klimaatverandering onder nog grotere druk te staan. Bijvoorbeeld door milieudegradatie of natuurrampen die migratiestromen op gang brengen of door spanningen veroorzaakt door waterschaarste of beschikbaarheid van grondstoffen. De gevolgen van klimaatverandering dreigen veel successen van de afgelopen 70 jaar op het gebied van stabiliteit en ontwikkeling ongedaan te maken en zullen effect hebben op de wereldeconomie, ongelijkheid en interstatelijke verhoudingen. Om beter te kunnen anticiperen op de diverse veiligheidsaspecten en potentiële conflicten als gevolg van klimaatverandering is er behoefte aan een structureel platform voor informatiedeling en nauwere internationale samenwerking. Nederland biedt dit platform door het organiseren van een jaarlijkse internationale conferentie Planetary Security: peace and cooperation in times of climate change and global environmental challenges. Dit najaar zal de conferentie voor de eerste maal plaatsvinden in het Vredespaleis, in Den Haag.

Beleidscoherentie voor ontwikkeling

Coherent beleid door de ontwikkelde landen op het terrein van handel, economie en klimaat is een essentiële voorwaarde voor de realisatie van de SDG’s. Op het ministerie is een projectgroep opgericht die de beleidscoherentie voor ontwikkeling bewaakt. Prioriteiten zijn daarbij handel, belastingen en duurzame ketens. Zo hecht Nederland bijvoorbeeld veel belang aan een zo gunstig mogelijk effect van TTIP op lage- en midden-inkomenslanden, het afspreken van ontwikkelingsvriendelijke Economic Partnership Agreements (EPA’s) en zet Nederland in op een ambitieuze agenda voor verhoging van de belastinginkomsten voor lage- en middeninkomenslanden. Ook geeft Nederland aandacht aan het onderwerp patenten en de toegang tot betaalbare medicijnen. Het TRIPS verdrag (Trade Related Intellectual Property Rights) biedt ruimte om rekening te houden met het belang van de volksgezondheid. Dat is voor ontwikkelingslanden zeer van belang. Nederland pleit er daarom voor dat er in handelsakkoorden geen afbreuk wordt gedaan aan deze mogelijkheid via zogenoemde «TRIPS plus-bepalingen». Ook binnen de EU maakt Nederland zich sterk voor beleidscoherentie voor ontwikkeling. Mede op aandringen van Nederland wordt het EU-beleid ex ante gescreend op gevolgen voor lage- en middeninkomenslanden. Nederland zal in EU-verband steun uitspreken voor het initiatief om de impact van nationaal beleid in kaart te brengen.

De agenda voor hulp, handel en investeringen

Hieronder wordt nader ingegaan op de accenten in het begrotingsjaar 2016. De begrotingen van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking dienen in nauwe samenhang te worden bezien. Daarnaast komt de inzet op het Nederlands buitenlandbeleid tot uitdrukking in de Homogene Groep Internationale Samenwerking, die de onderlinge rijksbrede samenhang en de samenwerking en afstemming tussen de betrokken ministeries bevordert.

De agenda voor hulp, handel en investeringen heeft drie doelstellingen: (1) het uitbannen van extreme armoede, (2) het bevorderen van duurzame en inclusieve groei, en (3) het vergroten van het succes van het Nederlands bedrijfsleven in het buitenland.

1. Uitbanning van extreme armoede

Een van de SDG’s betreft de uitbanning van extreme armoede per 2030. Hiertoe moeten de omstandigheden van de allerarmsten en de meest kwetsbare groepen in de wereld worden verbeterd. De wereldgemeenschap zal zich in de SDG’s naar verwachting verbinden met het principe van Leave No One Behind. Dat is geen geringe opgave. Veel extreem arme mensen zijn woonachtig in middeninkomenslanden waaronder India en China, maar ook in in fragiele staten, post-conflictlanden en in landen met een zeer beperkte economische ontwikkeling. In de toekomst zal extreme armoede zich vooral concentreren in die laatste groepen landen. Nederland steunt het internationale streven om ODA-gelden meer op deze landen te richten. Ons land besteedt minimaal 0,15–0,2% van het BNI aan de minst ontwikkelde landen. De oorzaken van extreme armoede liggen op verschillende onderling verweven terreinen: klimaat, veiligheid,economische ontwikkeling en werkgelegenheid, en sociale uitsluiting. Klimaatverandering is een katalysator van armoede, veiligheid is een randvoorwaarde en het hebben van werk is de belangrijkste weg om uit armoede te kunnen ontsnappen. Bestrijding van armoede en het bevorderen van ontwikkeling vallen zo meer en meer samen met de aanpak van mondiale uitdagingen.

In 2016 werkt Nederland verder aan armoedevermindering via de vier speerpunten voedsel, water, veiligheid en rechtsorde en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR) en de drie thema’s klimaat, privatesectorontwikkeling en vrouwenrechten. Nederland heeft zich in de onderhandelingen over de SDG’s ingezet om gender als zelfstandige doelstelling op te nemen en zal in lijn hiermee de partnerlanden steunen bij de implementatie van de SDGs over vrouwenrechten en SRGR. In 2016 vindt een UN General Assembly Special Session plaats over drugs, een belangrijk moment om de vermindering van hiv-infecties te agenderen en de volksgezondheid-en mensenrechtenaspecten te bepleiten. In het speerpunt Veiligheid en Rechtsorde staan migratie en noodhulp hoog op de agenda. Er komt meer focus op transitional justice om de ontwikkeling van de rechtsstaat en een duurzame vrede te bevorderen na een conflict.

De Nederlandse overheid werkt steeds vaker samen met het bedrijfsleven, ngo’s en kennisinstellingen in de strijd tegen armoede. Bijvoorbeeld als het gaat om het vergroten van kennis en capaciteit van organisaties in lage- en middeninkomenslanden. Dat gebeurt onder andere in de Kennisplatforms, het NICHE programma, dat de capaciteitsopbouw in het hoger onderwijs in partnerlanden ondersteunt en via de Dutch Land Governance Academy die bijdraagt aan de capaciteitsopbouw voor betere landrechten en landgebruik. De samenwerking tussen verschillende publieke en private organisaties op internationaal niveau krijgt steeds meer vorm in het Global Partnership for Effective Development Cooperation (GPEDC). Nederland is co-voorzitter van dit partnerschap.

Samenwerking met multilaterale organisaties blijft essentieel om onze doelen te bereiken. Nederland zal de samenwerking met organisaties die onvoldoende functioneren of onvoldoende relevant zijn voor de uitvoering van de beleidsagenda op een lager pitje zetten of beëindigen. Voor Nederland belangrijke thema’s daarbij zijn onder meer het vergroten van de transparantie van bestedingen en betrokkenheid van bedrijfsleven bij de multilaterale organisaties.

Voor het uitvoeren van de internationale afspraken, die onder meer gemaakt worden in de conferentie over Financing for Development, de SDG-top en COP-21, is veel geld nodig. Ontwikkelingsbanken spelen een belangrijke rol in het vergroten van de beschikbare financiële middelen. Nederland zet daarbij in op een intensievere samenwerking tussen ontwikkelingsbanken onderling en nieuwe, innovatieve vormen van financiering om meer privaat geld aan te trekken. Voor de armste landen blijft ODA onontbeerlijk.

2. Bevorderen van duurzame en inclusieve groei, overal ter wereld

Het is duidelijk dat economische groei en toenemende welvaart waarvan iedereen kan profiteren niet vanzelfsprekend is. Zo neemt in de meeste landen de ongelijkheid toe, komt de welvaart onvoldoende terecht bij de allerarmsten en is sociale mobiliteit lang niet voor iedereen mogelijk. Hoge jeugdwerkloosheid vormt op veel plekken een urgent probleem. Dit is niet alleen vanuit moreel oogpunt problematisch, maar ondergraaft op termijn ook de sociale cohesie, politieke stabiliteit en de economische ontwikkeling zelf. Ook de druk op de leefomgeving en het milieu neemt vaak toe met economische groei. Inzet op verschillende niveaus is nodig om duurzame en inclusieve ontwikkeling te stimuleren. Dan gaat het om het vergroten van de toegang tot internationale markten, het versterken van de private sector in lage- en middeninkomenslanden, het stimuleren van handel en investeringen die kunnen bijdragen aan ontwikkeling, eerlijke belastingen en verduurzaming van productie- en handelsketens. Het beleid hierop is uiteengezet in diverse Kamerbrieven en zal ook in 2016 worden voortgezet.

In 2016 gaat onder het nieuwe beleidskader Samenspraak en Tegenspraak een aantal programma’s van start om ervoor te zorgen dat ook de allerarmsten en de meest kwetsbare groepen kunnen profiteren van de toenemende welvaart, kunnen deelnemen aan de economie, en dat zij meer invloed kunnen uitoefenen op politieke en maatschappelijke ontwikkelingen die hun leven aangaan. Dit wordt gedaan via de nieuwe strategische partnerschappen en met het accountability fonds dat wordt uitgevoerd via de ambassades. Daarnaast zal het Voice-fonds zich specifiek richten op capaciteitsversterking van de meest gemarginaliseerde, gediscrimineerde of moeilijk te bereiken groepen.

Voorst gaat Nederland in 2016 bezien hoe binnen de beschikbare middelen extra ingezet kan worden op het creëren van werkgelegenheid voor jongeren en op ondersteuning van ondernemers en werknemers in de informele sector op het terrein van ondernemerschap en sociale rechten. Het merendeel van de armen werkt in de informele sector, ook in de sterk groeiende steden. Het scheppen van goede banen voor jongeren is urgent. Jongeren in ontwikkelingslanden zijn een kwetsbare groep, ook waar het gaat om hun positie op de arbeidsmarkt, maar ook zijn zij potentieel de motor voor economische groei, mits hun potentieel wordt benut voor productief werk. De jeugdwerkloosheid is gemiddeld drie keer zo hoog als die bij volwassenen, en werkende jongeren hebben vaak geen volwaardige baan. Binnen de groep jongeren hebben meisjes nog weer minder kansen.

Vrouwenrechten en gendergelijkheid spelen mede daarom een belangrijke rol in het bereiken van de allerarmsten en de meest kwetsbare groepen. Internationaal groeit het besef dat duurzame en inclusieve ontwikkeling alleen mogelijk is als vrouwen daarin een gelijkwaardige rol kunnen spelen, maar in de praktijk komt er nog te weinig van terecht. Bovendien groeit er een politiek-ideologische tegenbeweging tegen vrouwenrechten die afspraken van de Wereldvrouwenconferentie in Beijing (1995) ter discussie stelt. Nederland kiest in dit krachtenveld voor een sterke inzet op de verbetering van het klimaat voor gendergelijkheid en de rechten van vrouwen en meisjes en op de cruciale rol van vrouwen bij vrede en veiligheid.

In 2016 wordt het fonds Funding Leadership and Opportunities for Women (FLOW) voortgezet, dat via programma’s met internationale en Nederlandse maatschappelijke organisaties zal bijdragen aan versterkte capaciteit van lokale (vrouwen)-organisaties, concrete verbeteringen in de economische en politieke positie van vrouwen en de uitbanning van geweld tegen vrouwen. Het in voorbereiding zijnde derde Nederlands Actieplan 1325 zal in de jaren 2016–2019 via de samenwerking met maatschappelijke organisaties, inzet in missies, diplomatie en ontwikkelingssamenwerking bijdragen aan grotere deelname van vrouwen in vredes- en wederopbouwprocessen. Tijdens het EU voorzitterschap zet Nederland in op een nieuw EU Action Plan on Gender Equality and Women's Empowerment in Development en een evaluatie van EU-conclusies over gender uit 2010. Verder werkt Nederland in OESO- en VN-verband aan versterking van transparantie en resultaatmeting van investeringen in gendergelijkheid en vrouwenrechten.

In 2016 gaat extra aandacht uit naar het bevorderen van investeringen in lage- en middeninkomenslanden. Er is grote vraag in die landen naar investeringsprojecten die essentieel zijn voor verdere ontwikkeling bijvoorbeeld op het gebied van infrastructuur, stedelijke ontwikkeling, water, voedselproductie en energievoorziening. Doel is de effecten van deze investeringen op de werkgelegenheid, opleiding, kennisoverdracht en ontwikkeling van productieketens zo groot mogelijk te maken. Er liggen voor het Nederlandse bedrijfsleven grote kansen, maar ook grote knelpunten op deze nieuwe markten. Het is zaak er voor te zorgen dat zowel de ontwikkelingsimpact van investeringen als het succes van Nederlandse bedrijven op die markten worden vergroot. Het Developmentally Relevant Infrastructure Investment Vehicle (DRIVE) biedt onder andere ondersteuning bij de financiering van de ontwikkeling van fysieke infrastructuur in lage- en middeninkomenslanden. In 2016 zal binnen het budget voor private sectorontwikkeling geld vrij worden gemaakt voor de ondersteuning van overheden bij het ontwikkelen en aanbesteden van infrastructuur via een Trade-Assistance faciliteit genaamd Develop2Build.

Speciale aandacht gaat in 2016 en latere jaren uit naar het verhogen van de belastinginkomsten voor lage- en middeninkomenslanden via de inzet op verbetering van de internationale fiscale spelregels binnen de OESO, het bevorderen van verantwoord ondernemingsgedrag op gebied van belastingen en versterking van de capaciteit van overheden om belastingen te innen. Op het gebied van IMVO en het verder verduurzamen van internationale handelsketens wordt voorgebouwd op de succesvolle inzet voor betere arbeidsomstandigheden en lonen in de textielsector na de ramp in Rana Plaza in Bangladesh (2013). Nederland zal zich binnen de EU sterk maken voor betere implementatie van afspraken over handel en duurzaamheid in handelsakkoorden en bedrijven ondersteunen bij het Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen en de verduurzaming van handelsketens met bijvoorbeeld het Initiatief Duurzame Handel. De in 2015 uitgevoerde Sector Risico Analyse heeft in 13 sectoren verhoogde risico’s geïdentificeerd. Daarvan heeft een aantal, waaronder de kledingsector en de bankensector, al het initiatief genomen om via een convenant afspraken te maken over het voorkomen en aanpakken van MVO-risico’s. Meer sectoren zullen dit in 2016 met elkaar gaan uitwerken waarbij ook ketenverantwoordelijkheid een onderwerp is. Zo ook voor goud, een sector waar blijkens de Sector Risico Analyse veel MVO-risico’s zijn en waar veel geïnteresseerde spelers zijn in concrete afspraken voor een goudconvenant om die risico’s te verminderen. De pilot het Conflictvrije Tin Initiatief krijgt in 2015–2017 een vervolg. Het gebruikte traceerbaarheidssysteem zal verder geïmplementeerd worden in de Grote Meren regio; meer mijnen zullen worden aangesloten op het systeem. Dit systeem zorgt ervoor dat conflictvrij gedolven grondstoffen (tin, coltan en wolfraam) worden verzegeld en gevolgd vanaf de mijn tot aan de smelter, zodat duidelijk is dat deze grondstoffen niet en route worden gemengd met grondstoffen waarvan de herkomst onduidelijk is.

3. Succes voor het Nederlands bedrijfsleven in het buitenland

Het belang van buitenlandse handel en investeringen voor het verdienvermogen van Nederland is groot. Een derde van het Nederlandse inkomen en van de werkgelegenheid komt tot stand door buitenlandse handel en investeringen. Niet alleen de exportproductie is belangrijk, maar ook import en het aantrekken van innovatieve buitenlandse bedrijven zijn bepalend voor ons verdienvermogen in de toekomst. Eén procent van de Nederlandse bedrijven is een buitenlandse onderneming. Zij zorgen voor ca. 1 miljoen banen en dragen door middel van investeringen en innovatie in belangrijke mate bij aan de versterking van de Nederlandse concurrentiekracht. Daarbij gaan we de concurrentie aan met steeds meer landen op steeds meer markten. Onze belangrijkste handelspartners liggen in de Europese Unie maar toekomstige groei zal vooral uit opkomende landen in Afrika, Azië en Latijns-Amerika komen. Om de sterke Nederlandse concurrentiepositie te kunnen behouden moet Nederland zich steeds strategisch positioneren in het buitenland en gebruik maken van onze goede naam op zaken als water, duurzaamheid en IMVO, evenals van onze bestaande (hulp)relaties in het buitenland. Op die manier kunnen ook publieke en private krachten worden gebundeld om in te spelen op mondiale uitdagingen.

Nederland blijft zich inzetten voor een sterk en effectief wereldhandelssysteem; een duidelijk institutioneel kader is immers nodig voor het goed functioneren van de markt en om globalisering in goede banen te leiden. De WTO speelt hierin een sleutelrol, als forum waar nieuwe regels worden uit onderhandeld en als waakhond voor de implementatie en handhaving van bestaande regels. Daarom is het van belang dat de WTO voldoende toegerust en slagvaardig is om zijn waakhondfunctie te vervullen. De afronding van de huidige Doha-ronde staat daarbij centraal, waarbij Nederland er op inzet dat de ontwikkelingsbelofte van de ronde wordt ingelost. Nederland hecht daarnaast sterk aan de implementatie van bestaande multilaterale afspraken, zoals op het gebied van handelsfacilitatie. Op dit onderwerp is Nederland zowel een belangrijke donor als kenniscentrum en draagt zo bij aan een betere integratie van ontwikkelingslanden in het mondiale handelsbestel.

Zoals beschreven ontbreekt het echter op belangrijke terreinen nog aan afspraken om internationale transacties goed te regelen, waaronder op het terrein van buitenlandse investeringen en duurzaamheid. De verwevenheid van landen, ook steeds meer lage- en middeninkomenslanden, in mondiale waardeketens maakt het urgent om ook op deze lastige onderwerpen tot afspraken te komen. Nederland wil zich hier in WTO-verband hard voor maken en vraagt ook in andere fora, zoals de OESO en de UNCTAD, om aandacht voor deze thema’s.

Waar het niet lukt om binnen de huidige multilaterale onderhandelingsronde tot afspraken te komen, ondersteunt Nederland het streven van de EU om op deelterreinen met gelijkgezinde landen tot verdere handelsliberalisatie te komen op terreinen die bepalend zijn voor de toekomstige groei van de handel. Zo wordt momenteel onderhandeld over liberalisatie van handel in milieugoederen (Green Goods Initiative), ICT-producten (ITA-II) en diensten (TiSA). De inzet van de EU en Nederland is dat deze akkoorden openstaan voor landen die later willen toetreden.

Daarnaast is er komend jaar veel aandacht voor versterking van bilaterale handelsrelaties van de EU, onder andere in de vorm van handelsakkoorden en investeringsverdragen. De onderhandelingen met de VS over het TTIP blijven bovenaan de agenda staan. De EU-onderhandelingen voor handelsakkoorden en investeringsverdragen met Zuid-Amerikaanse landen verenigd in Mercosur (Brazilië, Argentinië, Paraguay, Uruguay en Venezuela), Japan en China gaan door in 2016. Ook wordt er binnenkort gestart met de onderhandelingen met Australië en Nieuw-Zeeland. Bij alle verdragen en akkoorden hecht Nederland veel belang aan een zo positief mogelijk effect ervan op ontwikkelingslanden.

Door afspraken met elkaar te maken nemen handelsbarrières af. Tegelijk groeit het belang van economische diplomatie om bedrijven, in het bijzonder het MKB, te introduceren op nieuwe markten. Dat kan zijn omdat de lokale overheid een belangrijke economische speler is, of omdat de zakelijke cultuur verschilt. Elke markt vergt een eigen aanpak, ook nabije markten, en het vinden van zakenpartners vereist tijd en geld. Een goede economische dienstverlening verlaagt de informele kosten van handelen aanzienlijk en opent deuren voor ondernemers en kennisinstellingen. Het gaat niet alleen om de promotie van het Nederlandse product in het buitenland, maar ook om de promotie van Nederlandse kennis en het stimuleren van internationale samenwerking op het gebied van kennis.

De Nederlandse economische dienstverlening aan bedrijven, inclusief het instrumentarium voor internationalisering van het bedrijfsleven, moet dan ook concurrerend zijn. Daarom wordt er gewerkt aan een herziening van de huidige non-ODA overheidsinstrumenten voor de financiering van internationale bedrijfsactiviteiten. Gekeken wordt in hoeverre deze aansluiten bij veranderende internationale marktomstandigheden, uitdagingen op het gebied van financiering, en de rol van overheden in opkomende markten. Deze hervorming zal in 2015 haar beslag krijgen.

Het project Excellente Economische Dienstverlening is in 2015 gestart om de kwaliteit van de economische dienstverlening verder te verbeteren en zal doorlopen in 2016. Bedrijven en ondernemers moeten het ministerie en de posten makkelijker weten te vinden. Samen met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) wordt daarom gewerkt aan de bekendheid van deze functie van het ministerie bij bedrijven en aan de toegankelijkheid van de economische dienstverlening. Er is een pilot gestart in drie landen (Frankrijk, Duitsland en Brazilië) waarbij van het bedrijfsleven een eigen bijdrage wordt gevraagd voor de economische dienstverlening door de posten. De verwachting is dat een dergelijke (geringe) bijdrage als een selectiemechanisme aan zowel de aanbod- als vraagzijde zal fungeren en de kwaliteit van de hulpvraag en van de geboden economische dienstverlening zal verhogen. In de komende periode zal ook een dienstencatalogus worden opgeleverd waarmee het voor ondernemers in één oogopslag duidelijk is welke vormen van economische dienstverlening beschikbaar zijn vanuit het ministerie en de posten. Daarbij laat het ministerie een onafhankelijk onderzoek uitvoeren naar de mogelijkheden voor verdere kwaliteitsverbetering en stroomlijning van de werkprocessen in de economische dienstverlening van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Economische Zaken, RVO en de posten. De resultaten en aanbevelingen uit dit onderzoek worden in de eerste helft van 2016 verwacht.

Tenslotte wordt er ingezet op versterkte publiek-private samenwerking. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft met het wereldwijde postennetwerk een waardevolle infrastructuur in huis voor economische dienstverlening in het buitenland aan bedrijven en kennisinstellingen. Daarnaast hebben de posten een signalerende functie; ze kunnen relevante ontwikkelingen, kansen en bedreigingen delen met het Nederlandse bedrijfsleven. Er wordt daarbij nauw samengewerkt met het Ministerie van Economische Zaken, onder meer met Netherlands Foreign Investment Agency en het Innovatie-attaché netwerk. Ook is er een groot privaat handelsbevorderend netwerk in Nederland. Intensieve samenwerking daarmee wordt steeds vanzelfsprekender en belangrijker. Dit krijgt onder andere vorm binnen het Dutch Trade and Investment Board (DTIB). Door publiek-privaat samen op te trekken wordt de slagkracht van Nederland vergroot, en kan Nederland beter opereren op het snijvlak van publiek en privaat belang.

Zo spelen de topsectoren in op mondiale uitdagingen onder de vlag Global Challenges, Dutch Solutions en wordt het merk Sustainable Urban Delta in het buitenland neergezet om Nederland te profileren op maatschappelijke thema’s. Er zijn meer niches en (afzet)markten waar Nederland op basis van onze kennis, expertise, capaciteiten en bestaande relaties veel te bieden heeft, bijvoorbeeld op het gebied van landbouw, agrologistiek of life sciences and health. In de economische missies is er veel aandacht voor deze Nederlandse niches en (afzet)markten. De samenwerking bij het opstellen van de strategische economische reisagenda- als onderdeel van de strategische reisagenda van het kabinet – helpt om beide perspectieven, publiek en privaat, samen te brengen en uiteindelijk meer (politiek en economisch) profijt te halen uit de missies.

Meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen1De begroting van BZ is in 2013 opgesplitst in de begroting van BZ (Hfst. 5) en BHOS (Hfst. 17). Er zijn toen nieuwe beleidsartikelen en beleidsdoelstellingen geformuleerd. Beleidsdoorlichtingen van voor dat jaar zijn in deze tabel met terugwerkende kracht over de nieuwe beleidsdoelstellingen verdeeld.2Bij BZ en BHOS is het wel de wens om beleidsdoorlichtingen van één beleidsartikel uit te voeren maar inhoudelijk is dat nog niet mogelijk gebleken. Beleidsdoorlichtingen vinden plaats op één niveau lager namelijk van de beleidsdoelstelligen. Vandaar «Nee»in de laatste kolom.

Art

Naam

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Geheel

artikel?

   

realisatie

meerjarenplanning

 

1

Duurzame handel en investeringen

             

Nee

1.1

Versterkt internationaal handelssysteem, met aandacht voor Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen3
     

       

1.2

Versterkte Nederlandse Handels- en Investeringspositie en economische naamsbekendheid

     

       

1.3

Versterkte private sector en een verbeterd investeringsklimaat in ontwikkelingslanden

             

1.4

Dutch Good Growth Fund4
         

   

2

Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid en water

             

Nee

2.1

Toename van voedselzekerheid

   

         

2.2

Verbeterd waterbeheer, drinkwater en sanitatie

     

       

2.3

Duurzaam gebruik natuurlijke hulpbronnen, tegengaan van klimaatverandering en vergrote weerbaarheid van de bevolking tegen onafwendbare klimaatverandering5
 

           

3

Sociale vooruitgang

             

Nee

3.1

Seksuele en reproductieve gezondheid en rechten voor iedereen en een halt aan de verspreiding van HIV/aids6
               

3.2

Gelijke rechten en kansen voor vrouwen7
 

           

3.3

Versterkt maatschappelijk middenveld

   

         

3.4

Toename van het aantal goed opgeleide professionals, versterking van hoger- en beroepsonderwijsinstellingen en het bevorderen van beleidsrelevant onderzoek 6

               

4

Vrede en veiligheid voor ontwikkeling

             

Nee

4.1

Humanitaire hulp

 

           

4.2

Budget Internationale Veiligheid; voorkomen en terugdringen van conflictsituaties

               

4.3

Rechtstaatontwikkeling, wederopbouw, vredesopbouw, versterkte legitimiteit van democratische structuren en tegengaan van corruptie

   

         

5

Versterkte kaders voor ontwikkeling

             

Nee

5.1

Versterkte multilaterale betrokkenheid

   

         

5.2

Overig armoedebeleid

               

5.3

Bijdrage aan migratie en ontwikkeling

       

     

Noot 3: Deze beleidsdoelstellingen zijn toegevoegd n.a.v. de toevoeging van de DGBEB aan BZ.

Noot 4: Dit is een nieuwe beleidsdoelstelling van dit kabinet.

Noot 5: kamerstuk 31271, nr. 15.

Noot 6: Beleidsdoorlichtingen voor deze artikelen zullen uiterlijk in 2020 plaats vinden. Momenteel wordt gekeken of het eventueel eerder zal gebeuren.

Noot 7: Deze beleidsdoelstelling is per 2015 overgegaan naar het Ministerie van Defensie.

BELANGRIJKSTE BELEIDSMATIGE MUTATIES TEN OPZICHTE VAN VORIG JAAR

Hieronder treft u een toelichting aan op de belangrijkste mutaties vanaf 2016 en verder ten opzichte van de memorie van toelichting 2015. De mutaties voor 2015 zijn eerder dit jaar toegelicht in de eerste suppletoire begroting 2015.

Belangrijkste beleidsmatige mutaties ten opzichte van vorig jaar

Bedragen x EUR 1.000

2015

2016

2017

2018

2019

Stand ontwerpbegroting 2015

2.475.165

2.492.521

2.504.309

2.286.364

2.290.963

1 Duurzame handel en investeringen

4.328

8.725

32.681

1.300

1.300

2 Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid en water

– 2.186

– 40

2

2

2

3 Sociale vooruitgang

– 2.257

859

2.500

– 5.000

– 5.000

4 Vrede en veiligheid voor ontwikkeling

314.000

150.000

150.000

   

5 Versterkte kaders voor ontwikkeling

5.180

34.841

– 58.063

147.288

146.898

Stand ontwerpbegroting 2016

2.794.230

2.686.906

2.631.429

2.429.954

2.434.163

Toelichting:

Artikel 1

Een deel van de begrotingsreserve voor de Faciliteit Opkomende Markten (FOM) wordt in drie jaar verlaagd en opgenomen op de begroting om lokaal ondernemerschap te stimuleren ten behoeve van jonge Afrikaanse ondernemers (onderdeel aanpak van structurele oorzaken toenemende migratiestromen). Daarnaast wordt de eindejaarsmarge 2014 op het Dutch Good for Growth Fund (DGGF) ingezet in 2017.

Artikel 4

Met het oog op de vele internationale crises besloot het kabinet in 2014 EUR 570 miljoen extra beschikbaar te stellen voor een noodhulpfonds. De mutatie vanaf 2016 betreft de verwachte inzet voor deze beide jaren. Het fonds is flexibel inzetbaar gedurende de kabinetsperiode (t/m 2017). Daarnaast worden er in 2015 extra middelen vrijgemaakt voor opvang in de regio welke binnen het budget voor humanitaire hulp worden opgenomen.

Artikel 5

De mutatie wordt met name veroorzaakt doordat het ODA-budget meerjarig is gestegen als gevolg van de toename van het BNI zoals opgenomen in de Macro Economische Verkenningen.

Overzicht risico regelingen

(bedragen in duizenden euro's)

Artikel waarop garantie wordt verantwoord

Omschrijving garantie

Uitstaande garantie

Geraamd te verlenen

Graamd te vervallen

Uitstaande garantie

Geraamd te verlenen

Graamd te vervallen

Uitstaande garantie

Jaarlijks

Totaal

   

ultimo 2014

in 2015

in 2015

ultimo 2015

in 2016

in 2016

ultimo 2016

plafond

plafond

1

Garantie DGGF

2.554

55.000

0

57.554

75.000

 

132.554

 

132.554

1

Garantie FOM

68.602

   

68.602

   

68.602

 

154.192

1

Garantie DRIVE

             

55.000

 

5

Garanties IS-NIO

223.630

 

21.753

201.877

 

17.772

184.105

 

184.105

5

Garanties IS-Raad van Europa

176.743

 

0

176.743

 

1

176.742

 

176.742

5

Garanties Regionale Ontwikkelingsbanken

1.815.042

5.575

37.226

1.783.391

   

1.783.391

 

1.783.391

5

Garanties IS OPCW

0

 

0

0

   

0

 

0

 

TOTAAL

2.286.571

60.575

58.979

2.288.167

75.000

17.773

2.345.394

55.000

2.430.984

Uitgaven en ontvangsten

(bedragen in duizenden euro's)

                 

Artikel waarop garantie wordt verantwoord

Omschrijving garantie

Uitgaven

Ontvangsten

Saldo

Uitgaven

Ontvangsten

Saldo

Uitgaven

Ontvangsten

Saldo

   

realisatie 2014

realisatie 2014

realisatie 2014

geraamd 2015

geraamd 2015

geraamd 2015

geraamd 2016

geraamd 2016

geraamd 2016

1.1 (uitgaven) en 1.10 (ontvangsten)

Garantie FOM

 

126

126

0

5.000

5.000

 

10.000

10.000

1.3 (uitgaven) en 1.10 (ontvangsten)

Garanties DRIVE

     

12.500

0

-12.500

     

5.2 (uitgaven) en 5.20 (ontvangsten)

Garanties IS-NIO

702

4.703

4.001

212

3.000

2.788

193

3.000

2.807

 

TOTAAL

702

4.829

4.127

12.712

8.000

-4.712

193

13.000

12.807

Toelichting op overzicht risicoregelingen

DGGF

Het DGGF bestaat uit drie onderdelen:

  • –  Onderdeel 1 voorziet in het financieren van Nederlands midden- en kleinbedrijf dat ontwikkelingsrelevantie investeringen wil doen in lage- en middeninkomenslanden.
  • –  Onderdeel 2 financiert het lokaal midden- en kleinbedrijf in lage- en middeninkomenslanden.
  • –  Onderdeel 3 voorziet in het financieren en verzekeren van het Nederlandse midden- en kleinbedrijf dat wil exporteren naar lage- en middeninkomenslanden.

Binnen alle drie de onderdelen van het DGGF is het mogelijk om garanties te verstrekken. Voor onderdeel 2 houdt de fondsbeheerder zelf een reserve aan ter grootte van de verstrekte garanties, waardoor het begrotingsrisico voor BH&OS nihil is. Daarom wordt hieronder alleen ingegaan op onderdeel 1 en 3 van het DGGF. Door het verstrekken van garanties kan het DGGF onverwachts geconfronteerd worden met onvoorziene uitgaven indien de garantieverstrekking leidt tot claims. Daarnaast kan er een flinke mismatch in de tijd optreden tussen inkomsten en uitgaven. Om een buffer op te kunnen bouwen en de schommelingen in de tijd op te kunnen vangen zal voor onderdeel 1 en 3 van het DGGF, ingevolge artikel 5, vierde lid, van de Comptabiliteitswet 2001, gebruik worden gemaakt van het instrument «interne begrotingsreserve». De reserve wordt in de jaren 2014 t/m 2017 gevuld vanuit de middelen die voor de onderdelen 1 en 3 van het DGGF beschikbaar zijn voor garanties. De uiteindelijke hoogte van de begrotingsreserve is gerelateerd aan de hoogte van de garantieplafonds die voor de onderdelen 1 en 3 per onderdeel van het DGGF zijn vastgesteld. Op het moment dat de verhouding tussen het uitstaande garantieplafond en de omvang van de reserve teveel af gaat wijken van de overeengekomen hefboom wordt jaarlijks bezien of het nodig is om de hoogte van de begrotingsreserve of het garantieplafond aan te passen. Zowel de toevoeging van middelen aan de reserve als de onttrekking eraan en de (uiteindelijke) besteding van de middelen loopt over de begroting en wordt in de begroting toegelicht.

Onderdeel 1 (uitvoerder RVO.nl)

Als een commerciële partij (vaak een bank) bereid is mee te financieren zal er worden getracht een garantie in te zetten als instrument. Met dit instrument zal de overheid borg staan voor een percentage van de financiering die een bank, lokaal dan wel Nederlands, geeft. De Nederlandse staat neemt een deel van de risico’s over, waardoor een bank eerder geneigd zal zijn financiering te verschaffen. Ook is het mogelijk dat de overheid borg staat voor een gedeelte van de financiering in het geval van een tekort aan onderpand van de Nederlandse MKB’er. Als gezegd kan de bank die de financiering verschaft zowel een Nederlandse bank of financier zijn als een lokale bank. De inzet van het DGGF is om in het geval van lokale banken samen te werken met zogenaamde netwerkbanken, zijnde banken met een uitgebreid netwerk en/of vele vestigingen in DGGF-landen. Er wordt een vergoeding gehanteerd die in lijn is met de GO-faciliteit (Garantie Ondernemingsfinanciering van het Ministerie van Economische Zaken). Het uitgangspunt hierbij is dat de af te dragen opslag procentueel gelijk dient te zijn aan de door de staat verstrekt garantie. Dus als de staat 60% van de financiering garandeert zal de staat 60% van de opslag die de private financier ontvangt als vergoeding vragen aan deze financier. De hefboom voor onderdeel 1 van het DGGF is 1:2. Dat wil zeggen dat voor elke EUR 2 die aan garanties wordt uitgezet, er EUR 1 in de begrotingsreserve van het DGGF wordt gestort.

Onderdeel 3 (Uitvoerder Atradius)

De aanvullende EKV, die bij onderdeel 3 van het DGGF wordt verstrekt, werkt hetzelfde als de reguliere EKV. De politieke en commerciële risico's van exporttransacties worden verzekerd. Er kan aanspraak worden gemaakt op de polis als één van de gedekte schadeoorzaken leidt tot non-betaling van de vordering. De waaier van specifieke verzekeringen (bijvoorbeeld, exporteurs- en bankpolis, werkkapitaaldekking en garantiedekkingen etc.) die bij de EKV worden gevoerd, kunnen ook onder onderdeel 3 van het DGGF worden verzekerd. Met onderdeel 3 van het DGGF wordt een aanvulling geboden op de mogelijkheden onder de reguliere EKV voor ontwikkelingsrelevante exporttransacties. De noodzaak is er in gelegen dat een aantal exporttransacties nu geen doorgang vindt terwijl die wel ontwikkelingsrelevant zijn. Daarnaast biedt onderdeel 3 van het DGGF financiering voor kleine transacties (tot max. EUR 2 mln.) waarvoor geen bankfinanciering verkregen kan worden. In die gevallen wordt de financiering ook verzekerd. Atradius DSB analyseert de risico's zorgvuldig en nauwkeurig en hanteert een ruimer risicoprofiel dan bij de EKV. Uitgangspunt is dat er een goede business case aan de transactie ten grondslag moet liggen. Daarnaast geldt er voor de banken en de exporteurs een eigen risico wat maakt dat zij betrokken zijn en blijven bij de goede afloop van de transactie. Atradius DSB werkt met een Monitoring en Evaluatiekader (waarin, onder meer, de IMVO-kaders en voorwaarden voor de bepaling van de ontwikkelingsrelevantie) en zorgt risicospreiding voor een gezonde portefeuille. De premiestelling is gebaseerd op de OESO-minimum premies die voor EKV-stelsels zijn overeen gekomen en welke zijn vastgesteld op een hoogte die revolverendheid zou moeten kunnen garanderen. De premiesystematiek heeft als uitgangspunt dat de premies het risico reflecteren (landenrisico en debiteurenrisico) en er wordt rekening gehouden met de uitvoeringskosten. Kostendekkendheid over een langere periode (conform WTO-vereisten) is de basis van de premiesystematiek. De premie wordt periodiek in de begrotingsreserve gestort. De hefboom voor onderdeel 3 van het DGGF is 1:3. Dat wil zeggen dat voor elke EUR 3 die aan garanties wordt uitgezet, er EUR 1 in de begrotingsreserve van het DGGF wordt gestort. Indien er sprake is van een financiering wordt deze volledig gedekt vanuit de BH&OS-begroting. Voor financieringen wordt dan ook geen gebruik gemaakt van de begrotingsreserve.

FOM

Met de Faciliteit Opkomende Markten (FOM) worden investeringen van Nederlandse ondernemingen in opkomende markten gestimuleerd doordat de overheid een garantie verstrekt aan de Financierings Maatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO) voor financieringen aan lokale dochterondernemingen of joint-ventures van Nederlandse bedrijven. FMO kan door die garantie financiering verschaffen, daar waar banken of andere kapitaalverschaffers het risico niet kunnen lopen. Om een garantie te krijgen moet een kostendekkende premie worden betaald. Daaruit kunnen eventuele schades in latere jaren worden betaald. Voor de FOM wordt bij de Rijkshoofdboekhouding (RHB) een interne begrotingsreserve aangehouden. De begrotingsreserve dient om een eventuele mismatch in de tijd tussen inkomsten en uitgaven op te kunnen vangen. De verhouding tussen de reservering en de borgstellingsruimte is 1:2.

Financiering van internationale activiteiten is met name voor MKB-bedrijven complex. De Nederlandse overheid biedt twee financiële instrumenten aan – voor opkomende markten1 – die beogen aan deze financieringsuitdaging bij te dragen, te weten FOM en Finance for International Business (FIB). Hoewel het bedrijfsleven stelt behoefte te hebben aan dergelijke ondersteuning, is tegelijkertijd sprake van onderbenutting van FIB en in mindere mate FOM. Op grond van deze vaststelling en met het geschetste brede financieringsvraagstuk op het netvlies zijn FOM en FIB in 2015 herzien. De karakteristieken van deze regelingen zijn gecombineerd in een meer flexibele faciliteit met als doel meer maatwerk te kunnen bieden alsmede een meer homogene bediening aan het NL bedrijfsleven, waardoor de doelgroep beter kan worden bereikt.
Daarnaast wordt de begrotingsreserve (non-ODA) van de FOM de komende drie jaren met in totaal EUR 25 mln verlaagd (EUR 5 miljoen in 2015, EUR 10 mln in 2016 en EUR 10 mln in 2017) om daarmee projectvoorstellen van maatschappelijke organisaties en sociale ondernemers te kunnen ondersteunen, die een directe bijdrage leveren aan ondernemerschap en werkgelegenheid onder Afrikaanse jongeren2. De borgstellingsruimte van de FOM wordt hierdoor met EUR 50 mln verlaagd.

DRIVE

Met DRIVE faciliteert het Ministerie van Buitenlandse Zaken investeringen in publieke infrastructuurprojecten die bijdragen aan een goed ondernemingsklimaat en de ontwikkeling van de private sector in lage- en middeninkomenslanden. DRIVE doet dit middels het verstrekken van subsidies met of zonder terugbetalingsverplichting (lening of a fonds perdu) aan het bedrijfsleven. Daarnaast kunnen ook garanties worden verstrekt en is er aanvullende EKV beschikbaar. De belangrijkste reden om DRIVE op deze manier vorm te geven, inclusief risico-instrumenten, heeft te maken met het feit dat de voorloper van DRIVE, het ORIO-programma, problemen kende met betrekking tot het arrangeren van de restfinanciering. Door de verantwoordelijkheid voor het arrangeren van de financiering bij het subsidie-aanvragende bedrijf te leggen, wordt een bijdrage geleverd aan het oplossen van deze restfinancieringsproblematiek. Via een bedrijf is het immers eenvoudiger te bemiddelen bij de totstandkoming van het totale financieringspakket. Door tevens een bredere waaier aan financieringsinstrumenten te bieden, wordt het bedrijf daar verder in ondersteund. Deze financieringsinstrumenten zijn primair beschikbaar voor de MOL’s en landen met een hoge schuldenlast, omdat het juist in die landen moeilijk is gebleken een totaal financieringspakket te arrangeren.

Op die manier worden bedrijven in staat gesteld een totaalaanbod te doen richting de aanbestedende overheden. Niet alleen biedt het bedrijf zijn oplossing aan voor het infrastructurele probleem, met behulp van DRIVE kan het tevens een compleet en concessioneel financieringspakket aanbieden.

De uitvoerder RVO is bepalend bij het risicobeheer van de onder DRIVE te verstrekken leningen en garanties. Daarbij geldt voor leningen dat het begrotingsrisico nul is, omdat de lening vooraf volledig gedekt wordt uit de begroting en terugontvangsten niet worden geraamd. Een besluit tot het verstrekken van garanties zal vooraf aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken worden voorgelegd. Atradius is eerste verantwoordelijke in het bepalen van de risico’s ten aanzien van verzekeringen, al wordt hun besluit nog wel ter goedkeuring voorgelegd aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Van de uitvoerders wordt in het kader van monitoring en evaluatie gevraagd ieder kwartaal een uitvoeringsrapportage op te leveren.

Omdat garanties worden verstrekt op leningen aan overheden (en niet aan risicovolle projecten) wordt met een goede portefeuillespreiding het risico relatief laag gehouden. Opgemerkt moet worden dat bij een garantieverstrekking de bank weliswaar niet het gehele risico wil nemen (anders was er geen garantie nodig), de bank blijft verantwoordelijk voor een substantieel deel van het risico (20–40%). De bank zal dus nog steeds een gedegen risicobeoordeling uitvoeren. Op die risicobeoordeling kan DRIVE derhalve aansluiten.

Het garantieplafond voor DRIVE is vastgesteld op EUR 55 miljoen per jaar. Dat wil zeggen dat RvO en Atradius in de eerste vijf jaar gezamenlijk voor maximaal EUR 275 miljoen aan garanties en verzekeringen mogen aangaan. Ter afdekking van de risico’s en ter compensatie van de mismatch in de tijd tussen (premie)inkomsten en uitgaven (ten behoeve van schades), is afgesproken een interne begrotingsreserve aan te houden volgens de hefboom 1:4. Tevens is besloten een initiële storting van EUR 12,5 miljoen in de begrotingsreserve te doen, bij start van DRIVE ter dekking van het extra financiële risico dat de Staat kan gaan lopen door het verstrekken van garanties en verzekeringen.

Het programma wordt – in overleg met de Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie (IOB) – regelmatig geëvalueerd, wat kan leiden tot een besluit over de voorzetting, aanpassing of stopzetting van het programma. Onderdeel van deze evaluatie is ook het garantieplafond en de omvang van de begrotingsreserve. Deze zal voor het eerst na vier jaar worden geëvalueerd.

NIO

De NIO is in 1965 opgericht als volledige dochter van de Nationale Investeringsbank. Deze was destijds een volledige staatsbank en is in 1945 opgericht om de Marshall hulp te kanaliseren naar het Nederlandse bedrijfsleven. Het doel van de dochteronderneming NIO was leningen te verstrekken aan ontwikkelingslanden onder gunstige voorwaarden zodat deze landen, die destijds geen toegang hadden tot de reguliere kapitaalmarkt, in staat werden gesteld ontwikkelingsrelevante investeringen te doen. Deze leningen hadden een lange looptijd en een lage rente. Deze zogenaamde bilaterale concessionele leningen waren destijds een onderdeel van het Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingbeleid. Na 2001 zijn geen nieuwe concessionele leningen door NIO verstrekt. NIO bleef vanaf dat moment verantwoordelijk voor het beheer van de afgesloten leningen. Eind jaren negentig is de Nationale Investeringbank geprivatiseerd en zijn de aandelen NIO in 2000 overgenomen door FMO. In 2010 heeft De Staat de aandelen van FMO overgenomen. In een overeenkomst die in 1993 is gesloten tussen de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking en NIO is geregeld dat de Staat garant staat voor de financiering van NIO. Dit houdt in dat de obligaties die NIO heeft uitgegeven zijn uitgegeven onder staatsgarantie. Bovendien heeft de Staat zich jegens NIO verplicht om middelen ter beschikking te stellen in het geval NIO niet zelfstandig in staat is om (her)financiering aan te trekken op de kapitaalmarkt voor reeds verstrekte leningen wegens incidentele krapte. Overigens is er nog nooit sprake van geweest dat één van beide garanties zou worden ingeroepen.

Raad van Europa

De Ontwikkelingsbank van de Raad van Europa is in 1956 opgericht met het doel om de Raad van Europa eigen financiële middelen te geven om via het Europees Ontwikkelings Fonds (EOF) zelfstandig activiteiten te kunnen uitvoeren. De bank verstrekt leningen voor uitvoering van projecten aan overheden en andere instanties op de volgende drie gebieden: hulp aan vluchtelingen en migranten, milieubescherming en ontwikkeling van menselijk potentieel. Hieronder vallen bijvoorbeeld onderwijsprojecten. De ontwikkelingsbank is de oudste internationale financiële instelling van Europa en de enige met een puur sociale roeping. Het oorspronkelijke idee van de bank was om oplossingen te bieden voor de problemen van vluchtelingen na de Tweede Wereldoorlog, maar dit heeft zich geleidelijk uitgebreid naar andere sectoren die bijdragen aan de sociale samenhang in Europa. Humanitaire hulp blijft een prioriteit van de bank. De organisatie valt onder de autoriteit van de Raad van Europa en is financieel autonoom. Het vermogen van de bank is opgebouwd uit donaties van de veertig lidstaten en de aandeelhouders. In december 2014 is EOF 11 geratificeerd. De totale begroting voor EOF 11 ad EUR 30,5 miljard waarvan het Nederlands aandeel 4,78% bedraagt. De garantie betreft het Nederlands aandeel in het kapitaal per jaar.

Regionale Ontwikkelingsbanken

  • 1. 

    IDB:

    De Inter-American Development Bank (IDB) is in 1959 opgericht door 19 Zuid-Amerikaanse landen en de VS. De IDB is de oudste en grootste regionale ontwikkelingsbank ter wereld. Centrale doelstellingen zijn duurzame economische ontwikkeling en armoedebestrijding. De IDB-Groep bestaat uit de Bank (IDB), de Investment Corporation (IIC) en het Multilateral Investment Fund (MIF). De Zuid-Amerikaanse landen hebben een meerderheid van de aandelen van 50.01%, de VS hebben 30% en Canada 4%. Sinds 1976 zijn ook 28 «niet-regionale landen» buiten het westelijk halfrond lid (16% van de aandelen). Het aantal leden bedraagt in totaal 48. Het hoofdkantoor is gevestigd in Washington D.C. De Bank wordt gefinancierd met aandelenkapitaal, waarvan lidstaten een deel inleggen en een deel, in de vorm van garanties, verstrekken. Op basis van het ingelegde kapitaal en de garanties verstrekt de IBD leningen aan de nationale overheden van de klantlanden. Het kapitaal is negenmaal verhoogd. Het meest recente besluit tot een kapitaalverhoging vond in 2010 plaats: van USD 100 miljard naar USD 170 miljard (in vijf termijnen te voldoen). Hiervan is USD 6 miljard oftewel 3,5% paid-in capital en USD 164 miljard oftewel 96,5% garantiekapitaal (callable capital). Omdat de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking zich minder dan voorheen richt op Latijns-Amerika heeft Nederland niet meegedaan met de kapitaalverhoging waardoor het Nederlandse aandeel is afgenomen van 0,338% naar 0,200%. De IDB richt zich op specifiek terreinen (armoedebestrijding, inclusieve groei, duurzame ontwikkeling) die niet voldoende worden gedekt door commerciële banken. De risico’s die zijn verbonden met de uitvoering van langjarige publieke en private investeringsprogramma’s in midden-inkomenslanden en soms fragiele staten (Haïti), zijn beter te beheersen door Internationale Financiële Instellingen. Door de beschikking over garantiekapitaal («callable capital») is de IDB in staat goedkoop geld aan te trekken op kapitaalmarkten en dit door te lenen aan landen voor ontwikkelingsdoeleinden.

  • 2. 

    AfDB:

    De Afrikaanse Ontwikkelingsbank (AfDB) werd in augustus 1963 opgericht door een groep van 23 Afrikaanse staten in Khartoem, Soedan. Reden voor de oprichting was de wens om kapitaalstromen naar het continent te vergroten. Onvrede over de geografische verdeling van leningen binnen de Wereldbank, en de grote zeggenschap van ontwikkelde landen hierover, speelde hierbij een rol. In september 1964 werd het oprichtingsverdrag van kracht toen inschrijving op 65% van het kapitaal (toen USD 250 mln in totaal) werd bereikt; twintig lidstaten hadden op dat moment ingeschreven. Door de geringe kredietwaardigheid van regionale leden bestonden er grote beperkingen ten aanzien van de toegang van de Bank tot de internationale kapitaalmarkt. In 1979 werd daarom een resolutie uitgewerkt om ook niet-regionale landen tot de Bank toe te laten. Dit stuitte eerst op verzet maar nadat in 1982 ook Nigeria als grote lidstaat met het voorstel had ingestemd, werd goedkeuring bereikt. Inmiddels kent de Afrikaanse Ontwikkelingsbank 77 lidstaten: 53 regionale en 24 niet-regionale leden. Naar verwachting wordt dit aantal de komende jaren uitgebreid (nieuwkomers: Zuid-Soedan, Australië en mogelijk ook Turkije). De AfDB-groep bestaat uit de Bank (AfDB) en het Fonds (AfDF). Met de oprichting van het Fonds in 1972 waren de niet-regionale lidstaten al eerder bij de Bankgroep betrokken. De activiteiten van het Fonds namen in augustus 1974 een aanvang met een initiële middelenaanvulling van UA 215 miljoen (tegen de huidige koers ruim USD 350 miljoen). Hoewel het Fonds precies dezelfde doelstellingen nastreeft als de Bank is het bedoeld voor een andere doelgroep. Het Fonds verstrekt enkel concessionele leningen en giften aan de armere lidstaten op het continent (de zogeheten lage inkomenslanden, 33 in totaal). Tijdens de laatste middelenaanvulling (ADF-12) droeg Nederland voor 4,9% bij. De AfDB richt zich op een specifiek terrein (armoedebestrijding, inclusieve groei, duurzame ontwikkeling) die nog niet voldoende wordt gedekt door commerciële banken. De risico’s die verbonden zijn met de uitvoering van programma’s in bijvoorbeeld fragiele staten, zijn beter te beheersen door Internationale Financiële Instellingen zoals de AfDB. Door haar beschikking over garantiekapitaal («callable capital») is de AfDB in staat goedkoop geld aan te trekken op kapitaalmarkten en dit door te lenen aan landen voor ontwikkelingsdoeleinden. Dit aandeel garantiekapitaal wordt door lidstaten vastgesteld tijdens afspraken over kapitaalverhogingen. Dergelijke garantieregeling heeft als voordeel ten opzichte van ingelegd kapitaal dat het geen directe gevolgen heeft voor de rijksuitgaven en het EMU-saldo. Natuurlijk vormt het «callable capital» wel een risico op kasuitgaven, maar dit risico wordt als zeer klein aangemerkt

  • 3. 

    AsDB:

    De Aziatische Ontwikkelingsbank (AsDB) werd in 1966 opgericht door een groep van 31 landen, waaronder Nederland. Bij de oprichting kreeg de AsDB als mandaat het bevorderen van economische groei en regionale samenwerking in Azië en de Stille Oceaan regio. Sinds 1999 is de overkoepelende doelstelling van de bank armoedebestrijding. Inmiddels kent de Aziatische Ontwikkelingsbank 67 lidstaten: 48 uit Azië en de Stille Oceaan regio (vooral kleine eiland economieën) en 19 niet-regionale leden. De AsDB heeft een aandelenkapitaal van USD 163 miljard (2012). Nederland is in grootte de 19e aandeelhouder bij de Bank, met 1,12% van de stemmen. De totale waarde van het Nederlands aandeel bij de bank bedraagt USD 1,67 miljard. Hiervan is USD 1,36 miljard gegarandeerd. De grootste aandeelhouders zijn Japan en de VS (beiden met 12,78%), gevolgd door China (5,45%), India (5,36%) en Australië (4,39%). De Board (raad van bewindvoerders) bestaat uit 12 leden. Nederland zit in een kiesgroep met Canada, Denemarken, Finland, Ierland, Noorwegen en Zweden. De bewindvoerder van deze kiesgroep is altijd een Canadees. Naast deze Europese (+ Canada) kiesgroep, zijn er nog 2 Europese kiesgroepen. De Verenigde Staten zit alleen in een kiesgroep. De overige 8 leden van de Board zijn regionale bewindvoerders. De ASDB-groep bestaat uit de Bank (AsDB) en het Fonds (AsDF). Het Aziatische Ontwikkelingsfonds (AsDF) is opgericht in 1974 en verstrekt leningen tegen concessionele voorwaarden aan de armere Aziatische landen. In het Fonds is Nederland de 11e donor met 2,23% van de stemmen. Het Fonds verkrijgt de middelen hoofdzakelijk uit contributies van de rijkere lidstaten. De onderhandelingen over de middelenaanvullingen vinden iedere drie jaar plaats. De laatste middelenaanvulling (AsDF-XI) is in 2012 afgerond. De AsDB richt zich op een specifiek terrein (armoedebestrijding, inclusieve groei, duurzame ontwikkeling) die nog niet voldoende wordt gedekt door commerciële banken. De risico’s die verbonden zijn met de uitvoering van programma’s in bijvoorbeeld fragiele staten, zijn beter te beheersen door Internationale Financiële Instellingen zoals de AsDB. Door haar beschikking over garantiekapitaal («callable capital») en de daarmee gepaard gaande AAA-status is de AsDB in staat goedkoper geld aan te trekken op kapitaalmarkten en dit door te lenen aan landen voor ontwikkelingsdoeleinden. Dit aandeel garantiekapitaal wordt door lidstaten vastgesteld tijdens afspraken over kapitaalverhogingen. Een dergelijke garantieregeling heeft als voordeel ten opzichte van ingelegd kapitaal dat het geen directe gevolgen heeft voor de Rijksuitgaven en het EMU-saldo. Natuurlijk vormt het «callable capital» wel een risico op kasuitgaven, maar dit risico wordt als zeer klein aangemerkt.

Noot 1: FOM en FIB zijn beschikbaar voor de buiten de EU gelegen opkomende markten, voor zover deze niet onder hetDGGF vallen. Zie ook Kamerbrief «Ondernemen op Buitenlandse Markten», 10 oktober 2013, ref. 2013.10946.

Noot 2: Zie kamerbrief «Toelichting extra inzet op jonge Afrikaanse ondernemers en werknemers, Kamerstuk 33 625, nr. 165