Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

11 NORMERINGSYSTEMATIEK GEMEENTEFONDS EN PROVINCIEFONDS

Uitgangspunten

Gemeenten en provincies beschikken over verschillende inkomstenbronnen om de uitgaven voor hun taken te financieren. Eén van de belangrijkste inkomstenbronnen voor decentrale overheden is de algemene uitkering uit het Gemeentefonds en het Provinciefonds.

De normeringssystematiek «samen trap op, samen trap af» bestaat sinds 1994 en bewerkstelligt een evenredige, actuele, inzichtelijke en beheersbare indexatie van het Gemeentefonds en Provinciefonds. Het betreft één integrale indexatie voor zowel loon-, prijs- als volumeontwikkelingen.

Beleidsintensiveringen, ombuigingen, mee- en tegenvallers en nominale ontwikkelingen op de Rijksbegroting hebben via de normeringssystematiek direct invloed op de omvang van de fondsen («samen trap op, samen trap af»). De jaarlijkse toe- en afname van het Gemeentefonds en het Provinciefonds die voortvloeit uit de koppeling aan de Rijksuitgaven wordt het accres genoemd.

Doel van de normeringssystematiek is dat de budgettaire lusten of lasten op rijksniveau evenredig worden doorvertaald naar de ontwikkeling van de fondsen voor decentrale overheden. De evenredigheid, is met de keuzes uit het Regeerakkoord Rutte III, met ingang van 2018 versterkt, door een koppeling in de normeringssystematiek aan de totale rijksuitgaven.

Berekening van de accresontwikkeling

Bij de bepaling van de omvang van accresrelevante uitgaven (aru) vormen de netto-uitgaven van het Rijk onder het uitgavenplafond het startpunt. Netto betekent dat de Rijksuitgaven worden gesaldeerd met de niet-belastingontvangsten. Op de netto-uitgaven onder het uitgavenplafond (A) worden correcties (B) doorgevoerd voor verschillende posten zoals het Gemeentefonds en Provinciefonds zelf. Door de koppeling van de accresrelevante uitgaven aan de totale rijksuitgaven is er voor 2017 een extra, eenmalige, correctie uitgevoerd als gevolg van het onder het uitgavenplafond plaatsen van o.a. de rente-uitgaven. Na correcties resteert post (C) de accresrelevante uitgaven, die de basis vormen voor de accresberekening. Het accres wordt bepaald door de ontwikkeling van de aru (de procentuele groei van de accresrelevante uitgaven in een jaar, post D) te vermenigvuldigen met de grondslag (posten E en G). In 2018 betrof het accres voor het Gemeentefonds 807 miljoen euro en het accres voor het Provinciefonds 124 miljoen euro.

Tabel 11.1 Berekening accressen
 

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Uitgaven Rijksbegroting

106.690

123.797

Uitgaven Sociale Zekerheid

77.142

78.625

Uitgaven Zorg

67.986

70.662

A) Netto-uitgaven onder uitgavenplafond

251.819

273.085

   

B) Correcties

‒ 29.909

‒ 40.475

w.v. Gemeentefonds, Provinciefonds en Btw-compensatiefonds

‒ 22.338

‒ 23.374

w.v. overige Rijksbijdragen aan gemeenten en provincies

‒ 17.068

‒ 17.666

w.v. overboekingen met GF, PF en BCF

181

639

w.v. correctie conjuncturele WW-uitgaven

0

‒ 74

w.v. correctie voor overstap naar aru

9.316

0

   

C) Accresrelevante uitgaven (aru) = A+B

221.910

232.610

D) Ontwikkeling aru jaar t (%)

 

4,8%

   

Gemeentefonds

  

E) grondslag (t-1)

 

16.739

F) accres (= E * D) jaar t

 

807

   

Provinciefonds

  

G) grondslag (t-1)

 

2.570

H) accres (= G * D) jaar t

 

124

Toelichting correcties

Om de aru te berekenen wordt uitgegaan van de netto Rijksuitgaven onder het uitgavenplafond gecorrigeerd voor enkele posten:

  • 1. 

    Rijksuitgaven aan gemeenten en provincies

    Uitgaven onder het uitgavenplafond die het Rijk overmaakt naar gemeenten en provincies worden uit de aru gecorrigeerd. Deze overdrachten zijn immers bestemd voor de financiering van uitgaven door gemeenten en provincies zelf en maken derhalve geen onderdeel uit van de rijksuitgaven waarop de trap-op-trap-af van toepassing is. Deze correctie is ook nodig om een onbedoelde doorwerking van het accres op accres in hetzelfde jaar te voorkomen. Rijksuitgaven die op deze wijze gecorrigeerd worden zijn onder andere de algemene-, decentralisatie- en integratie-uitkeringen van het Gemeentefonds en Provinciefonds, de uitgaven van het Btw-compensatiefonds, de bijstand en de integratie uitkering sociaal domein.

  • 2. 

    Uitgavenmutaties in de WW als gevolg van de conjunctuur

    Het uitgavenplafond wordt gecorrigeerd voor mutaties in de WW-uitgaven als gevolg van de conjunctuur. Het Rijk hoeft zodoende mee- en tegenvallers in de WW-uitgaven als gevolg van de conjunctuur niet op te vangen binnen het uitgavenplafond. Om deze reden zijn deze uitgaven ook niet relevant voor het accres.

  • 3. 

    Correctie overstap naar aru

    Voor de juiste geconstrueerde bepaling van de accresrelevante uitgaven over 2017 is in de berekening een eenmalige correctie op 2017 gemaakt als gevolg van twee oorzaken. Met ingang van 2018 is de normeringssystematiek namelijk gekoppeld aan de totale rijksuitgaven. Voorheen was deze gekoppeld aan een selecte aantal uitgavencategorieën van het Rijk. Daarbij zijn ook andere wijzigingen in de begrotingssystematiek relevant die zijn doorgevoerd bij de start van het kabinet Rutte III, zoals het onder het uitgavenplafond plaatsen van de rente-uitgaven.

Verticale ontwikkeling accres

De aru wordt dus bepaald door de ontwikkeling van de netto-uitgaven onder het plafond tussen twee begrotingsjaren. Tussen het opstellen van een enkel begrotingsjaar en de realisatie van dat jaar vinden er ook mutaties plaats waardoor de bij het opstellen van de begroting geraamde accressen uiteindelijk afwijken van de gerealiseerde accressen zoals deze bij het FJR worden vastgesteld. Onderstaande tabel geeft een toelichting op de accressen zoals deze geraamd werden voor 2018 en de uiteindelijke realisatie over dat jaar.

De gerealiseerde netto-uitgaven onder het uitgavenplafond zijn lager dan verwacht bij het opstelling van de begroting 2018. Door de «trap op, trap af»-systematiek is ook de ontwikkeling van de accresrelevante uitgaven lager dan begroot voor dit jaar.

Tabel 11.2 Verticale ontwikkeling accres
 

2018 Startnota

2018 Realisatie

Uitgaven Rijksbegroting

126.574

123.797

Uitgaven Sociale Zekerheid

78.937

78.625

Uitgaven Zorg

72.762

70.662

A) Netto-uitgaven onder uitgavenplafond

278.274

273.085

   

B) Correcties

‒ 40.086

‒ 40.475

w.v. Gemeentefonds, Provinciefonds en Btw-compensatiefonds

‒ 23.082

‒ 23.374

w.v. overige Rijksbijdragen aan gemeenten en provincies

‒ 17.005

‒ 17.666

w.v. overboekingen met GF, PF en BCF

0

639

w.v. overige correcties

0

‒ 74

   

C) Accresrelevante uitgaven (aru) = A+B

238.188

232.610

D) Ontwikkeling aru jaar t (%)

6,8%

4,8%

   

Gemeentefonds

  

E) grondslag (t-1)

16.654

16.739

F) accres (= E * D) jaar t

1.124

807

   

Provinciefonds

  

G) grondslag (t-1)

2.410

2.570

H) accres (= G * D)

163

124