Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

1.5 Overheidsfinanciën

Het kabinet maakt ruimte voor een gerichte verlichting van de lasten op arbeid. De Nederlandse overheidsfinanciën hebben zwaar geleden onder de gevolgen van de crisis. Daarnaast kwam ook het economische herstel maar moeizaam op gang. Dankzij een combinatie van bezuinigingen en structuurversterkende hervormingen (zie box 1.5.1) staat Nederland er weer een stuk beter voor. De uitgebreide beleidsagenda heeft echter veel gevraagd van de mensen die ermee te maken krijgen. Deze gevolgen zijn ook in de komende jaren nog voelbaar. Nu de overheidsfinanciën verbeteren onder invloed van de aantrekkende economie, vindt het kabinet het gerechtvaardigd om een deel van de budgettaire ruimte terug te geven aan de burger door de lasten op arbeid te verlagen. Daarbij is de lastenverlichting zo vormgegeven dat deze het economisch herstel ondersteunt en de werking van de arbeidsmarkt verbetert. Zonder deze lastenverlichting zou de koopkrachtontwikkeling negatief zijn geweest. Gezien alle offers die van burgers zijn gevraagd in economisch slechte tijden, vond het kabinet dit een onacceptabele uitkomst.

De Europese begrotingsregels bieden de nodige ruimte. Door het uitgebreide pakket aan besparingen en hervormingen is Nederland een jaar eerder dan gepland ontslagen uit de buitensporigtekortprocedure; het «strafbankje» van het SGP. Hierdoor heeft Nederland nu te maken met de regels van de zogeheten preventieve arm van het SGP. De Europese Commissie hanteert twee maatstaven om te zien of een lidstaat aan de eisen voldoet: het structureel saldo en de uitgavenregel. Het structureel saldo komt naar verwachting uit op – 1,3 procent bbp in 2016, waarmee Nederland binnen de toegestane marge blijft. Nederland voldoet tevens aan de uitgavenregel. Tot slot voldoet Nederland ook aan de eisen van de transitieperiode voor de schuldregel, die geldt voor lidstaten die recent ontslagen zijn uit de buitensporigtekortprocedure. Paragraaf 3.3 geeft een uitgebreide toelichting op de Europese begrotingsregels.

De houdbaarheid van de Nederlandse overheidsfinanciën is in recente jaren sterk verbeterd. De houdbaarheidsindicator van het CPB geeft weer hoe de overheidsuitgaven en -inkomsten zich ontwikkelen tot en met 2060, als wordt uitgegaan van welvaartsvaste collectieve voorzieningen. Met andere woorden: kunnen toekomstige generaties van hetzelfde collectievevoorzieningenniveau profiteren als de huidige, bij gelijke effectieve belastingtarieven? Uit deze maatstaf blijkt dat bestaande instituties al voor de crisis op lange termijn onhoudbaar waren zonder verdere ingrepen.37 Door de crisis verslechterde de houdbaarheid verder. Er zijn toen verschillende maatregelen genomen, met als voornaamste de verhoging van de AOW-leeftijd en de beperking van de kostenstijgingen in de zorg. Deze maatregelen hebben ertoe geleid dat de houdbaarheidsindicator nu positief is: de laatste berekening komt uit op een positief saldo van 0,4 procent van het bbp. Het kabinet blijft sturen op deze indicator, door een combinatie van maatregelen die de economische groei versterken en prudent begrotingsbeleid.

Box 1.5.1 Stand van zaken hervormingsagenda

Arbeidsmarkt. De invoering van de Participatiewet in combinatie met de banenafspraak38 bevordert een actieve deelname aan de arbeidsmarkt, door mensen met én zonder arbeidsbeperking. De Wet werk en zekerheid (Wwz) maakt het ontslagrecht eerlijker en activerender. Ook kort deze wet de WW-duur stapsgewijs in. Dit draagt bij aan een hogere arbeidsparticipatie en arbeidsmobiliteit. De Wwz versterkt daarnaast de positie van flexwerkers. De herziening van de kindregelingen39 stimuleert daarnaast de arbeidsparticipatie van alleenstaande ouders, omdat het voor deze groep financieel aantrekkelijker wordt om te gaan werken.

Woningmarkt. Het kabinet werkt aan een beter functionerende woningmarkt met minder risico’s en schulden. Het recht op hypotheekrenteaftrek voor nieuwe leningen is daarom verbonden aan aflossingsvoorwaarden. Het maximale inkomstenbelastingtarief waartegen de hypotheekrente mag worden afgetrokken, wordt stap voor stap afgebouwd tot 38 procent in 2041. Bovendien wordt de maximale lening als percentage van de waarde van het huis (loan-to-value-percentage) teruggebracht naar 100 procent in 2018. Ook is de overdrachtsbelasting blijvend verlaagd van 6 naar 2 procent. Op de huurmarkt moeten woningbouwcorporaties zich weer eenduidig richten op sociale huisvesting, waardoor huurders niet langer kunnen opdraaien voor de risico’s van de commerciële activiteiten van corporaties. Verder heeft het kabinet maatregelen genomen om de toewijzing van sociale huurwoningen te verbeteren en de maximale huurprijs meer te koppelen aan de gewildheid van woningen.

Pensioenen. Met het oog op de overheidsfinanciën heeft het kabinet de verhoging van de AOW-leeftijd versneld. In lijn met de latere pensionering is het fiscaal gefaciliteerde opbouwpercentage40 van het aanvullend pensioen verlaagd. Door modernisering van het Financieel Toetsingskader (FTK) voor pensioenfondsen worden de gevolgen van financiële schokken beter gespreid en eerlijker verdeeld tussen generaties. Tot slot heeft het kabinet in een hoofdlijnennotitie41 zijn visie gegeven op de toekomst van het pensioenstelsel (zie paragraaf 2.2). Het kabinet heeft onder andere de ambitie om de zogenoemde doorsneesystematiek te vervangen door een actuarieel correctere systematiek van pensioenopbouw.

Langdurige zorg. De langdurige zorg is herzien met als doel om meer maatwerk te leveren en tegelijkertijd de houdbaarheid van het stelsel te verbeteren. Delen van de extramurale zorg zijn ondergebracht in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Wijkverpleging en een deel van de langdurig geestelijke gezondheidszorg vallen per 2015 onder de verantwoordelijkheid van zorgverzekeraars. De rechten van de meest kwetsbare cliënten met een zorgvraag (ouderen, gehandicapten, cliënten met langdurige psychiatrische aandoeningen) zijn sinds 1 januari 2015 verankerd in de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Jeugdwet. Het resultaat is dat zorg dicht bij de patiënt kan worden georganiseerd, mensen langer thuis kunnen blijven wonen en er ruimte is om te experimenteren.

Energie en klimaat. In september 2013 heeft het kabinet met 47 partijen het Energieakkoord voor duurzame groei gesloten. Dit akkoord stimuleert een duurzamere energievoorziening en versterkt de Nederlandse economie. Sinds het afsluiten van het akkoord zijn veel maatregelen in gang gezet. Zo zijn voor het opwekken van windenergie op land een aantal grootschalige projecten gestart. Ook is voor nieuwe windparken op zee regelgeving opgesteld, zodat deze projecten de komende jaren snel en zorgvuldig uitgerold kunnen worden. Daarnaast zijn op het gebied van energiebesparing concrete stappen gezet om investeringen in energiebesparende maatregelen te stimuleren. Gegeven de complexiteit van het energievraagstuk hecht het kabinet sterk aan externe inbreng. Burgers, bedrijven, andere overheden en maatschappelijke organisaties worden uitgenodigd hun kennis en kunde in te brengen voor de energietransitie. Hieruit volgt in het najaar van 2016 een beleidsagenda. Tegelijkertijd zal de evaluatie van het Energieakkoord worden gepubliceerd. Bovendien wordt de kosteneffectiviteit van CO2-reducerende maatregelen onderzocht in het kader van het IBO CO2, speelt de uitvoering van het vonnis in de rechtszaak Urgenda en zal het geplande Energierapport de basis vormen voor het energiebeleid voor de korte en middellange termijn.

Financiële sector. De afgelopen jaren is in Europa veel voortgang geboekt bij de vormgeving van een bankenunie. Inmiddels is het gemeenschappelijke toezicht van de Europese Centrale Bank (ECB) op 130 Europese banken operationeel. Het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, waarin Europese besluitvorming voor het afwikkelen van probleembanken is geregeld, treedt op 1 januari 2016 volledig in werking. Hieraan is de voorwaarde verbonden dat ook wordt gestart met de opbouw van het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds. Bovendien wordt gewerkt aan een geharmoniseerde set van wet- en regelgeving voor alle banken in de EU. Banken hebben hun kapitaalbuffers de afgelopen jaren al verhoogd om tegemoet te komen aan de fors hogere kapitaalvereisten die eerder werden vastgesteld en zullen de komende jaren nog meer kapitaal aan moeten gaan houden. Het kabinet heeft op nationaal niveau verschillende maatregelen genomen om de klant centraal te stellen. Het provisieverbod is uitgebreid en verbreed naar beleggingsdiensten. Ook zijn de vakbekwaamheidseisen voor financieel dienstverleners verzwaard. Daarnaast is een algemene zorgplicht voor financiële dienstverleners geïntroduceerd, die hen verplicht de belangen van de klant in acht te nemen. Tot slot is in de Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen een bonusplafond van 20 procent opgenomen voor personen die in de financiële sector werken.

Studievoorschot. Goed onderwijs is een investering in menselijk kapitaal en de motor achter welvaart en economische groei. De samenleving profiteert van een goed opgeleide beroepsbevolking, door de goederen en diensten die deze levert, en door de hogere belastinginkomsten. Het is volgens het kabinet redelijk om de kosten van het hoger onderwijs te delen. Het hervormt daarom het stelsel van studiefinanciering en investeert de vrijgekomen middelen in het hoger onderwijs en aan onderwijs gerelateerd onderzoek. Hierdoor verbetert de kwaliteit van het onderwijs. De basisbeurs is per september 2015 vervangen door de mogelijkheid te lenen tegen sociale voorwaarden (het studievoorschot). Voor studenten van wie de ouders minder dan modaal verdienen, wordt de aanvullende beurs verhoogd. Met het studievoorschot en de taskforce Beter benutten (hervorming studentenreisproduct) komt een bedrag vrij dat oploopt tot maximaal 1 miljard euro. Dit bedrag investeert het kabinet in de kwaliteit van het hoger onderwijs.

Omgevingswet. Het omgevingsrecht wordt eenvoudiger en doelmatiger ingericht. Momenteel bestaat het omgevingsrecht uit tientallen wetten en honderden regelingen voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur, erfgoed en water. Deze gaan geheel of grotendeels op in de nieuwe Omgevingswet. Dit leidt tot minder en eenvoudigere regels voor ruimtelijke plannen, zodat het straks bijvoorbeeld makkelijker is om bouwprojecten te starten. De Tweede Kamer heeft het wetsvoorstel Omgevingswet op 1 juli 2015 aangenomen. Nu moet de Eerste Kamer nog hierover oordelen. Verder werkt het kabinet aan vier Algemene Maatregelen van Bestuur, die onder de Omgevingswet komen te hangen. Samen met de bestuurlijke koepels werkt het kabinet aan de implementatie van de Omgevingswet en de ontwikkeling van het ondersteunend digitaal stelsel. Naar verwachting treedt de wet in 2018 in werking.