Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

2. DE BELEIDSAGENDA

2.1 Het werkterrein van het Ministerie van Financiën op hoofdlijnen

De Minister van Financiën draagt de verantwoordelijkheid voor de voorbereiding en uitvoering van onder meer:

  • a)  het algemeen financieel-economische en internationale financiële beleid;
  • b)  het begrotingsbeleid en een doelmatig beheer van de Rijksfinanciën;
  • c)  het financieringsbeleid;
  • d)  het fiscale beleid;
  • e)  het heffen, controleren en innen van de belastingen;
  • f)  het beheer van roerende materiële activa van het Rijk.

Het begrotingsbeleid en het algemeen financieel-economisch beleid worden primair toegelicht in de Miljoenennota en komen slechts beknopt aan de orde in deze beleidsagenda. Ook de belastingontvangsten worden voornamelijk toegelicht in de Miljoenennota.

De financiën van de decentrale overheden, waarvoor de Minister van Financiën medeverantwoordelijk is, komen aan de orde in de Miljoenennota en in de begrotingen van het Gemeente- en Provinciefonds.

2.2 Beleidsagenda 2016

In de beleidsagenda wordt ingegaan op relevante ontwikkelingen die de begroting in financiële zin raken. In de beleidsartikelen wordt de relevante financiële en beleidsinformatie die samenhangt met de voorgenomen uitgaven vermeld.

1. Houdbare overheidsfinanciën

Het op orde brengen van de schatkist is een belangrijke pijler van het beleid van het huidige kabinet. Het kabinet heeft de ambitie om de overheidsfinanciën structureel op orde te brengen en streeft daarom op middellange termijn begrotingsevenwicht na in lijn met de Europese begrotingsafspraken.

Naar aanleiding van de recente crisis ontstonden hoge jaarlijkse tekorten en daarnaast hebben de ingrepen in de financiële sectoren de overheidsschuld aanzienlijk laten stijgen. Afbouw van de schuld is nodig om de financiële schokbestendigheid te waarborgen, om eventuele toekomstige economische schokken op te kunnen vangen.

Mede dankzij het economisch herstel daalt het feitelijk tekort in 2016 naar verwachting tot – 1,5% van het BBP, een verbetering van 0,7% ten opzichte 2015. De EMU-schuld daalt van 67,3% van het BBP in 2015 naar verwachting tot 66,4% van het BBP eind 2016.

2. Investeringsagenda (artikel 1 «Belastingen»)

Op 20 mei 2015 heeft Staatssecretaris Wiebes zijn Brede agenda van mei 2014 nader uitgewerkt in een Investeringsagenda Belastingdienst en die aan de Tweede Kamer gezonden. Zijn brief en de als bijlage bijgevoegde «Hoofdlijnen aanpak Belastingdienst: Activiteitenkalender» bevatten een meerjarige aanpak (voor een periode van vijf tot zeven jaar) van de problemen bij de Belastingdienst. Daarbij worden werkmethoden grondig herzien om de productiviteit van de Belastingdienst in al zijn functies sprongsgewijs op een hoger plan te brengen. Dat vergt een grote verandering en een stevige investering, maar levert een structureel lager kostenniveau op voor de Belastingdienst

De Investeringsagenda benoemt vijf verandergebieden:

  • –  Anders omgaan met gegevens: bestaande systemen worden gekoppeld door middel van een boven de systemen staande datalaag;
  • –  Informatiegestuurd toezicht en inning: met massale data-analyse, op basis van zeer grote hoeveelheden beschikbare gegevens, wordt de trefkans in toezicht en inning aanzienlijk groter;
  • –  Betere interactie met de belastingbetaler: meer directe communicatie tussen de Belastingdienst en de burger of het bedrijf in een veilige digitale omgeving waarin informatie gedeeld wordt en waarin op termijn transacties mogelijk zijn. Hierdoor ontstaat in een portaal een complete en actuele informatiepositie. Uitgangspunt hierbij is dat het formele recht pas aan de orde komt bij een daadwerkelijk geschil;
  • –  Heldere prioriteiten in systeemontwikkeling: geen rigoureuze vernieuwing van de legacysystemen, maar verder inzetten op systeem- en gegevensintegratie door verdere implementatie van de datalaag;
  • –  Sturing, verantwoording en effectmeting: aansturing van de Belastingdienst via een compacte Raad van Bestuur en verheldering van doelstellingen van de organisatie gekoppeld aan het verder ontwikkelen van informatie over en sturing van interne ketens.

Het werk op de verandergebieden begint niet bij nul. Ontwikkelingen zijn vol in gang: zo is de datalaag al voor een behoorlijk deel gerealiseerd, zijn proeven met informatiegestuurd toezicht en inning succesvol gebleken en is de online aangifte geïntroduceerd. Voor 2016 worden de volgende resultaten nagestreefd:

  • –  Portaal (mijnbelastingdienst) voor burgers en bedrijven is volledig operationeel. Het portaal bevat statusinformatie waardoor veel telefoontjes naar de BelastingTelefoon overbodig worden;
  • –  Pilots met compliante burgers waarbij een directe betaalmogelijkheid wordt geboden en de mogelijkheid om een eenvoudige betalingsregeling te treffen;
  • –  Werkwijze met informatiegestuurd toezicht en inning is volledig operationeel.

Concretisering van de plannen krijgt de vorm van een roadmap. De verschillende plannen worden getoetst door een Investment Committee. Op de aanvullende post staan middelen gereserveerd ten behoeve van de plannen:

Jaar

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Gereserveerde bedragen (x € 1 mln.)

38

192

243

200

165

145

Op langere termijn levert de investeringsagenda Belastingdienst een besparing op.2

3. Fiscale voornemens (artikel 1 «Belastingen»)

In het pakket Belastingplan 2016 worden verschillende maatregelen getroffen die zullen leiden tot een vereenvoudiging voor de uitvoeringspraktijk. Het betreft de integratie van de Research and Development Aftrek (RDA) in de speur en ontwikkelingswerk (S&O) afdrachtvermindering, een vereenvoudiging van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken, het vervallen van de mogelijkheid van jaarbetalingen in de Motor- en Rijtuigenbelasting (MRB), een vereenvoudiging van de definitie geneesmiddelen, een vereenvoudiging van het fiscaal procesrecht, de invoering van een opschortende werking van hoger beroep bij toeslagen, een vereenvoudiging van de informatieplicht bij eigenwoningschuld anders dan bij aangewezen administratieplichtigen, de invoering van een fictie bij de exportheffing afvalstoffen, het afschaffen van de minimumwaarderingsregel bij afkoop van lijfrenten en de vervanging van premiekortingen door loonkostenvoordelen.

Het BEPS (Base Erosion and Profit Shifting)-project van de OESO wordt eind 2015 afgerond. Ook de Europese Commissie komt met soortgelijke initiatieven tegen belastingontwijking. Het kabinet ziet transparantie en automatische uitwisseling van gegevens tussen belastingdiensten als hét belangrijkste wapen tegen belastingontwijking. De inzet op transparantie past ook goed in de Nederlandse cultuur van openheid. Dit zal ook een van de speerpunten worden onder het Nederlandse voorzitterschap van de Europese Unie. Bij beleidsartikel 1 «Belastingen» wordt de achtergrond van de internationale ontwikkelingen nader beschreven.

De genoemde internationale initiatieven leiden tot wijzigingen in de Nederlandse belastingwetgeving. Het is nog niet voor alle onderdelen van het BEPS-project bekend welke concrete gevolgen deze voor de Nederlandse wetgeving zullen hebben. De onderhandelingen over de innovatiebox (een onderdeel van het BEPS-project) zijn al in een verder stadium en zodoende zijn de contouren van de uitkomst daarvan ook al concreter. Bij alle eventuele wijzigingen in de Nederlandse wetgeving zal het kabinet rekening houden met het behoud van een goed vestigingsklimaat en een gelijk speelveld tussen landen.

4. Vormgeving kapitaalmarktunie (artikel 2 «Financiële Markten»)

De afgelopen jaren zijn zowel op nationaal als Europees niveau verschillende stappen gezet om te komen tot beter functionerende financiële markten en kwetsbaarheden van financiële instellingen te beperken. Daarbij kan gedacht worden aan het geharmoniseerd bankentoezicht en de aanscherping van kapitaaleisen voor banken en verzekeraars. De komende jaren zal het kabinet zich in Europa inzetten voor de vormgeving van een kapitaalmarktunie. De plannen rond de kapitaalmarktunie zijn gericht op het vergroten van de diepte van de kapitaalmarkt en het bevorderen van marktintegratie. Voltooiing van de kapitaalmarktunie zal moeten leiden tot een verdere versterking, verdieping en verbreding van de financieringsmogelijkheden voor de reële economie. Het kabinet zet zich hier actief voor in, zoals ook aangegeven in de kabinetsreactie op het «groenboek» kapitaalmarktunie van de Europese Commissie.3 De kapitaalmarktunie bestaat uit componenten die op korte, middellange en lange termijn gerealiseerd zullen worden.

Op de korte termijn richt de vormgeving van de kapitaalmarktunie zich op het uitwerken van een regime voor securitisaties van hoge kwaliteit. Daarvoor zal vastgesteld worden aan welke kenmerken dergelijke securitisaties voldoen en of zij eventueel in aanmerking komen voor een gunstiger prudentiële behandeling. Daarnaast zal de prospectusrichtlijn worden herzien om het aantrekken van (grensoverschrijdende) financiering te vergemakkelijken voor bedrijven. Ook zal ingezet worden op het verbeteren van kredietinformatie, met name voor het midden- en kleinbedrijf. Bovendien wordt het gebruik van langetermijninvesteringfondsen gestimuleerd en worden marktinitiatieven rond de verdere ontwikkeling van de markt voor private placements ondersteund. Tot slot zet het kabinet in op de totstandkoming van een herstel- en afwikkelraamwerk voor centrale tegenpartijen.

Op de middellange termijn zijn drie sporen van belang: i) het verbeteren van toegang tot financiering, ii) het vergroten van de beschikbaarheid van kapitaal, en iii) het vergroten van de efficiëntie van markten. Deze sporen worden voornamelijk gerealiseerd door het vergroten van de marktfinancieringsmogelijkheden. Zo wordt gekeken naar het standaardiseren van informatie over mkb’ers om kapitaalmarkttoegangsdrempels te verlagen. Later dit jaar zal de Europese Commissie een consultatie starten over de mogelijke voordelen en eventuele vorm van een gemeenschappelijk regime voor gedekte obligaties. Tot slot zal worden gekeken naar de toezichtkaders voor alternatieve financiering, zoals crowdfunding. Momenteel kunnen deze namelijk sterk verschillen tussen lidstaten, waardoor weinig grensoverschrijdende activiteiten plaatsvinden.

Op de lange termijn wil de Europese Commissie kijken naar mogelijke barrières die voortvloeien uit internationale verschillen tussen het vennootschapsrecht, faillissementsrecht en belastingrecht. Het kabinet is het met de Commissie eens dat hiernaar gekeken kan worden, maar wijst erop dat dit moet met inachtneming van nationale bevoegdheden.

In de kabinetsreactie op het voornoemde groenboek voor de totstandkoming van de kapitaalmarktunie wordt nader ingegaan op de genoemde acties en voorstellen. De verdere integratie van de Europese interne kapitaalmarkt zal met name door de uitwerking van de initiatieven voor de middellange termijn vorm krijgen in de actieagenda van de Europese Commissie in het najaar van 2015.

5. Financieel beheer en verkoop van de financiële deelnemingen (artikel 3 «Financieringsactiviteiten publiek-private sector»)

Zoals eerder in de kabinetsvisie op de Nederlandse bankensector en de Kamerbrief over de toekomstplannen voor ABN AMRO en SNS REAAL werd verwoord, is het kabinet voornemens de belangen van de staat in de financiële instellingen te verkopen. Het voornemen tot uiteindelijke verkoop van de aandelen van ABN AMRO en ASR, is vrijwel direct na de verwerving van de aandelen in 2008 door het kabinet geuit. In 2015 is een brief naar de Tweede Kamer verstuurd over de verkoop van ABN AMRO4. In deze brief is aangekondigd dat een eerste aandelenplaatsing mogelijk vanaf het vierde kwartaal van 2015 plaats zou kunnen vinden. In latere jaren worden mogelijk vervolgtranches van ABN AMRO verkocht. De verkoopopbrengsten van de financiële instellingen worden aangewend voor de aflossing van de overheidsschuld.
Ook met betrekking tot de andere financiële instellingen in handen van de staat worden stappen gezet. Propertize5 is, in lijn met de plannen, zijn vastgoedportefeuille geleidelijk aan het afbouwen. Over de toekomst van SNS Bank en ASR moet nog een besluit worden genomen. Het kabinet heeft het voornemen om SNS Bank te verplaatsen en direct onder de staat te brengen op 28 augustus jongstleden aan de Tweede- en Eerste Kamer voorgelegd6. De verplaatsing van SNS Bank zal pas plaatsvinden nadat de Kamers hebben aangegeven geen bezwaar te hebben. SNS Bank is momenteel de vierde bank van Nederland. SNS Bank verzorgt bancaire dienstverlening en kent een grote hypotheekportefeuille. Het is van belang dat SNS Bank een sterke en zelfstandige positie binnen het Nederlandse bankenlandschap verwerft. Daarom wordt voor de verkoop van SNS Bank in 2015 geen besluit genomen. NLFI wordt gevraagd medio 2016 advies uit te brengen. Over ASR ben ik voornemens wel een besluit te nemen in 2015. Hierover wordt de Kamer in het najaar geïnformeerd.

6. Effectieve Europese economische beleidscoördinatie – in het bijzonder met oog op het Nederlandse voorzitterschap van de EU (artikel 4 «Internationale Financiële Betrekkingen»)

Als handelsland profiteert Nederland van stabiliteit en groei in de Europese Unie. De Europese schuldencrisis heeft aanleiding gegeven tot versterking en uitbreiding van afspraken over economische beleidscoördinatie. In 2016 zal de naleving van de aangescherpte regels ten aanzien van het Stabiliteits- en Groeipact een belangrijke rol blijven spelen op de politieke agenda. Het is van groot belang voor de financiële stabiliteit in de Eurozone dat lidstaten zich blijven inspannen voor solide overheidsfinanciën.

Op Europees niveau en bij lidstaten zelf kunnen belangrijke stappen worden gezet voor het creëren van groei en banen. Structurele hervormingen zijn nodig om de economische groei te bevorderen. Er valt winst te behalen door deze hervormingen gezamenlijk door te voeren. Beleidscoördinatie moet echter niet afgedwongen worden vanuit Brussel, maar lidstaten moeten elkaar hier op aanspreken en elkaar stimuleren tot het overnemen van best practices. Alleen wanneer lidstaten onvoldoende actie ondernemen om hun overheidsfinanciën op orde te brengen of ernstige macro-economische onevenwichtigheden te corrigeren kan dit uiteindelijk leiden tot sancties. In de komende jaren is het van groot belang om de gemaakte afspraken te blijven implementeren. Nederland zal deze boodschap blijven uitdragen op Europees niveau.

De Europese samenwerking zal in 2016 voor Nederland in het teken staan van het voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie in de eerste helft van het jaar. Het kabinet wil het Nederlandse voorzitterschap in dienst stellen van het helpen bereiken van concrete voortgang op de vijf hoofddoelstellingen van de strategische agenda, die is vastgesteld door de Europese Raad van juni 2014, met bijzondere aandacht voor innovatieve groei en banen. Voor het kabinet is het belangrijk dat de Europese Unie zich richt op hoofdzaken en verbinding zoekt met burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties. De agenda van het Nederlands Voorzitterschap zal voor een belangrijk deel bestaan uit het verder brengen van een reeds lopende agenda, waarbinnen eigen accenten kunnen worden gezet. Dat geldt ook voor de Raad Economische en Financiële zaken. Daar hoopt het kabinet concrete stappen te zetten in de richting van een kapitaalmarktunie en de verdere vervolmaking van de bankenunie. Het kabinet wil ook het Voorzitterschap benutten om structurele hervormingen binnen lidstaten te bevorderen en ideeën voor een meer transparante EU-begrotingssystematiek en beter voorspelbare EU-afdrachten op de Europese agenda te krijgen. Tot slot zal het kabinet de discussie in Europa oppakken over de vennootschapsbelasting wanneer hierover nieuwe voorstellen van de Commissie verschijnen.

7. Implementatie nieuw beleid risicomanagement staatsschuld (artikel 11 «Financiering staatsschuld»)

Voor de financiering van de staatsschuld maakt het Agentschap gebruik van een risicokader, waarin een afweging wordt gemaakt tussen de risico’s en kosten. Het huidige risicokader bestaat sinds 2008 en is gebaseerd op een benchmark. Deze benchmark wordt benaderd door een combinatie van schulduitgifte en renteswaps. In de eerste helft van 2015 is bij de beleidsevaluatie7 geconstateerd dat het risicokader in grote lijnen doeltreffend is geweest. Tegelijkertijd werd geconstateerd dat de swapstrategie, die nodig is om het doel te benaderen, onder druk is komen te staan. Het Agentschap zal daarom voor de periode 2016–2019 het risicokader aanpassen. Het nieuwe risicokader voor de jaren 2016–2019 zal vóór aanvang van het begrotingsjaar 2016 met de Tweede Kamer worden gedeeld.

Voor de herijking van het kader wordt opnieuw een afweging gemaakt tussen kosten en risico’s. De kosten van verlengen van de schuldportefeuille zijn door de lage rentestanden op dit moment historisch gezien laag. Dat maakt het mogelijk om de rente tegen lage kosten voor langere tijd vast te zetten. Het verlengen van de portefeuille zorgt er dus voor dat het renterisico wordt verlaagd. Onder het huidige beleid is het voor langere tijd vastzetten al toegestaan. De gemiddelde looptijd van de schuld is hierdoor tussen 2012 en 2014 toegenomen van 3,5 tot ongeveer 4,5 jaar. De uitzonderlijk lage rentes van dit moment zorgen echter ook voor een toename van het renterisico. De potentiële omvang van een renteschok en het effect daarvan op de begroting is nu groter dan bij de hogere renteniveaus uit het verleden. Dit effect wordt versterkt door de toegenomen omvang van de staatsschuld.

Om bovenstaande redenen is het voornemen om de looptijd van de schuld verder te verlengen en de gemiddelde looptijd in 2019 uit te laten komen binnen een bandbreedte van 5,5 – 6,5 jaar. Een dergelijke verlenging is in lijn met keuzes die veel andere landen hebben gemaakt. De afhankelijkheid van renteswaps zal daarbij verder worden verminderd. Renteswaps zullen echter ook in het nieuwe kader een regulier instrument blijven om de renterisico’s bij te sturen.

Mocht de situatie op de financiële markten significant wijzigen en rentes sterk toenemen, zal het risicokader tussentijds worden heroverwogen.

2.3 De begroting op hoofdlijnen

In deze paragraaf wordt op hoofdlijnen inzicht gegeven in de samenstelling en ontwikkeling van de uitgaven en (niet-belasting)ontvangsten op begrotingshoofdstuk IX (Financiën en Nationale Schuld). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de (niet-) beleidsartikelen 1 tot 10 (Financiën) en de beleidsartikelen 11 en 12 (Nationale Schuld). Eerst worden de belangrijkste mutaties vanaf de stand 1e suppletoire begroting 2015 toegelicht. Daarna wordt er door middel van grafieken meer inzicht in de uitgaven en ontvangsten gegeven. In de verdiepingshoofdstukken wordt meer in detail ingegaan op samenstelling en ontwikkeling van de uitgaven en (niet-belasting)ontvangsten per artikel.

Beleidsartikelen Ministerie van Financiën

Overzicht belangrijkste mutaties (uitgaven) (bedragen x € 1.000)
 

Art. nr.

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

 

6.922.713

6.900.209

6.665.303

6.621.756

6.615.728

 

Mutaties nota van wijzigingen

             

Mutaties 1e suppletoire begroting

 

61.534

2.630

– 99.529

– 142.935

– 177.771

 
               

Belangrijkste mutaties:

             

Besparingsreeks investeringsagenda

1

 

– 38.000

– 110.000

– 183.000

– 255.000

 

Overheveling GDI

1

7.300

22.800

       

Aanpassing IDA betaalschema

4

80.000

– 80.000

       

Aanpassing BCF

6

– 52.787

– 51.322

– 49.396

– 49.396

– 49.396

 

Investeringsagenda Belastingdienst werkbedrijf (Switch)

10

 

63.000

91.000

120.000

138.000

 

Overige mutaties incl. extrapolatie

 

– 2.569

11.821

6.109

201

326

6.147.619

Stand ontwerpbegroting 2016

 

7.016.191

6.831.138

6.503.487

6.366.626

6.271.887

6.147.619

Toelichting

Besparingsreeks Investeringsagenda

De investeringsagenda omvat maatregelen waarvoor extra middelen benodigd zijn en maatregelen die tot besparingen leiden. De verwachte besparingen die voortvloeien uit de diverse maatregelen in de investeringsagenda zijn nu meerjarig overgeheveld naar het beleidsartikel 1 «Belastingen». De additionele middelen die benodigd zijn om deze besparingen te realiseren (de kosten gaan voor de baten uit) zijn nog niet volledig toegekend.8 De maatregelen worden nog getoetst door het Investment Committee, ook wat betreft de kosten en de baten.

Overheveling GDI

In het kader van de generieke digitale infrastructuur ontvangt de Belastingdienst middelen om communicatie met burgers en bedrijven technisch gezien mogelijk te maken.

Aanpassing IDA Betaalschema

Het IDA betaalschema is aangepast met € 80 mln. Door te schuiven met IDA betalingen kan er in het kalenderjaar 2016 € 80 mln. worden vrijgespeeld. Dit bedrag zal in 2015 als extra betaling worden verricht

Aanpassing BCF

De mutatie betreft een bijstelling van de raming van het BCF op basis van de beschikking van het afgelopen jaar, aangevuld met het voorschot van het vierde kwartaal van het afgelopen jaar en driemaal het voorschot van het eerste kwartaal uit het lopende jaar.

Investeringsagenda Belastingdienst werkbedrijf (Switch)

Dit bedrag is gereserveerd voor kosten behorende bij het werkbedrijf Switch (onderdeel van de Investeringsagenda).

Overzicht belangrijkste mutaties (niet-belastingontvangsten) (bedragen x € 1.000)
 

Art. nr.

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

 

4.124.758

2.909.331

2.840.542

2.778.712

2.717.979

 

Mutaties nota van wijzigingen

             

Mutaties 1e suppletoire begroting

 

– 568.915

88.196

8.379

9.651

8.501

 

             

Belangrijkste mutaties:

             

Ramingsbijstelling niet belastingontvangsten

1

 

3.000

6.000

10.000

13.000

 

Renteopbrengsten als gevolg van continueren kredietfaciliteit.

3

20.608

         

Bijstellling winstafdracht DNB

3

 

150.955

56.455

38.945

– 33.286

 

Bijstelling dividend ABN AMRO / ASR

3

238.900

         

Bijstelling renteontvangsten Griekenland

4

 

– 47.564

       

Overige mutaties incl. extrapolatie

 

– 1.054

573

579

579

579

2.614.642

Stand ontwerpbegroting 2016

 

3.814.297

3.104.491

2.911.955

2.837.887

2.706.773

2.614.642

Toelichting

Ramingsbijstelling niet belastingontvangsten

In het kader van de Investeringsagenda worden extra ontvangsten aan boetes en belasting- en invorderingsrente verwacht.

Renteopbrengsten als gevolg van continueren kredietfaciliteit

Het door de staat aan SNS REAAL N.V. bij de nationalisatie verstrekte overbruggingskrediet is in 2015 doorgerold. Vanwege het doorrollen betaalt SNS REAAL een hogere vergoeding over het door de staat verstrekte overbruggingskrediet.

Bijstelling dividend ABN AMRO / ASR

De dividendraming voor 2015 is geactualiseerd, de raming voor ABN AMRO en ASR is naar boven bijgesteld met respectievelijk € 14 mln. en € 225 mln.

Bijstellling winstafdracht DNB

De toename van de winst in 2016 wordt grotendeels verklaard door verkopen die hebben plaatsgevonden in de aandelenportefeuille van DNB (vermogenswinsten). Daarnaast zijn de rekeningen-courant en de deposito’s in omvang gestegen waardoor, dankzij de negatieve depositorente, de verwachte renteopbrengsten zijn toegenomen. Meerjarig wordt de winst bijgesteld vanwege extra inkomsten uit het Extended Asset Purchase Program van de ECB.

Bijstelling renteontvangsten Griekenland

Door een nieuwe (lagere) rekenrente van het CPB dalen de geraamde rente-inkomsten van de bilaterale leningen aan Griekenland.

Beleidsartikelen Ministerie van Financiën

De totale uitgaven op de artikelen 1 tot en met 10 bedragen in 2015 € 6,8 mld. Hiervan is € 3,1 mld. apparaat (zie grafiek 1). De overige uitgaven (excl. artikel 10) zijn programma-uitgaven (€ 3,7 mld., zie grafiek 2). De apparaatsuitgaven van de Belastingdienst worden in artikel 1 toegelicht, de apparaatsuitgaven van het kerndepartement in artikel 8.

Grafiek 1: apparaat (bedragen x € 1.000)
Grafiek 2: programma uitgaven (bedragen x € 1.000)

De programma-uitgaven worden per artikel nader toegelicht. De grootste programma-uitgaven zijn: btw-compensatiefonds (€ 2,9 mld., artikel 6), uitgaven aan de belasting- en invorderingsrente (€ 232,4 mln., artikel 1) en de algemene bijdragen aan multilaterale ontwikkelingsbanken en -fondsen (€ 280,0 mln., artikel 4).

Grafiek 3: niet-belastingontvangsten (bedragen x € 1.000)

In grafiek 3 wordt een overzicht gegeven van de programmaontvangsten op de departementale begroting van Financiën. De grootste programmaontvangsten zijn de belasting-en invorderingsrente (€ 441,5 mln., artikel 1), dividend staatsdeelnemingen inclusief ABN AMRO (€ 1.055 mln., artikel 3) en de winstafdracht DNB (€ 665 mln., artikel 3).

Grafiek 4: verleende garanties (bedragen x € 1 mln.)

In grafiek 4 wordt een overzicht gegeven van de verleende garanties op de begroting van Financiën. De grootste garanties zijn verleend aan het EFSF (€ 49,6 mld., artikel 4), DNB – deelneming in kapitaal IMF (€ 47,5 mld., artikel 4) en het ESM (€ 35,4 mld., artikel 4). Voor een uitgebreide toelichting op de verschillende garantieregelingen wordt verwezen naar de paragraaf 2.5 Overzicht garanties en achterborgstellingen.

Grafiek 5: overzicht uitgaven en ontvangsten (in € mld.)

Grafiek 5 geeft een overzicht van de uitgaven en ontvangsten op de departementale begroting van het Ministerie van Financiën. De ontvangsten zijn uitgesplitst naar belastingontvangsten en niet-belastingontvangsten. In 2014 waren de uitgaven voornamelijk hoger omdat een funding fee inzake IABF werd betaald ad € 2,8 mld. Ook werd vorig jaar een kapitaalstorting gedaan in het ESM fonds ad. € 914 mln. De ontvangsten in 2014 waren hoger doordat de Alt-A portefuille werd afgewikkeld (€ 4,2 mld.) en leningen door ING zijn terugbetaald (€ 2,3 mld.).

Beleidsartikelen Nationale Schuld

In deze paragraaf wordt de verwachte staatsschuld aan het einde van ieder jaar weergegeven, alsmede de daarbij behorende rentekosten. De schuldtoerekening als gevolg van de EFSF (European Financial Stability Facility) is niet meegenomen. Deze wordt verantwoord in artikel 3.

Kerncijfers ontwerpbegroting Nationale Schuld en realisaties (in mld. euro's)1Als gevolg van afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.
 

2014

2015

2016

EMU-schuld

450

458

466

Staatsschuld (art. 11)

379

386

394

Schuldverhouding met ABN AMRO

– 3,6

– 1,8

– 0,8

Interne schuldverhouding (art. 12)

– 24,6

– 24,5

– 20,4

Rentekosten vaste en vlottende schuld (art. 11, excl. derivaten, incl. ABN AMRO)

8,9

8,1

7,9

Bij: rente-ontvangsten schuldverhouding ABN AMRO (art. 11)

– 0,1

0,0

0,0

Rentekosten staatsschuld art. 11 (excl. derivaten en excl. ABN AMRO)

9,0

8,1

7,9

Af: rente-ontvangsten interne schuldverhouding (art. 12)

– 0,3

– 0,2

– 0,1

Totaal rentekosten artikel 11 en 12 (excl. derivaten en excl. ABN AMRO)

8,7

7,9

7,8

Af: rente-ontvangsten derivaten (art. 11)

– 0,3

– 2,1

– 1,6

Totaal rentekosten (art. 11 en 12, incl. derivaten)

8,4

5,8

6,1

Uitgaven en ontvangsten bij voortijdige beëindiging derivaten (art. 11, -/- is ontvangsten)

0,0

– 2,6

0,0

De indeling van de bovenstaande tabel is ten opzichte van de begroting 2015 aangepast. Sinds september 2014 zijn nieuwe Europese boekhoudregels (ESA-2010) van kracht. De regels schrijven voor dat uitgaven en inkomsten uit derivaten niet langer meetellen in de bepaling van het EMU-saldo. De renteopbrengsten van derivaten worden daarom voortaan apart in deze tabel zichtbaar gemaakt.

De bovenstaande tabel geeft ook de interne schuldverhoudingen met aan de schatkist gelieerde instellingen weer, zoals decentrale overheden, rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT’s), Sociale Fondsen en Agentschappen.

Het Agentschap is sinds 2015 bezig om haar derivatenportefeuille te verkleinen. Bij het beëindigen van een rentederivaat wordt de actuele marktwaarde van het derivaat verrekend tussen beide partijen. De in 2015 beëindigde derivaten hadden een marktwaarde die positief was voor het Agentschap. Hierdoor is tot nu toe in 2015 ongeveer € 2,6 mld. ontvangen. Deze incidentele ontvangsten zorgen voor een verlaging van de staatsschuld. Omdat de derivatenportefeuille de komende jaren waarschijnlijk verder zal worden afgebouwd worden de inkomsten en uitgaven als gevolg hiervan apart gepresenteerd in bovenstaande tabel («Opbrengst voortijdige beëindiging derivaten»). In artikel 11 wordt dit onder het kopje beleidswijzigingen verder toegelicht.

Belangrijkste mutaties rentekosten

In onderstaande tabel worden de belangrijkste mutaties in de rentekosten vanaf de ontwerpbegroting 2015 weergegeven.

Belangrijkste mutaties rentekosten sinds ontwerpbegroting 2015 (bedragen x € 1 mln.)
 

Art. nr.

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

 

7.086

7.996

8.905

10.066

10.949

Mutaties:

             

Bijstelling kassaldo

11

3

4

– 223

– 602

– 1.104

 

Bijstelling rekenrente

11

– 271

– 1.912

– 1.996

– 1.961

– 1.889

 

Effect van schulduitgifte

11

– 1.194

– 183

– 101

– 14

115

 

Rentederivaten

11

22

52

110

– 8

28

 

Bijstelling rentelasten interne schuldverhoudingen

12

145

190

524

645

852

 

Extrapolatie

           

9.872

Stand ontwerpbegroting 2016

 

5.791

6.146

7.219

8.127

8.951

9.872

De rentekosten voor de staatsschuld liggen voor een groot deel vast doordat er rente betaald wordt op leningen die in het verleden zijn uitgegeven. De omvang van deze kosten volgt uit de tekortontwikkeling en daarmee de schuldopbouw in het verleden, de toenmalige rentestanden en de keuzes in het financieringsbeleid en het risicomanagement. Voor de nieuw uit te geven schuld worden de rentekosten geraamd op basis van de rentetarieven uit de meest recente raming van het Centraal Planbureau (CPB).

Mutaties in de geraamde rentekosten worden veroorzaakt door een aantal factoren. In de eerste plaats wijzigen de rentekosten als gevolg van nieuwe ramingen voor het kassaldo. Het kassaldo is het bedrag dat het Rijk jaarlijks tekort komt en dat dus geleend moet worden. Een hoger geraamd kassaldo heeft hogere geraamde rentekosten als gevolg. In de tweede plaats zorgen bijstellingen in de rekenrente voor mutaties in de geraamde rentekosten op toekomstige obligaties. Ten derde ontstaan mutaties bij het daadwerkelijk uitgeven van schuldpapier. Pas bij het daadwerkelijk uitgeven van schuld is bekend welk rentetarief exact betaald moet worden. Dit tarief kan afwijken waarmee tot dan toe in de raming rekening werd gehouden. Op dezelfde wijze heeft ook het afsluiten van renteswaps een effect op de geraamde rente.

Hieronder wordt de verwachte staatsschuld aan het einde van iedere jaar weergegeven, alsmede de daarbij behorende rentekosten. Het betreft de staatsschuld. De schuldtoerekening als gevolg van de EFSF (European Financial Stability Facility) is niet meegenomen. Deze wordt verantwoord in artikel 3 van de begroting IXB.

Grafiek 6: Overzicht staatsschuld en rentekosten (bedragen x € 1 mln.)

De omvang van de staatsschuld (artikel 11) ultimo 2016 bedraagt naar verwachting circa € 394 mld. De raming voor de EMU-saldorelevante rentekosten in 2016 bedraagt € 7,8 mld. De raming voor de rentekosten in 2016 bedraagt € 7,8 mld. Als ook de rentebaten uit derivaten worden meegeteld bedragen de geraamde rentekosten € 6,1 mld.

2.4 Beleidsdoorlichtingen

Planning beleidsdoorlichtingen
 

(Realisatie)

(Planning)

 

Artikel

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Geheel artikel?

Financien

               

1 Belastingen

               

– dienstverlening

 

         

Nee

– toeslagen

   

       

Nee

– overige onderdelen (massale processen, toezicht en opsporing)

     

     

Nee

2 Financiële Markten

     

     

Ja

3 Financieringsactiviteiten publieke-private sector:

– publiek private investeringen

   

       

Nee

– staatsdeelnemingen

           

Nee

4 Internationale Financiële Betrekkingen

 

       

Ja

5 Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

   

       

Ja

– exportkredietgarantie

           

Nee

6 Btw-compensatiefonds

   

       

Ja

7 Beheer materiële activa

     

     

Ja

Overig

               

Begrotingsbeleid

   

       

Nvt

                 

Nationale Schuld

               

11 Financiering Staatsschuld

 
1
     

 

Ja

12 Kasbeheer

     

   

Ja

Noot 1: Reeds naar de Kamer verzonden, zie Kamerstukken 2014/2015, 31 935 nr. 20

Voor het meest recente overzicht van de realisatie van beleidsdoorlichtingen, zie: http://www.rijksbegroting.nl/node/223

Toelichting

Algemeen

In de Regeling periodiek evaluatieonderzoek (RPE) is vastgelegd dat al het beleid met een zekere regelmaat dient te worden geëvalueerd in een beleidsdoorlichting. Dit kan bijvoorbeeld eens in de vier jaar zijn en ten minste eens in de zeven jaar. Er moet volgens de RPE sprake zijn van een dekkende programmering van beleidsdoorlichtingen. De bovenstaande meejarige planning van de beleidsdoorlichtingen voor Financiën is dekkend en voldoet aan de RPE voorschriften.

In 2016 staan vijf beleidsdoorlichtingen gepland: Belastingdienst (onderdeel toeslagen, artikel 1), financieringsactiviteiten publieke-private sector (artikel 3), exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen (artikel 5), het Btw-compensatiefonds (artikel 6) en het begrotingsbeleid (overig). Voor een verdere onderbouwing van de meerjarenplanning zie de bijlage «evaluatie en overig onderzoek» (bijlage 6.3).

Artikel 1 – Belastingen

Het artikel van de Belastingdienst is te omvangrijk om in een keer in het geheel te evalueren, daarom is gekozen voor een opsplitsing in onderdelen. Het onderdeel dienstverlening zal in 2015 worden geëvalueerd, toeslagen in 2016 en de overige onderdelen volgen in 2017.

Artikel 3 – Financieringsactiviteiten publieke-private sector

Het artikel Financieringsactiviteiten publieke-private sector kan worden opgesplitst in twee delen. Aangezien het IBO Staatsdeelnemingen recent (2013) uitgevoerd is, richt deze beleidsdoorlichting van artikel 3 zich op de mate waarin de Minister van Financiën een verantwoorde en doelmatige besteding van overheidmiddelen stimuleert en regisseert bij omvangrijke investeringsprojecten en transacties van de rijksoverheid alsmede publiek-private investeringen in Nederland.

Artikel 5 – Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

In 2014 is met de Exportkredietgarantie reeds een deel van het exportkredietinstrumentarium via een beleidsdoorlichting geëvalueerd. In 2016 zal het gehele artikel worden geëvalueerd.

Artikel 6 – Btw-compensatiefonds

In 2016 staat een beleidsdoorlichting gepland van artikel 6 Btw-compensatiefonds (BCF). Het BCF is een fonds waaruit decentrale overheden betaalde btw kunnen terugvragen en is opgericht om een eind te maken aan de factor btw bij de afweging door decentrale overheden tussen het uitbesteden van werkzaamheden of het uitvoeren ervan door de eigen organisatie. De centrale vraag van de beleidsdoorlichting is of het BCF op een doelmatige wijze effectief heeft bijgedragen aan de afweging van decentrale overheden tussen uitbesteding en inbesteding.

Overig – Begrotingsbeleid

Naast de doorlichtingen van de hierboven genoemde begrotingsartikelen, zal ook het begrotingsbeleid van de overheid worden geëvalueerd via een beleidsdoorlichting. Het begrotingsbeleid kent sinds de begroting 2013 geen eigen artikel9 meer, wat betekent dat volgens de RPE een doorlichting niet noodzakelijk is. Omdat het belangrijk is om gevoerd beleid te evalueren, wordt toch een beleidsdoorlichting begrotingsbeleid uitgevoerd. Deze beleidsevaluatie hangt samen met de Studiegroep Begrotingsruimte en zal op hetzelfde moment aan de Tweede Kamer worden aangeboden. Vanwege deze samenhang wordt op een aantal punten afgeweken van de gebruikelijke opzet. In het plan van aanpak wordt de beleidsdoorlichting Begrotingsbeleid toegelicht.

Plannen van aanpak

Sinds het aannemen van de motie Harbers10 in het najaar van 2014 wordt de Tweede Kamer voorafgaand aan de start van een beleidsdoorlichting geïnformeerd over de opzet en vraagstelling zodat het mogelijk is om invloed uit te oefenen op de opzet en vraagstelling van de evaluatie. Doordat de motie Harbers pas aangenomen werd na het vaststellen van de begroting, zijn de plannen van aanpak van de beleidsdoorlichtingen in het begrotingsjaar 2015 met een aparte brief11 verzonden. De ervaringen van de diverse Kamercommissies met apart toegezonden brieven per beleidsdoorlichting zijn echter qua procedure en behandelwijze dusdanig bevallen, dat de commissie voor de Rijksuitgaven de Ministeries hebben verzocht deze werkwijze voort te zetten. De plannen van aanpak zullen meelopen met de begrotingscyclus en op Prinsjesdag met een aparte brief aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

2.5 Overzicht garanties en achterborgstellingen

Overzicht verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)

Nr.

Artikel

Omschrijving

Uitstaande garanties 2014

Geraamd te verlenen 2015

Geraamd te vervallen 2015

Uitstaande garanties 2015

Garantie- plafond 2015

Geraamd te verlenen 2016

Geraamd te vervallen 2016

Uitstaande garanties 2016

Garantie- plafond 2016

Totaal plafond

1

Belastingen

Garantie procesrisico's

362

400

400

362

400

400

400

362

400

 

2

Financiële Markten

Terrorismeschades (NHT)

50.000

50.000

50.000

 

50.000

3

Financiële Markten

WAKO (kernongevallen)

14.023.000

4.254.099

9.768.901

9.768.901

 

9.768.901

4

Financiële Markten

Garantie Stichting Waarborgfonds Motorverkeer

156

156

156

 

156

5

Financieringsactiviteiten publiek-private sector

DNB winstafdracht

5.700.000

5.700.000

5.700.000

 

5.700.000

6

Financieringsactiviteiten publiek-private sector

Garantie Propertize

3.600.000

3.600.000

3.600.000

 

3.600.000

7

Financieringsactiviteiten publiek-private sector

Garantie en vrijwaring inzake verkoop en financiering van staatsdeelnemingen

952.832

952.832

952.832

 

952.832

8

Internationale Financiële Betrekkingen

EFSF

49.640.411

49.640.411

49.640.411

 

49.640.411

9

Internationale Financiële Betrekkingen

EFSM

2.778.000

42.000

2.820.000

2.820.000

 

2.820.000

10

Internationale Financiële Betrekkingen

EIB-kredietverlening in ACP en OCT

173.953

173.953

173.953

 

173.953

11

Internationale Financiële Betrekkingen

ESM

35.445.400

35.445.400

35.445.400

 

35.445.400

12

Internationale Financiële Betrekkingen

Kredieten EU-betalingsbalanssteun

2.315.000

35.000

2.350.000

2.350.000

 

2.350.000

13

Internationale Financiële Betrekkingen

MIGA

27.596

27.596

27.596

 

27.596

14

Internationale Financiële Betrekkingen

EBRD

589.100

589.100

589.100

 

589.100

15

Internationale Financiële Betrekkingen

EIB

9.895.547

9.895.547

9.895.547

 

9.895.547

16

Internationale Financiële Betrekkingen

Wereldbank

3.888.147

3.888.147

181.841

4.069.988

 

4.069.988

17

Internationale Financiële Betrekkingen

DNB – deelneming in kapitaal IMF

47.503.587

47.503.587

47.503.587

 

47.503.587

18

Internationale Financiële Betrekkingen

AIIB

730.088

730.088

730.088

 

730.088

19

Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

Regeling Investeringen

175.010

453.780

453.780

175.010

453.780

453.780

453.780

175.010

453.780

 

20

Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

MIGA – herverzekeren

150.000

150.000

150.000

150.000

150.000

150.000

 

21

Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

Exportkredietverzekering

13.373.678

10.000.000

10.000.000

13.373.678

10.000.000

10.000.000

10.000.000

13.373.678

10.000.000

 
 

Totaal

 

190.131.779

11.411.268

14.858.279

186.684.768

10.604.180

10.786.021

10.604.180

186.866.609

10.604.180

173.317.559

Overzicht uitgaven en ontvangsten garanties (bedragen x € 1.000)

Nr

Artikel

Omschrijving

Uitgaven 2014

Ontvangsten 2014

Saldo 2014

Uitgaven 2015

Ontvangsten 2015

Saldo 2015

Uitgaven 2016

Ontvangsten 2016

Saldo 2016

1

Belastingen

Garantie procesrisico's

378

– 378

245

– 245

245

– 245

2

Financiële Markten

Terrorismeschades (NHT)

1.275

1.275

1.075

1.075

1.075

1.075

3

Financiële Markten

WAKO (kernongevallen)

1.126

1.126

609

609

609

609

4

Financiële Markten

Garantie Stichting Waarborgfonds Motorverkeer

5

Financieringsactiviteiten publiek-private sector

DNB winstafdracht

6

Financieringsactiviteiten publiek-private sector

Garantie Propertize

1.920

1.920

9.300

9.300

7.800

7.800

7

Financieringsactiviteiten publiek-private sector

Garantie en vrijwaring inzake verkoop en financiering van staatsdeelnemingen

4.800

5.716

916

4.800

5.716

916

4.800

4.800

8

Internationale Financiële Betrekkingen

EFSF

9

Internationale Financiële Betrekkingen

EFSM

10

Internationale Financiële Betrekkingen

EIB-kredietverlening in ACP en OCT

38

5.398

5.360

4.687

4.687

11

Internationale Financiële Betrekkingen

ESM

12

Internationale Financiële Betrekkingen

Kredieten EU-betalingsbalanssteun

13

Internationale Financiële Betrekkingen

MIGA

14

Internationale Financiële Betrekkingen

EBRD

15

Internationale Financiële Betrekkingen

EIB

16

Internationale Financiële Betrekkingen

Wereldbank

17

Internationale Financiële Betrekkingen

DNB – deelneming in kapitaal IMF

18

Internationale Financiële Betrekkingen

AIIB

19

Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

Regeling Investeringen

789

789

500

1.250

750

500

1.250

750

20

Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

MIGA – herverzekeren

21

Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

Exportkredietverzekering

43.376

205.944

162.568

74.900

178.000

103.100

74.900

233.202

158.302

 

Totaal

 

48.592

222.168

173.576

80.445

200.637

120.192

80.445

248.736

172.276

Algemeen

Ontwikkelingen in uitstaande garanties

In onderstaande toelichting zijn de wijzigingen per regeling toegelicht. Ten opzichte van de begroting 2015 zijn een aantal garantieregelingen niet meer opgenomen in bovenstaand overzicht en is er één nieuwe garantie afgegeven. De beëindigde regelingen zijn: garantie interbancaire leningen, de garantie deelneming ABN AMRO (counter indemnity) en DNB kredietverlening BIS (was reeds beëindigd in begroting 2015). De nieuwe garantie ziet op de Asian Infrastructure Investment Bank, zie hiervoor ook het naar de Tweede Kamer gestuurde toetsingskader12.

Horizonbepaling garantieregelingen

Alle reguliere garantieregelingen worden in de periodieke beleidsdoorlichtingen getoetst op nut en noodzaak. Voor de planning van deze periodieke evaluatie wordt verwezen naar het overzicht bij de beleidsagenda en de bijlage evaluatie en onderzoeksoverzicht.

Toelichting per risicoregelingen

Garanties groter dan € 5 mln. worden toegelicht, mits deze niet voor 2016 aflopen.

2. Terrorisme Schade (NHT)

Doel en werking garantieregeling

De Nederlandse Herverzekeringsmaatschappij voor Terrorismeschaden (NHT) is in 2003 opgericht, nadat herverzekeraars en verzekeraars waren begonnen terrorismerisico’s uit te sluiten in hun polissen. Binnen de NHT leveren verzekeraars, herverzekeraars en de Staat gezamenlijk een dekkingscapaciteit van € 1 mld. per jaar. De Staat heeft een garantie afgegeven voor de laatste € 50 mln. van deze dekkingscapaciteit.

Beheersing risico’s

De Staat en de NHT zijn overeengekomen om de participatie van de Staat na 2018 te beëindigen. Daarnaast zijn de risico’s voor de Staat beperkt doordat de verzekeraars en herverzekeraars de eerste € 950 mln. van de dekkingscapaciteit garanderen, daarna kan pas de garantie van de Staat worden aangesproken.

Premiestelling en kostendekkendheid

De premie is (ten minste) marktconform en sluit aan bij de premie die herverzekeraars ontvangen. De garantie van de Staat kan pas ingeroepen worden nadat de garantie van de verzekeraars en herverzekeraars is uitgeput. Tot op heden heeft er geen uitkering plaatsgevonden onder deze regeling, waardoor de regeling op dit moment meer dan kostendekkend is13.

3. WAKO (Kernongevallen)

Doel en werking garantieregeling

De Wet Aansprakelijkheid Kernongevallen (WAKO) regelt de aansprakelijkheid van exploitanten van nucleaire installaties voor kernongevallen. De exploitant is namelijk verantwoordelijk voor schade bij kernongevallen. De exploitant moet deze aansprakelijkheid verzekeren tot een maximumbedrag van € 1,2 mld. Voor de staatsgarantie betaalt de exploitant jaarlijks een vergoeding aan de Nederlandse Staat.

Het doel van deze risicoregeling is tweeledig: enerzijds schadeloosstelling van slachtoffers indien zich een ernstig kernongeval in Nederland voordoet en anderzijds het internaliseren van kosten die met het gebruik van kernenergie samenhangen. De Staat der Nederlanden staat voor zes installaties garant, tot een bedrag van € 2,3 mld. per ongeval voor een installatie en € 1,5 mld. voor vijf installaties per ongeval. Het totaalrisico voor deze installaties bedraagt € 9,8 mld.

Beheersing risico’s

Kerncentrales moeten voldoen aan strenge veiligheidseisen. De kerncentrale in Borssele is ook bestand tegen omstandigheden van buitenaf. Bijvoorbeeld een aardbeving of overstroming. Uit onderzoek (onder andere de Europese stresstest) blijkt dat Borssele ruim voldoet aan de bestaande veiligheidseisen.

Kerncentrales staan onder streng nationaal en internationaal toezicht. Dit ligt vast in de Nederlandse wet en in internationale verdragen. Daarnaast staan in de vergunning talrijke eisen aan een kerncentrale. Bijvoorbeeld eisen om internationale contacten tussen kerncentrales te onderhouden om kennis en ervaringen uit te wisselen. Wettelijk toezicht in Nederland valt onder het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Het toezicht wordt uitgevoerd door de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS). De ANVS ziet er op toe dat alle nucleaire installaties in Nederland veilig zijn. Ook zorgt de ANVS dat veiligheids- en beveiligingsmaatregelen worden getroffen. Er zijn bijna dagelijks contacten tussen de kerncentrale en de ANVS. Inspecteurs houden vaak ter plekke toezicht en controles. Zij kijken of de vergunningen worden nageleefd, of technische specificaties en de werkwijzen kloppen en of wijzigingen aan installaties mogen worden uitgevoerd.

Op 1 januari 2015 is een wijziging van de Wet Aansprakelijkheid Kernongevallen (Wako) in werking getreden waarmee de garantie van de Staat wordt ingeperkt. Middels deze wetswijziging wordt de garantie voor kerninstallaties, waarbij een ongeval beperkte gevolgen heeft, teruggebracht tot het verdragsminimum van € 1,5 mld. Voor Borssele blijft de garantie staan op € 2,3 mld. Daarnaast is de kerninstallatie van Dodewaard sinds maart 2015 uitgesloten van de WAKO en vervalt hierdoor de € 1,5 mld. garantie die nog op de begroting stond. De kerncentrale van Dodewaard is in 1997 buiten bedrijf gesteld en alle splijtstoffen zijn sinds 2003 verwijderd waardoor het zeer lage risico op een ongeval (en zeer beperkte schade) niet meer in verhouding staat tot de verplichte verzekering van ruim € 22,5 mln. die de exploitant moet afsluiten, en de verplichting voor de Staat om voor een bedrag van € 1,5 mld. garant te staan.

Premiestelling en kostendekkendheid

De doelstelling is dat het rendement voor de overheid (in de zin van premieontvangsten) een weerspiegeling is van de risico’s voor de overheid (in de zin van impact en kans). Voor de berekeningssystematiek wordt aangesloten bij de premieberekening die de markt hanteert voor kernongevalschadeverzekeringen. Door de relatief hoge garantie ten opzichte van de premie is het onmogelijk om op een redelijke termijn een begrotingsreserve te creëren die het risico afdekt, de premies worden daarom niet afgestort in een begrotingsreserve. Tot op heden heeft er geen uitkering plaatsgevonden onder deze regeling, waardoor de regeling op dit moment meer dan kostendekkend is.

5. DNB winstafdracht

Doel en werking garantieregeling

Een deel van de winst die De Nederlandsche Bank maakt vloeit – via een vooraf bepaalde verdeelsleutel – in de staatskas. De winsten die worden gemaakt met crisisgerelateerde transacties vallen ook onder de winstafdracht. DNB heeft hierdoor tijdelijk grotere risico’s op haar balans staan. Het Ministerie van Financiën en DNB hebben in samenspraak besloten om de bestaande praktijk te handhaven onder afgifte van een garantie die de toegenomen risico’s voor DNB mitigeert.

Beheersing risico’s

In 2017 wordt beoordeeld of DNB nog risico loopt op de crisisgerelateerde transacties. De garantieovereenkomst zal worden verlengd indien 5 jaar na inwerkingtreding nog sprake is van zowel (i) een risico ten aanzien van de gekwalificeerde activa als (ii) een buffertekort bij DNB. In dit geval zal een nieuw maximumbedrag worden vastgesteld. Wanneer DNB geen risico meer loopt op de gegarandeerde activa vervalt de garantie. DNB informeert periodiek over het onderliggende risico en het buffertekort. Bij het verstrekken van de garantie bedroeg het risico voor DNB € 13,5 mld. Op basis van de meest recente informatie kan gemeld worden dat de onderliggende risico’s gestegen zijn tot € 13,3 mld. Met name de exposure op Griekenland is toegenomen.

Door de financiële en Europese schuldencrisis en de door het Eurosysteem genomen maatregelen om deze crisis te beheersen, zijn de financiële risico’s voor DNB veranderd. Vanwege het hoge risicoprofiel voortkomend uit de monetaire beleidstaken heeft DNB bij de eigen beleggingen vastgehouden aan een zeer laag risicoprofiel. Het renterisico van de beleggingen wordt door DNB beheerst door de omvang en gemiddelde looptijd van de vastrentende portefeuilles te begrenzen. Ter beheersing van het debiteurenrisico op de beleggingen past DNB een strikt limietenraamwerk toe voor overheden, emittenten en banken. Daarbij zijn alle bancaire uitzettingen gedekt door onderpand van hoge kwaliteit14.

Premiestelling en kostendekkendheid

Er wordt geen premie betaald door DNB. Als gevolg van de garantie kan DNB meer winst afdragen aan het Ministerie van Financiën. Tot op heden heeft er geen uitkering plaatsgevonden onder deze regeling, waardoor de regeling op dit moment meer dan kostendekkend is.

6. Garantie Propertize

Doel en werking garantieregeling

Bij de nationalisatie van SNS REAAL is reeds aangekondigd dat Propertize (voorheen: «Property Finance») zal worden afgesplitst van de rest van SNS REAAL en in een vastgoedbeheerorganisatie zal worden ondergebracht. Eind 2013 is de afsplitsing gerealiseerd. De vastgoedbeheerorganisatie heeft tot doel om de vastgoedportefeuille op de middellange termijn zo kostenefficiënt en rendabel mogelijk af te wikkelen. De Staat heeft een garantie verstrekt op de financiering van de vastgoedbeheerorganisatie. Het gaat hierbij om een garantie van circa € 3,6 mld. Zonder garantie van de Staat is het niet mogelijk voor Propertize om financiering aan te trekken in de markt.

Beheersing risico’s

Voor de beheersing van het risico is een eindtermijn en maximum bedrag opgenomen. Een verlenging van de garantie dient periodiek te worden goedgekeurd door de Staat.

Premiestelling en kostendekkendheid

Voor de garantie op de financiering van de vastgoedbeheerorganisatie ontvangt de Staat een garantiepremie van 30 basispunten (+ 0,3%). De hoogte van deze premie is bepaald op basis van drie referentiepunten: (1) de garantiepremie die vergelijkbare Europese afwikkelentiteiten met overheidsgarantie betalen, (2) een inschatting van de financieringslasten bij ontbreken van overheidsgarantie en (3) het effect van de garantiepremie op winstgevendheid van de vastgoedbeheerorganisatie. Tot op heden heeft er geen uitkering plaatsgevonden onder deze regeling, waardoor de regeling op dit moment meer dan kostendekkend is.

7. Garantie en vrijwaring inzake verkoop en financiering van staatsdeelnemingen

Doel en werking garantieregeling

De Staat heeft een aantal garanties en vrijwaringen afgegeven aan verschillende deelnemingen die volgen uit verplichtingen uit de verkoop van deelnemingen. Dit is het geval geweest bij de verkoop van SDU (€ 30 mln.), Fortis Corporate Insurance (€ 5,5 mln.) en WesterSchelde Tunnel (€ 167,5 mln.). Bij de verkoop van een belang kan het voorkomen dat de koper bepaalde garanties vraagt voor niet in de balans verwerkte posten. Dit is gebruikelijk bij fusies en overnames. Op deze manier wordt het risico van de acquisitie voor de koper verminderd, waardoor voorkomen wordt dat er een overeenkomst gesloten wordt tegen een lagere prijs.

Daarnaast heeft de Staat specifieke garanties en vrijwaringen afgegeven vanwege het belang om financiering van staatsdeelnemingen NS (€ 448,7 mln.), NWB (€ 1,1 mln.) en TenneT (€ 300 mln.) mogelijk te maken. Het Ministerie van Financiën heeft als aandeelhouder aan TenneT Holding een garantie afgegeven ten gunste van de Stichting Beheer Doelgelden. De middelen uit deze Stichting dienen altijd direct beschikbaar te zijn, bijvoorbeeld indien er een investering in interconnectiecapaciteit dient te worden gedaan. Daarnaast garandeert de Staat leningen die NS heeft afgesloten via Eurofima. Eurofima is een multilaterale bank, opgericht op basis van een Europees verdrag, die zich specialiseert in de financiering van rollend materieel. Alle nationale Europese spoorvervoerders kunnen hier financiering aantrekken onder garantie van het land van herkomst.

Beheersing risico’s

Voor de beheersing van het risico is een eindtermijn en maximum bedrag opgenomen. De garanties en vrijwaringen lopen de komende jaren af, het laatste deel in 2020.

De premieontvangsten van TenneT worden afgestort in een begrotingsreserve, ultimo 2014 was de omvang van de begrotingsreserve € 20,8 mln.

Premiestelling en kostendekkendheid

Er worden premies betaald over de garanties die zijn afgegeven vanwege het belang om financiering van staatsdeelnemingen mogelijk te maken. Voor de garantie van TenneT ontvangt de Staat een premie van € 4,8 mln. op jaarbasis. NS heeft in totaal € 450 mln. geleend bij Eurofima, de Staat ontvangt hiervoor een garantiefee van NS. De onderliggende leningen zijn op verschillende momenten afgesloten en de garantiefee is daarmee verschillend. De berekening van de fee is als volgt:

  • •  Over € 65,7 mln. een fee van 15 basispunten.
  • •  Over € 355,5 mln. sinds half december 2011 een fee van 23 basispunten.
  • •  Over de rest (€ 28,8 mln.) geen fee.

Voor leningen die voor 1995 zijn afgesloten (verzelfstandiging NS) is geen garantiefee afgesproken. Bij garanties en vrijwaringen die worden afgegeven bij de verkoop van een staatsdeelneming loopt de vergoeding voor het risico via een hogere verkoopopbrengst.

8, 9, en 11. EFSF, EFSM en ESM

Doel en werking garantieregeling

In 2010 is besloten tot de oprichting van de Europese noodmechanismen EFSM en EFSF en tot de oprichting van een permanent noodmechanisme, European Stability Mechanism (ESM). De noodmechanismen kunnen steun verstrekken aan landen in nood onder strikte beleidscondities. Op dit moment staat Nederland voor € 49,6 mld. garant voor het EFSF, € 2,8 mld. voor het EFSM en € 35,4 mld. voor het ESM. Naar aanleiding van een verandering in het Nederlandse aandeel in de EU-begroting is de bestaande garantieverplichting voor EFSM bijgesteld. De noodfondsen ontvangen rentevergoedingen voor de verstrekte leningen.

Beheersing risico’s

Financiële steun aan een land met een programma wordt door het EFSF, EFSM en ESM in tranches uitgekeerd, na een positief oordeel van de instituties (Europese Commissie, ECB en IMF) over de voortgang van het programma. Het leningenprogramma is erop gericht dat het land dat steun ontvangt zo spoedig mogelijk weer een houdbare financieel-economische positie heeft en weer toegang krijgt tot de financiële markten.

Op het moment dat een lidstaat, die steun uit het EFSF ontvangt, niet aan de betalingsverplichtingen van het EFSF kan voldoen en als gevolg daarvan het EFSF haar schuldeisers niet meer kan betalen, zal Nederland naar rato haar aandeel in de garantie moeten bijdragen aan het EFSF. Als andere garanderende landen op dat moment niet in staat zijn hun bijdrage aan het EFSF te kunnen voldoen, dan zal Nederland (samen met andere lidstaten) hier ook (naar rato) voor moeten betalen. Nederland krijgt hierdoor een vordering op de in gebreke blijvende garanderende lidstaat. Zodra het EFSF garanties inroept heeft dit effect op het EMU-saldo.

Om de financiële ondersteuning vanuit het EFSM te kunnen financieren is de Europese Commissie gemachtigd om namens de EU geld aan te trekken op de kapitaalmarkten. Deze leningen worden via de EU-begroting gegarandeerd door de EU-lidstaten. Zodra het EFSM garanties inroept, betekent dit een effect op de Nederlandse schuld en het EMU-saldo.

Het ESM kent een andere kapitaalstructuur, waardoor de risico’s voor landen die garanties verstrekken zijn ingeperkt. De risico’s worden daarnaast beheerst doordat het ESM een preferente schuldeiser status (preferred creditor) kan claimen over andere crediteuren (behalve die van het IMF). Indien lidstaten die steun hebben ontvangen uit het ESM niet in staat zijn om aan de betalingsverplichtingen van het ESM te voldoen en als gevolg daarvan het ESM haar schuldeisers niet meer kan betalen, dan zal het ESM deze verliezen moeten opvangen. Het ESM zal dan eerst putten uit het reservefonds, daarna uit het volgestort kapitaal en als laatste optie pas het oproepbaar kapitaal(garanties) oproepen. Als andere garanderende landen op dat moment niet in staat zijn hun bijdrage aan het ESM te kunnen voldoen, dan zal Nederland (samen met andere lidstaten) hier ook (naar rato) voor moeten betalen. Nederland krijgt hierdoor een vordering op de in gebreke blijvende garanderende lidstaat. Zodra het ESM garanties inroept, betekent dit een effect op de Nederlandse schuld en het EMU-saldo.

Premiestelling en kostendekkendheid

ESM/EFSF

De rente die de verschillende programmalanden momenteel betalen aan het ESM en EFSF is afhankelijk van de rente waarvoor het ESM/EFSF op de geld- en kapitaalmarkt leent (zogenaamde cost of funding). Het verschuldigde rentepercentage is een samenstelling van de rente die het ESM/EFSF betaalt voor obligatieuitgiftes met verschillende looptijden. Op basis van de op de markt aangetrokken middelen berekent het ESM/EFSF op dagbasis de gemiddelde financieringskosten, welke worden doorberekend aan de programmalanden. Daarnaast betalen lidstaten die steun ontvangen van het ESM/EFSF aan het ESM/EFSF bij ontvangst van een lening een service fee van 50 basispunten, jaarlijks een service fee van 0,5 basispunten en een commitment fee. Lidstaten betalen aan het ESM ook nog een renteopslag, waar de hoogte hiervan afhangt van het gekozen instrument. De exacte opslagen zijn vastgelegd in de beprijzingsrichtsnoer van het ESM. De renteopslag van het EFSF is vastgesteld op nul.

EFSM

De prijsstelling van het EFSM kent als uitgangspunt dat deze direct worden doorgegeven aan de specifieke programmalanden tegen dezelfde rente als waarvoor de Europese Commissie inleent. Dit zijn de financieringskosten. De renteopslag op de EFSM-leningen is vastgesteld op nul.

10. EIB-kredietverlening in ACP en OCT

Doel en werking garantieregeling

De Europese Investeringsbank (EIB) verricht activiteiten in de landen in Sub-Sahara Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACP-landen), alsmede Europese Overzeese Gebieden (OCT-landen). De projecten richten zich op economische ontwikkeling van deze landen via de ontwikkeling van de private sector en de financiële sector, investeringen in infrastructuur en het verbeteren van het ondernemingsklimaat. Een deel van deze activiteiten wordt bekostigd met een revolverend fonds dat gefinancierd wordt door het European Development Fund (EDF). De EIB financiert daarnaast ook met eigen middelen, hierop hebben de lidstaten een garantie afgegeven voor het politieke risico.

Beheersing risico’s

Om inspraak van de lidstaten in financieringsbesluiten, gefinancierd uit zowel EDF als eigen middelen, te waarborgen is er een Comité opgericht waar alle lidstaten in vertegenwoordigd zijn. Dit Comité beoordeelt alle investeringsvoorstellen inhoudelijk en brengt advies uit aan de EIB Board inzake eventuele goedkeuring. Tevens heeft het beheer van de portefeuille dezelfde waarborgen als de EIB portefeuille binnen de EU.

Premiestelling en kostendekkendheid

Voor deze garantie wordt geen premie ontvangen. Door de aandeelhouders wordt geen dividend of vergoeding gevraagd, aangezien zij de garantie zonder winstbejag ten dienste van de gemeenschappelijke doelstellingen van de EIB/EU-lidstaten in de ACP- en OCT-landen hebben gesteld. Rendementen op investeringen komen wel ten goede aan het eigen vermogen van de EIB, welke de aandeelhouders, waaronder Nederland, toebehoort. Tot op heden heeft er geen uitkering plaatsgevonden onder deze regeling, waardoor de regeling op dit moment kostendekkend is.

12. Kredieten EU-betalingsbalanssteun

Doel en werking garantieregeling

De Europese Betalingsbalansfaciliteit is bedoeld voor niet-eurolanden met feitelijke of ernstig dreigende moeilijkheden met betrekking tot de lopende rekening van de betalingsbalans of het kapitaalverkeer. De EU draagt bij aan de stabiliteit door het verstrekken van leningen via de Betalingsbalansfaciliteit. Alleen lidstaten die de euro (nog) niet hebben ingevoerd kunnen aanspraak maken op de Betalingsbalansfaciliteit. Om de financiële ondersteuning te kunnen financieren is de Europese Commissie gemachtigd om namens de EU geld aan te trekken op de kapitaalmarkten. Deze leningen worden gegarandeerd door de EU-lidstaten via de EU-begroting. Uit de betalingsbalansfaciliteit kan voor een maximum aan € 50 mld. aan leningen worden verstrekt. Naar aanleiding van een verandering in het Nederlandse aandeel in de EU-begroting is de bestaande garantieverplichting bijgesteld. Het Nederlandse aandeel in deze garantie is circa € 2,4 mld.

Beheersing risico’s

Het verstrekken van leningen gaat altijd gepaard met een risico. Het doel van de Betalingsbalansfaciliteit is juist om de financiële stabiliteit van de gehele EU te waarborgen opdat risico’s voor de Nederlandse economie, financiële sector en begroting niet escaleren. Doordat de Europese Commissie op grond van een impliciete garantie van de EU-begroting leningen kan verstrekken hoeven de EU-lidstaten geen kosten te maken voor het verstrekken van deze leningen. Het uitstaande risico komt als pro-memoria in de EU-begroting. De eventuele rentemarge (verschil tussen rente bij in- en uitlenen) wordt verrekend in de afdrachten van de lidstaten (inkomstenkant van de EU-begroting).

Premiestelling en kostendekkendheid

De rente die steunontvangende landen betalen voor financiële steun van de Betalingsbalansfaciliteit is gelijk aan de financieringskosten die de Commissie maakt. In de periode 2008–2011 is een totaalbedrag van € 13,4 mld. aan leningen verstrekt aan Hongarije, Letland en Roemenië. Van deze programma’s zijn alle tranches uitgekeerd en Hongarije en Letland zijn reeds begonnen met terugbetalen van de leningen. Het openstaande bedrag van de faciliteit aan deze drie landen is circa € 13,4 mld. (stand juli 2015). Tot op heden heeft er geen uitkering plaatsgevonden onder deze regeling, waardoor de regeling op dit moment kostendekkend is.

13. en 16. Wereldbank Groep

Doel en werking garantieregeling

De Multilateral Investment Guarantee Agency (MIGA) is een onderdeel van de Wereldbank Groep. Deze organisatie ondersteunt de private sector bij het verzekeren van buitenlandse investeringen. De activiteiten van MIGA worden gefinancierd door aandelenkapitaal (paid-in) en de rest wordt verstrekt in de vorm van garanties (callable capital).

Een ander onderdeel van de Wereldbank Groep is de Internationale Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (IBRD). IBRD functioneert als een soort coöperatieve bank, waarvan lidstaten aandeelhouder zijn. Op basis van ingelegd aandeelkapitaal en garanties, leent IBRD in op kapitaalmarkten en worden leningen verstrekt. De Staat verhoogt de garantie aan de Wereldbank. Door het uitstel van een gedeelte van de in 2010 afgesproken kapitaalstorting van 2015 naar 2016, is de bijbehorende garantieverhoging tevens een jaar uitgesteld van 2015 naar 2016. Deze mutatie is opgenomen in de tabel overzicht verstrekte garanties.

Beheersing risico’s

De garanties kunnen alleen worden ingeroepen door de IBRD op het moment dat de IBRD niet meer aan haar verplichtingen kan voldoen en failliet dreigt te gaan. De kans dat dit gebeurt wordt als zeer klein aangemerkt. De IBRD voert namelijk een prudent beleid met als expliciet doel het risico op een call on capital te minimaliseren en het liquiditeit- en risicobeleid van de IBRD is conservatief. De leenportfolio van de IBRD functioneert ondanks de crisisjaren goed. Dit komt mede doordat de Wereldbank mondiaal opereert waardoor de portefeuille goed gediversifieerd is. De bank heeft geen winstmotief en hecht veel waarde aan de AAA-status (stabiel) die de instelling in staat stelt voordelig in te lenen op de kapitaalmarkt. Tevens heeft de Bank een zogenaamde Preferred Creditor Status. Dit houdt in dat lenende landen de IBRD voorrang verschaffen bij betaling indien zij moeite hebben om aan hun verplichtingen te voldoen.

Premiestelling en kostendekkendheid

Voor deze garantie wordt geen premie ontvangen. De financiële voordelen van de garantie worden door de IBRD middels betere leenvoorwaarden doorberekend aan de klantlanden, waarmee het bijdraagt aan de realisatie van de door IBRD opgelegde beleidsdoelstellingen. Het instellen van een premie zou de bijdrage van de IBRD aan het maatschappelijke doel verminderen. Tot op heden heeft er geen uitkering plaatsgevonden onder deze regeling, waardoor de regeling op dit moment kostendekkend is.

14. EBRD

Doel en werking garantieregeling

De Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD) is opgericht om de landen in Midden- en Oost-Europa en de voormalige Sovjet Unie bij te staan in hun transitie naar een democratie en naar een markteconomie. Inmiddels is het operatiegebied uitgebreid met een aantal Centraal-Aziatische landen en enkele landen in de Zuidoostelijk Mediterrane regio. Het mandaat van de Bank is specifiek gericht op de transitie van (aanvankelijk ex-communistische) economieën naar markteconomieën met een robuuste private sector en integratie daarvan in de wereldeconomie. De EBRD wordt gefinancierd door aandelenkapitaal, waarvan zo’n 20% is ingelegd door de lidstaten (paid-in) en de rest wordt verstrekt in de vorm van garanties (callable capital).

Beheersing risico’s

De garantie kan alleen worden ingeroepen door de EBRD wanneer de Bank niet meer aan haar verplichtingen kan voldoen en de bank dus failliet dreigt te gaan. De kans dat dit gebeurt wordt als klein aangemerkt. De EBRD voert een prudent beleid. Het liquiditeit- en risicobeleid zijn conservatief. De leenportfolio van de EBRD doet het historisch gezien goed en de Bank maakt winst. Mede daardoor heeft de EBRD een sterke kapitaalpositie met een gezonde verhouding tussen de portfolio en de capaciteit om het risico in de portfolio te dragen. Het beleid is erop gericht dat kapitaalgaranties nooit ingeroepen hoeven te worden. De EBRD wordt door alle kredietbeoordelingsbureau’s dan ook als betrouwbaar aangemerkt (AAA, stabiel). De Bank heeft een Preferred Creditor Status.

Tevens heeft de Board van de Bank een Audit Committee dat de risico’s van de Bank nauwgezet in de gaten houdt. Er is een Internal Audit Committee dat toeziet op de kwaliteit van procedures en processen (deze rapporteert aan de President).

Premiestelling en kostendekkendheid

Voor deze garantie wordt geen premie ontvangen, het is immers de wijze waarop het ingelegd kapitaal wordt gefinancierd. Noch voor het ingelegde noch voor het oproepbare kapitaal wordt door de aandeelhouders een dividend of vergoeding gevraagd, aangezien zij het zonder winstbejag ten dienste van de gemeenschappelijke doelstellingen van de EBRD hebben gesteld. Rendementen op investeringen komen wel ten goede aan het eigen vermogen van de EBRD, welke de aandeelhouders, waaronder Nederland, toebehoort. Uit het eigen vermogen worden regelmatig (beperkt) middelen ontrokken met goedkeuring van de Raad van Gouveneurs, zoals het EBRD fonds waaruit o.a. technische assistentie activiteiten worden betaald of het door de EBRD beheerde Chernobyl Shelter Fund. Tot op heden heeft er geen uitkering plaatsgevonden onder deze regeling, waardoor de regeling op dit moment kostendekkend is.

15. De Europese Investeringsbank (EIB)

Doel en werking garantieregeling

De Europese Investeringsbank heeft tot taak, met een beroep op de kapitaalmarkten en op haar eigen middelen, bij te dragen aan een evenwichtige en ongestoorde ontwikkeling van de interne markt in het belang van de Unie. Op basis van kapitaal en garanties van de lidstaten leent de EIB op de kapitaalmarkt waarmee het middelen genereert voor investeringen in zowel de publieke als de private sector.

Beheersing risico’s

Garanties kunnen alleen worden ingeroepen door de EIB op het moment dat de Bank niet meer aan haar verplichtingen kan voldoen. De kans dat dit gebeurt wordt echter als klein aangemerkt, omdat de EIB een zeer prudent risicobeleid voert dat als doel heeft kapitaalgaranties nooit te hoeven inroepen. De leenportfolio van de EIB functioneert historisch gezien goed en de bank maakt winst. De externe kredietbeoordelingbureaus (Moody’s, S&P and Fitch) geven de EIB een AAA/Aaa rating. Deze sterke rating is een reflectie van de kwalitatief hoogwaardige portefeuille van de EIB en de sterke steun van een aantal kredietwaardige aandeelhouders (met name Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Nederland). De Bank heeft geen winstmotief en hecht veel waarde aan de AAA-status die de instelling in staat stelt voordelig in te lenen op de kapitaalmarkt. De Bank heeft een Preferred Creditor Status.

Tevens heeft de Board van de Bank een «risk committee» dat de risico’s van de Bank in de gaten houdt en is er een onafhankelijk «Audit Committee» (bestaande uit financiële experts, toezichthouders en auditors) dat rechtstreeks rapporteert aan de Gouverneurs van de EIB (Ministers van Financiën) en onder andere toeziet op naleving van de regels voor toereikendheid van kapitaal en liquiditeit van de EU (CRD-Directives) en Bazel, waarbij de bank overigens conform haar eigen beleid ver boven de daarin vastgelegde minima uitsteekt.

Premiestelling en kostendekkendheid

Voor deze garantie wordt geen premie ontvangen. Noch voor het ingelegde noch voor het oproepbare kapitaal wordt door de aandeelhouders/lidstaten een dividend of vergoeding gevraagd, aangezien zij het zonder winstbejag ten dienste van de gemeenschappelijke doelstellingen van de EIB/EU-lidstaten hebben gesteld. Rendementen op investeringen komen wel ten goede aan het eigen vermogen van de EIB, welke de aandeelhouders, waaronder Nederland, toebehoort. Zou de EIB ooit worden opgeheven dan zou dit kapitaal terugstromen naar de aandeelhouders (overigens is er wel eenmaal in het bestaan van de EIB dividend verstrekt aan de aandeelhouders toen het kapitaal van de Bank uitzonderlijk hoog was in verhouding tot de behoefte). Tot op heden heeft er geen uitkering plaatsgevonden onder deze regeling, waardoor de regeling op dit moment kostendekkend is.

17. DNB- Deelneming in kapitaal IMF

Doel en werking garantieregeling

Bij het IMF gaat het om een garantie die de Nederlandse Staat aan DNB verleent om het risico te dekken indien het Fonds in gebreke blijft. De garantieverstrekking is daarmee dus in feite een nationale aangelegenheid. Deze garantie staat wel op de begroting, maar wordt alleen ingeroepen in het geval dat het IMF niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en een beroep doet op middelen van DNB. Een deel van de garantie is tijdelijk en/of afhankelijk van ratificatie door de deelnemers van het IMF. Hierdoor kan de garantie dalen. Het deel van de garantie voor het Poverty Reduction and Growth Trust (PRGT) van SDR15 500 mln. loopt tot 2024.

Beheersing risico’s

De kans dat het IMF bij Nederland de garantie moet inroepen is zeer klein. De kredietverlening van het IMF is revolverend, wat betekent dat landen na een bepaalde periode het Fonds weer terug moeten betalen. Het komt nauwelijks voor dat landen achterstanden hebben bij het IMF, mede dankzij het prudente beleid dat het Fonds voert. Een belangrijk element hierin vormt het toegangsbeleid, waarbij de analyse van schuldhoudbaarheid en richtlijnen voor limieten van leningen centraal staan. Daarnaast zijn de vormgeving van het programma en de gestelde conditionaliteiten belangrijke waarborgen voor terugbetaling. Hiermee dwingt het Fonds economische aanpassingen af die lidstaten in staat stellen hun betalingsbalansproblemen op orde te krijgen en tijdig de lening terug te betalen. Daar komt bij dat het IMF een Preferred Creditor is (crediteur die voorrang krijgt boven andere crediteuren) en dat achterstanden bij het IMF slecht zijn voor de reputatie op financiële markten en bij andere internationale instellingen. In het geval van achterstallige betalingen kan het IMF terugvallen op de reservebuffer, de zogenaamde precautionary balances. Het IMF houdt voor deze reserves een doelstelling aan van SDR 20 mld. waarbij SDR 10 mld. als een minimum wordt gehanteerd.

Premiestelling en kostendekkendheid

Voor afgegeven garanties wordt geen premie ontvangen van het IMF. De Staat verstrekt immers de garantie aan DNB en niet aan het IMF. Het IMF vraagt wel premie aan landen die financiële steun krijgen en betaalt een premie aan landen waar zij op trekken (dit wordt door DNB ontvangen). De premie die landen moeten betalen is gebonden aan de IMF marktgerelateerde rente, die weer gerelateerd is aan de SDR-rente. Het IMF rekent een extra opslag (vergoeding voor gelopen risico’s) voor programma’s die groot van omvang zijn (boven de 300% quota van een land uitkomen). Als het bedrag aan financiële steun na 3 jaar nog steeds boven de 300% quota uitkomt, wordt daar bovenop een extra opslag gevraagd om groot en langdurig gebruik van IMF middelen te ontmoedigen. Een uitzondering wordt gemaakt voor lage inkomenslanden: zij betalen een veel lagere premie. Daarnaast rekent het IMF een zogeheten commitment fee voor een aantal faciliteiten, die wordt teruggestort wanneer een land daadwerkelijk geld trekt onder die faciliteit. Ook rekent het IMF een vergoeding om de uitvoeringskosten van een programma te dekken.

Het IMF betaalt ook premies, namelijk aan landen waar zij op trekken. Dit geldt ook voor Nederland. Op het moment dat het IMF gebruik wenst te maken van een verstrekt leenarrangement, dan moet DNB dit geld financieren op de kapitaalmarkt. Hiervoor ontvangt DNB een vergoeding; de SDR-rente. Via de winstafdracht van DNB ontvangt de Nederlandse Staat een deel van de premie. Tot op heden heeft er geen uitkering plaatsgevonden onder deze regeling, waardoor de regeling op dit moment kostendekkend is.

18. AIIB

Doel en werking garantieregeling

De doelstelling van de Asian Infrastructure Investment Bank (AIIB) is tweeledig:

  • i)  het bevorderen van duurzame economische ontwikkeling, het creëren van welvaart en het verbeteren van het infrastructuurnetwerk in Azië door te investeren in infrastructuur en andere productieve sectoren; en
  • ii)  het bevorderen van regionale samenwerking en partnerschappen door samen te werken met andere multilaterale en bilaterale ontwikkelingsinstellingen bij het adresseren van ontwikkelingsuitdagingen.

Beheersing risico’s

Het verstrekken van garanties gaat altijd gepaard met een risico. Dit risico zal bestaan totdat de garantie wordt opgeheven. De garantie kan worden afgeroepen door de AIIB op het moment dat de Bank niet meer aan haar financiële verplichtingen kan voldoen. In dit uiterste geval heeft het directe gevolgen voor de rijksuitgaven en het EMU-saldo (voor maximaal USD 825 mln). De kans dat dit gebeurt wordt echter als zeer klein aangemerkt. De optie om callable capital in te roepen is bij de Internationale Financiële Instellingen (IFI’s) nog nooit ter sprake geweest, zelfs niet in tijden van crises (bv. Azië-crisis of afgelopen financiële crisis). Het risico wordt ook geadresseerd door het nog op te stellen risicobeleid van de bank.

Premiestelling en kostendekkendheid

Voor deze garantie wordt geen premie ontvangen. Noch voor het ingelegde noch voor het oproepbare kapitaal wordt door de aandeelhouders/lidstaten een dividend of vergoeding gevraagd, aangezien zij het zonder winstbejag ten dienste van de gemeenschappelijke doelstellingen van de AIIB hebben gesteld. Rendementen op investeringen komen wel ten goede aan het eigen vermogen van de AIIB, welke de aandeelhouders, waaronder Nederland, toebehoort.

19. Regeling Investeringen

Doel en werking garantieregeling

De Staat kan jaarlijks voor maximaal € 453,8 mln. aan verplichtingen aangaan voor nieuwe investeringsverzekeringen. Via deze verzekeringen worden Nederlandse bedrijven die langdurig investeren gedekt tegen het politieke risico dat zij lopen in het buitenland. In de tabel overzicht verstrekte garanties wordt naast het verplichtingenplafond van € 453,8 mln., een verwachte afloop van € 453,8 mln. opgenomen. De exacte omvang van de aangegane en vervallen verplichtingen zijn pas na afloop van een begrotingsjaar bekend.

Beheersing risico’s

De randvoorwaarden voor de afgifte van verzekeringen kunnen ieder moment worden aangepast zodat onverantwoord grote risico’s worden vermeden. Het risicoprofiel van de bestaande EKV-portefeuille (inclusief RIV en MIGA) en van nieuwe aanvragen wordt daarom nauwlettend gevolgd door het Ministerie van Financiën door middel van een uitgebreid risicokader. Voor de RIV is in de begroting een bedrag van € 453,8 mln. opgenomen als plafond voor hoeveel de Staat jaarlijks aan nieuwe verplichtingen kan aangaan (bruto plafond). Het gebruik van de regeling wordt in onderstaande tabel weergegeven.

Benutting garantieregeling (bedragen x € 1.000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

Aangegane garantieverplichtingen (bruto)

22.340

0

13.789

62.194

5.760

Vervallen garantieverplichtingen (incl. schade-uitkeringen)

71.559

19.752

34.262

9.275

57.225

Aangegane garantieverplichtingen (netto)

– 49.219

– 19.752

– 20.473

52.919

– 51.465

Premiestelling en kostendekkendheid

Bij de investeringsverzekeringen gelden net zoals bij exportkredietverzekeringen internationale afspraken ten aanzien van kostendekkendheid en minimum premies. De kostendekkendheid van de investeringsverzekering wordt gemonitord door middel van een speciaal hiervoor ontwikkeld model voor Bedrijfseconomische Resultaatbepaling (BERB).

20. MIGA-herverzekering

Doel en werking garantieregeling

Herverzekering MIGA betreft de herverzekering van investeringsverzekeringen afgesloten door Nederlandse exporteurs onder de MIGA-faciliteit van de Wereldbank. Door herverzekering ontstaat er bij de Wereldbank meer ruimte voor het afsluiten van investeringsverzekeringen met Nederlandse exporteurs. Om deze herverzekeringscapaciteit af te bakenen is een separaat garantieplafond opgesteld. In de tabel overzicht verstrekte garanties wordt naast het verplichtingenplafond van € 150 mln., een verwachte afloop van € 150 mln. opgenomen. De exacte omvang van de aangegane en vervallen verplichtingen zijn pas na afloop van een begrotingsjaar bekend. Tot op heden is er geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot herverzekering van investeringsverzekeringen afgesloten onder de MIGA-faciliteit. Herverzekering onder de MIGA-faciliteit maakt onderdeel uit van het reguliere instrumentarium en zal als zodanig dan ook onderdeel uitmaken van de beleidsdoorlichting in 2016. Hierbij zal ook de benutting van het instrument aan de orde komen.

Beheersing risico’s

Er is een maximale jaarlijkse herverzekeringslimiet van € 150 mln. vastgelegd.

Voor de MIGA-herverzekering is in de begroting een bedrag van € 150 mln. opgenomen als plafond voor hoeveel de Staat jaarlijks aan nieuwe verplichtingen kan aangaan (bruto plafond). Het gebruik van de regeling wordt in onderstaande tabel weergegeven.

Benutting garantieregeling (bedragen x € 1.000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

Aangegane garantieverplichtingen (bruto)

0

0

0

0

0

Vervallen garantieverplichtingen (incl. schade-uitkeringen)

0

0

0

0

0

Aangegane garantieverplichtingen (netto)

0

0

0

0

0

Premiestelling en kostendekkendheid

Conform de overeenkomst met de Wereldbank wordt de premiestelling van MIGA overgenomen. De Wereldbank is eveneens gebonden aan de internationaal afgesproken minimum premies.

21. Exportkredietverzekering

Doel en werking garantieregeling

De Nederlandse Staat biedt de mogelijkheid voor het verzekeren van betalingsrisico’s verbonden aan het handels- en dienstenverkeer met het buitenland. Het productenassortiment van de EKV-faciliteit omvat momenteel onder andere: de exporteurspolis, financieringspolis, koersrisicoverzekering, werkkapitaaldekking en verzekering van garanties. In de tabel overzicht verstrekte garanties wordt naast het verplichtingenplafond van € 10 mld., een verwachte afloop van € 10 mld. opgenomen. De exacte omvang van de aangegane en vervallen verplichtingen zijn pas na afloop van een begrotingsjaar bekend.

Beheersing risico’s

De randvoorwaarden voor de afgifte van verzekeringen kunnen ieder moment worden aangepast zodat onverantwoord grote risico’s worden vermeden. Het risicoprofiel van de bestaande EKV-portefeuille (incl. RIV en MIGA) en van nieuwe aanvragen wordt daarom nauwlettend gevolgd door het Ministerie van Financiën door middel van een uitgebreid risicokader.

In de begroting 2012 is het jaarlijkse garantieplafond naar beneden bijgesteld van € 11,3 mld. naar € 10 mld. Een herijking van garantieverplichtingen in vreemde valuta heeft eind 2014 geleid tot lagere uitstaande garanties. Hierdoor is ook de omvang van vervallen garantieverplichtingen relatief groot (zie onderstaande tabel). Door deze wijziging wordt echter aangesloten bij de systematiek die al wordt gehanteerd bij andere internationale garanties.

Voor de EKV is in de begroting een bedrag van € 10 mld. opgenomen als plafond voor hoeveel de Staat jaarlijks aan nieuwe verplichtingen kan aangaan (bruto plafond). In voorgaande jaren was er sprake van een plafond voor het saldo van nieuwe verplichtingen (nieuwe verplichtingen minus de vervallen verplichtingen (netto plafond)). Het gebruik van de regeling wordt in onderstaande tabel weergegeven.

Benutting garantieregeling (bedragen x € 1.000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

Aangegane garantieverplichtingen (bruto)

4.616.849

6.823.709

12.644.489

12.901.909

8.882.142

Vervallen garantieverplichtingen (incl. schade-uitkeringen)

3.418.210

5.705.565

9.701.607

9.378.339

16.366.533

Aangegane garantieverplichtingen (netto)

1.198.639

1.118.144

2.942.882

3.523.570

– 7.484.391

Premiestelling en kostendekkendheid

Internationaal is afgesproken dat EKV-faciliteiten over een langere periode kostendekkend moeten zijn, om concurrentieverstoring te voorkomen. Dat betekent dat op lange termijn de premie-inkomsten voldoende moeten zijn om de uitvoeringskosten en de netto schade-uitkeringen (inclusief de recuperaties) te dekken. Om deze reden zijn de OESO minimumpremies opgesteld. Nederland houdt zich aan deze minimumpremies en monitort de kostendekkendheid door een speciaal hiervoor ontwikkeld model voor Bedrijfseconomische Resultaatbepaling (BERB).

Noot 2: Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 31 066, nr. 236

Noot 3: Kamerstukken II, 2014–2015, 22 112, nr. 1950.

Noot 4: Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 31 789, nr. 64

Noot 5: Propertize: de voormalig vastgoedtak van SNS REAAL.

Noot 6: Kamerstukken II 2015/16, 33 532, nr. B/47

Noot 7: Kst.nr. 31 935 – «Risicomanagement van de staatsschuld – Evaluatie van het beleid 2012–2015».

Noot 8: In de beleidsagenda staat de reeks zoals deze is gereserveerd op de aanvullende post

Noot 9: De uitgaven worden verantwoord op het niet-beleidsartikel Centraal Apparaat

Noot 10: Kamerstukken 2014, 34 000, nr. 36

Noot 11: Kamerstukken 2014/2015, 31 935 nr. 15

Noot 12: Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 33 625, nr. 167

Noot 13: Waarbij sprake is van kostendekkendheid als de netto schade-uitgaven kleiner zijn dan de premieontvangsten. Deze definitie is ook gebruikt bij de overige garantieregelingen.

Noot 14: Voor een uitgebreidere toelichting op de risicobeheersing door DNB wordt verwezen naar het jaarverslag van DNB over 2014.

Noot 15: Special Drawing Rights: de speciale trekkingsrechten zijn gebaseerd op de Amerikaanse dollar, de euro, de Japanse yen en het Brits pond sterling. De koers van de SDR was op 1 augustus 2015 1 SDR = € 1,27