Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vaststelling begroting Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) 2018

34775 VII 6 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vergaderjaar 2017-2018

Nr. 6

Vastgesteld 11 oktober 2017

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.

De vragen zijn op 29 september 2017 voorgelegd aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Bij brief van 10 oktober 2017 zijn ze door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beantwoord.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De fungerend voorzitter van de commissie,
Pia Dijkstra

De waarnemend griffier van de commissie,
Hendrickx

1

In welk tijdvak in 2018 wordt de Staatscommissie parlementair stelsel geacht advies uit te brengen?

Antwoord:

De Staatscommissie parlementair stelsel brengt haar advies voor 31 december 2018 uit.

2

Hoe ver is de Minister van BZK met de ontwikkeling van een vernieuwde berichtenvoorziening van MijnOverheid? Wanneer verwacht hij de vernieuwde berichtenvoorziening van MijnOverheid? Hoe ziet de uitgavenontwikkeling hieraan voor komende jaren eruit?

Antwoord:

De bouw van de vernieuwde berichtenvoorziening voor burgers is in een vergevorderd stadium. Ik verwacht dat deze in 2018 gereed is.

Voor beheer & exploitatie zijn de uitgaven meerjarig stabiel. De doorontwikkeling van de nieuwe berichtenvoorziening is op dit moment onderwerp van gesprek. Pas na besluitvorming over de doorontwikkeling(en) kan inzicht in de uitgaven ontstaan en worden deze opgenomen in de begroting.

3

Bij welke diasporagemeenschappen («lange arm») is er sprake van heimelijke beïnvloeding en inmenging? Op welke wijze vindt dit plaats?

Antwoord:

De AIVD doet onderzoek naar de ongewenste activiteiten van buitenlandse inlichtingendiensten. Over de landen waar het onderzoek zich op richt en de wijze waarop heimelijke politieke beïnvloeding en inmenging plaatsvindt, kunnen in het openbaar geen mededelingen gedaan worden.

4

In welke mate is er sprake van samenwerking met het bedrijfsleven bij de doorontwikkeling van de Generieke Digitale Infrastructuur?

Antwoord:

De digitale voorzieningen zijn in beheer bij agentschappen van het Rijk, zoals het agentschap Logius. Deze agentschappen treden op als intermediair tussen de overheid en het bedrijfsleven en besteden delen van het beheer van de voorzieningen uit aan de markt. Bij de doorontwikkeling van de voorzieningen werken deze marktpartijen vanzelfsprekend mee. Daarnaast bestaat de Generieke Digitale Infrastructuur uit een aantal (publiek-private) afsprakenstelsels, zoals het stelsel voor elektronische toegangsdiensten (ETD), waar eHerkenning voor bedrijven deel van uitmaakt. In publiek-private afsprakenstelsels levert het bedrijfsleven digitale middelen en voorzieningen, die moeten voldoen aan de eisen die door overheid en bedrijven zijn afgesproken. De overheid houdt het toezicht op de betrouwbaarheid van deze middelen.

5

Waaruit bestaan de «overige mutaties» van 2018 (deze bedragen € 14,5 mln.)? Kan de Minister deze uitsplitsen?

Antwoord:

De stand van de overige mutaties is het saldo van diverse mutaties binnen de verschillende artikelen. Voor zover ze de in de leeswijzer opgenomen ondergrenzen overstijgen zijn ze afzonderlijk toegelicht in de verdiepingsbijlage.

6

Waarom is er een bedrag van 656.885.000 voor 2022 onder «overige mutaties» geplaatst en bedraagt de ontwerpbegroting voor datzelfde jaar 0?

Antwoord:

In de tabel beleidsmatige mutaties worden conform de Rijksbegrotingvoorschriften de belangrijkste mutaties toegelicht ten opzichte van de vorige vastgestelde begroting. Omdat de ontwerpbegroting 2017 het jaar 2021 als horizon heeft, was er in die begroting nog geen bedrag voor 2022 opgenomen. In de ontwerpbegroting 2018 is het extrapolatiejaar 2022 toegevoegd.

7

Kunt u nader toelichten waar de gelden die geregistreerd waren voor de operatie BRP naartoe gaan?

Antwoord:

Bij 1e suppletoire begroting 2017 zijn middelen voor de inbeheername van de BRP binnen mijn begroting gerealloceerd en aan mijn begroting toegevoegd uit te verwachten extra ontvangsten. Deze extra ontvangsten waren gebaseerd op een doorbelasting aan de gebruikers. Deze doorbelasting is in de begroting weer teruggedraaid als het gevolg van het besluit om te stoppen. De beschikbaar gestelde middelen uit mijn eigen begroting zijn toegevoegd aan de post beleid BRP voor de reguliere uitvoering van de wet, zoals bijvoorbeeld het kwaliteitsbeleid (2018 € 7,4 mln., 2019 € 5,2 mln. en 2020 € 4,1 mln.). Voor de operatie was daarnaast in 2018 € 0,8 mln. en vanaf 2019 € 2,8 mln. op jaarbasis beschikbaar. Deze middelen worden betrokken bij de uitkomsten van het onderzoek naar de toekomstige ontwikkeling van de persoonsregistratie.

8

Hoe is het bedrag opgebouwd ter implementatie van de WIV?

Antwoord:

Op 17 januari 2017 heb ik met de Minister van Defensie een nota van wijziging van het wetsvoorstel van de nieuwe Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv) aangeboden aan de Kamer, samen met een nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2016–2017 34 588, nr. 18). Hierin werd een nadere uitsplitsing gegeven van de middelen die nu in het kader van de nieuwe Wiv aan de begrotingen van BZK en Defensie zijn toegevoegd. Het bedrag is opgebouwd uit enkele hoofdbestanddelen, namelijk personeel- en materieelkosten bij de AIVD en MIVD en vergoedingen naar redelijkheid aan de sector voor investerings-, personeels- en administratiekosten die direct samenhangen met de uitvoering van de bevoegdheid tot onderzoeksopdrachtgerichte interceptie. Bij personeelskosten van de AIVD en MIVD gaat het met name om het aantrekken van gespecialiseerd (technisch) personeel. Bij de materieelkosten gaat het onder andere om het inrichten van zogenaamde «access-locaties»: de technische voorzieningen bij aanbieders om interceptie te realiseren. In het kader van de nieuwe Wiv is er daarnaast sprake van uitgaven voor de versterking van het toezicht. Deze zijn opgenomen op de begroting van het Ministerie van Algemene Zaken.

9

Kunt u de bijdragen aan de eID-stelselkosten uitsplitsen naar ministerie?

Antwoord:

In de jaren 2018 en 2019 gaat het om een bijdrage van € 2 mln. per jaar voor de Ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), Infrastructuur en Milieu (IenM), Financiën (FIN), Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Veiligheid en Justitie (VenJ, alleen in 2018).

10

Hoeveel heeft het project BRP in totaal gekost en hoeveel daarvan zijn de kosten om het te project te stoppen?

Antwoord:

In mijn brief van 27 juni jl. (Kamerstukken II 2016–2017 27 859, nr. 105) heb ik aangegeven dat: «In de periode 2009 tot 1 januari 2017 is ca. € 87 mln. aan uitgaven gerealiseerd waarvan in totaal € 69 mln. betrekking heeft op de operatie BRP en € 18 mln. op de voorbereiding van de inbeheername.»

De afrekening van de uitgaven over het jaar 2017 moet nog plaatsvinden. In het kader van de reguliere jaarcontrole zal de Kamer daarover in mei 2018 worden gerapporteerd. Over de precieze cijfers beschik ik derhalve nog niet. Op basis van de mij thans bekende gegevens is voor de operatie BRP in 2017 tot het moment van stoppen door het Rijk additioneel ca € 6 mln. uitgegeven en voor de inbeheername additioneel ca € 5 mln. De totale uitgaven komen hiermee op ca € 98 mln.

Na het besluit ordentelijk te stoppen, begin juli, is direct overgegaan tot het ontbinden van alle contracten met externen voor de ontwikkeling en inbeheername van de BRP. De doorloop van kosten is daarmee zo snel mogelijk beëindigd. Een kleine bezetting is overgebleven voor het opleveren van programmatuur en documentatie voor de openbaarmaking en archivering. Daarnaast leidt de afschrijving op activa en technisch beheer tot kosten. De raming van deze uitgaven, na het besluit om te stoppen, bedraagt naar huidig inzicht ca. € 5 mln.

11

Hoe ziet het beleid, gericht op het bewerkstelligen van voldoende uitvoeringskracht bij met name gemeenten eruit?

Antwoord:

Van meet af aan is veel aandacht besteed aan de uitvoeringskracht van gemeenten. Centraal daarbij staan de vragen van gemeenten. Zo zijn over onder meer regionale samenwerking, rechtmatigheid, de rol van de raad, privacy en aanbestedingen bijeenkomsten georganiseerd, goede voorbeelden verspreid en handreikingen opgesteld. Het is de bedoeling deze aanpak onverkort voort te zetten in het interbestuurlijke programma sociaal domein.

12

Waarom zijn artikel 1 en artikel 2 100% juridisch verplicht? Waarom zijn bijvoorbeeld artikel 1.1 «opdrachten» en «bestuurlijke en financiële verhoudingen» 100% juridisch verplicht?

Antwoord:

Op artikel 1 betreft het individuele subsidies en bijdragen aan internationale organisaties waar o.a. wetgeving, zoals voor subsidies politieke partijen, aan ten grondslag ligt en hiermee 100% juridisch verplicht zijn. Onder opdrachten betreft het deels bestuurlijke afspraken. Abusievelijk is bij opdrachten 100% opgenomen. Dit had 70% moeten zijn. Het totaal van het artikel komt hiermee uit op 94%.

Op artikel 2 is het overgrote deel van het budget apparaat en dit wordt als juridisch verplicht verondersteld. De rest van de uitgaven zijn geheim.

13

Waarom is er besloten om de bestuurlijke en financiële verhoudingen (artikel 1.1) te korten met 4 miljoen?

Antwoord:

Er is niet besloten het artikel bij deze ontwerpbegroting te korten. In de begroting van 2017 was al een afname van het budget over de jaren heen voorzien. Daarnaast is het budget bij 1e suppletoire begroting incidenteel verhoogd.

14

Waarvan wordt een mogelijk raadgevend referendum bekostigd, aangezien dit begrotingsartikel 100% juridisch verplicht is en er geen geld voor gereserveerd is, terwijl er wel een inleidend verzoek tot referendum is toegelaten dat mogelijk in 2018 wordt georganiseerd?

Antwoord:

Op het moment dat een raadgevend referendum zich voor gaat doen, wordt bezien welke kosten dit met zich meebrengt. Bij het raadgevend referendum over het associatieverdrag met Oekraïne zijn algemene middelen aan de begroting van BZK toegevoegd.

15

Kunt u een nadere toelichting geven bij de verschillen in uitgaven voor de verkiezingen voor de jaren 2016 tot en met 2022? Op welke wijze wordt geanticipeerd op verwachte hogere kosten in verkiezingsjaren?

Antwoord:

Op de begroting is meerjarig ruim € 2,3 mln. voor het onderwerp verkiezingen beschikbaar. De bedragen wijken in de jaren 2016 en 2017 af, omdat in 2016 budget voor de permanente registratie voor kiezers in het buitenland is doorgeschoven naar 2017. Het bedrag voor 2017 is naast de doorgeschoven post uit 2016 hoger, omdat bij 1e suppletoire begroting het bedrag is verhoogd in verband met diverse experimenten en overige verkiezingskosten.

Het jaarlijkse budget voor verkiezingen wordt ingezet voor verkiezingen Dit behelst alle kosten, zoals de landelijke informerende campagne, kosten voor de evaluatie van de verkiezingen, het beschikbaar stellen van stemmaterialen, diverse experimenten en overige verkiezingsgerelateerde kosten. De gemaakte kosten lopen jaarlijks door en zijn niet allemaal afhankelijk van een verkiezingsjaar.

16

Wat zijn de contouren van de nieuwe Subsidieregeling voor de Oorlogsgravenstichting (over de periode 2018 tot en met 2021)? In welke opzichten zal deze verschillen van de huidige subsidieregeling?

Antwoord:

In 2016 is de subsidieregeling Oorlogsgravenstichting 2013 geëvalueerd. Ik ben in gesprek met de Oorlogsgravenstichting over de subsidieregeling met ingang van 2018 en de verwerking van de resultaten van de evaluatie hierin. Het kan zijn dat voor een zorgvuldige verwerking van de evaluatie de gesprekken doorlopen in 2018 en dat om de continuïteit te borgen het wenselijk is om de subsidieregeling per 01-01-2018 tijdelijk ongewijzigd te verlengen. Uw Kamer wordt hierbij betrokken, doordat de verlenging van de subsidieregeling aanhangig gemaakt zal worden bij de Kamer.

17

Met wie maakt de Minister van BZK afspraken over de generieke digitale infrastructuur? Wat behelzen die afspraken?

Antwoord:

Als Minister van BZK ben ik in overleg met een breed spectrum aan partijen die een belang hebben bij de Generieke Digitale Infrastructuur (GDI). Dit zijn onder andere collega departementen, medeoverheden en uitvoeringsorganisaties. In voorkomende gevallen zijn ook vertegenwoordigers van private partijen, zoals de pensioenfederatie betrokken. Overleg vindt plaats in onder andere de overleggremia die onder regie van de Digicommissaris vallen. Er worden afspraken gemaakt over de realisatie van een betrouwbare en veilige digitale overheid.

18

Hoe is de samenwerking tussen ministeries m.b.t. de integrale benadering voor informatiebeveiliging?

Antwoord:

Voor de integrale benadering van informatiebeveiliging is voor ministeries de Baseline Informatiebeveiliging Rijksdienst (BIR) van toepassing. De BIR is recent herzien in samenwerking met vertegenwoordigers van alle ministeries. Vanaf 2018 zal de nieuwe BIR2017 van kracht worden. Alle ministeries verantwoorden zich over de staat van informatiebeveiliging middels een In Control Verklaring (ICV).

19

Hoe wordt de doorbelasting van kosten zoals DigiD en de Berichtenbox van MijnOverheid berekend? Welke tariefstructuur geldt er? Hoeveel is dit per organisatie? Graag een overzicht.

Antwoord:

In juli 2016 heeft het kabinet besloten tot het doorbelasten van de GDI met als basis de uitgangspunten voor de duurzame financiering. In februari 2017 heeft het kabinet besloten de toerekenbare kosten van de GDI-voorzieningen (alle kosten voor beheer en exploitatie van de voorzieningen) door te belasten aan de publieke organisaties en private organisaties met een publieke taak, die de voorzieningen gebruiken in hun dienstverlening aan burgers en bedrijven. Besloten is om dit per 2018 te effectueren voor DigiD, MijnOverheid en Digipoort. De totale beheerkosten van deze voorzieningen in 2018 zijn geraamd op € 102 miljoen. Tevens is besloten vanaf 2019 alle overige voorzieningen door te belasten.

Voor de verdeling van de kosten over de verschillende afnemers, is een tariefstructuur uitgewerkt onder regie van de Digicommissaris en met alle betrokken partijen. Partijen uit zowel de publieke als de private sector zijn nauw betrokken geweest bij de uitwerking van de financieringsafspraken via een stuurgroep en een begeleidingscommissie. Het Nationaal Beraad Digitale Overheid, waar alle betrokken partijen zijn vertegenwoordigd, heeft de tariefstructuur vastgesteld. Middels deze tariefstructuur worden de kosten voor de afnemers berekend op basis van een tarief («p») per afname-eenheid («q»). Een kostenoverzicht per organisatie is op dit moment niet beschikbaar.

De besluitvorming in het Nationaal Beraad wordt nu, samen met de betrokken partijen uitgewerkt. Via deze uitwerking wordt duidelijk hoe hoog de exacte rekening voor de respectievelijke afnemers gaat worden.

20

Welke voornemens zijn er concreet ten aanzien van de doorberekening van de kosten van de Generieke Digitale Infrastructuur (DigiD) aan de afnemers? Om welke kosten gaat het in zijn totaliteit?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 19.

21

Gaat het bij het doorberekenen van de kosten van de Generieke Digitale Infrastructuur alleen om het gebruik van DigiD en Mijn Overheid Berichtenbox of ook om andere zaken c.q. voorzieningen?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 19.

22

Hoe verloopt het overleg met de afnemers c.q. de koepels van afnemers bij de doorberekening van de kosten van de Generieke Digitale Infrastructuur? Wat zijn hun standpunten?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 19.

23

Hoe ver is de besluitvorming als het gaat om de doorberekening van de kosten van de Generieke Digitale Infrastructuur?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 19.

24

Is bekend in hoeverre de (interne) klanten van de Generieke Digitale Infrastructuur tevreden zijn over het systeem? In hoeverre vinden zij dat het systeem naar tevredenheid werkt?

Antwoord:

Voor zowel de interne klant (dienstaanbieders als de Belastingdienst) als de uiteindelijke klant (burgers) wordt klanttevredenheid regelmatig gemeten. In beide gevallen wordt de dienstverlening als voldoende beoordeeld. Natuurlijk werk ik aan verbetering; dat is een continu proces.

25

Waar bestaat de toename in uitgaven onder artikel 6.2 Opdrachten («doorontwikkeling e-overheidsvoorzieningen») exact uit, en waarom is deze vele malen hoger dan in 2017?

Antwoord:

De toename bestaat uit de opname van vaste kosten van het eID Stelsel waarvoor verschillende ministeries een bijdrage hebben geleverd. Daarnaast is een groot deel van het budget in 2017 ingezet voor opdrachten aan agentschappen in plaats van aan derden, waardoor de uitgaven zijn verschoven naar bijdragen aan agentschappen.

26

Waarom is er voor gekozen om het Programma burgerschap te korten in hun bijdrage en hoe wordt dit programma nu bekostigd?

Antwoord:

Het Ministerie van BZK stimuleert door diverse activiteiten om kennis over de participatiesamenleving en de doe-democratieaanpak te bevorderen, bijvoorbeeld met de Democratic Challenge van de VNG. Een deel van deze activiteiten wordt in 2017 afgerond. Dit betreft vooral subsidies.

27

Waarom loopt de bijdrage van de Unie van Waterschappen ten behoeve van de GDI af?

Antwoord:

De bijdrage is gebaseerd op de reeks bijdragen aan de Aanvullende Post GDI die in 2015 is vastgesteld. Dit is tot 2019 een dalende reeks.

28

In hoeverre heeft het stoppen van de operatie BRP invloed op de aanpak van fraudebestrijding met identificatiegegevens?

Antwoord:

Het stopzetten van operatie BRP heeft geen invloed op de lopende inzet en projecten op het gebied van fraudebestrijding. Het kabinet heeft in 2016 besloten dat de Landelijke Aanpak Adreskwaliteit (LAA) tot en met 2023 wordt uitgevoerd. Dit wordt gecontinueerd. De zelfevaluaties en kwaliteitscontroles op de bijhouding van de gegevens door gemeenten zijn en blijven onderdeel van het reguliere beheer van de BRP.

29

Wanneer ontvangt de Tweede Kamer het wetsvoorstel Generieke Digitale Infrastructuur?

Antwoord:

De planning is erop gericht het wetsvoorstel in december 2017 voor te leggen aan de Afdeling advisering van de Raad van State. De inzet is dat indiening bij de Tweede Kamer kort na het Krokusreces in 2018 kan plaatsvinden.

30

Over wat voor een soort alternatieve generieke elektronische identificatiemiddelen hebben we het bij de digitale dienstverlening? Wat is de concrete ambitie voor het digitaal zaken doen van burgers met overheid?

Antwoord:

Met het oog op het waarborgen van de continuïteit van de overheidsdienstverlening is het wenselijk dat – naast de publieke elektronische identificatiemiddelen (eID-middelen) onder het merk DigiD – zo snel mogelijk ook alternatieven voor met name het betrouwbaarheidsniveau «substantieel» breed beschikbaar komen. Ik heb daarvoor onlangs een gerichte (markt)verkenning geïnitieerd. Op basis van de uitkomst daarvan zal ik een besluit nemen over de vervolgstappen. Uit de marktconsultatie zal blijken welke partijen, op welke wijze, in staat zijn aan de doelstellingen van de overheid te voldoen.

Het is de ambitie dat burgers en bedrijven bij alle dienstverlening met de overheid digitaal zaken kunnen doen. Onder de noemer Digitaal 2017 is in dit kader de afgelopen kabinetsperiode reeds veel vooruitgang geboekt. Nog niet alle diensten worden digitaal aangeboden en ook op het gebied van gebruikersvriendelijkheid is nog verbetering mogelijk.

Naarmate meer diensten gedigitaliseerd worden komt ook het vraagstuk van inclusiviteit prominenter in beeld. In onze digitale samenleving willen we geen digitale tweedeling. Dat vraagt van de overheid een actieve inzet en bewustwording, ten aanzien van de wijze van aanbieden (ook voor laaggeletterden toegankelijk) en het opleiden van digitaal minder vaardigen.

De Studiegroep Informatiesamenleving en Overheid heeft eerder dit jaar een advies uitgebracht onder de titel «Maak waar», over de veranderende rol van de overheid in de informatiesamenleving en de bijbehorende handelingsperspectieven op bijvoorbeeld dienstverlening, infrastructuur, normstelling, governance en financiering (Kamerstukken II 2016–2017 26 643, nr. 454).

De aanbevelingen van de studiegroep zijn bedoeld om in opmaat naar de nieuwe kabinetsperiode te adviseren over de benodigde vervolgstappen in de doorontwikkeling van de Digitale Overheid. Het is aan het volgende kabinet om de ambities rondom dit onderwerp vast te stellen en concreet te maken.

31

Is de precieze scope en criteria van toekomstige gebruikers van DigiD vastgelegd of nog in ontwikkeling?

Antwoord:

De scope en criteria zijn nog in ontwikkeling en worden meegenomen in de Wet GDI.

32

Wat zijn de kosten voor het huidige DigiD en waarom is ervoor gekozen nu deze kosten te willen doorberekenen?

Antwoord:

De beheer- en exploitatiekosten van DigiD zijn voor 2018 geraamd op € 34 mln.

Tot nu toe ontbraken eenduidige en structurele afspraken over de financiering van deze voorzieningen, waardoor financiering op ad hoc basis moest worden geregeld. Om deze infrastructuur veilig, bruikbaar en toekomstvast in stand te houden is gekozen voor doorbelasting, omdat dit leidt tot duurzame financieringsafspraken.

33

Hoeveel is het budget voor het Bureau ICT-Toetsing (BIT)? Waar staat het BIT op de begroting? Hoeveel fte zijn er op dit moment werkzaam bij het BIT?

Antwoord:

Voor het BIT is voor de jaren 2015 tot en met 2019 een jaarlijks budget beschikbaar van € 2,8 mln. Dit bedrag wordt verantwoord op de begrotingspost Centraal apparaat (artikel 11) van het Ministerie van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties (hoofdstuk VII).

Per 1 oktober 2017 kent het BIT vijf vaste medewerkers en drie medewerkers die zijn ingehuurd via I-Interim Rijk. Er kunnen vijf plekken extra worden ingevuld door de tijdelijke inhuur van externe ICT-specialisten. met specifieke expertise om waar nodig een concreet project te kunnen toetsen.

34

Wat zijn de ervaringen tot nu toe met het faciliteren van de gesprekken tussen burgers onderling? Wat zijn de ervaringen tot nu toe met het houden van burgerconferenties? Wie organiseren die bijeenkomsten?

Antwoord:

Sinds de start van deze kabinetsperiode heeft het Ministerie van BZK langs verschillende lijnen de dialoog met én tussen burgers bevorderd. Het stimuleren van deliberatie en participatie past in de ambitie de democratie gedragen en eigentijds te laten zijn. BZK heeft hierin een faciliterende, aanjagende, en soms initiërende rol.

Tal van gemeenten organiseren burgerconferenties (burgertoppen, G1000en, stadsgesprekken, etc.). Het initiatief ligt soms ook bij maatschappelijke organisaties en actieve bewoners. Deze «conferenties» verschillen in vorm, deelnemersveld én mate waarin de uitkomsten doorwerking hebben in lokale beleids- en besluitvorming. Op basis van de inzichten uit die lokale initiatieven bundelt BZK de belangrijkste aanbevelingen in een handreiking. Hierin staan handvatten voor het organiseren van een succesvolle burgerconferentie. Een belangrijke aanbeveling is helder te communiceren over wat men kan verwachten bij de uitkomsten van het specifiek gekozen type bijeenkomst. Deze handreiking verschijnt op 17 november 2017.

35

Op welke manier wordt het werken in de publieke sector concreet aantrekkelijker gemaakt?

Antwoord:

Uit het Personeels- en Mobiliteitsonderzoek (PoMo) blijkt dat medewerkers in het openbaar bestuur in het algemeen tevreden zijn over hun werk. Om deze goede uitgangspositie te behouden is permanente aandacht nodig voor onder andere het verder vergroten van de mobiliteit en inzetbaarheid van medewerkers en het stimuleren van leren en ontwikkelen door medewerkers. Dit gebeurt door middel van mobiliteitsprogramma’s, detacheringen en uitwisselingen (ook tussen bestuurslagen). Om leren en ontwikkelen te stimuleren kan de medewerker gebruikmaken van een opleidings- en scholingsbudget. Instrumenten als intervisie en coaching, traineeships en speciale rijksacademies voor opleiding en vorming dragen daar ook aan bij. Daarnaast is aandacht voor het bevorderen van gezond en vitaal werken van groot belang.

36

Waarom heeft de Minister ervoor gekozen de bijdrage aan Zorg voor politieke ambtsdragers te halveren in een jaar waarin er veel nieuwe raadsleden bijkomen?

Antwoord:

Ter uitvoering van de motie Wolbert (Kamerstukken II 2015–2016 34 300, nr. 34) heb ik voor 2017 eenmalig extra middelen vrijgemaakt om te komen tot een tijdelijke impuls voor de ondersteuning van (nieuwe) raadsleden. Deze impuls richt zich onder meer op de ontwikkeling van nieuwe opleidingen, trainingen en instrumenten ter voorbereiding op de gemeenteraadsverkiezingen. Er is geen sprake van halvering van budget.

37

Kunt u het grote verschil tussen de uitgaven «zorg voor politieke ambtsdragers» tussen 2017 en 2018 en verder nader toelichten?

Antwoord:

Ziet het antwoord op vraag 36.

38

Hoeveel externe inhuur is er op het departement als uitvoerende organisaties, zowel in procenten als in absolute aantallen?

Antwoord:

De uitgaven voor externe inhuur zijn voor 2018 geraamd op de begrotingshoofdstukken IV (Koninkrijksrelaties), VII (Binnenlandse Zaken) en XVIII (Wonen en Rijksdienst). De hierna genoemde cijfers hebben betrekking op alle begrotingshoofdstukken:

Het voor 2018 geraamde percentage voor externe inhuur voor het departement is 4% (€ 5,8 mln.) en voor de uitvoerende organisaties is dat 17% (€ 121,9 mln.). Het totaal van het geraamde percentage aan externe inhuur voor 2018 komt daarmee uit op 15% (€ 127,7 mln.). BZK houdt geen administratie bij van de aantallen inhuur.

39

Welke ICT-projecten lopen of zijn in voorbereiding bij zowel het departement als uitvoerende organisaties van het departement?

Antwoord:

Bij het Ministerie van BZK wordt, conform de rijksbrede kaders, gerapporteerd over de grote ICT-projecten middels de jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk en het Rijks ICT-Dashboard. Bij het departement zijn op dit moment 7 projecten in uitvoering, te weten: Impuls eID, DigiD Substantieel, DWR Next, HARP, PMI, programma Inbesteding ICT Dienstverlening RVB en van GEB naar Globe (migratie berichtenbox). Over Operatie BRP is separaat gerapporteerd aan de Tweede Kamer over de stand van zaken (Kamerstukken II 2017- 2018 27 859, nr. 113).

Nieuwe projecten of projecten in voorbereiding komen voor rapportage in aanmerking als deze voldoen aan de rijksbrede kaders voor rapportage.

40

Hoe groot is de omvang van deze ICT-projecten, hoe lang is de (verwachte) looptijd van deze projecten, heeft het BIT over deze projecten advies uitgebracht en zo ja, luidde dit positief of negatief?

Antwoord:

De gezamenlijk omvang van deze projecten (zie vraag 39) bedraagt € 196 mln. De looptijd van de projecten verschilt. Over de concrete looptijd van deze projecten wordt gerapporteerd middels het ICT-Dashboard.

Conform de rijksbrede afspraken en in overleg met het BIT zijn diverse BIT-toetsen uitgevoerd, onder meer voor het programma eID, DWR next, en Harmonisatie Applicaties en Rijksvastgoedprocessen (HARP). Voor het programma van GEB naar Globe (berichtenbox) is een BIT-advies gevraagd en in behandeling genomen. De BIT-adviezen geven goede handvatten voor de verdere uitvoering van de genoemde projecten. Het meest kritisch was het Bureau BIT ten aanzien van het programma Operatie BRP. Daarover is de Tweede Kamer separaat geïnformeerd (Kamerstukken II 2017–2018 27 859, nr. 113).

41

Welke ICT-projecten zijn in de laatste jaren succesvol afgerond en welke zijn als mislukt aan te merken?

Antwoord:

Sinds er wordt gerapporteerd via het Rijks ICT Dashboard zijn de volgende projecten afgerond: DigiInkoop, Elektronische Reisdocumenten, Orion, Overheidsdatacenter Haagse km2, P-Direkt en Digitale Werkomgeving Rijk (DWR). Resultaten van deze projecten worden nog dagelijks toegepast. Een voorbeeld is P-Direkt, waarbij de uitkomsten van de update van de Kosten-Baten Analyse (KBA) 2014 aantonen dat sinds de oprichting van P-Direkt jaarlijks meer dan € 87 miljoen aan kosten binnen het Rijk wordt bespaard (gegevens website P-Direkt). Geen van de genoemde projecten is als mislukt aangeduid. Ten aanzien van de beëindiging van het programma Operatie BRP, is separaat gerapporteerd aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2017- 2018 27 859, nr. 113).

42

Hoeveel is het totale budget voor de CIO-office voor komende jaren?

Antwoord:

Het budget voor CIO Office op artikelonderdeel 12.1 is:

Totaal (x 1.000)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

 

€ 221

€ 221

€ 221

€ 221

€ 221

€ 221

43

Wat zijn de taak en de bevoegdheden van de crisisbeheersorganisatie bij BZK? Hoeveel fte zijn hierbij werkzaam?

Antwoord:

Het Ministerie van BZK is, net als de andere departementen, zelf verantwoordelijk voor de voorbereiding en afhandeling van crises op de eigen beleidsdomeinen. Binnen BZK wordt als relatief crisisarm departement de inhoudelijke opvolging primair beschouwd als lijnverantwoordelijkheid; de lijnmanager is verantwoordelijk voor zijn aandeel in alle fasen van crisismanagement. Tevens beschikt BZK over een Departementaal Coördinatiecentrum Crisisbeheersing (DCC) dat de organisatie adviseert en ondersteunt bij crisis en in het geval van een BZK-brede crisiscoördinatie op zich neemt.

Daarnaast is het DCC in de «koude fase» verantwoordelijk voor de coördinatie van planvorming, preparatie, opleiden en trainen, ontwikkelen, uitdragen en implementeren van beleid betreffende crises. Daarnaast fungeert het DCC als informatieknooppunt en (inter)departementaal aanspreekpunt.

Het DCC bestaat uit dagelijks bestuur; bestaande uit het Hoofd DCC, de adviseur «koude fase» en Crisisadviseur en een kleine kern adviseurs met een breed netwerk en een goed inzicht in de belangen en kwetsbaarheden van BZK. Het DCC is direct inzetbaar in geval van een crisis/incident. Het DCC is verantwoordelijk voor de eerste opvang bij crisis, de ondersteuning van de DG’s en de coördinatie bij DG overstijgende crisis. De inhoudelijke verantwoordelijkheid blijft bij de verantwoordelijke beleids-DG/SG. De crisisorganisatie kent geen eigen bevoegdheden.

44

Wat behelst het plan voor de doorontwikkeling van het Centraal Meldpunt Identiteitsfraude?

Antwoord:

Het Centraal Meldpunt Identiteitsfraude en -fouten (CMI), is gegroeid van een meldpunt naar een expertisepunt waar burgers terecht kunnen voor hulp, advies en begeleiding. Het aantal meldingen bij het CMI is het afgelopen jaar verdubbeld en deze trend zet ook dit jaar door. Om deze voortdurende groei in meldingen aan te kunnen wordt door het CMI een aantal efficiencymaatregelen uitgewerkt. Deze oplossingen bestaan uit meer standaardisatie voor bepaalde veel voorkomende situaties en meer gebruik van ICT.

45

Hoeveel heeft de ontwikkeling van eID tot nu toe gekost en wat zijn de nog te verwachten kosten?

Antwoord:

De totale kosten voor de periode 2015–2027 zijn in 2016 geschat op € 658,8 mln. De investeringskosten in de jaren 2015–2018 werden geschat op € 53,2 mln. en de gemiddelde jaarlijkse kosten in de beheerfase 2018–2027 op € 60,5 mln. Ter zake zij verwezen naar de desbetreffende, samenvattende, tabel in de «Businesscase Inloggen in het BSN domein», u toegezonden bij brief van 9 november 2016 (zie bijlage bij Kamerstukken II 2016–2017 26 643, nr. 425, Rapport «Business Case Inloggen in het BSN-domein», blz. 7).

Zoals opgemerkt in mijn brief van 23 juni 2017 (Kamerstukken II 2016–2017 26 643, nr. 476) bleek uit de consultatie over de Wet GDI dat het nodig was om bij de verdere uitwerking het stelsel op enkele onderdelen te vereenvoudigen om de uitvoerbaarheid te waarborgen. Uw Kamer heeft bij motie van het lid Bruins Slot (Kamerstukken II 2016–2017 27 859, nr. 108) gevraagd op basis van deze beleidswijziging de Businesscase te actualiseren en uw Kamer vóór 1 maart 2018 ter zake te informeren. Deze motie is thans in uitvoering. Op basis daarvan ontvangt u een geactualiseerde raming.

46

Klopt het dat het tekort van de decentrale overheden uitkomt op 1,7/1,8 miljard? Hoe kan dit? Hoe wordt dit opgevangen?

Antwoord:

U refereert hiermee waarschijnlijk aan cijfers uit de Miljoenennota 2018 waarin is opgenomen dat de decentrale overheden – onder andere gemeenten, provincies en waterschappen – naar verwachting volgend jaar uitkomen op een EMU-tekort van 1,7 miljard, tegen 1,8 miljard in 2017. Dit verwachte tekort is gebaseerd op de raming van het Centraal Plan Bureau (CPB). Het geraamde EMU- tekort voor 2017 valt binnen de afgesproken tekortnorm.

Een EMU-tekort betekent niet automatisch dat de decentrale overheden een financieel probleem hebben. Voor de decentrale overheden geldt ten aanzien van hun financiën de norm van een sluitende exploitatiebegroting in termen van baten en lasten. Deze norm is verankerd in het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV).

47

Hoeveel verschillende (lokale/regionale) samenwerkingsverbanden zijn er?

Antwoord:

Een compleet overzicht van gemeenschappelijke regelingen wordt door BZK niet bijgehouden. Op 1 augustus 2016 heb ik u een kabinetsreactie gestuurd op het Rob-rapport Wisselwerking, waarbij als bijlage een onderzoek naar de effecten van regionaal bestuur was gevoegd (Kamerstukken II 2015–16 33 841, nr. 172). De onderzoekers hebben aan de hand van de paragraaf verbonden partijen in de gemeentelijke begrotingen geïnventariseerd hoeveel gemeenschappelijke regelingen er zijn. Zij kwamen op 779 samenwerkingsverbanden, waarvan 71% gebaseerd is op de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Voor 2017 is eenzelfde inventarisatie (https://acc.kennisopenbaarbestuur.nl/media/254874/inventarisatie-samenwerkingsverbanden-decentrale-overheden.pdf) gemaakt waarbij is gekeken naar de paragrafen verbonden partijen van gemeenten, provincies en waterschappen, waardoor deze inventarisatie ook samenwerkingsverbanden oplevert waar geen gemeentelijk orgaan aan deelneemt. Deze kwam uit op 877 samenwerkingsverbanden, dit is wederom privaat- en publiekrechtelijk gecombineerd.

48

Wat houdt de subsidie «zorg voor politieke ambtsdragers» in?

Antwoord:

Zoals aangegeven in artikel 7.1 van de begroting wordt voor de duurzame versterking van het politieke ambt nauw samengewerkt met de beroepsverenigingen van raadsleden, wethouders, statenleden, burgemeesters en griffiers en met koepels van decentrale overheden (VNG, IPO en Unie van Waterschappen). De toerusting en ondersteuning van de ruim 12.000 politieke ambtsdragers wordt vooral geregeld via activiteiten van deze partners. Zij hebben ervaring op het gebied van vakinhoudelijke en competentiegerichte opleidingen, inhoudelijke verdieping rond beleidsthema’s, praktische ondersteuning en onderzoek.

49

Hoeveel mensen zijn er in dienst van het rijk die boven de WNT-norm verdienen?

Antwoord:

In de jaarverslagen van de ministeries over het jaar 2016 worden 43 personen gerapporteerd waarvan de bezoldiging boven het algemeen bezoldigingsmaximum ligt. De komende jaren zal dit aantal stapsgewijs afnemen als gevolg van het aflopen van het overgangsrecht.