Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

1. Arbeidsmarkt

Algemene doelstelling

De overheid draagt bij aan evenwichtige arbeidsverhoudingen en -voorwaarden door kaders te stellen en waar van toepassing toe te zien op de naleving daarvan. De overheid bevordert en stimuleert gezonde en veilige arbeidsomstandigheden.

De overheid bevordert het functioneren van de arbeidsmarkt door bescherming te bieden en de belangen van werknemers te waarborgen in evenwicht met de belangen van de onderneming. De overheid voorziet hierbij in een minimumniveau van arbeidsrechtelijke bescherming, onder andere ten aanzien van de arbeidsomstandigheden, arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden, met inachtneming van de eigen verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers. Daarnaast draagt zij zorg voor een op de arbeidsmarkt toegesneden arbeidsmigratiebeleid.

De overheid vindt het belangrijk dat werknemers en zelfstandigen hun werk onder goede condities kunnen verrichten. Dit is ook van belang voor het vergroten van de arbeidsparticipatie en de arbeidsproductiviteit, het beperken van uitval door ziekte en arbeidsongeschiktheid, en het bevorderen van de duurzame inzetbaarheid van werknemers.

De overheid geeft invulling aan bovenstaand beleid door de vormgeving van een stelsel van wet- en regelgeving. Ook ziet de overheid toe op de naleving daarvan. Concreet gaat het daarbij om:

  • •  Gezond en veilig werken, waaronder de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) en de Arbeidstijdenwet (ATW);
  • •  Arbeidsverhoudingen, waaronder de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (cao), de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (avv) en de Wet op de ondernemingsraden (WOR);
  • •  Arbeidsrechtelijke bescherming, waaronder de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml), wet- en regelgeving met betrekking tot gelijke behandeling en de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi);
  • •  Toelating van arbeidsmigranten, waaronder de Wet arbeid vreemdelingen (Wav);
  • •  Maatregelen tegen schijnconstructies van werkgevers, waaronder de Wet aanpak schijnconstructies (Was).

Bij het realiseren van deze doelstelling is een belangrijke taak weggelegd voor sociale partners. Zij zijn verantwoordelijk voor het maken van onderlinge afspraken over arbeidsvoorwaarden en arbeidsverhoudingen en het bieden van veilige en gezonde werkomstandigheden. De overheid bevordert dat sociale partners hier vorm en uitvoering aan geven en voert hiertoe overleg met hen.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister stimuleert met financiële instrumenten initiatieven die bijdragen aan gezonde en veilige arbeidsomstandigheden en aan goede arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden. De Minister regisseert met wet- en regelgeving het stelsel van minimumeisen. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • •  De vormgeving, het onderhoud en de werking van dit stelsel;
  • •  De vaststelling van de hoogte van het wettelijk minimumloon (Wml) en het maximumdagloon;
  • •  Het bevorderen van goede arbeidsverhoudingen, onder andere door het recht op onderhandeling door sociale partners te waarborgen en het in stand houden van een adequate overlegstructuur met de sociale partners;
  • •  Het bevorderen dat werkgevers en werknemers gezonde en veilige arbeidsomstandigheden en een goed werktijden- en verzuimbeleid realiseren;
  • •  Het bevorderen dat werkenden gezond en vitaal kunnen doorwerken tot de pensioengerechtigde leeftijd;
  • •  Het zorgdragen voor gelijke kansen voor en tijdens arbeidsdeelname;
  • •  Het stimuleren en faciliteren van postinitiële scholing ten behoeve van het optimaal functioneren van de arbeidsmarkt;
  • •  De handhaving van de wet- en regelgeving door de Inspectie SZW.

De Minister van Financiën is primair verantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het arbeidsmarktbeleid te realiseren, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

Beleidsconclusies

Loonkostenvoordelen (LKV) en het minimumjeugdloonvoordeel (jeugd-LIV)

Sinds 1 januari 2018 kunnen werkgevers gebruik maken van loonkostenvoordelen (LKV). Het gaat om een tegemoetkoming in de loonkosten voor ouderen en mensen met een arbeidsbeperking, zoals een ziekte of handicap. Het LKV vervangt de premiekortingen voor arbeidsbeperkte en oudere werknemers en heeft als doel om werknemers met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt in dienst te nemen of te houden. Daarnaast kunnen werkgevers vanaf 1 januari 2018 een tegemoetkoming krijgen voor jongeren van 18 tot en met 21 jaar (minimumjeugdloonvoordeel). De tegemoetkoming compenseert werkgevers voor de verhoging van het minimumjeugdloon die vanaf 1 juli 2017 is ingevoerd. Voor beide regelingen geldt dat uitbetaling voor het eerst plaats vindt in 2019, na afloop van het kalenderjaar waarin de verplichting ontstaat. In 2018 zijn er dus geen uitgaven aan deze regeling.

Implementatie richtlijn onderzoekers, studenten, stagiairs, vrijwilligers

Op 23 mei 2018 is conform het voornemen in de begroting 2018 de richtlijn (EU) 2016/801 (PbEU 2016, L 132) over de toelating van niet-EU-onderzoekers, -studenten, -stagiairs en -vrijwilligers geïmplementeerd. Daartoe zijn het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen en de Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen gewijzigd. Uit de richtlijn vloeit een meer uniforme procedure voor toelating, verblijf en arbeid voort. Met de implementatie van de richtlijn is het onder meer mogelijk geworden voor buitenlandse studenten om meer uren per week te werken en is de stageregeling verruimd. Tot slot zijn bepalingen gewijzigd die zien op mobiliteit binnen de EU voor onderzoekers en studenten.

Van toepassing verklaring van de Wet minimumloon op nader bepaalde overeenkomsten van opdracht

De voornemens die waren opgenomen in de begroting voor 2018 ten aanzien van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (hierna: Wml) zijn volledig gerealiseerd. De wijzigingen van de wet en het besluit hebben als doel oneigenlijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden te voorkomen.

De wijziging die de Wml van toepassing verklaarde op nader bepaalde overeenkomsten van opdracht (OVO) is per 1 januari 2018 in werking getreden (Stb. 2017, 290). Tevens is per 1 januari 2018 door middel van een algemene maatregel van bestuur geregeld dat ook andere arbeidsverhoudingen als dienstbetrekking in de zin van de Wml moeten worden beschouwd, waardoor het minimumloon van toepassing is op die arbeidsverhoudingen (Stb. 2017, 359).

Programma beroepsziekten

In 2018 is het vierjarige programma Preventie Beroepsziekten conform plan in de begroting 2018 gestart. Het programma richt zich op het voorkomen van nadelige gezondheidseffecten van het werken met gevaarlijke stoffen. In samenwerking met andere partijen is in 2018 ingezet op de versterking van de bewustwording en de aanpak van gezondheidsrisico’s van het werken met gevaarlijke stoffen.

Arbeidsgerelateerde zorg en bedrijfsartsen

Op 29 juni is de eerste kwaliteitstafel bedrijfs- en verzekeringsgeneeskunde gestart. De doorlooptijd is voorzien tot uiterlijk 1 mei 2020. Aan de kwaliteitstafel nemen relevante stakeholders deel om de kennis- en kwaliteitsontwikkeling van de bedrijfs- en verzekeringsgeneeskunde te verbeteren en de aantrekkelijkheid van het beroep van bedrijfsarts en verzekeringsarts te vergroten. Het doel van de kwaliteitstafel is dat stakeholders gezamenlijk werken aan de ontwikkeling van een structureel kennis- en kwaliteitsbeleid en daarmee bijdragen aan het inlopen van de tekorten aan bedrijfs- en verzekeringsartsen. De eerste resultaten worden naar verwachting eind 2019 verwacht.

Ondersteuning ontwikkeling gedragscode schadeverhaal bij beroepsziekten

In 2018 is een subsidie verstrekt aan de Letselschaderaad om te onderzoeken of er voldoende draagvlak is in de letselschadesector om tot afspraken te komen om het proces van schadeverhaal te stroomlijnen. Uit de verkenning komt dat de noodzaak om tot nadere afspraken te komen breed wordt onderschreven. Het overgrote deel van de sector ziet dit het liefst in de vorm van een gedragscode.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 4.1.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 1 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Verplichtingen

16.545

15.444

20.914

20.064

486.041

508.873

– 22.832

Uitgaven

14.103

17.487

19.385

15.854

486.149

509.873

– 23.724

               

Inkomensoverdrachten

0

0

3.427

1.805

473.582

493.000

– 19.418

Vakantiedagen

0

0

3.427

1.805

21

0

21

Lage-inkomensvoordeel

0

0

0

0

473.561

493.000

– 19.439

               

Subsidies

2.090

3.558

3.049

3.173

1.712

2.920

– 1.208

               

Opdrachten

11.823

13.737

8.948

6.807

6.716

8.930

– 2.214

               

Bekostiging

190

192

145

125

100

100

0

               

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

0

0

0

0

0

1.092

– 1.092

Ministerie van EZ

0

0

0

0

0

100

– 100

Ministerie van VWS

0

0

0

0

0

992

– 992

               

Bijdrage aan agentschappen

0

0

3.816

3.944

4.039

3.831

208

RIVM

0

0

3.816

3.944

4.039

3.831

208

               

Ontvangsten

29.645

22.203

24.552

29.240

16.717

24.000

– 7.283

Toelichting financiële instrumenten

A. Inkomensoverdrachten

A1 Vakantiedagen

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat vergoedingen uitgekeerd moeten worden aan werknemers die tijdens ziekte te weinig vakantiedagen hebben opgebouwd. Het vaststellen en uitbetalen van de vergoedingen heeft langer geduurd dan beoogd. Hierdoor is een klein gedeelte van de uitgaven voor deze regeling onvoorzien nog in 2018 uitbetaald.

A2 Lage-inkomensvoordeel

Het LIV is per 1 januari 2017 ingevoerd en in 2018 voor het eerst uitbetaald. Het doel van het LIV is het stimuleren van werkgelegenheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt. De tegemoetkoming in de loonkosten wordt betaald aan werkgevers die werknemers in dienst hebben met een loon tussen 100% en 125% van het Wml. Er is in 2018 in totaal € 474 miljoen uitgekeerd aan ruim 93.500 werkgevers ten behoeve van ruim 413.000 werknemers.

B. Subsidies

Het subsidiebudget is niet volledig uitgeput. Een deel van de middelen is overgeboekt naar opdrachten en doorgeschoven naar 2019. Het betreft met name middelen voor het Programma Beroepsziekten waarvan enkele activiteiten vanuit de opdrachten worden bekostigd of later zijn gestart.

C. Opdrachten

Het budget voor uitgaven aan «Opdrachten» is niet volledig uitgeput. Dit is veroorzaakt door enkele onderzoeken en voorlichtingscampagnes die niet zijn doorgegaan of waarvan het kasbeslag geheel of gedeeltelijk in 2019 valt.

D. Bekostiging

De uitgaven voor bijdragen aan de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (CKA) zijn conform begroting 2018.

E. Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

Het Ministerie van VWS heeft een bedrag van bijna € 1 miljoen ontvangen onder andere in verband met de jaarlijkse bijdrage aan de Gezondheidsraad. Daarnaast is een bijdrage van € 0,03 miljoen van SZW via een budgetoverheveling naar het Ministerie van EZK gegaan ten behoeve van het College toelating gewasbescherming. De uitgaven worden door de desbetreffende departementen in hun jaarverslag verantwoord.

F. Bijdragen aan agentschappen

De uitgaven voor bijdragen aan agentschappen zijn vrijwel conform begroting 2018. Het betreft hier de bijdrage aan het RIVM.

G. Ontvangsten

De boeteontvangsten van de Inspectie SZW komen ruim € 7 miljoen lager uit dan de raming. Dit komt vooral doordat het aandeel reactieve inspecties verder toeneemt. Reactieve inspecties kosten meer tijd, waardoor er minder inspecties plaatsvinden en dus minder boetes worden opgelegd.

De boeteontvangsten van de Inspectie SZW zijn lastig te ramen. Deze hangen onder andere af van het aantal inspecties en wat er wordt waargenomen bij deze inspecties. Tevens zijn de boeteontvangsten niet taakstellend voor de Inspectie SZW, waardoor niet wordt gestuurd op het behalen van de geraamde boeteontvangsten. De Inspectie stuurt uiteraard wel op het innen van de opgelegde boetes.

Kerncijfers

Algemeen

De arbeidsmarkt bevindt zich in een hoogconjunctuur. In 2018 was het aantal werkenden groter dan ooit. De werkloosheid daalt al jaren gestaag voor alle leeftijdscategorieën, en was in 2018 bijna weer op het niveau van voor de crisis (3,7% of 318.000 werklozen in 2008).

Tabel 4.1.2 Kerncijfers arbeidsmarkt1CBS, Statline.
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Werkloosheidspercentage

7,4

6,9

6,0

4,9

3,8

 

15 tot 25 jaar (jeugdwerkloosheid)

12,7

11,3

10,8

8,9

7,2

   

Waarvan migrantenjongeren

21,7

19,9

18,1

14,9

11,3

 

25 tot 45 jaar

6,3

5,6

4,6

3,7

2,8

 

45 tot 75 jaar

6,6

6,5

5,6

4,4

3,6

Werkloze beroepsbevolking (x 1.000)

660

614

538

438

350

Werkzame beroepsbevolking (x 1.000)

8.214

8.294

8.403

8.579

8.774

Gezond en veilig werken

In 2018 heeft 1,5% van de werknemers een arbeidsongeval gehad met ten minste een dag verzuim. Het ziekteverzuim is in 2018 ten opzichte van 2017 met 0,3%-punt toegenomen. Het betreft een beperkte toename; het ziekteverzuim is in de periode 2014–2018 0,5%-punt toegenomen. Werknemers verzuimden in 2018 gemiddeld 4,3 op de honderd werkdagen.

In 2018 vond 1 incident met gevaarlijke stoffen plaats. In meerjarig perspectief schommelt het aantal tussen 3 en 6.

Het aantal werknemers met een volgens henzelf door een arts vastgestelde beroepsziekte is in 2018 ten opzichte van 2016 met een half procentpunt gestegen.

Tabel 4.1.3 Kerncijfers gezond en veilig werken
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Werknemers met een arbeidsongeval met ten minste een dag verzuim (%)1

1,7

1,4

1,4

1,6

1,5

Zelfstandigen met een arbeidsongeval met ten minste een dag verzuim (%)2

1,2

1,1

Ziekteverzuim (%)3

3,8

3,9

3,9

4,0

4,3

Aantal incidenten met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen4

4

2

6

3

1

Naleving zorgplicht Arbowet (%)5

79

80

81

Werknemers met een volgens henzelf door een arts vastgestelde beroepsziekte (%)6

3,2

3,2

3,7

Zelfstandigen met een volgens henzelf door een arts vastgestelde beroepsziekte (%)

1,6

1,9

Noot 1: CBS/TNO, nationale enquête arbeidsomstandigheden. Door gewijzigde opzet en vraagstelling van de enquête zijn de percentages vanaf 2014 niet goed vergelijkbaar met eerdere jaren. In 2015 is de meting van arbeidsongevallen verbeterd. Er wordt een extra controle uitgevoerd of het arbeidsongeval wel in de afgelopen 12 maanden heeft plaatsgevonden. Hierdoor valt het aandeel werknemers met een arbeidsongeval in 2015 iets lager uit. Wanneer deze verbetering niet was doorgevoerd zou het percentage in 2015 zijn uitgekomen op 1,6%. Deze verbetering wordt voor het jaar 2015 en latere jaren toegepast.

Noot 2: CBS/TNO, zelfstandigenenquête arbeidsomstandigheden. Deze enquête wordt tweejaarlijks uitgevoerd. TNO maakt de realisatie in 2018 in de tweede helft van 2019 openbaar.

Noot 3: CBS, kwartaalenquête ziekteverzuim.

Noot 4: Inspectie SZW administratie, conform de waarde uit het EU-systeem. Een incident uit de realisatie 2017 heeft in 2016 plaatsgevonden.

Noot 5: Inspectie SZW, monitor Arbo in bedrijf. De monitor wordt tweejaarlijks uitgevoerd.

Noot 6: CBS/TNO, nationale enquête arbeidsomstandigheden. In deze enquête wordt tweejaarlijks gevraagd naar beroepsziekten.

Arbeidsverhoudingen en -voorwaarden

De ontwikkeling van het aantal werknemers dat onder een cao valt, kan deels worden toegeschreven aan cao’s die in het ene jaar wel, en het andere jaar geen actuele looptijd kennen, en deels aan cao’s waaronder het ene jaar meer dan wel minder werknemers vallen dan in het andere jaar.

Tussen 2017 en 2018 was er sprake van een toename van het aantal afgegeven tewerkstellingsvergunningen. Er is een stijging in met name twee categorieën waargenomen, te weten tewerkstellingsvergunningen voor bijkomende werkzaamheden voor buitenlandse studenten en tewerkstellingsvergunningen voor kennismigranten voor kort verblijf.

Tabel 4.1.4 Kerncijfers arbeidsverhoudingen en -voorwaarden
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Aantal werknemers onder cao1 (x 1.000, ultimo)

5.486

5.500

5.551

5.518

5.615

 

waarvan direct gebonden bedrijfstak- en ondernemings-cao’s

4.850

4.743

4.793

4.714

4.790

 

waarvan gebonden door algemeen verbindend verklaring

636

757

758

804

825

Aantal verleende tewerkstellingsvergunningen (twv) (x 1.000, ultimo)2

7,2

7,0

7,7

8,9

10

Noot 1: SZW, administratie.

Noot 2: UWV, jaarverslag.

Handhaving van Inspectie SZW

De Inspectie SZW is de toezichthouder op het terrein van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Dat toezicht is gericht op de naleving van de wet- en regelgeving over arbeidsomstandigheden, de arbeidsmarkt en arbeidsverhoudingen. Daarnaast onderzoekt de Inspectie SZW de werking van het stelsel van sociale zekerheid en signaleert ontwikkelingen en risico’s op de beleidsterreinen van het Ministerie van SZW. Ook werkt de Inspectie SZW op het gebied van pgb- en declaratiefraude als opsporingsorganisatie voor het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

In het regeerakkoord is € 50 miljoen vrijgemaakt voor de handhavingsketen van de Inspectie SZW. Hiermee wordt het belang van handhaving als een randvoorwaarde voor een werkende arbeidsmarkt en een functionerend stelsel van sociale zekerheid bevestigd. Conform de brief aan te Tweede Kamer over de uitbreiding van de inspectieketen Inspectie SZW worden de middelen de komende jaren vooral benut om extra inspecteurs en rechercheurs te werven. Inspecteurs en rechercheurs worden ingezet op de thema’s waarop de komende jaren prioriteit ligt: de bevordering van eerlijk werk, waaronder het voorkomen van arbeidsuitbuiting en onderbetaling, de borging van de procesveiligheid en bestrijding van acute en chronische blootstellingrisico’s aan gevaarlijke stoffen bij zowel BRZO-bedrijven als overige (chemische) bedrijven. Ook zal de extra capaciteit bijdragen aan het herstellen van de balans tussen ongevalsonderzoeken en preventieve inspecties op het terrein van gezond en veilig werken. Tenslotte wordt intensiever ingezet op de aanpak van arbeids(markt)discriminatie.

In 2018 is ingezet op het verstevigen van het fundament van de organisatie (HRM, analysecapaciteit, juridische en beleidsmatige capaciteit). Ook zijn de eerste stappen gezet om de inspectieketen in de handhaving met inspecteurs en rechercheurs te versterken.

De Inspectie organiseerde in 2018 haar activiteiten in circa 20 programma’s. Per programma formuleert de Inspectie wat de beoogde maatschappelijke effecten zijn, met welke resultaten de Inspectie wil bijdragen aan de realisatie ervan en met welke (mix van) interventies zij die resultaten wil realiseren. Hierbij maakt ze gebruik van een breed handhavingsinstrumentarium, variërend van (grensoverschrijdend) opsporingsonderzoek, stilleggingen, boetes, ketenafspraken en branchevoorlichting. Daarbij werd de samenwerking gezocht met relevante publieke en private partners in de handhavingsketen. Dit alles gericht op maximaal maatschappelijk effect. De resultaten en effecten die in 2018 zijn bereikt beschrijft de Inspectie SZW in het jaarverslag 2018. Daarbij gaat het niet om het aantonen van een causaal verband tussen interventies en effect, maar om informatie die de resultaten van de Inspectie weergeeft. En waarvan het plausibel is dat deze resultaten bijdragen aan het realiseren van het beoogde maatschappelijk effect.

Kerncijfers

Inspectie Control Framework

Naast het benoemen van de resultaten en effecten van de toezichtsprogramma’s, hanteert de Inspectie SZW een set indicatoren zoals opgenomen in tabel 4.1.5. Deze indicatoren geven op hoofdlijnen de ontwikkelingen van de in het Inspectie Control Framework (ICF) genoemde punten weer en de bijdrage van de Inspectie SZW aan de realisatie van maatschappelijk effect.

Door het groot aantal reactieve (ongevals)onderzoeken «gezond en veilig» in 2018 is de verhouding actieve inspecties/reactieve inspecties verder onder druk komen te staan. Ongevalsonderzoeken zijn door hun complexiteit – vaststelling van de mate van verwijtbaarheid en getuigenverhoren – vaak arbeidsintensief en daarmee tijdrovend. In de brief aan de Tweede Kamer over de uitbreiding inspectieketen Inspectie d.d. 31 oktober 2018 is deze ontwikkeling aangegeven (Tweede Kamer, 2018–2019, 29 544, nr. 846). Dit is aanleiding geweest om in het kader van de verdeling van de € 50 miljoen vanuit het regeerakkoord extra in te zetten op het verhogen van de capaciteit voor veilig en gezond. Zo zal ook de preventieve kant van het werk van de Inspectie SZW weer worden verstevigd en zal de verhouding tussen de inzet op actief en reactief onderzoek meer in evenwicht worden gebracht. Een analyse van de reactieve activiteiten wordt opgenomen in het jaarverslag Inspectie SZW 2018.

In 2018 heeft de Inspectie SZW minder vaak deelgenomen aan de gezamenlijke Brzo-inspecties dan in 2017 (56% versus 60%). Dit wordt veroorzaakt doordat per saldo minder capaciteit beschikbaar was. De uitbreiding van het aantal medewerkers in 2018 resulteert, conform de in 2017 benoemde n+1 regel, eerst in 2019 tot extra inzetbare capaciteit. In 2018 is – naast het formuleren van een visie op informatiegestuurd werken en een meerjarenaanpak – gestart met het op orde brengen van de verwerving en van het beheer van informatie.

Capaciteitsinzet

De kerncijfers «Capaciteitsinzet» geven weer hoe de beschikbare capaciteit is verdeeld over de diverse domeinen.

Effect

De bijdrage van de Inspectie aan de realisatie van het beoogd maatschappelijk effect wordt op hoofdlijnen afgemeten aan de informatie over het handhavingspercentage. Het handhavingspercentage bij eerste inspectie biedt een indicatie voor de mate waarin de Inspectie SZW erin slaagt om werkgevers te bezoeken die de wet overtreden. Het streven is dat bij meer dan de helft bij eerste inspectie bezochte bedrijven hiervan sprake is. Het handhavingspercentage bij herinspectie zegt iets over de mate waarin de Inspectie SZW erin slaagt om een gedragsverandering te realiseren bij werkgevers die de regels niet naleven.

Tabel 4.1.5 Kerncijfers ICF, capaciteitsinzet en effecten
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Raming 20181

Verschil

Inspectie Control Framework

         

Verhouding actief/reactief in Gezond en Veilig (excl. Brzo; %)

42:58

30:70

24:76

30:70

– 6:6

Deelname Inspectie SZW aan gezamenlijke Brzo-inspecties (%)

59

60

56

60

– 4

Niveau informatiegestuurd werken (schaal 0–5)2

2

2

Inspectiedekking Eerlijk werk (%)3

1

1

Capaciteitsinzet

         

Gezond en Veilig (excl. Brzo; %)

42

4

43

45

– 2

Brzo (%)

11

11

8

3

Eerlijk (%)

44

43

44

– 1

Werk en Inkomen (%)

3

3

3

0

Effect

         

Handhavingpercentage eerste inspectie Gezond en Veilig (excl. Brzo)

58

55

57

>50

Handhavingpercentage herinspectie Gezond en Veilig (excl. Brzo)

9

21

12

<50

Handhavingpercentage Brzo5

43

44

47

40

7

Handhavingpercentage eerste inspectie Eerlijk

48

50

52

>50

2

Handhavingpercentage herinspectie Eerlijk (%)

43

39

27

<50

Noot 1: Deze tabel is per begroting 2018 geïntroduceerd, hoewel toen geen raming beschikbaar was. De weergegeven raming 2018 is afkomstig uit het Jaarplan 2018 van de Inspectie SZW.

Noot 2: Definitie niveau 2: «Interne informatie wordt gestructureerd verzameld in de eigen organisatie en informatie geeft antwoord op wat het probleem is». Definitie niveau 3: «Interne en externe informatie wordt gestructureerd verzameld en geanalyseerd. Informatie heeft een sturende rol». Voor 2018 is geen realisatie beschikbaar. Een implementatieplan is opgesteld om in stappen van activiteiten in 2022 niveau 3 te bereiken.

Noot 3: Dit betreft het aandeel van alle bedrijven waar oneerlijk werk een potentieel risico is en waar de Inspectie SZW toezicht heeft gehouden. Voor 2017 en 2018 is geen realisatie beschikbaar. Het kengetal wordt komende jaren geconcretiseerd waarbij naast inspecties ook het bereik van andere interventies meegenomen kunnen worden.

Noot 4: Er is geen realisatie voor 2017 beschikbaar. Het betreft een kerncijfer dat in de SZW-begroting 2018 is geïntroduceerd. De Inspectie SZW heeft haar administratie zo aangepast dat realisaties voor het eerst over 2018 beschikbaar komen.

Noot 5: Bij Brzo-inspecties is er geen zinvol onderscheid tussen eerste en tweede inspectie. De werkwijze is dat het toezicht blijft totdat een onvolkomenheid of overtreding is opgeheven.

Tabel 4.1.6 geeft productiecijfers weer, onder andere aantallen inspecties, opsporingsonderzoeken en onderzoeksrapporten. De aantallen zijn een uitvloeisel van de programmering en geen doel op zich. Het gehanteerde handhavingspercentage in deze tabel betreft het samengesteld handhavingspercentage van de eerste inspectie en herinspectie. De Inspectie SZW heeft de afgelopen jaren geïnvesteerd in risicogestuurd en effectgericht programmatisch werken. De Inspectie SZW stuurt daarbij op het behalen van resultaten en effecten die bijdragen aan gezond, veilig en eerlijk werk en bestaanszekerheid voor iedereen. De bijdrage van de Inspectie is gekoppeld aan de mate waarin de Inspectie erin slaagt regelovertreders te vinden en de mate waarin de Inspectie erin slaagt om van deze regelovertreders nalevers te maken. Om deze reden is het handhavingspercentage uitgesplitst naar eerste en herinspectie (zie tabel 4.1.5). In de SZW-begroting 2018 is aangekondigd dat vanaf de SZW-begroting 2019 de beleidsinformatie beperkt blijft tot de kerncijfers opgenomen in tabel 4.1.5.

Tabel 4.1.6 Kerncijfers handhaving1Inspectie SZW, jaarverslag 2017.
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Raming 20182

Verschil

Aantal inspecties en onderzoeken Gezond en Veilig (excl. Brzo)

17.134

16.288

15.491

12.150

8.232

>10.000

– 1.768

Handhavingspercentage Gezond en Veilig (excl. Brzo)

60

49

51

51

50

>50

               

Aantal inspecties en onderzoeken Brzo

453

350

541

542

289

>250

Handhavingspercentage Brzo

43

43

43

44

47

40

7

               

Aantal inspecties Eerlijk

5.054

4.500

2.890

2.727

1.947

>1.500

Handhavingspercentage Eerlijk

19

26

48

50

49

>50

– 1

               

Aantal programmarapportages Werk en Inkomen

6

5

3

7

3

6

– 3

Aantal overige producten Werk en Inkomen

10

17

16

0

0

4

– 4

               

Aantal afgeronde opsporingsonderzoeken

65

61

62

60

46

50–60

– 4

Aantal bij het OM aangemelde verdachten

221

169

167

210

113

130–150

– 17

Vastgesteld nadeel (x € 1 mln)

32

66

49

10

21,6

10–20

1,6

Noot 2: Inspectie SZW, jaarplan 2018.

Zoals hiervoor aangegeven is de verhouding actieve inspecties/reactieve inspecties in 2018 verder onder druk komen te staan. Dit resulteert in een lager aantal inspecties op het terrein van gezond en veilig. Ongevalsonderzoeken zijn door hun complexiteit – vaststelling van de mate van verwijtbaarheid en getuigenverhoren – vaak arbeidsintensief en daarmee tijdrovend.

Op het vlak van werk en inkomen is een aantal onderzoeken gestart op verzoek van het Ministerie van SZW. Dit heeft geleid tot enkele verschuivingen in de programmering en tot minder rapportages. Sinds 2017 worden alle producten Werk en Inkomen als «programmarapportage Werk en Inkomen» gepubliceerd. Dit verklaart de afwezigheid van «overige producten werk en inkomen» sinds 2017.

Er zijn stappen gezet om met de opsporingsinzet meer effect te bereiken. Voor het thema Arbeidsuitbuiting is de inzet verhoogd. In vergelijking met voorgaande jaren is het aantal intakegesprekken en aangiften arbeidsuitbuiting aanzienlijk toegenomen. Inherent is dat een substantieel deel van deze inzet zich niet vertaalt in vervolgonderzoeken met voldoende bewijs voor strafrechtelijke vervolging. Waar mogelijk wordt bezien of bestuursrechtelijke handhaving mogelijk is. Ook is geïnvesteerd in complexere opsporingsonderzoeken met een grotere impact. Voorbeelden daarvan zijn onderzoeken naar werkgeversfraude in relatie tot malafide woonbemiddelaars of fraude met WW-uitkeringen waarvoor in 2018 de samenwerking met het UWV is versterkt. Daarnaast is gekozen voor een gecoördineerde aanpak rond fenomenen. In 2018 heeft de Inspectie SZW een analyse van de meldingen over misstanden en fraude bij inburgering verricht. Op basis hiervan is een signaal afgegeven over fraude met financiering van taallessen voor statushouders. In 2018 zijn meerdere opsporingsonderzoeken op dit thema gestart. Met deze aanpak vergroot de Inspectie het effect van de inzet van haar opsporingscapaciteit. Dit heeft tot gevolg gehad dat er minder opsporingsonderzoeken zijn afgerond dan geraamd.

Artikel