Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vaststelling begroting Infrastructuurfonds 2018

34775 A 56 BRIEF VAN DE MINISTER EN STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT

Vergaderjaar 2017-2018

Nr. 56

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 8 december 2017

Met deze brief melden wij u, mede namens de Minister van BZK, de voortgang in het MIRT (1), de uitkomsten van de Bestuurlijke Overleggen MIRT (hierna: BO’s MIRT) van dit najaar (2) en de voortgang van een aantal moties en toezeggingen en een aantal voor het MIRT relevante ontwikkelingen (3).

1. Resultaten

In juli van dit jaar bent u op de hoogte gesteld van de voortgang van het MIRT in de eerste helft van 2017 (Kamerstuk 34 550 A, 63). Hieronder vindt u een overzicht van de voortgang in de tweede helft van 2017.

Wegen

De afgelopen maanden zijn drie wegen opengesteld. De weggebruikers kunnen sinds medio oktober jl. gebruik maken van het aangepaste knooppunt Joure, waarmee de doorstroming en verkeersveiligheid op de A6 en de A7 is verbeterd. Tevens is de A1/A6 bij Diemen, onderdeel van A1/A6/A9 Schiphol – Amsterdam – Almere (SAA), voor de verwachte mijlpaal opengesteld. Hierdoor is op deze belangrijke hoofdweg meer capaciteit beschikbaar. Sinds de zomer is ook de A1 tussen Apeldoorn-Zuid en Beekbergen opengesteld.

Recent zijn twee startbeslissingen genomen: voor de Suurhoffbrug (N15) en voor de A4 Knooppunt Burgerveen – N14. Op 16 november jl. is het Ontwerptracébesluit voor de N35 Nijverdal – Wierden ondertekend. Het project voorziet in de opwaardering van de N35 naar een autoweg met in beide richtingen twee rijstroken en in de aanleg van ongelijkvloerse aansluitingen en kruisingen. Het Tracébesluit is voorzien in 2018.

Onderdeel van het lopende MIRT-programma is ook de aanleg van ontbrekende schakels in het hoofdwegennet, zoals de ViA15, A16 Rotterdam (het Tracébesluit is sinds 2 augustus 2017 onherroepelijk), de Blankenburgverbinding en de Ring Utrecht. Zoals aangegeven in het regeerakkoord gaat het kabinet door met deze projecten.

Spoor

Op 16 november is het Tracébesluit Extra Sneltrein Groningen-Leeuwarden vastgesteld. Hiermee wordt een extra sneltrein tussen Groningen en Leeuwarden gerealiseerd, evenals een spitstrein tussen Zuidhorn en Groningen. In overleg met de provincies Groningen en Fryslân is besloten dat de provincies vanaf 1 januari 2018 integraal verantwoordelijk zijn voor het project. De werkzaamheden starten in 2018 en duren tot eind 2020. De extra treinen moeten per dienstregeling 2021 gaan rijden.

Onderdeel van het lopende MIRT-programma is verder een breed pakket aan maatregelen voor de korte en middellange termijn ten behoeve van de betrouwbaarheid en veiligheid van het spoorsysteem en om het openbaar vervoer voor meer reizigers aantrekkelijk te maken. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om het Programma Hoogfrequent Spoor (PHS), ERTMS, Zwolle-Herfte, Zuidasdok, regionale spooruitbreidingen, grensoverschrijdend spoor, fietsparkeren, de aanpak van overwegen en het goederenvervoer (zoals de Calandbrug). De komende periode worden de resultaten van deze inzet ook echt zichtbaar. In de dienstregeling van 2018 gaat de hoogfrequente dienstregeling tussen Amsterdam en Eindhoven van start (zie ook verderop in deze brief) en zijn er verbeteringen op de trajecten Meppel-Zwolle, Gouda-Alphen en Zwolle-Kampen.

Daarnaast is ook voortgang geboekt in het stedelijk OV. In Amsterdam, Rotterdam en Utrecht worden nieuwe tram- en metroverbindingen in gebruik genomen (Noord/Zuidlijn, Hoekse lijn, Uithoftram Utrecht). Ook is veel geïnvesteerd in fietsenstallingen en zijn grote stappen gezet op het gebied van duurzaamheid, ook door vervoerders en regio’s. Zo rijden in 2017 alle elektrische treinen in Nederland volledig op groene stroom (dat komt neer op 1% van het Nederlandse elektriciteitsverbruik en het elektriciteitsverbruik van alle Amsterdamse huishoudens per jaar). Ook bussen worden steeds schoner.

Maritiem

Samen met de Vlaamse Minister van Mobiliteit en Openbare Werken is op 13 november jl. de eerste schop in de grond gegaan voor de start van de bouw van een van de grootste sluizen ter wereld. Met de Nieuwe Sluis Terneuzen wordt de toegang tot de havengebieden van Gent en Terneuzen vergroot. Naar verwachting vaart eind 2022 het eerste schip door de Nieuwe Sluis.

Water

In de lopende uitvoeringsprogramma’s (Hoogwaterbeschermingsprogramma, Maaswerken en Ruimte voor de Rivier) is mooie voortgang geboekt. Zo is Rijkswaterstaat in september gestart met de realisatie van de dijkversterking Houtribdijk. De Houtribdijk scheidt het IJsselmeer van het Markermeer. Een deel van deze dijk wordt versterkt met brede, zandige oevers. Een zandige versterking in een dergelijk groot binnenwater zonder getijden is een wereldwijde primeur.

Ook wordt een nieuw natuurgebied (Trintelzand) aangelegd in het Markermeer. Dit draagt – net als de nabijgelegen Marker Wadden – bij aan een betere waterkwaliteit van het Markermeer.

Binnen het programma Maaswerken is dit jaar een belangrijke mijlpaal bereikt. Op 9 november jl. is de oplevering van de hoogwaterdoelstelling Grensmaas gevierd. Over een traject van 43 kilometer is de Maas verdiept en verruimd. Hierdoor zijn bewoners langs de Grensmaas beter beschermd tegen hoogwater.

Inmiddels is voor alle maatregelen van het programma Ruimte voor de Rivier de doelstelling voor waterveiligheid bereikt. Op verzoek van uw Kamer worden momenteel de eindevaluaties, conform de Regeling Grote Projecten, voor de projecten Ruimte voor de Rivier en Zandmaas/Grensmaas (onderdeel van Maaswerken) opgesteld. Dit met het oog op beëindiging van de grootprojectstatus van beide projecten. Het streven is uw Kamer uiterlijk 1 april 2018 te informeren over de uitkomsten van beide eindevaluaties.

Het Verbeterprogramma Waterkwaliteit Rijkswateren bevat maatregelen die bijdragen aan de doelen van de Europese Kaderrichtlijn Water. De eerste tranche van maatregelen is in afronding. Zo is begin 2017 de Hemelrijkse Waard langs de Maas opgeleverd, waar in opdracht van Rijkswaterstaat en Natuurmonumenten 225 hectare – vergelijkbaar met 450 voetbalvelden – riviernatuur met een drie kilometer lange nevengeul is ontstaan. Maar ook in het Rijnmondgebied zijn projecten opgeleverd, zoals de Vijfsluizerhaven in Schiedam en De Groote Zaag bij Krimpen aan de Lek, waardoor de kwaliteit van het leefgebied voor planten, dieren én mensen is verbeterd. De tweede tranche is inmiddels in realisatie.

2. Uitkomsten bestuurlijke overleggen MIRT

Op 6 en 7 december 2017 hebben wij met de vijf MIRT-regio’s overleg gevoerd. Tevens is separaat overleg gevoerd met de betrokken bestuurders over het gebiedsgerichte programma Goederenvervoercorridors.

Deze overleggen zijn van groot belang: de korte termijnprognoses van het KiM en lange termijnprognoses in de NMCA laten zien dat de komende jaren en na uitvoering van het huidige MIRT-programma opgaven blijven bestaan. De grootste opgaven zien we met name in, rond en tussen de grote steden en voor het goederenvervoer op de achterlandverbindingen. Door de aantrekkende economie en de toenemende verstedelijking ontstaan weer nieuwe bereikbaarheidsopgaven. Het zijn complexe opgaven over meerdere modaliteiten. Het opvangen van de mobiliteitsgroei vraagt om een aanpak die de robuustheid en betrouwbaarheid van de infrastructuurnetwerken op orde houdt en toekomstige capaciteitsknelpunten op en tussen de modaliteiten aanpakt. Om dit te realiseren is samenwerking met de regio cruciaal. Samen werken we aan een slim en duurzaam mobiliteitssysteem waarvan de delen naadloos op elkaar aansluiten. Innovatie biedt daarbij enorme kansen. De technologische ontwikkeling biedt de mogelijkheid om uiteindelijk tot een meer geïntegreerd vervoerssysteem te komen dat steeds schoner wordt.

Met het regeerakkoord komen tot 2030 extra middelen beschikbaar voor infrastructuur. Dit maakt het mogelijk om deze kabinetsperiode nieuwe projecten te starten of lopende projecten te versnellen. De middelen zijn echter onvoldoende om alle opgaven op te pakken. We zullen dus prioriteiten moeten stellen.

Tijdens de afgelopen BO’s hebben wij aangegeven nieuwe investeringen af te willen wegen op basis van de volgende criteria:

  • –  Is het een prioriteit uit het regeerakkoord?
  • –  Gaat het om potentiële opgaven uit de Nationale Markt- en Capaciteitsanalyse (NMCA)?
  • –  Is de regio bereid tot cofinanciering?

Hierbij kijken we niet alleen naar infrastructuuroplossingen, maar ook naar hoe we de opgaven slimmer en duurzamer kunnen oppakken. Ook veiligheid is van belang, zowel op de weg, het spoor als over het water. Daarnaast gaan we extra investeren in de fiets. Ook hiervoor is extra geld beschikbaar. Integraal onderdeel van de prioriteiten is daarnaast de financiering van beheer en onderhoud en vervanging en renovatie («vernieuwen, verjongen, verduurzamen») en de realisatie van het bestaande programma. De verkenningen waarvoor in de Bestuurlijke Overleggen afspraken zijn gemaakt, worden volgens de nieuwe MIRT-spelregels uitgevoerd.

Met name in grootstedelijke regio’s grijpen opgaven op het gebied van economie, woningbouw, leefbaarheid en bereikbaarheid sterk op elkaar in. Om die opgaven effectief aan te pakken, hebben wij in dit BO MIRT met de regionale partners afgesproken door te gaan met gebiedsgerichte programma’s. Daarbij is afgesproken dat Rijk en regio op basis van adaptiviteit en wederkerigheid samenwerken. Binnen de programma’s wordt ook uitwerking gegeven aan onder meer opgaven op het gebied van bereikbaarheid en verstedelijking maar ook aan thema’s zoals innovatie, fiets en duurzame mobiliteit.

De NMCA laat zien dat we voor grote uitdagingen staan op het gebied van het OV en spoor, onder andere door een groei van het aantal reizigerskilometers op het spoor met minimaal 25% tot 2030. Het openbaar vervoer groeit ieder jaar en ook daar worden de drukste routes steeds drukker. Op het spoor neemt de benutting door extra treinritten steeds verder toe. Voor het openbaar vervoer en het spoor ligt er tot 2030 al een flink programma dat we grotendeels in uitvoering hebben. De komende periode worden de resultaten van deze inzet zichtbaar. Onze inzet is om met de extra middelen uit het regeerakkoord het bestaande systeem te versterken, maar ook om eerste stappen te zetten ten aanzien van het realiseren van het Toekomstbeeld OV. Dit doen wij door in te zetten op het versterken van de zwaarbelaste verbindingen tussen de grote steden, een hoogwaardig regionaal en stedelijke openbaar vervoer, goede internationale verbindingen voor personen en goederen en door het verbeteren van de veiligheid, het aanjagen van innovatie en duurzame mobiliteit. Aan de Landelijke OV en Spoortafel van 23 november jl. hebben Rijk en regio hier afspraken over gemaakt. U heeft hier recent een brief over ontvangen.

Wij voeren daarnaast een omvangrijk investeringsprogramma uit voor wegen. Het gaat om de aanpak van de meest urgente knelpunten als de Ring Utrecht en A1/A6/A9 Schiphol-Amsterdam-Almere en het realiseren van ontbrekende schakels in het netwerk, zoals de ViA15, A16 Rotterdam en de Blankenburgverbinding. In totaal wordt er tot 2030 nog meer dan 1.000 km aan rijstroken aangelegd. Daarmee zijn wij er niet. De NMCA 2017 laat zien dat er knelpunten ontstaan in, tussen en rond de grote steden. Met de extra middelen in het Infrastructuurfonds zetten wij, samen met de regionale partners, in op het aanpakken van deze opgaven.

Voor de korte termijn aanpak wordt € 100 miljoen beschikbaar gesteld om de files op de hele drukke wegen te verminderen. De File-aanpak 2020 van Rijkswaterstaat maakt daar onderdeel van uit. Rijkswaterstaat stelt makkelijker spitsstroken open en gaat daar waar mogelijk met enkele kleine aanpassingen van de weg de doorstroming verbeteren. Aan dit programma wordt een impuls gegeven. Op meer plekken wordt de weginrichting verbeterd. Ook wordt het incidentmanagement geïntensiveerd. Door meer in te zetten op het informeren van de weggebruiker worden routekeuzes slimmer en reistijden betrouwbaarder. In het eerste kwartaal van 2018 informeren wij u nader over de maatregelen die Rijkswaterstaat nu uitwerkt.

Verkeersveiligheid is een prioriteit en verdient onze volle aandacht. Daarom blijven we verder investeren in de verbetering van de veiligheid van de N-wegen, zoals ook opgenomen in het regeerakkoord. Bij aansluitingen tussen de zogenaamde Rijks-N-wegen en regionale wegen willen wij hierover afspraken maken met de provincies. Voor deze aanpak stel ik € 50 miljoen beschikbaar, die zal worden toegevoegd aan het reeds lopende programma Meer Veilig. Daarnaast zullen wij ook samen met de partners verder investeren om de veiligheid op de N-wegen te vergroten.

De komende jaren wordt ook fors geïnvesteerd in vaarwegen. De bouw van de zeesluis Terneuzen is gestart en de realisatie van de Beatrixsluizen en sluis Eefde is in volle gang. Hiermee spelen we in op de toekomst en worden wachttijden bij sluizen op belangrijke routes sterk gereduceerd. In Rotterdam wordt de Nieuwe Waterweg verdiept zodat grotere zeeschepen het havengebied beter kunnen bereiken. In lijn met het regeerakkoord en de NMCA zetten we verder in op opwaardering van sluizen in Zeeland en kijken wij op de goederencorridors naar ligplaatsen en kades die multimodaal vervoer kunnen ondersteunen. Verder worden de mogelijkheden onderzocht om de bediening van sluizen en bruggen beter af te stemmen. Allemaal belangrijk om de ruimte op vaarwegen beter te kunnen benutten.

In het regeerakkoord is aangekondigd dat het Infrastructuurfonds wordt omgevormd tot het Mobiliteitsfonds. Kern van het fonds is dat niet langer de modaliteit maar de mobiliteit centraal staat. Tot 2030 zijn de financiële middelen verdeeld tussen de traditionele modaliteiten: »wegen», «spoorwegen» en «vaarwegen». Vanaf 2030 gaan we werken aan een nieuwe indeling die aansluit op de agenda voor slimme en duurzame mobiliteit. Deze omvat in ieder geval een apart budget voor beheer en onderhoud, een budget voor het beter benutten van bestaande infrastructuur, het stimuleren van intelligente transportsystemen (ITS) als de zelfrijdende auto, CO2-neutrale oplossingen en Mobility as a Service (MaaS), en een budget voor de aanleg van nieuwe infrastructuur om knelpunten op te lossen. In 2018 gaan we aan de slag met de uitwerking van de kaders en de spelregels van het Mobiliteitsfonds, waarbij we de bestuurlijke partners betrekken.

Naast bereikbaarheid maakt ook water onderdeel uit van het MIRT. Er liggen grote opgaven, zowel op het gebied van waterveiligheid als op het gebied van waterkwaliteit. Hieraan wordt gewerkt onder andere in het kader van het Deltaprogramma, het Deltaplan Zoetwater, het Hoogwaterbeschermingsprogramma, Maaswerken en Ruimte voor de Rivier. In het regeerakkoord is opgenomen dat de uitvoering van het Deltaprogramma wordt voortgezet. Daarbij zal meer dan ooit de nadruk worden gelegd op het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van Nederland. Daaraan werken gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk landsdekkend samen in het kader van het deltaplan ruimtelijke adaptatie.

Een nauwe relatie tussen ruimtelijke ordening en infrastructuur is essentieel voor de economische ontwikkeling en de concurrentiepositie van Nederland. Met de «R» uit het MIRT krijgt deze relatie verder betekenis. Daarnaast dragen de Nationale Omgevingsvisie (NOVI), de Ruimtelijk-Economische Ontwikkelstrategie (REOS) en de realisatie van woningen op een slimme plek, bij aan een goede inrichting van Nederland.

Tijdens de afgelopen BO’s hebben wij met de regio goede afspraken kunnen maken. Hieronder treft u, in het kort, de gemaakte afspraken aan per MIRT-regio en voor het programma Goederenvervoercorridors. Voor een volledig overzicht van de gemaakte afspraken wordt verwezen naar de afsprakenlijst in de bijlage1.

Regio Zuidwest-Nederland

Op het BO MIRT 2016 is afgesproken dat Rijk en regio een programma-aanpak voor de regio Rotterdam-Den Haag zullen ontwikkelen. In 2017 hebben Rijk en regio dit gezamenlijk opgepakt en we erkennen daarmee de bereikbaarheidsopgaven in de regio Rotterdam-Den Haag. Rijk en regio starten daarom het gebiedsgerichte Programma Duurzame Bereikbaarheid Rotterdam-Den Haag. De regio heeft aangegeven fors bij te willen dragen aan de cofinanciering van het programma en daarnaast wederkerigheid te willen organiseren door nieuwe woningen te bundelen rond het hoogwaardig openbaar vervoer waaronder de Oude Lijn.

Doel van het programma is om de bereikbaarheid te verbeteren en daarmee bij te dragen aan een sterke economie, een aantrekkelijk leefmilieu en aan kansen voor mensen in de regio. Daarvoor wordt ingezet op een integrale benadering van verstedelijking (waaronder de woningbouwopgaven) en bereikbaarheid, slimme investeringen en gedeeld eigenaarschap in de samenwerking en uitvoering van het programma. Op basis van de uitkomsten van het MIRT-onderzoek Bereikbaarheid Rotterdam-Den Haag is besloten het programma te focussen op slimme netwerken (wegen, fietsen), metropolitaan OV en logistiek in en om de stad. In 2018 worden verschillende uitwerkingen gemaakt die aansluiten bij deze focus en bij de prioriteiten van het regeerakkoord (oplossen NMCA-knelpunten, versterking OV in stedelijke regio’s).

Het programma bevat een Korte Termijn Aanpak, waarin waar nodig samen met het bedrijfsleven, maatregelen op het gebied van (hoogwaardig) OV, smart mobility, ketenmobiliteit, fiets, vraagsturing en de aanpak van de verkeersdoorstroming op aansluitingen op het Hoofdwegennet (aansluitingen HWN/OWN) worden ontwikkeld die gezamenlijk (50%-50%) worden bekostigd. Voor de aansluitingen HWN/OWN is afgesproken om in 2018 samen € 6 miljoen te investeren.

Voorgesteld is om in 2018 binnen het Programma twee MIRT-verkenningen te starten naar een multimodale Oeververbinding Rotterdam en naar de OV-ontsluiting van de Binckhorst/Central Innovation District in Den Haag. Vanwege het vooralsnog ontbreken van zicht op 75% van de financiering van de meest voor de hand liggende oplossing voor beide verkenningen, zal voor beide opgaven een pre-verkenningsfase worden gestart. In februari wordt opnieuw op bestuurlijk niveau gesproken. Het Rijk zal participeren in de door de regio getrokken gebiedsuitwerkingen Voorne-Putten, Greenport Westland en Zoetermeer. Rijk en regio zullen in 2018 een werkplaats OV, Duurzaamheid en Ruimte starten waarin een ontwikkelstrategie zal worden ontwikkeld voor het versterken van het metropolitane OV in combinatie met verstedelijking langs de backbones van het OV (oude Lijn en Randstadrail). Deze werkplaats zal bijdragen aan de netwerkuitwerking die wordt gemaakt in het kader van het Toekomstbeeld OV.

Mobiliteitsuitdagingen in dunbevolkte gebieden

In nauwe samenwerking tussen Rijk, regio en stakeholders wordt een regionale strategie ontwikkeld, ten behoeve van het bereikbaar houden van voorzieningen en – daarmee – het aantrekkelijk houden van Zeeland als woon-, leef- en vestigingsregio (sociale en economische meerwaarde). We ondersteunen daarbij een regionale pilot op het gebied van grensoverschrijdend OV en Mobility as a Service (MaaS), met als doel dat reizigers in grensgebieden in de toekomst gemakkelijk en met één vervoersbewijs kunnen reizen.

N59

Voor de N59 bekostigt de regio maatregelen voor doorstroming en duurzaamheid, en draagt daarnaast bij aan de verkeersveiligheidsmaatregelen. De regionale bijdrage is € 10,4 miljoen. Het Rijk stelt € 5 miljoen ter beschikking voor de verkeersveiligheid. De effecten van de getroffen maatregelen op verkeersveiligheid en doorstroming worden gemonitord. Rijk en regio hebben afgesproken dat een verbreding van de verbinding alleen aan de orde kan zijn als de noodzaak daarvoor uit de NMCA blijkt.

Spoorwegemplacement Schiedam

Rijk en regio hebben afgesproken, gelet op de positieve tussenresultaten van de studie naar de aanpassing van de spoorconfiguratie van het emplacement Schiedam de volgende stap te zetten en door te gaan met het tweede deel van de ontwerpopdracht tot het niveau van het realisatiebesluit.

De eindresultaten van de volgende ontwerpfase met bijbehorende kostenraming zijn leidend voor besluitvorming over een realisatiebesluit. Ten aanzien van de kostenverdeling is afgesproken dat dat er op basis van 50/50 een volgende fase ingegaan wordt tot een gemeenschappelijk maximum van € 40 miljoen euro exclusief BTW. Indien de kosten bij het nemen van het realisatiebesluit hoger zijn, wordt er opnieuw over de financiering van het extra bedrag gesproken.

Spoorcorridor Leiden-Utrecht

De betrokken partijen (de provincies Zuid-Holland en Utrecht, gemeenten Utrecht en Leiden, ProRail, NS en het Ministerie van IenW) hebben besloten om het kansrijke alternatief de «Versnelde Intercity»-variant verder gezamenlijk te onderzoeken om medio 2018 tot definitieve afspraken te komen.

Regio Zuid-Nederland

Rijk en regio zetten zich in op het versterken van de internationale positie, goede (inter)nationale bereikbaarheid en een concurrerend vestigingsklimaat in Zuid-Nederland:

  • –  Voor de A2 Deil – ’s-Hertogenbosch – Vught starten we met een gebiedsgerichte en adaptieve aanpak, met een pakket quick-wins voor de korte termijn en een verkenning voor de lange termijn. Voor de A58 Tilburg – Breda wordt een verkenning gestart binnen het programma SmartwayZ.NL. In beide projecten kijken we expliciet naar innovatieve, slimme en duurzame maatregelen.
  • –  Voor de verdere ontwikkeling van Eindhoven Centraal, nemen we de propositie Eindhoven Internationale Knoop XL van de regio als uitgangspunt. Daarbij werken we programmatisch in tranches en vanuit een gedeelde visie voor de lange termijn. De eerste tranche maatregelen bestaat uit HOV-3, fietsenkelder Stationsplein Zuid-district E en de spoorverbinding Eindhoven – Düsseldorf. Over de spoorverbinding wordt u middels een aparte kamerbrief geïnformeerd. Rijk en regio reserveren voor de uitvoering van het maatregelenpakket uit de eerste tranche ieder € 10 miljoen. Het openbaar vervoer is van betekenis om het vestigingsklimaat van de regio verder te versterken. Er zal worden onderzocht wat nodig is voor de verbetering van de bereikbaarheid, de robuustheid en hoge kwaliteit van het vervoer per spoor in Zuid-Nederland via het hoofdrailnet (inclusief het station Eindhoven Centraal) en er wordt gekeken naar de mogelijkheden voor het regionaal openbaar vervoer passend bij de gebiedsontwikkeling. Dit is input voor het regionaal OV toekomstbeeld in 2019.
  • –  Voor Eindhoven Airport zijn we een gezamenlijk traject met de regio gestart om te komen tot besluitvorming over de ontwikkeling na 2019. De eerste fase bestaat uit het opstellen van een gezamenlijke feitenbasis. Deze wordt gezamenlijk met alle betrokken partijen, en in samenhang met de nog op te stellen Luchtvaartnota, gebruikt om tot besluitvorming te komen over de verlenging van de civiele medegebruiksvergunning van Eindhoven Airport en – bij eventuele groei – het wijzigen van het vigerende luchthavenbesluit.

Bovenstaande projecten dragen ook bij aan de Mainportstatus en de Brainport Actieagenda. Tijdens het BO MIRT is tevens de Ruimtelijk-Economische Agenda West- en Hart van Brabant aangeboden. Het Rijk zal op korte termijn met de regio spreken over de rijksbetrokkenheid bij de verdere uitwerking van deze agenda om zo de toekomstbestendigheid van de regionale economie te versterken.

Wilhelminakanaal

Het Ministerie van IenW, de provincie Noord-Brabant en de gemeente Tilburg werken samen aan de verbreding van het Wilhelminakanaal om dit kanaal bereikbaar te maken voor klasse IV-binnenvaartschepen. Tijdens de aanleg zijn nadere onderzoeken uitgevoerd en afgerond. Op basis van die onderzoeken is geconcludeerd dat in de regio geen draagvlak is voor een laagwaterpeiloplossing. In het BO MIRT hebben Rijk en regio besloten om te kiezen voor herbouw van sluis II. Door deze te herbouwen en geschikt te maken voor klasse IV-schepen wordt het waterpeil niet verlaagd. Rijk en regio dragen de kosten van deze structurele oplossing volgens de verdeelsleutel van 70-15-15% en de voorbereiding van de herbouw wordt zo spoedig mogelijk voortgezet.

Deltaprogramma Maas

Vorig jaar is met de regio een omvangrijk korte termijnpakket afgesproken om waterveiligheidsdoelen te combineren met ruimtelijk economische doelen. In het BO hebben we geconcludeerd dat het programma goed op schema ligt. Enige uitzondering was Meer Maas Meer Venlo, maar ook op dat onderdeel is inmiddels overeenstemming bereikt over de scope. De ervaringen met het programma bieden ook voldoende aanknopingspunten om komend jaar met elkaar afspraken te maken over de manier waarop op lange termijn dijkversterking, rivierverruiming en gebiedsontwikkeling samengaan voor een veilige Maas.

Ruimtelijke Adaptatie

Nadrukkelijk speelt in Zuid-Nederland ook de problematiek van het omgaan met extreem weer (klimaatadaptatie), waarvoor de regio in het voorjaar van 2017 een uitnodiging «Versneld aan de slag met klimaatadaptatie» aan het Rijk heeft aangeboden. De komende tijd zullen we in constructieve samenwerking de aanpak concreter maken, waarbij we uitgaan van de trits weten – willen – werken, conform het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie.

Grensoverschrijdende verbindingen

Deze kabinetsperiode kijken we naar de mogelijkheden om grensoverschrijdende verbindingen te verbeteren. In het regeerakkoord zijn een aantal verbindingen specifiek benoemd. IenW start in afstemming met de provincie Limburg een haalbaarheidsonderzoek naar de reactivering van de spoorlijn Weert – Hamont ten behoeve van personenvervoer. Naast inzicht in kosten en baten van deze verbinding, zal gezocht moeten worden naar een mogelijke vervoerder. Deze verbinding maakt immers geen deel uit van de nationale of regionale vervoersconcessie.

Het afgelopen jaar hebben Rijk en regio de mogelijkheden verkend voor het verbeteren van het overleg met onze buurlanden. Het doel van een dergelijk overleg is het scheppen van de mogelijkheid om een strategisch gesprek te voeren ten aanzien van infrastructuur, water en duurzame ruimtelijk-economische ontwikkeling. Zeker met Vlaanderen zijn de gesprekken voortvarend en veelbelovend, vandaar dat we voornemens zijn in 2018 een eerste Grenslandagenda MIRT te organiseren. Ook met de Duitse partners lopen intensieve gesprekken over de verschillende grensoverschrijdende verbindingen.

Station Grubbenvorst

Conform de toezegging aan uw Kamer is deze week gesproken met de provincie Limburg om te kijken of we nog een oplossing kunnen vinden voor de financiering van het resterende tekort bij de opwaardering van de Maaslijn, waarbij station Grubbenvorst zou kunnen worden gerealiseerd. Zoals eerder aangegeven kan hier vanuit het Rijk een subsidie van € 6,5 miljoen aan worden verleend. Bij de begrotingsbehandeling is reeds aangeven dat we geen aanknopingspunten zagen voor extra rijksgeld. Ondanks een indringend appèl van de provincie Limburg en het onderzoeken van verschillende opties, hebben Rijk en regio samen geconcludeerd dat er op dit moment geen perspectief is om het station Grubbenvorst in de scope van de opwaardering van de Maaslijn mee te nemen. Dit laat onverlet dat ook na afronding van de opwaardering van de Maaslijn, de eventuele realisatie van een station op deze locatie in de toekomst mogelijk blijft.

Programma Goederenvervoercorridors

De gezamenlijke corridorpartijen (het Ministerie van IenW, de provincies Gelderland, Limburg, Noord-Brabant en Zuid-Holland, het Havenbedrijf Rotterdam mede namens de Topsector Logistiek) hebben tijdens het Bestuurlijk Overleg hun commitment voor de gezamenlijke aanpak van de Goederenvervoercorridors Oost en Zuidoost uitgesproken. Door gezamenlijke focus aan te brengen op een selectief aantal bovengemiddelde logistieke knooppunten, kan het efficiënter gebruik van multimodale vervoerssystemen worden vergroot. Een gezamenlijke en integrale corridoraanpak draagt hiermee bij aan duidelijkheid over en samenhang in de ruimtelijke ontwikkeling van knooppunten en bedrijventerreinen langs de corridor. De partijen zijn akkoord gegaan met de prioritering en de uitwerking in plannen van aanpak van de gezamenlijk benoemde acties die een bijdrage leveren aan een slim en duurzamer transport en aan het verbinden van de vervoerssystemen weg, water en spoor op de Goederencorridors. Innovatie en technologische ontwikkelingen spelen bij het zoeken naar oplossingen een prominente rol. Gedacht kan worden aan de mogelijkheden van smart mobility, truck platooning en autonoom (zelfsturend) transport. Ook de versterkte toepassing van ICT en big data zullen de gemiddelde beladingsgraad en papierloos vervoer naar een hoger niveau tillen.

Ten aanzien van de A15 hebben partijen afgesproken om, mede op basis van de reservering vanuit het Rijk van € 200 miljoen voor de Goederencorridor Oost, voor de zomer van 2018 een brede MIRT-verkenning A15 te starten waar in ieder geval het NMCA-knelpunt Gorinchem – Papendrecht onderdeel van uitmaakt. Hiervoor wordt vanuit het Rijk nog eens maximaal € 100 miljoen vrijgemaakt. Op basis van het verkeersonderzoek (A15 Maasvlakte – Duitse grens) wordt de scope voor de MIRT-verkenning bepaald. Als onderdeel van de verkenning onderzoeken partijen ook welke oplossingen op korte termijn een bijdrage leveren aan de doorstroming en de verkeersveiligheid op de A15 en aan de doelstellingen van de corridor Oost. Deze oplossingen kunnen ook worden gevonden in slimme, duurzame of multimodale verbindingen.

Voor wat betreft de Railterminal Gelderland (Valburg) is door het Rijk en de regio de meerwaarde van deze terminal voor het multimodale logistieke knooppunt Nijmegen erkend. Zij zullen op basis van de rapportages van ProRail in 2018 in overleg treden over een financieringsplan, die naar verwachting in het voorjaar van 2018 gereed is (motie van de leden De Boer en Hoogland van 28 november 2016, Kamerstuk 34 550 A, nr. 30). In de goederencorridors worden de kansen en mogelijkheden voor extra beveiligde truckparkings op de corridors door de partijen gezamenlijk nader in beeld gebracht.

Regio Noord-Nederland

Naar aanleiding van het regeerakkoord waarin wordt genoemd dat het Mobiliteitsfonds pas vanaf 2030 operationeel wordt, pleiten de bestuurders er voor dat Rijk en regio de filosofie van integraliteit, die het Mobiliteitsfonds kenmerkt, ook al voor 2030 toepassen. In 2018 gaan we aan de slag met de uitwerking van de kaders en de spelregels van het Mobiliteitsfonds, waarbij we de bestuurlijke partners betrekken. Verder heeft Noord-Nederland aangegeven sterk in te willen zetten op duurzaamheid en vergroening van het openbaar vervoer en wil essentiële innovaties toepassen bij de introductie van MaaS op het platteland.

Verbreding sluizen Kornwerderzand

Zoals bekend is in het Notaoverleg MIRT 2016 (Kamerstuk 34 550 A, nr. 52) op basis van de motie van het lid Hoogland c.s. (Kamerstuk 34 550 A, nr. 40) een bedrag van maximaal € 30 miljoen gereserveerd als rijksbijdrage aan de door de regio gewenste sluis. Dit onder de voorwaarde dat de regio voor 1 oktober 2017 met een nieuw financieringsvoorstel zou komen waarvan de overdracht van het rijksareaal geen deel uitmaakt en het Rijk niet garant staat voor de onzekerheden dan wel nieuwe risico’s. Geconstateerd is dat het uitwerken van het ontwerp en de planning meer tijd vraagt en er nog onzekerheden zijn in dekking. Met de regio is afgesproken dat het Rijk de reservering van € 30 miljoen zal vasthouden en de regio tot juli 2018 de tijd krijgt om in samenwerking met het Rijk te komen tot een heldere ontwerpkeuze, planning, dekking en risicoverdeling.

De Europese Commissie heeft inmiddels bekend gemaakt dat zij niet voornemens is de door de regio gevraagde CEF-subsidie toe te kennen. Uw Kamer heeft mij gevraagd u voor het Notaoverleg MIRT van 11 december te informeren wat daarvan de consequenties zijn. Op dit moment betekent het vooral dat daarmee een deel van de door de regio beoogde dekking van het totale project wegvalt. Het is aan de regio om in het nieuwe financieringsvoorstel voor het totale project aan te geven op welke manier tot dekking gekomen wordt, inclusief vervangende dekking voor het wegvallen van de CEF-subsidie.

Vaarweg Lemmer-Delfzijl

In 1998 is in het kader van de Langmanafspraken bestuurlijk vastgelegd om de hoofdvaarweg Lemmer-Delfzijl geschikt te maken voor klasse Va en vierlaagscontainervaart. In de lopende MIRT-projecten (fase 1 en fase 2) worden de belangrijkste knelpunten in samenwerking met de regio aangepakt. Rijk en regio spreken af om te bezien of de aanpak van de geplande bruggen in fase 2 versneld kan worden. Het Rijk is bereid om ook de bruggen Oudeschouw, Spannenburg en Uitwellingerga, waarvoor nog geen middelen in de rijksbegroting waren opgenomen, versneld aan te gaan pakken. Rijk en regio hebben afgesproken om de aanpak in 2018 eerst verder uit te werken en deze daarna ook in het MIRT op te nemen.

Duurzaamheidsdeal Noord-Nederland

Afgesproken is om een Duurzaamheidsdeal Noord-Nederland te sluiten met diverse stakeholders. De Duurzaamheidsdeal heeft als doel om de impuls die uitgaat van de «Fossielvrije weken», die in het kader van de Culturele Hoofdstad Leeuwarden/ Fryslân worden georganiseerd, om te zetten in een regionaal pakket voor Noord-Nederland. In het kader van de Deal worden diverse acties in gang gezet. Gedacht wordt aan: het maatregelenpakket Slimme en Duurzame Mobiliteit, de vergroening van het openbaar vervoer en eventuele andere maatregelen in het kader van duurzame mobiliteit. De deal wordt in het voorjaar van 2018 voorbereid en wordt tijdens de Fossielvrije weken in juli 2018 getekend.

Al deze acties dragen bij aan het vergroten van de duurzaamheid in Noord-Nederland.

Voortgang Meerjarig Adaptief Programma Eems-Dollard 2050 (ED2050)

Het programma is gebaseerd op de uitkomsten van het in 2015 uitgevoerde MIRT-onderzoek dat beschrijft dat de Eems te troebel is waardoor belangrijke natuurwaarden in het gedrang komen. Verbetering van de Eems-Dollard is dan ook noodzakelijk op grond van de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000. Het programma ED2050 is opgezet als een adaptief programma. Het is een mooi voorbeeld van een programma waarin Rijk, regio en stakeholders nauw samenwerken, waar via pilots ervaringen en kennis wordt opgedaan om deze daarna in de praktijk daadwerkelijk toe te passen en waar sprake is van wederkerigheid. Ook grensoverschrijdend groeit de samenwerking. Dit door kennis over slib en de verwerking ervan uit te wisselen en de ontwikkelingen in de beide landen beter op elkaar af te stemmen. In 2017 is het Vogelbroedeiland Eemshaven opgeleverd en begin 2018 wordt de kwelder Marconi-buitendijks (Delfzijl) opgeleverd. De verschillende pilots binnen de sporen Vitale kust, zoals de Dubbele dijk en de Rijke dijk en het Innovatieprogramma Nuttig toepassen slib komen goed op gang. De eerste resultaten van Hydromorfologische Verbetering geven richting aan verder uit te werken en te nemen maatregelen. Voor de uitvoering van de eerste tranche van het programma is er een financieringstekort. Afgesproken is om gezamenlijk het financieringstekort en mogelijke oplossingen daarvoor te verkennen.

Regiospecifiek Pakket Zuiderzeelijn (RSP-ZZL)

Zoals afgesproken treft u in de bijlage de negende voortgangsrapportage van het Regiospecifiek Pakket Zuiderzeelijn aan2.

Regio Noordwest-Nederland

Noordwest-Nederland is een sterke economische regio, die snel groeit. Dit leidt tot urgente samenhangende opgaven op het gebied van wonen, werken en bereikbaarheid, die samen door Rijk en regio moeten worden aangepakt.

Rijk en regio hebben samen de intentie uitgesproken om voor de Metropoolregio Utrecht te komen tot een Gebiedsgericht Programma U Ned. Het programma heeft als doel de ruimtelijk economische groei in de regio op een gezonde en duurzame wijze te accommoderen, in samenhang met de verstedelijkingsopgave en het oplossen van de bereikbaarheidsknelpunten, zoals geformuleerd in de NMCA en de doelstellingen uit het regeerakkoord. Daarom wordt als eerste stap de kwartiermakersfase gestart. Hierbij zal ook de Noordelijke Randweg Utrecht worden betrokken. Besluitvorming over het programmaplan vindt uiterlijk 1 mei 2018 plaats, inclusief een aantal uitgewerkte korte termijnmaatregelen, die onder meer gebaseerd zijn op slimme en duurzame mobiliteit.

Rijk en regio verlengen de kwartiermakersfase van het Gebiedsgerichte Programma Bereikbaarheid van, naar en in de MRA, zodat het programmaplan in februari 2018 kan worden vastgesteld.

Rijk en regio hebben in het kader van slimme en duurzame mobiliteit afgesproken per 1 januari 2018 te starten met drie no regret korte termijnmaatregelen.

Als onderdeel van het Gebiedsgerichte Bereikbaarheidsprogramma van, naar en in de MRA wordt gestart met een MIRT-onderzoek naar de integrale bereikbaarheid van de zuidwestkant van Amsterdam vanaf 2030/2035. Dit gebeurt in nauwe relatie tot de ruimtelijk-economische ontwikkeling van de Kerncorridor Schiphol Amsterdam (Enter [NL]). Rijk en regio hebben afgesproken hiervoor samen een ontwikkelstrategie te maken.

Voor de tussenliggende periode gaan Rijk en regio verder met de MIRT-verkenning multimodale knoop Schiphol (MKS), waarbij besloten is onder andere te kijken naar het bieden van een veilige knoop waarmee de groei tot 135.000 trein-in/uit/overstappers kan worden opgevangen. De middelen voor de MIRT-verkenning blijven beschikbaar en worden zo efficiënt mogelijk ingezet.

We staan aan de vooravond van enkele grote inframaatregelen op het spoor in de regio Amsterdam. In het kader van PHS dient zich een besluit aan over het ontwerp van Amsterdam Centraal. Gezien deze complexe ontwerpopgave aldaar en de mogelijkheden van een vijfde en zesde spoor bij het Zuidasdok willen we keuzes in het netwerk in samenhang maken. Dit doen we op basis van de studie «Optimalisatie metro en spoor op de Westtak en Zuidtak» en een aanvullende analyse van ProRail en NS naar de effecten van verschillende treinbedieningen in de regio Amsterdam. Uiteraard worden ook de consumentenorganisaties

geconsulteerd en wordt vervolgens uw Kamer in het voorjaar van 2018 geïnformeerd. Daarbij is in het BO MIRT afgesproken om in februari 2018 op basis van de dan beschikbare informatie een besluit te nemen over de realisatie van het derde perron (vijfde en zesde spoor) op Amsterdam Zuid en over de start van een haalbaarheidsstudie naar de Airportsprinter. Regio en spoorsector werken samen met het Rijk aan regionale uitwerkingen van het OV Toekomstbeeld 2040 en borgen gezamenlijk de samenhang met het landelijk OV Toekomstbeeld.

Regio Oost-Nederland

A1/A30, A2 en A28

Naar aanleiding van de aangenomen motie over het Knooppunt A1/A30 (Kamerstuk 34 550 A, nr. 27) voert de regio een MIRT-onderzoek uit, waarin het Rijk participeert. Vooruitlopend op de uitkomsten heeft het Rijk € 10 miljoen en de regio € 2,5 miljoen gereserveerd. Met de uitkomsten van de NMCA 2017 en het regeerakkoord gaan Rijk en regio in gesprek om de problemen op te lossen. Rijk en regio zijn voornemens de huidige bijdrage te verhogen. Hier worden later afspraken over gemaakt.

Het starten van de aanpak voor de A2 Deil-Den Bosch is besproken in het BO MIRT Zuid en bekrachtigd in het BO MIRT Oost.

De A28 is onderdeel van het regeerakkoord als verkeersader naar het Oosten en Noorden. Wanneer de economische groei blijft aantrekken (in het hoge groeiscenario) stijgt het traject Amersfoort – Zwolle hard in de NMCA. In het BO MIRT Oost is daarom afgesproken een MIRT-onderzoek te starten naar de problematiek, zowel op de korte als de langere termijn.

N35 en N50

Voor de N35 en de N50 waren reeds afspraken gemaakt om de verkeersveiligheid te verbeteren. In het regeerakkoord is veiligheid op N-wegen een speerpunt. Om deze reden zijn nadere afspraken gemaakt om twee lopende projecten te versnellen. Voor het project N35 knooppunt Raalte was in het BO MIRT 2016 een rijksbijdrage beschikbaar gekomen onder voorwaarde van meevallers op andere projecten. In het BO MIRT 2017 is besloten deze bijdrage zonder de eerder gestelde voorwaarde beschikbaar te stellen. Hiermee kan het project in 2018 onder regie van de provincie Overijssel starten. Voor de N50 Kampen – Kampen Zuid is in het Notaoverleg MIRT 2016 een motie aangenomen om dit traject te verbreden naar 2x2 rijstroken (Kamerstuk 34 550 A, nr. 25). Met de regio is overeengekomen om de planstudie N50 Kampen – Kampen Zuid begin 2019 te starten. Door de personele capaciteit uit het taakstellend budget te financieren is dit mogelijk zonder dat dit de planning van andere projecten zal hinderen. Daarnaast is er afgesproken dat Rijk en regio de verkeersveiligheid op de N50 Hattemerbroek en Ramspol monitoren en met elkaar in gesprek zullen gaan over eventuele maatregelen.

Slimme en duurzame mobiliteit

Afgesproken is om te starten met maatregelen op het gebied van «slimme en duurzame mobiliteit». Het doel van deze korte-termijn maatregelen is een betere bereikbaarheid van de stedelijke gebieden en het versterken van de duurzaamheid door vermindering van de CO2-uitstoot. Financiële afspraken over een Rijksbijdrage en een even zo grote cofinanciering vanuit de regio zijn gemaakt met (voormalig Beter Benutten-)regio’s Twente, Stedendriehoek en Zwolle-Kampen. Afgesproken is om op korte termijn ook financiële afspraken te maken met de regio Arnhem-Nijmegen.

Lange termijn ambitie rivieren en klimaatadaptatie

In het BO MIRT Oost is aangekondigd dat in 2018 bestuurlijke afspraken gemaakt worden in het kader van de Lange Termijn Ambitie Rivieren (LTAR). Deze afspraken zullen gaan over lange termijndoelen (tot 2050) voor rivierverruiming per riviertak in relatie tot dijkversterking.

Tot slot zijn er ambities uitgesproken over klimaatadaptatie en de aanpak van de regio Rivierenland. Afgesproken is om samen verder te werken aan klimaatadaptatie. Waar mogelijk kan dit aansluiten bij het landelijke bestuursakkoord klimaatadaptatie, waar het Rijk samen met koepels van regionale overheden aan werkt.

3. Voor het MIRT relevante ontwikkelingen

Duurzaamheid in het MIRT

In het licht van het regeerakkoord zetten wij met name in op klimaatneutraliteit, circulaire economie en duurzame mobiliteit. Om de doelen uit het Parijs-akkoord te bereiken is een radicale omslag nodig voor alle modaliteiten. In het kader van het Integraal Nationaal Energie- en Klimaatplan is in de laatste maanden geanalyseerd met welke maatregelen de doelen uit het Parijs-akkoord voor de sector mobiliteit kunnen worden bereikt. Het gaat daarbij om maatregelen op de gebieden van duurzame technieken en brandstoffen uit de brandstofvisie en maatregelen op het gebied van slimme en duurzame mobiliteit, zie hiervoor de regiospecifieke afspraken en de passage over Beter Benutten. Samen met onze partners werken wij deze maatregelen in de komende tijd verder uit en maken wij hier afspraken over.

Ook nemen we maatregelen in onze wijze van opdrachtgeverschap, zoals in het MIRT. Zo zijn klimaatneutraliteit, circulaire economie en duurzame mobiliteit integraal onderdeel van MIRT-projecten en programma’s. In de geactualiseerde spelregels MIRT van november 2016 (Kamerstuk 34 550 A, nr. 19), waarin duurzaamheid is geborgd, is een handreiking voor duurzaamheid in het MIRT aangekondigd. Deze handreiking is gerealiseerd in samenwerking met Rijkswaterstaat en ProRail3. De handreiking geeft opdrachtgevers en projectmanagers aanknopingspunten om duurzaamheid vorm te geven in MIRT-projecten en programma’s. Ook in de natte infrastructuur liggen kansen om de doelen van het Parijs-akkoord vorm te geven. In samenwerking met de waterschappen wordt in het Hoogwaterbeschermingsprogramma gewerkt aan het realiseren van een circulaire aanpak en het meekoppelen van kansen voor duurzame energie uit water (thermische energie uit oppervlaktewater). Tot slot, duurzaamheid vraagt om maatwerk. Per MIRT-programma en MIRT-project worden maatregelen, in overleg met de regio en het waterschap, afgewogen. Over de voortgang van deze inspanningen zullen wij u in het kader van het MIRT informeren.

Evaluatie Code maatschappelijke participatie

Zoals toegezegd op 23 november 2015 (Kamerstuk 34 300 A, nr. 58) in het Notaoverleg MIRT is de Code Maatschappelijke Participatie geëvalueerd. In de brief van 21 november 2016 (Kamerstuk 34 550 A, nr. 19) is de scope van dit onderzoek toegelicht. De evaluatie is uitgevoerd door een onafhankelijk onderzoeksbureau. De evaluatie gaat in op de vormgeving en aanpak van participatie in lopende MIRT-trajecten die gestart zijn na de invoering van de Code (13 juni 2014). Er zijn acht trajecten onderzocht die een representatieve selectie zijn. Gekeken is of participatie heeft plaatsgevonden en of de Code hierin bewust is meegenomen, of dat participatie op een andere manier (al dan niet in de geest van de Code) is ingevuld. Voor het onderzoek wordt verwezen naar de bijlage4.

Uit de evaluatie blijkt dat in alle onderzochte MIRT-trajecten participatie heeft plaatsgevonden. De participatie wordt veelal naar de geest van de Code ingericht. Het bestaan van de Code is echter nog niet breed bekend en als gevolg daarvan wordt weinig naar de letter van de Code gehandeld. De Code is in de Omgevingswet opgenomen als handvat voor de vormgeving van participatie en de omgang met participanten. Tot de Omgevingswet van kracht wordt, zullen wij zorgdragen dat participatie een belangrijk onderdeel blijft in MIRT-projecten en dat de Code meer bekendheid krijgt bij betrokkenen.

Uit de evaluatie blijkt verder dat bestuurders een belangrijke rol hebben bij het bereiken van een kwalitatief hoogwaardig participatietraject. Participanten geven aan dat transparantie en maatwerk in participatietrajecten belangrijk zijn en dat hierin in het bestuurlijke afwegings- en besluitvormingsproces nog winst te behalen valt. Hierbij is het belangrijk dat bestuurders vanaf de start tot de finale besluitvorming zelf meedoen in en verantwoordelijkheid nemen voor de inrichting van het participatietraject en daarmee verantwoordelijk worden voor de kwaliteit ervan. Zij kunnen hierop dan door belanghebbenden worden aangesproken. Bestuurlijke verantwoordelijkheid in het gehele participatietraject borgt de koppeling tussen de geluiden uit de maatschappij en de politiek-bestuurlijke besluitvorming. Samen met een transparant, bestuurlijk afwegingskader, is dit van groot belang voor de kwaliteit van het participatietraject.

Dienstregeling Hoofdrailnet 2018

Op 10 december 2017 gaat de dienstregeling 2018 voor het Hoofdrailnet in. Zeer recent is hierover een brief naar uw Kamer gegaan. Het doel van NS, ProRail en de andere spoorvervoerders is om elk jaar meer reizigers te kunnen vervoeren en ruimte te geven aan de groei van het goederenvervoer.

De nieuwe dienstregeling bevat voor veel reizigers verbeteringen ten opzichte van de dienstregeling 2017, onder meer door nieuwe infrastructuur. Dankzij de tienminutentrein tussen Eindhoven en Amsterdam (op de zogeheten A2-corridor) en andere frequentieverhogingen kunnen reizigers dagelijks van circa 130 extra treinen gebruik maken en ontstaan er meer directe verbindingen. De dienstregeling verbetert de deur-tot-deur reis en het reisgemak door betere aansluitingen, kortere reistijden, betere inzet van materiaal, hogere frequenties of meer treinen. Dit maakt het OV aantrekkelijker en comfortabeler voor de reizigers. Ook is er gemiddeld genomen een grotere kans op een zitplaats.

Daar waar reizigers er in reistijd op achteruit gaan, heeft NS in samenwerking met ProRail en andere vervoerders geprobeerd de negatieve gevolgen te beperken, onder andere door de inzet van extra treinen in de randen van de spits. Per saldo beschouwen wij de nieuwe dienstregeling als een verbetering voor de reizigers.

Opstellen reizigerstreinen

De NMCA van 2017 laat zien dat het aantal reizigers in het OV de komende jaren aanzienlijk groeit. Het spoor vormt een cruciale schakel om de reizigers tussen de steden te vervoeren. Om hierin te voorzien, zullen met name tussen de grote steden meer en langere treinen gaan rijden. We moeten daarvoor blijven investeren in voorzieningen om het spoor goed te laten functioneren. Dit betekent ook dat meer ruimte nodig is voor het opstellen van treinen. ProRail heeft een analyse gemaakt van de grootste knelpunten na uitvoering van het bestaande programma Opstellen Reizigerstreinen. Wij verwachten voor een bedrag van € 150 miljoen een beroep te doen op de Investeringsruimte Spoor. De Tweede Kamer zal in het voorjaar van 2018 worden geïnformeerd over de verdere uitwerking.

Inrichting studie- en innovatiebudget spoor

We zien een opgave om te vernieuwen en verduurzamen in het OV. In de Bestuurlijke Overleggen MIRT zijn afspraken gemaakt om de komende jaren de eerste stappen te zetten. Dit gaat helpen om later goed onderbouwde keuzes te kunnen maken. Het voornemen is om in de begroting van het Infrastructuurfonds op het Artikel 13 Spoor een meerjarig budget hiervoor in te richten van in totaal € 25 miljoen. In de begroting zal specifiek worden ingegaan op de reikwijdte van dit budget. Hiermee kan vanuit het Rijk een bijdrage worden geleverd aan een pilot met de Waterstoftrein (Noord-NL) en de mogelijkheden van 3kV. Met grootstedelijke regio’s zijn afspraken gemaakt over de OV-inbreng in de bereikbaarheidsprogramma’s. Zo gaan we aan de slag met een MIRT-onderzoek voor de Zuidwestkant van Amsterdam. Ook biedt het budget ruimte op te experimenteren met nieuwe concepten zoals «Mobility as a Service» (MaaS). Net als andere regio’s heeft de provincie Zeeland uitgesproken gezamenlijk te willen experimenteren met MaaS-concepten om onder andere lessen te trekken voor MaaS in een grensoverschrijdende omgeving.

Motie Visser en motie Van Helvert inzake samenhang hoofdwegen en onderliggend wegennet

Tijdens de BO’s van 2016 en 2017 zijn afspraken gemaakt om voor een aantal gebieden (Metropoolregio Amsterdam, Metropoolregio Rotterdam-Den Haag, Metropoolregio Utrecht en de Goederenvervoercorridors) een gebiedsgerichte programma-aanpak uit te werken. In deze programma’s is uitdrukkelijk oog voor de samenhang tussen de doorstroming op het hoofdwegennet en het onderliggend wegennet. Bovendien wordt in deze programma’s het grootste deel van de knelpunten aangepakt uit de analyse die de ANWB in november 2016 aan uw Kamer heeft aangeboden. Hiermee geven wij uitvoering aan de motie van het lid Visser (Kamerstuk 34 550 XII, nr. 28), waarin de regering wordt verzocht om, bij de uitwerking van de nieuwe MIRT-systematiek, de samenhang tussen en de doorstroming op het hoofd- en onderliggend wegennetwerk een vast onderdeel te laten zijn en de knelpuntenanalyse van de ANWB mee te nemen in de komende BO’s MIRT. En ook aan de motie van het lid Van Helvert (Kamerstuk 34 550 A, nr. 46), die gaat over het nadrukkelijker betrekken van de samenhang tussen hoofdwegen- en onderliggend wegennet.

MIRT-onderzoek Noordwestkant Amsterdam

Het MIRT-onderzoek naar de Noordwestkant van Amsterdam is recent afgerond en te vinden op www.mirtnowa.nl, evenals de uitkomsten van het BO MIRT. Voor dit gebied is een multimodale, adaptieve aanpak – waarbij rekening in de tijd kan worden gehouden met ontwikkelingen op het gebied van bijvoorbeeld technologie en woningbouw – het meest gepast.

Een aanbeveling uit het MIRT-onderzoek dat wordt ingebracht voor nadere besluitvorming in het kader van het gebiedsgerichte bereikbaarheidsprogramma MRA, betreft de ontvlechting van knooppunt Rottepolderplein.

MIRT-onderzoek Rotterdam-Den Haag

Het MIRT-onderzoek Rotterdam-Den Haag, is in september 2017 afgerond. Het onderzoek, dat door Rijk en regio gezamenlijk is uitgevoerd, heeft geresulteerd in richtinggevende conclusies voor het toekomstbeeld van deze regio en oplossingsrichtingen voor de korte, middellange en lange termijn. Deze conclusies zijn vastgelegd in een eindrapport dat te vinden is op https://mirt-rotterdamdenhaag.nl. De uitkomsten van de NMCA 2017 zijn meegenomen bij de conclusies. Het onderzoek adviseert o.a. om door een betere bereikbaarheid, een economisch sterke, metropolitane regio te realiseren met een hoogwaardige kwaliteit van leven en kansen voor alle inwoners. Het achterliggende doel daarbij is een optimaal vestigingsklimaat voor mensen en bedrijven, als impuls voor versterking van de agglomeratiekracht. De resultaten van dit MIRT-onderzoek vormen een belangrijke bouwsteen voor het op te zetten gebiedsgerichte bereikbaarheidsprogramma Rotterdam-Den Haag (MRDH).

MIRT-onderzoek A2 Deil – Den Bosch – Vught

Het MIRT-onderzoek A2 Deil – Den Bosch – Vught is afgerond. De probleemanalyse bevestigt het beeld uit de NMCA dat er sprake is van een fors knelpunt dat met name voor veel vertraging zorgt op de A2. Dat knelpunt neemt zonder maatregelen sterk toe.

Om de bereikbaarheid te verbeteren, hebben Rijk en regionale partners in het MIRT-onderzoek een samenhangend maatregelpakket ontwikkeld. Om de urgente situatie op de A2 aan te pakken, is het nodig om op korte termijn de quick wins uit dit samenhangende pakket te realiseren en de oplossingsrichtingen voor de middellange en lange termijn uit te werken op basis van een vernieuwende, adaptieve aanpak5.

Motie Visser- Hoogland inzake knooppunt Zaandam

Via de motie van de leden Visser en Hoogland heeft de Kamer verzocht in de programma-aanpak het aanpassen van knooppunt Zaandam te prioriteren (Kamerstuk 34550 A, nr. 24). Het aanpakken van knooppunt Zaandam loopt mee in de verkenning Corridor Amsterdam-Hoorn, waarbij € 300 miljoen door het rijk is gereserveerd. Een Voorkeursbeslissing in het kader van deze MIRT-verkenning wordt verwacht rond de zomer van 2018. Uit de voorlopige resultaten van de Verkenning komt de aanpak van knooppunt Zaandam als een belangrijke maatregel naar voren. Wij verzoeken de Kamer daarom de verkenning af te wachten.

Startbeslissing MIRT-verkenning A4 knooppunt Burgerveen – N14

Op 25 oktober jl. is de Startbeslissing genomen voor de MIRT-verkenning A4 Knooppunt Burgerveen – N14. De Startbeslissing is de eerste (formele) stap in de Tracéwetprocedure. In de verkenningsfase zal de al eerder onderzochte lange variant van de derde rijstrook op de hoofdrijbaan van de A4 ter plaatse nader worden gedetailleerd. Deze ingreep zal worden aangevuld met infrastructurele maatregelen, met name rond de aansluitingen, omdat uit het verkeerskundig onderzoek is gebleken dat de uitwisseling met het omliggende onderliggend wegennet (onder meer via de parallelstructuur) nog niet goed genoeg functioneert. Daarbij worden ook maatregelen op het gebied van verkeersmanagement en smart mobility beschouwd. Ook worden mogelijke maatregelen op het onderliggend wegennet en aanpassingen aan het wegennet niet uitgesloten. De verkenningsfase eindigt met de Voorkeursbeslissing, waarna de planuitwerkingsfase kan starten. U wordt tijdig geïnformeerd over de Voorkeursbeslissing.

Voortgang Beter Benutten

Het Beter Benutten-programma heeft als streven een vermindering van de reistijd van deur tot deur in de spits met tenminste 10 procent op de belangrijkste gesignaleerde knelpunten op de weg in de periode 2015–2017. Over de positieve effecten van de eerste fase van het programma is de Kamer eerder geïnformeerd, zie ook «Programmaboek Beter Benutten» (Kamerstuk 34 300 A, nr. 66).

In samenwerking met regionale partners, duizenden werkgevers en marktpartijen worden in 12 regio’s maatregelenpakketten uitgevoerd. Ruim 460 maatregelen zijn in uitvoering, verdeeld naar thema’s als infrastructurele wegaanpassingen, logistiek, fiets, ITS/incidentmanagement, OV en multimodaal. Maatregelen worden zo veel mogelijk in samenhang geïmplementeerd, bijvoorbeeld door maatregelen gericht op het vergroten van keuzemogelijkheden voor de reiziger, te ondersteunen met gerichte infrastructurele aanpassingen. Per 31 december 2017 is het grootste deel van het programma afgerond. De resterende projecten worden in 2018 opgeleverd. Op basis hiervan wordt een eindevaluatie van het programma opgesteld en met de Kamer gedeeld.

Aanvullend op de regionale programma’s worden op het gebied van ITS, maatregelen op bovenregionale schaal geïmplementeerd. Het gaat daarbij om projecten op het gebied van Blauwe Golf, Logistieke ITS en het Partnership Talking Traffic. Dit publiek-private partnership loopt tot en met 2020. Alle projecten zijn erop gericht om merkbare effecten te hebben op straat.

Nederland ook op korte termijn mobiel en duurzaam bereikbaar houden, vraagt naast een noodzakelijke inhaalslag in onze infrastructuur om een daadkrachtige samenwerking van publieke én private partijen. Met het Beter Benutten-programma hebben wij, samen met andere overheden, marktpartijen, werkgevers en vervoerders, succesvolle ervaringen opgedaan op dit gebied. Daarom gaan wij de werkwijze een structureel onderdeel van onze bereikbaarheidsaanpak maken. Het gaat hierbij om maatregelen op het gebied van werkgeversaanpak, fietsstimulering, smart mobility (zoals ITS, data en MaaS), parkeren, logistiek en duurzame mobiliteit. In de BO’s MIRT hebben wij met de verschillende landsdelen de eerste maatregelen voor 2018 vastgesteld (zoals hierboven benoemd). Onze ambitie is om samen met publieke en private partijen de komende jaren in heel het land concrete maatregelen te nemen om de files terug te dringen en tegelijkertijd een significante CO2-reductie te realiseren.

Voortgang RRAAM 2017

Er wordt gewerkt aan de uitvoering van de drievoudige ambitie uit de Rijksstructuurvisie Amsterdam-Almere-Markermeer (RRAAM): verstedelijking, bereikbaarheid en natuur/recreatie. De realisatie van Almere 2.0 wordt gestimuleerd door middel van investeringen uit het Fonds Verstedelijking Almere via vijf programmalijnen: «Versterken hart van de stad», «Versterken leer- en werkomgeving», «Energy on Upcycling», «Versterken verblijfplekken cultuur, recreatie en toerisme» en «Vernieuwend wonen». Tussen 2010 en het 3e kwartaal van 2017 zijn er ruim 6.800 woningen in Almere bijgebouwd. Zoals ook in het MIRT-overzicht 20186 staat, is de bereikbaarheid van Almere per openbaar vervoer verbeterd nu het project OV Schiphol-Amsterdam-Almere-Lelystad (OV SAAL) Korte Termijn is afgerond. Er wordt gewerkt aan het verder vorm geven van het Project OV-SAAL Middellange Termijn. De weguitbreiding Schiphol-Amsterdam-Almere (SAA) is in volle gang en verbetert de bereikbaarheid van de noordelijke Randstad via de weg.

In afstemming met het project Agenda IJsselmeergebied 2050 wordt gewerkt aan een panorama (ontwikkelingsperspectief) voor het Markermeer-IJmeer. Diverse projecten, die een bijdrage leveren aan de totstandkoming van een robuust ecologisch systeem in het Markermeer-IJmeer, of de Natura 2000- en Kaderrichtlijnwaterdoelen, zijn of gaan in uitvoering. Denk bijvoorbeeld aan de eerste fase Marker Wadden en versterking van de Houtribdijk. In 2018 wordt de toestand van het Markermeer-IJmeer weer in beeld gebracht (natuurthermometer).

In 2017 heeft een doorlichting van de uitvoeringsafspraken uit de Bestuursovereenkomst RRAAM en de Uitvoeringsovereenkomst Almere 2.0 plaatsgevonden. Het merendeel van de uitvoeringsafspraken uit 2013 is gerealiseerd of in uitvoering. In de werkwijze van Almere 2.0 is er in de loop der tijd wel het nodige veranderd. Als uitvloeisel van de doorlichting wordt momenteel verkend welke verbeteringen in de governance mogelijk zijn.

Uitvoering vaarwegen: Twentekanalen fase 2 en maasroute

Het lopende aanbestedingstraject voor het vaarwegproject Verruiming Twentekanalen fase 2 is nog niet afgerond. In december 2016 heeft Rijkswaterstaat de uitvoering van de werkzaamheden voor dit project voorlopig gegund. In de onderbouwingsfase heeft Rijkswaterstaat geconstateerd dat er nog technische onzekerheden zijn die mogelijk aanleiding geven om de aanbesteding af te breken. Besluitvorming wordt nog in 2017 verwacht. Gelet op de duur van de onderbouwingsfase verwacht ik dat de realisatie van het project vertraging oploopt. Hoe lang de vertraging is, is nog niet bekend. Afronding van het project Twentekanalen is wel binnen de termijn van de Europese CEF-transport subsidie voorzien (CEF staat voor «connecting Europe facility»).

Het project Maasroute (modernisering fase 2) is in uitvoering en heeft als doelstelling om het varen met klasse-Vb-schepen met 3,5 meter diepgang mogelijk te maken en daarmee de scheepvaart te stimuleren. Eén van de maatregelen om dit te realiseren, is het verbreden en verdiepen van het Julianakanaal. Hierbij is vernatting van de omgeving opgetreden waarop de opdrachtnemer het werk heeft stilgelegd. Er zijn maatregelen getroffen om de vernatting tegen te gaan. Over het vervolg van de werkzaamheden is overleg gaande tussen Rijkswaterstaat als opdrachtgever en de opdrachtnemer. Of dit, en zo ja welk, effect deze situatie mogelijk heeft op de mijlpaal «openstelling 2018» is nog niet duidelijk.

Brandwerendheid tunnels

Op 8 augustus 2017 bent u geïnformeerd (Kamerstuk 29 296, nr. 31) over de verminderde brandwerendheid van beton in tunnels. Uit recent onderzoek (2017) van Rijkswaterstaat blijkt dat – in geval van een extreem grote brand (temperatuur loopt op tot 1350 graden) – sprake kan zijn van een verminderde brandwerendheid van beton in Rijkstunnels die na 2008 in gebruik zijn genomen: de Salland-Twentetunnel (N35), de Ketheltunnel (A4), de Tweede Coentunnel (A10) en de Koning Willem Alexandertunnel (A2). Voor deze tunnels geldt dat ze veilig zijn te gebruiken. Voor de korte termijn zijn er in gezamenlijkheid door Rijkswaterstaat, gemeenten en hulpdiensten operationele afspraken gemaakt per tunnel opdat de hulpdiensten (o.a. brandweer) hun werk veilig kunnen blijven doen. In de brief is toegezegd een aantal vervolgonderzoeken in gang te zetten. Hierbij informeren wij u over de voortgang.

Rijkswaterstaat heeft momenteel 27 tunnels in beheer, er is één tunnel in aanbouw en er staan er drie in de planning.

  • –  Tunnels opengesteld voor 2000. De brandwerendheid van beton staat niet ter discussie bij tunnels opengesteld voor 2000. In 2000 is vastgesteld dat beton gebruikt in wegtunnels in voldoende mate brandwerend is. Er wordt daarom vanuit gegaan dat tunnels – in gebruik genomen tot en met 2000 – voldoen aan de eisen ten aanzien van brandwerendheid.
  • –  Tunnels opengesteld tussen 2000 en 2008. Er zijn drie tunnels in gebruik genomen tussen 2000 en 2008 (Thomassentunnel (A15), Roertunnel (A73), Swalmentunnel (A73)). Wij hebben geen aanwijzingen dat deze problematiek zich bij deze tunnels voordoet. Met nader onderzoek willen wij dit uitsluiten.
  • –  Tunnels opengesteld na 2008. Er zijn vijf tunnels in gebruik genomen na 2008. Bij vier tunnels (zoals hierboven aangegeven) kan niet meer worden aangetoond dat ze voldoen aan de wettelijke eisen ten aanzien van brandwerendheid. Bij de Leidsche Rijntunnel is een ander soort beton toegepast, waarvan met brandproeven is aangetoond dat dit voldoet.
  • –  Tunnels in aanbouw en tunnels in de planning (heden) – De A9 Gaasperdammerweg is in een vergevorderd stadium van realisatie. Bij de bouw van de tunnel is gebruik gemaakt van het betreffende betonmengsel. Deze tunnel is nog niet in gebruik genomen maar zal voor openstelling aantoonbaar moeten voldoen aan de wettelijke eisen ten aanzien van brandwerendheid. Voor nieuwe tunnels (Zuidasdok, Blankenburgverbinding en A16 Rotterdam) zijn de eisen ten aanzien van de aantoonbaarheid van brandwerendheid aangescherpt in de contracten.

Voor de vier bestaande tunnels en de A9 Gaasperdammerweg worden herstelmaatregelen onderzocht met als doel om weer te voldoen aan eisen ten aanzien van brandwerendheid. Onderzoek naar en het uitvoeren van herstel zal naar verwachting tot en met 2019 duren. De doorlooptijden van de onderzoeken worden in belangrijke mate bepaald door de tijd die nodig is voor brandproeven met beton.

Ook worden de mogelijke gevolgen geanalyseerd voor niet-tunnel objecten, zoals de Zuidelijke Ring Groningen. Voor deze objecten gelden minder concrete eisen als het gaat om de tijd dat een constructie stand moet houden ten tijde van een extreem grote brand. Naar verwachting wordt u in het voorjaar 2018 nader geïnformeerd over de voortgang van de vervolgonderzoeken.

De bevoegde gezagen van de vier genoemde tunnels dringen aan op het zo snel mogelijk realiseren van herstel. Wij delen dit beeld en hebben regelmatig contact met alle betrokken partijen (gemeenten in hun rol als bevoegd gezag, de veiligheidsbeambte, hulpdiensten, veiligheidsregio’s en aannemers). Ook met andere tunnelbeheerders (gemeenten, provincies, ProRail) wordt beschikbare informatie gedeeld.

Motie Van Helvert inzake mobiliteitsplan stad Utrecht

De motie roept op om in overleg te treden met de gemeente Utrecht over het mobiliteitsplan van de gemeente (Kamerstuk 34 300 A, nr. 85). Rijkswaterstaat heeft bij voortduring contact met alle gemeenten en provincies over de impact van de ruimtelijke plannen op de verkeersstromen op het hoofdwegennet, zo ook met de gemeente Utrecht. Vanwege de verwachte en geplande groei van het aantal inwoners van de stad Utrecht, is er ook een grotere mobiliteitsopgave te verwachten in deze omgeving waar de lokale, regionale en nationale behoefte bij elkaar komen. We spreken niet voor niets over Utrecht als de draaischijf van Nederland. In het kader van het gebiedsgericht programma U Ned is dat overleg verder geïntensiveerd.

Tot slot

Met hetgeen is besproken en besloten in de BO’s MIRT, hebben Rijk en regio eerste stappen gezet in de uitvoering van het regeerakkoord op weg naar een veilig, duurzaam en bereikbaar Nederland.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,
C. van Nieuwenhuizen Wijbenga

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,
S. van Veldhoven-van der Meer

Noot 1: Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

Noot 2: Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

Noot 3: https://www.leerplatformmirt.nl/over+mirt+nieuw/handreikingen/922823.aspx

Noot 4: Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

Noot 5: http://rijksoverheid.minienm.nl/MIRT/20171012%20Eindrapportage_MIRT_De%20Resultaten.pdf en http://rijksoverheid.minienm.nl/MIRT/20171006%20FACTSHEETS%20EN%20KOSTEN%20DEFINITIEF.pdf

Noot 6: Zie https://www.mirtoverzicht.nl/mirt-gebieden/noordwest-nederland/projectenkaart-noordwest-nederland