Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

5.2 Artikel 12: Kasbeheer

A. Algemene doelstelling

Optimaal kasbeheer van het Rijk en van de instellingen die aan de schatkist zijn gelieerd.

B. Rol en Verantwoordelijkheid

De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor het beheer van publieke middelen en de bijbehorende geldstromen. Het doel is dat publieke middelen doelmatig worden beheerd en financiële risico’s worden voorkomen. De wettelijke basis voor deze uitvoerende rol is geregeld in de Comptabiliteitswet 200133 (voor rechtspersonen met een wettelijke taak), de Wet financiering decentrale overheden34 (voor decentrale overheden), de Wet financiering sociale verzekeringen en de Zorgverzekeringswet35 (voor sociale fondsen) en de Regeling agentschappen36 (voor agentschappen).

Het kasbeheer is onder te verdelen in het schatkistbankieren en het betalingsverkeer van de rijksoverheid.

Bij schatkistbankieren heeft de Minister van Financiën een uitvoerende rol. Schatkistbankieren houdt in dat instellingen hun middelen aanhouden bij het Ministerie van Financiën (de schatkist). Publieke middelen verlaten de schatkist dan niet eerder dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de publieke taak. Hierdoor is de externe financieringbehoefte van het Rijk minder groot. Onder voorwaarden kunnen sommige categorieën deelnemers aan schatkistbankieren ook leningen krijgen.

Ook bij het betalingsverkeer van de rijksoverheid heeft de Minister van Financiën een uitvoerende rol. Het betalingsverkeer is verdeeld in percelen die periodiek worden aanbesteed. Door de aanbesteding worden banken geprikkeld om hun diensten tegen een zo gunstig mogelijke prijs-kwaliteitverhouding aan te bieden. Het Ministerie van Financiën treedt in deze aanbestedingsprocedures op als opdrachtgever.

Kengetallen schatkistbankieren ultimo 2014
 

Aantal deelnemers

Middelen in rekening-courant en deposito

(bedragen x € mld.)

Verstrekte leningen

(bedragen x € mld.)

Agentschappen

40

2,2

6,8

RWT's en derden

200

4,8

4,6

Sociale fondsen

10

– 27,0

 

Decentrale overheden

740

7,0

 

Bron: Ministerie van Financiën

C. Beleidswijzigingen

Eind 2014 is een beleidsdoorlichting37 uitgevoerd, waarbij de Minister van Financiën een aantal toezeggingen heeft gedaan van mogelijke verbeteringen ten aanzien van schatkistbankieren. Momenteel wordt gewerkt aan de volgende onderwerpen, die mogelijk in 2016 tot beleidswijzigingen kunnen leiden:
  • •  Bij het (deels) vervroegd aflossen van leningen wordt aan deelnemers de actuele marktwaarde of een boete in rekening gebracht. In het licht van het maatschappelijke debat over de wenselijkheid van schulden aflossen, zal worden nagegaan op welke manier belemmeringen voor vervroegd aflossen van leningen bij de schatkist kunnen worden weggenomen. Daarbij zullen ook de budgettaire gevolgen voor het Rijk worden meegewogen.
  • •  In 2016 zal een enquête worden gehouden onder (potentiële) deelnemers aan het schatkistbankieren en onder andere betrokkenen. De resultaten van die enquête zullen te zijner tijd met de Kamer worden gedeeld. Hierbij zal aandacht worden geschonken aan het effect van deelname aan schatkistbankieren op de bancaire tarieven die deelnemers ervaren. In sommige gevallen worden deelnemers met hogere tarieven geconfronteerd. In de aanbesteding van het betalingsverkeer van het Rijk wordt aan inschrijvers gevraagd om te verkennen welk aantrekkelijk betalingsverkeerpakket de inschrijver kan bieden voor schatkistbankierdeelnemers.
  • •  Als laatste zal in de komende periode samen met de betrokken vakministers worden onderzocht welke mogelijkheden er zijn om meer eenheid aan te brengen in de rentetarieven. Meer uniformiteit zou de transparantie, uitlegbaarheid en uitvoerbaarheid ten goede komen. Daarbij zal een integrale afweging nodig zijn van de inkomsten en uitgaven van de deelnemers, de schatkist en de betrokken departementen.

D1. Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel budgettaire gevolgen van beleid – Artikel 12 Kasbeheer (bedragen x € 1 mln.)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen

6.248

6.956

1.201

1.473

1.581

1.688

1.791

               

Uitgaven

6.248

6.956

1.201

1.473

1.581

1.688

1.791

waarvan juridisch verplicht

   

100%

       
               

Rente

60

55

51

323

431

538

641

Rentelasten

60

55

51

323

431

538

641

               

Leningen

1.979

6.136

1.150

1.150

1.150

1.150

1.150

Verstrekte leningen

1.979

6.136

1.150

1.150

1.150

1.150

1.150

               

Mutaties in rekening-courant en deposito's

4.209

764

         

Agentschappen

– 505

           

RWT’s en derden

– 193

           

Sociale fondsen

5.240

764

         

Decentrale Overheden

– 333

           
               

Ontvangsten

3.317

7.196

5.388

5.383

5.507

5.709

5.108

               

Rente

404

241

155

147

158

175

206

Rentebaten

404

241

155

147

158

175

206

               

Leningen

2.912

5.856

1.073

839

726

680

777

Ontvangen aflossingen

2.912

5.856

1.073

839

726

680

777

               

Mutaties in rekening-courant en deposito's

 

1.100

4.160

4.397

4.622

4.854

4.125

Sociale fondsen

   

3.060

3.297

3.522

3.754

4.125

Decentrale Overheden

 

1.100

1.100

1.100

1.100

1.100

 

D2. Budgetflexibiliteit

De ontvangsten en uitgaven op dit artikel zijn voor 100% als juridisch verplicht aan te merken. Alle rentelasten en rentebaten zijn juridisch verplicht omdat deze volgen uit de leningen, deposito's en rekening-couranttegoeden die deelnemers bij de schatkist aanhouden. De andere uitgaven en ontvangsten volgen ook uit de toename of afname van de middelen die door deelnemers in de schatkist worden aangehouden of uit de schatkist worden geleend.

E: Toelichting op de instrumenten

De totale uitgaven en ontvangsten zijn opgebouwd uit drie onderdelen: rente, leningen en mutaties in rekening-courant en deposito.

Rente

Onder de rentelasten vallen de rentebetalingen van het Rijk aan de deelnemers aan schatkistbankieren. Deelnemers ontvangen rente over een positief saldo op hun rekening-courant en op de deposito’s die ze bij de schatkist hebben geplaatst. De rentebaten bestaan uit de door deelnemers aan het Rijk betaalde rente op leningen en op roodstanden in de rekening-courant. De verwachte rentebaten zijn in 2016 hoger dan de verwachte rentelasten. Dit komt doordat er in totaal meer middelen zijn uitgeleend (in de vorm van leningen en roodstand op de rekening-courant) dan dat er in de schatkist wordt aangehouden. Een van de oorzaken hiervan is de roodstand bij de sociale fondsen. In de komende jaren is de verwachting dat de sociale fondsen niet langer rood staan op de rekening-courant met als gevolg dat zij een rentevergoeding zullen gaan ontvangen. Dit leidt tot oplopende rentelasten voor de staat.

Mutaties in rekening-courant en deposito

De posten toename en afname saldi in rekening-courant en deposito geven het bedrag weer dat naar verwachting door alle deelnemers in de schatkist wordt gestort (ontvangst voor het Rijk) of juist wordt opgenomen (uitgave voor het Rijk). Voor 2016 wordt een instroom van middelen, en dus inkomsten voor het Rijk, van € 4,2 mld. geraamd. Deze instroom wordt deels veroorzaakt doordat de sociale fondsen meer inkomsten hebben dan uitgaven hebben. Hun roodstand neemt daardoor naar verwachting af met € 3,1 mld. Decentrale overheden storten naar verwachting € 1,1 mld. vanwege beleggingen uit het verleden die, zodra ze vrijvallen, in de schatkist moeten worden aangehouden.

Leningen

De posten verstrekte leningen en ontvangen aflossingen geven de geraamde uitgifte van nieuwe leningen (uitgave voor het Rijk) en de aflossingen op eerder afgesloten leningen (ontvangst voor het Rijk). Als leningen voortijdig worden beëindigd dan worden deze afgelost tegen de marktwaarde van de lening op dat moment. Hierdoor kan gedurende het jaar een extra uitgave of ontvangst voor het Rijk ontstaan. Deze worden geboekt als uitgaven en ontvangsten bij voortijdige beëindiging.

Noot 33: Kamerstukken 2001/02, 28 035, nr. A.

Noot 34: Kamerstukken 2013/14, 33 416, nr. G.

Noot 35: Kamerstukken 2012/13, 33 675, nr. 2.

Noot 36: Kamerstukken 2012, 20 668.

Noot 37: Kamerstukken 2014/15, 31 935, nr. 13.