Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

9. Horizontale toelichting

In deze bijlage wordt per begroting (of begrotingsfonds dan wel aanvullende post) een toelichting gegeven op het verloop van de uitgaven en niet-belastingontvangsten vanaf 2017 tot en met 2022.

De totalen per begroting zijn exclusief de bedragen die onder de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) vallen; deze uitgaven worden separaat gepresenteerd.

De cijfers van de afzonderlijke begrotingen luiden in miljoenen euro’s in constante prijzen van het jaar 2017. Een uitzondering hierop vormen de premiegefinancierde uitgaven van SZW en VWS, deze luiden in lopende prijzen.

De Koning

I DE KONING
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

42,2

42,3

42,3

42,3

42,4

43,8

totaal niet-belastingontvangsten

0,1

         

1

Uitkering leden Koninklijk Huis

           
 

Uitgaven

8

8,2

8,2

8,2

8,3

9,7

2

Functionele uitgaven van de Koning

           
 

Uitgaven

28,3

28,3

28,3

28,3

28,3

28,3

 

Ontvangsten

0

         

3

Doorbelaste uitgaven van andere begrotingen

           
 

Uitgaven

5,9

5,8

5,8

5,8

5,9

5,9

 

Ontvangsten

0

         

Uitkering leden Koninklijk Huis

Op dit artikel worden de uitkeringen aan de uitkeringsgerechtigde leden van het Koninklijk Huis verantwoord. De lichte stijging in de uitgaven vanaf 2017 e.v. wordt veroorzaakt door de doorwerking van de stijging van de ambtenarensalarissen volgens de systematiek van de Wet Financieel Statuut van het Koninklijk Huis op de uitkering van de leden van het Koninklijk Huis. In 2021 is de Prinses van Oranje, de vermoedelijke troonopvolger, achttien jaar en heeft volgens de wet recht op een grondwettelijke uitkering. Dit is in 2021 (naar rato) 0,1 mln. euro en vanaf 2022 het jaarbedrag van 1,5 mln. euro.

Functionele uitgaven van de Koning

Op dit artikel staan de functionele uitgaven van de Koning, waaronder de uitgaven aan personeel en materieel en overige specifieke uitgaven zoals de inzet van luchtvaartuigen.

Doorbelaste uitgaven van andere begrotingen

Op dit artikel staan de doorbelaste uitgaven van andere begrotingen, zoals de uitgaven in het kader van voorlichting, het Militaire Huis als onderdeel van de Dienst van het Koninklijk Huis en de uitgaven van het Kabinet van de Koning.

Staten-Generaal

IIA STATEN-GENERAAL
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

150

143,9

142,3

142,4

147,1

144,1

totaal niet-belastingontvangsten

4,2

4,2

4,2

4,2

4,2

4,2

1

Wetgeving en controle Eerste Kamer

           
 

Uitgaven

12,3

12,2

12,2

12,2

12,2

12,2

 

Ontvangsten

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

2

Uitgaven tbv van (oud) leden Tweede Kamer en leden EP

           
 

Uitgaven

32,4

31,3

30,8

30,8

32,3

31,3

 

Ontvangsten

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

3

Wetgeving en controle Tweede Kamer

           
 

Uitgaven

105,7

100,8

99,8

99,8

103

101

 

Ontvangsten

4

4

4

4

4

4

4

Wetgeving en controle Eerste en Tweede Kamer

           
 

Uitgaven

1,5

1,5

1,5

1,5

1,5

1,5

 

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

10

Nominaal en onvoorzien

           
 

Uitgaven

– 1,9

– 2

– 2

– 2

– 2

– 2

Artikel 1 Wetgeving en controle Eerste Kamer

In 2017 is de eindejaarsmarge 2016 toegevoegd.

Artikel 2 Uitgaven tbv (oud) leden Tweede Kamer en leden EP

De uitgaven ten behoeve van oud-leden van de Tweede Kamer en het Europees Parlement worden beïnvloed door verkiezingen. In het jaar van de verkiezingen stijgt het beroep op de aanspraken op wachtgeld en dit neemt na verloop van tijd weer af tot het moment dat uiterlijk nieuwe verkiezingen zijn. In 2021 nemen de uitgaven weer toe.

Artikel 3 Wetgeving en controle Tweede Kamer

De middelen op dit artikel worden ingezet ten behoeve van de uitvoering van de kerntaken van de Tweede Kamer. Denk bijvoorbeeld aan de financiering van de ambtelijke organisatie voor het ondersteunen van het constitutionele proces van de Tweede Kamer, de financiering van de digitale en fysieke infrastructuur van het parlement en de kosten van de fracties. De uitgaven in 2017 zijn hoger als gevolg van een kasschuif in verband met de uitloop van het outsourcen van de Dienst Automatisering van de Tweede Kamer naar SSC-ICT, de toevoeging van de eindejaarsmarge 2016 en de hogere uitgaven voor fractiekosten in een verkiezingsjaar en het jaar daarna. In 2021 als er uiterlijk nieuwe verkiezingen zijn, nemen de uitgaven voor fractiekosten weer toe met uitloop naar 2022.

Artikel 4 Wetgeving en controle Eerste en Tweede Kamer

De middelen op dit artikel worden ingezet ten behoeve van interparlementaire activiteiten.

Artikel 10 Nominaal en Onvoorzien

De inspanningsverplichting van de Staten Generaal voor de taakstelling Rijk, agentschappen en uitvoerende ZBO’s van de kabinetten Rutte- Verhagen en Rutte-Asscher is deels op artikel 10 onvoorzien gezet.

Overige Hoge Colleges van Staat, Kabinetten en de Kiesraad

IIB OVERIGE HOGE COLLEGES VAN STAAT, KABINETTEN EN DE KIESRAAD
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

119,7

113,4

111,7

111,9

112

112

totaal niet-belastingontvangsten

5,9

5,7

5,7

5,7

5,7

5,7

1

Raad van State

           
 

Uitgaven

59,5

54,9

54,6

54,7

54,7

54,8

 

Ontvangsten

2

2

2

2

2

2

2

Algemene Rekenkamer

           
 

Uitgaven

30

28,5

28,6

28,6

28,7

28,7

 

Ontvangsten

1,2

1,2

1,2

1,2

1,2

1,2

3

De Nationale ombudsman

           
 

Uitgaven

17,1

16,3

15,7

15,7

15,7

15,7

 

Ontvangsten

2,4

2,2

2,2

2,2

2,2

2,2

4

Kanselarij der Nederlandse Orden

           
 

Uitgaven

5,1

4,7

4

4

4

4

 

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

6

Kabinet van de Gouverneur van Aruba

           
 

Uitgaven

2,2

1,8

1,8

1,8

1,8

1,8

 

Ontvangsten

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

7

Kabinet van de Gouverneur van Curaçao

           
 

Uitgaven

3,3

2,8

2,8

2,8

2,8

2,8

 

Ontvangsten

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

8

Kabinet van de Gouverneur van Sint Maarten

           
 

Uitgaven

2,4

2

2

2

2

2

 

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

9

Kiesraad

           
 

Uitgaven

 

2,3

2,3

2,3

2,3

2,3

10

Nominaal en onvoorzien

           
 

Uitgaven

           

Algemeen

De uitgaven voor de Overige Hoge Colleges van Staat en Kabinetten nemen tot en met 2018 af door de bijdrage aan de taakstelling Rijk, agentschappen en uitvoerende ZBO’s van de kabinetten Rutte-Verhagen en Rutte-Asscher. De Minister van BZK heeft een brief gestuurd om een onafhankelijke commissie in te stellen met als taak in kaart te brengen welke middelen noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taken van de colleges, met inachtneming van hun verschillende posities en de consequenties van recente ontwikkelingen binnen de rijksdienst (Kamerstukken II 2016–2017, 34 550 IIB, nr. 9).

Artikel 1 Raad van State

De uitgaven van de Raad van State zijn in 2017 hoger door investeringskosten voor de introductie van het programma Kwaliteit en Innovatie.

Artikel 2 Algemene Rekenkamer

De uitgaven van de Algemene Rekenkamer zijn in 2017 hoger door de transitiekosten in verband met het aanpassen van de organisatiestructuur.

Artikel 3 Nationale ombudsman

De Nationale ombudsman maakt in 2017 en 2018 meer kosten in het kader van een transitie om de organisatie te verbeteren en nieuwe taken in te passen.

Artikel 4 Kanselarij der Nederlandse Orden

De Kanselarij der Nederlandse Orden maakt gebruik van een verouderd ICT-systeem voor de aanvraag van decoraties. Dit systeem wordt vervangen en leidt tot een oploop van het budget in de jaren 2017 en 2018.

Artikel 6 Kabinet van de Gouverneur van Aruba

Tegenvallers door de huidige dollarkoers zorgen voor een hogere raming in 2017.

Artikel 7 Kabinet van de Gouverneur van Curaçao

Tegenvallers door de huidige dollarkoers zorgen voor een hogere raming in 2017.

Artikel 8 Kabinet van de Gouverneur van Sint Maarten

Tegenvallers door de huidige dollarkoers zorgen voor een hogere raming in 2017.

Artikel 9 Kiesraad

Vanaf 2018 zijn de uitgaven voor de Kiesraad van hoofdstuk 7 overgeheveld naar de begroting IIB.

Algemene Zaken

III ALGEMENE ZAKEN
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

63,5

63,2

63,3

63,3

65

67,1

totaal niet-belastingontvangsten

6,9

6,8

6,8

6,8

6,8

6,8

1

Bevorderen eenheid regeringsbeleid

           
 

Uitgaven

59,1

58,3

58,3

58,3

60,1

62,2

 

Ontvangsten

4,4

4,4

4,4

4,4

4,4

4,4

4

Kabinet van de Koning

           
 

Uitgaven

2,5

2,4

2,4

2,4

2,4

2,4

 

Ontvangsten

2,5

2,4

2,4

2,4

2,4

2,4

5

Cie voor toezicht op de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten

           
 

Uitgaven

2

2,5

2,5

2,5

2,5

2,5

Bevorderen eenheid regeringsbeleid

Dit artikel bestaat onder andere uit de bijdrage voor het agentschap Dienst Publiek en Communicatie, de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), Rijksvoorlichtingsdienst (RVD) en de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB).

Kabinet van de Koning

Het Kabinet van de Koning (KvdK) draagt zorg voor de ambtelijke ondersteuning van de Koning bij de uitoefening van zijn staatsrechtelijke taken en fungeert als schakel tussen Koning en Ministers.

Commissie voor toezicht op de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten (CTIVD)

Op grond van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv) is er een Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) en een afdeling klachtenafhandeling ingesteld. Zij houdt toezicht op de rechtmatigheid van de uitvoering van deze wet en de Wet veiligheidsonderzoeken (Wvo). De Commissie toetst zowel het handelen van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) als de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) aan de juridische kaders die er voor deze diensten bestaan.

Koninkrijksrelaties

IV KONINKRIJKSRELATIES
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

317,4

293,8

138,7

137,8

137,5

125,4

totaal niet-belastingontvangsten

56,9

47,8

38,7

36,8

35,3

35,3

1

Waarborgfunctie

           
 

Uitgaven

82,9

87,3

75,2

75,4

75,4

63,4

 

Ontvangsten

6,1

6,1

4,9

4,9

4,9

4,9

4

Bevorderen sociaaleconomische structuur

           
 

Uitgaven

20,8

11

14,4

14,4

14,4

14,3

 

Ontvangsten

13

3,9

3,9

2

2

2

5

Schuldsanering/lopende inschrijving/leningen

           
 

Uitgaven

187

172,4

28,5

28,5

28,5

28,5

 

Ontvangsten

37,8

37,7

30

29,9

28,5

28,4

6

Apparaat

           
 

Uitgaven

23,1

21,1

18,7

17,6

17,3

17,3

7

Nominaal en onvoorzien

           
 

Uitgaven

3,6

2

1,9

1,9

1,9

1,9

Artikel 1 Waarborgfunctie

Het kabinet heeft besloten tot verlenging van de rechtshandhaving in Sint Maarten van 2018 tot en met 2021. Daarom liggen de budgetten tot en met 2021 hoger. Met oog op de veiligheidsproblematiek in het Caribisch deel van het Koninkrijk is incidenteel 8 mln. beschikbaar gesteld aan de Kustwacht, deze is gelijk verdeeld over de jaren 2017 en 2018 voor het plegen van onderhoud en oplossen exploitatietekort, de ondersteuning van andere defensieonderdelen aan de Kustwacht. De ontvangsten in 2017 en 2018 liggen hoger door hogere bijdragen van de landen aan de Kustwacht als gevolg van de wisselkoersen.

Artikel 4 Bevorderen sociaaleconomische structuur

In 2017 liggen de uitgaven hoger door de verplichtingen op pensioenen die voortkomen uit de onderlinge regeling rechtsopvolging en boedelscheiding van het Algemeen Pensioenfonds van de Nederlandse Antillen (APNA). Tevens komen de hogere uitgaven door de toevoeging van de SVB-middelen. Tot slot is de terugontvangst van de restmiddelen Fondo Desaroyo Aruba (FDA) overgemaakt naar het land Aruba.

De hogere ontvangsten in 2017 betreffen de definitieve afrekening van de Stichting Ontwikkeling Nederlandse Antillen (SONA), de verkoop van de aandelen in de AIB Bank en de terugontvangst van de restmiddelen Fondo Desaroyo Aruba (FDA).

De lagere uitgave in 2018 komt door verwerking van het wisselkoerseffect op de toeslag voor pensioenen.

Artikel 5 Schuldsanering/lopende inschrijving/leningen

Uit hoofde van de beleidsmatige verantwoordelijkheid van de Minister van BZK voor de schuldsanering van de voormalige Nederlandse Antillen worden de meerjarige aflossings- en rentereeksen verantwoord op hoofdstuk IV. Vanwege het verloop in het aflossings-en renteschema nemen de uitgaven na 2018 af.

Artikel 6 Apparaat

Door de vertraagde oprichting van de integriteitskamer Sint Maarten zijn de budgetten in 2017, 2018 en 2019 aangepast.

Verder liggen de uitgaven in 2017 en 2018 hoger als gevolg van het verwerken van de effecten van de wisselkoers.

Artikel 7 Nominaal en onvoorzien

Een deel van deze middelen is gereserveerd voor het meerjarig opvangen van valutaschommelingen (1 mln. vanaf 2018). De resterende middelen worden op een later moment toegekend aan de relevante beleidsartikelen.

Buitenlandse Zaken

V BUITENLANDSE ZAKEN
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

7.076,5

8.181,4

9.010,6

9.170,5

9.037,4

9.301,8

totaal niet-belastingontvangsten

3.764,2

686,7

700,4

714,4

728,7

741,1

43

Europese Samenwerking

           
 

Uitgaven

7.076,5

8.181,4

9.010,6

9.170,5

9.037,4

9.301,8

 

Ontvangsten

3.764,2

686,7

700,4

714,4

728,7

741,1

Relatie begroting van Buitenlandse Zaken en de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS)

De begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken bestaat uit HGIS uitgaven/ontvangsten en niet-HGIS uitgaven/ontvangsten. De HGIS uitgaven en ontvangsten worden toegelicht in de horizontale toelichting van de HGIS. De niet-HGIS uitgaven en ontvangsten worden hieronder toegelicht.

Artikel 3 Europese Samenwerking

Uitgaven

De meerjarige ontwikkeling van het artikel Europese samenwerking wordt bepaald door de doorwerking van de jaarlijkse nominale ontwikkeling van de EU-begroting in de Nederlandse afdrachten aan en ontvangsten van de EU.

In de jaren 2017 t/m 2020 stijgen de EU-afdrachten met name als gevolg van een ophoping van cohesiebetalingen in de laatste jaren van het huidige Meerjarig Financieel Kader (MFK) door vertragingen. Vanaf 2021 komt de raming van de EU-afdrachten op een lager niveau, omdat de raming van 2020 (en 2019) verhoogd is vanwege deze vertragingen en er in de raming vanuit wordt gegaan dat die vertragingen voor het einde van het MFK worden ingehaald. Na 2021 stijgen de afdrachten jaarlijks licht mee met de stijging van het BNI.

De ramingssystematiek voor 2021 en verder wijkt af van de ramingssystematiek tot 2020. De betalingenplafonds tot 2020 liggen nominaal vast in de huidige MFK-verordening. Vanaf 2021 zal het volgende MFK gelden, waarvoor nog geen betalingenplafonds zijn vastgesteld. In de raming voor 2021 en verder wordt daarom op dit moment uitgegaan van een betalingenplafond van 0,95% van het Europese BNI in 2021, wat overeenkomt met het uitgangspunt bij het afsluiten van het huidige MFK.

Niet-belasting ontvangsten

De ontvangsten presenteren met name de perceptiekostenvergoedingen die Nederland ontvangt. In 2017 zijn de ontvangsten aanzienlijk hoger dan in de jaren erna. Dit komt doordat Nederland de bedongen korting op de afdrachten over 2014–2016 met terugwerkende kracht in 2017 in de kas heeft ontvangen.

Veiligheid en Justitie

VI VEILIGHEID EN JUSTITIE
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

13.119,2

12.047,6

11.998,8

11.872,2

11.696,6

11.308,5

totaal niet-belastingontvangsten

1.896,1

1.713,6

1.662

1.674,6

1.632,3

1.593,3

31

Nationale Politie

           
 

Uitgaven

6.023,7

5.589,6

5.700,5

5.637,1

5.528

5.439,6

 

Ontvangsten

16,5

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

32

Rechtspleging en rechtsbijstand

           
 

Uitgaven

1.475,3

1.459,8

1.428,7

1.417,5

1.414,1

1.410,6

 

Ontvangsten

231,4

229,5

277,4

289,2

290,1

290,1

33

Veiligheid en criminaliteitsbestrijding

           
 

Uitgaven

737,2

713,7

688,9

682,8

677,1

677,4

 

Ontvangsten

1.091,5

1.213

1.265,4

1.267

1.224,5

1.185,5

34

Straffen en Beschermen

           
 

Uitgaven

2.646,1

2.475,6

2.597,9

2.611,2

2.572,4

2.552,5

 

Ontvangsten

218,6

87,5

101,2

101,5

101,5

101,5

36

Contraterrorisme en Nationaal Veiligheidsbeleid

           
 

Uitgaven

256,7

278,7

282,7

288

288

288

37

Vreemdelingen

           
 

Uitgaven

1.548,2

1.101,1

884,3

816,1

805,4

792,1

 

Ontvangsten

309,9

156,6

       

91

Apparaatsuitgaven kerndepartement

           
 

Uitgaven

414,2

405,9

392,2

395,9

388,8

390,2

 

Ontvangsten

28,2

26,6

17,4

16,4

15,7

15,7

92

Nominaal en onvoorzien

           
 

Uitgaven

14,8

20,1

20,5

20,5

19,7

– 245

93

Geheim

           
 

Uitgaven

3,1

3,1

3,1

3,1

3,1

3,1

De totale uitgaven van Veiligheid en Justitie (VenJ) tonen een dalende reeks, grotendeels door lagere uitgaven voor vreemdelingen en (efficiency)taakstellingen. Bij begrotingsbrief van november 2015 en de nota van wijziging bij de ontwerpbegroting 2017 zijn tot en met 2018 wel structureel middelen toegekend aan de begroting voor hogere uitgaven aan o.a. politie, OM en rechtspraak. Ook bij de ontvangsten is er een daling te zien. Dit wordt onder meer verklaard door een ramingsbijstelling op de ontvangsten uit boeten en transacties.

Artikel 31 Nationale Politie

De Nationale Politie ontwikkelt zich in enkele jaren naar het met de vorming van de Nationale Politie beoogde pad. De afwijking bij de ontvangsten in 2017 t.o.v. latere jaren wordt verklaard door een eenmalige bijdrage vanuit de asielreserve.

Artikel 32 Rechtspleging en rechtsbijstand

De uitgaven op dit artikel dalen naar aanleiding van maatregelen bij de rechtsbijstand en een daling van de bijdrage aan de rechtspraak in verband met de efficiencytaakstelling uit het regeerakkoord Rutte II. De stijging aan de ontvangstenkant is te verklaren door stijgende inkomsten uit griffierechten.

Artikel 33 Veiligheid en criminaliteitsbestrijding

De daling in de uitgaven ten opzichte van 2017 wordt voornamelijk veroorzaakt door de efficiencytaakstelling uit het regeerakkoord Rutte II. De ontvangsten op artikel 33 vallen naar verwachting op de langere termijn lager uit. Om die reden is een ramingsbijstelling doorgevoerd op de ontvangsten uit boeten en transacties.

Artikel 34 Straffen en beschermen

De uitgaven op dit artikel tonen op termijn een licht dalende reeks vanwege de doorverdeling van de taakstellingen op personeel en materieel uit o.a. het regeerakkoord Rutte II en de maatregelen uit het Masterplan DJI. In 2017 zijn er extra ontvangsten door het beperken eigen vermogen van agentschappen, o.a. DJI en CJIB. In 2017 en 2018 is de raming voor de te ontvangen administratiekostenvergoeding voor het CJIB verlaagd.

Artikel 36 Contraterrorisme en Nationaal Veiligheidsbeleid

De uitgaven aan contraterrorisme en nationaal veiligheidsbeleid stijgen licht. Dit komt door extra uitgaven aan het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) en de versterking van de veiligheidsketen vanaf 2018.

Artikel 37 Vreemdelingen

De uitgaven voor vreemdelingen dalen, vanwege de onderliggende aanname over de instroom van asielzoekers. De kosten voor de eerstejaarsopvang van asielzoekers uit DAC-landen worden conform OESO DAC-systematiek toegerekend aan het budget voor ontwikkelingssamenwerking (ODA). Hierdoor ontvangt VenJ middelen van de begroting van Buitenlandse Handel en Ontwikkelsingssamenwerking (BHOS). De ontvangsten tot en met 2018 betreffen vooral de inzet van middelen uit de asielreserve.

Artikel 91 Apparaatsuitgaven kerndepartement

De apparaatsuitgaven dalen vanwege de efficiencytaakstelling die bij het regeerakkoord Rutte II is opgenomenDe daling in ontvangsten vanaf 2019 is te verklaren door dalende ontvangsten eigen personeel.

Artikel 92 Nominaal en Onvoorzien

Artikel 92 is een verdeelartikel. Dit niet-beleidsartikel wordt uitsluitend gebruikt voor het parkeren van nog te verdelen loon- en prijsbijstellingen, het tijdelijk parkeren van andere nog te verdelen middelen en nog te verdelen taakstellingen. In verband met een kasschuif samenhangend met een ander kasritme van de pensioenkosten bij de Nationale Politie is in 2022 een negatief bedrag opgenomen. Dit wordt in de jaren na 2022 gecompenseerd.

Artikel 93 Geheim

De uitgaven op artikel 93 blijven stabiel.

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

VII BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

889

758,4

733,8

716,5

716

712,8

totaal niet-belastingontvangsten

154,9

51

65,8

65,7

65,3

65,3

1

Openbaar bestuur en democratie

           
 

Uitgaven

35,8

28,9

25

25,1

25,1

25,1

 

Ontvangsten

26

22

22

22

22

22

2

Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst

           
 

Uitgaven

228,5

249,2

251,1

252,1

254,3

252

 

Ontvangsten

12,7

12,7

12,7

12,7

12,7

12,7

6

Dienstverlenende en innovatieve overheid

           
 

Uitgaven

195,4

122,2

104,8

103,3

99,2

99,2

 

Ontvangsten

25,7

0,5

0,4

0,4

0,4

0,4

7

Arbeidszaken overheid

           
 

Uitgaven

30,1

27,1

24,9

24,2

24,3

23,2

 

Ontvangsten

0,6

0,6

0,5

0,4

0,1

0,1

11

Centraal Apparaat

           
 

Uitgaven

387,4

314,6

314,6

304,3

305,5

305,6

 

Ontvangsten

88,3

15,3

15,2

15,2

15,2

15,2

12

Algemeen

           
 

Uitgaven

10,9

10,3

7,8

7,6

7,7

7,7

 

Ontvangsten

1,5

 

15

15

15

15

13

Nominaal en onvoorzien

           
 

Uitgaven

1

6,1

5,5

     

Algemeen

De begroting van Binnenlandse Zaken is vanaf 2016 geherstructureerd, waardoor de artikelen 61, 62, 66, 67, 71, 72 en 73 zijn komen te vervallen en vervangen door gelijknamige artikelen met een ander artikelnummer.

Artikel 1 Openbaar bestuur en democratie

De hogere uitgaven in 2017 hebben voornamelijk betrekking op het programma ten behoeve van gezondheidsbevordering statushouders, de voor de monitor Sociaal Domein en de activiteiten met betrekking tot de interbestuurlijke relaties. De ontvangsten betreffen de bijdragen van de waterschappen ten behoeve van de WOZ.

Artikel 2 Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst

De operationele capaciteit van de AIVD wordt uitgebreid met een bijdrage aan de wervingscapaciteit in 2018 en 2019 om tegemoet te kunnen komen aan een effectieve inzet in 2020. Tevens wordt met ingang van 2018 structureel middelen toegevoegd met als doel cyberspionage- en sabotage tegen te gaan.

Daarnaast worden de middelen voor de uitvoering van de wijziging van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (WIV) gefaseerd toegevoegd. Dit resulteert in een geleidelijke oploop van het budget tot 2021.

Artikel 6 Dienstverlenende en innovatieve overheid

Een deel van de gereserveerde middelen voor de Generieke Digitale Infrastructuur (GDI) is tot en met 2018 uitgekeerd aan BZK als opdrachtgever van een groot deel van de GDI-voorzieningen, waaronder, DigiD en MijnOverheid. De uitgaven in 2018 dalen omdat vanaf dit jaar een deel van de GDI-voorzieningen middels doorbelasting aan gebruikers wordt bekostigd. Vanaf 2019 staat een deel van de middelen nog op de Aanvullende Post. Daarnaast staan de opdrachtgevende budgetten voor Rijksdienst voor Identiteitsgegevens en Uitvoeringsbedrijf Rijk op dit artikel en de middelen voor beleid basisregistratiepersoonsgegevens.

De ontvangsten in 2017 zijn doorbelasting aan gebruikers voor de berichtenvoorziening en het resultaat reisdocumenten over 2016.

Artikel 7 Arbeidszaken overheid

Het budget neemt af doordat het beroep op de pensioenregelingen van (voormalige) Nederlandse ambtenaren uit de voormalige overzeese gebiedsdelen en hun nagelaten betrekkingen in de komende jaren afneemt.

Artikel 11 Centraal Apparaat

Vanwege de taakstelling Rijk, agentschappen en uitvoerende ZBO’s uit het Regeerakkoord Rutte-Verhagen en Rutte-Asscher nemen de uitgaven aan het Centraal Apparaat de komende jaren af. In 2017 zijn de uitgaven en ontvangsten hoger vanwege de jaarlijkse desalderingen voor de Dienstverleningsafspraken tussen de SSO’s onderling en de inkomsten van overige departementen en derden voor het gebruik van diensten van DocDirect.

Artikel 12 Algemeen

De vanaf 2019 te realiseren ontvangsten voor de GDI worden voorlopig geboekt op de begroting van BZK.

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

VIII ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

38.112,7

38.812,1

38.673,2

38.617,3

38.793,4

38.996

totaal niet-belastingontvangsten

1.337,9

1.380,6

1.414,6

1.487,6

1.554,2

1.633,2

1

Primair onderwijs

           
 

Uitgaven

10.501

10.472,4

10.356,1

10.306,8

10.254,8

10.204,5

 

Ontvangsten

8,7

17,7

8,7

8,7

8,7

1,7

3

Voortgezet onderwijs

           
 

Uitgaven

8.163,5

8.123,1

8.013,2

7.921,3

7.843,6

7.791,8

 

Ontvangsten

7,4

7,4

7,4

7,4

7,4

7,4

4

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

           
 

Uitgaven

4.240,5

4.325,7

4.492,6

4.488,7

4.458,4

4.417,4

 

Ontvangsten

3

3

3

3

3

3

6

Hoger beroepsonderwijs

           
 

Uitgaven

2.924,5

3.002,3

2.966,8

2.981,6

3.059,3

3.095

 

Ontvangsten

1,2

1,2

1,2

1,2

1,2

1,2

7

Wetenschappelijk onderwijs

           
 

Uitgaven

4.393,8

4.434,8

4.444,4

4.493,3

4.585,1

4.652,5

 

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

8

Internationaal onderwijsbeleid

           
 

Uitgaven

10,9

10,8

10,1

10,1

9,9

9,9

 

Ontvangsten

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

9

Arbeidsmarkt en personeelsbeleid

           
 

Uitgaven

183,8

181,2

169,6

166,3

163,3

163,1

 

Ontvangsten

6

6

6

6

6

6

11

Studiefinanciering

           
 

Uitgaven

4.585,9

5.373,2

5.445,5

5.502,5

5.560,9

5.633,7

 

Ontvangsten

850,9

896,9

944,3

1.007,9

1.080,6

1.159,1

12

Tegemoetkoming studiekosten

           
 

Uitgaven

89,7

89,5

89,2

87,8

87

86

 

Ontvangsten

2,4

2,4

2,4

2,4

2,3

2,3

13

Lesgelden

           
 

Uitgaven

6,8

6,6

6,5

6,5

6,5

6,5

 

Ontvangsten

242,5

238,3

240,9

243,3

244,3

244,7

14

Cultuur

           
 

Uitgaven

740,9

773,3

833,6

831,8

829,1

829,2

 

Ontvangsten

14,5

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

15

Media

           
 

Uitgaven

976,8

989,4

988,5

1.001,4

1.001,6

1.014,9

 

Ontvangsten

199,5

206,5

199,5

206,5

199,5

206,5

16

Onderzoek en wetenschappen

           
 

Uitgaven

1.033,4

1.008,6

1.004,8

956,2

998,6

1.000,1

 

Ontvangsten

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

25

Emancipatie

           
 

Uitgaven

12,7

15,4

15,1

15,6

15,6

15,6

91

Nominaal en onvoorzien

           
 

Uitgaven

 

– 244,3

– 415,5

– 409,9

– 338,3

– 182,7

95

Apparaatskosten

           
 

Uitgaven

248,5

250,1

252,7

257,4

258

258,5

 

Ontvangsten

1,7

0,6

0,6

0,6

0,6

0,6

Artikel 1 Primair onderwijs

De begrotingen van de onderwijsartikelen volgen de leerlingen- of studentenramingen en in het po wordt een daling geraamd. Wat hier verder een rol speelt, is de ramingsbijstelling van structureel 50 mln. op het onderwijsachterstandenbudget, waartoe in 2015 is besloten op basis van de lagere raming van gewichtenleerlingen.

Artikel 3 Voortgezet onderwijs

De begroting van het artikel Voortgezet onderwijs neemt over de jaren licht af. In het vo wordt een daling van het aantal leerlingen geraamd, die relatief groter is dan in het primair onderwijs.

Artikel 4 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

Het budget voor Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie stijgt per saldo. Dit wordt vooral veroorzaakt door de toevoeging van de middelen van de fiscale aftrek voor scholingsuitgaven. De omvorming van deze aftrek naar een uitgavenregeling op de OCW-begroting staat gepland voor 2019. In het mbo wordt een daling van de studentenaantallen geraamd.

Artikel 6 Hoger beroepsonderwijs en Artikel 7 Wetenschappelijk onderwijs

De begrotingen van de artikelen onder Hoger onderwijs (hbo en wo) stijgen allebei, voornamelijk die van het wetenschappelijk onderwijs. De raming van de totale studentenaantallen blijft over de jaren redelijk stabiel, echter komen er per 2018 middelen vrij die door de invoering van het studievoorschot geïnvesteerd kunnen worden in het hoger onderwijs. Deze reeksen zijn voor zowel het hbo als het wo oplopend in de huidige meerjarenperiode.

Artikel 8 Internationaal onderwijsbeleid

De relatief grote daling in de uitgaven aan Internationaal onderwijsbeleid tussen 2018 en 2019 wordt met name veroorzaakt door de afloop van de subsidie aan Neth-ER.

Artikel 9 Arbeidsmarkt en personeelsbeleid

Het budget voor Arbeidsmarkt en personeelsbeleid daalt per saldo. Er is na 2018 onder andere sprake van aflopende subsidies, zoals de «Impuls lerarentekorten» en de projecten voor professionalisering. Er is eveneens terugloop in het budget voor de leraren- en schoolleidersregisters (dat overigens na 2018 onder artikel 95 verantwoord wordt).

Artikel 11 Studiefinanciering

Bij Studiefinanciering wordt de grote stijging in budget tussen 2017 en 2018 veroorzaakt door een kasschuif waarbij budget voor de ov-studentenkaart wordt verschoven van 2017 naar 2018. De algemene stijging van de uitgaven en ontvangsten komt voort uit de stijging van de geleende bedragen door studenten, en de daarbij behorende hogere terugbetalingen.

Artikel 12 Tegemoetkoming studiekosten en Artikel 13 Lesgelden

De uitgaven en ontvangsten bij Tegemoetkoming studiekosten en Lesgelden wijzigen weinig en volgen bij Tegemoetkoming studiekosten voornamelijk de leerlingenaantallen in het voortgezet onderwijs en bij Lesgelden de studentenaantallen in het mbo.

Artikel 14 Cultuur

De begrote uitgaven aan cultuur nemen vooral de komende twee jaar toe. In 2017 is de jaarlijkse overboeking (dit jaar 43,3 mln.) naar artikel 16 voor de Koninklijke Bibliotheek reeds gedaan. Vandaar het kleinere budget in 2017. Per 2019 komen de middelen vrij die gepaard gaan met de omvorming van de fiscale aftrek voor uitgaven aan monumentenpanden. De op te zetten uitgavenregeling op de OCW-begroting, die de fiscale aftrek moet vervangen, loopt via artikel 14. In 2017 zijn de ontvangsten hoger door een eenmalige desaldering.

Artikel 15 Media

De begroting van media neemt eens in de twee jaar toe. Dit komt omdat er tijdens de even jaren meer reclameopbrengsten worden verwacht door grote (sport)evenementen, waardoor er ook meer budget is voor de publieke omroep. Dit is ook te zien in de raming van de ontvangsten. Daarnaast wordt om het jaar het mediabudget aangepast naar aanleiding van de huishoudindex van het CBS. Doordat het aantal huishoudens toeneemt, veroorzaakt dit een stijging in de begroting.

Artikel 16 Onderzoek en wetenschapsbeleid

Het budget van het artikel Onderzoek en wetenschapsbeleid is in 2017 hoger dan in latere jaren door de jaarlijkse overboeking voor de Koninklijke Bibliotheek vanuit het artikel Cultuur. Daarnaast vertoont 2020 een dip in de begroting, aangezien er in dit betreffende jaar nog 50 mln. voor onderzoek van de Aanvullende Post overgeheveld moeten worden naar de begroting van OCW. Voor de overige jaren is dit reeds gebeurd.

Artikel 25 Emancipatie

De begroting van emancipatie is stabiel. In 2017 zijn de decentralisatie-uitkeringen in het kader van gender- en LHBTI-gelijkheid reeds gedaan, vandaar het lagere budget in dit jaar.

Artikel 91 Nominaal en onvoorzien

Het minbedrag op het artikel Nominaal en onvoorzien bestaat uit een tweetal taakstellingen die over de afgelopen jaren op dit artikel zijn geparkeerd. Deze taakstellingen dienden om de begroting van OCW sluitend te maken en om een bijdrage te leveren aan de rijksbrede ruilvoetproblematiek. Daarnaast is per 2019 een openstaande reeks aan dit artikel toegevoegd, als gevolg van de OCW-brede problematiek. Deze bestaat voornamelijk uit de tegenvaller voortkomend uit de leerlingen- en studentenraming. In 2017 en 2018 is deze problematiek generaal gecompenseerd.

Artikel 95 Apparaatsuitgaven

De toename in het budget voor apparaat zit vooral in de toevoeging van de uitvoeringskosten voor de uitgavenregelingen die samenhangen met de omvorming van de scholings- en monumentenaftrek. Dit budget is per 2019 beschikbaar. Daarnaast is er een aantal kasschuiven van 2017 naar 2018, in verband met onder andere vertraagde projecten, en van 2019 naar 2018, in verband met voorbereidend werk, die zorgen voor een stijging van het budget in 2018.

Nationale Schuld (Transactiebasis)

IXA NATIONALE SCHULD (TRANSACTIEBASIS)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

54.506,1

48.098,6

38.112,4

37.716,6

23.745,6

40.146,9

totaal niet-belastingontvangsten

42.892

46.210,2

30.843,4

24.371,7

7.019,3

19.959,9

1

Financiering staatsschuld

           
 

Uitgaven

52.973,3

46.566,4

36.567,4

36.065,4

21.976,4

36.323,4

 

Ontvangsten

35.332

35.569

23.164

20.592

5.652

18.732

2

Kasbeheer

           
 

Uitgaven

1.532,8

1.532,2

1.545

1.651,2

1.769,2

3.823,5

 

Ontvangsten

7.560

10.641,2

7.679,4

3.779,7

1.367,3

1.227,9

Artikel 1 Financiering Staatsschuld

Dit artikel heeft betrekking op de extern gefinancierde staatsschuld. De uitgaven bestaan uit de rentelasten en aflossingen van vaste en vlottende schuld. De ontvangsten bestaan uit rentebaten en uitgifte van schuld. De hoogte van de aflossingen van de bestaande schuld ligt vast als gevolg van eerder gemaakte keuzes ten aanzien van de schuldfinanciering. De verwachte schulduitgifte neemt in de loop der jaren af doordat de financieringsbehoefte van het Rijk verder afneemt.

Artikel 2 Kasbeheer

Op dit artikel staan de geldstromen die betrekking hebben op het schatkistbankieren van aan de schatkist gelieerde instellingen. De uitgaven bestaan enerzijds uit de rentevergoeding over de saldi die in de schatkist worden aangehouden door baten-lastendiensten, RWT’s (Rechtspersoon met een Wettelijke Taak) en sociale fondsen. Anderzijds bestaan de uitgaven uit verstrekte leningen aan baten-lastendiensten en RWT’s en, in sommige jaren, uit een afname van het rekening-couranttegoed van deze instellingen of van de sociale fondsen. De ontvangsten bestaan uit rentebaten en aflossingen op leningen door deelnemers aan het schatkistbankieren. De schommelingen van de ontvangsten op dit artikel worden veroorzaakt door fluctuerende aflossingen.

Financiën

IXB FINANCIEN
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

6.737,7

6.838,7

6.538,5

6.159,3

6.016,2

6.052,7

totaal niet-belastingontvangsten

5.643

2.161,2

2.148,2

2.218,3

2.079,6

2.078,2

1

Belastingen

           
 

Uitgaven

3.146,4

2.884,6

2.703

2.605

2.582,6

2.589,6

 

Ontvangsten

813,9

822,9

841,1

828,5

826,5

826,5

2

Financiele Markten

           
 

Uitgaven

29,3

28,8

22,5

22,4

22,4

22,4

 

Ontvangsten

14,4

13

11

11

11

11

3

Financ. act. Publiek-Private sector

           
 

Uitgaven

167,5

366,9

296,9

15,3

12,1

12,1

 

Ontvangsten

4.489,1

984,6

973,6

1.066,9

1.068,8

1.068,8

4

Internationale Fin. Betrekkingen

           
 

Uitgaven

38,7

142,9

71,2

23,9

9,7

6,7

 

Ontvangsten

3,4

7

13,1

23

32

30,5

5

Exportkrediet- en investeringsverzekering

           
 

Uitgaven

70,7

75,4

83,3

83,3

83,3

88,1

 

Ontvangsten

268,3

280,4

256,2

235,6

88,1

88,1

6

BTW-Compensatiefonds

           
 

Uitgaven

3.010,3

3.010,3

3.010,3

3.010,3

3.010,3

3.010,3

7

Beheer materiele activa

           
 

Uitgaven

           
 

Ontvangsten

           

10

Nominaal en onvoorzien

           
 

Uitgaven

37,8

97,1

119,3

167,4

63,8

91,5

21

Centraal Apparaat

           
 

Uitgaven

237

232,6

232

231,6

231,8

231,9

 

Ontvangsten

54

53,4

53,4

53,2

53,2

53,2

Artikel 1 Belastingen

De dalende trend in de uitgaven bij de Belastingdienst is het gevolg van taakstellingen op het apparaat van de Belastingdienst uit het regeerakkoord Rutte II en besparingen in het kader van de Investeringsagenda. De oploop in de ontvangsten is het gevolg van ramingsbijstellingen op de niet-belastingontvangsten.

Artikel 2 Financiële Markten

De hogere uitgaven in 2018 worden veroorzaakt door incidenteel extra kosten voor de vierde anti-witwasrichtlijn (UBO-register). De ontvangsten in 2017 worden verklaard door de opbrengsten uit verbeurde dwangsommen en opgelegde bestuurlijke boetes door de toezichthouders (AFM en DNB) aan onder toezicht staande financiële instellingen uit de financiële sector. Deze opbrengsten komen voor een deel (surplus boven de 2,5 mln.) ten gunste van de Staat (TK 33 957-19).

Artikel 3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector

De hogere ontvangsten in 2017 worden veroorzaakt door de verkoopopbrengsten van aandelen ASR en ABN AMRO. In 2017, 2018 en 2019 zijn er hogere uitgaven door een kapitaalinjectie aan TenneT. Eind 2015 heeft TenneT de Staat als enig aandeelhouder verzocht om extra kapitaal ter beschikking te stellen om de wettelijk verplichte investeringen in het Nederlandse net te realiseren. Vanaf 2017 zal TenneT 780 mln. ontvangen, verspreid over drie jaren. Deze financiële transactie is niet relevant voor het EMU-saldo en het uitgavenkader.

Artikel 4 Internationale Financiële betrekkingen

De fluctuaties in de uitgavenreeks worden verklaard door het ritme van de Nederlandse contributie aan de Wereldbank. De ontvangstenraming kent vanaf 2019 een oploop vanwege verwachte hogere renteopbrengsten op de leningen aan Griekenland.

Artikel 5 Exportkrediet- en investeringsverzekering

De hoogte van de ontvangsten met betrekking tot de exportkredietverzekering (EKV) worden voornamelijk bepaald door de terugbetaling van Argentinië, naar aanleiding van het schuldenakkoord met de Club van Parijs (Zie ook Kamerbrief 2013–2014, 33 750 IX, nr. 29).

In 2020 wordt de laatste terugbetaling verwacht.

Artikel 6 BTW-compensatiefonds

Op dit artikel wordt het BTW-compensatiefonds (BCF) verantwoord. Het BCF wordt uit het gemeente- en provinciefonds gefinancierd. De meerjarige raming is gebaseerd op realisatiecijfers over 2016. De uitgaven aan het BCF zijn stabiel de komende jaren, het gemeente- en provinciefonds fungeren als ventiel bij een onder- of overschrijding. Een onder- of overschrijding komt ten laste of ten gunste van het gemeente- en provinciefonds.

Artikel 7 Beheer materiële activa

Op grond van art. 16 van het Besluit Inbeslaggenomen Voorwerpen, dienen de ontvangsten en uitgaven van op grond van art. 94 en 94a Sv in beslag genomen voorwerpen op de begroting van Veiligheid & Justitie verantwoord te worden. Deze overheveling van begrotingshoofdstuk IX (Financiën en Nationale Schuld) naar begrotingshoofdstuk VI (Veiligheid & Justitie) voorziet hierin. Deze middelen worden voortaan verantwoord op de begroting van VenJ.

Artikel 10 Nominaal en onvoorzien

Op dit artikel staan kosten opgenomen voor het werkbedrijf Switch van de Belastingdienst. Voorts staan er onverdeelde middelen van loon- en prijsbijstelling op dit artikel.

Artikel 21 Centraal Apparaat

De dalende trend in de uitgaven op dit artikel wordt voornamelijk veroorzaakt door taakstellingen op het apparaat van het Ministerie van Financiën.

Defensie

X DEFENSIE
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

8.680,4

8.852,1

8.802,9

8.765,7

8.630

8.541,7

totaal niet-belastingontvangsten

404,9

393,6

303,9

261,0

266,5

268,7

1

Opdracht Inzet

           
 

Uitgaven

3,2

3,2

3,2

3,2

3,2

3,2

2

Taakuitvoering Zeestrijdkrachten

           
 

Uitgaven

739,1

731,4

743,4

751,1

756,1

755,5

 

Ontvangsten

15,6

15,6

15,6

15,6

15,6

15,6

3

Taakuitvoering Landstrijdkrachten

           
 

Uitgaven

1.294,0

1.293,8

1.306,5

1.325,1

1.344,6

1.350,9

 

Ontvangsten

10,5

10,5

10,5

10,5

10,5

10,5

4

Taakuitvoering Luchtstrijdkrachten

           
 

Uitgaven

701,6

709,3

702,4

707,5

713,5

712,3

 

Ontvangsten

12,1

12,1

12,1

12,1

12,1

12,1

5

Taakuitvoering Koninklijke Marechaussee

           
 

Uitgaven

372,1

361,2

357

358,4

360,4

360,4

 

Ontvangsten

4,6

4,6

4,6

4,6

4,4

4,4

6

Investeringen Krijgsmacht

           
 

Uitgaven

1.779,3

2.009,9

2.026,7

1.909,7

1.748,6

1.692,1

 

Ontvangsten

189,2

188,5

111,6

66,8

63,7

58,3

7

Ondersteuning krijgsmacht door Defensie Materieel Org

           
 

Uitgaven

818,6

852

856,6

885,8

893,4

892,6

 

Ontvangsten

47,9

43,4

43,4

43,4

43,4

43,4

8

Ondersteuning krijgsmacht door Cdo Dienstencentra

           
 

Uitgaven

1.158,3

1.108,3

1.092,3

1.105,1

1.094,6

1.096,6

 

Ontvangsten

82,1

81,4

81

81,4

81,4

81,4

9

Algemeen

           
 

Uitgaven

93,1

98,2

97,7

97,4

97,9

98

10

Centraal apparaat

           
 

Uitgaven

1.615,5

1.574,2

1.533,2

1.523,1

1.544,5

1.493,6

 

Ontvangsten

42,8

37,4

25

26,6

35,4

43

11

Geheime uitgaven

           
 

Uitgaven

5,5

7,5

7,5

7,5

7,5

7,5

12

Nominaal en onvoorzien

           
 

Uitgaven

100,2

103,2

76,4

92

65,6

79,1

Het meerjarige verloop van de totale uitgaven wordt verklaard door de doorwerking van de maatregelen uit het Regeerakkoord en de extra middelen die de afgelopen jaren zijn toegevoegd aan de Defensiebegroting door het kabinet. De daling van het budget in 2021 wordt veroorzaakt door uitgavenpatroon van de investeringen (zie artikel 6 Investeringen Krijgsmacht).

Het meerjarige verloop van de totale niet-belastingontvangsten wordt verklaard door de daling van de verkoopopbrengsten van materieel en onroerend goed als gevolg van de herfasering van de verkopen.

Hieronder worden per artikel de belangrijkste ontwikkelingen besproken. In de begroting zelf is een uitputtende opsomming van de effecten van de maatregelen op alle artikelen opgenomen.

Artikel 2 Taakuitvoering Zeestrijdkrachten

Op dit artikel worden de over het algemeen oplopende uitgaven verklaard door het stapsgewijs toevoegen van middelen door het kabinet ten behoeve van de basisgereedheid.

Artikel 3 Taakuitvoering Landstrijdkrachten

Op dit artikel worden de oplopende uitgaven verklaard door het stapsgewijs toevoegen van middelen door het kabinet ten behoeve van de basisgereedheid.

Artikel 4 Taakuitvoering Luchtstrijdkrachten

Op dit artikel worden de fluctuerende uitgaven verklaard door het stapsgewijs toevoegen van middelen door het kabinet ten behoeve van de basisgereedheid en het overboeken van budget naar andere artikelen voor het uitvoeren van de opgedragen taken door de Luchtstrijdkrachten.

Artikel 5 Taakuitvoering Koninklijke Marechaussee

In 2017 is het budget voor de Koninklijke Marechaussee (KMar) hoger dan de latere jaren door de incidentele middelen die zijn vrijgemaakt door het Ministerie van Veiligheid en Justitie en het Ministerie van Defensie voor de grensbewakingstaak van de KMar.

Artikel 6 Investeringen Krijgsmacht

Het verloop van dit artikel wordt enerzijds verklaard door de extra middelen die zijn toegevoegd aan de Defensiebegroting door het kabinet. De hogere uitgaven in de jaren 2018, 2019 en 2020 zijn het gevolg van het verschuiven van budget van de afgelopen jaren naar deze jaren na herijkingen van de investeringsplannen.

Artikel 7 Defensie Materieel Organisatie

Het verloop van dit artikel wordt enerzijds verklaard door de extra middelen die zijn toegevoegd aan de Defensiebegroting ten behoeve van de verbetering van de basisgereedheid. Anderzijds hangt het verloop van de uitgaven op dit artikel samen met de overgang van budgetten van investeringen naar de exploitatie en instandhouding vanwege de uitvoering van materieel verwervingsprojecten.

Artikel 8 Commando Dienstencentra

Op dit artikel dalen de uitgaven door eerder getroffen maatregelen uit de nota In het belang van Nederland, waaronder het sluiten van Defensielocaties die door de Defensie Bewakings- en Beveiligingsorganisatie (DBBO) bewaakt worden en het integreren van de dienstverlening bij het Facilitair Bedrijf Defensie (FBD).

Artikel 9 Algemeen

De uitgaven op dit artikel betreffen het exploitatiedeel van de bijdragen aan de NAVO, verschillende subsidies en overige (departementsbrede) uitgaven. Het budget in 2017 is lager dan de daaropvolgende jaren door het eenmalig uitdelen van de middelen ten behoeve van de Very High Readiness Joint Tasforce (VJTF) aan andere defensie onderdelen (10 mln.) enerzijds en anderzijds het toekennen van budget voor het RIVM voor onderzoek naar Chroom VI (ca. 4 mln.).

Artikel 10 Centraal Apparaat

Dit artikel toont de apparaatskosten van de bestuursstaf, de MIVD en de defensiebrede pensioenen, uitkeringen en wachtgelden. De meerjarige daling van de uitgaven weerspiegelt met name de daling van de overtolligheidsuitgaven als gevolg van eerdere reorganisaties. Door de pensionering van voormalige werknemers met een wachtgeldregeling uit deze reorganisaties dalen deze uitgaven. Daarnaast dalen de pensioenuitgaven licht door de effecten van het ophogen van de pensioenleeftijd.

Artikel 12 Nominaal en Onvoorzien

De daling vanaf 2019 komt doordat vanaf dat jaar er middelen zijn overgeheveld naar artikel 10 ter bekostiging van de compensatie voor het aow-gat.

Infrastructuur en Milieu

XII INFRASTRUCTUUR EN MILIEU
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

7.437

8.409,8

8.715

8.755,5

8.925

8.978,6

totaal niet-belastingontvangsten

269,3

247,5

242,6

242,1

242

242,1

11

Integraal waterbeleid

           
 

Uitgaven

44,9

33,4

32,7

32,7

32,4

33,1

 

Ontvangsten

3

         

13

Ruimtelijke Ontwikkeling

           
 

Uitgaven

155,7

131,5

101,7

104

186,4

188,7

 

Ontvangsten

9,1

8,8

3,8

3,8

3,8

3,8

14

Wegen en verkeersveiligheid

           
 

Uitgaven

47,5

36,7

34,3

32,8

29,5

28,7

 

Ontvangsten

6,8

6,8

6,8

6,8

6,8

6,8

16

Openbaar vervoer en spoor

           
 

Uitgaven

36,8

18,6

13,1

13,9

14,2

14,2

 

Ontvangsten

2,7

         

17

Luchtvaart

           
 

Uitgaven

17,9

13,9

14,4

10,2

7,9

7,9

 

Ontvangsten

1,2

1,1

1,3

0,7

0,6

0,7

18

Scheepvaart en havens

           
 

Uitgaven

30,5

24,3

13

10

3,6

3,6

 

Ontvangsten

0,7

         

19

Klimaat

           
 

Uitgaven

69,6

62,9

60,6

53,9

53,3

53,1

 

Ontvangsten

224

224

224

224

224

224

20

Lucht en geluid

           
 

Uitgaven

18

34,7

27,9

28,1

28,9

29

21

Duurzaamheid

           
 

Uitgaven

23,3

19,7

17,7

18,2

18,3

18,1

22

Omgevingsveiligheid en milieurisico's

           
 

Uitgaven

48,2

34,9

49,1

57,8

56,8

63,3

 

Ontvangsten

2,4

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

23

Meteorologie, seismologie en aardobservatie

           
 

Uitgaven

41,7

49,6

48,5

37,9

32,9

37,9

24

Handhaving en toezicht

           
 

Uitgaven

106,8

103,3

103,4

103,4

103,4

103,4

25

Bijdrage BDU

           
 

Uitgaven

930,3

881,6

881,5

880,1

869,3

869,3

26

Bijdrage investeringsfondsen

           
 

Uitgaven

5.337,3

6.595,3

6.958,6

7.015,4

7.132

7.178,6

97

Algemeen departement

           
 

Uitgaven

150,9

57,8

57,2

56,9

56,8

56,8

 

Ontvangsten

1,3

1,1

1,1

1,1

1,1

1,1

98

Apparaatsuitgaven Kerndepartement

           
 

Uitgaven

349,9

311,4

301,1

294,7

292,4

292,4

 

Ontvangsten

18,1

5,4

5,4

5,4

5,4

5,4

99

Nominaal en onvoorzien

           
 

Uitgaven

27,7

0,1

0

5,6

6,8

0,5

Artikel 11 Integraal waterbeleid

De hogere uitgaven in 2017 hangen samen met het project versterking icoonwaarde Afsluitdijk, die in dit jaar wordt uitgevoerd. Er zijn ontvangsten vanuit de begroting van OCW en de regionale partners die een financiële bijdragen leveren aan het project.

Artikel 13 Ruimtelijke Ontwikkeling

De terugloop aan middelen in de jaren tot en met 2020 wordt grotendeels veroorzaakt door meerjarige budgetoverboekingen naar het Gemeentefonds en Provinciefonds in het kader van het Convenant Bodem en Ondergrond 2016–2020. Vanaf 2021 is er geen sprake van budgetoverboekingen en is het budget waardoor het budget vanaf hoger is.

Artikel 14 Wegen verkeersveiligheid

De daling van budget na 2017 is het gevolg van het aflopen van projecten binnen het programma Beter Benutten.

Artikel 16 Openbaar vervoer en spoor

Vanaf 2018 daalt de omvang van dit artikel hoofdzakelijk omdat de subsidieregeling Beheersing GSM-R interferentie stopt. GSM-R is een radiosysteem dat wordt gebruikt in treinen. De subsidieregeling is een tegemoetkoming in de kosten die spoorvervoerders moeten maken voor de aanpassing of vervanging van aanwezige GSM-R treinradio’s. In 2017 zijn er ontvangsten van de Nederlandse Spoorwegen vanwege de eindafrekening voor de ERTMS pilot Amsterdam-Utrecht.

Artikel 17 Luchtvaart

Het dalend verloop van de uitgaven op dit artikel hangt samen met de dalende uitgaven aan het project Geluidsisolatie Schiphol (GIS). Het GIS programma loopt de komende jaren af. De hieraan gekoppelde GIS-heffing voor luchtvaartmaatschappijen loopt daarmee ook af, hetgeen de daling in ontvangen op dit artikel verklaart.

Artikel 18 Scheepvaart en havens

De hogere budgetten in 2017 en 2018 hangen samen met de extra middelen die in deze jaren beschikbaar zijn gemaakt voor activiteiten en subsidies in het kader van het meerjarenprogramma van de Topsector Logistiek. Dit meerjarenprogramma loopt af in 2020. Dit verklaart de daling van de budgetten in 2021.

Artikel 19 Klimaat

In de jaren 2017–2019 zijn de budgetten op dit artikel hoger vanwege een herschikking binnen de begroting voor het bereiken van de doelstelling uit het Energieakkoord en het uitvoeren van extra maatregelen om klimaatverandering tegen te gaan. Daarnaast nemen de budgetten voor onderzoeksopdrachten vanaf 2020 af.

Artikel 20 Lucht en geluid

Voor de uitvoering van de brandstoffenvisie, onderdeel van het Energieakkoord, zijn middelen vanaf 2017 overgeheveld naar artikel 19 Klimaat. Deze bijdrage is hoger in 2017, wat de lagere stand op artikel 20 Lucht en geluid in dit jaar verklaart. De hogere uitgaven in 2018 worden veroorzaakt doordat de financiële afwikkeling en nabetaling in het kader van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit in dat jaar is voorzien.

Artikel 21 Duurzaamheid

De daling na 2018 is het gevolg van een beperkte afname van het opdrachten- en subsidiebudget voor duurzame productketens.

Artikel 22 Omgevingsveiligheid en milieurisico’s

De lagere stand op dit artikel in het jaar 2018 wordt verklaard door een overboeking naar het Provinciefonds ten behoeve van het Programma Impuls Omgevingsveiligheid (IOV). Na 2018 kent het budget een stijgend verloop. Dit hangt samen met de oploop in het beschikbare budget voor het Programma IOV.

Artikel 23 Meteorologie, seismologie en aardobservatie

De lagere stand op dit artikel vanaf 2020 is het gevolg van de lagere contributie van het KNMI aan EUMETSAT, het Europese programma voor aardobservatie. De hogere uitgaven in 2018 en lagere uitgaven in 2021 zijn het gevolg van een kasschuif voor het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) waarmee de budgettaire reeks in overeenstemming wordt gebracht met de actuele raming van de contributiebetaling aan EUMETSAT.

Artikel 24 Handhaving en toezicht

Op dit artikel wordt de financiële bijdrage van IenM aan de Inspectie Leefomgeving en transport (ILT) geraamd.

Artikel 25 Bijdrage BDU

Het budget van de Brede Doeluitkering ligt in 2017 hoger vanwege overboeking vanuit het Infrastructuurfonds voor onder andere het project Beter Benutten, het maatregelenpakket Regionet en de realisatie van een fietsenstalling bij het station Amsterdam Centraal.

Artikel 26 Bijdragen Investeringsfondsen

Op dit artikel worden de bijdragen aan het Infrastructuurfonds en het Deltafonds verantwoord. De ontwikkeling van dit artikel wordt toegelicht in de horizontale toelichting van het Infrastructuurfonds en het Deltafonds.

Artikel 97 Algemeen departement

De hogere uitgaven op dit artikel in 2017 worden verklaard door de vervanging van het regeringsvliegtuig. Hiervoor is op de IenM begroting een reservering van in totaal 90 mln. getroffen.

Artikel 98 Apparaatsuitgaven Kerndepartement

De uitgaven aan apparaat nemen af als gevolg van taakstellingen van de kabinetten Rutte I en Rutte II.

Artikel 99 Nominaal en onvoorzien

In 2017 reserveert het Rijk 27,7 miljoen euro voor de complexe sanering van het Zeeuwse industrieterrein Thermphos in Zeeland, naar aanleiding van het advies van de Commissie onderzoek sanering Thermphos (TK 29 826 nr. 90). Een bijdrage is voorwaardelijk aan het bereiken van een totaalakkoord met de provincie Zeeland en het havenbedrijf, waarbij zij eenzelfde financiële bijdrage leveren. Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu treedt op als beleidsverantwoordelijk departement namens het Rijk, waarbij de onafhankelijkheid van de toezichthouder wordt geborgd. In de jaren 2020 en 2021 is op dit artikel reserveringen getroffen voor de eindafrekening GSM-R aan het Ministerie van Economische Zaken. GSM-R is een radiosysteem dat wordt gebruikt in treinen. IenM en EZ hebben maatregelen getroffen voor het oplossen van het storingsprobleem met de GSM-R. De kosten hiervoor zijn gedeeld tussen IenM en EZ.

Economische Zaken

XIII ECONOMISCHE ZAKEN
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

5.178

5.202,2

5.703,2

6.340,9

6.244,1

6.358,9

totaal niet-belastingontvangsten

3.393

3.540

4.083,4

4.651,5

4.555

4.658

1

Goed functionerende economie en markten

           
 

Uitgaven

189,8

183,7

182,3

179,5

179,3

179,3

 

Ontvangsten

39,4

31,1

31,1

31,1

31,1

31,1

2

Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

           
 

Uitgaven

857

836,2

797,3

794

788,3

792,7

 

Ontvangsten

128,3

109,5

108,9

106,8

107,6

104,4

3

Toekomstfonds

           
 

Uitgaven

223,4

189,6

182,8

178,7

177,1

158

 

Ontvangsten

48,4

40,6

42,7

48

58,3

49,3

4

Een doelmatige en duurzame energievoorziening

           
 

Uitgaven

1.941,7

2.185,9

2.790,7

3.459

3.378,1

3.504,7

 

Ontvangsten

2.983,2

3.221,2

3.782,2

4.355,2

4.249,5

4.371,5

5

Meerjarenprogramma Nationaal Coördinator Groningen

           
 

Uitgaven

84,5

38,8

33,1

33

27,9

19,4

6

Een concurr., duurz.en veilige agro-, viss.- en voedeselket.

           
 

Uitgaven

565,4

514,3

490,7

483

484,7

486,2

 

Ontvangsten

85,7

41

38,8

37,4

37,4

37,4

7

Groen onderwijs van hoge kwaliteit

           
 

Uitgaven

825

808,1

789,0

778,4

773,4

773,4

 

Ontvangsten

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

8

Natuur en biodiversiteit

           
 

Uitgaven

110,1

104,1

111,2

111,4

112

112,7

 

Ontvangsten

70,9

57,2

39,9

33,5

31,6

25,1

40

Apparaat

           
 

Uitgaven

369,1

339

323,6

321,4

320,8

330

 

Ontvangsten

37,1

39,4

39,8

39,4

39,5

39,1

41

Nominaal en onvoorzien

           
 

Uitgaven

12

2,5

2,5

2,5

2,5

2,5

Artikel 1 Goed functionerende economie en markten

De uitgaven op dit artikel hebben met name betrekking op de financiering van het CBS, Agentschap Telecom en bijdragen in het kader van de Metrologiewet. Het licht dalende verloop van de uitgaven wordt veroorzaakt door invulling van de taakstelling op de Rijksoverheid (inclusief ZBO’s) op voornoemde organisaties. De ontvangsten op artikel 1 vloeien voornamelijk voort uit boetes die door de Autoriteit Consument en Markt en Agentschap Telecom worden geïnd en ontvangsten uit hoofde van uitgifte van radio- en mobiele communicatiefrequenties.

Artikel 2 Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

De uitgaven op dit artikel zijn met name bedoeld voor bijdragen aan (inter)nationale organisaties, bijdragen aan TNO en de Kamer van Koophandel en subsidies voor innovatie en regionale ontwikkeling. De dalende uitgavenreeks wordt met name verklaard door de aflopende financiering van beëindigde subsidies/regelingen. Voor 2017, 2018 en 2019 zijn incidenteel middelen geraamd voor Invest-NL. De ontvangsten zijn met name afkomstig vanuit de garantie BMKB en Garantie Ondernemersfinanciering, de Rijksoctrooiwet en de luchtvaartkredietregeling. De hogere ontvangsten in 2017 worden met name veroorzaakt door de onttrekking uit de Garantie Scheepsnieuwbouwfinanciering (GSF) à 10 mln. in verband met de beëindiging van de regeling per 1 juli 2017.

Artikel 3 Toekomstfonds

De uitgaven van het Toekomstfonds zijn in 2017 hoger dan in de daaropvolgende jaren doordat ondermeer het geld dat niet in 2016 is uitgegeven aan fundamenteel en toegepast onderzoek, Fund of funds en Innovatiekrediet is doorgeschoven naar 2017 (i.v.m. 100% eindejaarsmarge op het Toekomstfonds blijven in enig jaar niet bestede middelen ook in een volgend jaar beschikbaar). De daling in 2022 is het gevolg van de dalende uitgaven aan Innovatiekrediet en Risicokapitaal (seed capital). De ontvangsten komen met name voort uit Fund of funds, Innovatiekrediet en Seed.

Artikel 4 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

De uitgaven op dit artikel stijgen door de oplopende uitgaven aan de SDE+-regeling (Stimulering Duurzame Energieproductie+). Deze uitgaven stijgen doordat in het Energieakkoord voor duurzame energie is afgesproken dat Nederland in 2020 een aandeel van 14% hernieuwbare energieproductie heeft (en in 2023 16%). De totale ontvangsten op artikel 4 worden voornamelijk bepaald door de aardgasbaten en de ODE (Opslag Duurzame Energie). De aardgasbaten zijn gemiddeld 1,9 mld. De ODE-ontvangsten – waarmee de uitgaven aan de SDE+ worden gefinancierd – stijgen van 0,7 mld. in 2017 naar 2,4 mld. in 2022 om de toenemende uitgaven aan de SDE+ zoals vastgelegd in het Energieakkoord te financieren.

Artikel 5 Meerjarenprogramma Nationaal Coördinator Groningen

Voor de aanpak van de aardbevingsproblematiek als gevolg van de gaswinning in de provincie Groningen is een meerjarenprogramma opgezet dat tot doel heeft te voorzien in een duurzame versterking van de leefbaarheid en het economisch perspectief in de provincie Groningen. Voor dit doel is in 2016 in totaal 244,2 mln. uit de gasbaten beschikbaar gesteld voor uitvoering van het meerjarenprogramma in de jaren 2016 tot en met 2024. Het hogere bedrag in 2017 in vergelijking met de daaropvolgende jaren hangt met name samen met de uitgaven voor de verduurzamingopgave bij versterking en herstel van schade. Het begrotingsartikel voor het meerjarenprogramma NCG kent een 100% eindejaarsmarge voor de uitgaven die vanuit de aardgasbaten worden gefinancierd. De niet benutte middelen uit 2016 zijn in het juiste kasritme gezet voor de komende jaren.

Artikel 6 Een concurrerende, duurzame en veilige agro-, visserij en voedselketen

De uitgaven op dit artikel zijn in 2017 hoger dan in latere jaren onder andere door de eerste bijdrage van de sector aan de stoppersregeling melkveehouderij (17 mln.) en de bijdrage van ZuivelNL aan RVO.nl in verband met de uitvoeringskosten voor deze regeling (10,6 mln.). Tevens is 2017 het laatste jaar voor de investeringsregeling duurzame stallen en de regeling fijnstofmaatregelen. De ontvangsten dalen ondermeer doordat de opbrengsten van de suikerheffingen vervallen (10 mln.). De suikerheffing wordt afgeschaft per 1 oktober 2017. Met ingang van deze datum vervallen de opbrengsten voor Nederland en daarmee ook de afdrachten aan de EU. Tevens nemen de onttrekkingen uit de begrotingsreserves af (er wordt minder geld uit de reserve gehaald en toegevoegd aan de begroting van artikel 6).

Artikel 7 Groen onderwijs van hoge kwaliteit

Het budget van dit artikel is bestemd voor onderwijs en de toepassing van kennis in het groene domein. De oorzaken van de daling in de uitgaven zijn het gevolg van dalende subsidies en wijzigingen in het aantal leerlingen in eerdere ramingen.

Artikel 8 Natuur en biodiversiteit

Op dit artikel staan de uitgaven voor natuur en beleid op het gebied van biodiversiteit. De uitgaven gaan met name naar Staatsbosbeheer, RVO.nl en rente en aflossingen voor bestaande leningen. De ontvangsten zijn voor een groot deel afkomstig van de landinrichtingsrente. Door de afnemende verkoop van gronden (2017: 25 mln.; 2018: 15 mln.; 2019 e.v.: 0 mln.) dalen de totale ontvangsten.

Artikel 40 Apparaat

De daling van de uitgaven op dit artikel zijn met name het gevolg van de taakstellingen op personeel en materieel.

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

XV SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

32.235,7

32.089,9

32.576,7

32.602,8

32.759,1

32.950,8

totaal niet-belastingontvangsten

1.903,4

1.885,5

1.918,6

1.956,9

1.949,2

1.952

1

Arbeidsmarkt

           
 

Uitgaven

16,6

509,9

950,1

905,5

905,5

905,5

 

Ontvangsten

27

24

24

24

24

24

2

Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

           
 

Uitgaven

6.951,5

6.810,9

6.977,9

7.229,7

7.420,6

7.554,7

 

Ontvangsten

44,6

2,6

2,6

     

3

Arbeidsongeschiktheid

           
 

Uitgaven

0,8

0,8

0,8

0,9

0,9

1

4

Jonggehandicapten

           
 

Uitgaven

3.239,4

3.298,3

3.346,6

3.393,9

3.430,6

3.409,5

 

Ontvangsten

18,2

         

5

Werkloosheid

           
 

Uitgaven

168,7

156,5

103,1

114,3

143,2

137,6

 

Ontvangsten

1,2

         

6

Ziekte en zwangerschap

           
 

Uitgaven

8,2

8,1

8,2

8,4

8,5

8,7

7

Kinderopvang

           
 

Uitgaven

2.658,5

2.831,2

2.842,6

2.856,4

2.868,1

2.881,3

 

Ontvangsten

1.486,1

1.548,2

1.542,9

1.571,6

1.590,4

1.595,9

8

Oudedagsvoorziening

           
 

Uitgaven

25,1

24,4

25,3

25,3

26,3

27,1

9

Nabestaanden

           
 

Uitgaven

1,3

1,3

1,4

1,4

1,5

1,5

10

Tegemoetkoming ouders

           
 

Uitgaven

5.600,6

5.599,2

5.547,7

5.500,7

5.458,8

5.429,1

 

Ontvangsten

284,3

272,5

287,5

299,4

272,8

270,1

11

Uitvoeringskosten

           
 

Uitgaven

486,6

468,6

388,5

371,3

373,2

371,5

 

Ontvangsten

15,6

         

12

Rijksbijdragen

           
 

Uitgaven

12.420,2

11.668,3

11.704,2

11.562,1

11.509,4

11.612,3

 

Ontvangsten

0,4

         

13

Integratie en maatschappelijke samenhang

           
 

Uitgaven

334,4

317,1

269,6

232,3

208,7

192,1

 

Ontvangsten

3,4

1,2

1

1

1

1

96

Apparaat

           
 

Uitgaven

272,6

295,4

313,4

311,9

310,9

309,1

 

Ontvangsten

22,5

36,7

60,2

61

61

61

98

Algemeen

           
 

Uitgaven

41,7

31,1

31,5

24,7

24,7

24,6

 

Ontvangsten

0,2

0,4

0,4

     

99

Nominaal en onvoorzien

           
 

Uitgaven

9,6

68,7

65,7

64,1

68,3

85,2

Artikel 2 Bijstand, Participatiewet, Toeslagenwet

De uitgaven op artikel 2 lopen op, met name als gevolg van een oplopend macrobudget Participatiewet. Deze oploop hangt samen met de invoering van een aantal wetswijzigingen vanaf 2015 zoals de invoering Participatiewet en het extra beroep op de bijstand als gevolg van de verhoogde asielinstroom. Daarnaast nemen ook de uitgaven voor de inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) de komende jaren toe. Dit komt vooral door een hogere IOAW-instroom (die met vertraging de conjunctuur volgt) en vanwege de verhoging van de AOW-leeftijd waardoor mensen langer in de IOAW zitten. De Toeslagenwet-uitgaven hangen samen met de volumeontwikkelingen in de moederwetten. De TW-uitgaven nemen de komende jaren af, omdat alle moederwetten behalve de WIA naar verwachting meerjarig een dalend verloop vertonen.

Artikel 4 Jonggehandicapten

De verwachte uitgaven stijgen vooral doordat de gemiddelde uitkering stijgt. De nieuwe instroom heeft duurzaam geen arbeidsmogelijkheden en zal daarom een volledige uitkering ontvangen, terwijl van de personen die uitstromen een deel slechts een gedeeltelijke uitkering heeft, omdat zij wel werken. De gemiddelde leeftijd van de Wajongers neemt toe, waardoor het percentage Wajongers dat een uitkering krijgt gebaseerd op het minimumjeugdloon afneemt.

Artikel 7 Kinderopvang

De grootste post op dit artikel is de uitgaven aan kinderopvangtoeslag. Deze uitgaven stijgen per 2018 doordat er nog een klein gedragseffect (extra gebruik) is geraamd als gevolg van de doorwerking van de intensiveringen kinderopvangtoeslag in 2016 en 2017 vanaf 2018. Daarnaast leidt de wet harmonisatie peuterspeelzaalwerk en kinderopvang per 2018 tot extra uitgaven. Door deze wet zijn gemeenten niet meer verantwoordelijk voor de financiering van het huidige peuterspeelzaalwerk voor kinderen met recht op kinderopvangtoeslag. De ouders van deze kinderen kunnen vanaf 2018 kinderopvangtoeslag aanvragen.

Artikel 10 Tegemoetkoming ouders

De veruit grootste posten van artikel 10 zijn de Algemene Kinderbijslag Wet (AKW) en de Wet Kindgebonden budget (WKB). Het budgettaire beslag van beide regelingen kent een licht dalend verloop vanaf 2018 door afname van het aantal kinderen onder de 18 jaar. Daarnaast zorgen stijgende inkomens van huishoudens voor afnemende lasten in het inkomensafhankelijke kindgebonden budget.

Artikel 12 Rijksbijdragen

De grootste post Rijksbijdragen betreft de rijksbijdrage aan het Ouderdomsfonds. Deze stijgt licht, voornamelijk door een stijging van de uitkeringslasten AOW. Daarnaast stijgen de rijksbijdragen ook, doordat er vanaf 2019 ook een rijksbijdrage voor kraamverlof en transitievergoeding is.

Artikel 13 Integratie en maatschappelijke samenhang

De grootste posten zijn de Remigratieregeling, de bijdragen voorinburgering en maatschappelijke begeleiding aan Centraal Opvang Asielzoekers (COA) en Leningen. De uitgaven Remigratieregeling laten een daling zien doordat de aanscherping van de Remigratiewet in 2013 nu zichtbaar begint te worden. Deze ontwikkeling werd aanvankelijk vertraagd door de verhoging van de AOW leeftijd en doordat in aanloop naar de inwerkingtreding van de wetswijziging nog veel aanvragen werden gedaan voor een Remigratie-uitkering. Door de lagere verwachte asielinstroom in de komende jaren neemt vooral de bijdrage aan COA af. De lagere asielinstroom zorgt nog niet gelijk voor een lager bedrag aan leningen omdat inburgeringsplichtigen drie jaar de tijd krijgen voor het behalen van het diploma en het een aantal jaren duurt voordat inburgeraars hun leningbedrag hebben opgenomen.

Artikel 96 Apparaat

De uitgaven en ontvangsten nemen in de beginjaren jaarlijks toe doordat steeds meer departementen aansluiten op de Rijksschoonmaakorganisatie RSO. De forse stijging in uitgaven en ontvangsten tussen 2017 en 2019 hangen dus met elkaar samen.

Premiegefinancierde Sociale Zekerheid

SOCIALE VERZEKERINGEN
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

56.713,2

57.286,8

59.040,2

60.614,3

61.741,2

63.678,6

totaal niet-belastingontvangsten

375

369,9

381,7

393,8

406,4

419,4

3

Arbeidsongeschiktheid

           
 

Uitgaven

9.503,2

9.843,4

10.209,1

10.625,0

11.041,5

11.478,3

5

Werkloosheid

           
 

Uitgaven

5.083,6

4.525,4

4.259,2

4.197,3

4.290,9

4.484,6

 

Ontvangsten

375

369,9

381,7

393,8

406,4

419,4

6

Ziekte en zwangerschap

           
 

Uitgaven

2.689,1

2.806,4

3.537,2

3.748,8

3.388

3.500,3

8

Oudedagsvoorziening

           
 

Uitgaven

37.505,4

38.265,4

39.124,8

40.093,2

41.037,1

42.181,7

9

Nabestaanden

           
 

Uitgaven

388,4

369,5

356,5

348,2

345

343,1

11

Uitvoeringskosten

           
 

Uitgaven

1.543,5

1.476,7

1.553,6

1.601,8

1.638,8

1.690,6

Artikel 3 Arbeidsongeschiktheid

Er zijn twee regelingen voor arbeidsongeschikte werknemers: de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De WIA vervangt sinds 2006 de WAO. De komende jaren stijgen de uitkeringslasten WIA. De WIA is namelijk een relatief nieuwe regeling die het structurele niveau nog niet heeft bereikt.

In de WAO is er alleen nog instroom door de herleving van uitkeringen. Er worden dan ook nauwelijks nog nieuwe WAO-uitkeringen toegekend. Hierdoor dalen de uitkeringslasten WAO. De totale uitgaven aan arbeidsongeschiktheid (WAO/WIA/WAZ) laten in de periode 2017–2022 een stijging zien. Deze wordt, naast de geraamde loon- en prijsbijstelling (nominaal), voornamelijk veroorzaakt door de geleidelijke verhoging van de AOW-leeftijd waardoor de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen langer doorlopen.

Artikel 5 Werkloosheid

Het CPB verwacht dat de werkloosheid de komende jaren zal dalen, maar vanaf 2020 stabiliseert. Als gevolg van deze werkloosheidsontwikkeling vertoont het WW-volume een dalend verloop, waarbij de daling in latere jaren afvlakt. In lijn met deze volumedaling, dalen de WW-uitkeringslasten de komende jaren. In de latere jaren blijven de WW-lasten redelijk stabiel, omdat de afvlakkende daling in het volume en de geraamde loon- en prijsbijstelling (nominaal) tegen elkaar opwegen.

Artikel 6 Ziekte en Zwangerschap

De uitbreiding van het kraamverlof voor partners en de compensatieregeling transitievergoeding kennen vanaf 2019 voor het eerst een budgettair beslag. In de transitievergoeding compenseert de overheid werkgevers voor de kosten van de transitievergoeding van langdurig arbeidsongeschikten. Omdat er sprake is van terugwerkende kracht is het bedrag voor de transitievergoeding in 2019 en 2020 aanzienlijk hoger dan in latere jaren.

De uitkeringslasten voor de Wet arbeid & zorg (WAZO) laten een lichte stijging zien. De stijging hangt samen met de CBS-prognose dat het aantal geboorten de komende jaren enigszins toeneemt.

Artikel 8 Oudedagsvoorziening

Het budget voor de oudedagsvoorziening (AOW en inkomensondersteuning AOW (IOAOW)) stijgt de komende jaren onder andere door een toename van het volume. Als gevolg van de vergrijzing neemt het AOW-volume de komende jaren toe. Door de stapsgewijze verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd sinds 2013 – en de versnelling van deze verhoging vanaf 2016 – wordt de toename echter wel afgevlakt. Ook het afschaffen van de AOW-partnertoeslag voor nieuwe instroom sinds 2015 zorgt ervoor dat de AOW-lasten de komende jaren afvlakken.

Artikel 9 Nabestaanden

De uitkeringslasten dalen voornamelijk omdat de groep nabestaanden die bij inwerkingtreding van de huidige Anw al recht hadden op diens voorganger, de Algemene Weduwen- en Wezenwet, de komende jaren voor een groot deel uitstroomt vanwege het bereiken van de AOW-leeftijd.

Artikel 11 Uitvoeringskosten

De uitvoeringskosten van het UWV en de SVB wijzigen gedurende de jaren als gevolg van beleidswijzigingen en van volumeontwikkelingen in de onderscheiden wetten.

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

XVI VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

14.711,5

15.221,9

15.374,7

15.728,7

16.323,9

16.762,4

totaal niet-belastingontvangsten

159,1

99,6

93,9

93,8

93,8

93,8

1

Volksgezondheid

           
 

Uitgaven

637,9

666,6

683,3

652,7

647,8

667,1

 

Ontvangsten

16,7

8,4

11,9

11,9

11,9

11,9

2

Curatieve zorg

           
 

Uitgaven

3.766,8

3.517,7

3.199,8

3.252,9

3.372,8

3.477,6

 

Ontvangsten

2,1

1,1

1,1

1,1

1,1

1,1

3

Langdurige zorg en ondersteuning

           
 

Uitgaven

3.845,9

3.905,4

3.929,6

4.000,6

4.068,8

4.138,8

 

Ontvangsten

10,2

3,4

3,4

3,4

3,4

3,4

4

Zorgbreed beleid

           
 

Uitgaven

1.007,4

1.083,2

1.070,7

1.052,8

1.036,4

965,6

 

Ontvangsten

86,9

68,9

64,8

64,8

64,8

64,8

5

Jeugd

           
 

Uitgaven

109,3

90,1

83,2

85,5

67,6

67,5

 

Ontvangsten

4,5

4,5

4,5

4,5

4,5

4,5

6

Sport en bewegen

           
 

Uitgaven

82,3

136,1

142,1

140,3

141,1

142,9

 

Ontvangsten

0,7

0,7

0,7

0,7

0,7

0,7

7

Oorlogsgetroffenen en Herinneringen Tweede Wereldoorlog

           
 

Uitgaven

286,5

272,8

255,3

240,2

225,7

211,4

 

Ontvangsten

0,9

0,9

0,9

0,9

0,9

0,9

8

Tegemoetkoming specifieke kosten

           
 

Uitgaven

4.663,9

5.265,8

5.736,1

6.028,4

6.484,2

6.817,5

9

Algemeen

           
 

Uitgaven

16,6

29,3

31,4

36,4

41,6

36,4

 

Ontvangsten

3,4

         

10

Apparaatsuitgaven

           
 

Uitgaven

321,4

271,1

262,3

258,1

257,1

256,7

 

Ontvangsten

33,7

11,7

6,6

6,5

6,5

6,5

11

Nominaal en Onvoorzien

           
 

Uitgaven

– 26,6

– 16,2

– 19

– 19,1

– 19,2

– 19,2

Artikel 1 Volksgezondheid

De toename in uitgaven van Artikel 1 Volksgezondheid wordt veroorzaakt door een stijging van de uitgaven aan ziektepreventie. In 2017 is 20,7 mln. begroot voor de bekostiging van de Niet Invasieve Prenatale Test (NIPT), in 2018 en 2019 is dit 26 mln. Daarnaast groeit de bijdrage aan het RIVM structureel met enkele miljoenen per jaar.

Artikel 2 Curatieve zorg

De afloop van de uitgaven op dit artikel in de jaren 2017 en 2018 wordt grotendeels verklaard door de afloop in de rijksbijdrage aan het zorgverzekeringsfonds die voor 4 jaar is afgesproken om het effect van de overhevelingen naar de Zvw in het kader van de hervorming langdurige zorg op de premie te dempen. Daarnaast zijn de (resterende) schadevergoeding aan het Erasmus MC (81 mln. in 2017) en het programma ICT in ziekenhuizen (35 mln. per jaar van 2017 t/m 2019) verwerkt in de standen. Deze worden bekostigd vanuit het begrotingsgefinancierd BKZ.

Artikel 3 Langdurige zorg en ondersteuning

Dit artikel neemt aan de uitgavenkant toe door een stijging van de Bijdrage In Kosten van Kortingen (BIKK) in de Wlz. De hoogte van deze rijksbijdrage hangt o.a. samen met de ontwikkeling van verschillende tarieven in de inkomstenbelasting die leiden tot wijzigingen in de ontvangsten in het Wlz-fonds, waar deze rijksbijdrage voor compenseert. Daarnaast zijn sinds 2017 de uitvoeringskosten van de SVB voor pgb’s binnen de Wlz overgeheveld van begrotingsartikel 3 naar het budget beheerskosten in het Budgettair Kader Zorg. Hiervoor wordt in 2017 41,2 mln. begroot, in 2018 1,2 mln. en daarna nul.

Artikel 4 Zorgbreed Beleid

De uitgaven stijgen op Artikel 4 komend jaar en nemen daarna geleidelijk af. De stijging in de jaren 2018–2021 wordt veroorzaakt doordat een deel van de transitiekosten van het kwaliteitskader verpleeghuissector (67,5 mln. in 2018–2021) ingezet wordt voor arbeidsmarktbeleid. Verder dalen de uitgaven aan de onderzoeksprogramma’s van ZonMw geleidelijk van 147,8 mln. in 2018 naar 109,3 mln. in 2022.

Artikel 5 Jeugd

Het artikel Jeugd laat een afname zien van de uitgaven. In de jaren 2017 en 2018 is het budget hoger dan in latere jaren doordat er tijdelijk extra middelen beschikbaar zijn gesteld voor transitiekosten van de decentralisatie van het jeugdbeleid. Daarnaast daalt de subsidie voor jeugdhulp van 33,8 mln. in 2020 structureel naar 15,9 mln. in 2021 omdat de subsidieregeling overgang bekostiging huisvesting gesloten jeugdzorg afloopt in 2020.

Artikel 6 Sport en Bewegen

Het verschil tussen 2017 en latere jaren op dit artikel is grotendeels te verklaren door de jaarlijkse storting in het Gemeentefonds voor buurtsportcoaches van 48,6 mln. die in 2017 al heeft plaatsgevonden maar in de latere jaren nog niet. Daarnaast wordt vanaf 2018 circa 7 mln. structureel bijgedragen aan de subsidieregeling energiebesparing en duurzame energie van het Ministerie van Economische Zaken om energiebesparende maatregelen en duurzame energie te stimuleren bij sportaccommodaties.

Artikel 7 Oorlogsgetroffenen en Herinneringen Tweede Wereldoorlog

Door afname van het aantal verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WOII dalen de uitgaven aan pensioenen en uitkeringen op dit artikel

Artikel 8 Tegemoetkoming Specifieke Zorgkosten

De toename van de uitgaven op dit artikel geeft met name de ontwikkeling van de zorgtoeslag weer. De stijging van de zorgtoeslag is grotendeels het gevolg van de ontwikkeling van de zorgpremie.

Artikel 9 Algemeen

Op artikel 9 vinden geen bijzonderheden plaats.

Artikel 10 Apparaatsuitgaven

De uitgaven op dit artikel dalen na 2017 en hebben vanaf 2018 een stabiel verloop. Een deel van de piek in de uitgaven en ontvangsten in 2017 wordt veroorzaakt door overhevelingen en desalderingen ten behoeve van de projectdirectie Anthonie van Leeuwenhoekterrein.

Artikel 11 Nominaal en Onvoorzien

Het verloop op dit artikel wordt grotendeels verklaard door nog niet uitgekeerde prijsbijstelling (10 mln.) en de taakstellende onderuitputting op de VWS-begroting (– 33 mln.). De taakstellende onderuitputting wordt in de loop van het jaar concreet ingevuld met onderuitputting waarvan bij aanvang van het jaar nog niet bekend is waar deze precies optreedt.

Premiegefinancierd Budgettair Kader Zorg

PREMIEGEFINANCIERD BUDGETTAIR KADER ZORG
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

66.587,1

70.307,2

74.887

79.846,8

84.984,1

90.336,8

totaal niet-belastingontvangsten

5.045,1

5.187,5

5.430,5

5.689,1

5.957,2

6.232,4

11

Zorgverzekeringswet

           
 

Uitgaven

46.141,5

48.495,3

51.168,7

53.966,1

56.819

60.006,2

 

Ontvangsten

3.187,1

3.308,4

3.492,5

3.676,8

3.863,3

4.053,4

12

Wet langdurige zorg

           
 

Uitgaven

20.445,6

21.811,9

23.718,3

25.880,7

28.165,1

30.330,6

 

Ontvangsten

1.858

1.879,1

1.938

2.012,3

2.093,9

2.179

Zorgverzekeringswet

De raming van de groei van de uitgaven onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) in de periode 2018 t/m 2021 is gebaseerd op de middellangetermijnraming van het CPB. Deze groei wordt bepaald door de loon- en prijsontwikkeling en volumefactoren zoals demografie, economische groei, technologische ontwikkeling in combinatie met open pakketinstroom en epidemiologie. Vanaf 2018 valt de groei 280 mln. lager uit als gevolg van de hoofdlijnenakkoorden die het kabinet voor 2018 heeft gesloten met verschillende Zvw-sectoren.

Wet langdurige zorg

De raming van de groei van de uitgaven onder de Wet langdurige zorg (Wlz) in de periode 2018 t/m 2021 is gebaseerd op de middellangetermijnraming van het CPB. Deze groei wordt bepaald door de loon- en prijsontwikkeling en volumefactoren zoals demografie, economische groei, technologische ontwikkeling en epidemiologie. Vanaf 2017 zijn de kosten voor de volledige implementatie van het Kwaliteitskader verpleeghuiszorg in de Wlz-standen verwerkt. Hierbij is sprake van een ingroeipad om aan de personeelsnorm van het kwaliteitskader te kunnen voldoen. Dit ingroeipad is in hoofdzaak afhankelijk van de restricties op de arbeidsmarkt en de absorptiecapaciteit van de verpleeghuizen. De structurele meerkosten van het kwaliteitskader komen uit op ruim 2 mld.

Buitenlandse Handel & Ontwikkelingssamenwerking

XVII BUITENLANDSE HANDEL & ONTWIKKELINGSSAMENWERKING
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

           

totaal niet-belastingontvangsten

18,1

15,7

13,4

13,1

9,8

9,6

45

Versterkte kaders voor ontwikkeling

           
 

Ontvangsten

18,1

15,7

13,4

13,1

9,8

9,6

Relatie begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS)

De begroting van het ministerie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking bestaat uit HGIS-uitgaven, HGIS-ontvangsten en niet-HGIS-ontvangsten. De HGIS-uitgaven en -ontvangsten worden toegelicht in de horizontale toelichting van de HGIS. De niet-HGIS-ontvangsten worden hieronder toegelicht.

Artikel 5 Versterkte kaders voor ontwikkeling

De fluctuaties in de ontvangsten betreffen rente-inkomsten en restituties uit leningen van de Nederlandse Investeringsbank voor Ontwikkelingslanden (NIO). Deze NIO-leningen zijn in het verleden aangegaan en lopen tot uiterlijk 2038. Tot die tijd worden de ontvangsten uit rente en restituties verantwoord op de begroting van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.

Wonen & Rijksdienst

XVIII WONEN & RIJKSDIENST
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

4.470,3

4.525,7

4.640,7

4.583,4

4.727,0

4.908,4

totaal niet-belastingontvangsten

723,9

609

646,9

637,4

586,4

573,4

1

Woningmarkt

           
 

Uitgaven

4.137,7

4.147,1

4.285,9

4.430,8

4.574,4

4.753,8

 

Ontvangsten

509,6

487

525

516

466

453

2

Woonomgeving en bouw

           
 

Uitgaven

176,1

247,5

222,9

19,8

20,5

20

 

Ontvangsten

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

3

Kwaliteit Rijksdienst

           
 

Uitgaven

47,7

19,5

18,4

15

13,7

13,7

 

Ontvangsten

89,5

         

6

Uitvoering rijksvastgoedbeleid

           
 

Uitgaven

108,9

111,6

113,5

117,8

118,4

120,8

 

Ontvangsten

124,8

121,9

121,8

121,3

120,3

120,3

Artikel 1 Woningmarkt

Het budget voor de huurtoeslag neemt toe. Dit komt met name doordat boveninflatoire huurverhogingen tot hogere huurtoeslaguitgaven leiden, ondanks dat deze beperkt worden door de huursom. Daarnaast komt dit doordat de huurtoeslag in nominale prijzen wordt gepresenteerd.

In 2017 is de jaarlijkse afdracht van de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW) ontvangen (30 mln.), die wordt gestort in de daarvoor bestemde risicovoorziening NHG. Dit verklaart de hogere ontvangsten in 2017. Daarnaast worden de schommelingen in de latere jaren worden veroorzaakt door de verschillende effecten in de huurtoeslag van de wet beslagvrije voet, de wet stroomlijnen invordering en meer terugvorderingen vanwege een dalende werkloosheid.

Artikel 2 Woonomgeving en bouw

Dit artikel toont incidenteel hogere uitgaven in 2017, 2018 en 2019. In het Woonakkoord is overeengekomen om het Fonds Energiebesparing Huursector te vormen. De niet bestede middelen van dit fonds uit 2016 zijn meegenomen naar 2017. Conform afspraken binnen het Energieakkoord voor duurzame groei is in de jaren 2018 en 2019 totaal 400 mln. beschikbaar voor de stimulering van energiebesparende projecten binnen de huursector.

Artikel 3 Kwaliteit Rijksdienst

De middelen voor het verbeteren van de kwaliteit van de Rijksdienst worden besteed aan arbeidsmarktprojecten via het A&O-fonds, het realiseren van in-, door- en uitstroom van rijksambtenaren, en projecten om samenwerking op het gebied van ICT, professioneel en verantwoord inkopen en rijksbrede arbeidsmarktcommunicatie te stimuleren. De hogere uitgaven en ontvangsten in 2017 zijn een gevolg van het afromen van het surplus eigen vermogen van de SSO’s.

Artikel 6 Uitvoering rijksvastgoedbeleid

De middelen voor het uitvoering geven aan rijksvastgoedbeleid worden besteed aan het verzorgen van huisvesting voor de Hoge Colleges van Staat, het Ministerie van Algemene Zaken en het Koninklijk Huis. Ook het beheren van monumenten die, naar hun aard, niet geschikt zijn voor rijkshuisvesting vallen hieronder. Daarnaast worden uitgaven voor zakelijke lasten en onderhoud- en beheerkosten, alsook een apparaatsbijdrage aan het RVB voor de uitvoering van de wettelijke taak van het (privaatrechtelijk) beheer van onroerende zaken (niet-rijkshuisvesting) hieruit bekostigd. De oploop in de uitgaven is het gevolg van het toenemende investeringsniveau in de huisvesting de komende jaren dat leidt tot hogere kapitaaluitgaven en hiermee hogere gebruikersvergoedingen.

De ontvangsten bestaan uit verpachting, verhuur en vervreemding van onroerende zaken van de Staat, de verkoop van bodemmaterialen en de veiling van huurrechten van benzinestations langs rijkswegen. In 2017 zijn de ontvangsten hoger door een voorschotafrekening met het Rijksvastgoedbedrijf.

Gemeentefonds

B GEMEENTEFONDS
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

27.821,9

28.281,9

28.164,6

28.015,4

27.901,7

27.724,4

totaal niet-belastingontvangsten

           

2

Onderzoek en bijdragen

           
 

Uitgaven

93,9

4,2

1,7

1,7

2

2

3

Programma

           
 

Uitgaven

17.897

18.487,4

18.450,9

18.396,9

18.299,3

18.170,1

4

Integratie-uitkering sociaal Domein

           
 

Uitgaven

9.830,9

9.790,4

9.712

9.616,8

9.600,5

9.552,4

Artikel 2 Onderzoek en bijdragen

Vanaf 2018 eindigen de betalingen aan derden via het Gemeentefonds. De financiering van het A&O-fonds, de VNG en het KING (Kwaliteitsinstituut van Nederlandse Gemeenten) zal rechtstreeks vanuit de gemeenten geschieden. Vanaf 2019 geldt dit ook voor de Waarderingskamer.

Artikel 3 Programma

De aflopende reeks wordt grotendeels verklaard door de maatregel «lagere apparaatskosten gemeenten» uit het regeerakkoord Rutte II en door diverse decentralisatie-uitkeringen die tijdelijk van aard zijn.

Artikel 4 Integratie-uitkering sociaal domein

De daling in dit budget hangt voornamelijk samen met de aflopende reeks van de Wet sociale werkvoorziening (WSW). Dit komt doordat dit een afgesloten regeling is waarbij geen nieuwe instroom is, maar wel uitstroom.

Provinciefonds

C PROVINCIEFONDS
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

2.410,1

2.187,7

2.166,9

2.148,1

2.074,8

2.064,8

totaal niet-belastingontvangsten

           

1

Provinciefonds

           
 

Uitgaven

2.410,1

2.187,7

2.166,9

2.148,1

2.074,8

2.064,8

Artikel 1 Provinciefonds

De aflopende reeks wordt grotendeels verklaard door de maatregel «minder provincies» uit het regeerakkoord Rutte II en door diverse decentralisatie-uitkeringen die tijdelijk van aard zijn. De maatregel «minder provincies» is uiteindelijk niet doorgevoerd. De bijbehorende korting op het Provinciefonds blijft gehandhaafd.

Infrastructuurfonds

A INFRASTRUCTUURFONDS
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

5.779,2

6.243,2

6.409,8

6.452,2

6.421,7

6.500,2

totaal niet-belastingontvangsten

5.779,2

6.243,2

6.409,8

6.452,2

6.421,7

6.500,2

12

Hoofdwegennet

           
 

Uitgaven

2.291,6

2.576

2.554,6

2.707,4

2.806

2.973,9

 

Ontvangsten

146,2

90,4

55,3

90,5

148,9

133,5

13

Spoorwegen

           
 

Uitgaven

2.146,6

2.190,4

2.054,2

2.095

2.232

2.185,8

 

Ontvangsten

245,7

314,2

202,2

197,3

202,3

207,1

14

Regionaal, lokale infra

           
 

Uitgaven

202

246,6

201,1

170,6

96,6

5,1

15

Hoofdvaarwegennet

           
 

Uitgaven

895,8

964,7

1.254,3

1.058,2

804,2

858,4

 

Ontvangsten

94,7

131,2

133,9

100,2

59,5

37,7

17

Megaprojecten Verkeer en Vervoer

           
 

Uitgaven

176,6

262,5

343,5

419,9

482,8

477

 

Ontvangsten

34,8

30,4

61,5

69

92,6

39,7

18

Overige uitgaven en ontvangsten

           
 

Uitgaven

66,5

3

2,2

1

   
 

Ontvangsten

583,3

         

19

Bijdrage andere begrotingen Rijk

           
 

Ontvangsten

4.674,5

5.676,9

5.956,8

5.995,1

5.918,5

6.082,2

Artikel 12 Hoofdwegennet

De uitgaven op dit artikel kennen een stijgend verloop. Dit verloop hangt samen met de planning van de uitgaven van de diverse aanlegprojecten (zowel realisatie als verkenningen en planuitwerkingen) in de komende jaren. Er zijn hogere uitgaven na 2017 omdat in de komende jaren vele middelen zijn voorzien voor een aantal aanlegprojecten waaronder A12/A15 Ressen-Oudbroeken, A27-A12 Ring Utrecht, A16 Rotterdam, A24 Blankenburgtunnel, A28 Knooppunt Hoevelaken en A4/A44 Rijnlandroute.

Artikel 13 Spoorwegen

De uitgaven op dit artikel zijn bestemd voor de aanleg en het beheer en de vervanging van spoorwegen. De uitgaven binnen dit artikel kennen een relatief glad verloop. De beperkte fluctuaties zijn het gevolg van de variatie in het kasritme bij projecten en het aanpassen van de budgetten aan de beschikbare capaciteit voor spoorwerkzaamheden.

Artikel 14 Regionaal, lokale infrastructuur

De uitgaven op dit artikel hangen samen met grote projecten die regionale overheden aanleggen. De fluctuatie van de budgetten is groot door de planning van deze grote regionale projecten. Zo worden er in de periode 2017–2020 hogere uitgaven verwacht door onder andere de regionale projecten Utrecht Tram naar de Uithof, de Ombouw Amstelveenlijn, de Rotterdamsebaan en HOV-NET Zuid-Holland Noord. Aanvullend worden er in deze periode uitgaven gedaan aan het Regiospecifiek Pakket Zuiderzeelijn.

Artikel 15 Hoofdvaarwegennet

De toename van de uitgaven en ontvangsten in de jaren 2019 en 2020 wordt enerzijds veroorzaakt door de realisatie van het project Nieuwe Sluis Terneuzen waar ook derden aan bijdragen. Anderzijds wordt de stijging veroorzaakt door de aanleg van het DBFM-projecten Zeetoegang IJmond en Keersluis Limmel in diezelfde periode.

Artikel 17 Megaprojecten Verkeer en Vervoer

De uitgaven op dit artikel lopen op doordat de uitgaven voor de megaprojecten ERTMS en ZuidasDok sterk oplopen richting 2022. De geraamde ontvangsten betreffen voornamelijk de bijdragen van medeoverheden aan het project ZuidasDok.

Artikel 18 Overige uitgaven en ontvangsten

De budgetten op dit artikel bestaan voor de periode 2017–2020 hoofdzakelijk uit een reservering voor de implementatie van de Omgevingswet. De piek in de budgetten voor 2017 wordt enerzijds verklaard door deze reservering en anderzijds verklaard door het surplus aan eigen vermogen bij Rijkswaterstaat dat conform de Regeling agentschappen wordt afgeroomd en wordt toegevoegd aan het Infrastructuurfonds in 2017.

Artikel 19 Bijdragen andere begrotingen Rijk

Dit artikel betreft de voeding van het Infrastructuurfonds vanuit de begroting van IenM (XII).

Diergezondheidsfonds

F DIERGEZONDHEIDSFONDS
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

44,2

34,5

34,5

34,5

34,5

34,5

totaal niet-belastingontvangsten

44,2

34,5

34,5

34,5

34,5

34,5

1

Bewaking en bestrijding van dierziekten

           
 

Uitgaven

44,2

34,5

34,5

34,5

34,5

34,5

 

Ontvangsten

44,2

34,5

34,5

34,5

34,5

34,5

Op de begroting van het Diergezondheidsfonds (DGF) worden meerjarig de reguliere uitgaven voor bewaking en bestrijding van dierziekten opgenomen. Dekking vindt plaats door bijdragen van de sector via een heffing, de EU en het Rijk. Het eindsaldo 2016 à 12 mln. is in 2017 toegevoegd bij de uitgaven en ontvangsten.

Accres Gemeentefonds

ACCRES GEMEENTEFONDS
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

159

276,4

795,5

1.315,7

1.777,2

2.321,7

totaal niet-belastingontvangsten

           

1

Accres gemeentefonds

           
 

Uitgaven

   

445,2

890,3

1.285

1.750,3

2

Reservering BCF

           
 

Uitgaven

159

276,4

350,3

425,3

492,2

571,4

Accres gemeentefonds

Het accres kent jaarlijks twee bijstellingsmomenten, Voorjaarsnota en Miljoenennota, en één vaststellingsmoment, bij het Financieel Jaarverslag Rijk. Op basis van dit vastgestelde accrespercentage heeft de afrekening dit voorjaar plaats gevonden. De accressen voor de jaren 2017 e.v. zijn aangepast aan de uitkomsten van de normeringssystematiek. De geraamde accressen voor 2017 en 2018 zijn overgeboekt naar het Gemeentefonds.

Reservering Btw compensatiefonds (BCF)

Het plafond van het BCF is per 2015 gekoppeld aan de accrespercentages zoals deze volgen uit de normeringssystematiek voor het gemeentefonds. Het plafond wordt aangepast voor taakmutaties (zoals decentralisaties) die gepaard gaan met onttrekkingen of toevoegingen aan het BCF. Als het plafond overschreden wordt, komt het verschil ten laste van het Gemeentefonds en het Provinciefonds. Bij een realisatie lager dan het plafond, komt het verschil ten gunste van het Gemeentefonds en het Provinciefonds. De toevoeging of onttrekking wordt over het Gemeentefonds en het Provinciefonds verdeeld conform de aandelen gezamenlijke gemeenten en provincies in het BCF in het gerealiseerde jaar.

Accres Provinciefonds

ACCRES PROVINCIEFONDS
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

21,4

39

107,1

174,8

234,7

303,9

totaal niet-belastingontvangsten

           

1

Accres provinciefonds

           
 

Uitgaven

   

56,8

113,2

163

220,3

2

Reservering BCF

           
 

Uitgaven

21,4

39

50,2

61,6

71,7

83,6

Accres provinciefonds

Het accres kent jaarlijks twee bijstellingsmomenten, Voorjaarsnota en Miljoenennota, en één vaststellingsmoment, bij het Financieel Jaarverslag Rijk. Op basis van dit vastgestelde accrespercentage heeft de afrekening dit voorjaar plaats gevonden. De accressen voor de jaren 2016 e.v. zijn aangepast aan de uitkomsten van de normeringssystematiek. De geraamde accressen voor 2017 en 2018 zijn overgeboekt naar het Provinciefonds.

Btw compensatiefonds (BCF)

Het plafond van het BCF is per 2015 gekoppeld aan de accrespercentages zoals deze volgen uit de normeringssystematiek voor het Gemeentefonds. Het plafond wordt aangepast voor taakmutaties (zoals decentralisaties) die gepaard gaan met onttrekkingen of toevoegingen aan het BCF. Als het plafond overschreden wordt, komt het verschil ten laste van het Gemeentefonds en het Provinciefonds. Bij een realisatie lager dan het plafond, komt het verschil ten gunste van het Gemeentefonds en het Provinciefonds. De toevoeging of onttrekking wordt over het Gemeentefonds en het Provinciefonds verdeeld conform de aandelen gezamenlijke gemeenten en provincies in het BCF in het gerealiseerde jaar.

BES-fonds

H BES-FONDS
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

41,6

41,4

33,1

33,1

32,9

33

totaal niet-belastingontvangsten

           

1

BES-fonds

           
 

Uitgaven

41,6

41,4

33,1

33,1

32,9

33

Artikel 1 BES-fonds

Via het BES-fonds krijgen de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Caribisch Nederland) middelen toebedeelt om hun publieke taken naar behoren uit te voeren. In 2017 en 2018 liggen de uitgaven hoger omdat rekening is gehouden met wisselkoersverschillen.

Deltafonds

J DELTAFONDS
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

983

1.119,3

1.164,1

1.209,8

1.368,7

1.247,9

totaal niet-belastingontvangsten

983

1.119,3

1.164,1

1.209,8

1.368,7

1.247,9

1

Investeren in waterveiligheid

           
 

Uitgaven

436,9

526,7

382,8

424,3

626

657,8

 

Ontvangsten

193

197,8

162,3

189,6

155,2

151,5

2

Investeren in zoetwatervoorziening

           
 

Uitgaven

27,4

21,9

33,9

49,7

41,6

0,5

 

Ontvangsten

0

3

       

3

Beheer, Onderhoud en vervanging

           
 

Uitgaven

189,7

188,8

178,1

111,6

122,8

190,5

4

Experimenteren cf. art.111 Deltawet

           
 

Uitgaven

7,9

47,7

217,4

234

216,9

44,7

5

Netwerkgebonden kosten en overige uitgaven

           
 

Uitgaven

298,7

304,6

299,5

296,2

287,8

273

 

Ontvangsten

127

         

6

Bijdrage ten laste van begroting Hoofdstuk XII

           
 

Ontvangsten

662,8

918,4

1.001,8

1.020,3

1.213,6

1.096,4

7

Investeren in Waterkwaliteit

           
 

Uitgaven

22,5

29,6

52,4

94,1

73,6

81,3

 

Ontvangsten

0,2

         

Artikel 1 Investeren in waterveiligheid

De jaarlijkse uitgaven en ontvangsten op het artikel investeren in waterveiligheid variëren. Het verloop hangt samen met de planning van de uitgaven van de diverse aanlegprojecten (zowel realisatie als verkenningen en planuitwerkingen) in de komende jaren. Op dit artikel wordt met name de projecten binnen het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP), Ruimte voor de Rivier en Maaswerken gefinancierd. De lagere uitgaven in 2019 en 2020 worden verklaard doordat de middelen voor het project Afsluitdijk worden overgeheveld naar het artikelonderdeel 04.02 op het Deltafonds.

Artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening

Op dit artikel worden de producten op het gebied van zoetwatervoorziening verantwoord. De daling van budgetten na 2021 hangt samen de afloop van het Deltaplan Zoetwater waarbij maatregelen worden genomen in de periode 2015–2021. Er zijn hogere uitgaven in 2019 en 2020 omdat voor de realisatie van het project Ecologische Maatregelen Markermeer naar verwachting in deze jaren de grootste betalingen plaatsvinden.

Artikel 3 Beheer, Onderhoud en vervanging

De budgetten voor beheer, onderhoud en vervanging tonen een lagere stand in 2020 en 2021. Dit wordt onder andere veroorzaakt door het verloop van de uitgaven van de diverse projecten, waaronder het project GVO Stuwen in de Lek.

Artikel 4 Experimenteren cf. artikel111 Deltawet

In 2018 wordt het DBFM-contract voor het project Afsluitdijk ondertekend. Vooruitlopend op deze DBFM-omzetting worden de voor dit project gereserveerde middelen overgeheveld van artikel 1 naar het bij begroting 2018 nieuwe artikelonderdeel 04.02 Geïntegreerde contractvormen/PPS. Hiermee worden de geïntegreerde contractvormen/PPS apart inzichtelijk gemaakt in de begroting. Het verloop op dit nieuwe artikel hangt samen met het huidige kasritme voor het project Afsluitdijk.

Artikel 5 Netwerkgebonden kosten en overige uitgaven

Op dit artikel worden de apparaatskosten van RWS en de Deltacommisaris geraamd en de investeringsruimte. Ook worden op dit artikel de overige netwerkgebonden uitgaven van RWS en programma-uitgaven van de Deltacommissaris geraamd. Dit zijn uitgaven die niet direct aan de afzonderlijke projecten uit het Deltafonds zijn toe te wijzen, zoals kosten voor de landelijke taken basisinformatie, ICT en kennisontwikkeling & innovatie.

Artikel 6 Bijdragen ten laste van begroting Hoofdstuk XII

Dit artikel betreft de voeding van het Deltafonds vanuit de begroting van IenM (XII). De lagere stand in 2017 wordt met name veroorzaakt door een kasschuif van 2017 naar 2019.

Artikel 7 Investeren in Waterkwaliteit

Op dit artikel worden maatregelen op gebied van waterkwaliteit ten behoeve van de Kaderrichtlijn Water (KRW) verantwoord. De oploop van het budget van 2019 tot en met 2023 wordt veroorzaakt door de realisatie van de 2e en 3e tranche KRW. De piek in 2020 wordt vooral verklaard door het budget voor de Verruiming vaargeul Westerschelde, waarbij het zwaartepunt van uitgaven aan onder andere wrakkenberging en vaargeulwandverdediging in dat jaar zijn voorzien.

Prijsbijstelling

PRIJSBIJSTELLING
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

 

580,7

1.188,9

1.826,5

2.548,2

3.314,3

totaal niet-belastingontvangsten

           

1

Rijksbegroting in enge zin

           
 

Uitgaven

           

2

SZA

           
 

Uitgaven

           

3

ZORG

           
 

Uitgaven

           

4

Niet-relevant

           
 

Uitgaven

           

11

Rijksbegroting in enge zin

           
 

Uitgaven

 

521,1

1.068,6

1.634,4

2.277

2.957,1

12

SZA

           
 

Uitgaven

 

5,1

9,4

14,7

20,5

26,3

13

ZORG

           
 

Uitgaven

 

1,3

3

4,3

6,2

8,1

14

Niet-relevant

           
 

Uitgaven

 

53,1

107,9

173

244,5

322,8

Op de aanvullende post Prijsbijstelling worden de middelen gereserveerd die worden gebruikt om de prijsgevoelige uitgaven op de diverse begrotingen te compenseren voor de prijsontwikkeling. Deze compensatie wordt jaarlijks van deze aanvullende post overgeboekt naar de departementale begrotingen. De oploop in de cijfers ontstaat doordat voor elk jaar een tranche wordt gereserveerd om de begrotingsuitgaven (zoals deze op de afzonderlijke begrotingen zijn opgenomen) van constante naar lopende prijzen te brengen.

Arbeidsvoorwaarden

ARBEIDSVOORWAARDEN
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

 

1.275,4

2.663,3

4.177,2

5.574,2

7.112,8

totaal niet-belastingontvangsten

           

1

arbeidsvoorwaardenruimte ijklijn RB-eng

           
 

Uitgaven

           

2

arbeidsvoorwaardenruimte ijklijn SZ

           
 

Uitgaven

           

3

arbeidsvoorwaardenruimte ijklijn Z

           
 

Uitgaven

           

4

indexering rijksbijdragen

           
 

Uitgaven

           

11

arbeidsvoorwaardenruimte ijklijn RB-eng Programma

           
 

Uitgaven

 

932,8

1.965

3.106,1

4.133,2

5.301,5

12

arbeidsvoorwaardenruimte ijklijn RB-eng Apparaat

           
 

Uitgaven

 

268,1

552,7

855,1

1.147,5

1.457

21

arbeidsvoorwaardenruimte ijklijn SZ Programma

           
 

Uitgaven

 

64

124,8

186,3

253,4

315,2

31

arbeidsvoorwaardenruimte ijklijn Z Programma

           
 

Uitgaven

 

7,8

16,2

23,2

31,4

40,6

42

indexering rijksbijdragen Apparaat

           
 

Uitgaven

 

2,6

4,6

6,5

8,7

– 1,4

Op de aanvullende post Arbeidsvoorwaarden worden de middelen gereserveerd die nodig zijn om de loongevoelige uitgaven op de Rijksbegroting, Sociale Zekerheid en Zorg op het uitgavenpeil van het desbetreffende jaar te brengen. De oploop in de cijfers ontstaat doordat jaarlijks een structurele reservering wordt opgenomen teneinde de begrotingsuitgaven (zoals deze op de afzonderlijke begrotingen zijn opgenomen) van constante naar lopende prijzen te brengen. Sinds dit jaar zijn de loonbijstellingen op programma gescheiden van apparaat. Hierdoor is inzichtelijk welk deel voor programma-uitgaven en welk dele voor apparaatuitgaven zijn bedoeld. Bij de niet-kaderrelevante uitgaven (nr.4) is de afloop vanaf 2019 te verklaren door de gekozen financieringsconstructie van het vroegpensioen (UKW) voor militairen. De min wordt veroorzaakt door een lening die Defensie vanaf dat jaar gaat terugbetalen. De lening is ingezet om de tijdelijke extra UKW lasten te financieren.

Koppeling Uitkeringen

KOPPELING UITKERINGEN
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

 

275,4

614,9

994,5

1.384,4

1.782,1

totaal niet-belastingontvangsten

 

28

60,8

94,8

130

167,8

2

Bijstand, Prticipatiewet en Toeslagenwet

           
 

Uitgaven

 

87,9

190,2

316,6

443,7

576,3

3

Arbeidsongeschiktheid

           
 

Uitgaven

 

0

0

0

0,1

0,1

4

Jonggehandicapten

           
 

Uitgaven

 

56,9

131,7

215,6

302,8

387

5

Werkloosheid

           
 

Uitgaven

 

1,2

3,8

7,4

12,9

16

6

Ziekte en zwangerschap

           
 

Uitgaven

 

0,1

0,2

0,3

0,5

0,6

7

Kinderopvang

           
 

Uitgaven

 

77,5

145,9

216

288,2

362,8

 

Ontvangsten

 

26

56

85

116

148

8

Oudedagsvoorziening

           
 

Uitgaven

 

0,4

0,9

1,3

1,9

2,4

9

Nabestaanden

           
 

Uitgaven

 

0

0,1

0,1

0,1

0,1

10

Tegemoetkoming ouders

           
 

Uitgaven

 

51,3

142,2

237,1

334,3

436,7

 

Ontvangsten

 

2

4,8

9,8

14

19,8

Op de aanvullende post Koppeling Uitkeringen worden de uitgaven voor de indexering van de begrotingsgefinancierde sociale-zekerheidsuitgaven geraamd. De mutaties in uitgaven op de artikelen komen met name door aanpassingen van de WKA (Wet koppeling met afwijkingsmogelijkheden)-index, door wijzigingen in prijsontwikkeling en door grondslageffecten bij de uitkeringen en programma-uitgaven. Aanpassing van de WKA-index en prijsontwikkeling vinden plaats op basis van CPB-cijfers. De uitgaven betreffen jaarlijkse tranches voor de komende vijf jaar, dit verklaart de oploop op de verschillende artikelen.

Aanvullende Post

ALGEMEEN
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

– 1.651

264,2

309,3

292,2

251,6

252,1

totaal niet-belastingontvangsten

           

4

Eindejaarsmarge

           
 

Uitgaven

– 1.776,8

– 109,6

– 20,8

     

55

Diversen

           
 

Uitgaven

125,8

373,8

330,1

292,2

251,6

252,1

Op de aanvullende post Algemeen staan middelen waarvan op het moment van reservering de definitieve aanwending nog niet kan worden aangegeven. Daarnaast staat op de aanvullende post de in=uit-taakstelling op artikel 4 eindejaarsmarge.

Artikel 4 Eindejaarsmarge

Departementen kunnen onbestede middelen in 2016 met behulp van de eindejaarsmarge doorschuiven naar 2017. HGIS-middelen kunnen worden doorgeschoven naar de drie opvolgende jaren. Als tegenhanger van de uitgekeerde eindejaarsmarges is de in=uit-taakstelling op de aanvullende post ingeboekt, onder de veronderstelling dat departementen ieder jaar een soortgelijk bedrag doorschuiven met behulp van de eindejaarsmarge. De in=uit-taakstelling zal gedurende de uitvoering van het begrotingsjaar worden ingevuld met onderuitputting.

Artikel 55 Diversen

De stand op artikel 55 wordt hoofdzakelijk gevormd door reserveringen voor de Investeringsagenda van de Belastingdienst, de Generieke Digitale Infrastructuur van de rijksoverheid en intensiveringen bij VenJ.

Homogene Groep Internationale Samenwerking

HOMOGENE GROEP INTERNATIONALE SAMENWERKING
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Totaal uitgaven

4.708,8

4.662,1

4.568,7

4.633,9

4.819,7

4.898,5

Totaal niet-belastingontvangsten

160,2

154,8

134,7

134,6

134,5

134,5

             

5. Buitenlandse Zaken

           

Uitgaven

1.363,2

1.353

1.338,3

1.377,7

1.390,4

1.417,2

Ontvangsten

65

65

65

65

65

65

             

Artikel 41: Internationale rechtsorde en eerbiediging mensenrechten

           

Uitgaven

114,7

109,8

108,9

109

109

109

             

Artikel 42: Veiligheid en stabiliteit

           

Uitgaven

275,7

249,4

248,8

247,8

247,8

247,8

Ontvangsten

1,2

1,2

1,2

1,2

1,2

1,2

             

Artikel 43: Europese Samenwerking

           

Uitgaven

207,4

207,8

207,3

206,8

206,8

206,8

Ontvangsten

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

             

Artikel 44: Consulaire belangenbehartiging

           

Uitgaven

51,2

50,1

49,5

49,4

49,5

49,5

Ontvangsten

42,1

42,1

42,1

42,1

42,1

42,1

             

Artikel 46: Nominaal en onvoorzien

           

Uitgaven

– 1,1

68,3

64,8

109,5

121,8

148,4

             

Artikel 47: Apparaat

           

Uitgaven

715,2

667,6

659,1

655,2

655,5

655,6

Ontvangsten

21,4

21,4

21,4

21,4

21,4

21,4

             

6. Veiligheid en Justitie

           

Uitgaven

44,9

32,9

32,9

32,9

32,9

32,9

             

7. Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

           

Uitgaven

2,2

0,4

0,2

0,2

0,2

0,2

             

8. Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

           

Uitgaven

57,9

57,9

57,9

57,9

57,9

57,9

             

9B. Financien

           

Uitgaven

46,2

317,3

316,5

258,6

210,9

269,1

             

10. Defensie

           

Uitgaven

275,6

351,8

330

329,9

329,9

329,9

Ontvangsten

16,7

26,7

6,7

6,7

6,7

6,7

             

12. Infrastructuur en Milieu

           

Uitgaven

24,1

20,9

20,9

20,9

21,7

18,9

Ontvangsten

6,4

         
             

13. Economische Zaken

           

Uitgaven

54,4

52,3

51,5

50,5

50,5

50,6

             

15. Sociale Zaken en Werkgelegenheid

           

Uitgaven

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

             

16. Volksgezondheid, Welzijn en Sport

           

Uitgaven

8,4

8,8

8

5

5

5

             

17. Buitenlandse Handel & Ontwikkelingssamenwerking

           

Uitgaven

2.831,5

2.466,3

2.412

2.499,8

2.719,8

2.716,3

Ontvangsten

72,1

63,1

63

62,9

62,8

62,8

             

Artikel 41: Duurzame handel en investeringen

           

Uitgaven

517,6

508,8

459,2

420

495,2

381,4

Ontvangsten

13,1

4,1

4

3,9

3,8

3,8

             

Artikel 42: Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid en water

           

Uitgaven

661,6

666,5

663,4

663,4

663,9

663,9

             

Artikel 43: Sociale vooruitgang

           

Uitgaven

717,1

724,9

724,8

725,7

725,7

725,7

             

Artikel 44: Vrede en veiligheid voor ontwikkeling

           

Uitgaven

714,5

397

400,3

400,3

400,3

400,3

             

Artikel 45: Versterkte kaders voor ontwikkeling

           

Uitgaven

220,7

169,1

164,3

290,4

434,7

545,1

Ontvangsten

59

59

59

59

59

59

De Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) is een budgettaire overzichtsconstructie, waarin de uitgaven aan internationale samenwerking van de verschillende departementen worden gebundeld. Het uitgavenniveau van de HGIS wordt aangepast voor macro-economische ontwikkelingen.

Het merendeel van de HGIS-uitgaven wordt verantwoord via de begroting van Buitenlandse Zaken en de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Daarom wordt het verloop van de HGIS-uitgaven van deze twee begrotingen voor de relevante artikelen toegelicht. Voor de overige begrotingen wordt de toelichting per departement gepresenteerd.

5. Buitenlandse Zaken

Artikel 2 Veiligheid en stabiliteit

Het budget voor bevordering van veiligheid, stabiliteit en rechtsorde in internationaal verband is in het jaar 2017 hoger dan de jaren erna. Dit komt hoofdzakelijk vanwege de jaarlijkse overheveling vanuit het Budget Internationale Veiligheid (BIV) van de begroting van het Ministerie van Defensie en daarnaast heeft het kabinet extra middelen vrijgemaakt in 2017 voor veiligheid en stabiliteit in Afrika.

Artikel 6 Nominaal en onvoorzien

Het budget op dit artikel loopt de komende jaren op. De budgettaire ruimte betreft met name een HGIS-reservering voor de loon- en prijsindexatie en voor overige onvoorziene uitgaven. Ook worden prijscorrecties voor het non-ODA deel van de HGIS op dit artikel verwerkt.

Artikel 7 Apparaat

Dit artikel laat een daling in de uitgaven zien na 2017. Dit is het gevolg van de regeerakkoordmaatregelen A1 (rijksoverheid incl. ZBO’s) en H89 (Reductie postennetwerk).

6. Veiligheid en Justitie

De uitgaven in 2017 zijn eenmalig hoger door een kasschuif van huisvestingsmiddelen voor Eurojust van 2016 naar 2017.

7. Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

De HGIS middelen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties betreffen enkele attachés. Het budget is in 2017 en 2018 eenmalig hoger vanwege een bijdrage aan de UN Public Day 2017.

8. Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

De HGIS middelen van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap betreffen bijdragen aan internationale onderwijsinstellingen.

9B. Financiën

Een deel van de contributiebijdragen aan de Wereldbank is gedaan in 2016 in plaats van 2017, waardoor de HGIS-uitgaven op de begroting van Financiën in 2017 eenmalig lager zijn.

10. Defensie

Het budget in 2017 is lager dan in overige jaren. Dit wordt met name veroorzaakt door de jaarlijkse overheveling vanuit het Budget Internationale Veiligheid (BIV) naar de begrotingen van Buitenlandse Zaken en de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (binnen de HGIS) en tevens ook de herverdeling van middelen uit het BIV op de begroting van het Ministerie van Defensie. Deze middelen blijven op de Defensie begroting maar worden aan de HGIS onttrokken. De hogere ontvangsten in 2017 en 2018 worden verklaard doordat in deze jaren teruggaven worden verwacht vanuit de Verenigde Naties voor kosten die worden gemaakt voor de MINUSMA-missie in Mali.

12. Infrastructuur en Milieu

De hogere HGIS-uitgaven van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu in 2017 hangen samen met de start van het nieuwe programma Water Internationaal in 2016 als opvolger van het programma HGIS Partners voor Water. De HGIS-ontvangsten in 2017 worden verklaard door afloop van het COR-reductieprogramma Clean Development Mechanism (CDM), waardoor middelen op dit fonds vrijvallen.

13. Economische Zaken

De hogere HGIS-uitgaven in 2017 komen voort uit de inzet van de eindejaarsmarge HGIS 2016 en door compensatie vanuit de HGIS voor wisselkoerseffecten op de begroting van het Ministerie van Economische Zaken in 2017.

15. Sociale Zaken en Werkgelegenheid

De HGIS-middelen van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid betreffen enkele attachés.

16. Volksgezondheid, Welzijn en Sport

De HGIS-middelen van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport betreffen enkele attachés. De hogere uitgaven in 2017–2019 worden veroorzaakt door compensatie vanuit de HGIS voor de ondersteuning van het Nederlands bod om de European Medicines Agency in Nederland te huisvesten na haar vertrek uit Londen als gevolg van de Brexit.

17. Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

Artikel 1 Duurzame handel en investeringen

De fluctuaties in uitgaven op dit artikel komen voort uit fluctuaties in het kasritme van het Dutch Good Growth Fund (DGGF). Met het DGGF wordt beoogd het speerpunt voor een versterkte private sector en een verbeterd investeringsklimaat in ontwikkelingslanden te realiseren. De hogere ontvangsten in 2017 zijn gerelateerd aan het stopzetten van de instrumenten Faciliteit Opkomende Markten (FOM) en Finance for International Business (FIB). Deze worden afgebouwd ten gunste van het nieuwe fonds voor handelsbevordering DTIF.

Artikel 3 Sociale vooruitgang

De uitgaven van dit artikel zijn in 2017 lager dan in overige jaren vanwege verlaging van budget «Gelijke rechten en kansen voor vrouwen» als gevolg van de verschuiving van de uitgaven van 2017 naar 2016 als onderdeel van de motie Van Laar / Van Veldhoven (Kamerstuk 33 625, nr. 207)

Artikel 4 Vrede en veiligheid voor ontwikkeling

Het budget op dit artikel is in het jaar 2017 hoger dan in overige jaren hoofdzakelijk vanwege het doorschuiven van middelen van 2016 naar 2017 via de eindejaarsmarge voor opvang in de regio en noodhulp. Daarnaast heeft het kabinet extra middelen vrijgemaakt in 2017 voor opvang in de regio Afrika en het noodhulpfonds. Ook heeft de overheveling vanuit het Budget Internationale Veiligheid (BIV) van de begroting van het Ministerie van Defensie plaatsgevonden.

Artikel 5 Versterkte kaders voor ontwikkeling

Dit betreft onder andere het parkeer- en verdeelartikel van de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Op dit artikel worden aanpassingen als gevolg van de BNI-ontwikkeling en de toerekening van de kosten van eerstejaarsasielopvang verwerkt.

Consolidatie

CONSOLIDATIE
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

totaal uitgaven

– 5.337,3

– 6.595,3

– 6.958,6

– 7.015,4

– 7.132,0

– 7.178,6

totaal niet-belastingontvangsten

– 5.337,3

– 6.595,3

– 6.958,6

– 7.015,4

– 7.132,0

– 7.178,6

1

Nog niet toegerekend

           
 

Uitgaven

– 5.337,3

– 6.595,3

– 6.958,6

– 7.015,4

– 7.132,0

– 7.178,6

 

Ontvangsten

– 5.337,3

– 6.595,3

– 6.958,6

– 7.015,4

– 7.132,0

– 7.178,6

De post Consolidatie wordt gebruikt voor het corrigeren van de Rijksbegroting voor dubbeltellingen die ontstaan door het bruto-boeken van bijdragen. Het bruto-boeken houdt in dat zowel het departement dat bijdraagt, als het departement dat ontvangt de uitgaven op zijn begroting opneemt. Het ontvangende departement raamt daarnaast de te ontvangen bijdragen ook aan de ontvangstenkant van de begroting. Hierdoor wordt het rekenkundig niveau van de totale rijksuitgaven en de rijksontvangsten hoger dan het feitelijk niveau. Op de post Consolidatie wordt hiervoor gecorrigeerd. De hoogte van de post wordt in belangrijke mate bepaald door de bijdragen van de begroting van Infrastructuur & Milieu aan het Infrastructuurfonds.