Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

12. Toelichting op de belastingontvangsten

12.1 Inleiding

In deze bijlage lichten we de inschatting van de toekomstige belasting- en premieontvangsten nader toe. We gaan daarbij in op het gebruikte model en welke plaats dit model inneemt binnen het proces om te komen tot een inschatting van de belasting- en premieontvangsten voor het lopende (2017) en komende jaar (2018). De resultaten zijn gepresenteerd in deze Miljoenennota (paragraaf 3.5 en bijlage 2). Vervolgens wordt in deze bijlage ingegaan op de inschatting van de belastingsoorten die als eerste naar belastingjaar (transactiebasis) geraamd worden (loon- en inkomensbelasting, btw en de vennootschapsbelasting), aan de hand van deze raming worden vervolgens de kasontvangsten bepaald. Aan de vennootschapsbelasting (vpb) wordt in deze bijlage extra aandacht gegeven.

Voor de opstelling van de rijksbegroting dient het Ministerie van Financiën een zo goed mogelijke inschatting te maken van de ontwikkeling van de belasting- en premieontvangsten. Voor deze inschatting (raming) van de ontvangsten gebruikt Financiën een econometrisch geschat ramingsmodel. Input voor dat model vormen de gerealiseerde belasting- en premieontvangsten van het meest recente volledige jaar zoals aangeleverd door de Belastingdienst en de ramingen van macro-economische variabelen van het Centraal Planbureau (CPB) voor de toekomstige jaren. Het CPB maakt periodiek een onafhankelijke raming van de macro-economische ontwikkeling van de Nederlandse economie. Het kabinet baseert de opstelling van de begroting op de ramingen van het CPB. Naast de geraamde economische ontwikkeling beïnvloeden beleidsmaatregelen de belasting- en premieontvangsten. Beleidseffecten worden ingeboekt in een database, waarna het effect per belastingsoort wordt meegenomen bij de raming.

Vervolgens speelt zogenoemde «expert opinion» een rol. De uitkomsten van het model – de geraamde ontwikkeling op basis van macro-economische variabelen en beleidswijzigingen – worden gewogen in samenhang met onder andere de gerealiseerde belastingontvangsten (als daar al sprake van is), informatie over de uitvoering van de Belastingdienst (waaronder opgelegde aanslagen) en meer sectorspecifieke (beleids)informatie. Voor de raming van de belasting- en premieontvangsten in deze Miljoenennota zijn voor 2017 de gedetailleerde kasgegevens tot en met juli van 2017 bekend en meegenomen in de raming.35 Voor een gedeelte is 2017 dus gerealiseerd. De mate waarin een ramingsjaar gerealiseerd is, hangt af van het ramingsmoment. De raming voor de belasting- en premieontvangsten voor 2018 is juist een voorbeeld van een raming, waar nog geen kasgegevens voor beschikbaar zijn. De raming van de belasting- en premieontvangsten voor 2017 werkt wel door op de raming van deze ontvangsten voor 2018.

Een voorbeeld waarbij specifieke uitvoeringsinformatie van de Belastingdienst een rol speelt, is de vpb-raming voor 2016. Zo bleken ondernemingen vaker dan in het verleden om een (aangepaste) voorlopige aanslag gevraagd te hebben om op een later moment geen belastingrente te hoeven betalen. Ook het actiever opleggen van aanslagen door de Belastingdienst vormde een uitvoeringsgerelateerde verklaring voor de sterke stijging van de kasontvangsten in 2016. Deze stijging in 2016 gaat overigens ten koste van de ontvangsten in 2017. Dergelijke «kasschuiven» spelen ook een rol in de overwegingen rond de raming voor de belasting- en premieontvangsten.

Sectorspecifieke informatie speelt een rol bij bijvoorbeeld de raming van de bpm. Naast de op macro-economische variabelen gebaseerde vergelijking wordt gekeken naar het aantal verkochte voertuigen in het lopende jaar in relatie tot de gerealiseerde kasontvangsten en verwachtingen voor de rest van het jaar en het komende jaar.

12.2 Ramingsmodel voor de belasting- en premieontvangsten

In het ramingsmodel voor de belasting- en premieontvangsten wordt rekening gehouden met beleidsmatige en economische ontwikkelingen. Zo beïnvloeden beleidsmatige keuzes de hoogte van de belastingtarieven en de belastinggrondslagen. Economische ontwikkelingen beïnvloeden tegelijkertijd de belastinggrondslagen. Zo zal een aantrekkende huizenmarkt met gemiddeld stijgende huizenprijzen en een stijgend aantal woningtransacties leiden tot een hogere opbrengst van de overdrachtsbelasting. Het ramingsmodel bestaat ten slotte uit meerdere vergelijkingen. Elke belastingsoort heeft namelijk een specifieke ramingsvergelijking, aansluitend op de grondslag van de betreffende belastingsoort.

Bovenstaand kan samengevat worden in onderstaande vergelijking:

Tt = Tt–1 + At + Et

Tt = Ontvangst van een belastingsoort in jaar t

Tt–1 = Ontvangst van een belastingsoort in jaar t-1

At = Beleidsmatig effect op ontvangst belastingsoort in jaar t

Et = Effect van economische ontwikkelingen op ontvangst belastingsoort in jaar t

De geraamde opbrengst van een belastingsoort in een bepaald jaar is dus gelijk aan de opbrengst van de belastingsoort uit het voorafgaande jaar plus de verandering door beleid en de verandering als gevolg van economische ontwikkelingen in dat jaar. Het startpunt van de raming is dus de recentst gerealiseerde stand van de belasting- en premieontvangsten. Voor deze Miljoenennota is het recentst gerealiseerde jaar 2016. Nadere informatie over de gerealiseerde belasting- en premieontvangsten over 2016 staat in het Financieel Jaarverslag Rijk 2016. Met deze stand van de belasting- en premieontvangsten in 2016 en de beleidsmatige veranderingen en geraamde veranderingen door economische ontwikkelingen zijn de belasting- en premieontvangsten voor 2017 geraamd. De raming voor de belasting- en de premieontvangsten voor 2018 maakt gebruik van de ramingsstand van de belasting- en premieontvangsten van 2017 en de beleidsmatige en geraamde economische veranderingen van 2018. De systematiek voor de raming voor de beleidsmatige veranderingen en de economische veranderingen wordt hierna toegelicht.

Beleidsmatige ontwikkeling

Beleidsmatige ontwikkelingen beïnvloeden de hoogte van de belasting- en premieontvangsten. Een aanpassing van belastingtarieven zorgt bijvoorbeeld voor een verandering van de belastingopbrengsten. Het budgettaire effect van een beleidsmaatregel wordt vanaf de begroting van 2018 ex ante met inachtneming van een eerste-orde-gedragseffect vastgesteld.36 In hoofdstuk 3 van deze Miljoenennota is een box opgenomen over de systematiek van de eerste-orde-gedragseffecten. Deze ex ante-inschatting met eerste-orde-gedragseffect gaat dus over de best mogelijk inschatting van het effect van beleid op de desbetreffende grondslag of tarief. Dat staat los van de economische impact. Dat wordt immers apart geraamd en opname zou daarmee leiden tot een dubbeltelling.

Endogene ontwikkeling

De verdere verandering van de belasting- en premieontvangsten wordt hoofdzakelijk gedreven door economische ontwikkelingen. In de Miljoenennota wordt dit ook de endogene ontwikkeling genoemd. Het gaat hier dan bijvoorbeeld om hogere opbrengsten van een belasting door hogere consumptie van huishoudens of hogere lonen door een gunstige economische ontwikkeling. Om de belastingopbrengst van een bepaalde belastingsoort voor het aankomende jaar te ramen moet de endogene ontwikkeling geraamd worden.

De endogene ontwikkeling van elke belastingsoort wordt geraamd met een model waarin macro-economische variabelen zijn opgenomen. Deze macro-economische variabelen hebben bewezen samenhang met de desbetreffende belastingsoort. De raming van de macro-economische variabelen voor de raming van de belasting- en premieontvangsten van deze Miljoenennota heeft het CPB gepubliceerd in de Macro-economische Verkenning 2018 (MEV 2018).

De macro-economische ontwikkeling loopt vaak niet één-op-één met de endogene verandering van de belastingopbrengst. Daarom wordt de relatie tussen de relevante macro(-economische) ontwikkeling en de endogene verandering van de belastingopbrengst weergegeven door een coëfficiënt. In onderstaande tabel met de vergelijkingen staat de grootte van de coëfficiënten weergegeven. Een negatieve coëfficiënt geeft aan dat de macro-economische ontwikkeling en de endogene ontwikkeling van de belastingopbrengst tegen elkaar in bewegen. Een positieve coëfficiënt geeft aan dat de endogene ontwikkeling en de ontwikkeling van de macro-economische variabele in dezelfde richting bewegen. De coëfficiënten zijn vastgesteld op basis van een empirische schatting op historische gegevens, deskundigenoordeel, wetenschappelijke inzichten of andere relevante informatie. Deze coëfficiënten zijn dus niet in beton gegoten.

De meeste belastingensoorten worden op kasbasis geraamd. Dat wil zeggen dat het moment van betaling bepaalt aan welk jaar de belasting wordt toegerekend. De grootste belastingsoorten – de vennootschapsbelasting, de btw, de loonheffing en de inkomensheffing – zijn uitzonderingen.37 Die belastingsoorten worden op «transactiebasis» geraamd. Dat wil zeggen dat de belastingopbrengsten worden toegerekend aan de jaren waarin de daadwerkelijke economische transactie waaruit de belastingopbrengst voortkomt zich heeft voorgedaan. Deze ontvangsten komen verdeeld over verschillende kasjaren binnen. Dat maakt een betere raming mogelijk, mede omdat zo omvangrijke kasstromen uit eerdere jaren modelmatig gekoppeld worden aan de macro-economische ontwikkeling van het betreffende jaar. De Belastingdienst splitst de kasrealisaties uit naar transactiejaren, maar door deze systematiek zijn de (op transactiebasis) gerealiseerde belastinginkomsten pas enkele jaren later bekend. De transactiebasisraming dient vervolgens vertaald te worden in kasontvangsten. Kas-transparameters delen de ontvangsten in een economisch jaar toe aan kasontvangsten. De grootte van deze parameters is in eerste instantie gebaseerd op historische kaspatronen van de desbetreffende belastingsoort en uitvoeringsinformatie van de belastingdienst.
Verklarende variabelen

Afkorting

Variabele

arbvu

Arbeidsvolume in arbeidsjaren, mutatie

bbpvu

BBP marktprijzen, volumemutatie

bbpwu

BBP marktprijzen, waardemutatie

Box2

Waardemutatie grondslag box 2

Box3

Waardemutatie grondslag box 3

clpu

Contractloonstijging

hznpu

Huizenverkoop prijsmutatie

hznvu

Huizenverkoop volumemutatie

ihhyptr

Grondslag hypotheekrenteaftrek en eigenwoningforfait

incpu

Incidentele loonstijging

iond

Waardemutatie inkomen box 1 ondernemers

invpu

Invoer, prijsmutatie

invvu

Invoer, volumemutatie

ivswu

Investeringen in woningen, waardemutatie

oiwu

Overheidsinvesteringen, waardemutatie

pcdwu

Consumptie van duurzame goederen, waardemutatie

pcvgvu

Consumptie van voeding en genot, volumemutatie

pcwu

Particuliere consumptie, waardemutatie

prpsv

Aftrekbare premies loonheffing, waardemutatie

tcf

Tabelcorrectiefactor

verr

Waardemutatie verrekende dividendbelasting en heffingskortingen

winstwu

Waardemutatie winst marktsector

wozwu

Waardemutatie gemiddelde wozwaarde

Overzicht ramingsvergelijkingen

Belastingsoort

Ramingsvergelijking voor Et

Accijns op lichte oliën

– 0,005 + 0,2 bbpvut + 1 * tcft

Accijns op minerale oliën uitgezonderd lichte oliën

0,83 * bbpvut + 1 * tcft

Afvalstoffenbelasting

1 * bbpvut + 1 * tcft

Alcoholaccijns

– 0,034 + 1,6 * pcvgvut

Assurantiebelasting

0,85 * pcwut

Bankbelasting

0

Belasting zware motorrijtuigen (bzm)

1,4 * bbpvut

Belasting op personenauto's en motorrijwielen (bpm)

– 0,035 + 1 * bbpvut + 1 * tcft

Bieraccijns

0,5 * bbpvut

Dividendbelasting

1 * bbpvut

Energiebelasting

– 0,022 + 0,6 * bbpvut + 1 8 tcft

Erf- en schenkbelasting

1 * hznput

Inkomensheffing

 
 

Box 1 ondernemers

1 * iondt

 

Box 2

1 * box2t

 

Box 3

1 * box3t

 

Eigen woning

1 * ihhyptrt

 

Inkomensheffing overig

1 * verrt

Kansspelbelasting

1 * pcwut

Loonheffing

0,6 * arbvut + 1,6 * clput – 0,6 * tcft – 0,7 * prpsvt

Motorrijtuigenbelasting (mrb)

1 * bbpvut + 1 * tcft

Omzetbelasting (btw)

0,61 * pcwut + 0,13 * pcdwut + 0,15 * ivswut + 0,11 * oiwut

Overdrachtsbelasting

1 * hznvut + 1 * hznbut

Rechten bij invoer en uitvoer

1 * invvut + 0,7 * invvput

Tabaksaccijns

– 0,007 + 2,1 * pcvgvut

Vennootschapsbelasting

1 * winstwut

Verbruiksbelasting op alcoholvrije dranken

0,9 * pcvgvut

Verhuurderheffing

1 * wozwut

Waterbelasting

0,005 + 1 * tcft

Wijnaccijns

1,2 * pcvgvut

Als voorbeeld voor de werking van het ramingsmodel en de totstandkoming van een raming van een belastingsoort nemen we de bieraccijns, een belastingsoort die op kasbasis wordt geraamd. Volgens bovenstaande vergelijking zijn de geraamde bieraccijnsontvangsten afhankelijk van de volumemutatie van de «consumptie van voeding en genot». De positieve coëfficiënt betekent een positieve relatie. Als het CPB een hogere consumptie van voeding en genot raamt, dan leidt dit tot hogere geraamde bieraccijnsontvangsten. De grootte van de coëfficiënt bedraagt 0,5 en betekent dat de bieraccijnsontvangsten met 1% stijgen ten opzichte van voorgaand jaar als het CPB een stijging van het volume van de consumptie van voeding en genot raamt met 2% in dat jaar. Deze uitkomst is ceteris paribus. Er zijn in dit voorbeeld geen beleidsmatige ontwikkelingen. Voorts wordt deze uitkomst uit het ramingsmodel in het lopend jaar 2017 vergeleken met de reeds gerealiseerde kasontvangsten in dat jaar. Dergelijke overwegingen spelen ook een rol bij de totstandkoming van de geraamde bieraccijnsontvangsten.

Hieronder worden eerst de ontvangsten en raming van de vennootschapsbelasting nader toegelicht en vervolgens de ramingen van de ontvangsten uit de loon- en inkomstenbelasting, de btw en de vpb toegelicht.

12.3 Nadere toelichting op de ontvangsten en raming van de vennootschapsbelasting

De ontvangsten uit de vennootschapsbelasting (vpb) zijn erg volatiel. De afgelopen jaren is de opbrengst op EMU-basis gedaald van bijna 19 miljard euro in 2008 naar ruim 12 miljard in 2013, waarna de opbrengst opliep naar bijna 21 miljard in 2016. Ook als percentage van het bbp was de afgelopen jaren sprake van een sterke stijging, na een forse afname als gevolg van de financiële crisis. In het verleden hebben de ontvangsten uit de vpb zich ook zeer volatiel ontwikkeld. Dit toont figuur 12.3.1.

Figuur 12.3.1: Vpb-kasontvangsten 1970–2016 als percentage bbp

Bron: Ministerie van Financiën

Volatiele vpb-ontvangsten zijn in internationaal perspectief niet uitzonderlijk. Ook in andere West-Europese landen zijn de mutaties bij de belastinginkomsten op ondernemingswinsten groot. Dat is in onderstaande figuur zichtbaar: mutaties rond de 20 procent per jaar zijn geen uitzondering. In sommige gevallen lijkt sprake van omvangrijke kasschuiven.

Figuur 12.3.2: Mutatie belastingen op ondernemingswinsten ten opzichte van het voorgaande jaar

Bron: database OESO

* De assen van de grafiek zijn afgekapt bij 40%.

Mede door de sterke volatiliteit is de vpb een lastig raambare belastingsoort. Figuur 12.3.3 illustreert dat door het verschil weer te geven tussen de uiteindelijke realisatie en de raming in de Miljoenennota in het voorgaande jaar. Als de economische ontwikkeling anders uitpakt dan waar in de Miljoenennota vanuit is gegaan dan werkt dat extra hard door in de vpb-ontvangsten.

Figuur 12.3.3: Verschil raming begroting en realisatie vpb-ontvangsten (uitgezonderd vpb gas) op EMU-basis

Bron: Ministerie van Financiën

Het verschil tussen de begrotingsraming en de realisatie is onder te verdelen in verschillende categorieën. Als eerste verklaart de ramingssystematiek – waarbij bij de Miljoenennota voortgebouwd wordt op de raming van het dan nog lopende jaar in plaats van een gerealiseerd belastingjaar – een deel van het verschil. Dat is de doorwerking. Daarbovenop komt mogelijk beleid dat na de Miljoenennota van het betreffende jaar tot stand is gekomen. In 2009 werd bijvoorbeeld de verliesverrekening voor bedrijven tijdelijk verruimd, terwijl dit nog niet in de Miljoenennota 2009 werd voorzien en geraamd. In 2016 heeft een wijziging in de uitvoering plaatsgevonden, die nog niet voorzien was in de Miljoenennota van het voorafgaande jaar: de Belastingdienst is actueler aanslagen gaan opleggen wat voor een verschuiving van inkomsten van 2017 naar 2016 heeft gezorgd. Vervolgens verklaart de bijstelling van de relevante macro-economische indicator een deel van het verschil met de raming. Ten slotte is er nog de categorie «overig».38

Figuur 12.3.4 laat de jaar-op-jaar (horizontale) ontwikkeling van de vpb-ontvangsten zien. De totale ontwikkeling van de vpb-ontvangsten wordt niet volledig verklaard door beleidseffecten, de gevolgen van lagere gasproductie (vpb-gas) en de relevante macro-economische indicator. De rest van de ontwikkeling (overig) volgt uit factoren als verschillen tussen de vpb-grondslag en de macrovariabele, de mogelijkheid voor verliesverrekening over de tijd, kas/transverschillen en beleidseffecten die anders uitpakken dan ex ante ingeschat. Deze factoren zijn op basis van de op dit moment beschikbare informatie vooral kwalitatief te duiden. In het vervolg van dit stuk worden de voor de vpb-ontvangsten verklarende factoren nader toegelicht.

Figuur 12.3.4: Ontwikkeling vpb op transactiebasis uitgesplitst naar verklaring

Bron: Ministerie van Financiën

12.3.1 Volatiele winstontwikkeling

In de winsten van ondernemingen is het grillige karakter van de mutaties in de vpb-ontvangsten al terug te zien. Winsten reageren sterk op omslagpunten in de economie. Onderstaande figuur laat dat zien. De winstontwikkeling beweegt om de economische ontwikkeling heen en reageert over het algemeen sterker. Een bijgestelde economische groei werkt daarom doorgaans relatief sterk door in de vpb-raming.

Figuur 12.3.5: Mutaties bbp (waarde) en financiële en niet-financiële ondernemingen (bron: CBS)
Zowel van het grootbedrijf als het mkb zijn winsten volatiel.39 Uit aangiftegegevens blijkt dat de aandelen van het grootbedrijf en het MKB in de vpb-opbrengst in de jaren 2008–2016 vrij constant zijn gebleven. Vanaf 2014 zijn de totale vpb-ontvangsten flink aangetrokken, wat geen verschuiving teweeg heeft gebracht. Wel neemt het aandeel van de financiële sector de afgelopen jaren toe. Op basis van deze gegevens kan gesteld worden dat het herstel van de winsten in deze sector langer heeft geduurd na de financiële crisis. Het aandeel van de vpb-ontvangsten over de gasproductie is sterk teruggelopen de afgelopen jaren door de lagere gasproductie.
Figuur 12.3.6: vpb-opbrengst uitgesplitst naar segmenten

Bron: Ministerie van Financiën

12.3.2 Verschil fiscale winst en de macrovariabele

Voor de raming op transactiebasis wordt een ramingsvergelijking gebruikt met als input een door het CPB geraamde variabele die een benadering geeft van de ontwikkeling van de winst van de marktsector. Deze macro-economische variabele van het CPB ligt in lijn met de wijze van rapporteren van het CBS over de ontwikkeling van de nettowinst van ondernemingen.

Een complicerende factor voor de raming is dat de (fiscale) winst waarover vpb betaald wordt in veel gevallen afwijkt van de commerciële winst zoals terug te vinden in bijvoorbeeld jaarverslagen. De macro-economische variabele (en de CBS-statistiek waar deze op aansluit) ligt een stuk dichter bij de commerciële dan de fiscale winst. Dat heeft als eerste te maken met winsten van buitenlandse dochters (zowel ingehouden winsten als uitgekeerde dividenden). Deze winsten maken onderdeel van uit van de commerciële winst, maar maken door de deelnemingsvrijstelling geen deel uit van de vpb-grondslag (zie ook figuur 12.3.5). Een ander belangrijk verschil is de behandeling van niet-reguliere baten en lasten zoals herwaarderingen van effecten en andere activa, boekwinsten op activa en bijzondere baten en lasten. Deze meer incidentele posten maken geen onderdeel uit van de macro-economische variabele, maar behoren wel tot de grondslag van de vpb.40

Een volgende verklaring voor de ontwikkeling van de vpb-ontvangsten – bovenop het direct aan de macrovariabele te relateren effect – vormt de mogelijkheid tot verliesverrekening. De grondslag voor de vpb in een jaar wordt niet alleen bepaald door winsten in dat jaar, maar ook door verrekening van verliezen uit eerdere of latere jaren. De mutaties van de vpb-grondslag (het «belastbaar bedrag») wijken daarom vaak sterk af van de mutaties van de nettowinst in een gegeven jaar (figuur 12.3.7). Dat leidt tot een afwijking met de op de nettowinst gebaseerde raming en landt in de categorie «overig» in figuur 12.3.3 en 12.3.4. In de meest recente jaren is bijvoorbeeld bij de categorie overig in beide figuren een positieve mutatie te zien, dat ligt in lijn met de grotere opwaartse mutatie van de vpb-grondslag (belastbaar bedrag) dan van de nettowinst.

Figuur 12.3.7: ontwikkeling belastbaar bedrag en nettowinst

Bron: Ministerie van Financiën, CBS

Het belastbaar bedrag bestaat uit het saldo van positieve winsten en de verrekende verliezen. Verliezen in bepaalde jaren vergroten de zogenoemde «verliesvoorraad» (zie figuur 12.3.8). Verliezen uit die verliesvoorraad kunnen verrekend worden met jaren waarin wel winst gemaakt wordt om de vpb-grondslag in die jaren te verkleinen. Deze verrekening met toekomstige jaren (carry forward, maximaal 9 jaar) en het voorgaande jaar (carry back, maximaal 1 jaar) zorgen, bovenop de verandering van de winst zelf, voor een sterkere volatiliteit van de vpb-ontvangsten. Dat geldt vooral voor de mogelijkheid tot carry back, wat direct tot lagere kasontvangsten leidt doordat een verlies direct verrekend kan worden met al betaalde vpb in het voorgaande jaar. Carry forward gaat gepaard met een vertraging in de kas, omdat verrekening dan plaatsvindt met winsten die in de toekomst gemaakt worden. Als de opgebouwde verliesvoorraad groot is, kan het een aantal jaren duren voordat de vpb-ontvangsten weer echt aantrekken. Maar zodra deze verliesvoorraad is teruggelopen, kan het ineens hard gaan met de vpb-ontvangsten.

Figuur 12.3.8 Samenhang begrippen nettowinst en belastbaar bedrag

Figuur 12.3.9 laat zien hoe de mutaties van het belastbaar bedrag uiteenvallen in verrekende verliezen en positieve winsten. Beide beïnvloeden zo de hoogte van de vpb-ontvangsten. Over het algemeen zijn (positieve) winsten stabieler dan de nettowinst, terwijl de verliezen een aanzienlijk duidelijkere conjuncturele component hebben. Daarnaast zijn de extra volatiliteit en vertraging door de verliesverrekening goed te zien in de figuur. Een jaar met veel verliezen is direct terug te zien in lagere vpb-ontvangsten (zoals 2008 en 2009), terwijl een jaar met hoge (positieve) winsten niet direct terug te zien is omdat deze extra grondslag vaak verrekend kan worden met openstaande verliezen uit eerdere jaren (zoals 2003).

Figuur 12.3.9: Mutatie belastbaar bedrag (grondslag) uitgesplitst naar positieve winst en verrekende verliezen op transactiebasis in miljarden euro’s

Bron: Ministerie van Financiën

Figuur 12.3.10 toont de bij benadering in de kas verrekende verliezen. In de jaren na de financiële crisis zijn veel verliezen in de kas verrekend. Dat vormt een belangrijke verklaring voor het lagere niveau van de vpb-ontvangsten in deze jaren.

Figuur 12.3.10 benadering grondslag in de kas verrekende verliezen op basis van aanslagen in miljarden euro's1

Bron: Ministerie van Financiën

1 Het gaat hier om een zeer grove benadering, aanslag- en aangifteprocessen vallen per bedrijf anders uit – bijvoorbeeld door een verzoek om uitstel van aangifte - een daarmee ook het moment dat de belasting daadwerkelijk wordt afgedragen.

Tot slot blijkt uit de data dat een deel van de door bedrijven opgebouwde verliesvoorraden nooit verrekend wordt. Dat komt doordat bedrijven binnen de termijnen van verliesverrekening niet voldoende winst maken waartegen de hun hele verliesvoorraad kan worden afgezet, of intussen failliet zijn gegaan. Het gaat gemiddeld om iets minder dan één derde van de opgebouwde verliesvoorraad. Voor de raming van de vpb-ontvangsten is de voorraad opgebouwde verliezen van groot belang, maar daarnaast dus ook het gegeven dat een deel daarvan nooit verrekend zal worden.

12.3.3 Kas-transverschillen

De vpb-opbrengst wordt als eerste geraamd naar het jaar waarin de winst wordt gerealiseerd (transactiebasis), maar voor het EMU-saldo gaat het om de opbrengst op kasbasis. De opbrengst op kasbasis wordt afgeleid van de raming op transactiebasis. De grote vertraging tussen het moment van de allereerste aanslag en de definitieve aanslagoplegging zorgt voor flinke kasverschuivingen en daarmee verschillen tussen deze twee ramingen. Met name rond economische omslagpunten loopt dit verschil op. Dat bemoeilijkt de raming van de kasontvangsten en draagt bij aan een groter niet aan de macrovariabele toe te schrijven effect bij de kasontvangsten.

Een deel van de vpb-opbrengst voor een gegeven belastingjaar wordt in datzelfde kalenderjaar door de Belastingdienst via voorlopige aanslagen ontvangen (jaar T in onderstaande tabel). Een ander deel wordt in de jaren daarna ontvangen. In jaren dat de economie beter (of slechter) presteert dan verwacht blijken winsten hoger (lager) dan verwacht in de voorlopige aanslagen, zodat na afloop van het belastingjaar extra afgedragen moet worden (teruggaven plaatsvinden). Dat zien we ook in 2016 met hogere ontvangsten over de jaren t-1 (2015) en t-2 (2024) dan in de jaren ervoor het geval was. Bij nader inzien blijken de ontvangsten op transactiebasis in deze jaren hoger. In een dergelijk jaar liggen de ontvangsten op kasbasis daardoor op een hoger niveau dan op transactiebasis.

Tabel 12.3.1 vpb-ontvangsten op transactiebasis (in miljoenen euro’s) onderverdeeld naar kasjaren
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Totaal trans

11.696

12.800

12.471

14.673

17.730

18.809

 

Jaar T

10.531

10.146

9.597

10.220

11.578

14.565

 

Jaar T-1

1.819

1.097

2.002

2.671

3.837

5.518

 

Jaar T-2

397

576

323

821

445

828

 

Jaar T-3

– 426

– 243

– 295

– 154

– 152

– 172

 

Jaar T-4 en eerder

– 1.472

– 1.372

– 929

– 447

– 101

– 17

Totaal kas

10.849

10.204

10.697

13.111

15.607

20.722

Endogene ontwikkeling trans (%)

– 2,8%

– 4,9%

– 10,7%

13,1%

21,1%

5,7%

Endogene ontwikkeling kas (%)

– 0,5%

– 12,1%

– 8,3%

16,5%

16,9%

32,8%

Vooral bij grote ondernemingen kan het aangifteproces lang duren, zodat de vpb-aanslag met betrekking tot een belastingjaar heel laat definitief is. Zo is het mogelijk dat 10 jaar na afloop van een belastingjaar zich nog steeds wijzigingen voordoen in de vpb-aanslag, met eventuele gevolgen voor de kasopbrengst van de vpb in het lopende jaar. Daarnaast speelt verliesverrekening, met name carry back, een rol bij het verschil tussen beide opbrengstbegrippen. Zo gaat bijvoorbeeld verrekening van een verlies over 2016 met winst uit 2015 ten koste van de opbrengst op kasbasis over het belastingjaar 2015. Als dit verlies in 2018 definitief wordt vastgesteld en in dat jaar vpb wordt teruggegeven, gaat dit ten koste van de kasopbrengst in 2018.

12.3.4 Beleidseffecten

Tot slot spelen beleidseffecten die niet exact uitpakken zoals vooraf voorzien (en ingeboekt) een rol bij de voorspelbaarheid van de vpb-ontvangsten. In figuur 12.3.4 zijn onder andere de (ex ante) beleidsmatig ingeboekte effecten zien. Een afwijking daarvan beïnvloedt de (raming van de) totale vpb-ontvangsten en landt in de categorie «overig» van figuur 12.3.3 en 12.3.4.

Bij de ene maatregel is de onzekerheid groter dan bij de andere. Een maatregel als de willekeurige afschrijving41 is bijvoorbeeld extra onzeker omdat sprake is van een tijdelijke verlaging van de grondslag. Het moment waarop de grondslag weer terug is op het niveau van voor de maatregel is lastig in te schatten. Dat hangt sterk af van de (conjunctuurafhankelijke) investeringsruimte van bedrijven, de spreiding tussen bedrijven kan daarbij groot zijn. Dat gaat in ieder geval gepaard met verschuivingen van de vpb-ontvangsten tussen de verschillende kasjaren.

12.4 De belastingramingen voor 2017 en 2018

De volgende twee tabellen geven de opbouw weer van de belastingramingen. Tabel 12.4.1 toont de ontwikkeling van de realisaties in 2016 naar de Vermoedelijke Uitkomsten in 2017. Tabel 12.4.2 toont vervolgens de ontwikkeling van de Vermoedelijke Uitkomsten in 2017 naar de Ontwerpbegroting 2018. De tabellen zijn op kasbasis. Per belastingsoort is hierbij een opsplitsing gemaakt van de verandering van de ontvangsten naar beleidsmatige mutatie en endogene mutatie. Beleidsmatige mutaties zijn mutaties van de belastingopbrengsten als gevolg van fiscale beleidsmaatregelen of van overige maatregelen. Endogene mutaties zijn mutaties van de belastingopbrengsten hoofdzakelijk als gevolg van de economische ontwikkeling.

Tabel 12.4.1 Raming belastingontvangsten 2017 op kasbasis (in miljoenen euro's)
 

2016

Beleidsmatige mutaties

Endogene mutaties

Endogene mutatie in %

2017

Indirecte belastingen

79.492

176

3.628

4,6%

83.296

Invoerrechten

2.960

0

234

7,9%

3.195

Omzetbelasting

47.379

– 9

2.386

5,0%

49.757

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

1.590

7

291

18,3%

1.888

Accijnzen

11.656

33

22

0,2%

11.711

– Accijns van lichte olie

4.224

1

59

1,4%

4.283

– Accijns van minerale oliën, anders dan lichte olie

3.844

– 1

37

1,0%

3.880

– Tabaksaccijns

2.478

44

– 81

– 3,3%

2.440

– Alcoholaccijns

318

0

– 4

– 1,3%

314

– Bieraccijns

443

0

3

0,7%

446

– Wijnaccijns

351

– 10

9

2,5%

349

Belastingen van rechtsverkeer

4.651

34

439

9,4%

5.123

– Overdrachtsbelasting

2.213

34

453

20,5%

2.700

– Assurantiebelasting

2.438

0

– 14

– 0,6%

2.423

Motorrijtuigenbelasting

4.008

– 37

69

1,7%

4.039

Belastingen op een milieugrondslag

4.890

– 37

163

3,3%

5.015

– Afvalstoffenbelasting

84

– 1

3

3,6%

86

– Energiebelasting

4.511

– 18

158

3,5%

4.651

– Waterbelasting

276

0

2

0,8%

278

– Brandstoffenheffingen

19

– 19

0

– 1,1%

0

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.

254

6

3

1,2%

263

Belasting op zware motorrijtuigen

157

0

10

6,5%

167

Verhuurderheffing

1.474

180

10

0,7%

1.664

Bankbelasting

473

0

0

0,0%

473

           

Directe belastingen

75.032

1.505

6.809

9,1%

83.345

Loon- en inkomstenbelasting kas

48.807

1.443

6.240

12,8%

56.490

Dividendbelasting

2.977

5

230

7,7%

3.212

Kansspelbelasting

482

0

19

3,9%

500

Vennootschapsbelasting

20.922

62

309

1,5%

21.292

– Gassector kas

200

0

0

0,0%

200

– Niet-gassector kas

20.722

62

309

1,5%

21.092

Erf- en schenkbelasting

1.845

– 5

10

0,6%

1.850

           

Overige belastingontvangsten

184

0

0

0,0%

184

           

Totaal belastingen op kasbasis

154.708

1.681

10.437

6,7%

166.826

Tabel 12.4.2 Raming belastingontvangsten 2018 op kasbasis (in miljoenen euro's)
 

2017

Beleidsmatige mutaties

Endogene mutaties

Endogene mutatie in %

2018

Indirecte belastingen

83.296

165

2.982

3,6%

86.443

Invoerrechten

3.195

0

180

5,6%

3.375

Omzetbelasting

49.757

24

2.352

4,7%

52.133

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

1.888

– 41

– 49

– 2,6%

1.798

Accijnzen

11.711

2

162

1,4%

11.875

– Accijns van lichte olie

4.283

0

35

0,8%

4.318

– Accijns van minerale oliën, anders dan lichte olie

3.880

– 1

83

2,1%

3.962

– Tabaksaccijns

2.440

4

38

1,5%

2.482

– Alcoholaccijns

314

0

– 3

– 1,0%

311

– Bieraccijns

446

0

3

0,8%

449

– Wijnaccijns

349

– 1

7

1,9%

355

Belastingen van rechtsverkeer

5.123

3

119

2,3%

5.246

– Overdrachtsbelasting

2.700

3

40

1,5%

2.743

– Assurantiebelasting

2.423

0

80

3,3%

2.503

Motorrijtuigenbelasting

4.039

6

85

2,1%

4.129

Belastingen op een milieugrondslag

5.015

172

37

0,7%

5.224

– Afvalstoffenbelasting

86

0

3

3,3%

89

– Energiebelasting

4.651

172

31

0,7%

4.853

– Waterbelasting

278

0

4

1,3%

282

– Brandstoffenheffingen

0

0

0

2,4%

0

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.

263

0

4

1,4%

266

Belasting op zware motorrijtuigen

167

0

6

3,5%

173

Verhuurderheffing

1.664

0

85

0,0%

1.750

Bankbelasting

473

0

0

0,0%

473

           

Directe belastingen

83.345

– 1.417

884

1,1%

82.812

Loon- en inkomstenbelasting kas

56.490

– 1.296

131

0,2%

55.325

Dividendbelasting

3.212

– 47

85

2,6%

3.250

Kansspelbelasting

500

18

19

3,9%

538

Vennootschapsbelasting

21.292

– 80

555

2,6%

21.768

– Gassector kas

200

0

– 50

– 25,0%

150

– Niet-gassector kas

21.092

– 80

605

2,9%

21.618

Erf- en schenkbelasting

1.850

– 12

93

5,0%

1.931

           

Overige belastingontvangsten

184

– 1

0

0,0%

183

           

Totaal belastingen

166.826

– 1.253

3.865

2,3%

169.438

Nadere toelichting

De raming voor de totale belastingontvangsten in 2017 komt op kasbasis 12,1 miljard euro hoger uit dan de realisatie van de totale belastingontvangsten in 2016 (zie tabel 12.4.1). Deze stijging is het saldo van de beleidsmatige mutatie van 1,7 miljard euro en de endogene ontwikkeling van 10,4 miljard euro. Voor 2018 geldt een toename van de totale belastingontvangsten op kasbasis met 2,6 miljard euro ten opzichte van 2017. Dit is het totaal van een beleidsmatige mutatie van – 1,3 miljard euro en een endogene ontwikkeling van 3,9 miljard euro (zie tabel 12.4.2). De hierna volgende paragrafen geven een nadere toelichting op deze beleidsmatige en endogene mutaties.

Beleidsmatige mutaties

De belastingontvangsten in 2017 nemen met 1,7 miljard euro toe als gevolg van fiscale en overige maatregelen. In tabel 12.4.3 staat aangegeven welke wijzigingen sinds de Miljoenennota 2017 hebben plaatsgevonden.

Tabel 12.4.3 Effecten beleidsmaatregelen (waaronder nabetalingen) op belastingontvangsten in 2017 op kasbasis in mln euro
 

Kas 2017

Totaal maatregelen, zoals gemeld in Miljoenennota 2017 (internetbijlage)

1.619

Mutatie vanwege nabetalingen

65

Mutatie vanwege beleid (fiscale maatregelen)

– 3

Totaal maatregelen

1.681

Beleidsmatige wijzigingen vloeien onder andere voort uit het Regeerakkoord 2012–2017 en de maatregelen die het kabinet sindsdien heeft genomen. Daarnaast hebben er mutaties plaatsgevonden als gevolg van nabetalingen tussen het Rijk en de sociale fondsen. Deze nabetalingen vinden plaats, omdat via de inkomensheffing en de loonheffing de belastingen en premies volksverzekeringen geïntegreerd worden geheven. De verdeling van deze ontvangsten tussen het Rijk en de sociale fondsen gebeurt op basis van voorlopige verdeelsleutels. Wanneer de Belastingdienst de gegevens over de feitelijke inkomens van mensen binnen heeft, kan nauwkeurig worden bepaald welk deel van de heffingen naar het Rijk had gemoeten en welk deel naar de sociale fondsen. Bij de loonheffing gebeurt dit na twee jaar, omdat dan het grootste deel van de aanslagen en aangiften is afgehandeld. Bij de inkomensheffing gebeurt dit om dezelfde reden pas na vier jaar. Hierdoor vinden er in de jaren nadat een transactiejaar is afgesloten nog nabetalingen plaats tussen het Rijk en de sociale fondsen. Tabel 12.4.3 laat zien dat dit in 2017 dit tot een mutatie in de belastingontvangsten voor het Rijk heeft geleid van 0,1 miljard ten opzichte van wat in Miljoenennota 2016 aan nabetalingen werd verwacht. Omdat het hier onderlinge nabetalingen betreft tussen premieontvangsten (volksverzekeringen) en de ontvangsten uit de loon- en inkomstenbelasting, zijn eventuele verschuivingen sowieso niet relevant voor het EMU-saldo of het lastenbeeld.

Voor 2018 bedraagt de geraamde beleidsmatige mutatie van de belastingontvangsten per saldo – 1,3 miljard euro (tabel 12.4.2). Deze mutatie betreft voor – 0,8 miljard euro aan verwachte onderlinge nabetalingen tussen premieontvangsten (volksverzekeringen) en ontvangsten uit de loon- en inkomstenbelasting. Deze verschuivingen zijn zoals hierboven vermeld niet relevant voor het EMU-saldo. Het «echte» – dat wil zeggen voor het EMU-saldo relevante – beleidsmatige deel van de mutatie bij de belastingontvangsten (exclusief premieontvangsten) betreft de mutatie van – 0,4 miljard euro. Een toelichting op de beleidsmatige mutatie van de totale belasting- en premieontvangsten is te vinden in bijlage 2 van de Miljoenennota 2018.

Endogene mutaties

De belastingontvangsten (exclusief premies volksverzekeringen) nemen in 2018 met 3,9 miljard euro toe als gevolg van de endogene ontwikkeling. Dit betekent een groei van 2,3 procent. Bijlage 2 van de Miljoenennota bevat een toelichting van de endogene ontwikkeling voor het totaal van de belasting- en premieontvangsten. Dat zijn de totale belastingen inclusief premies volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en premies zorgverzekeringen. Deze paragraaf geeft voor enkele specifieke belastingsoorten een nadere toelichting op de endogene ontwikkeling. De aandacht gaat hierbij uit naar de vennootschapsbelasting, de loon- en inkomensheffing (de som van het belastingdeel en het premiedeel van de loon- en inkomensheffing) en de omzetbelasting, die bij elkaar meer dan 80 procent van de totale belastingontvangsten inclusief premies volksverzekeringen vormen.

Vennootschapsbelasting

Bij de vennootschapsbelasting wordt onderscheid gemaakt tussen een deel dat afkomstig is van bedrijven uit de gassector en een deel dat afkomstig is van bedrijven uit de niet-gassector. Voor de vennootschapsbelasting afkomstig uit de gassector wordt een aparte raming opgesteld op basis van de winstontwikkeling in die sector, die in belangrijke mate afhangt van de beursprijs van TTF-gas, de olieprijs en de ontwikkeling van de dollarkoers. Voor een toelichting op de aardgasbatenraming, inclusief de vpb-afdracht uit de gassector, wordt verwezen naar de begroting van Economische zaken, (Begroting XIII). Deze bijlage bespreekt alleen de ontwikkeling van de vpb-opbrengst in de niet-gassector.

Voor een nader inzicht in de ontwikkeling van de kasontvangsten volgt een korte toelichting op het proces van aanslagoplegging. De heffing van de vennootschapsbelasting vindt in eerste instantie plaats via voorlopige aanslagen. In januari wordt een inschatting gemaakt van de winst voor dat jaar op basis van winsten uit de afgelopen twee jaren, eventueel gecorrigeerd voor verwachtingen betreffende de winsten van dat jaar zelf. Op basis hiervan worden voorlopige aanslagen verstuurd. Vervolgens kan op basis van tussentijdse inschattingen van de winstontwikkeling een bijstelling van de voorlopige aanslag plaatsvinden. In juli / augustus van het daaropvolgende jaar (T+1) vindt vervolgens de voorlopige aangifte plaats en dit kan wederom leiden tot een nadere voorlopige aanslag. Afhankelijk van de omvang van het bedrijf en de aard van de aangifte vindt in een van de daaropvolgende jaren de definitieve vaststelling van de winst plaats. Meestal wordt circa driekwart van de uiteindelijke aanslagopleggingen reeds in het eerste jaar via voorlopige aanslagen ontvangen, maar dit percentage fluctueert wel.

Voor het opstellen van de begroting zijn de kasontvangsten van de vennootschapsbelasting relevant. Daarom is het van belang hoe het verloop van aanslagoplegging zich vertaalt in kasontvangsten. Tabel 12.4.4 toont de ontwikkeling van de totale kasopbrengst per jaar met een opsplitsing naar transactiejaar. Hieruit blijkt duidelijk dat het grootste deel van de opbrengst in een bepaald jaar voortkomt uit de voorlopige aanslagen over dat jaar zelf. Deze opbrengst stijgt nog door bijstellingen in de voorlopige aanslagen over voorgaande jaren, maar als gevolg van verliesverrekening is de bijdrage van jaar T-3 en ouder over het algemeen negatief.

Tabel 12.4.4 Opbrengst en ontwikkeling van de vennootschapsbelasting (exclusief gas) op kasbasis naar transactiejaar (in miljoenen euro's)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Jaar T

9.597

10.220

11.578

14.565

16.685

16.956

Jaar T-1

2.002

2.671

3.837

5.518

3.739

4.057

Jaar T-2

323

821

445

828

887

837

Jaar T-3

– 295

– 154

– 152

– 172

– 149

– 171

Jaar T-4 en ouder

– 929

– 447

– 101

– 17

– 69

– 62

Totaal kasopbrengst VPB niet-gas

10.697

13.111

15.607

20.722

21.092

21.618

Per saldo is de verwachte endogene mutatie van 2016 naar 2017 0,3 miljard euro bij de niet-gassector. Beleidsmaatregelen hebben in 2016 per saldo een klein positief effect op de ontvangsten (62 miljoen euro). De totale mutatie in 2017 komt daarom uit op 0,4 miljard euro. In 2018 bedraagt de endogene toename van de vpb-ontvangsten bij de niet-gassector naar verwachting 0,6 miljard euro. Het beleidsmatige effect is beperkt neerwaarts (– 80 miljoen euro). Per saldo bedraagt de totale toename in de vpb-ontvangsten van de niet-gassector in 2018 afgerond ook 0,5 miljard euro.

Loon- en inkomensheffing

De loonheffing is een voorheffing van de inkomensheffing. In de eerste instantie dragen particulieren maandelijks loonbelasting af op basis van hun inkomen uit arbeid. Na het verstrijken van het kalenderjaar moet vervolgens voor 1 mei van het volgende jaar belastingaangifte worden gedaan. Op basis hiervan wordt bepaald hoeveel belasting in totaal verschuldigd is (met inachtneming van andere bronnen van inkomen, belastingkortingen en aftrekposten). Wanneer dit bedrag hoger is dan de reeds betaalde loonheffing, moet men het resterende bedrag aan inkomensheffing voldoen. Wanneer de verschuldigde belasting lager is, krijgt men geld terug van de Belastingdienst. Hierdoor zijn per saldo de opbrengsten van de inkomensheffing negatief, al komt de «nulgrens» in zicht. In onderstaande analyse wordt gekeken naar de ontwikkeling van de loon- en inkomensheffing. Dit betreft naast de belasting tevens de ontvangsten van de premies volksverzekeringen, welke geïntegreerd worden geheven. Voor analysedoeleinden zijn de ontvangsten op heffingsniveau beter bruikbaar, omdat deze eenvoudiger kunnen worden waargenomen. De premieontvangsten worden echter niet in deze bijlage verantwoord.

Loonheffing

De raming van de loonheffing vindt net als bij de vennootschapsbelasting op transactiebasis plaats. Het ontvangstpatroon van de transactieopbrengst in de kas is bij de loonheffing echter veel stabieler dan bij de vpb. Daarnaast geldt dat de transactieopbrengst ook aanzienlijk sneller wordt ontvangen en binnen drie maanden na afloop van het jaar bijna volledig gerealiseerd is. Hierdoor treden minder grote verschillen op tussen de ontwikkeling van de transactieopbrengst en de kasopbrengst dan bij de vpb.

Tabel 12.4.5 Ontwikkeling loonheffing op transactiebasis (in miljoenen euro's)
 

2016

2017

2018

Opbrengst op transactiebasis

94.469

99.294

102.338

       

Mutatie

 

4.825

3.044

 

waarvan endogeen

 

2.464

4.569

 

waarvan beleidsmatig

 

2.360

– 1.524

       

Endogene groei (in %)

 

2,6%

4,6%

In tabel 12.4.5 is de (geraamde) endogene ontwikkeling van de loonheffing in 2016 en 2017 te zien. De verwachte endogene ontwikkeling bedraagt in 2017 2,5 miljard euro. In 2018 wordt een endogene groei van 4,6 miljard euro geraamd. De ontwikkeling van de loonheffing is afhankelijk van de ontwikkeling van de totale belastbare loonsom. De ontwikkeling van de totale belastbare loonsom wordt bepaald door de groei van het arbeidsvolume, de stijging van de contractlonen, de hoogte van verschillende premies en de ontwikkeling van uitkeringen en pensioenen. Onderstaande tabel 12.4.6 geeft een overzicht van enkele relevante gegevens uit de Macro Economische Verkenning 2018 van het CPB.

Tabel 12.4.6 Relevante economische indicatoren voor de loonheffing
 

2017

2018

Arbeidsvolume in arbeidsjaren

2,2%

1,6%

Contractloonstijging

1,4%

2,0%

Incidentele loonstijging

0,4%

0,9%

Tabelcorrectiefactor

0,3%

0,8%

Arbeidsinkomensquote bedrijven (niveau in procenten)

72,5%

73,0%

Uit de economische indicatoren kan de ontwikkeling van de loonheffing worden verklaard. In 2017 neemt de werkgelegenheid toe met 2,2 procent. De contractloonstijging komt uit op 1,4 procent en ook de incidentele loonontwikkeling zorgt met 0,4 procent voor een plus. Dat leidt gezamenlijk tot een endogene ontwikkeling van de loonheffing in 2017 van 2,5 miljard op transactiebasis. In 2018 neemt de werkgelegenheid met 1,6 procent toe. De loonontwikkeling valt met een contractloonontwikkeling en een incidentele loonstijging van respectievelijk 2,0 procent en 0,9 procent in 2018 positief uit. Per saldo leidt dit in 2018 tot een endogene ontwikkeling van de loonheffing van 4,6 miljard euro op transactiebasis.

Inkomensheffing

De ontvangsten uit de inkomensheffing zijn het saldo van de belastingontvangsten van particulieren en zelfstandige ondernemers. Voor de particulieren geldt de loonheffing als voorheffing. Bij de inkomensheffing voor particulieren hebben de ontvangsten dan ook betrekking op bijtel- en aftrekposten en heffingskortingen die niet via de loonheffing zijn verrekend. Bij de zelfstandigen wordt de ontwikkeling daarnaast ook bepaald door de winstontwikkeling.

De raming van de ontvangsten van de inkomensheffing is opgesteld op basis van de beleidsmaatregelen, de geraamde endogene ontwikkeling en de kasrealisaties tot en met juli.

Tabel 12.4.7 Ontwikkeling inkomensheffing op transactiebasis (in miljoenen euro's)
 

2016

2017

2018

Inkomensheffing op transactiebasis

– 1.887

198

1.965

       

mutatie

 

2.085

1.767

 

waarvan endogeen

 

1.556

1.795

 

waarvan beleidsmatig

 

529

– 29

De endogene ontwikkeling van de ontvangsten inkomensheffing is in zowel 2017 als 2018 positief, met een groei van respectievelijk 2,1 en 1,8 miljard euro. Onderliggend is er sprake van een negatieve ontwikkeling van de hypotheekrenteaftrek. Dit heeft met vertraging een positief effect op de ontvangsten uit de inkomensheffing tot gevolg. Tegelijkertijd trekken de inkomens van zelfstandigen, die belastingplichtig zijn voor de inkomstenbelasting aan in beide jaren.

12.3.2.3 Omzetbelasting

De omzetbelasting is verantwoordelijk voor circa 30 procent van de totale belastingontvangsten. De endogene groei van de omzetbelasting wordt vooral bepaald door de waardeontwikkeling van de bestedingen waarop btw rust, te weten de particuliere consumptie, de overheidsinvesteringen en de investeringen in woningen. De ramingen van het CPB voor deze bestedingscategorieën zijn samengevat in onderstaande tabel.

Tabel 12.4.8 Raming van de procentuele ontwikkeling van bestedingen in 2017 en 2018
 

2017

2018

Particuliere consumptie, waardemutatie

3,9%

3,9%

Investeringen in woningen, waardemutatie

13,2%

8,3%

Overheidsinvesteringen, waardemutatie

1,4%

2,3%

Bij de particuliere consumptie speelt ook de samenstelling van de consumptie een rol, omdat er verschillende bestedingscategorieën zijn waarvoor een verschillend btw-tarief geldt. Bij laagconjunctuur is het bijvoorbeeld geen ongebruikelijk verschijnsel dat er een verschuiving plaatsvindt van consumptie waarvoor een hoger tarief geldt («luxe goederen») naar consumptie waarvoor een laag btw-tarief geldt. Hierdoor neemt het gemiddelde btw-tarief over de totale particuliere consumptie af en daarmee de btw-ontvangsten.

De ontwikkeling van de btw-ontvangsten op transactiebasis bedraagt naar verwachting 50,3 miljard euro in 2017. Ook in 2018 wordt een positieve ontwikkeling naar 52,7 miljard euro verwacht.

Tabel 12.4.9 Raming van de omzetbelasting op transactiebasis (in miljoenen euro's)
 

2016

2017

2018

Omzetbelasting op transactiebasis

47.927

50.313

52.686

       

mutatie

 

2.386

2.373

 

waarvan endogeen

 

2.408

2.346

 

waarvan beleidsmatig

 

– 22

27

       

Endogene mutatie in procent

 

5,0%

4,7%

De ontwikkeling van de btw-ontvangsten wordt voor een groot deel bepaald door de waardeontwikkeling van de particuliere consumptie. Deze is in 2017 positief: 3,9 procent. De investeringen in woningen vallen met een mutatie van 13,2 procent positief uit. Voorts nemen de overheidsinvesteringen met 1,4 procent toe. Op basis van de ontwikkeling van deze relevante macro-economische indicatoren wordt per saldo een positieve endogene ontwikkeling (2,4 miljard euro) van de btw-ontvangsten op transactiebasis in 2017 verwacht. In 2018 nemen de particuliere consumptie en de investeringen in woningen toe met respectievelijk 3,9 en 8,3 procent. De overheidsinvesteringen ontwikkelen zich met 2,3 procent in 2018 positief. Dat leidt tot een positieve endogene ontwikkeling (2,3 miljard) van de btw-ontvangsten op transactiebasis.

Noot 35: Voor de belasting- en premieontvangsten op EMU-basis, welke relevant zijn voor het EMU-saldo, gaat het om de één-maands-verschoven-kas. Voor de raming van de belasting- en premieontvangsten ten behoeve van het EMU-saldo voor 2017 zijn dat de relevante kasontvangsten in de maanden van februari 2017 tot en met januari 2018. De inkomensheffing, de vennootschapsbelasting, erf- en schenkbelasting en de dividendbelasting zijn uitzonderingen. Voor deze belastingsoorten is de EMU-basis gelijk aan kasbasis.

Noot 36: In het verleden bevatte een deel van de ramingsvergelijkingen een variabele om de uiteindelijke raming te corrigeren voor gedragseffecten. Met het meenemen van eerste orde gedragseffecten in de ex-ante inschattingen van beleid is daar geen noodzaak meer toe en zijn de ramingsvergelijkingen aangepast.

Noot 37: De inkomensheffing neemt aanvullend daarop een aparte positie in: de verschillende onderdelen van de IH (box 1 ondernemers, box 2, box 3, overig (voornamelijk verrekende heffingskortingen en dividendbelasting) worden apart op transactiebasis geraamd, mede op basis van de meest recente aanslaggegevens uitgesplitst naar onderdeel.

Noot 38: De categorie overig komt afgerond gemiddeld uit op 0% voor de periode 2003–2016.

Noot 39: Grootbedrijf is gedefinieerd als een onderneming met meer dan 250 werkenemers of een belanstotaal groter dan 40 miljoen euro.

Noot 40: Een voorbeeld is een ondernemer die op een investering wil afboeken omdat de waarde van de investering is gedaald tot onder historische kostprijs (of lagere boekwaarde). Hij heeft daardoor een lagere winst voor de Vpb, terwijl het CBS een dergelijke correctie niet meeneemt in haar berekening van de winst.

Noot 41: Vanwege de economische crisis werd ondernemers toegestaan om in 2009, 2010 en 2011 de afschrijvingstermijn van nieuwe investeringen terug te brengen tot 2 jaar zodat zij in die jaren meer konden afschrijven dan volgens het reguliere afschrijvingsregime.