Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

D2. KOOPKRACHT

Sinds Prinsjesdag 2018 hebben het CPB en het Ministerie van SZW de wijze waarop de koopkrachtontwikkeling wordt gepresenteerd aangepast. Een van de wijzigingen is dat in de MEV 2019 van het CPB en de SZW-begroting 2019 (Miljoenennota 2019) de boxplottabel zijn intrede heeft gedaan. In deze tabel is zowel de mediane koopkrachtontwikkeling (het middelste huishouden in een naar koopkrachtontwikkeling gerangschikte verdeling) als de spreiding en het percentage huishoudens met een positieve of negatieve koopkrachtontwikkeling af te lezen. Daarmee wordt de belangrijkste informatie over de verdeling van de koopkrachtontwikkeling tussen en binnen groepen in één plaatje inzichtelijk. Daarnaast is de set voorbeeldhuishoudens, zoals SZW deze presenteert in de standaardkoopkrachttabel in de Begroting en het Jaarverslag, uitgebreid om zo voldoende recht te blijven doen aan de diversiteit aan huishoudsamenstellingen en inkomensverdelingen in Nederland. Om de aansluiting tussen de koopkrachtraming zoals gepresenteerd in de Begroting en de koopkrachtrealisatie zoals te vinden in het Jaarverslag te borgen, zijn de eerdergenoemde wijzigingen ook doorgevoerd in dit Jaarverslag. Figuur D2.1 geeft de boxplot (zowel raming als realisatie) voor 2018 weer.

Figuur D2.1 Boxplot koopkrachtontwikkeling 2018, links raming bij Miljoenennota (MEV 2018), rechts realisatie bij Jaarverslag (CEP 2019)

De mediane koopkracht komt in 2018 uit op 0,3 procent, dit is 0,3 procentpunt lager dan bij Begroting 2018 werd verwacht. 68% van de huishoudens behield de koopkracht of zag een (kleine) plus, 32% van de huishoudens leverde (licht) in.

De standaardkoopkrachttabel voor het jaar 2018 staat in tabel D2.1. De tabel beschrijft de meest recente stand, de CEP-raming van het CPB.

Tabel D2.1 Koopkrachtcijfers 2018 (mutatie in %)
 
Raming bij Miljoenennota 20181
Realisatie bij Jaarverslag 20182

Actieven

   

Alleenverdiener met kinderen

   
 

modaal

0,1

– 0,4

 

2 x modaal

0,1

– 0,2

Tweeverdieners

   
 

modaal + ½ x modaal met kinderen

0,3

0,2

 

2 x modaal + ½ x modaal met kinderen

0,6

0,3

 

2½ x modaal + modaal met kinderen

0,6

0,2

 

modaal + modaal zonder kinderen

0,3

0,0

 

2 x modaal + modaal zonder kinderen

0,5

0,2

Alleenstaande

   
 

minimumloon

0,5

0,1

 

modaal

0,3

0,0

 

2 x modaal

0,7

0,2

Alleenstaande ouder

   
 

minimumloon

0,8

0,4

 

modaal

0,3

0,0

Inactieven

   

Sociale minima

   
 

paar met kinderen

0,2

– 0,1

 

alleenstaande

0,1

– 0,2

 

alleenstaande ouder

0,3

– 0,1

AOW (alleenstaand)

   
 

(alleen) AOW

0,4

0,1

 

AOW + € 10.000

0,1

– 0,2

AOW (paar)

   
 

(alleen) AOW

0,2

– 0,1

 

AOW + € 10.000

0,1

– 0,2

 

AOW + € 30.000

– 1,3

– 1,3

Noot 1: Berekeningen SZW op basis van CPB (MEV 2018) en gegevens Ministerie van VWS.

Noot 2: Berekeningen SZW op basis van CPB (CEP 2019). Het CPB heeft vanaf het CEP 2019 een verbetering doorgevoerd in de vaststelling van het modale inkomen. Het modale inkomen komt hierdoor in 2018 uit op € 34.500. Bij de MEV 2018 was dit nog € 37.500.

Het jaar 2018 was, mede door de kabinetsformatie in het jaar ervoor, een beleidsarm jaar wat betreft koopkracht. De lager dan verwachte realisatie hangt samen met een hogere inflatie en lagere loonontwikkeling, terwijl de uitgaven aan de zorgpremie ook lager uitkwamen dan verwacht (tabel D2.2). De hogere inflatie (0,3% hoger) en de lagere contractloonontwikkeling (0,2% lager) hadden een drukkend effect op de koopkrachtontwikkeling, terwijl de lager dan verwachte nominale zorgpremie (€ 54 lager) positief was voor de koopkrachtontwikkeling voor huishoudens zonder recht op zorgtoeslag.

Tabel D2.2 Uitsplitsing verschillen tussen geraamde en gerealiseerde koopkrachtontwikkeling
 

Raming bij Miljoenennota (MEV 2018)

Realisatie bij Jaarverslag (CEP 2019)

Verschil

Inflatie (mutatie in %)

1,4

1,7

0,3

Contractlonen (mutatie in %)

2,2

2,0

– 0,2

Nominale zorgpremie (in €)

1.362

1.308

– 54

Tabel D2.1 laat zien dat gepensioneerde paren met een hoog aanvullend pensioen een negatieve koopkrachtontwikkeling van -1,3% hebben en hiermee aan de onderkant van de bandbreedte voor de groep gepensioneerden zitten (zie boxplot, Figuur D2.1). Dit hangt samen met het niet indexeren van aanvullend pensioen, dat voor dit huishouden een groot deel van het inkomen uitmaakt. De gerealiseerde koopkrachtontwikkeling voor dit huishouden is gelijk aan de raming omdat het effect van de hogere inflatie en de lagere zorgpremie hier tegen elkaar wegvallen.

De koopkrachtcijfers zijn dus sterk afhankelijk van macro-economische ontwikkelingen. Fluctuaties in de inflatie, rente of de loonontwikkeling hebben een grote invloed en de ontwikkeling hiervan is niet met zekerheid te voorspellen. De koopkrachtplaatjes veranderen daardoor bijna per definitie tussen verschillende ramingsmomenten in een jaar. Uit onderstaande tabel wordt duidelijk dat in 2015 en 2016 de gerealiseerde koopkrachtontwikkeling hoger lag dan eerder verwacht. In 2017 en 2018 kwam de realisatie lager uit dan de verwachting.

Tabel D2.3 Geraamde en gerealiseerde koopkrachtontwikkeling, mediaan alle huishoudens, 2015–2018 (mutatie in %)
 

2015

2016

2017

2018

Raming bij Miljoenennota (MEV)

½

1,4

1,0

0,8

Realisatie bij Jaarverslag (CEP)

1,0

2,6

0,3

0,3