Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

4. BELEIDSARTIKELEN

Artikel 1 Belastingen

A. Algemene doelstelling

Het genereren van inkomsten voor de financiering van overheidsbeleid. Solide, eenvoudige en fraudebestendige fiscale wet- en regelgeving is hiervoor de basis. Doeltreffende en doelmatige uitvoering van die wet- en regelgeving draagt bij aan de bereidheid van burgers en bedrijven om hun wettelijke verplichtingen ten aanzien van de Belastingdienst na te komen (compliance).

Onder «compliance» verstaat de Belastingdienst dat burgers en bedrijven bereid zijn hun wettelijke fiscale verplichtingen ten aanzien van de Belastingdienst na te komen. De term «bereidheid» geeft aan dat de Belastingdienst ernaar streeft dat belastingplichtigen uit zichzelf fiscale regels naleven, zonder (dwingende en kostbare) acties van de kant van de Belastingdienst. Als burgers en bedrijven hun wettelijke verplichtingen nakomen, komt belastinggeld de staatskas binnen zoals de wetgever beoogt en worden overheidsgelden niet onterecht uitbetaald.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Financiën is verantwoordelijk en heeft een regisserende rol op het terrein van de fiscaliteit. Daarbij gaat het om:

  • •  het te voeren fiscale beleid;
  • •  het opstellen van fiscale wet- en regelgeving;
  • •  het internationaal behartigen van de Nederlandse fiscale belangen.

De Minister van Financiën is verantwoordelijk en heeft een uitvoerende rol op het terrein van:

  • •  de heffing en inning van de rijksbelastingen en douanerechten;
  • •  de heffing en inning van de premies werknemers- en volksverzekeringen;
  • •  de heffing en inning van de inkomensafhankelijke bijdragen Zorgverzekeringswet;
  • •  de heffing en inning voor derden van een aantal belastingen, heffingen en overige vorderingen;
  • •  de vaststelling en de uitbetaling van toeslagen;
  • •  de controle op niet-fiscale aspecten, zoals veiligheid, gezondheid en milieu, bij invoer, doorvoer en uitvoer van goederen;
  • •  handhavingstaken op het gebied van de economische ordening en financiële integriteit.

Op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) voert de Belastingdienst de heffing en inning van de rijksbelastingen uit. Op grond van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) voert de Belastingdienst/Toeslagen de toeslagregelingen uit voor de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Op grond van de Algemene douanewet, Europese verordeningen en het Douanewetboek van de Unie (DWU) voert de Douane de controle op fiscale en niet-fiscale aspecten uit. Op grond van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten voert de FIOD de handhavingstaken uit op het gebied van de economische ordening en financiële integriteit.

De Minister bevordert, door inzet van de Belastingdienst, naleving van wet- en regelgeving door passende dienstverlening te leveren, massale processen juist en tijdig uit te voeren, adequaat toezicht uit te oefenen en waar nodig naleving bestuurs- of strafrechtelijk af te dwingen.

C. Beleidsconclusies

Compliance moet zorgen voor de borging van de continuïteit van belastingopbrengsten en de rechtmatige betaling van toeslagen. Om compliance te bevorderen, zet het Ministerie van Financiën zich in voor solide, eenvoudige en fraudebestendige fiscale wet- en regelgeving die ook in internationale context werkbaar is. De stappen die hiervoor in 2018 zijn gezet worden toegelicht in paragraaf F1. Om compliance te bevorderen zet de Belastingdienst de volgende beleidsinstrumenten in: het leveren van passende dienstverlening, het uitoefenen van adequaat toezicht en bestuurs- of strafrechtelijk afdwingen van naleving en het juist en tijdig uitvoeren van massale processen. Deze beleidsinstrumenten en de daaraan gerelateerde prestatie-indicatoren worden toegelicht in paragraaf F2. Uit deze toelichting blijkt dat de instrumenten grotendeels volgens planning zijn ingezet, maar dat het niet is gelukt om op alle fronten passende dienstverlening te leveren. De afhandeling van bezwaren is niet binnen de Algemene wet bestuursrecht (Awb) termijn gerealiseerd, de klanttevredenheid voor het kanaal telefonie bleef achter op de streefwaarde en er zijn meer klachten dan vorig jaar over het handelen van de Belastingdienst. Deze tekortkomingen in de dienstverlening hangen vooral samen met een gebrek aan personele capaciteit, mede als gevolg van de vertrekregeling. In 2018 is een uitgebreide wervingscampagne op gang gekomen als onderdeel van het actieprogramma Beheerst vernieuwen. De Staatssecretaris heeft de Tweede Kamer over dit programma geïnformeerd met de brief van 26 april 201833 en daarna over de voortgang van de werving met de brief van 17 oktober 2018.34

Compliance

Compliance wordt afgemeten aan de mate waarin burgers en bedrijven zich tijdig registreren, tijdig, juist en volledig aangifte doen en tijdig betalen.

Realisatie prestatie-indicatoren Compliance (meetbare gegevens)
Per jaar1

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Realisatie

2017

Streefwaarde 2018

Realisatie

2018

Bedrijven

           

Percentage aangiften omzetbelasting tijdig ontvangen

95,1%

95,3%

94,9%

95,3%

>95%

95,6%

Percentage aangiften loonheffingen tijdig ontvangen

99,2%

99,2%

99,2%

99,3%

>99%

99,1%

Juist en volledig doen van aangifte: structureel terugdringen van het nalevingstekort MKB2

n.v.t.

6,0%

5,2%

n.v.t.

<6%

5,7%

Burgers

           

Juist en volledig doen van aangifte: structureel terugdringen van het nalevingstekort Particulieren

n.v.t.

1,1%

1,0%

0,9%

<1,1%

0,7%

Bedrijven en burgers

           

Percentage aangiften IH en Vpb tijdig ontvangen

n.v.t.3

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

>94%

94,7%

Tijdige betaling van belastingen en premies

98,3%

98,4%

98,4%

98,4%

>98

98,5%

Oninbare belastingen en premies

0,6%

0,55%

0,3%

0,3%

<0,6%

0,3%

Noot 1: Het jaartal is het jaar waarin de uitkomsten van de metingen worden gerapporteerd.

Noot 2: Het nalevingstekort betreft uitsluitend de positieve correcties (correcties ten nadele van de belastingplichtige).

Noot 3: N.v.t. betekent dat in het gegeven jaar de (streefwaarde van de) prestatie-indicator niet of anders is gemeten en/of gerapporteerd in de begroting, waardoor vergelijking over de jaren niet mogelijk is.

Bron: Belastingdienst/SSO Financieel en Managementinformatie

Toelichting

Percentage tijdig ontvangen aangiften

De indicatoren voor de tijdigheid van aangifte zijn stabiel over de tijd. Bij alle indicatoren (voor de omzetbelasting (OB), loonheffing (LH), IH en Vpb) voldoet de tijdigheid van het doen van aangifte aan de gestelde normen. De indicator voor de IH en Vpb is voor het eerst opgenomen in begroting IX 2018 en meet het percentage tijdig ontvangen aangiften Inkomstenbelasting en Vpb. Als tijdig wordt aangemerkt, binnen de gestelde termijn die in de aangiftebrief staat. De termijn wordt verlengd met eventueel verleend uitstel.

Juist en volledig aangiften doen

Voor het structureel terugdringen van het nalevingtekort zet de Belastingdienst in op het zoveel mogelijk vooraf borgen van de volledigheid en juistheid van de aangiften. Dat gebeurt onder meer door maatregelen als de vooringevulde aangifte (VIA) en het afsluiten van convenanten met fiscale dienstverleners, zodat de kwaliteit van aangiften van ondernemers wordt geborgd. Daarnaast voert de Belastingdienst toezicht achteraf uit.

Met steekproefsgewijze controles stelt de Belastingdienst periodiek het niveau van naleving vast bij Particulieren en MKB. De steekproefsgewijze controles verschaffen inzichten in de houding en het fiscaal relevante gedrag van belastingplichtigen en leveren inzicht voor het maken van keuzes in de handhaving en risicomodellen.

Door de langere doorlooptijd hebben de steekproeven voor particulieren en ondernemers gedurende een jaar nog betrekking op oudere belastingjaren. De uitkomst van de steekproef Particulieren voor het jaar 2018 heeft betrekking op het belastingjaar 2016 en voldoet aan de streefwaarde. De verbetering van de score ten opzichte van de realisatie 2017 komt met name doordat het niet meer mogelijk is om aangifte te doen voor vrijgave van de VIA. Daardoor neemt de kans op fouten af. De steekproef MKB-ondernemingen is verdeeld over twee jaren (2017 en 2018) en heeft hoofdzakelijk betrekking op de belastingjaren 2015 en 2016. Het geschatte nalevingstekort fluctueert de afgelopen jaren binnen de bandbreedte van 5–6%, maar blijft onder de norm van 6%. Fluctuaties kunnen onder andere worden veroorzaakt door kleine procesmatige verbeteringen in de steekproef MKB-ondernemingen; de laatst uitgevoerde steekproef MKB-ondernemingen kende een hogere representativiteit, en er zijn toen ook grotere ondernemingen (met meer medewerkers) in de steekproef betrokken.

Tijdige betaling van belastingen en premies

Van de ontvangsten in 2018 is meer dan 98% zodanig tijdig ontvangen dat er geen aanmaning verstuurd hoefde te worden.35

Oninbare belastingen en premies

Bepaalde belastingvorderingen kunnen niet, of maar voor een deel, geïnd worden. Dit kan verschillende oorzaken hebben, bijvoorbeeld faillissementen, wettelijke schuldsanering, of overlijden. Vorderingen waarvoor directe inning niet mogelijk is, worden vanaf 2015 via dynamisch monitoren gevolgd op nieuwe verhaalsmogelijkheden, terwijl ze voorheen werden afgeboekt als oninbaar. Daardoor blijft de realisatie van de indicator voor oninbare belastingen en premies al enkele jaren ruim onder de 0,6%. Naar verwachting zal het percentage de komende jaren weer stijgen omdat ook bij dynamisch monitoren oude vorderingen op een bepaald moment oninbaar blijken te zijn.

Belastingmoraal

De houding ten aanzien van het nakomen van belastingverplichtingen duiden we ook wel aan als de belastingmoraal en vormt een aspect van compliance. De Belastingdienst meet ieder jaar met de Fiscale Monitor de belastingmoraal bij de belangrijkste doelgroepen:

Realisatie kengetallen Belastingmoraal (meetbare gegevens)
 

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Belastingontduiking is onaanvaardbaar1

92%

93%

92%

91%

93%

Zelf belasting ontduiken is uitgesloten

87%

90%

89%

87%

87%

Belasting betalen betekent iets bijdragen

37%

35%

37%

40%

43%

Ervaren kans op ontdekking

82%

83%

84%

84%

84%

Noot 1: Inclusief de categorie «neutraal».

Bron: Fiscale monitor.

De cijfers over de belastingmoraal zijn stabiel over de jaren. Voor «Belasting betalen betekent iets bijdragen» is over de afgelopen vier jaar een lichte stijging te zien. Uit de onderliggende cijfers valt af te leiden dat met name bij ondernemingen36 een stijgende trend is te zien. In de webrapportage www.fiscalemonitor.nl worden ook de overige resultaten van de Fiscale monitor 2018 weergegeven.

D. Tabel Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid – artikel 1 Belastingen (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

Verplichtingen

2.933.935

3.259.300

3.651.055

2.936.066

3.347.387

2.872.375

475.012

Waarvan betalingsverplichtingen:

2.933.776

3.259.180

3.650.902

2.935.908

3.347.080

2.871.975

475.105

               

Waarvan garantieverplichtingen:

159

120

153

158

307

400

– 93

Procesrisico's

159

120

153

158

307

400

– 93

               

Uitgaven (1) + (2)

3.210.167

3.190.076

3.323.566

3.069.422

3.182.409

2.886.061

296.348

               

(1) Programma-uitgaven

229.451

199.670

136.211

145.397

217.078

151.824

65.254

               

Rente

223.783

193.420

130.422

139.227

146.381

89.990

56.391

Belasting- en invorderingsrente

223.783

193.420

130.422

139.227

146.381

89.990

56.391

               

Bekostiging

5.668

6.250

5.789

6.170

6.104

5.955

149

Proceskosten

3.865

4.677

4.089

4.223

3.910

4.161

– 251

Overige programma-uitgaven

1.803

1.573

1.700

1.947

2.194

1.794

400

               

Bijdrage agentschappen

0

0

0

42.299

64.593

55.879

8.714

waarvan: programmakosten

0

0

0

38.347

64.593

55.879

8.714

               

(2) Apparaatsuitgaven

2.980.716

2.990.406

3.187.355

2.924.025

2.965.330

2.734.237

231.093

               

Personele uitgaven

2.235.931

2.216.312

2.464.980

2.284.363

2.302.651

2.084.550

218.101

waarvan: Eigen Personeel

1.995.071

2.019.909

2.203.409

2.097.312

2.098.935

1.959.221

139.714

waarvan: Inhuur externen

240.860

196.403

261.571

187.051

203.716

125.329

78.387

               

Materiële uitgaven

744.785

774.093

722.375

639.662

662.679

649.687

12.992

waarvan: ICT

237.586

249.311

224.413

190.759

267.080

223.527

43.553

waarvan: Bijdrage SSO's

211.555

204.720

216.934

209.007

166.004

130.943

35.061

waarvan: Overig apparaat

295.644

320.062

281.028

239.896

229.595

295.217

– 65.622

               

Ontvangsten (3) + (4)

116.225.745

117.090.239

121.876.136

137.141.007

144.168.867

139.732.815

4.436.052

               

(3) Programma-ontvangsten

116.204.039

117.069.316

121.850.938

137.109.749

144.130.146

139.712.505

4.417.641

               

Belastingontvangsten

115.402.186

116.240.772

121.044.798

136.288.069

143.236.163

138.909.952

4.326.211

               

Rente

372.452

367.668

361.879

414.676

452.990

399.400

53.590

Belasting- en invorderingsrente

372.452

367.668

361.879

414.676

452.990

399.400

53.590

               

Boetes en schikkingen

218.885

257.964

245.675

199.225

200.135

205.877

– 5.742

Ontvangsten boetes en schikkingen

218.885

257.964

245.675

199.225

200.135

205.877

– 5.742

               

Bekostiging

210.516

202.912

198.586

207.780

240.859

197.276

43.583

Kosten vervolging

210.516

202.912

198.586

207.780

240.859

197.276

43.583

               

(4) Apparaatsontvangsten

21.706

20.923

25.198

31.258

38.720

20.310

18.410

E. Toelichting op de instrumenten

Zoals aangekondigd in de Kamerbrief Beheerst vernieuwen37 en de 22e halfjaarsrapportage38 werkt de Belastingdienst met bestedingsplannen om invulling te geven aan het beheerst vernieuwen van de organisatie. De Belastingdienst heeft budget aangevraagd voor investeringen in vernieuwing en personeel, modernisering van het IV-landschap en verbetering van de bedrijfsvoering. Met het uitvoeren van de vier plannen wordt een vervolg gegeven aan de ingezette beheerste vernieuwing en een versteviging beoogd op de pijlers personeel, ICT en sturing & beheersing. Hiervoor is cumulatief € 542 mln. aan de begroting van de Belastingdienst toegevoegd in de periode 2018 tot en met 2022,39 waarvan € 7 mln. in 2018 en daarnaast € 44 mln. structureel vanaf 2023. Na deze overboeking blijft nog resterend budget beschikbaar voor Beheerst vernieuwen op de Aanvullende Post. Deze middelen zullen op basis van nog op te stellen bestedingsplannen worden vrijgegeven. Gebleken is dat reguliere ICT-activiteiten en Beheerst vernieuwen-activiteiten moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn. Binnen de Belastingdienst worden de verplichtingen en uitgaven behorend bij Beheerst vernieuwen daarom niet afzonderlijk in de financiële administratie geïdentificeerd.

Verplichtingen

Er is in 2018 per saldo voor een bedrag van € 475 mln. meer verplichtingen aangegaan dan begroot. Uitgangspunt is dat de verplichtingenrealisatie gelijk is aan de uitgavenrealisatie. De hogere realisatie op de verplichtingen wordt dan ook voor het merendeel verklaard door de hogere uitgaven, zie de toelichting bij de uitgaven. Hiervoor zijn de budgetten bijgesteld middels de 1e en 2e suppletoire begrotingen.40 Verder zijn er verplichtingen die in eerdere jaren zijn aangegaan komen te vervallen en zijn er contracten aangegaan die in latere jaren tot betaling kunnen komen. De nieuw aangegane verplichtingen betreffen onder andere het contract voor Logius voor de dienstverlening op het gebied van digitale overheid, zoals gemeld in de Kamerbrief over de beleidsmatige mutaties na Najaarsnota41 en verplichtingen voor capaciteit bij de IV-organisatie, zoals gemeld in de Verplichtingenbrief.42 Conform de RBV wordt het totale bedrag van nieuw aangegane meerjarige verplichtingen toegerekend aan het begrotingsjaar waarin de verplichting is aangegaan.

Uitgaven

Rente (+ € 56,4 mln.)

Als gevolg van enkele hoge incidentele bijstellingen van aanslagen uit oude belastingjaren (voor 2013), waarop de oude heffingsrenteregeling nog van toepassing is, en de daarmee samenhangende invorderingsrente, zijn zowel de rente-uitgaven als de rente-ontvangsten hoger dan geraamd (resp. € 56,4 mln. en € 53,6 mln.).

Personele uitgaven (+ € 218,1 mln.)

De personele uitgaven zijn € 218,1 mln. hoger dan begroot bij Ontwerpbegroting IX. Gedurende 2018 zijn de personele uitgaven bij 1e en 2e suppletoire begroting IX opgehoogd met per saldo respectievelijk € 171,6 mln. en € 41,1 mln. Deze ophogingen hingen onder meer samen met toegekende middelen ter compensatie van de stijging van lonen en prijzen, meeruitgaven Brexit en overhevelingen vanaf de Aanvullende Post voor vernieuwingsprojecten, zie ook de Kamerbrief Beheerst vernieuwen.43 Daarnaast zijn er voor Switch, Regeling vervroegde uittreding (RVU-) heffingen en premies middelen overgeheveld van artikel 10 naar artikel 1. Tegelijkertijd is ook het personele budget verlaagd om bij te dragen aan de Rijksbrede problematiek. Verder heeft bij 2e suppletoire begroting een budgetneutrale herschikking plaatsgevonden van de materiële budgetten naar personele budgetten. Een nadere toelichting op de genoemde mutaties in personele uitgaven is opgenomen in de 1e en 2e suppletoire begrotingen. Per saldo zijn in 2018 de uitgaven op de personele budgetten € 5,4 mln. hoger dan begroot bij 2e suppletoire begroting.

Materiële uitgaven (+ € 13,0 mln.)

Gedurende het begrotingsjaar zijn de materiële budgetten bijgesteld met – € 10,8 mln. bij 1e suppletoire begroting en – € 2,3 mln. bij 2e suppletoire begroting IX. De bijstelling van de budgetten heeft plaatsgevonden voor onder meer extra uitgaven voor vernieuwingsprojecten,44 een kasschuif van budgetten van 2018 naar 2019, extra uitgaven voor de uitvoering van fiscale wet- en regelgeving en een herschikking binnen de materiële budgetten (van overig materieel naar Shared Service Organisaties, SSO’s) en van materiële budgetten naar personele budgetten. Een nadere toelichting is opgenomen in de 1e en 2e suppletoire begrotingen. Ten opzichte van de 2e suppletoire begroting zijn de gerealiseerde materiële uitgaven € 26,1 mln. hoger. Dit wordt met name verklaard door meeruitgaven voor ICT om de (reguliere) ICT in den brede te verbeteren. De Kamer is hierover geïnformeerd in de Kamerbrief over de beleidsmatige mutaties na Najaarsnota 2018.45

Ontvangsten

Belastingontvangsten (+ € 4.326,2 mln.)

Voor een toelichting op de belastingontvangsten, zie het FJR.

Rente (+ € 53,6 mln.)

Zie de toelichting bij de rente-uitgaven.

Bekostiging (+ € 43,6 mln.)

Aan belastingschuldigen worden de kosten doorberekend van invorderingsmaatregelen (onder andere aanmaningen, dwangbevelen en beslaglegging). Er hebben meer invorderingsmaatregelen plaatsgevonden dan verwacht, waardoor meer kosten zijn doorberekend. Deze ontvangsten zijn afhankelijk van het betaalgedrag van belastingplichtigen. Aanmaningen en dwangbevelen zijn onderdeel van de massale incasso en worden geautomatiseerd verstuurd.

Apparaatsontvangsten (+ € 18,4 mln.)

De apparaatsontvangsten bestaan onder andere uit ontvangsten in verband met werkzaamheden die de Belastingdienst voor andere overheidsorganisaties uitvoert. In 2018 is de realisatie € 18,4 mln. hoger dan oorspronkelijk begroot, met name op het terrein van facilitaire dienstverlening. Conform de Masterplannen huisvesting gaan andere overheidsorganisaties de vrijgekomen delen van panden gebruiken. Vanuit doelmatigheidsoverwegingen blijft de facilitaire dienst van de Belastingdienst de dienstverlening in deze panden volledig verzorgen.

F1. Fiscaal beleid en wetgeving

Genereren van inkomsten – fiscale wet- en regelgeving

Het genereren van inkomsten ten behoeve van uitgaven voor de rijksbegroting, de sociale fondsen en de zorgverzekeringen door middel van het ontwikkelen van solide, eenvoudige en fraudebestendige fiscale wet- en regelgeving die ook in internationale context werkbaar is.

Ten aanzien van de fiscaliteit heeft het kabinet in 2018 gewerkt aan het realiseren van de doelstellingen uit de Fiscale Beleidsagenda,46 die begin 2018 naar de Eerste en Tweede Kamer is verstuurd en grotendeels voortvloeit uit het Regeerakkoord «Vertrouwen in de toekomst». Dit houdt in dat het kabinet maatregelen heeft getroffen of voorgesteld om de vijf fiscale beleidsprioriteiten die in de Fiscale Beleidsagenda uiteengezet worden te bewerkstelligen. Dit betreft het aanpakken van internationale belastingontduiking en het tegengaan van belastingontwijking, het verlichten van de lasten voor burgers vooral door de lasten op arbeid te verlagen, het aantrekkelijk houden van het Nederlandse vestigingsklimaat voor bedrijven met reële activiteiten in Nederland, het verder vergroenen van het belastingstelsel en het toezien op een betere uitvoerbaarheid van het belastingstelsel.

Pakket Belastingplan 2019 (BP 2019)

In het pakket BP 2019 zijn ruim 60 maatregelen opgenomen die in werking treden per 1 januari 2019 of vanaf die datum al bekend moeten zijn voor uitvoering door de Belastingdienst. Enkele maatregelen betreffen de verlaging van de lasten op arbeid door invoering van een tweeschijvenstelsel en een verhoging van de algemene heffingskorting, een verhoging van het lage btw-tarief naar 9%, een verhoging van het plafond voor de vrijwilligersregeling en het verruimen van de Nederlandse sportvrijstelling.

Het pakket Belastingplan 201947 bestond uit zeven wetsvoorstellen:
  • 1.  Wetsvoorstel Belastingplan 2019;48
  • 2.  Wetsvoorstel Overige Fiscale Maatregelen (OFM) 2019;49
  • 3.  Wetsvoorstel Bedrijfsleven 201950 (voorheen Wet bronbelasting 202051);
  • 4.  Wetsvoorstel Fiscale vergroeningsmaatregelen 2019;52
  • 5.  Wetsvoorstel Wet implementatie artikel 1 richtlijn elektronische handel;53
  • 6.  Wetsvoorstel Wet modernisering kleineondernemersregeling (KOR);54
  • 7.  Wetsvoorstel Wet aanpassing kansspelbelasting voor sportweddenschappen.55
Naast deze zeven wetsvoorstellen is het wetsvoorstel Wet implementatie eerste EU-richtlijn antibelastingontwijking56 (ATAD1) vanaf Prinsjesdag met het pakket BP 2019 meegelopen in het kader van het tegengaan van belastingontwijking en -ontduiking. Bij de behandeling in de Eerste Kamer is het wetsvoorstel Fiscale maatregel rijksmonumenten57 eveneens betrokken bij het behandelschema van het pakket BP 2019.
De Afdeling advisering van de Raad van State (de Afdeling) heeft opgemerkt dat de omvang van het pakket BP 2019 geen recht doet aan een zorgvuldige behandeling van de wetsvoorstellen en van de daarin opgenomen afzonderlijke onderwerpen. De Afdeling adviseert dan ook om in de toekomst de indiening van fiscale wetsvoorstellen meer over het jaar te verspreiden. In de Tweede Kamer is de motie Nijboer58 aangenomen waarin het kabinet wordt verzocht om met ingang van volgend jaar fiscale wetten zo veel mogelijk verspreid over het jaar in te dienen zodat in de toekomst alleen de op dat moment noodzakelijke wetgeving bij het Belastingplan wordt behandeld. Binnen DGFZ is in 2018 daarom gewerkt aan totstandkoming van (nog) meer spreiding van fiscale wetsvoorstellen gedurende het jaar. Een aantal wetsvoorstellen zullen daarom naar verwachting in de eerste helft van 2019 worden ingediend, zoals het wetsvoorstel CO2-minumumprijs elektriciteit, het wetsvoorstel belasting op luchtvaart, het implementatievoorstel ATAD2, het wetsvoorstel rekening-courantmaatregel en het implementatievoorstel mandatory disclosure. Ook wordt er gestuurd op het vormgeven van wetsvoorstellen die zo veel mogelijk als afzonderlijk wetsvoorstel kunnen worden ingediend.

Wetsvoorstel OFM

In lijn met eerdere jaren bevat het pakket BP 2019 een wetsvoorstel OFM 2019. Hierin zijn maatregelen opgenomen ten behoeve van het noodzakelijke onderhoud van het fiscale stelsel en andere maatregelen die meer technisch van aard zijn. Zo is er onder andere in de Wet op de motorrijtuigenbelasting (MRB) een wettelijke grondslag opgenomen voor de verwerking van camerabeelden van kentekengegevens door de Belastingdienst ten behoeve van de uitvoering van die wet en het toezicht op de nalevering ervan. Daarnaast zijn er in de Invorderingswet vier invorderingsmaatregelen opgenomen naar aanleiding van de affaire over de «Panama Papers» teneinde de Belastingdienst beter in staat te stellen verhaalsconstructies, fiscale constructies die worden opgezet om belastingbetaling te ontlopen, aan te pakken.

Wetsvoorstel Bedrijfsleven 2019

Het wetsvoorstel Bedrijfsleven 2019 bevat maatregelen die gericht zijn op het behouden en verstevigen van een aantrekkelijk ondernemings- en investeringsklimaat voor ondernemingen met reële activiteiten in Nederland en geeft hiermee invulling aan het kabinetsbeleid. Het lage en hoge tarief van de Vpb worden stapsgewijs verlaagd naar respectievelijk 16% en 20,5%. Tegelijkertijd wordt de Vpb-grondslag verbreed door het versoberen van de verliesverrekening, het afschaffen van de fiscale aftrekbaarheid van de coupon over tier 1-kapitaalinstrumenten en het beperken van de afschrijvingen op gebouwen in eigen gebruik. Een belangrijke grondslagverbredende maatregel die niet is opgenomen in dit wetsvoorstel is de earningsstrippingmaatregel. Deze is opgenomen in het wetsvoorstel ATAD1. In verband met de invoering van de earningsstrippingmaatregel worden in de Wet bedrijfsleven 2019 enkele specifieke renteaftrekbeperkingen afgeschaft. Aanvankelijk bevatte het wetsvoorstel Wet bedrijfsleven 2019 tevens het voorstel om de dividendbelasting af te schaffen en een bronbelasting op dividenden naar laagbelastende jurisdicties te introduceren. Na de heroverweging van het pakket vestigingsklimaat heeft het kabinet afgezien van deze maatregelen.

Wetsvoorstel Fiscale vergroeningsmaatregelen

Met de Fiscale vergroeningsmaatregelen 2019 wordt bijgedragen aan het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen door vervuilers meer te laten betalen voor milieuvervuilende keuzes en op die manier duurzame alternatieven aantrekkelijker te maken. Zo gaan vervuilende zware vrachtauto’s meer belasting betalen om te mogen rijden in Nederland. De teruggaafregeling in de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) voor taxi’s en openbaar vervoer wordt afgeschaft. Daarnaast wordt de belasting op aardgas verhoogd en de belasting op elektriciteit verlaagd zodat de energiebelasting beter in verhouding is tot de CO2-uitstoot. Ook wordt de belastingvermindering in de energiebelasting verlaagd, gaat de belasting op het verbranden en storten van afval omhoog en worden de fiscale regels omtrent het ter beschikking stellen van een fiets van de zaak vereenvoudigd. Tot slot wordt de verhuurderheffing verminderd bij verduurzaming van huurwoningen.

Wetsvoorstel Wet implementatie artikel 1 richtlijn elektronische handel

De Wet implementatie artikel 1 richtlijn elektronische handel betreft de implementatie van het eerste deel van Richtlijn 2017/2455 van de Raad van 5 december 2017 die betrekking heeft op de btw-heffing op elektronische handel. De maatregelen van deze richtlijn gaan voor een klein deel in per 1 januari 2019 en daarop ziet deze wet. De belangrijkste wijziging die op 1 januari 2019 in gaat heeft betrekking op de btw-heffing van ondernemers die digitale diensten verkopen aan particuliere consumenten in een andere lidstaat. Sinds 1 januari 2015 moeten ondernemers die digitale diensten verkopen aan consumenten in andere lidstaten de btw daarover afdragen naar het tarief van die lidstaat. Die afdracht is vereenvoudigd door het zogenoemde éénloket-systeem (Mini One Stop Shop, MOSS), waarbij de ondernemer de buitenlandse btw kan afdragen bij zijn eigen Belastingdienst die deze vervolgens doorsluist naar de Belastingdienst van de lidstaat van de consument. Toch blijft deze in 2015 ingevoerde regeling voor ondernemers soms lastig, omdat bij de verkoop van diensten via het internet niet altijd eenvoudig is vast te stellen in welke lidstaat de consument woont en naar welke lidstaat en dus ook naar welk tarief de ondernemer de btw moet afdragen. Dit probleem speelt relatief sterk bij kleinere ondernemers die over beperkte middelen beschikken. Om deze ondernemers tegemoet te komen, zijn de regels zodanig gewijzigd dat ondernemers voor de grensoverschrijdende verkoop van digitale diensten aan consumenten voortaan de btw van de eigen lidstaat verschuldigd zijn, voor zover de grensoverschrijdende omzet van deze diensten onder een jaarlijkse drempel van € 10.000 blijft. De ondernemers kunnen er echter ook voor kiezen om de btw in de lidstaat van de consument te blijven voldoen. De overige wijzigingen van Richtlijn 2017/2455 moeten worden geïmplementeerd met ingang van 1 januari 2021. Deze worden opgenomen in een latere wet.

Wetsvoorstel KOR

De KOR betreft een modernisering van de huidige kleineondernemersregeling in de Wet op de omzetbelasting. In plaats van een ingewikkelde degressieve belastingvermindering wordt er een facultatieve omzetgerelateerde vrijstellingsregeling ingevoerd. In plaats van aansluiten bij het saldo van de verschuldigde btw als in de oude situatie, wordt aangesloten bij de hoogte van de omzet van de ondernemer. Dit leidt tot een flinke vereenvoudiging voor kleine ondernemers en een vermindering van administratieve lasten voor de Belastingdienst. De nieuwe KOR sluit beter aan bij de btw-richtlijn. Daarnaast is de nieuwe KOR rechtsvormneutraal en niet meer beperkt tot natuurlijke personen. Ondernemers die een omzet hebben van maximaal € 20.000 kunnen kiezen voor de toepassing van de nieuwe KOR. De nieuwe KOR treedt in werking met ingang van 1 januari 2020.

Wetsvoorstel Wet aanpassing kansspelbelasting voor sportweddenschappen

De Wet aanpassing kansspelbelasting voor sportweddenschappen zorgt voor een gelijke behandeling van landgebonden sportweddenschappen en sportweddenschappen op afstand. Naar het oordeel van de EC leiden de verschillen in belastinggrondslag en belastingplicht voor de landgebonden sportweddenschappen en sportweddenschappen op afstand tot onverenigbare staatssteun. Het doel van het wetsvoorstel aanpassing kansspelbelasting is om deze onverenigbare staatssteun te voorkomen, door zowel aanbieders van landgebonden sportweddenschappen en van sportweddenschappen op afstand belastingplichtig te maken over het brutospelresultaat.

Fiscale beleidsprioriteiten

Aanpak van belastingontwijking en -ontduiking

Het huidige kabinet wil belastingontwijking en belastingontduiking aanpakken met als doel om zoveel mogelijk te voorkomen dat Nederland wordt gebruikt voor doorstroomactiviteiten naar laagbelastende landen. Het vorige kabinet heeft met overtuiging deelgenomen aan het project Addressing BEPS, dat de OESO op verzoek van de G20 heeft uitgevoerd. Op Europees terrein heeft Nederland een voortrekkersrol vervuld. Onder Europees (EU) voorzitterschap van Nederland is de eerste EU-richtlijn antibelastingontwijking tot stand gekomen. Dit kabinet intensiveert de Nederlandse inzet. Nederland doet meer dan het in internationale afspraken en EU-richtlijnen vastgelegde minimum, en komt ook met unilaterale maatregelen. Het kabinetsbeleid bestaat uit twee pijlers, maatregelen om de belastinggrondslag te beschermen en maatregelen in de sfeer van transparantie en integriteit. Binnen DGFZ is gewerkt aan een brief die op 23 februari 2018 naar de Tweede en Eerste Kamer is gestuurd waarin de aanpak van belastingontwijking en belastingontduiking uiteen wordt gezet.59 Op 12 april 2018 vond naar aanleiding van deze brief een dialoog plaats over belastingontwijking en belastingontduiking op het Ministerie van Financiën. Onder leiding van het Nederlands Debat Instituut (Nick Schoemaker) hebben verschillende stakeholders in een 3-minuten pitch hun standpunt gegeven over het kabinetsbeleid. Hierna was ruimte voor debat. Deze dialoog heeft bijgedragen aan de gedachtewisselingen rondom dit thema.
Op 6 november 2018 is ook een brief naar de Kamer gestuurd over de mogelijkheden om de aanpak van belastingontwijking te monitoren.60 Met de voorgenomen invoering van de conditionele bronbelasting op rente en royalty’s per 2021 wil het kabinet een financiële stroom van € 22 mld. naar laagbelastende landen raken. De verwachting is dat deze stroom nagenoeg volledig zal verdwijnen.
In het wetsvoorstel Wet implementatie eerste EU-richtlijn antibelastingontwijking, dat in 2018 conform doelstelling is ingediend en afgerond, zijn maatregelen opgenomen ter implementatie van Richtlijn (EU) 2016/1164 (ATAD1).61 De implementatie heeft geleid tot wijzigingen in de Wet Vpb 1969 en de Invorderingswet 1990 (Invorderingswet). De maatregelen treden met ingang van 1 januari 2019 in werking. ATAD1 bestaat – kort gezegd – uit de volgende maatregelen:
  • •  Een maatregel die voorkomt dat winsten neerslaan in landen met een laag belastingtarief door ze te verschuiven naar een laagbelaste dochteronderneming (CFC-maatregel);
  • •  Een algemene renteaftrekbeperking (earningsstrippingmaatregel);
  • •  Een algemene antimisbruikregel om ook fiscale misbruikpraktijken aan te kunnen pakken waar geen wettelijke maatregel voor is getroffen (General Anti Abuse Rule, GAAR);
  • •  «Exitheffingen» om te voorkomen dat belasting kan worden ontweken door bijvoorbeeld activa naar een ander land te verplaatsen of de vestigingsplaats te wijzigen naar een ander land.
Het zwaartepunt van de implementatie van ATAD1 ligt bij de introductie van een generieke renteaftrekbeperking in de vorm van een earningsstrippingmaatregel en een maatregel met betrekking tot zogenoemde Controlled Foreign Companies (CFC). Bij de implementatie van de earningsstrippingmaatregel is door gebruikmaking van enkele zogenoemde lidstaatkeuzes gekozen voor een robuuste vormgeving om niet alleen op te treden tegen grondslaguitholling, maar ook een meer gelijke fiscale behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen te bewerkstelligen. Hierdoor worden de belastingvoordelen voor vreemd vermogen beperkt en wordt ondernemen met eigen vermogen bevorderd. Dat levert stabielere bedrijven en gezondere economische verhoudingen op, zeker bij tegenslag. Bij de implementatie van de CFC-maatregel wordt ook verder gegaan dan het minimum dat ATAD1 voorschrijft. Er is bewust gekozen voor een aanvullende CFC-maatregel in het geval belasting wordt ontweken via een CFC in een land zonder winstbelasting of met een statutair tarief van minder dan 9%62 of in een land dat is opgenomen op de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. De maatregel geldt niet als bij de CFC sprake is van een «wezenlijke economische activiteit». Dit om impact voor Nederlandse bedrijven met reële activiteiten in het buitenland te voorkomen en om de maatregel uitvoerbaar te houden voor de Belastingdienst. Ten aanzien van de overige maatregelen kan het volgende worden opgemerkt. Nederland kent al een exitheffing. De bestaande exitheffing is slechts op enkele punten in de Invorderingswet aangepast naar aanleiding van ATAD1. ATAD1 legt EU-lidstaten tevens de verplichting op een algemene antimisbruikbepaling (GAAR) op te nemen. Nederland kent met het leerstuk van fraus legis reeds een algemene antimisbruikbepaling. Om die reden is de algemene antimisbruikbepaling uit ATAD1 als zodanig niet geïmplementeerd.
Op 29 mei 2017 is de tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking tot wijziging van de eerste EU-richtlijn antibelastingontwijking wat betreft hybridemismatches met derde staten (ATAD2) aangenomen.63 Hybridemismatches zijn internationale structuren waarmee belasting wordt ontweken door gebruik te maken van verschillen tussen nationale belastingstelsels. Deze structuren leiden veelal tot een aftrek in het ene land zonder betrekking in de heffing in een ander land of tot dubbele aftrek in verschillende landen. In 2018 is gewerkt aan het concept implementatiewetsvoorstel. Op 29 oktober 2018 is de internetconsultatie van dit conceptwetsvoorstel gestart. In de resterende maanden van 2018 is verder gewerkt aan het wetsvoorstel. Het streven is om het implementatiewetsvoorstel voor het zomerreces 2019 bij de Tweede Kamer aanhangig te maken om zo de beoogde inwerkingtredingsdatum van 1 januari 2020 te halen.

Daarnaast zal in 2019 een nieuwe notitie fiscaal verdragsbeleid worden gepubliceerd. De maatregelen die voortvloeien uit het project «Addressing BEPS» ten behoeve van de aanpak van belastingontwijking en -ontduiking op het terrein van het internationale belastingrecht zullen hier onderdeel van zijn.

Vestigingsklimaat

Een goed fiscaal vestigingsklimaat is één van de vijf fiscale beleidsprioriteiten van het kabinet. Internationaal is een trend waarneembaar van een verlaging van de tarieven in de winstbelasting, veelal in combinatie met een verbreding van de grondslag. Er is in 2018 gewerkt aan de Wet Bedrijfsleven 2019 met hierin een verlaging van het algemene tarief in de Vpb. Hiermee blijft het Nederlandse algemene tarief concurrerend. Deze verlaging wordt in belangrijke mate gefinancierd door andere maatregelen binnen de Vpb, zoals het beperken van de aftrekbaarheid van rente en het inperken van verliesverrekening. Daarnaast vormt een uitgebreid Nederlands netwerk van belastingverdragen ook een belangrijk onderdeel van een goed fiscaal vestigingsklimaat. Ook in 2018 is daarom ingezet op het versterken van het Nederlandse belastingverdragennetwerk. Zo wordt geprobeerd te bewerkstelligen dat Nederland aantrekkelijk blijft als vestigingsland voor reële economische activiteiten, terwijl dit niet leidt tot schadelijke belastingconcurrentie. In het kader van het BEPS-project van de OESO worden belastingstelsels wereldwijd, dus ook in Nederland, aangepast om belastingontwijking door internationale bedrijven tegen te gaan. Hierdoor zijn de regels over directe bedrijfsbelastingen zowel in Nederland als andere landen flink in beweging, terwijl stabiliteit en voorspelbaarheid van de overheid voor investeerders van groot belang is. Met het regeerakkoord en de Fiscale Beleidsagenda is in 2018 een fiscale agenda voor de komende jaren neergelegd. Daarnaast draagt het heroverwegingspakket vestigingsklimaat bij aan stabiliteit en voorspelbaarheid op fiscaal terrein. Het overgangsrecht bij het inperken van de 30%-regeling is hiervan een goed voorbeeld.

Fiscale vergroening

Het jaar 2018 heeft op de eerste plaats in het teken gestaan van de implementatie van de Fiscale vergroeningsmaatregelen uit het Regeerakkoord. Voor de zomer is een Fiscale vergroeningsbrief gestuurd waarin implementatie van de fiscale agenda uit het Regeerakkoord is aangekondigd. Met het op 18 december 2018 aangenomen wetsvoorstel Fiscale vergroening werden diverse maatregelen doorgevoerd waaronder het afschaffen van de teruggaafregeling in de Wet BPM 1992 voor taxi’s en openbaar vervoer, een versterking van de milieudifferentiatie voor de belasting van zware motorrijtuigen (Eurovignet), een verhoging van de belasting op aardgas en verlaging van de belasting op elektriciteit, het verlagen van de belastingvermindering van de energiebelasting en het verhogen van het tarief in de afvalstoffenbelasting. Naast deze maatregelen wordt er aan separate wetsvoorstellen gewerkt voor het invoeren van een CO2-minimumprijs voor de elektriciteitssector en de invoering van een vliegbelasting.

In 2018 zijn de afspraken in het Regeerakkoord over een belasting op luchtvaart nader uitgewerkt. De uitwerking hiervan vindt plaats in samenwerking met IenW en EZK. Er wordt allereerst ingezet op het maken van Europese afspraken voor 2021. Daarnaast wordt een nationale variant voor een vliegbelasting uitgewerkt. Zowel politiek als op hoog ambtelijk niveau is het belasten van luchtvaart bij diverse EU-bijeenkomsten en bilaterale overleggen ter sprake gekomen. Ten behoeve van de uitwerking van de vliegbelasting is uitgebreid onderzoek gedaan naar de economische en duurzaamheidseffecten van verschillende varianten van een vliegbelasting. Er zijn een aantal stakeholdersbijeenkomsten georganiseerd, waarbij de sector breed vertegenwoordigd was. De conclusies van het onderzoek naar de effecten van een belasting op luchtvaart zijn ook tijdens een van deze stakeholdersbijeenkomsten gepresenteerd. Verder is het beleidsvoornemen voor een vliegbelasting uitgebreid geconsulteerd. De consultatie leverde meer dan 2000 reacties op. In november is het voorlopige wetsvoorstel voor een vliegbelasting naar de Raad van State verzonden. Indien er EU-afspraken worden gemaakt die in 2021 al in werking treden, zal dit wetsvoorstel worden ingetrokken.

In het regeerakkoord is tevens afgesproken dat per 2020 een minimum CO2-prijs wordt ingevoerd voor elektriciteitsopwekking. Deze maatregel zorgt voor een minimumprijs voor de uitstoot van CO2 bij elektriciteitsopwekking in aanvulling op het Europese emissiehandelssysteem, de EU-ETS. Voor de conceptwetgeving voor deze maatregel is in de zomer een internetconsultatie gestart. Inmiddels is er een adviesaanvraag voor het wetsvoorstel ingediend bij de Raad van State. Naar verwachting zal het wetsvoorstel in 2019 naar de Tweede Kamer worden gezonden.

Veel beleidsmatige aandacht is in 2018 uitgegaan naar het proces om te komen tot een Klimaatakkoord. Dit gebeurde allereerst met de voorstellen voor de hoofdlijnen van het Klimaatakkoord en de kabinetsappreciatie daarop. In die fase is een fiscale uitvoeringstoets uitgebracht door de Belastingdienst in samenwerking met DGFZ op voorstellen van de klimaattafels en er is een financieel en fiscaal Rijksmandaat opgesteld. In de fase van het toewerken naar het onderhandelaarsakkoord is er veel aandacht geweest voor onder meer de fiscale stimulering van nulemissierijden, een verdergaande schuif in de energiebelasting, discussies over het prijspad van de CO2-minimumprijs voor elektriciteit, het borgingsmechanisme voor de industrie, de fiscale aspecten van gebouwgebonden financiering en differentiatie in de overdrachtsbelasting en de fiscale aspecten van werkgeversaanpak mobiliteit. Het Klimaatakkoord heeft een zeer stevige fiscale component bij vrijwel alle klimaattafels. DGFZ heeft daarom in een zeer intensief proces waarbij nauw is samengewerkt met alle geledingen binnen Financiën een spilfunctie gespeeld in de interdepartementale beleidsvorming en de borging van de budgettaire en de fiscale kaders. Dit proces zal worden voortgezet in de eerste helft van 2019 in fase 3 van het Klimaatakkoord waarin wordt gepoogd om op basis van de doorrekening van de planbureaus te komen tot een definitief akkoord.

Vereenvoudiging van fiscale wetgeving

Het belastingstelsel is als gevolg van maatschappelijke veranderingen, politieke wensen, internationale verplichtingen en de soms bestaande noodzaak om (budgettair) in te grijpen steeds complexer en ondoorzichtiger geworden. Vereenvoudiging van het belastingstelsel is daarom wenselijk. Dit kabinet wil bij nieuwe wetgeving altijd voor de meest uitvoerbare en minst complicerende variant kiezen. In de moties en toezeggingenbrief die op Prinsjesdag naar de Kamer is gestuurd heeft het kabinet toegezegd om concrete bouwstenen en voorstellen voor verbeteringen en vereenvoudigingen van het stelsel op te leveren, waarbij knelpunten worden geduid en (perspectief op) oplossingen wordt geboden. De voorstellen zullen begin 2020 opgeleverd worden zodat deze als input kunnen dienen voor de verkiezingsprogramma’s in aanloop naar het volgende kabinet. Begin 2019 wordt de Kamer hier uitgebreider over geïnformeerd. «Quick wins» die deze kabinetsperiode al zouden kunnen worden doorgevoerd worden meegenomen.

Oudedagsvoorzieningen

In 2018 is veel werk verricht in aanloop naar een mogelijke vernieuwing van het pensioenstelsel. Het vernieuwde pensioenstelsel zal een grote wijziging van het fiscale kader in de inkomstenbelasting, loonbelasting en lagere regelgeving betekenen. Dit komt onder meer omdat er plannen zijn om fiscaal enkel op de premie te begrenzen, het fiscale kader te kantelen naar een leeftijdsonafhankelijke premiebegrenzing, de verschillen tussen de tweede en derde pijler daar waar mogelijk en wenselijk aan te passen en ten slotte mogelijk ook de RVU-heffing aan te passen. DGFZ heeft onder meer deelgenomen in ambtelijke werkgroepen en is gestart met een onderzoek naar hoe de hoogte van de fiscale premiegrens kan worden vastgesteld en hoe de verschillen tussen de tweede en derde pijler kunnen worden weggenomen. Het is niet gelukt om in 2018 tot een pensioenakkoord te komen.

Naast de pensioenstelselherziening is in samenwerking met andere directies en departementen invulling gegeven aan verschillende pensioenonderwerpen. Hierbij valt onder meer te denken aan het mogelijk maken van pensioenopbouw tijdens zwangerschaps- en bevallingsverlof door zelfstandige beroepsbeoefenaren zoals geregeld in het Eindejaarsbesluit 2018,64 de bekendmaking van diverse andere beleidsbesluiten en het geven van opvolging aan een uitspraak over de RVU-heffing bij vrijwillige vertrekregelingen. Diverse pensioenwetgeving is in 2018 in werking getreden; de Wet waardeoverdracht klein pensioen65 trad in werking op 1 maart 2018 en de Verzamelwet pensioenen 201766 is op 11 april 2018 in werking getreden. Tevens is het Wetsvoorstel verzamelwet pensioenen 201967 eind 2018 ingediend en is op 10 december 2018 de internetconsultatie van het Wetsvoorstel pensioenverdeling bij scheiding 2021 gestart. Verder speelden er diverse vraagstukken rondom de uitfasering van pensioen in eigen beheer en de fiscale behandeling van een Europees derde pijlerproduct.

Uitwerking van maatregelen uit het regeerakkoord voor «werken als zelfstandige»

In het regeerakkoord zijn maatregelen aangekondigd die de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties moeten vervangen. Het gaat hierbij onder andere om het invoeren van de arbeidsovereenkomst bij een laag tarief, het invoeren van een opt-out voor de loonheffingen bij een hoog tarief, het invoeren van een opdrachtgeversverklaring die opdrachtgevers vooraf duidelijkheid geeft bij de inhuur van zzp’ers en het verduidelijken en het aanpassen van het begrip «gezag». In samenwerking met SZW, EZK, de Belastingdienst en het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) is gewerkt aan de invulling van deze maatregelen. Dit heeft zowel in het voorjaar68 als in het najaar69 geleid tot een voortgangsbrief aan de Tweede Kamer. Ten behoeve van de beleidsvorming is een onderzoek uitgevoerd naar de karakteristieken en tarieven van zzp’ers. Stakeholders zijn betrokken bij de uitwerking van de maatregelen, onder andere door middel van twee brede veldbijeenkomsten. Daarnaast zijn er wetenschappers betrokken bij de verduidelijking van het begrip gezag en bij de totstandkoming van de opdrachtgeversverklaring. De verduidelijking van het begrip «gezag» is inmiddels afgerond en gepubliceerd.70 Ook is een adviescommissie ingesteld om onderzoek te doen naar en advies te geven over de fundamentele vragen met betrekking tot de toekomst van de regulering van werk. Deze commissie is ook gevraagd of, en zo ja hoe, het gezagscriterium moet worden gewijzigd. Deze werkzaamheden vormen de basis voor de verdere uitwerking van de maatregelen voor «werken als zelfstandige».

Digitale economie

Digitalisering raakt de gehele economie en heeft dus ook gevolgen voor belastingheffing. Op de lange termijn kan vergaande digitalisering (en robotisering) fundamentele gevolgen hebben voor onze belastingmix, onder andere doordat de productiefactor arbeid mogelijk relatief kleiner wordt. De maatregelen uit het Belastingplan 2019 die leiden tot lagere lasten op arbeid, medegefinancierd uit hogere indirecte belastingen zoals de milieubelastingen en de verhoging van het lage btw-tarief, zijn een stap in de goede richting met het oog op de veranderende belastingmix en dragen hierdoor bij aan de toekomstbestendigheid van het belastingstelsel.

Daarnaast leidt digitalisering tot vraagstukken op het gebied van uitvoering van de fiscale regelgeving en het toezicht door de Belastingdienst. Digitalisering kan bijdragen aan een verdere flexibilisering van de arbeidsmarkt, waardoor een kleiner deel van de beroepsbevolking via de automatisch ingehouden loonheffing wordt belast. Een belangrijk onderdeel van de digitale economie is de opkomst van de deel- en kluseconomie met behulp van digitale platformen. In toenemende mate gebruiken particulieren en ondernemers digitale platformen voor het aanbieden en kopen van goederen en dienstverlenend werk. Belangrijk vraagstuk is hoe belastingheffing op het gebied van de deel- en kluseconomie het beste vorm kan worden gegeven en op welke wijze de uitvoering en het toezicht door de Belastingdienst moet worden ingericht. In 2018 is daarom gestart met een onderzoek op welke wijze Nederland het meest effectief om kan gaan met het belasten van inkomsten via platformen. Hiervoor zal naast binnenlandse ontwikkeling ook worden gekeken naar ontwikkelingen in het buitenland (zoals België, Italië, VS, Frankrijk, Estland) waar initiatieven zijn gestart om de platformen op een andere wijze in de belastingheffing te betrekken. Voorbeelden daarvan zijn: het doen van aangifte door het platform namens de belastingplichtige, een inhoudingsplicht met een voor- of eindheffing door platformen en de introductie van een bijzondere fiscale behandeling. De Belastingdienst verkent momenteel of en hoe zij bestaande wettelijke bevoegdheden voor het opvragen van informatie bij digitale platforms het beste kan inzetten. Op deze wijze wordt duidelijk of de bestaande bevoegdheden al dan niet toereikend zijn en welke knelpunten eventueel een (al dan niet wettelijke) oplossing behoeven. Daarnaast wordt onderzocht aan welke eisen de informatie moet voldoen om ook daadwerkelijk ingezet te kunnen worden bij de belastingheffing.

Op 21 maart 2018 heeft de EC twee richtlijnvoorstellen voor belastingheffing in de digitale economie gepresenteerd aan de Raad: een richtlijnvoorstel voor een digitaledienstenbelasting (interim-oplossing) en een richtlijnvoorstel over significante digitale aanwezigheid (lange termijn oplossing). Met name over de interim-oplossing is in 2018 onderhandeld onder het Oostenrijkse voorzitterschap. Het richtlijnvoorstel is uiteindelijk niet aangenomen, omdat veel lidstaten grote bezwaren hadden. Nederland heeft zich steeds constructief opgesteld en aan de meeste aandachtspunten van Nederland is grotendeels tegemoetgekomen. Ook in OESO-verband wordt gesproken over belastingheffing in de digitale economie, met name in de Task Force on the Digital Economy. Op 16 maart 2018 heeft de OESO een interim-rapport gepresenteerd getiteld «Tax challenges arising from digitalisation». Op basis hiervan wordt in OESO-verband verder gewerkt aan oplossingen voor uitdagingen op belastinggebied die voortvloeien uit digitalisering. De OESO komt in 2019 met een update van dit proces en het doel is om in 2020 een eindrapport te publiceren.

Op 22 maart 2018 heeft DGFZ een seminar georganiseerd over belastingheffing in de digitale economie. Veel interessante sprekers (waaronder OESO-directeur Belastingen Pascal Saint Amans en Marcel Olbert, een expert van de Mannheim University) hebben een bijdrage geleverd aan dit seminar. Ook in de pers werd positief gerapporteerd over dit seminar.

Brexit

Op het terrein van Brexit was 2018 een belangrijk jaar. Niet alleen is er in Brussel maandenlang intensief onderhandeld over een terugtrekkingsakkoord waarmee het vertrek van het VK uit de EU op een ordentelijke manier verloopt, ook is nationaal geïntensiveerd in de voorbereidingen op alle mogelijke scenario’s. Voor de Douane zijn middelen vrijgemaakt om de capaciteit uit te breiden en huisvesting en uitrusting aan te schaffen. Tot het allerlaatste moment blijft het onzeker of er daadwerkelijk een terugtrekkingsdeal is met overgangsperiode, of dat het VK per 29 maart een derde land zal worden, als gevolg waarvan over de goederenstromen tussen het VK en de EU-27 douaneformaliteiten van toepassing zijn en invoerrechten en btw geheven zullen moeten worden. Conform ministerraadbesluit bereidt de Belastingdienst zich voor op een no-deal Brexit. Hiervoor is een impactanalyse opgesteld. In 2018 is intensief overlegd met de EU-27 en de Commissie over mogelijke mitigerende maatregelen om chaos op Brexit-day te voorkomen. Dit overleg wordt ook in 2019 voortgezet

Belastingverdragen

In 2018 zijn de volgende bilaterale belastingverdragen of protocollen geratificeerd door Nederland: Algerije, Denemarken, Malawi en Oekraïne. Daarnaast is het verdrag met Zambia in werking getreden. Onderhandelingen hebben in 2018 plaatsgevonden met België, Colombia, Liechtenstein, Mozambique, Rusland en Sri Lanka.

De afgelopen jaren is er gewerkt aan de ontwikkeling van het MLI. In december 2017 is het MLI ter goedkeuring aangeboden aan de Tweede Kamer. Nederland heeft de implementatie van BEPS-maatregelen in verdragen door middel van het MLI aangeboden aan al haar verdragspartners, met uitzondering van negen verdragspartners waarmee Nederland momenteel in (een vergevorderd stadium van) onderhandeling is over een herziening van het belastingverdrag. Door middel van het MLI kan in één keer een groot deel van de bestaande verdragen in lijn worden gebracht met de maatregelen die overeengekomen zijn in het kader van het BEPS-project van de OESO/G20, zonder dat hiervoor bilaterale onderhandelingen nodig zijn. De verwachting is dat Nederland het MLI in 2019 zal ratificeren.

De laatste jaren is het (her)onderhandelen van de belastingverdragen met 23 ontwikkelingslanden een speerpunt van Nederland geweest. Het doel hierbij was het opnemen van een effectieve bepaling tegen verdragsmisbruik in deze verdragen. Waar dit nog niet is gebeurd door middel van bilaterale onderhandelingen, biedt het MLI ook in relatie tot deze landen een effectieve route om in de verdragen antimisbruikbepalingen op te nemen. Met het aanbieden van het MLI aan de Tweede Kamer komt het ontwikkelingslandenproject in een afrondende fase.

Mutual agreement procedures (MAP)

Op grond van een bepaling over de onderlinge overlegprocedure (MAP) in belastingverdragen en het EU Arbitrageverdrag verleent de directie Internationale Zaken en Verbruiksbelastingen (IZV) binnen DGFZ als bevoegde autoriteit op verzoek bijstand aan belastingplichtigen die worden geconfronteerd met internationale dubbele belastingheffing. De laatste jaren is de instroom van verzoeken sterk toegenomen. Ondanks dat in 2017 en 2018 meer zaken dan ooit zijn afgedaan, blijft de voorraad stabiel. De verwachting is dat de forse instroom van verzoeken structureel is. In het kader van actiepunt 14 van het BEPS-project van de OESO zijn afspraken gemaakt om onderlinge overlegprocedures in gemiddeld twee jaar af te handelen. Daarnaast verplicht de richtlijn van de EC voor geschilbeslechting bij dubbele belasting toegang te verlenen tot de arbitrageprocedure als een onderlinge overlegprocedure (m.b.t. zaken vanaf 1/1/2018) na twee jaar niet is opgelost. Ook voor het MLI geldt dat zaken die niet binnen twee jaar zijn opgelost naar arbitrage kunnen. Van de huidige voorraad loopt ruim 30% van de procedures langer dan twee jaar. In 2018 is de nodige capaciteit ingezet om de MAP-werkvoorraad terug te dringen en de behandeltermijnen van twee jaar te waarborgen. Dit zal in 2019 worden voortgezet. Daarbij is Nederland echter afhankelijk van de bereidwilligheid van de betrokken verdragspartner. Meer dan in het verleden zullen langslepende zaken worden afgesloten als blijkt dat geen overeenstemming kan worden bereikt om zo langslepende overlegprocedures te voorkomen. Daarmee zal steeds vaker de mogelijkheid van arbitrage zich voordoen.

In aanvulling daarop is het voor belastingplichtigen mogelijk gebleken beroep aan te tekenen tegen een afwijzing van een MAP-verzoek. Tot nu toe zijn drie gerechtelijke procedures geopend. Deze procedures kosten IZV veel tijd en dit gaat ten koste van het inzetten van capaciteit op reguliere MAP-zaken.

Naast de reguliere werkzaamheden ten aanzien van MAP-zaken en de gerechtelijke procedures daaromtrent, worden aanvullende werkzaamheden verricht in het kader van BEPS actiepunt 14. Dit betreft de statistieken die dienen te worden gerapporteerd aan de OESO en het proces van peer reviews. Dit monitoringsproces is inmiddels in volle gang. Nederland zal binnenkort aan de slag moeten met de aanbevelingen van de OESO en onze peers om zo het Nederlandse MAP-proces verder te verbeteren. Ook zal Nederland in 2019 nog veel andere landen van aanbevelingen voorzien.

Overige werkzaamheden

Naast bovenstaande onderwerpen hebben er binnen DGFZ nog op tal van onderwerpen werkzaamheden plaatsgevonden. Dit betreft onder meer, maar niet uitsluitend, wijzigingen omtrent belastingrente, onderzoek met betrekking tot de Awir en diverse beleidsevaluaties.

Naar aanleiding van een motie van het lid De Vries71 heeft het afgelopen jaar een uitgebreid onderzoek plaatsgevonden naar de redelijkheid en billijkheid van de regeling belastingrente in de Awr. Hierover is een brief72 naar de Tweede Kamer gezonden met de constatering dat de regeling belastingrente op onderdelen niet in lijn is met de uitgangspunten en is het voornemen aangekondigd deze onderdelen aan te passen. Dat is voor twee onderdelen gebeurd via het Belastingplan 2019. Geregeld is dat belastingplichtigen die tijdig een correcte aangifte indienen in de sfeer van de inkomstenbelasting of de erfbelasting niet langer meer met belastingrente geconfronteerd worden. Er wordt onderzocht of het mogelijk is om hetzelfde te regelen voor aangiften in de sfeer van de Vpb.
Naar aanleiding van de tweede evaluatie van Awir 2009–201673 is na afstemming met de beleidsverantwoordelijke toeslagdepartementen een kabinetsstandpunt naar de Tweede Kamer gezonden. Daarin werd aangekondigd dat het kabinet onderzoek gaat instellen naar mogelijke aanpassingen in de toeslagensystematiek, met name met het oog op de aanpak van schuldenproblematiek en het terugdringen van het aantal terugvorderingen. Op Prinsjesdag is bekend gemaakt dat dit onderzoek in de vorm van een IBO-Toeslagen van start gaat.
Ook zijn er gedurende het jaar diverse evaluaties en onderzoeken met betrekking tot fiscaal beleid afgerond. Dit betreft de evaluatie van de teruggaafregeling LNG in de accijnzen,74 de werking van de werkkostenregeling,75 de Wet uitwerking Autobrief II,76 de middelingsregeling77 en de balansen, inkomsten en uitgaven van bijzondere financiële instellingen.78 Daarnaast vond een onderzoek plaats naar de economische- en duurzaamheidseffecten van vliegbelasting.79

F2. Belastingdienst

Dienstverlening

De Belastingdienst maakt het burgers en bedrijven zo gemakkelijk mogelijk om hun verplichtingen na te komen en hun rechten geldend te maken door passende dienstverlening te leveren.

Doelbereiking

De afhandeling van bezwaren is niet binnen de Awb-termijn gerealiseerd, de klanttevredenheid voor het kanaal telefonie blijft achter op de streefwaarde en er zijn meer klachten dan vorig jaar ontvangen over het handelen van de Belastingdienst. De overige realisaties zijn op het gewenste niveau.

Realisatie prestatie-indicatoren Dienstverlening (meetbare gegevens)
 

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Realisatie

2017

Streefwaarde

20181

Realisatie

2018

Afgehandelde bezwaren binnen Awb-termijn

87%

87%

82%2

88%

90–95%

78%

Afgehandelde klachten binnen Awb-termijn

93%

97%

98%

98%

90–95%

98%

Klanttevredenheid3

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

 

Minimaal 70% van de bellers, website- en baliebezoekers scoort een 3 of hoger op de gehanteerde 5-puntsschaal (neutraal tot zeer tevreden)

 

– telefonie

77%

73%

– websites

82%

79%

– balie

80%

82%

Klanttevredenheid

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

 

Maximaal 10% van de bellers, website- en balie-bezoekers

scoort een 1,5 of lager

 

– telefonie

7%

10%

– websites

5%

5%

– balie

7%

6%

Zorgvuldig handelen van de Belastingdienst (aantal ontvangen klachten)

16.253

14.586

13.105

11.145

Minder klachten over het handelen van de Belastingdienst dan vorig jaar

12.393

Noot 1: Enkele streefwaarden van de Belastingdienst worden weergegeven in bandbreedtes. Hiermee geeft de Belastingdienst per prestatie-indicator aan wat de onder- en de bovengrens is.

Noot 2: De scores 2016 en 2017 zijn gecorrigeerd i.v.m. dubbeltellingen BPM en MRB en tevens is 2017 bij Douane op niet beschikbaar gesteld omdat de Douane over het jaar 2017 geen bestuurlijke informatie kon vastleggen vanwege de implementatie van een nieuwe applicatie.

Noot 3: In het jaarverslag 2017 werd de Klanttevredenheid nog uitgesplitst naar twee scores (80% en 6,6%). Ten behoeve van de vergelijking met de realisatie 2018 zijn de specifieke scores per dienstverleningskanaal ook voor 2017 opgenomen.

Bron: Belastingdienst/SSO Financieel en Managementinformatie

Toelichting

Afgehandelde bezwaren binnen Awb-termijn

In 2018 is het percentage Awb-conform afgehandelde bezwaren gedaald van 88% naar 78%. Dit is voornamelijk het gevolg van achterstand bij de bezwaarbehandeling IH veroorzaakt door een tekort aan capaciteit. Hierbij speelt ICT een belangrijke rol. De verlichting van de werklast als gevolg van nieuwe automatiseringsoplossingen is niet altijd op tijd gerealiseerd en de introductie van nieuwe systemen is gepaard gegaan met kinderziektes en een gewenningsproces. Daarnaast is ook hier gebleken dat de managementinformatie van wisselende kwaliteit is. Vaak is de informatie niet voldoende om goed te kunnen sturen. Als onbekend is of bezwaren tijdig worden behandeld, kan er ook niet bijgestuurd worden.

Er zijn reeds in 2018 gerichte acties in gang gezet om de te hoge voorraad bezwaren IH, OB en Douane weg te werken. Het logische gevolg hiervan is dat het percentage bezwaren dat is afgehandeld buiten de Awb-conforme termijn stijgt en een negatief effect heeft op het cumulatieve Awb-percentage. De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd.80

Afgehandelde klachten binnen Awb-termijn

De streefwaarde voor de Awb-conforme afhandeling van klachten is gerealiseerd.

Klanttevredenheid

De prestatie-indicator klanttevredenheid bestrijkt de drie kanalen van dienstverlening: telefonie, websites en de balie. De normen zijn bij de websites en de balie gehaald, maar bij telefonie is deze ten opzichte van vorig jaar verslechterd. Dit jaar waardeerde 10,3% van de geënquêteerden de Belastingtelefoon met een 1,5 of lager. De norm hiervoor is maximaal 10%. Deze score is een direct gevolg van de lagere bereikbaarheid van de Belastingtelefoon. Nadere analyse geeft aan dat dit veroorzaakt wordt door niet tijdige afhandeling van het belvolume (te behandelen calls) en langere wachttijden. Dit ligt aan meerdere factoren: de personele capaciteit bleek onvoldoende voor het aanbod van calls. De daardoor ontstane verminderde bereikbaarheid creëerde ook herhaalverkeer wat de bereikbaarheid wederom geen goed doet. Daarnaast was er sprake van een hogere afhandeltijd per gesprek. Dit omdat door de verminderde bereikbaarheid bellers meer tijd namen om daarover stoom af te blazen. Het belvolume was tot en met de begroting 2017 een prestatie-indicator. In de begroting 2018 is ervoor gekozen om het belvolume niet meer als prestatie-indicator op te nemen omdat het belvolume van diverse factoren afhankelijk is. Om toch een indicatie te geven over de omvang van het belvolume is in de begroting 2018 het verwachte af te handelen belvolume toegelicht: dit lag tussen 10,5 en 11,5 mln. calls. Het aantal behandelde calls is met 10,0 mln. lager dan de raming. In 2018 hebben ruim 115.000 outbound calls plaatsgevonden (2017: 50.000). Deze proactieve telefoontjes waren gericht op het voorkomen van verzuimboetes omzetbelasting bij startende ondernemers en op het voorkomen van invorderingsmaatregelen bij het Landelijk Incasso Centrum.

Zorgvuldig handelen van de Belastingdienst

In 2018 heeft de Belastingdienst 12.393 klachten ontvangen. Dat is 11,2% meer dan in 2017. Met name via de BelastingTelefoon zijn meer klachten ingediend. De toename van klachten hield onder meer verband met de omzetbelasting, dit betreft met name klachten over het onderwerp zonnepanelen. De postbezorging in het zuiden van het land was ook een reden voor klachten; de externe leverancier had geen postbezorgers en hierover is een gesprek geweest. Daarnaast was er sprake van een stijging van klachten door de achterstanden in de aanslagoplegging bij schenk- en erfbelasting. Na de inzet van extra personeel voor de schenk- en erfbelasting voor het inlopen van de achterstand, lieten de klachten hierover een dalende trend zien. Verder was er een toename van klachten gerelateerd aan de inning.

Toezicht

De Belastingdienst voert adequaat toezicht uit en dwingt waar nodig naleving bestuurs- of strafrechtelijk af om ervoor te zorgen dat de verschuldigde belastingen bestendig de staatskas binnenkomen en de toeslagen rechtmatig worden uitbetaald.

Doelbereiking

De prestatie-indicatoren voor Toezicht zijn ruimschoots gerealiseerd behoudens de streefwaarden van de prestatie-indicatoren «omgevingsgerichte strafonderzoeken (% opsporingsuren FIOD)» en «juiste invoeraangiften Douane». De prestatie-indicator «kasontvangsten van MKB-ondernemingen onder een fiscaal dienstverleners convenant» is net onder de bandbreedte van de streefwaarde gerealiseerd. Bij de toelichting van de desbetreffende prestatie-indicatoren wordt hier nader op ingegaan.

De Belastingdienst heeft een takenpakket waarvan een groot deel altijd moet worden uitgevoerd, zoals het behandelen van bezwaar of een verzoek tot vooroverleg. Daarnaast wordt toezicht uitgevoerd om de naleving te bevorderen. De werkzaamheden voor het toezicht zijn gebaseerd op de uitvoering- en toezichtstrategie die erop gericht is om het naleven van fiscale verplichtingen zo eenvoudig mogelijk te maken en fouten zoveel mogelijk te voorkomen. Deze strategie is ook de basis van het keuzeproces en de prioritering van de taken. Binnen de Belastingdienst worden daarom voortdurend afwegingen gemaakt over de inzet van de beschikbare capaciteit. Het is niet mogelijk om op alle aangiften gericht toezicht uit te oefenen. Daarom zet de Belastingdienst de beschikbare capaciteit door middel van risicogericht toezicht zo effectief mogelijk in. Tegelijkertijd levert de Belastingdienst een grote wervingsinspanning in verband met de uitstroom van medewerkers in het kader van natuurlijk verloop en de vertrekregeling. Deze wervingsinspanning moet ervoor zorgen dat de Belastingdienst in de toekomst over voldoende capaciteit beschikt om zijn handhaving uit te kunnen uitvoeren.

Misbruik en oneigenlijk gebruik

Belastingheffing en toeslagen zijn gevoelig voor Misbruik en Oneigenlijk gebruik (M&O), omdat de hoogte van de heffing en de verplichting tot betalen afhankelijk zijn van gegevens die belastingplichtigen en toeslaggerechtigden zelf verstrekken. Dit kan van invloed zijn op de volledigheid van de belastingontvangsten en de juiste uitbetaling van toeslagen. Het tegengaan van M&O bij de uitvoering van wet- en regelgeving vormt derhalve een geïntegreerd onderdeel van het rechtshandhavingsbeleid. De uitvoering van deze werkzaamheden kent beperkingen. De werkzaamheden worden uitgevoerd binnen de beschikbaar gestelde personele en financiële middelen. Dat leidt tot het maken van keuzes over de inzet van het personeel. Verder zijn er maatschappelijke begrenzingen door wettelijke bepalingen, zoals privacywetgeving, die controlemogelijkheden beperken of verhinderen. Dit betekent dat ook bij een toereikend M&O beleid sprake blijft van inherente onzekerheid over de volledigheid van de ontvangsten en de juistheid van de (toeslag)uitgaven. Deze onzekerheid is niet nader kwantificeerbaar.

De bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik richt zich niet meer alleen op de achterkant van een proces, wanneer het geld al is uitgekeerd, maar steeds meer op de voorkant: bij de aanvraag of de aangifte. Met behulp van data-analyse worden risicovolle posten beoordeeld en geselecteerd. Dat heeft er voor de IH in geresulteerd dat in 2018 voor € 282 mln. aan onterechte uitbetalingen is voorkomen (2017: € 259 mln.).

Belastingdienst/Toeslagen past thematisch toezicht toe op lopende toekenningen. Dit vindt plaats in die situaties waarin het vaak fout gaat, waarin burgers vergeten op cruciale momenten mutaties door te voeren. Afhankelijk van de toeslagsoort is er sprake van meer of minder opbrengst. In 2018 heeft dit bij 221.000 burgers geleid tot een vermindering van € 89 mln. aan toeslagen (2017: € 108 mln.). De vermindering is inclusief de definitieve toekenning van de kinderopvangtoeslag en exclusief de 4-jarigen-attentiebrief. Ter voorkoming van misbruik of oneigenlijk gebruik van toeslagen zijn maatregelen uitgevoerd die toezien op een extra beoordeling van mutaties, voordat een voorschot bij een verhoogd risico wordt uitgekeerd. In 2018 zijn 102.000 mutaties beoordeeld (2017: 125.000). Bij 62.000 ervan heeft dit geleid tot een correctie van het toeslagbedrag. Met de maatregelen is een (bruto) vermindering gemoeid van € 77 mln. (2017: € 115 mln.). Netto is, conform de afgesproken rekenmethodiek, een bedrag van € 22 mln. aan uitbetalingen tegengehouden (2017: € 38,4 mln.).

Toezicht gastouderopvang

Voor de kinderopvangtoeslag is het deel dat betrekking heeft op het toekennen van de gastouderopvang voor circa 14% onzeker in verband met niet objectief vast te stellen uren. Deze onzekerheid bestond ook al vóór 2018 en is het gevolg van beperkingen in wet- en regelgeving en als gevolg daarvan beperkingen in de controlemogelijkheden voor Belastingdienst/Toeslagen.

Aanpak Verhuld Vermogen

Sinds 2014 loopt binnen de Belastingdienst het programma Verhuld Vermogen om activiteiten en projecten gericht op het bestrijden van verhuld vermogen in samenhang uit te voeren. In 2018 zijn onder dit programma verschillende activiteiten uitgevoerd en resultaten behaald. Er is een verschuiving waar te nemen van het individuele zwartsparen met een buitenlandse bankrekening naar andere, complexere vormen om vermogen te verhullen. Dit laatste gebeurt onder andere door constructies en/of door de woon- of vestigingsplaats zogenaamd in het buitenland te plaatsen.

Naast de uitvoering van de projecten binnen dit programma is in 2018 gestart met het inzichtelijk krijgen van trends en fenomenen rondom het verhullen van vermogen in het buitenland. Op basis hiervan kan blijken welke interventiemogelijkheden wenselijk zijn om nieuwe fenomenen tegen te gaan. Daarbij wordt ook nadrukkelijk gekeken naar de rol van facilitators. Verder is in 2018 gestart met analyses en profilering van de stroom persoons- en financiële gegevens die onder Common Reporting Standard (CRS) worden uitgewisseld. Doel hiervan is om na te gaan hoe deze gegevens in het toezicht efficiënt en effectief kunnen worden ingezet. In 2018 heeft de Belastingdienst van ongeveer 80 landen CRS-gegevens ontvangen. In totaal hadden 108 landen/jurisdicties toegezegd om onder CRS gegevens aan te gaan leveren. Het programma heeft in 2018 geleid tot ongeveer € 200 mln. aan te betalen belastingcorrecties, boete en heffingsrente. Onderdeel van het programma Verhuld Vermogen is ook de per 1 januari 2018 deels afgeschafte inkeerregeling voor sparen en beleggen in het buitenland. De afschaffing van de inkeerregeling geldt voor aangiften ingediend vanaf 1 januari 2018. De inkeerregeling heeft in het kalenderjaar 2018 € 53 mln. aan extra belastinginkomsten (belasting, boete en rente) opgeleverd. Het aandeel van de inkeer in de opbrengst van het programma Verhuld Vermogen in 2018 is nog steeds relatief hoog, maar de verwachting is dat dit in de toekomst lager zal worden omdat de voorraad daalt. In 2018 hebben 585 belastingplichtigen zich vrijwillig gemeld.

Landelijk/Regionaal Informatie en Expertisecentrum (LIEC/RIEC)

De Belastingdienst heeft ook in 2018 een belangrijke bijdrage geleverd in de aanpak van ondermijnende (georganiseerde) criminaliteit. De activiteiten binnen de LIEC/RIEC-samenwerking strekken zich uit van het verstrekken van informatie tot aan het uitvoeren van operationele activiteiten.

Samen met onder andere gemeenten, Politie en Openbaar Ministerie (OM) wordt er met name aandacht besteed aan de aanpak van vastgoedfraude, georganiseerde hennepteelt, witwassen en mensenhandel/mensensmokkel. Daarnaast bestaat er aandacht voor de zogenaamde regionale handhavingsknelpunten. Een voorbeeld hiervan is de aanpak van de Outlaw Motorcycle Gangs.

Om de versteviging van de aanpak ondermijning verder vorm te geven, is begin 2018 het Strategisch Beraad Ondermijning (SBO) geïnstalleerd. Doel is om een beweging in gang te zetten die de aanpak van ondermijnende criminaliteit verstevigt op zowel lokaal, regionaal, landelijk als internationaal niveau. Het SBO heeft besloten dat de focus voor wat betreft de aanpak van ondermijnende criminaliteit de komende periode op de illegale drugsindustrie zal worden gelegd. Het SBO adviseert de Minister van J&V ook wat betreft de toekenning van de financiële middelen die vanuit het Regeerakkoord ter beschikking worden gesteld voor de aanpak van ondermijnende criminaliteit. In 2018 heeft de Belastingdienst binnen de LIEC/RIEC-samenwerking voor € 100,7 mln. aan aanslagen opgelegd (2017: € 81,2 mln.).

Landelijke Stuurgroep Interventieteams (LSI)

Naast de deelname aan LIEC/RIEC participeert de Belastingdienst binnen de samenwerking in LSI verband. Dit samenwerkingsverband richt zich met name op de aanpak van arbeidgerelateerde fraude binnen het sociale zekerheidsdomein. Samen met onder andere gemeenten, UWV, Sociale Verzekeringsbank (SVB), Inspectie SZW, Politie, OM en IND is er in 2018 met name aandacht besteed aan de problematiek rond de malafide uitzendbureaus en schoonmaakbedrijven. Daarnaast heeft de Belastingdienst een bijdrage geleverd aan de problematiek in bepaalde wijken en recreatieterreinen. In 2018 heeft de Belastingdienst binnen de LSI samenwerking € 4,8 mln. aan aanslagen opgelegd.

Bestrijding van georganiseerde criminaliteit en ondermijning

De FIOD vervult een belangrijke taak in de bestrijding van georganiseerde criminaliteit, ondermijning en het afpakken van crimineel vermogen. Met het strafrechtelijk afpakken van wederrechtelijk verkregen voordeel was in 2018 een bedrag gemoeid van € 257,2 mln. (2017: € 199,9 mln.). Verder is voor € 107,1 mln. conservatoir beslag gelegd (2017: € 288,3 mln.).

De hoogte van de bedragen (zowel wederrechtelijk verkregen voordeel als conservatoir beslag) houdt verband met het soort signalen en onderzoeken dat er binnenkomt en opgepakt wordt.

In 2018 heeft de FIOD ruim 900 onderzoeken afgerond waarvan 230 op verzoek van het buitenland. De FIOD richt zich steeds meer op de facilitators en bedenkers van de financiële fraude, waardoor het moeilijker wordt geld uit het zicht van de Belastingdienst te houden. De FIOD zet moderne technologie in, zodat slimme verbanden gelegd kunnen worden om te zien waar de fraude zit. De internationale samenwerking verbetert en breidt uit. Zo werkt de FIOD mee aan de financiële veiligheid van Nederland.

Enkele in het oog springende zaken in 2018:

  • •  In het ING-onderzoek is vastgesteld dat ING in Nederland jarenlang en structureel de Wet ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme (Wwft) heeft overtreden. Dat gebeurde op een dusdanige wijze dat de bank ook schuldwitwassen wordt verweten: de bank heeft niet voorkomen dat bankrekeningen van klanten van ING in Nederland tussen 2010 en 2016 zijn gebruikt bij het witwassen van honderden miljoenen euro’s. De bank heeft een transactie van € 100 mln. en een boete van € 675 mln. betaald;
  • •  De internationale samenwerking kreeg in 2018 een sterke impuls door de samenwerking in de J5: een samenwerking van de FIOD met de zusterdiensten uit het VK, de VS, Canada en Australië. Gezamenlijk wordt met moderne technologie en tools gespeurd naar financiële dienstverleners die criminele geldstromen faciliteren en de organisaties werken samen bij de bestrijding van cyberfraude;
  • •  Een internationale actie tegen de «Ndrangheta-maffia» is een Nederlands initiatief waarbij met Italië, Duitsland en België is samengewerkt bij de bestrijding van deze criminele maffiaorganisatie. Op de actiedag 5 december 2018 zijn 84 verdachten aangehouden in diverse landen.
Realisatie prestatie-indicatoren Fiscaal Toezicht (meetbare gegevens)
 

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Realisatie

2017

Streefwaarde

2018

Realisatie

2018

Percentage grote ondernemingen waarvan de klantbehandeling in de actualiteit beoordeeld is1

n.v.t.

n.v.t.

81%

86,5%

85%

87,5%

Percentage kasontvangsten van MKB-ondernemingen onder een fiscaal dienstverleners convenant2

5,5%

6,8%

5,7%

5,8%

6–8%

5,9%

Bruto correctie opbrengsten aangiftenbehandeling IH (Particulieren en MKB)3

€ 2,9 mld.

€ 2,2 mld.

€ 1,5 mld.

€ 2,3 mld.

€ 1,6 mld.

€ 1,7 mld.

Bruto correctie opbrengsten aangiftenbehandeling Vpb (MKB)

€ 1,4 mld.

€ 1,9 mld.

€ 1,6 mld.

€ 1,5 mld.

€ 1,4 mld.

€ 1,7 mld.

Bruto correctie opbrengsten boekenonderzoeken (MKB)

€ 780 mln.

€ 780 mln.

€ 985 mln.

€ 877 mln.

€ 770 mln.

€ 834 mln.

Percentage bezwaren ingediend na een correctie door de Belastingdienst

10%

7%

8,6%

10,2%

8–12%

8,2%

Noot 1: De term klantbehandeling in de actualiteit vervangt de term horizontaal toezicht uit de vorige begroting. De definities zijn uitwisselbaar, met dien verstande dat de achterliggende metingen niet zijn aangepast. Het streven is met grote ondernemingen waar mogelijk in de actualiteit te werken. Voor de ondernemingen die hiervoor in aanmerking komen, biedt horizontaal toezicht doorgaans de beste mogelijkheden om in de actualiteit te werken.

Noot 2: In de begroting 2017 is abusievelijk de term «financieel dienstverlenersconvenant» gebruikt. De juiste term is «fiscaal dienstverlenersconvenant».

Noot 3: Betreft correcties op het verzamelinkomen.

Bron: Belastingdienst/SSO Financieel en Managementinformatie

Toelichting

Percentage grote ondernemingen waarvan de klantbehandeling in de actualiteit beoordeeld is

Grote ondernemingen worden individueel beoordeeld of ze in aanmerking komen voor klantbehandeling in de actualiteit, zodat gegeven de beschikbare capaciteit de risico’s optimaal worden afgedekt. In 2018 is deze beoordeling voor 87,5% van alle grote ondernemingen uitgevoerd. Drie gedragscomponenten zijn daarbij bepalend: 1) de mate van transparantie, 2) de kwaliteit van de fiscale administratie (mate van fiscale beheersing) en 3) de fiscale strategie. De analyse leidt tot een behandelstrategie en de vaststelling of een onderneming al dan niet voor klantbehandeling in de actualiteit in aanmerking komt. Mocht dit het geval zijn, dan wordt op directieniveau een gesprek gehouden en een aanvullende verkenning uitgevoerd.

Percentage kasontvangsten van MKB-ondernemingen onder een fiscaal dienstverleners convenant

Begin 2017 is de berekenings- en meetmethodiek voor deze indicator vastgesteld. Op basis van de hierbij gehanteerde grondslagen bleek de streefwaarde van 7,5–8% onrealistisch hoog. Per begroting 2018 is deze daarom bijgesteld naar 6–8%. Het realisatiecijfer 2018 bedraagt 5,9% waarmee de bandbreedte nagenoeg gerealiseerd is. De Belastingdienst heeft overigens slechts in beperkte mate invloed op de realisatie van deze prestatie-indicator. Enerzijds blijft de Belastingdienst selectief bij het afsluiten van convenanten met fiscaal dienstverleners (FD’s); aan de kwaliteitseisen wordt niet getornd. Anderzijds is het de verantwoordelijkheid van de FD om te bepalen of een MKB-onderneming kan participeren in een FD-convenant. Het is uiteindelijk de vrijwillige keuze van de MKB-ondernemer om wel of niet mee te doen.

Bruto correctie opbrengsten aangiftenbehandeling IH

In 2018 is voor een bedrag van € 1,7 mld. gecorrigeerd op het verzamelinkomen. De indicator voldoet daarmee aan de doelstelling. Dit gecorrigeerde bedrag heeft betrekking op de IH-winst en niet-winst aangiften van belastingplichtigen, vóór toepassing van het belastingtarief.81

Bruto correctie opbrengsten aangiftenbehandeling Vpb

In 2018 is voor een brutobedrag van bijna € 1,7 mld. gecorrigeerd op aangiften Vpb. De indicator voldoet daarmee aan de doelstelling.

Bruto correctie opbrengsten boekenonderzoeken

In 2018 is voor een brutobedrag van € 834 mln. gecorrigeerd op de oorspronkelijk in de aangiften van de diverse belastingmiddelen aangegeven bedragen. De indicator voldoet daarmee aan de doelstelling.

Percentage bezwaren ingediend na een correctie door de Belastingdienst

De indicator van de na een correctie ingediende bezwaren voldoet eveneens aan de doelstelling.

Realisatie prestatie-indicatoren Toeslagen (meetbare gegevens)
 

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Realisatie

2017

Streefwaarde

2018

Realisatie

2018

Rechtmatige toekenning van toeslagen

n.v.t.

Gerealiseerd

Gerealiseerd

Gerealiseerd

De score van fouten en onzekerheden ligt onder de rapporteringsgrens op artikelniveau1

Gerealiseerd

Het percentage definitief toegekende toeslagen met een terug te betalen bedrag ≤ € 5002

92,3%

91,9%

91,6%

92,2%

91%

93,3%

Noot 1: Dit betreft de artikelen van de desbetreffende beleidsdepartementen SZW, VWS en BZK.

Noot 2: Voor kinderopvangtoeslag wordt een grens van € 1.000 aangehouden. Bij de toekenningen van kinderopvangtoeslag gaat het veelal om hogere bedragen dan bij toeslagen voor de huur- en zorgtoeslag en het kindgebonden budget.

Bron: Belastingdienst/SSO Financieel en Managementinformatie

Toelichting

Rechtmatige toekenning van toeslagen

Voor het rapporteren van fouten en onzekerheden gelden kwantitatieve rapportagegrenzen op artikelniveau die jaarlijks in de Rijksbegrotingsvoorschriften worden vastgelegd. Het streven is dat de score van fouten en onzekerheden onder deze grenzen ligt. De gevonden fouten en onzekerheden bij de steekproeven liggen onder de rapporteringstoleranties op artikelniveau (5% voor fouten en onzekerheden). In de bedrijfsvoeringsparagraaf wordt nader ingegaan op de huurtoeslag en op het herstarten van het kindgebonden budget.

Terug te betalen bedragen

De Belastingdienst streeft er naar het ontstaan van terug te betalen bedragen bij het definitief toekennen zoveel mogelijk te beperken tot bedragen die inherent zijn aan de systematiek van de inkomensafhankelijke regelingen. De streefwaarde hiervoor is gerealiseerd. In 2018 heeft Toeslagen een pilot uitgevoerd waarbij de inkomens, welke door burgers in de voorschotfase werden gebruikt voor toeslagaanvragen, zijn aangepast om terugbetalingen te voorkomen. De definitieve resultaten van de pilot worden pas bekend bij definitieve toekenningen over het jaar 2018 welke Toeslagen vaststelt in 2019 en 2020.

Realisatie prestatie-indicatoren Douane (meetbare gegevens)
 

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Realisatie

2017

Streefwaarde

2018

Realisatie

2018

Juiste invoeraangiften

n.v.t.1

n.v.t.

100

n.v.t.

> 100

91

Waardering bedrijfsleven

n.v.t.2

100

104,33

104,3

> 100

107,2

Noot 1: De waarde van de jaren vóór 2018 zijn niet beschikbaar omdat de indicator voor het eerst in begroting IX 2018 is opgenomen en de meting daarvoor niet werd uitgevoerd.

Noot 2: De waarde van de jaren vóór 2015 zijn niet beschikbaar omdat de meting toen nog niet jaarlijks werd uitgevoerd.

Noot 3: Het gepresenteerde cijfer van 2016 (104,3) wijkt af van wat in de Rijksbegroting 2018 is opgenomen (101). De berekening van één van de 10 onderliggende klanttevredenheidcijfers is met terugwerkende kracht gecorrigeerd op het aspect beschikbaarheid Douanesystemen, zodat de waardering van het bedrijfsleven goed wordt meegenomen.

Bron: Belastingdienst/SSO Financieel en Managementinformatie

Toelichting

Voor 2018 zijn twee nieuwe prestatie-indicatoren geïntroduceerd ter vervanging van de outputgerichte indicatoren uit de vorige begrotingen. Met de nieuwe prestatie-indicatoren laat de Douane duidelijker de relatie zien tussen de strategische doelen voor Afdracht, Beschermen en Concurrentiepositie en de prestaties.

Juiste invoeraangiften

Het moment van aangifte is belangrijk in de handhaving door de Douane. Met de behandeling van de aangiften kan de Douane het gedrag van aangevers beïnvloeden, door het inzetten van de instrumenten van dienstverlening en toezicht. De invoeraangifte vormt de basis van de juiste afdracht van douanerechten. De nieuwe prestatie-indicator «juiste invoeraangiften» geeft weer hoe groot het aandeel juiste invoeraangiften is in het totaal aantal invoeraangiften. Meer specifiek gaat het om de invoeraangiften die voldoen aan de wettelijke eisen voor een juiste aangifte en zijn ingediend in het aangiftesysteem van de Douane. Dit wordt uitgedrukt in een indexcijfer; het jaar 2016 geldt hierbij als indexjaar. Aangezien het streven is om een stabiel indexcijfer op te leveren loopt de periode van meting jaarlijks van oktober t/m september. In januari van het nieuwe jaar zijn de meeste aangiften afgerond. De indicator is over de periode oktober 2017 t/m september 2018 met 9 punten gedaald ten opzichte van het indexjaar 2016. Uit de verrichte analyse kwam naar voren dat er door één bepaald bedrijf veel onjuiste aangiften werden ingediend met betrekking tot e-commerce zendingen. In deze aangiften was de douanewaarde en de indeling van de goederen vaak onjuist. Gezien het zeer grote aantal aangiften door dit bedrijf (op jaarbasis circa 1 mln.) had dit voor 2018 een sterk verlagend effect voor het indexcijfer. Zonder dit bedrijf zou het indexcijfer zijn gestegen tot een waarde boven de 100. De Douane zet inmiddels gerichte interventies in bij dit bedrijf om aan deze situatie een einde te maken. Uiteraard zet de Douane ook interventies in op mogelijk onjuiste aangiften van andere indieners.

Waardering bedrijfsleven

De index voor de klanttevredenheid van het bedrijfsleven over de Douane is in 2018 gestegen van 104,3 naar 107,2. De index wordt vastgesteld als een gemiddelde van tien klanttevredenheidcijfers uit het Bewijs van Goede Dienst en betreft een nieuwe indicator. De onderwerpen en normen hiervoor zijn in overleg met het bedrijfsleven vastgesteld. Ten opzichte van 2017 is met name het onderdeel minimale verstoring van geautomatiseerde systemen verbeterd. Dat heeft te maken met een hogere beschikbaarheid van de systemen (98,1% t.o.v. 97,3% een jaar eerder) en de hogere klanttevredenheid over de betrouwbaarheid van de aangiftesystemen. 91,9% van de bedrijven beoordeelt de betrouwbaarheid van de systemen neutraal of positief, tegen 85,2% in 2017. Klanten waarderen verder met name de deskundigheid en professionaliteit van het Douanepersoneel en de betrouwbaarheid van de besluitvorming.

De aantallen correcties en processen-verbaal die voortvloeien uit de controles van de Douane zijn opgenomen in onderstaande tabel.

Correcties en processen-verbaal Veiligheid, Gezondheid, Economie en Milieu (VGEM) en fiscaal (aantallen x 1.000)

Kengetallen Toezicht Douane

2016

2017

2018

Correcties scan- en fysieke controles vracht

5,6

6,1

6,9

Correcties koeriers en postzendingen

10,8

9,5

13,6

Correcties passagiers

15

15,51

15,1

Correcties ambulante controles binnenland/buitengrens

1,2

0,6

1,4

Correcties administratieve controles

0,7

0,3

0,2

Processen-verbaal

15

14

12,8

Noot 1: Het cijfer is ten opzichte van het jaarverslag 2017 aangepast van 10,5 naar 15,5 omdat de definitie van deze grootheid afweek van 2016.

Bron: Belastingdienst/SSO Financieel en Managementinformatie

Toelichting

De kengetallen «correcties scan- en fysieke controles vracht» en «correcties passagiers» liggen in lijn met voorgaande jaren. De toename van het aantal «correcties koeriers en postzendingen» hangt samen met de groei van de hoeveelheid e-commerce zendingen. Deze correcties zijn deels fiscaal (niet naleven van de afdracht van invoerrechten en btw) en gedeeltelijk betreft het gezondheidsaspecten. Bij de ambulante controles zijn enkele nieuwe controletypes ingezet waardoor het aantal correcties is toegenomen. Verder heeft de Douane in 2018 vol ingezet op het herbeoordelen van de DWU vergunningen. Dit heeft tot gevolg dat het aantal uitgevoerde administratieve controles is afgenomen, waardoor het aantal correcties op dit type controle lager is dan voorgaande jaren. De terugloop in het aantal processen-verbaal hangt samen met het feit dat gedurende 2018 de procesgang is herzien, waarbij de registratie van de processen-verbaal niet langer op itemniveau plaatsvindt. Deze procesvereenvoudiging zal naar verwachting ook effect hebben op de aantallen voor 2019.

Realisatie prestatie-indicatoren Inning (meetbare gegevens)
 

Realisatie 2014

Realisatie

2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Streefwaarde 2018

Realisatie 2018

Achterstand invordering

2,3%

2,2%

2,6%

2,7%

2,5–3%

2,9%

Inning invorderingsposten binnen een jaar

58,5%

57,0%

57,2%

54,5%

55–65%

58,3%

Bron: Belastingdienst/SSO Financieel en Managementinformatie

Toelichting

Achterstand invordering

Het percentage «achterstandinvordering» is een indicator voor de relatieve omvang van de betalingsachterstanden die burgers en bedrijven hebben bij de Belastingdienst. De streefwaarde is gerealiseerd. Vanaf 2015 volgt de Belastingdienst niet-direct inbare vorderingen via dynamisch monitoren op nieuwe verhaalsmogelijkheden, waar ze vroeger na enige tijd administratief werden afgeboekt als oninbaar. Dit leidt tot een structurele stijging van het achterstandspercentage, omdat schulden langere tijd worden gevolgd en daarmee het aantal openstaande (langlopende) vorderingen toeneemt.

Inning invorderingsposten binnen een jaar

De realisatie van «inning invorderingsposten binnen een jaar» is binnen de bandbreedte van de streefwaarde uitgekomen.

Massale processen

De Belastingdienst maakt het burgers en bedrijven zo gemakkelijk mogelijk om hun verplichtingen na te komen en hun rechten geldend te maken door massale processen juist, tijdig en efficiënt uit te voeren.

Doelbereiking

Alle realisaties die betrekking hebben op onderstaande prestatie-indicatoren zijn op het gewenste niveau.

Realisatie prestatie-indicatoren Massale processen (meetbare gegevens)
 

Realisatie 2014

Realisatie

2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Streefwaarde 2018

Realisatie 2018

Garantieregeling IH 2017: in maart aangifte gedaan, vóór 1 juli bericht

n.v.t.

99,1%

99,5%

99,5%

100%

100%

Definitief vaststellen toeslagen

85,5%1

84,7%

89,7%

85,5%

85%

89,2%

Percentage toeslagen dat tijdig2 wordt uitbetaald3

n.v.t.

99,99%

99,9%

99,96%

99,9%

99,95%

Aantal ernstige productieverstoringen (aantal damages)

68

76

56

70

Minder verstoringen dan vorig jaar

69

Noot 1: Ten opzichte van het jaarverslag 2017 zijn de realisatiecijfers van 2014 en 2015 omwille van de vergelijkbaarheid aangepast naar 1 decimaal achter de komma.

Noot 2: Tijdig is als het voorschot voor de komende maand op de 20e van de voorafgaande maand voor 24.00 uur op de rekening van de toeslaggerechtigde is bijgeschreven. Indien de 20e in het weekend of op een feestdag valt, wordt het voorschot van de toeslag de volgende werkdag uitbetaald.

Noot 3: De cijfers over 2015 en 2016 zijn op maandbasis berekend en niet gecorrigeerd voor productieverstoringen in het betaalverkeer. Vanaf 2017 wordt in de berekening rekening gehouden met productieverstoringen.

Bron: Belastingdienst/SSO Financieel en Managementinformatie

Toelichting

Garantieregeling IH 2017

De Belastingdienst is erin geslaagd om de garantieregeling goed uit te voeren. Dit betekent dat nagenoeg iedere belastingplichtige vóór 1 juli bericht heeft ontvangen in de vorm van een voorlopige of definitieve aanslag 2017.

Definitief vaststellen toeslagen

De jaarrealisatie ligt boven de streefwaarde. Van de toeslaggerechtigden heeft 89,2% vóór 31 december de definitieve toekenning gekregen. Het definitief vaststellen van Toeslagen is afhankelijk van twee zaken, namelijk:

  • •  de beschikbaarheid van het huishoudinkomen, dat is samengesteld uit de inkomensgegevens van de diverse leden van het huishouden;
  • •  en het aantal toeslagverstrekkingen dat nog in onderzoek is bij de uitvoering van toezicht.

Met name de beschikbaarheid van inkomensgegevens bepaalt het percentage toeslagen dat definitief kan worden vastgesteld voor het jaareinde van toeslagjaar T+1. In 2018 was een groot aantal inkomensgegevens op huishoudniveau beschikbaar, waardoor het percentage iets boven de streefwaarde is uitgekomen.

Percentage toeslagen dat tijdig wordt uitbetaald

De oorzaak van niet tijdige betalingen van toeslagen kan zowel liggen bij verwerking van de Belastingdienst als bij de opgegeven informatie van burgers. De realisatie ligt boven de streefwaarde.

Afname van het aantal ernstige productieverstoringen (aantal damages)

De telling van het aantal ernstige productieverstoringen (damages) ziet op verstoringen in het massale gegevensverwerkende proces die leiden tot overlast aan, benadeling van of onjuiste informatievoorziening aan burgers en/of bedrijven en/of schade voor de kasstroom van het Rijk en/of imagoschade voor het Rijk. Deze verstoringen vragen om een acute en adequate reactie door medewerkers van de Belastingdienst door gebruikmaking van de zogenaamde «damageprocedure» en worden gemeld op de website van de Belastingdienst in het Verstoringenoverzicht. De doelstelling om het aantal ernstige productieverstoringen te verminderen is net gerealiseerd (69 in 2018 tegen 70 in 2017). Uit de evaluatie van de damages blijkt dat veel productieverstoringen hun oorzaak vinden in de complexiteit van de technische infrastructuur waarop applicatiereleases geplaatst moeten worden en in de onderlinge relaties die tussen de applicaties bestaan. Diepgaande kennis en ervaring zijn nodig om de geautomatiseerde productie vlekkeloos te laten verlopen. Aan de borging van deze kennis wordt gewerkt.

Kengetallen massale processen

Onderstaande tabel geeft de ontwikkeling van het aantal belastingplichtigen en toeslaggerechtigden over de afgelopen jaren weer.

Volumeontwikkeling belastingplichtigen en toeslaggerechtigden (aantallen x 1.000)
 

2014

2015

2016

2017

2018

Belastingplichtigen IB/IH

7.847

8.003

8.268

8.150

8.160

Belastingplichtigen Vpb

909

925

952

977

1.002

Inhoudingsplichtigen LB/LH

647

665

678

696

716

Belastingplichtigen OB

1.754

1.784

1.854

1.907

1.997

Toeslaggerechtigden

5.829

5.493

5.570

5.486

5.469

Bron: Belastingdienst/SSO Financieel en Managementinformatie

Toelichting

De cijfers tonen een groei van het aantal belastingplichtigen aan bij de belastingmiddelen IB/IH, Vpb, LB/LH en OB.

Ingediende aangiften inkomstenbelasting (belastingjaar t-1; aantallen x 1.000)
 

2014

2015

2016

2017

2018

Ontvangen aangiften

11.282

11.503

11.705

11.796

12.079

Waarvan digitaal

10.891

11.130

11.403

11.524

11.825

Waarvan papier

391

373

302

272

253

Toelichting

Steeds meer belastingplichtigen kiezen voor de digitale aangifte. Dit heeft geleid tot een verdere daling van het aantal aangiften op papier.

Realisatie prestatie-indicatoren FIOD (meetbare gegevens)
 

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Realisatie

2017

Streefwaarde

2018

Realisatie

2018

Percentage processen-verbaal dat leidt tot veroordeling/transactie

83%

82%

80%

84%

82–85%

87%

Gerealiseerde incasso-opbrengsten1

€ 74,6 mln.

€ 76,4 mln.

€ 273,5 mln.

€ 169,3 mln.

€ 83,3 mln.

€ 101,6 mln.

Omgevingsgerichte strafonderzoeken (% opsporingsuren)

18%

23%

20%

31%

>40%

36%

Noot 1: Excl. boetebedragen

Bron: Belastingdienst/SSO Financieel en Managementinformatie

Toelichting

Percentage processen-verbaal dat leidt tot veroordeling/transactie

De keuze voor de te vervolgen zaken vindt plaats in het overleg tussen het OM, de toezichthouders en de FIOD. In 2018 zijn door het OM 700 processen-verbaal afgerond (2017: 552). Omdat de verwerking van processen-verbaal vaak enige tijd duurt, hebben nog niet al deze processen-verbaal in 2018 geleid tot een uitspraak. In 2018 zijn 204 FIOD-zaken behandeld (2017: 191), waaronder zaken uit eerdere jaren. Van de 204 zaken zijn 27 zaken geseponeerd of hebben geleid tot vrijspraak, dus 177 zaken hebben wel tot een veroordeling geleid. Hieruit volgt het percentage van 87% wat boven de bandbreedte van de streefwaarde is.

Gerealiseerde incasso-opbrengsten

Op basis van afgeronde onderzoeken stelt de FIOD processen-verbaal op en gaat het OM over tot vervolging en/of een transactie. Vervolging kan leiden tot veroordeling, waarbij incasso-opbrengsten voor de Staat gerealiseerd kunnen worden. Transacties leiden ook tot incasso-opbrengsten voor de Staat. Afhankelijk van het soort onderzoek en de mogelijkheden binnen een onderzoek kunnen de hoogtes van de incassobedragen en transacties jaarlijks verschillen. Voor de incasso-opbrengsten is voor deze prestatie-indicator een streefwaarde ontwikkeld waaraan ruimschoots is voldaan. Boetebedragen zijn niet meegenomen in de realisatiecijfers. Indien de boetebedragen wel meegenomen worden dan zien de cijfers er voor de afgelopen drie jaar er als volgt uit: € 363,7 mln. in 2016, € 265,7 mln. in 2017 en € 776,6 mln. in 2018.

Omgevingsgerichte strafonderzoeken (% opsporingsuren)

De FIOD wil in een zo vroeg mogelijk stadium met partners in de keten van toezicht, opsporing en vervolging in verbinding komen om zo meer gezamenlijk fraude op te sporen en daarmee tevens een maatschappelijk effect te bewerkstelligen. De strafonderzoeken die hieruit voortvloeien worden omgevingsgerichte onderzoeken genoemd. De ambitie is dat de FIOD hiervoor een deel van zijn tijd reserveert (>40%). De doelstelling voor 2018 is net niet gerealiseerd. Voor het realiseren van de streefwaarde is veel samenwerking nodig met externe toezichthouders.

Artikel 2 Financiële markten

A. Algemene doelstelling

Beleid en regelgeving maken voor een stabiele en integere werking van financiële markten, met betrouwbare dienstverlening van financiële instellingen aan burgers en bedrijven.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Financiën bevordert het goed functioneren van het financiële stelsel en heeft een regisserende rol. De Minister is verantwoordelijk voor de Nederlandse wetten en regels ten aanzien van de financiële markten en de institutionele structuur van het toezicht. Het daadwerkelijke toezicht op de financiële markten wordt uitgevoerd door DNB en de AFM en sinds 4 november 2014 ook in belangrijke mate door de Europese Centrale Bank (ECB) voor het toezicht op grote en grensoverschrijdende Europese banken.

De randvoorwaarden die de Minister stelt voor een integer en stabiel systeem hebben hun basis in de Wet op het financieel toezicht (Wft). Het gaat hierbij om (het toezicht op nakoming van) regelgeving die financiële instellingen stimuleert en verplicht om op integere en transparante wijze te werk te gaan. Met deze regelgeving en dit toezicht wordt eraan bijgedragen dat consumenten en bedrijven met voldoende informatie en vertrouwen financiële producten kunnen afnemen.

De Minister bevordert de educatie van de burger op financieel gebied, streeft naar een integer financieel stelsel met passende regelgeving in de Wwft en is verantwoordelijk voor de ongestoorde voorziening van voldoende munten in circulatie.

C. Beleidsconclusies

De financiële sector moet dienstbaar zijn aan burgers en bedrijven. Dat staat in de Agenda voor de financiële sector die de Minister van Financiën in 2018 heeft gepubliceerd.82. Drie domeinen staan hierbij centraal: stabiliteit, integriteit en innovatie. De agenda is tot stand gekomen na uitgebreid overleg met experts uit de financiële sector, academici en andere stakeholders. Deze agenda is een belangrijke stap in de richting van een financiële sector die innovatief en duurzaam is, en klaar is voor de toekomst.

Het belang van een stabiel, integer en innovatief financieel stelsel is in 2018 onder andere tot uiting gekomen door:

  • •  De invoering van de Wet toezicht trustkantoren 2018, die strekt tot verdergaande regulering van het verlenen van diensten door trustkantoren. De normen waaraan trustkantoren moeten voldoen worden aangescherpt en het instrumentarium dat DNB als toezichthouder kan inzetten wordt uitgebreid;
  • •  De inzet op aanscherping van beloningsregels, o.a. naar aanleiding van de evaluatie Wet beloning financiële ondernemingen (Wbfo);
  • •  De aanpassing, versterking en uitbreiding van het huidige instrumentarium ten aanzien van herstel en afwikkeling van (insolvente) verzekeraars;
  • •  De implementatie van de vierde anti-witwasrichtlijn, die het witwassen van uit criminaliteit verkregen geld of het aanwenden van gelden of voorwerpen voor terroristische doeleinden, met gebruikmaking van het financieel stelsel, verder aanpakt;
  • •  Betere bescherming van de consument. Net zoals banken over voldoende buffers moeten beschikken, moet voorkomen worden dat huishoudens te hoge schulden aangaan;
  • •  De behandeling van de wet implementatie herziene betaaldienstenrichtlijn (PSD2) in de Eerste en Tweede Kamer.

In 2018 is verder gewerkt aan de verbetering en versterking van de bankenunie aan de hand van de zogenoemde routekaart uit 2016. Met een principeakkoord op hoofdlijnen over de voorstellen van de Europese Commissie (EC) om de risico’s in de bankensector verder terug te dringen, is hierin een belangrijke stap gezet. De voorstellen zijn vooral gericht op het verhogen van de buffers die banken dienen aan te houden, zowel in kwantiteit als in kwaliteit. De maatregelen worden ingevoerd door bestaande Europese richtlijnen aan te passen.

In Europees verband is gewerkt aan een verdere totstandkoming van een Europese kapitaalmarktunie. De kapitaalmarktunie-agenda beslaat 17 wetgevende voorstellen. In 2018 is er op een aantal van deze wetgevende voorstellen een Raadsakkoord bereikt. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om de voorstellen voor een Pan Europees Persoonlijk Pensioenproduct (PEPP), gedekte obligaties, grensoverschrijdend aanbieden van beleggingsfondsen en voorstellen op het gebied van duurzaamheid.

Diversiteit, concurrentie en transparantie in de Nederlandse financiële sector leiden ertoe dat gevestigde marktpartijen zich uitgedaagd voelen om prijzen te verlagen en keuzemogelijkheden voor consumenten en bedrijven te vergroten. In dit kader heeft in 2018 de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel implementatie herziene betaaldienstenrichtlijn (PSD2)83 plaatsgevonden. Hierdoor is het voor nieuwe betaaldienstverleners makkelijker geworden om toe te treden tot de markt.

D. Tabel Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid – artikel 2 Financiële markten (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

Verplichtingen

– 9.827.776

– 4.225.045

4.185.048

151.029

– 50.454

28.769

– 79.223

Waarvan betalingsverpichtingen

65.266

11.064

21.548

21.999

16.547

28.769

– 12.222

Muntcirculatie

17.415

– 880

9.854

5.961

2.076

11.263

– 9.187

Vakbekwaamheid

3.496

6.324

5.097

4.726

3.762

3.930

– 168

Bijdrage DNB BES-toezicht en FEC

20.811

2.125

1.676

3.275

4.472

2.289

2.183

Overige betalingsverplichtingen

23.544

3.495

4.921

8.037

6.238

11.287

– 5.049

               

Waarvan garantieverpichtingen:

– 9.893.042

– 4.236.109

4.163.500

129.030

– 67.000

0

– 67.000

Garantie verhoging plafond kredietfaciliteit AFM

 

18.000

 

– 6.000

– 2.000

 

– 2.000

Garantieregeling bancaire leningen

– 9.892.984

     

0

 

0

Garantie WAKO

 

– 4.254.099

   

0

 

0

Garantie stichting waarborgfonds

– 58

– 10

 

30

0

 

0

Garantie SRF

   

4.163.500

 

0

 

0

Garantie BES

     

135.000

– 65.000

 

– 65.000

Overige garantieverplichtingen

         

0

0

               

Uitgaven

58.452

17.285

18.834

21.980

21.916

28.769

– 6.853

               

Subsidies

4.584

6.324

436

437

436

436

0

Vakbekwaamheid

4.584

6.324

436

437

436

436

0

               

Garanties

     

1.000

1.000

1.000

0

Dotatie begrotingsreserve DGS BES

     

1.000

1.000

1.000

0

               

Bekostiging

10.633

6.568

8.879

7.253

10.304

13.037

– 2.733

Rechtspraak Financiële Markten

988

1.119

1.163

1.102

1.295

1.259

36

Muntcirculatie

9.645

5.425

7.606

5.960

6.836

11.263

– 4.427

Afname munt in circulatie

0

0

0

0

1.702

0

1.702

Toezicht en handhaving MIF

     

0

0

120

– 120

PSD II

     

191

291

195

96

Overig

0

24

110

0

180

200

– 20

               

Opdrachten

1.456

1.688

6.686

9.600

4.964

4.202

762

Wijzer in geldzaken

1.456

1.688

2.025

1.910

1.638

272

1.366

Vakbekwaamheid

   

4.661

4.289

3.326

3.930

– 604

Overig

     

3.400

0

0

0

               

Bijdrage aan zbo's en RWT's

41.358

2.306

2.073

3.680

4.832

9.694

– 4.862

Bijdrage AFM BES-toezicht

20.547

181

397

339

361

405

– 44

Bijdrage DNB BES-toezicht en FEC

20.811

2.125

1.676

3.341

4.472

2.289

2.183

Overig

       

0

7.000

– 7.000

               

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

420

400

760

10

380

400

– 20

Caribbean Financial Action Taskforce

40

20

0

10

0

20

– 20

IASB

380

380

760

0

380

380

0

               

Ontvangsten

814.597

80.674

56.555

27.645

13.426

13.021

405

               

Garanties

99.636

0

0

0

0

0

0

Feeopbrengsten garantieregeling bancaire leningen

99.636

0

0

0

0

0

0

               

Leningen

623.085

58.491

0

0

0

0

0

Ontvangsten IJsland

623.085

58.491

0

0

0

0

0

               

Bekostiging

86.992

11.185

26.970

18.896

2.036

5.184

– 3.148

Ontvangsten muntwezen

3.288

4.698

10.576

3.325

2.036

5.184

– 3.148

Toename munten in circulatie

83.704

6.487

16.394

15.571

0

0

0

               

Overig

4.884

10.998

29.585

8.748

11.390

7.837

3.553

Overige programma-ontvangsten

4.884

10.998

29.585

8.748

11.390

7.837

3.553

E. Toelichting op de instrumenten

Verplichtingen

Betalingsverplichtingen (– € 12,2 mln.)

Muntcirculatie (– € 9,2 mln.)

De uitgaven vallen € 4,4 mln. lager uit aangezien er minder munten zijn geslagen dan aanvankelijk was verondersteld. Daarnaast zijn enkele betalingsverplichtingen uit het verleden afgeboekt ter hoogte van € 4,8 mln.

Garantieverplichtingen (– € 67 mln.)

Kredietfaciliteit AFM (– € 2 mln.)

De kredietfaciliteit van de AFM is licht naar beneden bijgesteld, aangezien de AFM een langlopende lening heeft afgelost.

Garantie BES (– € 65 mln.)

Het DGS BES vloeit voort uit het DGS dat per 4 oktober 2017 voor Caribisch Nederland is ingevoerd. DNB schatte aanvankelijk in dat een dekkingsplafond van € 135 mln. nodig was. Deze schatting is in 2018 bijgesteld tot € 70 mln., ten gevolge waarvan de garantie met € 65 mln. naar beneden is bijgesteld.

Uitgaven

Bekostiging (– € 2,7 mln.)

Muntcirculatie (– € 4,4 mln.)

De uitgaven vallen lager uit aangezien er minder munten zijn geslagen dan aanvankelijk was verondersteld.

Afname munt in circulatie (+ 1,7 mln.)

Het afgelopen jaar zijn er via DNB minder munten in omloop gebracht dan dat er uit omloop zijn teruggekomen. Als gevolg daarvan heeft DNB het afgelopen jaar per saldo een bedrag van € 1,7 mln. aan nominale waarde van in de markt uitgezette munten uit de schatkist ontvangen.

Bijdrage aan zbo’s en RWT’s (– € 4,9 mln.)

Bijdrage DNB BES Toezicht en Financieel Expertise Centrum (FEC; + € 2,2 mln.)

Deze uitgaven zien met name op de besteding van de door het Kabinet extra ter beschikking gestelde Contra terrorisme (CT) gelden die zijn aangewend voor de structurele financiering van de activiteiten op het terrein van de bestrijding van Terrorismefinanciering door het FEC van € 1,4 mln. Daarnaast is de overheidsbijdrage voor het toezicht op de BES-eilanden licht toegenomen.

Overig (– € 7,0 mln.)

In de begroting was € 7 mln. opgenomen als bijdrage van het Ministerie van Financiën voor het oprichten van een openbaar register met informatie over uiteindelijk belanghebbenden (Ultimate Beneficial Owners, UBO’s) van rechtspersonen en ondernemingen. Dit bedrag is in 2018 overgeheveld naar de begroting van het Ministerie van J&V. De realisatie op dit artikel is derhalve nul.

Ontvangsten

Bekostiging (– € 3,1 mln.)

Ontvangsten muntwezen (– € 3,1 mln.)

Het gaat hierbij om de volgende ontvangsten: nominale waarde van de door de KNM afgenomen muntsets en bijzondere munten, royalty’s vanwege door de KNM verkochte dukaten, opbrengst van verkochte ontwaarde munten (schrot) en opbrengst vanwege aan andere landen geleverde munten. De opbrengsten kunnen van jaar op jaar sterk verschillen hetgeen niet altijd goed te voorspellen is. Het merendeel van de ontvangsten is afkomstig van de KNM.

Overig (+ € 3,6 mln.)

In 2018 is € 1,6 mln. aan boeteopbrengsten ontvangen van AFM. Daarnaast is € 0,4 mln. terugontvangen van DNB in het kader van de coulanceregeling DGS. Ook is meer ontvangen aan leges voor wft-examens.

Artikel 3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector

A. Algemene doelstelling

Optimaal financieel resultaat bij de realisatie van publieke doelen; in het bijzonder bij het investeren in en verwerven, beheren en afstoten van de financiële en materiële activa van de Staat.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Financiën stimuleert en regisseert een verantwoorde en doelmatige besteding van overheidsmiddelen. Bedrijfseconomische expertise wordt ingezet bij staatsdeelnemingen, investeringsprojecten, en transacties van de rijksoverheid.

De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor:

  • •  een optimaal financieel resultaat bij het beheren, aangaan en afstoten van staatsdeelnemingen met inachtneming van de betrokken publieke belangen;
  • •  het toetsen en adviseren op bedrijfseconomische doelmatigheid bij het realiseren van grote publieke investeringsprojecten, zodat vakdepartementen hun projecten binnen budget, op tijd en met de gewenste kwaliteit kunnen realiseren. Voorbeelden van deze projecten zijn DBFM(O)84-projecten, bedrijfsvoerings- en duurzaamheidsprojecten, en veilingen waarbij exclusieve rechten in de markt worden gezet;
  • •  het overkoepelende DBFM(O)-beleid en de regie van het systeem dat ervoor moet zorgen dat DBFM(O) in Nederland structureel goed verankerd is en toegepast wordt;
  • •  het beheren en afwikkelen van de tijdelijke overheidsinvesteringen in de gesteunde financiële instellingen. In dit kader is de Minister van Financiën verantwoordelijk voor zwaarwegende en/of principiële beslissingen (onder andere exitstrategie en beloningsbeleid van de financiële instellingen) van, alsmede het houden van toezicht op NL Financial Investments (NLFI);
  • •  het toetsen van door vergunninghouders gestelde financiële zekerheid ter dekking van de kosten die voortvloeien uit het buiten gebruik stellen en de ontmanteling van instellingen vallend onder de Kernenergiewet.

De Minister van Financiën heeft een aantal instrumenten tot zijn beschikking, die ingezet kunnen worden voor de invulling van zijn verantwoordelijkheid:

  • •  bevoegdheden die de Minister van Financiën heeft op basis van de Comptabiliteitswet;
  • •  bevoegdheden die de Minister van Financiën heeft op basis van de Kernenergiewet;
  • •  bevoegdheden die de Minister van Financiën heeft op basis van de Telecommunicatiewet;
  • •  de Wet stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen (NLFI);
  • •  bevoegdheden die de Minister van Financiën heeft als aandeelhouder op basis van Boek 2 Burgerlijk Wetboek en de statuten van de ondernemingen;
  • •  de gedragsregels uit de Corporate Governance Code voor zijn rol als aandeelhouder in staatsdeelnemingen;
  • •  het kader voor het gebruik van businesscases binnen het Rijk (handleiding publieke businesscase);
  • •  PPS-code (publiek-private samenwerking): de beheercode voor goede bedrijfsvoering binnen de rijksoverheid gericht op een doelmatige en rechtmatige inzet van het instrument van publiek-private samenwerking bij de realisatie en de exploitatie van (met name meerjarige) investeringsprojecten. Deze beheercode is nader uitgewerkt in een aantal specifieke toezichtsafspraken op het gebied van huisvesting en infrastructuur;
  • •  structureel en incidenteel overleg met bestuurders en commissarissen van de staatsdeelnemingen.

Bovenstaande instrumenten zijn verschillend van aard. De bevoegdheden die voortvloeien uit het Burgerlijk Wetboek, Comptabiliteitswet, Wet stichting administratiekantoorbeheer financiële instellingen en de Kernenergiewet vormen de basis van de (formele) zeggenschap. De overige instrumenten hebben een meer informeel karakter, zijn richtinggevend (zoals de Corporate Governance Code) of dienen als randvoorwaarde om invulling te kunnen geven aan de beleidsdoelstelling (zoals de beschikbaarheid over en/of toegang tot de benodigde kennis).

C. Beleidsconclusies

Deelnemingen

In 2018 is de Nota Deelnemingenbeleid Rijksoverheid 2013 verder ingevoerd en is nader invulling gegeven aan de borging van publieke belangen en het actief aandeelhouderschap van de Staat. De inspanningen van de Staat dragen bij aan goed ondernemingsbestuur bij de ondernemingen. De Minister beoogt jaarlijks de effecten van zijn aandeelhouderschap in de reguliere staatsdeelnemingen te meten. Daartoe zijn in de begroting vier meetbare kengetallen/streefwaarden opgenomen. In onderstaande tabel is de realisatie van 2018 afgezet tegen de streefwaarde zoals deze in de begroting 2018 was opgenomen.

Kengetallen deelnemingenbeleid (meetbare gegevens)1Ten opzichte van 2017 is het kengetal «percentage van deelnemingen waarin de nieuwe statuten en investeringsdrempels zijn vastgesteld» komen te vervallen, aangezien het hier ging om een eenmalige actie die inmiddels is afgerond. In plaats daarvan zijn twee kengetallen toegevoegd over het percentage vrouwen in de top van staatsdeelnemingen, aangezien het kabinet streeft naar diversiteit in de top van het bedrijfsleven, ook bij staatsdeelnemingen.
 

Realisatie 2017

Streefwaarde 2018

Realisatie 2018

Percentage van deelnemingen waar een specifieke minimum rendementseis is vastgesteld

100% (n=11)

100%

100% (n=11)

Percentage van deelnemingen waar het beloningsbeleid is herijkt

75% (n=12)

100%

75% (n=12)

Aantal deelnemingen met >30% vrouwen in de raad van bestuur (RvB)

 

67%

60%

Aantal deelnemingen met >30% vrouwen in de raad van commissarissen (RvC)

 

100%

67%

In bovenstaande tabel is te zien dat het eerste kengetal al in 2017 is gerealiseerd. Het is echter niet gelukt om in 2018 het herijken van het beloningsbeleid bij alle deelnemingen af te ronden. Het beloningsbeleid van NS, Tennet en Havenbedrijf Rotterdam dient nog te worden herijkt. De gesprekken hierover met deze deelnemingen lopen nog en hebben meer tijd nodig dan aanvankelijk gepland. De verwachting is dat dit in 2019 wordt afgerond.

In 2018 zijn vijf nieuwe bestuurders benoemd. Hiervan zijn er drie vrouw, die allen de CEO-functie vervullen (Bank Nederlandse Gemeenten (BNG), TenneT, NWB Bank). Bij NWB Bank is een zittend vrouwelijk directielid CEO geworden. In 2018 zijn tien nieuwe commissarissen benoemd, vier hiervan zijn vrouw. Het toetreden van vrouwen tot de bestuurslagen wordt actief gestimuleerd. Dit is ook een speerpunt in 2019. Het is echter niet gelukt om de streefwaardes te behalen, noch voor RvB, noch voor RvC. Het behalen van de streefwaardes is mede afhankelijk van personele wisselingen en beslissingen tot herbenoeming. Zo zal de Staat als aandeelhouder bij goed functionerende, mannelijke bestuurders of commissarissen tot herbenoeming overgaan, ook al is niet voldaan aan het wettelijk streven.

Naast bovenstaande benoemingen zijn in 2018 in totaal 19 investeringsvoorstellen beoordeeld en 18 voorstellen goedgekeurd aan de hand van het opgestelde investeringskader. Buitenlandse investeringen hebben de bijzondere aandacht van de Minister. De Minister heeft de deelnemingen geïnformeerd dat, net als bij investeringen binnen Nederland, de bijdrage van de investering aan de borging van het (Nederlandse) publieke belang centraal staat bij de beoordeling. De in de Nota Deelnemingenbeleid Rijksoverheid 2013 opgenomen criteria voor buitenlandse investeringen zijn nog steeds actueel. In de praktijk wordt elk buitenlands investeringsvoorstel (net als binnenlandse investeringsvoorstellen) individueel beoordeeld en spelen ook de omstandigheden op het moment van beoordeling een rol. De Minister is van mening dat buitenlandse investeringen alleen gerechtvaardigd zijn als de belangrijkste activiteiten in Nederland op orde zijn. Daarnaast wordt gekeken naar het strategische belang van de investering. Tot slot is het trackrecord dat de deelneming heeft opgebouwd in het buitenland, waaronder het behaalde financiële rendement, een belangrijk criterium.

In de begroting van 2018 was opgenomen dat NLFI de exitstrategie voor de verschillende financiële instellingen verder zou uitvoeren. In 2018 hebben geen verkopen plaatsgevonden, maar NLFI heeft wel de voortgang van de transitie van de Volksbank beoordeeld. De afspraken uit het Regeerakkoord gelden nog steeds: het kabinet streeft naar een verantwoorde exit uit de financiële deelnemingen.

Daarnaast is de in de begroting voor 2018 geplande beleidsevaluatie van Gasunie uitgevoerd. KLM is in tegenstelling tot de aankondiging in de begroting niet in 2018 geëvalueerd, maar TenneT die pas voor 2020 op de planning stond wel. Het lag voor de hand om TenneT en Gasunie tegelijk te evalueren aangezien het deelnemingen uit dezelfde sector zijn. In het nog te verschijnen Jaarverslag Staatsdeelnemingen 2018 rapporteert de Staat uitgebreid over de prestaties van de staatsdeelnemingen en de uitgevoerde evaluaties.

Publiek-private investeringen

Ook als het gaat om projecten en vraagstukken op het publiek-private snijvlak heeft de Minister van Financiën in 2018 ingezet op het bevorderen van doelmatige overheidsbestedingen. Er is bedrijfseconomische expertise geleverd op diverse financieringsvraagstukken, waaronder de voorbereidingen van de oprichting van de investeringsinstelling Invest-NL, de aanschaf van nieuw defensiematerieel, de mogelijke bouw van een nieuwe kernreactor in Petten voor medische isotopen, en de voorbereidingen op de privatisering van Intravacc. Daarnaast heeft het Ministerie van Financiën geadviseerd bij verschillende dossiers binnen de energietransitie. Verder heeft het Ministerie van Financiën, ter invulling van de verantwoordelijkheden van de Minister van Financiën, onder meer toezicht gehouden op de contractafweging bij investeringen in Rijksgebouwen en infrastructuur (DBFM(O)-beleid), op de financiële zekerheidstelling voor de ontmanteling van kerncentrales, en op de inrichting van de multibandveiling voor telecomfrequenties.

D. Tabel Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid – artikel 3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

Verplichtingen

– 1.435.070

1.760.839

223.513

220.501

– 5.612.568

18.588

– 5.631.156

Waarvan betalingsverplichting:

83.350

2.737.739

3.400.941

279.701

117.571

18.588

98.983

Afdrachten Staatsloterij

   

177.819

100.268

101.927

0

101.927

Lening SRH

     

164.062

1.656

1.656

0

Kapitaalinjectie TenneT

   

780.000

0

0

0

0

Overgenomen schuld Propertize

   

2.386.461

0

0

0

0

Aankoop SNS Bank

 

2.700.000

0

0

0

0

0

Overige betalingsverplichtingen

83.350

37.739

56.661

15.371

13.998

16.932

– 2.944

               

Waarvan garantieverplichting:

– 1.518.420

– 976.900

– 3.177.428

– 59.200

– 5.730.139

0

– 5.730.139

Garantie DNB winstafdracht

0

0

0

0

– 5.700.000

0

– 5.700.000

Garantie Counter Indemnity

– 950.000

0

0

0

0

0

0

Garanties en vrijwaringen staatsdeelnemingen

– 2.010

0

– 554.328

– 59.200

– 30.139

0

– 30.139

Garantie SNS Propertize

– 566.410

– 976.900

– 2.623.100

0

0

0

0

               

Uitgaven

2.805.899

1.137.790

2.615.449

266.104

466.499

366.932

99.567

               

Vermogensverschaffing

   

15.900

150.000

350.000

350.000

0

Kapitaalinjectie TenneT

     

150.000

350.000

350.000

0

Conversie schuld KNM

   

15.900

0

0

0

0

               

Bijdrage aan RWT

17.100

17.920

24.729

8.000

5.000

7.500

– 2.500

NLFI

17.100

17.920

24.729

8.000

5.000

7.500

– 2.500

               

Garantie

4.806

4.836

4.824

4.800

4.806

4.900

– 94

Regeling BF

6

0

24

0

6

100

– 94

Dotatie begrotingsreserve TenneT

4.800

4.800

4.800

4.800

4.800

4.800

0

Overig

 

36

0

0

0

0

0

               

Lening

2.778.719

0

2.386.461

0

0

0

0

Overgenomen schuld Propertize

   

2.386.461

0

0

0

0

Management Fee IABF

272

0

0

0

0

0

0

Funding Fee IABF

2.778.201

0

0

0

0

0

0

Incidentele uitgaven IABF

246

0

0

0

0

0

0

Overbruggingskrediet SNS

0

0

0

0

0

0

0

               

Acquisitie

 

1.101.950

0

0

0

0

0

Aankoop SNS Bank

 

1.101.950

0

0

0

0

0

               

Opdrachten

5.274

13.084

5.716

3.035

4.766

4.532

234

Uitvoeringskosten staatsdeelnemingen

5.274

13.084

5.716

3.035

3.674

4.532

– 858

Opstart InvestNL

       

1.092

0

1.092

               

Vermogensonttrekking

   

177.819

100.268

101.927

0

101.927

Afdrachten Staatsloterij

   

177.819

100.268

101.927

0

101.927

               

Ontvangsten

8.858.957

7.518.712

7.921.995

7.526.800

2.096.992

984.550

1.112.442

               

Vermogensonttrekking

2.311.287

6.375.036

5.531.581

7.349.001

2.087.316

973.000

1.114.316

Opbrengst verkoop vermogenstitels

4.111

3.838.194

3.264.213

5.715.676

0

0

0

Dividend en afdrachten staatsdeelnemingen

1.188.537

1.633.590

1.915.857

1.492.495

1.869.999

967.000

902.999

Afdrachten Staatsloterij

   

177.819

100.268

101.927

0

101.927

Winstafdracht DNB

1.118.639

903.252

173.692

40.561

115.391

6.000

109.391

waarvan Griekse inkomsten ANFA

27.427

35.000

46.899

59.850

48.450

0

48.450

waarvan Griekse inkomsten SMP

134.897

98.000

70.402

57.950

51.300

27.000

24.300

               

Bijdrage aan RWT

15.417

16.276

20.902

7.457

4.403

6.750

– 2.347

NLFI

15.417

16.276

20.902

7.457

4.403

6.750

– 2.347

               

Leningen

6.503.836

1.111.533

2.355.822

161.000

0

0

0

Lening SRH

     

161.000

0

0

0

Overgenomen schuld Propertize

   

2.355.822

0

0

0

0

Verwachte portefeuille ontvangsten IABF

4.231.221

0

0

0

0

0

0

Additionele fee IABF

1.229

0

0

0

0

0

0

Additionele garantie fee IABF

163

0

0

0

0

0

0

Verhandelbaarheidsfee

615

0

0

0

0

0

0

Overbruggingskrediet SNS

 

1.100.000

0

0

0

0

0

Renteontvangsten SNS krediet

20.608

11.533

0

0

0

0

0

Aflossing kapitaalverstrekkingen ING, Aegon en SNS Reaal

1.500.000

0

0

0

0

0

0

Couponbetaling en/of boetebetaling kapitaalversterking ING, Aegon en SNS Reaal

750.000

0

0

0

0

0

0

               

Garantie

20.129

15.365

13.515

9.334

4.846

4.800

46

Garantie overig

916

924

915

481

46

0

46

Premie-ontvangsten garantie TenneT

4.800

4.800

4.800

4.800

4.800

4.800

0

Premie-inkomsten Counter Indemnity

12.493

0

0

0

0

0

0

Garantie fee Propertize

1.920

9.641

7.800

4.053

0

0

0

               

Opdrachten

8.288

502

175

6

427

0

427

Terug te vorderen uitvoeringskosten staatsdeelnemingen

8.288

502

175

6

427

0

427

E. Toelichting op de instrumenten

Verplichtingen

Garantieverplichtingen (– € 5.730,1 mln.)

Garantie DNB winstafdracht (– € 5.700,0 mln.)

De in 2013 afgegeven garantie aan DNB ter waarde van € 5,7 mld. is per 1 maart 2018 afgelopen.85 De garantie is daarmee komen te vervallen.

Garanties en vrijwaringen staatsdeelnemingen (– € 30,1 mln.)

De NS heeft haar uitstaande leningen bij Eurofima afgelost. Hierdoor komt de garantie t.w.v. € 30 mln. te vervallen. Daarnaast heeft er een uitkering plaatsgevonden onder de garantie aan KNM (€ 0,1 mln.).

Uitgaven

Vermogensonttrekking (+ € 101,9 mln.)

Om te voldoen aan de Wet op de kansspelen wordt in de begroting en verantwoording een technische post opgenomen bij zowel de uitgaven, betalingsverplichtingen als de ontvangsten (€ 101,9 mln.) ter hoogte van de afdrachten van de Staatsloterij.

Ontvangsten

Vermogensonttrekking (+ € 1.114,3 mln.)

Dividenden en afdrachten staatsdeelnemingen (+ € 903,0 mln.)

De realisatie voor 2018 valt hoger uit dan geraamd. Dit is met name het gevolg van goede winstcijfers en daarmee hoger dan geraamde dividendrealisaties van BNG, Holland Casino, ABN AMRO en de Volksbank.

Afdrachten Staatsloterij (+ € 101,9 mln.)

Zie uitgaven: Afdrachten staatsloterij.

Winstafdracht DNB (+ € 109,4 mln.)

De winstafdrachtraming is naar boven bijgesteld vanwege het feit dat de inkomsten op de bij DNB aangehouden deposito’s van centrale banken van buiten het Eurosysteem stijgen.

Artikel 4 Internationale financiële betrekkingen

A. Algemene doelstelling

Een bijdrage leveren aan een financieel gezond en welvarend Europa en een evenwichtige internationale financieel-economische ontwikkeling.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Nederlandse economie wordt door zijn openheid en relatief beperkte grootte sterk beïnvloed door internationale financieel-economische ontwikkelingen. Dit betreft voor een belangrijk deel ontwikkelingen in de lidstaten van de EU. Verreweg het grootste deel van de Nederlandse export en import gaat naar of komt uit andere Europese landen. Een sterke Europese economie heeft daarmee een directe weerslag op de Nederlandse economie. Mede om die reden is Nederland gebaat bij een gezonde financieel-economische ontwikkeling en een stabiele budgettaire en monetaire ontwikkeling in de EU en haar lidstaten, waarbij ook de financiële stabiliteit binnen de eurozone gewaarborgd is. De Minister van Financiën speelt in Nederland op dit gebied een regisserende rol en maakt daarbij gebruik van een aantal instrumenten.

Ten behoeve van de bevordering van financiële stabiliteit neemt de Minister actief deel aan internationale overleggen (onder andere Economic and Financial Affairs Council (Ecofinraad) en Eurogroep) ter versterking van de begrotingsdiscipline van lidstaten van de EU en een stabiele macro-economische omgeving in de eurozone. Hieronder valt ook de economische beleidscoördinatie in de EU en de EMU in het kader van het Europees semester.

Verder neemt de Minister van Financiën besluiten over het Nederlandse standpunt met betrekking tot aanvragen voor het Exchange Rate Mechanism (ERM) II en voor invoering van de euro door andere lidstaten. Tevens draagt de Minister van Financiën het Nederlandse standpunt over de EU-begroting uit. De Minister ziet erop toe dat deze EU-begroting volgens de afspraken van het Meerjarig Financieel Kader (MFK; 2014–2020) wordt vormgegeven.

In internationaal verband zijn maatregelen getroffen om de wereldeconomie minder gevoelig te maken voor financieel-economische crises en te zorgen dat de gevolgen, mocht een dergelijke crisis toch plaatsvinden, zo beperkt mogelijk blijven. De Minister van Financiën draagt bij aan het beheer van stabilisatiemechanismen, zoals het European Financial Stability Facility (EFSF) en het European Stability Mechanism (ESM) ten behoeve van het bewaken van de financiële stabiliteit in de eurozone.

Internationale financiële instellingen (IFI’s), waaronder het IMF, de Wereldbank, de European Bank for Reconstruction and Development (EBRD), de EIB en de AIIB dragen in belangrijke mate bij aan een evenwichtige internationale financieel-economische ontwikkeling. Zij vervullen een belangrijke rol bij het financieel-economisch beleidstoezicht, bevorderen de ontwikkeling van lage- en middeninkomenslanden en vormen een financieel vangnet in geval van een crisis. De Minister houdt als aandeelhouder toezicht op deze IFI’s en hun financiële soliditeit en bestuur, met als doel deze instellingen gezond en sterk te houden. Hierbij bewaakt de Minister ook de financiële belangen van de Nederlandse overheid en burger. Ook ziet de Minister toe op de effectiviteit van de internationale financiële architectuur, waarbij het cruciaal is dat IFI’s hun eigen rol hierbinnen uitvoeren en hun middelen effectief en efficiënt inzetten.

Daarnaast levert de Minister een bijdrage aan de internationale beleidsdiscussie en beleidsrespons bij internationale fora, zoals de Ecofinraad, Eurogroep, verschillende OESO-werkgroepen en commissies en discussies bij het IMF, de Wereldbank en andere IFI’s.

C. Beleidsconclusies

EU/Eurozone

In mei 2018 heeft de EC het voorstel voor het MFK 2021–2027 gepresenteerd. Dit voorstel behelst mede als het gevolg van uittreding van het VK een toename van de Europese begroting van 1,00% van het BNI van de EU naar 1,11%, terwijl Nederland een stabiel niveau nastreeft. In het najaar zijn de onderhandelingen gestart, waarbij Nederland samenwerkt met andere netto-betalende lidstaten om de omvang van de Europese begroting te beperken. De Europese jaarbegroting voor 2018 heeft zich binnen de afspraken van het lopende MFK (2014–2020) ontwikkeld.

Tijdens de Eurotop van 29 juni 2018 hebben de regeringsleiders afspraken gemaakt om de EMU verder te verdiepen, bijvoorbeeld door het ESM een grotere rol in toekomstige macro-economische programma’s te laten spelen. Ook zijn randvoorwaarden geformuleerd om beter om te gaan met het zekerstellen van de houdbaarheid van de overheidsschuld van het betreffende land bij de aanvraag van een ESM-programma.86 Daardoor lopen belastingbetalers uit andere eurozonelanden minder risico en worden ESM-middelen niet onnodig ingezet. Daarnaast is een raamwerk opgesteld voor de in 2013 aangekondigde publieke achtervang voor het resolutiefonds dat bij het ESM zal worden ondergebracht.87 Dankzij deze achtervang heeft het resolutiefonds extra vuurkracht bij een grote financiële crisis. De bankensector moet de leningen van het ESM zelf terugbetalen. De regeringsleiders hebben eind 2018 gesproken over de uitwerking van bovengenoemde afspraken en verzocht om de afspraken in de eerste helft van 2019 om te zetten in concrete wijzigingen van het ESM-verdrag.

Gedurende het jaar is tussen de lidstaten ook veelvuldig van gedachte gewisseld over de noodzaak van een eurozonebegroting voor het stabiliseren van asymmetrische schokken, mede op basis van een voorstel voor een verordening van de EC en de zogenaamde Meseberg-verklaring waarin Frankrijk en Duitsland een gezamenlijke visie op de EMU uiteen hebben gezet. In lijn met het regeerakkoord heeft Nederland zich als een overtuigd tegenstander van een dergelijke begroting opgesteld en daarbij ook de nodige medestanders gezocht. Als uitkomst van deze discussie hebben de regeringsleiders aan de EU-ministers van Financiën verzocht om binnen het kader van het meerjarig EU-begrotingsraamwerk te werken aan een instrument waarmee het concurrentievermogen en de verdere convergentie tussen eurozone-economieën kan worden versterkt.

Op 14 november 2018 is het terugtrekkingsakkoord samen met een politieke verklaring over het raamwerk voor de toekomstige relatie tussen de EU en het VK gepubliceerd.88 Voor wat betreft de financiële afwikkeling zijn in het terugtrekkingsakkoord duidelijke afspraken gemaakt over wat de verplichtingen zijn waar het VK zich aan verbindt. Ook bevat het terugtrekkingsakkoord een overgangsperiode tot en met eind 2020, waarin het VK wordt behandeld als ware het een lidstaat. Het terugtrekkingsakkoord moet goedgekeurd worden door het Europees Parlement, de Raad van de EU en het parlement van het VK. Nederland houdt vast aan de gezamenlijke EU-inzet gericht op een zo ordelijk mogelijke Brexit. Nederland houdt echter onverminderd rekening met een no-deal scenario dat zich kan voordoen en blijft zich hierop voorbereiden.

Verder is het derde Griekse programma op 20 augustus 2018 afgerond. Dit programma startte in augustus 2015 en in de programmaperiode heeft Griekenland financiële steun ontvangen vanuit het ESM. Nederland heeft zich in 2018 ingezet voor de succesvolle afronding van het ESM-programma, waarin de voortdurende toekomstige verplichtingen van Griekenland met betrekking tot de gemaakte afspraken gewaarborgd blijven.

IFI’s

In 2018 heeft Nederland zich bij de IFI’s ingezet voor het vergroten van de effectiviteit en de efficiëntie van deze instellingen, bijvoorbeeld door in te zetten op sober beloningsbeleid en balansoptimalisatie. Ook heeft Nederland zich ingespannen voor meer transparantie van schulden en om te voorkomen dat lage-inkomenslanden meer lenen dan zij kunnen dragen, onder andere door dit onderwerp te bespreken bij het IMF, de Wereldbank en de Club van Parijs.

In bredere zin heeft Nederland bijgedragen door samen op te trekken met gelijkgezinde landen en betrokkenheid bij discussies, zoals bij de werkgroepen van de G20. Nederland heeft in 2018 deelgenomen aan vergaderingen en werkgroepen binnen het G20 finance track onder Argentijns voorzitterschap. Tevens heeft Nederland in 2018 een G20 werkgroep (de «Framework Working Group») georganiseerd. Dit omvatte een driedaags evenement waarmee Nederland als gastland in de gelegenheid was zowel inhoudelijk als organisatorisch bij te dragen aan de agenda van de G20, bijvoorbeeld door de Nederlandse positie op belangrijke G20-onderwerpen, zoals het belang van het doorvoeren van structurele hervormingen en het opbouwen van begrotingsbuffers, uit te dragen. Nederland is in december 2018 voor het derde opeenvolgende jaar uitgenodigd als gastland voor de G20 in 2019 onder het Japanse voorzitterschap.

Naast aandacht voor crisispreventie en beleidstoezicht, legden de IFI’s in 2018 de nadruk op duurzame en inclusieve groei. Dit gebeurde onder meer door investeringen (de Wereldbank heeft in 2018 $ 66,9 mld. aan leningen, garanties en eigen vermogen verstrekt voor ontwikkeling aan overheden en bedrijven in partnerlanden),89 beleidsdialoog met en technische assistentie aan overheden en in diverse publicaties/rapporten. Daarnaast is het IMF bij programmafinanciering ook rekening gaan houden met sociale uitgaven. Zo wordt er in recente IMF-programma voor gekozen om niet te korten op sociale uitgaven. Hiermee bevordert het IMF meer duurzame en inclusieve groei. Ook hebben de IFI’s in 2018 verschillende financieringsinstrumenten ontwikkeld om de economische groei wereldwijd een impuls te geven, de grondoorzaken van migratie aan te pakken en klimaatverandering tegen te gaan. Daarnaast is één van de speerpunten het Europese Fonds voor Strategische Investeringen (EFSI), dat wordt uitgevoerd door de EIB. Ook het investeren in fragiele staten en menselijk kapitaal stond prominent op de agenda van de Wereldbank, mede door de inzet van Nederland in diverse formele vergaderingen van de Raad van Bewindvoerders en Gouverneurs, contacten met Wereldbank-management en bij de onderhandelingen over de kapitaalverhoging. Tevens stonden het IMF en de Wereldbank uitgebreid stil bij de oorzaken en gevolgen van de groeiende schuldenproblematiek in de armste landen en opkomende economieën.

Voorts was de mobilisatie van private sectorfinanciering in 2018 een van de belangrijkste prioriteiten bij de Nederlandse inzet binnen de IFI’s, bijvoorbeeld bij de discussies over de kapitaalverhoging van de Wereldbank. De Wereldbank heeft daarbij toegezegd tot 2030 $ 110 mld. aan additionele private financiering voor ontwikkeling te mobiliseren. Dit vond verder onder andere zijn beslag binnen de EBRD die in de kern gericht is op de ontwikkeling van de private sector, maar ook binnen de verschillende onderdelen van de Wereldbank. In de International Development Association (IDA) via het speciale nieuwe private sectorloket. En in de private sectortak (International Finance Corporation, IFC) via de «cascade-approach» waarin ook de nadruk ligt op het wegnemen van investeringsbelemmeringen via bijvoorbeeld regulering en via instrumenten zoals het «Managed Co-Lending Portfolio Program» (waarmee institutioneel kapitaal wordt gemobiliseerd).

In 2018 hebben de aandeelhouders van de Wereldbank een politiek besluit genomen over een aanvullende kapitaalinleg voor de Wereldbank, om zo de financiële capaciteit van de Wereldbank te vergroten.90 Dit betreft de bankonderdelen IBRD (Wereldbankloket voor middeninkomenslanden) en de IFC. De kapitaalverhoging is onderdeel van een door de Wereldbank voorgesteld pakket beleidsmatige toezeggingen en institutionele en financiële hervormingen, zoals verder aangescherpte klimaatdoelstellingen, ambitieuzere genderstreefcijfers, sterkere focus van financiering op armere en fragiele landen, prijsdifferentiatie voor IBRD-leningen en meer private financiering voor ontwikkeling. Nederland beschouwt de Wereldbank als een belangrijke en effectieve partner voor het realiseren van de Duurzame Ontwikkelingsdoelen voor 2030 (Sustainable Development Goals, SDG’s) en de internationale klimaatagenda en heeft het kapitaalpakket ondersteund. Voor het Nederlandse aandeel in de verhoging zijn in de begroting van Financiën voorzieningen getroffen die nog niet zichtbaar zijn in dit jaarverslag.
In 2018 is een akkoord bereikt over een kapitaalverhoging van de EIB en een pakket aan governancehervormingen.91 De verhoging is nodig om de gevolgen van Brexit te adresseren. Nederland heeft daarbij met een aantal gelijkgezinde lidstaten gewezen op het belang van governancehervormingen. Voor het Nederlandse aandeel in de kapitaalverhoging is in de begroting 2019 opgenomen dat aanvullende garanties zullen worden verleend in 2019.
In het derde operationele jaar van de AIIB92 heeft Nederland via de eurozone-kiesgroep in de Raad van Bewindvoerders een belangrijke rol vervuld bij de nadere institutionele vormgeving, vaststelling en uitwerking van het belangrijkste beleid en de strategie van de AIIB en de financiering van projecten door de AIIB. Belangrijke voorbeelden hiervan zijn het dit jaar vastgestelde klachtenmechanisme en het beleid ten aanzien van het verstrekken van publieke informatie. Het ledenaantal van de AIIB is inmiddels gegroeid tot 93 en er is eind 2018 ca. $ 7,5 mld. aan financiering verstrekt ($ 4,2 mld. in 2017), via 35 projecten in onder meer de sectoren energie, transport, stedelijke ontwikkeling en water, in met name Zuid Azië.93

D. Tabel Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid – artikel 4 Internationale financiële betrekkingen (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

Verplichtingen

3.649.277

3.729.791

– 33.540.633

11.434.921

1.106.696

257.820

848.876

Waarvan betalingsverplichtingen:

787.228

195.028

12.218

678.313

107.144

111.494

– 4.350

Deelneming multilaterale ontwikkelingsbanken

661.288

   

690.280

0

0

0

AIIB

 

189.492

5.562

– 13.661

1.296

5.557

– 4.261

Technische assistentie kiesgroeplanden

940

   

1.694

2.548

1.677

871

SMP/ANFA

125.000

     

103.300

104.260

– 960

Overige betalingsverplichtingen

 

5.536

6.656

 

0

0

0

               

waarvan garantieverplichtingen:

2.862.049

3.534.763

– 33.552.851

10.756.607

999.551

146.326

853.225

Deelneming multilaterale ontwikkelingsbanken

725.439

447.175

466.850

– 599.648

199.750

146.326

53.424

Garantie aan DNB inzake IMF en BIS

2.158.610

2.258.303

– 18.563.822

11.451.012

654.645

0

654.645

Kredieten EU-betalingssteun

– 10.000

32.500

2.500

0

50.000

0

50.000

EFSM

– 12.000

39.000

3.000

0

60.000

0

60.000

EFSF

0

0

– 15.486.252

0

0

0

0

AIIB

 

757.785

24.873

– 94.757

31.555

0

31.555

EIB

       

3.601

 

3.601

               

Uitgaven

1.093.524

356.416

597.440

39.163

502.045

419.328

82.717

               

Bijdrage aan internationale organisaties

1.092.584

355.313

596.017

38.030

397.312

313.391

83.921

Multilaterale ontwikkelingsbanken en -fondsen

52.864

355.313

518.329

3.132

361.037

274.895

86.142

ESM

914.720

0

0

0

0

0

0

AIIB

   

77.688

34.898

36.276

38.496

– 2.220

Uitkering rente aan Griekenland

125.000

0

0

0

0

0

0

               

Leningen

0

0

0

0

103.300

104.260

– 960

Teruggave winsten SMP/ANFA

0

0

0

0

103.300

104.260

– 960

               

Opdrachten

940

1.103

1.423

1.132

1.432

1.677

– 245

Technische assistentie kiesgroeplanden

940

1.103

1.423

1.132

1.432

1.677

– 245

               

Ontvangsten

19.969

18.702

10.053

6.101

5.415

7.032

– 1.617

               

Deelneming multilaterale (ontwikkelings) banken en fondsen

5.951

5.385

4.620

3.828

3.059

655

2.404

Ontvangsten IFI's

5.951

5.385

4.620

3.828

3.059

655

2.404

               

Lening

14.018

13.317

5.433

2.273

2.356

6.377

– 4.021

Renteontvangsten lening Griekenland

14.018

13.317

5.433

2.273

2.356

6.377

– 4.021

E. Toelichting op de instrumenten

Verplichtingen

Betalingsverplichtingen (– € 4,4 mln.)

AIIB (– € 4,3 mln.)

De wisselkoersmutatie zoals meegenomen in de begroting volgens de maart raming CEP, valt lager uit dan verwacht.

Garantieverplichtingen (+ € 853,2 mln.)

Deelneming multilaterale ontwikkelingsbanken (+ € 53,4 mln.)

Dit betreft een wisselkoersbijstelling van de garantieverplichtingen aan de onderdelen IBRD en MIGA van de Wereldbank.

Garantie aan DNB inzake IMF (+ € 654,6 mln.)

Dit betreft een wisselkoersbijstelling van de garantieverplichting aan DNB inzake het IMF.

Kredieten EU-betalingsbalanssteun (+ € 50,0 mln.)

Naar aanleiding van een stijging van het Nederlandse aandeel EU-BNI, is het Nederlandse aandeel in de bestaande garantieverplichting voor de EU-betalingsbalanssteun toegenomen. In de Spring Forecast 2017 van de EC bedroeg dit aandeel 4,7%. In Spring Forecast 2018 stijgt dit aandeel naar 4,8%.

EFSM (+ € 60,0 mln.)

Naar aanleiding van een stijging van het Nederlandse aandeel in het EU-BNI, neemt ook het Nederlandse aandeel in de bestaande garantieverplichting voor het EFSM toe. In de Spring Forecast 2017 van de EC bedroeg dit aandeel 4,7%. In Spring Forecast 2018 stijgt dit aandeel naar verwachting naar 4,8%. Deze verandering in het EU-BNI vertaalt zich in een verhoging van € 60 mln. van de EFSM-garantie.

AIIB (+ € 31,6 mln.)

Dit betreft een wisselkoersbijstelling van de garantieverplichting aan de AIIB.

Uitgaven

Bijdrage aan internationale organisaties (+ € 83,9 mln.)

Multilaterale ontwikkelingsbanken en -fondsen (+ € 86,1 mln.)

Door de bijdragen voor IDA18 in 9 jaar te betalen in plaats van 6 jaar, valt de betaling in 2018 voor IDA lager uit. Daartegenover staat dat de helft van de voor 2019 geplande bijdrage van Nederland aan de IDA van de Wereldbank in 2018 is betaald. Tevens zijn de stelposten voor de kapitaalverhoging voor IBRD en IFC verschoven van 2018–2022 naar 2019–2024 waardoor er voor deze Wereldbankonderdelen in 2018 geen betaling plaatsvindt. Per saldo valt de totale uitgave voor multilaterale ontwikkelingsbanken en-fondsen hierdoor € 86,1 mln. hoger uit voor 2018.

AIIB (– € 2,2 mln.)

De toegezegde Nederlandse kapitaalstorting bij de AIIB is $ 206,3 mln., en is voor de begroting afhankelijk van de wisselkoers van de euro ten opzichte van de dollar. Deze kapitaalstorting wordt tussen 2015 en 2019 in vijf gelijke tranches van elk $ 41,26 mln. betaald. In 2018 is de vierde tranche betaald van omgerekend € 36,3 mln. Door wisselkoerseffecten in 2018 valt de hoogte van deze tranche € 2,2 mln. lager uit dan eerder geraamd.

Ontvangsten

Deelneming multilaterale (ontwikkelings)banken en fondsen (+ € 2,4 mln.)

De terugbetaling van leningen door de EIB en de Wereldbank aan Nederland zijn hoger dan geraamd wat tot hogere ontvangsten heeft geleid. Bij de EIB gaat het om leningen aan landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACP-landen) en de «Landen en Gebieden Overzee» (LGO) onder het Europees ontwikkelingsfonds in het kader van de verdragen van Lomé en Cotonou. Bij de Wereldbank gaat het om de European Economic Community (EEC) van de Special Action Account. In Europees Economisch Gemeenschapsverband (EEG) zijn op concessionele basis via de Wereldbank speciale kredieten verstrekt aan ontwikkelingslanden, welke over langere periode worden terugbetaald. Aangezien de inkomsten van de IFI’s met enige onzekerheid zijn omgeven, zijn deze afgeweken van de begrote inkomsten.

Lening (– € 4,0 mln.)

Door een lagere rente dan tijdens het opstellen van de begroting werd geraamd, vallen de ontvangsten op de bilaterale leningen aan Griekenland € 4,0 mln. lager uit.

Artikel 5 Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

A. Algemene doelstelling

Het verzekeren van betalingsrisico’s die zijn verbonden aan Nederlandse export en buitenlandse investeringen die zonder deze verzekering niet tot stand zouden zijn gekomen, en het creëren en handhaven van een internationaal gelijkwaardig speelveld voor bedrijven op het terrein van de exportkredietverzekeringsfaciliteit (ekv-faciliteit).

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Financiën heeft de rol van regisseur bij de uitvoering van de ekv-faciliteit. De Nederlandse Staat treedt op als verzekeraar en Atradius Dutch State Business N.V. (ADSB) voert de ekv-faciliteit uit, op naam van en voor rekening en risico van de Staat. De Minister stelt de randvoorwaarden vast waaronder ADSB verzekeringen mag afgeven. De Minister van Financiën is budgetverantwoordelijk, maar is samen met de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking beleidsverantwoordelijk voor het verstrekken van de verzekeringen. Beide ministers stimuleren een gelijkwaardig speelveld op het gebied van de exportondersteunende maatregelen.

Op basis van de «Kaderwet financiële verstrekkingen Financiën» biedt de Nederlandse Staat, in aanvulling op de private markt, faciliteiten aan waarmee Nederlandse ondernemers en hun financiers betalingsrisico’s kunnen afdekken bij de Staat. Met de verschillende producten binnen de exportkrediet- en investeringsverzekeringen kunnen Nederlandse bedrijven meer exportorders binnenhalen die in het bijzonder op (middel)lange termijn gefinancierd worden.94

De ekv-faciliteit van de Nederlandse Staat is aanvullend aan de markt. Dit betekent dat exporteurs aanspraak kunnen maken op de ekv-faciliteit als exportorders niet commercieel verzekerd kunnen worden. Zo kan de export, ook in politiek en economisch ingewikkelde landen, toch doorgaan. Er is duidelijk vastgelegd welke risico’s (looptijd, omvang en landen) verzekerd kunnen worden binnen de private markt en voor welke risico’s de Nederlandse Staat aanvullend opereert. Daarnaast stelt de Minister van Financiën voor alle verzekeringsproducten een risicokader vast, welke meebeweegt met de ontwikkelingen in de markt. Dit schrijft de randvoorwaarden voor het afgeven van een verzekering voor om onverantwoorde risico’s te vermijden.

Net als Nederland hebben veel landen in de wereld een eigen ekv-faciliteit. Nederland zet zich internationaal in om afspraken te maken over exportondersteuning en om Nederlandse exporteurs en hun financiers onder gelijke voorwaarden te kunnen laten concurreren. Deze afspraken worden vastgelegd in de OESO Arrangement en waarborgen een internationaal gelijk speelveld.95 Zo worden er afspraken gemaakt over de voorwaarden waaronder exportkredietverzekeringen mogen worden verstrekt, zoals kostendekkendheid, minimumpremies, maximale looptijden, het gebruik van ontwikkelingshulpgelden en verantwoord leenbeleid.
Maatschappelijk verantwoord ondernemen is een belangrijk onderdeel van het beleid voor de exportkredietverzekering. Er is continu aandacht voor een gedegen uitvoering van het beleid en mens, dier en milieu. In 2018 is het maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo) beleidskader voor de ekv-faciliteit aangepast naar de huidige internationale regelgeving.96 Daarnaast is een expliciete controle op projectgerelateerde mensenrechtenschendingen verankerd in het beleid. Om maximale transparantie te bevorderen is het document in conceptvorm ter consultatie aangeboden aan alle geïnteresseerde partijen, waaronder exporteurs, banken en ngo’s. Met hun opmerkingen is rekening gehouden in het definitieve stuk, waardoor een breder draagvlak is gecreëerd.

C. Beleidsconclusies

Eind 2018 staat er in totaal voor € 16,3 mld. uit aan verplichtingen. Dit is een combinatie van definitieve verplichtingen (afgegeven verzekeringspolissen) en voorlopige verplichtingen (dekkingstoezeggingen; een wederzijdse juridische verplichting tussen de Staat enerzijds en exporteur of bank anderzijds).

Totaal uitstaande garantieverplichtingen (bedragen x € 1 mld.)

Bovenstaande figuur geeft de ontwikkeling van de totale uitstaande verplichtingen weer. In 2018 is de portefeuille iets gedaald doordat er in vergelijking met eerdere jaren minder nieuwe verplichtingen zijn aangegaan.

Per 1 januari 2018 zijn de dekkingsmogelijkheden vergroot en de risicokaders verruimd om meer kansen te bieden aan de exporteur. Zo is er nu een mogelijkheid tot dekking voor export naar bijna alle landen in de wereld.

Trend van het aantal nieuwe klanten (meetbare gegevens)
 

2016

2017

2018

Nieuwe klanten

33

40

29

Sinds 2016 is het streven om meer nieuwe klanten en met name nieuwe klanten uit de MKB-sector te bereiken. ADSB heeft zich hier in opdracht van de Staat de afgelopen jaren specifiek voor ingezet. In het bovenstaande overzicht is te zien dat er jaarlijks een significant aantal nieuwe klanten bij ADSB zijn bijgekomen. Van dit aantal nieuwe klanten behoren vrijwel alle tot het midden- en kleinbedrijf.

Realisatie prestatie-indicatoren (meetbare gegevens)
 

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Realisatie

2017

Streefwaarde 2018

Realisatie 2018

Benchmark1

A

A

A

A

Bijdrage bbp in % (berekening CBS)

> 0,18%

0,21%

BERB

€ 293 mln.

€ 358 mln.

€ 365 mln.

€ 478 mln.

> € 0 mln.

€ 518 mln.2

Noot 1: Deze prestatie-indicator is per 2018 vervangen door de prestatie-indicator Bijdrage bbp. Zie begroting 2018.

Noot 2: Dit betreft nog een voorlopig cijfer.

Bijdrage bbp

De ekv-faciliteit is belangrijk voor Nederland om de export te kunnen bevorderen. Voor vrijwel alle ekv-gedekte export geldt dat het aannemelijk is dat die niet tot stand was gekomen zonder ekv-dekking. Wat Nederland had kunnen exporteren verschuift dan naar buitenlandse concurrenten die wel gebruik kunnen maken van ekv-dekking. Elk jaar stelt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) vast wat de positieve bijdrage van de ekv-faciliteit is aan de Nederlandse economie. Zij berekenen aan de hand van het volume van de ekv-gedekte export wat de bruto bijdrage is aan het bbp en aan de totale werkgelegenheid. In de periode 2015–2017 bedroeg de bijdrage aan het bbp gemiddeld 0,21% en werden gemiddeld 17 duizend arbeidsjaren per jaar gecreëerd met de verzekerde export. In 2017 viel de bijdrage aan het bbp (0,13%) en aan de werkgelegenheid (ruim negenduizend arbeidsjaren) wat lager uit dan in eerdere jaren, volgens het CBS met name doordat de waarde van de verzekerde export lager was (en dus niet door een verschuiving in sectoren).

Realisatie bedrijfseconomisch resultaat (BERB)

Met de BERB wordt jaarlijks berekend of de ekv-faciliteit kostendekkend is. Het bedrijfseconomisch resultaat is een cumulatief resultaat over alle polissen die vanaf 1 januari 1999 zijn afgesloten, rekening houdend met de verwachte schades over de lopende verplichtingen. Nederland gebruikt dit model om te toetsen of we voldoen aan de internationale afspraken. Het cumulatieve resultaat sinds 1999 bedroeg eind 2018 € 518 mln. Daarmee is de ekv ruimschoots kostendekkend en wordt de doelstelling bereikt.

D. Tabel Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid – artikel 5 Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

Verplichtingen

– 7.294.439

2.475.497

206.840

979.817

– 432.177

10.012.742

– 10.444.919

waarvan betalingsverplichtingen:

198.043

35.130

172.817

41.622

16.210

12.742

3.468

waarvan kostenvergoeding Atradius DSB

11.678

12.805

14.579

14.971

15.999

12.687

3.312

overige betalingsverplichtingen

186.365

22.325

158.238

26.652

211

55

156

               

waarvan garantieverplichtingen:

– 7.492.482

2.440.367

34.023

938.194

– 448.386

10.000.000

– 10.448.386

Exportkredietverzekeringen

– 7.441.016

2.450.593

44.149

998.604

– 448.386

10.000.000

– 10.448.386

waarvan aangegane garantieverplichtingen

8.882.142

9.517.292

6.850.122

5.160.562

2.589.366

0

2.589.366

waarvan vervallen garantieverplichtingen

– 16.323.158

– 7.066.697

– 6.805.972

– 4.161.956

– 3.037.752

0

– 3.037.752

RIV

– 51.466

– 10.227

– 10.126

– 60.410

0

0

0

waarvan aangegane garantieverplichtingen

5.760

0

62.060

385

0

0

0

waarvan vervallen garantieverplichtingen

– 57.225

– 10.226

– 72.186

– 60.794

0

0

0

               

Uitgaven

241.419

130.837

186.714

79.488

42.733

75.442

– 32.709

               

Garanties

229.741

117.942

172.081

64.452

26.542

62.700

– 36.158

Schade-uitkering ekv

43.376

95.708

13.897

37.865

26.530

62.700

– 36.170

Schade-uitkering investeringsverzekeringen

0

0

0

0

0

0

0

Mutatie begrotingsreserve ekv

186.365

21.489

157.360

24.512

0

0

0

Uitgaven Seno-Gom

0

745

824

2.075

12

0

12

               

Opdrachten

11.678

12.895

14.579

14.971

15.999

12.687

3.312

Kostenvergoeding Atradius DSB

11.678

12.895

14.579

14.971

15.999

12.687

3.312

               

Overige uitgaven

0

0

54

65

192

55

137

               

Ontvangsten

273.282

236.691

345.093

255.472

244.897

280.422

– 35.525

               

Garanties

272.782

236.691

345.093

255.472

244.897

280.422

– 35.525

Premies ekv

118.261

117.344

101.760

104.877

91.151

91.250

– 99

Premies investeringsverzekeringen

789

788

700

554

0

0

0

Schaderestituties ekv

86.736

102.590

227.798

132.355

153.478

189.172

– 35.694

Schaderestituties Seno-Gom

947

1.969

2.335

5.186

267

0

267

Onttrekking begrotingsreserve Seno-Gom

66.049

14.000

12.500

12.500

0

0

0

               

Overige ontvangsten

500

0

0

0

0

0

0

E. Toelichting op de instrumenten

Verplichtingen

Exportkredietverzekeringen (– € 10.448,4 mln.)

Artikel 5 van begroting IX heeft een plafond waarin is aangegeven voor welk bedrag de Minister jaarlijks nieuwe garantieverplichtingen kan aangaan (bruto plafond). Dit plafond is vastgesteld op € 10 mld. voor de gehele ekv-faciliteit Voor 2018 is er een benutting van € 2,6 mld. onder het bruto plafond van € 10 mld. voor de exportkredietgarantie en de regeling investeringsverzekering. Dit is minder dan in voorgaande jaren. De belangrijkste verklaring is dat in 2018 relatief weinig grote (€ 500 mln. of meer) nieuwe dekkingstoezeggingen of polissen zijn afgegeven. Tevens zijn er € 3,1 mld. aan polissen en dekkingstoezeggingen vervallen.

Uitgaven

Garanties (– € 36,2 mln.)

Schade-uitkering ekv (– € 36,2 mln.)

De schade-uitkeringen zijn lager uitgevallen dan begroot. De twee belangrijkste schadezaken zijn geweest op een private debiteur in Indonesië en een garantiedekking op een Nederlandse exporteur die actief is in de scheepsbouw.

Opdrachten (+ € 3,3 mln.)

ADSB heeft dit jaar € 16,0 mln. ontvangen onder de vergoedingsregeling. Deze vergoeding bestaat uit een vaste en een variabele component. De vergoeding voor het variabele gedeelte is afhankelijk van de hoeveelheid premieontvangsten, recuperaties op private debiteuren en schade-uitkeringen. Dit jaar is er ook een nabetaling van de kostenvergoeding over 2017 en 2016 gedaan aan ADSB op basis van een inflatiecorrectie.

Ontvangsten

Garanties (– € 35,5 mln.)

Schaderestituties ekv (– € 35,7 mln.)

In 2018 bedroegen de schaderestituties € 153,7 mln. De terugbetalingsregeling met Argentinië, die tot stand is gekomen in de Club van Parijs, heeft hier met € 121 mln. aan bijgedragen. De overige schaderestituties zijn grotendeels afkomstig uit Indonesië (€ 12 mln.), Irak (€ 4 mln.) en Mexico (€ 4 mln.).

Artikel 6 Btw-compensatiefonds

A. Algemene doelstelling

Gemeenten, provincies en andere regionale openbare lichamen als bedoeld in de Wet op het BTW-compensatiefonds hebben de mogelijkheid om een evenwichtige keuze te maken tussen in- en uitbesteding. De btw speelt hierin geen rol.

B. Rol en verantwoordelijkheid

Het Btw-compensatiefonds (BCF) is opgericht om een eind te maken aan de factor btw bij de afweging door decentrale overheden tussen het uitbesteden van werkzaamheden of het uitvoeren ervan door de eigen organisatie (inbesteden). De factor btw wordt weggenomen door het BCF waaruit decentrale overheden de betaalde btw kunnen terugvragen. De betaalde btw moet daarvoor aan een aantal voorwaarden voldoen. Zo moet de btw betaald zijn over een niet-ondernemerstaak en mag geen sprake zijn van verstrekking aan een individuele derde. Voorbeelden van taken waarvoor gemeenten btw kunnen terugvragen zijn inzameling van huisvuil, onderhoud aan gebouwen, straatbeheer, schoonmaakactiviteiten, archivering, ingenieurswerkzaamheden en groenbeheer.

De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor en heeft een uitvoerende rol bij:

  • •  verstrekken, verzamelen en controleren van de opgaafformulieren en het uitbetalen van de compensabele btw;
  • •  beheer van het BCF.

C. Beleidsconclusies

In 2018 hebben zich qua beoogde resultaten geen bijzonderheden voorgedaan en de beleidsdoelen zijn bereikt zoals voorzien. Zoals ook in 2016 in de beleidsdoorlichting97 is geconcludeerd, worden de algemene en operationele doelstelling van het BCF behaald: door de invoering van het BCF speelt btw geen rol meer bij de afweging tussen in- of uitbesteden. Hierdoor ontstaat er een grotere vrijheid voor gemeenten en provincies in de keuze tussen in- en uitbesteden. Verder is geconcludeerd dat het plafond niet afdoet aan de effectiviteit van het BCF.

Compensatie

De Belastingdienst heeft als taak om opgaafformulieren te verstrekken en te verzamelen en de btw over niet-ondernemersactiviteiten te compenseren.

Controle- en toezichtsbeleid

Bij de uitvoering van de Wet op het Btw-compensatiefonds is een centrale rol toegekend aan de Belastingdienst. Dit vanwege de nauwe relatie tussen de heffing van de omzetbelasting op grond van de Wet op de Omzetbelasting en de compensatie van de omzetbelasting op grond van het BCF. Uit oogpunt van eenvoud en doelmatigheid is ervoor gekozen de Wet op het Btw-compensatiefonds in belangrijke mate aan te laten sluiten bij het systeem van heffing van omzetbelasting in de Awr. Dit betekent onder meer dat de controle van het BCF onderdeel uitmaakt van de reguliere controle van de aangiften omzetbelasting bij gemeenten en provincies. De handelwijze van de Belastingdienst met betrekking tot de opgaven voor het BCF is, gezien de nauwe relatie met het systeem van heffing van omzetbelasting, niet anders dan die met betrekking tot de aangifte omzetbelasting. Dit betekent dat controle achteraf mogelijk is gedurende een periode van vijf jaar. Inherent aan het systeem van heffing van omzetbelasting (voldoening op de aangifte met slechts beperkte informatie) is dat de controle op de juistheid van de ingediende aangiften achteraf en op basis van risicoafweging plaatsvindt. Dit is ook het geval indien er sprake is van een zogenoemde negatieve aangifte (de voorbelasting overtreft de verschuldigde belasting). Slechts in uitzonderingsgevallen vormt de aangifte omzetbelasting zelf aanleiding tot het instellen van een boekenonderzoek. Deze handelwijze betekent dat de Belastingdienst niet per uitkeringsjaar vaststelt in welke mate de uitbetaalde bedragen rechtmatig zijn geweest, maar zich er binnen het algemene handhavingsbeleid op richt om met het oog op de actualiteit te beoordelen welke gemeenten en provincies op bepaalde aspecten het meest voor nadere toezichtactiviteiten in aanmerking komen. Dit kan bijvoorbeeld van toepassing zijn als blijkt dat opgaven voor het BCF in belangrijke mate afwijken van het historische patroon.

De algemene doelstelling van de Belastingdienst is het onderhouden en versterken van de compliance bij belastingplichtigen. Hierbij maakt de Belastingdienst gebruik van de mogelijkheden die klantbehandeling in de actualiteit biedt. Een gemeente of provincie werkt daarbij zichtbaar aan het onderhouden en versterken van de fiscale beheersing, met als doel het opstellen en indienen van aanvaardbare belastingaangiften en opgaven voor het BCF. De Belastingdienst bespreekt met de gemeenten en provincies hoe zij hun verantwoordelijkheid voor naleving van fiscale wet- en regelgeving nemen en zorg dragen voor volledige en juiste aangiften en opgaven. Daarbij krijgt de Belastingdienst zicht op hoe de gemeenten en provincies omgaan met fiscaliteit en of de randvoorwaarden voor een adequate beheersing daarvan zijn ingevuld. De gemeenten en provincies beoordelen vervolgens zelf de opzet, het bestaan en de werking van de interne beheersing van de (fiscaal relevante) bedrijfsprocessen. De resultaten daarvan delen zij met de Belastingdienst. Met deze informatie bepaalt de Belastingdienst in welke mate de gemeente of provincie kan steunen op de interne beheersing en in hoeverre aanvullende werkzaamheden noodzakelijk zijn. Als klantbehandeling in de actualiteit voor de betreffende gemeente/provincie geschikt is, werkt de Belastingdienst met horizontaal toezicht. Van de 394 gemeenten en provincies zijn er 380 beoordeeld op de mogelijkheid voor klantbehandeling in de actualiteit (96%) en is met 175 gemeenten en provincies een individueel toezichtconvenant gesloten.

Wanneer daar aanleiding toe is kan de Belastingdienst ook boekenonderzoeken inzetten. Dit kunnen volledige boekenonderzoeken zijn waarvan het BCF onderdeel uitmaakt of deelonderzoeken die specifiek zijn gericht op de juistheid van de door gemeenten en provincies ingediende opgaven BCF. In 2018 zijn bij twaalf gemeenten en provincies specifieke boekenonderzoeken voor het BCF uitgevoerd. Deze onderzoeken hebben per saldo geleid tot een positieve correctie van € 1.578.431.

Realisatie prestatie-indicator BCF (meetbare gegevens)
 

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Realisatie

2017

Streefwaarde 2018

Realisatie 2018

Percentage gemeenten en provincies waarvan klantbehandeling in de actualiteit beoordeeld is1

n.v.t.

n.v.t.

91%

95%

85%

96%

Noot 1: De term klantbehandeling in de actualiteit vervangt de term horizontaal toezicht uit het vorige jaarverslag. De definities zijn uitwisselbaar, d.w.z. dat de achterliggende metingen niet zijn aangepast. Het streven is met gemeenten en provincies waar mogelijk in de actualiteit te werken. Voor gemeenten en provincies die hiervoor in aanmerking komen, biedt horizontaal toezicht doorgaans de beste mogelijkheden om in de actualiteit te werken.

Bron: Belastingdienst/directie Grote Ondernemingen.

D. Tabel Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid – artikel 6 Btw-compensatiefonds (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

Verplichtingen

2.953.836

2.870.250

3.003.566

3.029.706

3.286.561

3.010.252

276.309

               

Uitgaven

2.953.836

2.870.250

3.003.566

3.029.706

3.286.561

3.010.252

276.309

waarvan bijdragen aan gemeenten

2.614.164

2.546.903

2.618.435

2.630.051

2.881.223

2.618.706

262.517

waarvan bijdragen aan provincies

339.672

323.347

385.131

399.655

405.338

391.546

13.792

               

Ontvangsten

2.953.836

2.870.250

3.003.566

3.029.706

3.286.561

3.010.252

276.309

E. Toelichting op de instrumenten

Verplichtingen en Uitgaven

Gemeenten declareren in absolute zin meer btw bij het BCF dan provincies. Ten opzichte van de totale uitgaven van gemeenten en provincies declareren provincies meer bij het BCF. De provincies zijn vooral actief op het gebied van verkeer en vervoer, een uitgavencategorie die veelal voor compensatie van btw in aanmerking komt. Dit is een mogelijke verklaring voor het feit dat provincies in vergelijking tot gemeenten een relatief groot beroep doen op het BCF.

Ontvangsten

De ontvangsten zijn gelijk aan de uitgaven omdat de terugbetaalde btw-bedragen tevens belastinginkomsten zijn.

Plafond

Plafond Btw-compensatiefonds (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie 2018

Vastgestelde begroting 2018

Verschil 2018

Plafond

3.331.081

3.325.711

5.370

Waarvan stand Miljoenennota 2018

3.325.711

   

Waarvan overheveling i.v.m. taakmutaties

17.641

   

Waarvan accres

– 12.271

   

Uitgaven

3.286.561

3.010.252

276.309

Waarvan gemeenten

2.881.223

2.618.706

262.517

Waarvan Provincies

405.338

391.546

13.792

Ruimte onder plafond

44.520

315.459

– 270.939

Waarvan gemeenten

39.029

274.427

– 235.398

Waarvan Provincies

5.491

41.032

– 35.541

Het plafond op het BCF is gekoppeld aan de accrespercentages zoals deze volgen uit de normeringssystematiek voor het Gemeentefonds en Provinciefonds. Het plafond wordt tevens aangepast voor taakmutaties (zoals decentralisaties) die gepaard gaan met onttrekkingen of toevoegingen aan het BCF. Als het plafond overschreden wordt, komt het verschil ten laste van het Gemeentefonds en Provinciefonds. Bij een realisatie lager dan het plafond, komt het verschil ten gunste van het Gemeentefonds en Provinciefonds. De toevoeging of uitname moet worden verdeeld over gemeenten en provincies. Er is tussen decentrale overheden en het Rijk afgesproken dit te doen op basis van de verhouding van wat de gezamenlijke gemeenten en provincies in het afgelopen jaar ook daadwerkelijk hebben ontvangen uit het BCF.98 Vanuit de uitvoeringspraktijk komen signalen dat gemeenten lijken aan te sturen op onderuitputting van het BCF. Daardoor ontstaan discussies met de Belastingdienst over de vraag of een prestatie aan de gemeente btw-belast of btw-onbelast is en over de vraag of de gemeente handelt als overheid of btw-ondernemer.

Gemeenten geven daarbij aan dat zij dit doen om claims uit het BCF te verminderen zodat meer ruimte onder het plafond resteert en meer geld beschikbaar komt via het Gemeentefonds.

Aan de hand van de realisatiecijfers wordt in het Financieel Jaarverslag Rijk de definitieve ruimte onder het BCF-plafond bepaald. Het verschil tussen de voorlopige afrekening die bij Miljoenennota 2019 heeft plaatsgevonden (€ 121 mln.) en de definitieve ruimte onder het plafond (€ 44,5 mln.), wordt bij Voorjaarsnota verrekend met het Gemeentefonds en Provinciefonds.

In de volgende tabel worden de openstaande voorschotten weergegeven. Er is in 2018 meer afgerekend aan voorschotten dan dat er nieuwe voorschotten zijn verstrekt. Het openstaande saldo aan voorschotten is daarom gedaald in 2018.

Voorschotten Btw-compensatiefonds (bedragen x € 1)

Saldo per 1 januari 2018

134.910.479

Bedrag nieuwe voorschotten 2018

177.199.730

Bedrag afgerekende voorschotten 2018

178.293.677

Saldo per 31 december 2018

133.736.532

Artikel 11 Financiering staatsschuld

A. Algemene doelstelling

Schuldfinanciering tegen zo laag mogelijke rentekosten onder acceptabel risico voor de begroting.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor het uitvoeren van de financiering van de staatsschuld. Het doel is om de schuld tegen zo laag mogelijke kosten met een acceptabel risico voor de begroting te financieren. De wettelijke basis voor deze verantwoordelijkheid is geregeld in de CW 2001.99 Het Agentschap van de Generale Thesaurie van het Ministerie van Financiën is namens de Minister van Financiën verantwoordelijk voor de financiering van de staatsschuld. Voor de inrichting van het risicobeleid en het financieringsbeleid baseert het Agentschap zich onder meer op de internationale richtlijnen voor staatsschuldfinanciering die zijn opgesteld door het IMF100. Belangrijke uitgangspunten daarbij zijn transparantie, consistentie en een goede verhandelbaarheid van Nederlands schuldpapier. Het beheersen van de risico’s betreft onder andere het renterisico, valutarisico en kredietrisico.
Aan het einde van ieder jaar wordt het financieringsplan opgesteld voor het nieuwe jaar. Dit plan wordt in december gepresenteerd in de zogeheten Outlook101. Hierin wordt uiteengezet hoe de Staat in het komende kalenderjaar de schuldfinanciering zal uitvoeren. De kapitaalmarktfinanciering ligt dan (binnen een bepaalde bandbreedte) voor een jaar vast. Schommelingen in de financieringsbehoefte worden vervolgens primair opgevangen op de geldmarkt. Deze werkwijze maakt het financieringsbeleid consistent en transparant en draagt bij aan het betrouwbare imago van de Nederlandse Staat op de financiële markten.

Op basis van bovenstaande uitgangspunten wordt iedere vier jaar het renterisicokader herzien en vindt de afweging tussen acceptabel risico en kosten plaats. Het huidige kader is in 2016 ingegaan en geldt tot en met 2019. De belangrijkste elementen zijn een verlenging van de looptijd van de schuldportefeuille en het verminderen van de afhankelijkheid van renteswaps. Door de looptijd van de schuld te verlengen kunnen relatief lage rentekosten voor langere tijd worden vastgelegd. Voor het beheersen van de renterisico’s worden twee risicomaatstaven gehanteerd: één voor de lange termijn, de gemiddelde looptijd, en één voor de korte termijn, het RRB. Het RRB is het bedrag waarvoor de rente binnen 12 maanden opnieuw moet worden vastgesteld.

C. Beleidsconclusies

In 2018 is de staatsschuldfinanciering volgens planning en zonder grote bijzonderheden verlopen. De rentes hebben geen extreme schommelingen laten zien en lagen ongeveer op hetzelfde niveau als het jaar ervoor. De financieringsbehoefte was door het grotere kasoverschot lager dan verwacht, maar dit heeft bij de schuldfinanciering niet tot problemen in de uitvoering geleid. De omvang van de kapitaalmarktuitgiftes viel met € 23,6 mld. net binnen de vooraf aangekondigde bandbreedte van € 23–29 mld. De overige schommelingen in het financieringssaldo heeft het Agentschap kunnen opvangen op de geldmarkt. De gemiddelde looptijd van de schuld is verlengd volgens de streefwaarde uit het risicokader en het gemiddelde RRB is met 13,7% onder de maximale waarde van 18% gebleven. Al met al was 2018 qua schuldfinanciering daarom een succesvol jaar, waarin het Agentschap de strategie uit het financieringsbeleid en het risicokader conform plan heeft uitgevoerd. Hieronder worden de resultaten en activiteiten van 2018 nader toegelicht.

Financieringsbehoefte

In 2018 bedroeg de totale financieringsbehoefte van de Staat € 56,2 mld., wat € 11,1 mld. lager was dan voorzien in de begroting. Zie ook onderstaande tabel.

Opbouw en dekking van de financieringsbehoefte van het Rijk in 2018, inclusief de geldmarkt (bedragen x € 1 mld.)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

Financieringsbehoefte

     

Aflossingen kapitaalmarkt in 2018

39,6

40,2

– 0,6

Geldmarkt ultimo 2017

18,3

17,7

0,5

Delta onderpand in contanten in 2018

13,0

15,8

– 2,8

Kassaldo Rijk 2018 (–/– is kasoverschot)

– 14,6

– 6,4

– 8,2

Totaal

56,2

67,4

– 11,1

       

Dekking

     
Kapitaalmarktuitgifte 2018 (op kasbasis1)

24,9

33,8

– 8,9

Geldmarkt ultimo 2018 (incl. cash collateral)

31,1

33,6

– 2,4

Mutatie overige banksaldi 2018

0,2

0,2

Totaal

56,2

67,4

– 11,1

Noot 1: De kapitaalmarktuitgifte is in deze tabel weergegeven op kasbasis. De nominale waarde van de uitgifte op de kapitaalmarkt was € 23,6 mld. Daarnaast is bij de uitgifte van de leningen € 1,3 mld. aan agio ontvangen. Agio is het bedrag dat een belegger boven de nominale waarde op een lening stort wanneer de prijs van de aangeboden obligatie hoger was dan de nominale waarde. In de verantwoordingsstaten wordt het agio gedurende de looptijd van de lening evenredig toegerekend aan de rentelasten van de lening (op transactiebasis). In de tabel budgettaire gevolgen van beleid wordt het agio meegenomen in de rentelasten vaste schuld die eveneens op transactiebasis worden weergegeven.

De belangrijkste oorzaak voor de afgenomen financieringsbehoefte zijn de groter dan verwachte kasoverschotten van zowel 2017 als 2018. Voor de dekking van de financieringsbehoefte zijn nieuwe leningen aangegaan op zowel de kapitaalmarkt als de geldmarkt. Bij het opstellen van de begroting is er nog vanuit gegaan dat de geldmarkt in omvang gelijk zou blijven. In december 2017 is vervolgens in de Outlook de omvang van de kapitaalmarktfinanciering voor 2018 aangekondigd. Sindsdien staat deze, met een zekere bandbreedte, vast. De schommelingen in het kassaldo die gedurende het jaar zijn opgetreden, zijn daarom grotendeels op de geldmarkt gefinancierd.

Financieringsactiviteiten in 2018

In onderstaande tabel is de omvang van de financieringsactiviteit per instrument weergegeven, evenals de begin- en eindstanden van de uitstaande schuld.102
Uitstaande standen, leningen en aflossingen per instrument (bedragen x € 1 mld.)1Als gevolg van afrondingen kan de som der delen afwijken van het totaal.

Instrument

Uitstaande stand per 1–1

Totaal uitgegeven

Totaal afgelost

Uitstaande stand per 31–12

Vaste schuld (kapitaalmarkt)

313,8

23,6

– 39,3

298,1

Dutch State Loan (DSL) + grootboeken

313,2

23,6

– 39,3

297,5

MTN (Propertize)

0,6

0,0

0,0

0,6

         

Vaste schuld (Private loans)

0,6

0,0

– 0,2

0,4

Private loans

0,2

0,0

0,0

0,2

Private loans in foreign currency

0,4

0,0

– 0,1

0,2

         

Vlottende schuld (geldmarkt)

18,3

398,9

– 394,0

23,3

Dutch Treasury Cerfitficate (DTC)

17,0

48,6

– 45,9

19,7

Commercial Paper in EUR

0,0

29,3

– 29,3

0,0

Commercial Paper USD

0,0

143,2

– 141,0

2,2

Deposit borrow EUR

1,3

133,8

– 134,1

1,0

Deposit borrow USD

0,0

39,0

– 38,6

0,4

Sell Buy Back (SBB)

0,0

5,2

– 5,2

0,0

         

Vorderingen (geldmarkt)

0,0

– 77,2

76,3

– 0,9

Deposit lend

0,0

– 53,1

52,7

– 0,5

Buy Sell Back (BSB)

0,0

0,0

0,0

0,0

Eurex repo

0,0

– 24,1

23,7

– 0,4

         

Overig

10,6

   

6,5

Cash collateral

13,0

   

8,7

Banksaldi totaal

– 2,4

   

– 2,2

         

Totaal leningen incl. collateral (=staatsschuld)

345,7

   

330,5

Totaal vorderingen

– 2,4

   

– 3,0

De tabel laat zien dat het merendeel van de staatsschuld is gefinancierd met langlopende staatsobligaties (DSL’s). Maar tegelijk is ook te zien dat het grootste deel van de dagelijkse financieringsactiviteiten plaatsvindt op de geldmarkt. Door de korte looptijden wordt hier veel vaker afgelost en opnieuw geleend dan bij de langlopende leningen op de kapitaalmarkt. Opgeteld gaat het om grote bedragen. De omvang van de geldmarktfinanciering op enig moment fluctueerde in 2018 tussen € 13,7 mld. en € 42,5 mld. De piek van € 42,5 mld. viel in januari in een periode dat zowel een grote aflossing van een staatsobligatie als ambtenarensalarissen en toeslagen betaald moesten worden.

De basis van de korte financieringen wordt ingevuld met het DTC-programma. Dutch Treasury Certificates (DTC’s) zijn leningen met een looptijd variërend van drie tot zes maanden. Naast de DTC’s is in 2018 voor de korte financiering veel gebruik gemaakt van Commercial Paper (CP). CP’s hebben kortere looptijden, meestal tussen een week en drie maanden. Doordat ze flexibele start- en einddata hebben, kan met dit instrument goed worden geanticipeerd op schommelingen in de financieringsbehoefte op de korte termijn. Als laatste zijn er leningen met zeer korte looptijden (dagen en weken) zoals deposito’s en sell buy back’s (SBB). Indien nodig kunnen overtollige middelen aan het einde van de dag ook voor korte tijd uitgeleend worden via de geldmarkt, bijvoorbeeld wanneer meer belastinginkomsten binnenkomen dan verwacht.

CP en deposito’s kunnen worden uitgegeven in verschillende valuta. Vanwege de gunstige prijzen heeft het Agentschap in 2018 bijvoorbeeld veel gebruik gemaakt van CP in US dollars. Leningen in buitenlandse valuta worden altijd direct gehedged met behulp van valutaswaps, zodat het valutarisico volledig is afgedekt.

De post cash collateral betreft de onderpanden die het Agentschap ontvangt doordat de derivatencontracten door de lage rentestanden een positieve marktwaarde hebben voor de Staat. Door renteschommelingen en de afname van de omvang van de derivatenportefeuille is deze totale waarde in 2018 afgenomen.

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de nominale omvang van de staatsobligaties die in 2018 zijn uitgegeven op de kapitaalmarkt en wat de effectieve rente was voor deze obligaties. Door het grote uitstaande volume en de langere looptijden van de staatsobligaties is het effect van deze leningen op de rentelasten van de Staat veel groter dan dat van de geldmarktleningen. Net als ieder jaar is een nieuwe 10-jaarslening uitgegeven. Het bedrag van € 12,4 mld. is verspreid over het jaar op vier verschillende dagen opgehaald. In de afgelopen jaren werd jaarlijks voor € 15 mld. aan 10-jaarsobligaties uitgegeven. Door de afnemende financieringsbehoefte van de Staat is er in 2018 voor gekozen om de omvang van deze lening te verkleinen.

Schulduitgifte op de kapitaalmarkt in 2018

DSL

Uitgifte

datum

Totaal volume

(in € mld.)1

(Resterende) looptijd op uitgiftedatum (in jaren)

Effectieve rente

(in %)

7-jaars DSL – initieel uitgegeven in 2017

 

8,8

   

DSL 2024-01-15 0,00 PCT (heropening)

9-1-2018

1,9

6,0

0,05%

DSL 2024-01-15 0,00 PCT (heropening)

10-4-2018

2,0

5,8

0,09%

DSL 2024-01-15 0,00 PCT (heropening)

12-6-2018

2,5

5,6

0,09%

DSL 2024-01-15 0,00 PCT (heropening)

25-9-2018

2,4

5,3

0,08%

         

10-jaars DSL

 

12,4

   

DSL 2028-07-15 0,75 PCT (DDA)

13-3-2018

5,8

10,3

0,79%

DSL 2028-07-15 0,75 PCT (heropening)

8-5-2018

1,8

10,2

0,68%

DSL 2028-07-15 0,75 PCT (heropening)

10-7-2018

2,5

10,0

0,47%

DSL 2028-07-15 0,75 PCT (heropening)

23-10-2018

2,2

9,7

0,56%

         

Overige uitgiftes

 

2,5

   

DSL 2037-01-15 4,00 PCT (heropening)

11-9-2018

0,9

18,4

0,85%

DSL 2042-01-15 3,75 PCT (heropening)

13-11-2018

0,7

23,2

0,98%

DSL 2047-01-15 2,75 PCT (heropening)

9-10-2018

0,8

28,3

1,18%

         

Totaal

 

23,6

   

Noot 1: Totaal volume is in deze tabel weergegeven op transactiebasis. Dit in tegenstelling tot de cijfers in de tabel met de cijfers van de financieringsbehoefte waar het totale effect van de kapitaalmarktuitgifte op kasbasis is weergegeven, dus inclusief het (dis)agio.

Verantwoording over de kengetallen: gemiddelde looptijd en renterisicobedrag

Zoals aangegeven hanteert het Agentschap voor het beheersen van de renterisico’s twee risicomaatstaven: één voor de lange termijn, de gemiddelde looptijd, en één voor de korte termijn, het RRB.

In het risicokader voor de jaren 2016–2019 is een streefpad vastgelegd voor de verlenging van de gemiddelde looptijd. Deze verlenging van de looptijd is in beginsel bereikbaar zonder nieuwe swaps af te sluiten. Dit past bij het uitgangspunt van het risicokader om de afhankelijkheid van swaps te verminderen. De looptijd is niet exact te plannen, omdat gedurende een jaar de financieringsbehoefte en de marktomstandigheden wijzigen. Daarom houdt het Agentschap voor de na te streven looptijd zowel naar boven als naar beneden een marge van 0,25 jaar aan.

Het verlengen van de looptijd kan op verschillende manieren. Eén van deze manieren is om alleen DSL’s uit te geven met heel lange looptijden en relatief veel geldmarktleningen met korte looptijden. Een grote omvang van de geldmarkt brengt echter grote risico’s voor de korte termijn met zich mee. Om het kortetermijnrisico te beperken is het RRB ingesteld. Het RRB is het bedrag waarover de rente binnen 12 maanden opnieuw moet worden vastgesteld. Door het RRB te maximeren op 18% van de staatsschuld, wordt het deel van de staatsschuld (incl. swaps) waarover op korte termijn renterisico wordt gelopen, begrensd. Deze maximale waarde is realistisch gezien de samenstelling van de schuld en past bij een voor eind 2019 nagestreefde looptijd van de schuldportefeuille van 6,4 jaar. Daarnaast biedt dit maximum ruimte voor onverwachte saldoschokken van ca. 1,5% bbp.

Eind 2018 is een looptijd van 6,4 jaar gerealiseerd. Het gemiddelde RRB is over heel 2018 uitgekomen op 13,7%. Daarmee is het Agentschap er net als de afgelopen jaren in geslaagd om de indicatoren te laten voldoen aan de waarden die door het renterisicokader worden voorgeschreven. De verlenging van de gemiddelde looptijd valt met 6,4 jaar binnen de marge van 0,25 jaar die de verlenging van het streefpad mag afwijken.

Streefwaarde/maximale waarde en realisatie van gemiddelde looptijd en RRB – risicokader 2016–2019
 

2016

2017

2018

2019

Gemiddelde looptijd (in jaren)

       

Streefwaarde

5,5

6,0

6,3

6,4

Realisatie

5,6

6,0

6,4

 
         

RRB (in %)

       

Maximale waarde RRB

18,0%

18,0%

18,0%

18,0%

Realisatie gemiddelde RRB

15,3%

15,4%

13,7%

 

De looptijd is in 2018 verlengd door obligaties op de kapitaalmarkt uit te geven en door receiverswaps voortijdig te beëindigen. Daarnaast zijn ook het kassaldo en de inkopen van schuld van invloed op de looptijd. Onderstaande tabel laat zien dat wanneer in 2018 geen transacties op de kapitaalmarkt gedaan zouden zijn (dus geen DSL-uitgiftes en geen swaptransacties met een looptijd van langer dan één jaar) en het kassaldo 0 was geweest, de looptijd gedaald zou zijn naar 5,1 jaar eind 2018 en het gemiddelde RRB zou zijn opgelopen naar 25% over 2018. Dat is te verklaren doordat in dit (onrealistische) nulscenario alle herfinancieringen op de geldmarkt plaats zouden vinden. Op de geldmarkt zijn de looptijden per definitie korter dan een jaar waardoor de gemiddelde looptijd van de schuld afneemt en het RRB oploopt.

Effect verschillende instrumenten en kassaldo op looptijd en RRB
 

Looptijd (jaren)

RRB (%)

Waarde op 1 januari 2018

6,0

16,3%

Waarde over 2018 zonder transacties op kapitaalmarkt en zonder kassaldo

5,1

25,0%

Effect DSL-uitgiftes

0,6

– 4,2%

Effect voortijdig beëindigen receiverswaps

0,5

– 3,3%

Effect kassaldo

0,2

– 3,9%

Effect DSL-inkopen

0,0

0,1%

Gerealiseerd over 2018

6,4

13,7%

De DSL-uitgiftes hebben in 2018 het grootste effect gehad op de indicatoren. Door de uitgifte van obligaties met langere looptijden stijgt de gemiddelde looptijd en daalt het percentage van de schuld dat binnen 12 maanden opnieuw gefinancierd moet worden. De uitgiftes hadden verschillende looptijden variërend van circa 5 tot 30 jaar en hebben de gemiddelde looptijd per saldo verlengd met 0,6 jaar en het RRB met 4,2%-punt verlaagd.

Het Agentschap kan de looptijd en het RRB ook bijsturen door middel van swaps; in 2018 is net als in voorgaande jaren gekozen om receiverswaps te beëindigen en daarmee de omvang van de derivatenportefeuille te verkleinen. Een receiverswap kent twee rentestromen: er wordt vaste, lange rente ontvangen en variabele, korte rente betaald. Omdat vaste rente wordt ontvangen is het effect van het afsluiten van een receiverswap op de gemiddelde looptijd van de schuldportefeuille tegengesteld aan het uitgeven van een obligatie. Het afsluiten van een receiverswap verkort dus de looptijd en omgekeerd zal het beëindigen van een receiverswap de looptijd verlengen. Doordat bij het beëindigen van de receiverswap ook het betalende, kortlopende deel van de swap wegvalt, wordt het deel van de schuld waarover binnen 12 maanden de rente opnieuw moet worden vastgesteld kleiner en daalt het RRB. In 2018 is de looptijd hierdoor met 0,5 jaar verlengd en het RRB met 3,3%-punt gedaald.

Ook het kassaldo is van invloed op de risico-indicatoren. Ontwikkelingen in het kassaldo worden in het lopende jaar primair op de geldmarkt opgevangen. Bij een kastekort neemt het beroep op de geldmarkt toe waardoor de gemiddelde looptijd daalt en het RRB oploopt. In 2018 was echter sprake van een kasoverschot waardoor de omvang van de geldmarkt kleiner is geworden. Het effect van het kassaldo was een verlenging van de looptijd met 0,2 jaar en een verlaging van het RRB met 3,9%-punt. Het Agentschap heeft zelf geen invloed op het kassaldo. Het effect van de schommelingen in het kassaldo op looptijd en RRB is in 2018 bijgestuurd door gedurende het jaar het schema voor het voortijdig beëindigen van receiverswaps aan te passen.

Ten slotte is er nog een zeer klein effect op het RRB geweest van 0,1%-punt als gevolg van het inkopen (vervroegd aflossen) van DSL’s met een resterende looptijd tot 24 maanden. Feitelijk betekent dit dat de kapitaalmarkt wordt omgezet in geldmarktfinanciering. Als de resterende looptijd van de ingekochte DSL’s langer was dan 12 maanden, wordt het RRB vergroot. Het effect op de gemiddelde looptijd was verwaarloosbaar.

Kostenverantwoording staatsschuld

Deze paragraaf biedt inzicht in de wijze waarop de in 2018 uitgegeven schuld is gefinancierd en wat de belangrijkste verklaringen zijn voor het verschil tussen de verwachte rentelasten bij het opstellen van de begroting en de gerealiseerde rentelasten.

In de analyse kijken we alleen naar de rentelasten van de nieuwe financieringen in 2018. Omdat dit slechts een onderdeel van de totaal geraamde en gerealiseerde bedragen in de tabel «Budgettaire gevolgen van beleid» betreft (zie onderdeel D), is het niet mogelijk om de bedragen en verschillen van deze analyse aan te sluiten met die tabel. Zo blijft bijvoorbeeld de invloed van de financieringen en voortijdige beëindiging van schuld tussen september en december 2017 buiten beschouwing.

Het verschil tussen raming en realisatie kent drie oorzaken:

  • 1.  Keuze voor instrumenten; voor het opstellen van de ramingen zijn alleen de korte en de lange rekenrentes van het Centraal Planbureau (CPB) beschikbaar. Daardoor is binnen een raming in feite sprake van slechts twee instrumenten, lange financiering en korte financiering. In de praktijk worden echter leningen aangegaan met een mix van verschillende looptijden die ieder hun eigen rentepercentage hebben. Een eerste belangrijk keuzemoment is het opstellen van het financieringsplan. Dan wordt in grote lijnen gekozen voor een verdeling tussen korte en lange financiering. Daarbij worden de looptijden van de lange financiering grotendeels vastgelegd. Gedurende het jaar zal de nadere invulling plaatsvinden.
  • 2.  Omvang van de nieuwe financieringen; de financieringsomvang zal in werkelijkheid anders zijn dan ten tijde van de begroting wordt ingeschat. Bij het opstellen van de begroting 2018 zijn inschattingen van zowel het kassaldo 2017 als het kassaldo 2018 gebruikt. De financieringsomvang kan ook veranderen doordat wordt gekozen voor het voortijdig aflossen van leningen die in latere jaren aflopen.
  • 3.  Rentestanden; de werkelijke rentepercentages zijn anders dan de rekenrentes van het CPB waarmee ramingen worden opgesteld. In deze paragraaf zal voor de werkelijke omvang van de financiering in 2018 berekend worden wat de rentelasten waren op basis van de rekenrentes. Vervolgens worden ze vergeleken met de werkelijke rentelasten.

In de begroting van 2018 waren de (netto) rentelasten voor 2018 voor de vaste en vlottende schuld geraamd op € 6,1 mld. Het grootste deel van dit bedrag ligt op dat moment al vast aangezien de meeste leningen vóór 2018 zijn aangegaan.

De nog vast te stellen rentelasten voor de begroting bestaan uit twee delen. Ten eerste de rente over het deel van de vaste schuld dat tussen september 2017 (het vaststellen van de begroting) en eind 2018 werd afgelost en opnieuw gefinancierd moest worden. Het tweede deel is de volledige rente over de vlottende schuld in 2018. Vlottende schuld bestaat namelijk uit schuld met looptijden korter dan een jaar. Eind 2017 was de stand van de vaste schuld € 314 mld., waarvan € 38 mld. in 2018 moest worden afgelost. De omvang van de vlottende schuld bedroeg ultimo 2017 € 31 mld.

Onderstaande tabel laat de begrotings- en realisatiecijfers zien van de omvang van de nieuwe financiering en bijbehorende rentelasten. Ten tijde van de begroting werd voor de nieuw uit te geven schuld in 2018 rekening gehouden met € 92 mln. aan negatieve rentelasten. Per saldo heeft de Staat echter € 124 mln. ontvangen op uitgifte van nieuwe schuld en zijn de totale rentelasten daarmee € 32 mln. lager uitgevallen dan voorzien tijdens het opstellen van de begroting.

Omvang en rentelasten van nieuwe financiering in 2018
 

Realisatie

Begroting

Verschil

 

omvang (mld.)

rentelasten (mln.)

omvang (mld.)

rentelasten (mln.)

omvang (mld.)

rentelasten (mln.)

Kapitaalmarkt

23,6

65

33,8

127

– 10,1

– 62

waarvan heropening 7-jaarslening uit 2017

8,8

4

       

waarvan nieuwe 10-jaarslening

12,4

53

       

waarvan heropening langlopende DSL's

2,5

8

       
             

Geldmarkt (gemiddelde stand 2018)

31,2

– 189

33,6

– 219

– 2,4

30

             

Totaal

54,8

– 124

67,4

– 92

– 12,6

– 32

De volgende tabel laat zien in hoeverre de veranderde financieringsomvang, rentestanden en inzet van instrumenten van invloed zijn geweest op het verschil tussen raming en realisatie.

Verklaring verschil in rentelasten van nieuwe financiering 2018 (bedragen x € 1 mln.)

Rentelasten begroting

– 92

verschil door andere inzet van instrumenten

– 75

verschil door andere financieringsomvang

47

verschil door andere rentestanden

– 4

Gerealiseerde rentelasten nieuwe financiering

– 124

Ad 1. Verschil door andere inzet van instrumenten (– € 75 mln.)

Doordat voor het opstellen van de ramingen alleen een korte en een lange rekenrente beschikbaar zijn, is in een raming in feite sprake van slechts twee looptijden voor schuldfinanciering: lange financiering (looptijd van 10 jaar) en korte financiering. In de praktijk wordt gebruik gemaakt van meerdere instrumenten die elk hun eigen rentepercentage kennen. Daarbij geldt normaal gesproken: hoe langer de rente wordt vastgelegd, hoe hoger de rentelasten. De keuze van de verdeling van de financiering over de verschillende looptijden is daarmee van invloed op de totale rentelasten.

Verschil rentelasten door andere inzet van instrumenten (bedragen x € 1 mln.)
 

Effect op rentelasten

Andere inzet instrumenten door keuze verdeling financiering tussen geld- en kapitaalmarkt bij financieringsplan

– 70

waarvan kapitaalmarkt

– 25

waarvan geldmarkt

– 44

   

Andere inzet instrumenten op de kapitaalmarkt

– 6

   

Totaal

– 75

Het effect van een andere inzet van instrumenten bestaat uit twee delen. Het eerste effect is de keuze voor de omvang van geld- en kapitaalmarktfinanciering in het financieringsplan. In het financieringsplan van 2018 werd een kapitaalmarktuitgifte aangekondigd van € 23 tot € 29 mld. (in de analyse wordt gerekend met € 26 mld.). In de begroting werd nog rekening werd gehouden met € 34 mld. Dit betekende een verlaging van het aandeel lange financiering en een verhoging van het aandeel korte financiering. Aangezien de rente op de korte financiering negatief was, geeft dit een verlaging van de rentelasten van € 70 mln.

Ten tweede is de nadere invulling van de lange financiering van belang. In de praktijk worden niet alleen obligaties met een looptijd van 10 jaar uitgegeven, maar wordt een mix van leningen met verschillende looptijden ingezet. Relatief veel leningen met een lange looptijd zullen de rentelasten verhogen aangezien obligaties met een langere looptijd een hogere rente kennen. In 2018 is één nieuwe 10-jaarslening uitgegeven. Daarnaast is door middel van heropeningen van de 7-jaarslening uit 2017 en een aantal langlopende leningen geld geleend op de kapitaalmarkt. Naar verhouding werden meer leningen met een looptijd korter dan 10 jaar uitgegeven waardoor het effect op de rentelasten per saldo – € 6 mln. was.

Wat hierbij ook een rol speelt is de timing van de uitgifte van de leningen. In de ramingen wordt uitgegaan van een geleidelijke uitgifte over het hele jaar, in de praktijk worden deze uitgiftes maar op een beperkt aantal data gedaan. Wanneer de rente op zo’n dag net hoger is dan gemiddeld, resulteert dat ook in relatief hogere rentelasten. Dit laatste is bijvoorbeeld te zien in de tabel «Schulduitgifte op de kapitaalmarkt in 2018» in het begin van onderdeel C. Het jaargemiddelde van de 10-jaars staatsrente was in 2018 0,60%. De eerste twee uitgiftes hadden een hogere effectieve rente, de laatste drie zijn tegen een lagere rente uitgegeven.

Ad 2. Verschil door andere financieringsomvang (+ € 47 mln.)

De financieringsomvang is afhankelijk van het kassaldo Rijk en de vervroegde aflossingen. De kassaldi van zowel 2017 als 2018 zijn hoger uitgevallen (hoger kasoverschot). Daarnaast is in 2018 voor € 1,2 mld. aan leningen met een afloopdatum in 2019 en 2020 vervroegd afgelost. Per saldo is de financieringsomvang € 12,6 mld. lager uitgevallen dan verwacht tijdens het opstellen van de begroting. Omdat schommelingen in het kassaldo gedurende het lopende jaar op de geldmarkt worden opgevangen heeft dit vooral een effect op de rentelasten van de kortlopende schuld. De korte rente was het hele jaar negatief, waardoor minder financiering op de geldmarkt tot minder renteontvangsten heeft geleid. Per saldo zijn de rentelasten daardoor € 47 mln. hoger uitgevallen.

Verschil rentelasten door andere financieringsomvang (bedragen x € 1 mln.)
 

Effect op rentelasten

Door aangepaste verandering kassaldo tussen begroting en financieringsplan

 

Effect werkt door op kapitaalmarkt

– 4

Door wijziging financieringsomvang gedurende 2018

 

Opgevangen op de kapitaalmarkt

– 9

Opgevangen op geldmarkt

60

Totaal

47

Ad. 3. Verschil door andere rentestanden (– € 4 mln.)

Verschil door ontwikkeling rentelasten
 

Gerealiseerde financieringsomvang

Rentelasten obv

CPB rente

Rentelasten obv gerealiseerde rente

Effect op rentelasten

 

€ mld.

€ mln.

€ mln.

€ mln.

Kapitaalmarkt

23,6

89

70

– 18

Gemiddelde stand geldmarkt

31,2

– 203

– 189

14

Totaal

54,8

– 115

– 119

– 4

Bij het opstellen van de begroting werd nog rekening gehouden met een lange rekenrente van 0,75%. In 2018 was de gemiddelde 10-jaars staatsrente echter 0,60%. In de tabel is te zien dat de lagere gemiddelde rente heeft geleid tot € 18 mln. minder rentelasten op de vaste schuld.

Op de geldmarkt vinden dagelijks uitzettingen en aflossingen plaats. Het totale volume van alle transacties op de geldmarkt is daarom in de praktijk veel hoger dan de gemiddelde stand van de geldmarkt. Ter illustratie: het deel van de schuld dat met schatkistpapier met een looptijd van 3 maanden wordt gefinancierd, wordt in een jaar viermaal afgelost en opnieuw geleend waardoor 4 verschillende rentes worden betaald. Voor de geldmarkt wordt daarom in de ramingen en ook in deze analyse gerekend met de gemiddelde stand van de geldmarkt en een rente van – 0,51%. Door de hogere, of feitelijk minder negatieve, rentestanden is in 2018 € 14 mln. minder ontvangen dan geraamd.

Central Counterparty (CCP)

In de begroting was aangekondigd dat het Agentschap ernaar streefde om eind 2018 central clearing van swaps mogelijk te maken. Central clearing betekent dat een tussen twee partijen afgesloten swap wordt overgebracht naar een derde partij, de CCP. De relatie tussen de twee oorspronkelijke partijen bestaat dan niet meer, maar beide partijen hebben na deze overdracht een swap met de CCP als tegenpartij. Het project is inmiddels met enige vertraging gestart en zal medio 2019 worden afgerond. De vertraging was het gevolg van prioritering van ICT-werkzaamheden binnen het ministerie en heeft geen gevolgen voor de uitvoering van de schuldfinanciering. Swapcontracten kunnen onverminderd op de huidige wijze met tegenpartijen worden afgesloten.

D. Tabel Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid – artikel 11 Financiering staatsschuld (bedragen x € 1 mln.)1Als gevolg van afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.2De rentelasten en -baten voor rentederivaten waren tot en met begrotingsjaar 2015 onderdeel van de rentelasten en -baten vaste en vlottende schuld. Met ingang van begrotingsjaar 2016 worden deze apart getoond.
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

Verplichtingen

59.639

60.779

43.840

54.275

45.831

46.645

– 814

               

Uitgaven

59.639

60.779

43.840

54.275

45.831

46.645

– 814

               

Rente

9.025

8.510

7.829

6.977

6.289

6.445

– 156

Rentelasten vaste schuld

8.746

8.145

7.533

6.847

6.236

6.445

– 209

Rentelasten vlottende schuld

78

47

40

29

0

0

0

Uitgaven bij voortijdige beëindiging

202

318

254

100

53

0

53

Rentelasten derivaten kort

   

1

0

0

0

0

               

Leningen

50.597

52.260

36.000

47.286

39.533

40.181

– 648

Aflossing vaste schuld

41.284

48.047

36.000

43.303

39.533

40.181

– 648

Mutatie vlottende schuld

9.313

4.213

0

3.983

0

0

0

               

Opdrachten

17

9

11

13

9

19

– 10

Overige kosten

17

9

11

13

9

19

– 10

               

Ontvangsten

51.337

52.878

40.651

35.529

32.539

38.322

– 5.783

               

Rente

415

5.471

6.678

2.995

4.762

1.771

2.991

Rentebaten vaste schuld

294

1.016

0

0

0

0

0

Rentebaten vlottende schuld

98

165

220

237

224

237

– 13

Voortijdige beëindiging schuld

0

0

0

0

0

0

0

Rente derivaten lang

   

1.087

1.210

1.202

1.534

– 332

Rente derivaten kort

       

1

0

1

Voortijdige beëindiging derivaten

22

4.290

5.371

1.547

3.335

0

3.335

               

Leningen

50.922

47.407

33.973

32.534

27.777

36.551

– 8.774

Uitgifte vaste schuld

50.922

47.407

28.957

32.534

23.637

36.551

– 12.914

Mutatie vlottende schuld

0

0

5.016

0

4.140

0

4.140

               

Overige baten

0

0

0

0

0

0

0

E. Toelichting op de instrumenten

Verplichtingen en Uitgaven

Rente (– € 156 mln.)

Rentelasten vaste schuld (– € 209 mln.)

De rentelasten op de vaste schuld zijn in 2018 € 209 mln. lager uitgevallen. Hier zijn meerdere oorzaken voor. Ten eerste waren de rentepercentages lager dan de rentepercentages die zijn gebruikt tijdens het opstellen van de begroting. Daarnaast zijn de rentelasten lager uitgevallen als gevolg vervroegde aflossingen tussen september 2017 en eind 2017 en als gevolg van de verlaging van de schulduitgifte op de kapitaalmarkt in het financieringsplan.

Uitgaven bij voortijdige beëindiging (+ € 53 mln.)

In 2018 is voor in totaal € 1,8 mld. aan staatsobligaties met een korte resterende looptijd voortijdig afgelost. Het voortijdig aflossen brengt kosten met zich mee. In 2018 bedroegen deze kosten € 53 mln. Doordat de rente de afgelopen jaren is gedaald, is de prijs waartegen een obligatie wordt ingekocht hoger dan de nominale waarde. Het verschil resulteert in een uitgave bij voortijdige beëindiging. Tegenover deze uitgaven staan lagere rentelasten in 2018, 2019 en 2020 omdat op de ingekochte obligaties geen rente meer betaald wordt.

Leningen (– € 648 mln.)

Aflossing vaste schuld (– € 648 mln.)

De aflossing van vaste schuld is per saldo € 648 mln. lager uitgevallen dan geraamd tijdens de begroting:

  • •  Eind 2017 is nog voor € 1,8 mld. aan leningen met een aflosdatum in 2018 vervroegd afgelost waardoor de aflossingen voor 2018 afnamen.
  • •  In 2018 is voor € 1,2 mld. aan leningen met een einddatum in 2019 en 2020 vervroegd afgelost waardoor de totale aflossingen zijn toegenomen.

Het vervroegd inkopen van leningen wordt gedaan uit hoofde van cashmanagement.

Opdrachten (– € 10 mln.)

Op de post overige uitgaven is € 10 mln. minder uitgegeven dan geraamd. De belangrijkste oorzaak hiervoor is dat er in 2018 slechts één Dutch Direct Auction (DDA)-veiling heeft plaatsgevonden.

Ontvangsten

Rente (+ € 2.991 mln.)

Rentebaten vlottende schuld (– € 13 mln.)

De rentebaten op de vlottende schuld zijn € 13 mln. lager uitgevallen. Dit komt doordat de rente op de geldmarkt minder negatief was dan geraamd en deels doordat de gemiddelde omvang van de geldmarktfinanciering gedurende het jaar lager was dan geraamd.

Rente derivaten lang (– € 332 mln.)

De rentebaten op de langlopende rentederivaten zijn in 2018 met name lager uitgevallen als gevolg van het voortijdig beëindigen van langlopende receiverswaps.

Voortijdige beëindiging derivaten (+ € 3.335 mln.)

In 2015 is begonnen met het voortijdig beëindigen van langlopende receiverswaps. Op receiverswaps ontvangt de Staat een vaste rente en betaalt een variabele rente. Doordat rentes sterk gedaald zijn, hebben receiverswaps een relatief hoge marktwaarde. Door deze langlopende receiverswaps voortijdig te beëindigen, ontvangt de Staat de marktwaarde die de swap op dat moment heeft. Deze marktwaarde is de contant gemaakte waarde van alle toekomstige renteontvangsten en -betalingen die nu in één keer wordt ontvangen. Het voortijdig beëindigen van receiverswaps heeft een verlengend effect op de gemiddelde looptijd van de portefeuille (schuld en swaps).

Leningen (– € 8.774 mln.)

Uitgifte vaste schuld (– € 12.914 mln.)

De uitgegeven vaste schuld (staatsobligaties) is € 12,9 mld. lager uitgevallen. Dit verschil wordt verklaard doordat bij het opstellen van de begroting het financieringsplan voor 2018 nog niet bekend was. De omvang van de uitgifte valt wel binnen de bandbreedte die was aangekondigd in het financieringsplan.

Mutatie vlottende schuld (+ € 4.140 mln.)

De stand van de vlottende schuld is eind 2018 € 4.140 mln. hoger dan begroot. De eindstand van de uitstaande schuld op de geldmarkt is het gevolg van meerdere ontwikkelingen gedurende het jaar, waarvan de ontwikkeling van het kassaldo, de keuze voor de omvang van de financiering op de kapitaalmarkt, de ontwikkeling van het onderpand in contanten dat is ontvangen voor de derivaten en de vervroegde aflossingen de belangrijkste zijn. Per saldo zijn meer nieuwe leningen aangegaan dan dat er op de vlottende schuld is afgelost.

Artikel 12 Kasbeheer

A. Algemene doelstelling

Optimaal kasbeheer van het Rijk en van de instellingen die aan de schatkist zijn gelieerd.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor het beheer van publieke middelen en de bijbehorende geldstromen. Het doel is dat publieke middelen doelmatig worden beheerd en financiële risico’s worden voorkomen. De wettelijke basis voor deze uitvoerende rol is geregeld in de CW 2001103 (voor RWT’s), de Wet financiering decentrale overheden104 (voor decentrale overheden), de Wet financiering sociale verzekeringen en de Zorgverzekeringswet105 (voor sociale fondsen) en de Regeling Agentschappen106 (voor agentschappen).

Het kasbeheer is onder te verdelen in het schatkistbankieren en het betalingsverkeer van de rijksoverheid.

Bij schatkistbankieren heeft de Minister van Financiën een uitvoerende rol. Schatkistbankieren houdt in dat instellingen hun middelen aanhouden bij het Ministerie van Financiën (de schatkist). Publieke middelen verlaten de schatkist dan niet eerder dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de publieke taak. Hierdoor is de externe financieringsbehoefte van het Rijk minder groot. Onder voorwaarden kunnen sommige categorieën deelnemers aan schatkistbankieren ook leningen krijgen.

Ook bij het betalingsverkeer van de rijksoverheid heeft de Minister van Financiën een uitvoerende rol. Het betalingsverkeer is verdeeld in percelen die periodiek worden aanbesteed. Door de aanbesteding worden banken geprikkeld om hun diensten tegen een zo gunstig mogelijke prijs-kwaliteitverhouding aan te bieden. Het Ministerie van Financiën treedt in deze aanbestedingsprocedures op als opdrachtgever.

C. Beleidsconclusies

De uitvoering van het schatkistbankieren en het betalingsverkeer is in 2018 goed verlopen. In de begroting van 2018 waren geen beleidswijzigingen voorzien. In 2018 is een eerste verkenning gedaan om een nieuw systeem (workflowmanagementsysteem) voor het schatkistbankieren in te voeren. Dit nieuwe systeem is bedoeld om de operationele processen van schatkistbankieren te vereenvoudigen en efficiënter te maken. In 2018 zijn de processen in kaart gebracht en heeft een marktconsultatie voor een nieuw systeem plaatsgevonden. De uitkomsten hiervan vormen input voor de aanbesteding, die in 2019 zal plaatsvinden. Naar aanleiding van Kamervragen107, die in 2018 zijn gesteld over het huisbankierschap, is door de Minister toegezegd dat het ministerie gaat verkennen of en zo ja welke aanvullende en aangescherpte eisen ten opzichte van het standaard Europees aanbestedingsrecht passend zijn.

D. Tabel Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid – artikel 12 Kasbeheer (bedragen x € 1 mln.)1Als gevolg van afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

Verplichtingen

6.248

6.206

1.509

1.553

2.951

1.532

1.419

               

Uitgaven

6.248

6.206

1.509

1.553

2.951

1.532

1.419

               

Rente

60

60

38

29

31

32

– 1

Rentelasten

60

60

38

29

31

32

– 1

Uitgaven bij voortijdige beëindiging

0

0

0

0

0

0

0

               

Leningen

1.979

6.146

1.350

1.523

2.213

1.500

713

Verstrekte leningen

1.979

6.146

1.350

1.523

2.213

1.500

713

               

Mutaties in rekening-courant en deposito's

4.209

0

120

0

708

0

708

Agentschappen

– 506

0

120

0

0

0

0

RWT's en derden

– 192

0

0

0

0

0

0

Sociale fondsen

5.240

0

0

0

0

0

0

Decentrale Overheden

– 333

0

0

0

708

0

708

               

Ontvangsten

3.317

11.616

8.657

6.063

10.747

11.522

– 775

               

Rente

405

340

177

146

120

174

– 54

Rentebaten

404

236

174

141

118

174

– 56

Ontvangsten bij voortijdige beëindiging

0

105

3

4

2

0

2

               

Leningen

2.912

5.907

1.660

1.886

2.126

1.031

1.095

Ontvangen aflossingen

2.912

5.907

1.660

1.886

2.126

1.031

1.095

               

Mutaties in rekening-courant en deposito's

0

5.368

6.820

4.031

8.501

10.317

– 1.816

Agentschappen

0

114

0

47

209

0

209

RWT's en derden

0

296

137

805

2.015

0

2.015

Sociale fondsen

0

3.687

5.803

2.766

6.277

9.217

– 2.940

Decentrale Overheden

0

1.271

880

413

0

1.100

– 1.100

E. Toelichting op de instrumenten

Verplichtingen en Uitgaven

Leningen (+ € 713 mln.)

Het bedrag aan verstrekte leningen is in 2018 € 713 mln. hoger dan in de begroting werd geraamd. De leningen verstrekt aan de agentschappen zijn € 447 mln. hoger uitgevallen dan begroot. De leningen verstrekt aan RWT’s zijn € 266 mln. hoger uitgevallen dan begroot.

Mutaties in rekening-courant en deposito (+ € 708 mln.)

Alle deelnemers aan het schatkistbankieren hebben één of meerdere rekeningen-courant waarop zij tegoeden aanhouden. Een daling van het saldo van de rekening-courant en deposito’s betekent een uitstroom van geld en is daarom een uitgave voor de Staat. Een stijging van het saldo leidt tot een ontvangst.

Voor 2018 werd een toename van de rekening-courant en deposito’s van de decentrale overheden verwacht van € 1.100 mln. Echter het saldo van de rekening-courant en deposito’s is € 708 mln. lager uitgevallen.

De mutaties van de agentschappen, RWT’s en derden en de sociale fondsen staan aan de ontvangstenkant en zijn in totaal € 1.816 mln. lager dan geraamd. Dit wordt vooral veroorzaakt door een lager dan verwachte toename van het rekening-courant saldo van de sociale fondsen, die € 2.940 mln. lager is dan in de begroting geraamd. Tevens werd zoals hierboven beschreven in de begroting nog uitgegaan van een toename van het saldo van decentrale overheden van € 1.100 mln., terwijl het saldo afnam. De toename van de rekening-courantstanden van de RWT’s en derden respectievelijk de agentschappen zijn daarentegen per saldo € 2.015 mln. en € 209 mln. hoger dan geraamd.

Ontvangsten

Rente (– € 54 mln.)

Rentebaten (– € 56 mln.)

De rentebaten zijn € 56 mln. lager uitgevallen dan in de begroting geraamd. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt doordat de rentebaten van de sociale fondsen lager zijn dan begroot. Dit komt omdat het rentepercentage in 2018 lager is uitgevallen dan het percentage waarmee in de begroting rekening werd gehouden. Dit geldt ook voor de rentebaten van de agentschappen.

Leningen (+ € 1.095 mln.)

In 2018 is er voor € 1.095 mln. meer aan leningen afgelost dan in de begroting werd geraamd. Dit komt met name omdat deelnemers de mogelijkheid hebben om hun leningen (deels) vervroegd af te lossen, bijvoorbeeld bij verkoop van de activa waarvoor was geleend. In 2018 is met name door de agentschappen veelvuldig gebruik gemaakt van de mogelijkheid om leningen vervroegd af te lossen.

Mutaties in rekening-courant en deposito’s (– € 1.816 mln.)

De toelichting op deze post bevindt zich hierboven aan de uitgavenzijde.

Noot 33: Kamerstukken II 2017–2018, 31 066, nr. 403.

Noot 34: Kamerstukken II 2018–2019, 31 066, nr. 435.

Noot 35: Dit is inclusief de betaalperiode na een eventuele herinnering.

Noot 36: In de Fiscale Monitor worden ondernemingen ondervraagd die 50 medewerkers of minder hebben.

Noot 37: Kamerstukken II 2017–2018, 31 066, nr. 403.

Noot 38: Kamerstukken II 2017–2018, 31 066, nr. 438.

Noot 39: Kamerstukken II 2018–2019, 35 000, nr. 2.

Noot 40: Kamerstukken II 2017–2018, 34 960, nr. 2 en Kamerstukken II 2017–2018, 35 095, nr. 2.

Noot 41: Kamerstukken II 2018–2019, 35 000-IX, nr. 13.

Noot 42: Kamerstukken II 2018–2019, 35 000-IX, nr. 17.

Noot 43: Kamerstukken II 2017–2018, 31 066, nr. 403.

Noot 44: Kamerstukken II 2017–2018, 31 066, nr. 403.

Noot 45: Kamerstukken II 2018–2019, 35 000-IX, nr. 13.

Noot 46: Kamerstukken II 2017–2018, 32 140, nr. 33.

Noot 47: Kamerstukken II 2018–2019, 35 026, nr. 6.

Noot 48: Kamerstukken II 2018–2019, 35 026, nr. 2.

Noot 49: Kamerstukken II 2018–2019, 35 027, nr. 2.

Noot 50: Kamerstukken II 2018–2019, 35 028, nr. B.

Noot 51: Kamerstukken II 2018–2019, 35 028, nr. 2.

Noot 52: Kamerstukken II 2018–2019, 35 029, nr. 2.

Noot 53: Kamerstukken II 2018–2019, 35 032, nr. 2.

Noot 54: Kamerstukken II 2018–2019, 35 033, nr. 2.

Noot 55: Kamerstukken II 2018–2019, 35 031, nr. 2.

Noot 56: Kamerstukken II 2018–2019, 35 030, nr. 2.

Noot 57: Kamerstukken II 2018–2019, 34 556, nr. 2.

Noot 58: Kamerstukken II 2018–2019, 35 026, nr. 51.

Noot 59: Kamerstukken II 2018–2019, 25 087, nr. 188.

Noot 60: Kamerstukken II 2018–2019, 25 087, nr. 222.

Noot 61: Richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt (PbEU 2016, L 234/26).

Noot 62: In het oorspronkelijke wetsvoorstel wordt uitgegaan van een statutair tarief van 7%. Een amendement van dhr. Van Weyenberg (D66) c.s. heeft ertoe geleid dat dit tarief is verhoogd naar 9%. Zie Kamerstukken II 2018–2019, 35 030, nr. 10.

Noot 63: Richtlijn (EU) 2017/952 van de Raad van 29 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2016/1164 wat betreft hybridemismatches met derde staten (PbEU 2017, L 144/1).

Noot 64: Stb. 2018, 514.

Noot 65: Stb. 2017, 505.

Noot 66: Stb. 2017, 525.

Noot 67: Stb. 2018, 476.

Noot 68: Kamerstukken II 2017–2018, 31 311, nr. 207.

Noot 69: Kamerstukken II 2018–2019, 31 311, nr. 212.

Noot 70: Kamerstukken II 2018–2019, 31 311, nr. 212.

Noot 71: Kamerstukken II 2017–2018, 34 785, nr. 11.

Noot 72: Kamerstukken II 2017–2018, 34 785, nr. L.

Noot 73: Kamerstukken II 2016–2017, 31 580, nr. 6.

Noot 74: Kamerstukken II 2018–2019, 32 800, nr. 45.

Noot 75: Kamerstukken II 2017–2018, 34 785, nr. 80.

Noot 76: Kamerstukken II 2017–2018, 32 800, nr. 44.

Noot 77: Kamerstukken II 2018–2019, 32 140, nr. 49.

Noot 78: Kamerstukken II 2018–2019, 25 087, nr. 222

Noot 79: Kamerstukken II 2017–2018, 32 140, nr. 47.

Noot 80: Kamerstukken II 2018–2019, 31 066, nr. 441.

Noot 81: Kanttekening is dat de definitieve correcties voor de aangiftenbehandeling IH, Vpb en boekenonderzoeken lager kunnen uitvallen omdat belastingplichtigen in bezwaar kunnen gaan of door verlies op invordering.

Noot 82: Kamerstukken II 2017–2018, 32 013, nr. 200.

Noot 83: Stb. 2018, 503.

Noot 84: Design-Build-Finance-Maintain-(Operate)

Noot 85: Kamerstukken II 2017–2018, 32 013, nr. 165.

Noot 86: Statement of the Euro Summit, 14 December 2018

Noot 87: Statement of the Euro Summit, 14 December 2018

Noot 88: https://ec.europa.eu/commission/sites/beta-political/files/draft_withdrawal_agreement_0.pdf

Noot 89: World Bank Annual Report 2018 (http://www.worldbank.org/en/about/annual-report)

Noot 90: Kamerstukken II 2017–2018, 26 234, nr. 208 en Kamerstukken II 2017–2018, 26 234, nr. 209.

Noot 91: Kamerstukken II 2017–2018, 21 501-07, nr. 1541.

Noot 92: Zie https://www.aiib.org/en/news-events/news/2017/annual-report/index.html voor het jaarverslag AIIB en www.aiib.org voor het vastgesteld beleid.

Noot 93: https://www.aiib.org/en/index.html

Noot 94: Het productassortiment dat ADSB namens de Staat aanbiedt betreft onder andere: kapitaalgoederenverzekering, financieringsverzekering werkkapitaaldekking en de exportkredietgarantie. Zie voor een volledige beschrijving van het productassortiment de website van ADSB: www.atradiusdutchstatebusiness.nl/index.html

Noot 95: De Arrangement on Officially Supported Export Credits. De meeste OESO-lidstaten en de EU nemen hieraan deel.

Noot 96: Kamerstukken II 2017–2018, 26 485, nr. 255. Voor de laatste mvo-brochure: https://atradiusdutchstatebusiness.nl/nl/artikel/brochures.html.

Noot 97: Kamerstukken II 2016–2017, 31 935, nr. 33.

Noot 98: https://vng.nl/files/vng/brieven/2013/attachments/130120_conclusies_bofv_in_casu_onderhandelaarsakkoord.pdf

Noot 99: Kamerstukken II 2001–2002, 28 035, nr. A.

Noot 100: IMF Revised guidelines for public dept management, april 2014.Zie https://www.imf.org/external/np/pp/eng/2014/040114.pdf

Noot 101: Outlook 2018: Kamerstukken II 2017–2018, 34 775-IX, nr. 13.

Noot 102: De actuele stand van de staatsschuld wordt maandelijks gepubliceerd op www.dsta.nl

Noot 103: Kamerstukken II 2001–2002, 28 035, nr. A.

Noot 104: Kamerstukken II 2013–2014, 33 416, nr. G.

Noot 105: Kamerstukken II 2012–2013, 33 675, nr. 2.

Noot 106: Stcrt. 2012, 20668.

Noot 107: Aanhangsel van de Handelingen, Kamerstukken II 2018–2019, nr. 662, 19 november 2018.