Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

2. Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

Algemene doelstelling

De overheid ondersteunt bij het vinden van werk en biedt inkomensondersteuning en aangepaste arbeid aan hen die dat nodig hebben.

Wie kan werken, moet dat ook doen. Dit is in de eerste plaats in het belang van de betrokkene zelf: werk zorgt voor economische en financiële zelfstandigheid, draagt bij aan het gevoel van eigenwaarde en biedt kansen om volop mee te doen in de samenleving. De overheid streeft naar een transparant en activerend sociaal zekerheidsstelsel dat mensen enerzijds ondersteunt en prikkelt om (weer) aan het werk te gaan als dat kan en dat hen anderzijds de zekerheid biedt van een adequaat vangnet als dat echt nodig is.

Mensen hebben de verantwoordelijkheid om in het eigen inkomen te voorzien en nemen daartoe zelf het initiatief. Alleen als het vinden van werk op eigen kracht niet lukt, helpt de overheid hierbij door ondersteuning bij re-integratie of beschut werk aan te bieden. Aan mensen die (tijdelijk) niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien biedt de overheid een sociaal vangnet in de vorm van bijstand. Daarbij streeft de overheid ernaar om het aantal loketten waar uitkeringsgerechtigden mee te maken hebben te beperken.

De overheid biedt inwoners van Caribisch Nederland waar nodig re-integratieondersteuning en inkomensondersteuning op grond van de Onderstandsregeling.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister heeft een systeemverantwoordelijkheid. In dit kader stimuleert de Minister het vinden van werk door middelen beschikbaar te stellen aan gemeenten ten behoeve van re-integratie-inspanningen, sociale werkvoorziening en loonkostensubsidies, en financiert hij de inkomensondersteuning en de loonkostensubsidies.

De Minister is verantwoordelijk voor:

  • •  De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;
  • •  De vaststelling van de hoogte van de algemene bijstandsniveaus;
  • •  Het ter beschikking stellen aan en verdelen van middelen onder gemeenten voor de inkomensvoorziening en de loonkostensubsidies vanuit de Participatiewet, waarin begrepen zijn de IOAW, IOAZ en algemene bijstand voor startende zelfstandigen;
  • •  Het ter beschikking stellen aan en verdelen van middelen onder gemeenten voor de uitvoering van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;
  • •  Het houden van systeemtoezicht; het toepassen van interbestuurlijke toezichtinstrumenten indien de medeoverheden op ernstige wijze onrechtmatig handelen of nalaten rechtmatig te handelen. Het verzamelen van informatie om op landelijk geaggregeerd niveau te kunnen beoordelen of het systeem werkt en of, en zo ja, wanneer en in welke vorm aanpassingen van dat systeem wenselijk zijn;
  • •  De budgetmutaties en de extrapolatie van de meerjarenraming van het in de integratie-uitkering sociaal domein opgenomen SZW-aandeel en de verdeling daarvan die aansluit bij de gedecentraliseerde taak;
  • •  De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door de SVB (AIO, bijstand buitenland) en het UWV (TW);
  • •  De organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

Het Rijk verschaft gemeenten middelen voor de uitvoering en geeft de wet- en regelgeving vorm waarbinnen deze uitvoering plaatsvindt. Het Rijk stelt een toereikend macrobudget voor de gemeenten beschikbaar om loonkostensubsidies en bijstandsuitkeringen te betalen. Dit budget wordt zoveel mogelijk op basis van objectieve factoren onder de gemeenten verdeeld. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de rechtmatige en doeltreffende uitvoering van de Participatiewet en aan genoemde wet verwante wetten en voorzieningen. Gemeenten zijn hiermee onder meer verantwoordelijk voor de handhaving van de naleving van verplichtingen door personen die een beroep doen op deze wetten. Bij ernstig onrechtmatig handelen of nalaten rechtmatig te handelen in de gemeentelijke uitvoering van de Participatiewet, kan de Minister een aanwijzing geven aan een college, overgaan tot het optreden namens een nalatige gemeente dan wel een besluit tot vernietiging door de Kroon voordragen. De interbestuurlijke interventie heeft geen betrekking op de doelmatigheid en doeltreffendheid van de uitvoering, dat een louter gemeentelijke aangelegenheid is.

Beleidsconclusies

Breed Offensief

In het afgelopen jaar heeft het kabinet het voornemen uit het regeerakkoord om over te gaan op loondispensatie in de Participatiewet nader uitgewerkt. Daarbij is gebleken dat het niet mogelijk is om loondispensatie in de Participatiewet zo in te richten dat het voor iedereen simpeler en beter wordt. Het kabinet ziet daarom af van invoering van loondispensatie in de Participatiewet. Het doel van het kabinet blijft ongewijzigd: meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk. Daarom heeft het kabinet in 2018 een breed offensief gelanceerd (Tweede Kamer, 2018–2019, 34 352, nr. 115 en nr. 138) met verschillende maatregelen die er voor moeten zorgen dat meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk komen en blijven. Belangrijke onderdelen zijn het vereenvoudigen van het instrument loonkostensubsidie, het bevorderen van ondersteuning op maat, bijvoorbeeld door een adequate inzet van het instrument jobcoach en werken lonender maken voor mensen met een arbeidsbeperking.

Ook moeten werkzoekenden en werkgevers elkaar gemakkelijker kunnen vinden in de arbeidsmarktregio’s. In het programma Matchen op Werk heeft SZW in 2018 samen met de landelijke en regionale partners gewerkt aan het verder versterken van de werkgeverdienstverlening. De 35 arbeidsmarktregio’s zijn daarbij op maat ondersteund om de gecoördineerde werkgeversdienstverlening te verbeteren. Conform het amendement Nijkerken-de Haan (Tweede Kamer, 2017–2018, 34 775 XV, nr. 17) is hiervoor € 5 miljoen beschikbaar gesteld, verdeeld over regiospecifieke en regio-overstijgende ondersteuningsprojecten. Bij de regio-overstijgende projecten was er sprake van onderuitputting, omdat enkele activiteiten niet tot uitvoering zijn gekomen. Aangezien er nog kansen liggen voor verdere verbetering, krijgen de activiteiten rond werkgeversdienstverlening een vervolg met bestuurlijke afspraken en met het actualiseren en verhelderen van de SUWI-regelgeving. Doel is om werkgevers te bedienen vanuit één regionaal werkgeversloket, met een geharmoniseerd regionaal pakket van instrumenten en voorzieningen en met inzicht in de profielen van alle werkzoekenden in de regio.

Zoals aangekondigd in de brief aan de Tweede Kamer over het Breed Offensief, is in het najaar van 2018 de Intentieverklaring Perspectief op Werk opgesteld (Tweede Kamer, 2018–2019, 34 352, nr. 138). Deze geeft de afspraken weer die namens de ministers van SZW en OCW zijn gemaakt met werkgevers, gemeenten, onderwijsveld en UWV. Dit initiatief is erop gericht mensen een baan, leerwerkplek of aangepaste functie aan te bieden. Dit project richt zich op alle mensen die nog aan de kant staan. Daarnaast wordt de werking van de arbeidsmarkt praktisch ondersteund door meer publiek-private samenwerking in de uitvoering vorm te geven.

Quotumregeling/Banenafspraak

De banenafspraak uit het Sociaal Akkoord van 2013 heeft tot doel om meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen bij reguliere werkgevers. Met de sociale partners is afgesproken 125.000 banen voor de doelgroep te creëren. De opgave voor markt en overheid tot en met 2017 was om 33.000 extra banen te realiseren ten opzichte van de nulmeting; 23.000 in de sector markt en 10.000 in de sector overheid. De doelstelling van 33.000 banen is met 36.904 extra banen ruim gehaald. Met 30.432 banen heeft de sector markt de doelstelling van 23.000 banen overtroffen en de overheidswerkgevers hebben 6.471 extra banen ten opzichte van de nulmeting gerealiseerd (Tweede Kamer, 2017–2018, 34 352, nr. 113).

Tabel 4.2.1 Indicatoren banenafspraak
 

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 20181
Streefwaarde 20182

Cumulatief aantal extra banen arbeidsbeperkten marktsector t.o.v. nulmeting op 1-1-2013

15.604

18.957

30.432

31.000

Cumulatief aantal extra banen arbeidsbeperkten overheid t.o.v. nulmeting op 1-1-2013

5.453

3.597

6.471

12.500

Noot 1: Realisatiecijfers komen in juni 2019 beschikbaar en worden opgenomen in de begroting van 2020.

Noot 2: Streefwaarden afkomstig uit memorie van toelichting bij de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten, Tweede Kamer, 2013–2014, 33 981, nr. 3, blz. 6, <tabel: aantal te realiseren banen voor beoordeling activering quotumheffing>.

In 2018 heeft het kabinet een eenvoudiger systeem aangekondigd (Tweede Kamer, 2018–2019, 34 352, nrs. 115, 136 en 137). Deze vereenvoudiging stimuleert het halen van de banenafspraak door werkgevers te belonen voor de banen die ze realiseren en de administratieve lasten voor hen en de uitvoering te verminderen. Hierdoor krijgen meer mensen met een beperking een kans op een baan bij een reguliere werkgever. De vereenvoudiging maakt ook meer samenwerking tussen werkgevers mogelijk. Uitgangspunt is dat het er niet langer toe doet waar een baan wordt gerealiseerd, maar dat de baan er komt. Om die reden heeft het kabinet besloten het onderscheid tussen overheid en markt los te laten, conform de motie Nijkerken-de Haan c.s. (Tweede Kamer, 2018–2019, 34 352, nr. 126). Een ander belangrijk uitgangspunt is dat de doelstelling van 125.000 extra banen voor mensen met een arbeidsbeperking overeind blijft. Dat geldt zowel voor de werkgevers in de markt als voor de overheidswerkgevers. De overheidssector blijft daarbinnen ook aan de lat staan voor zijn aandeel in de banenafspraak.

Structureel worden van de middelen no-riskpolis per 2021 voor de gemeentelijke doelgroep

In de begroting 2018 is verwerkt dat de no-riskpolis voor de doelgroep banenafspraak en beschut werk vanaf 2021 structureel is gemaakt (Tweede Kamer, 2016–2017, 34 514, nr. 8). Dit moet de aarzeling wegnemen bij werkgevers om duurzame dienstverbanden aan te gaan. In het kader van het Breed Offensief worden door experts van betrokken partijen voorstellen uitgewerkt om gesignaleerde administratieve knelpunten rond de no-riskpolis voor de werkgever te verminderen als een werknemer met loonkostensubsidie ziek wordt.

Experimenten Participatiewet

Verschillende gemeenten hebben van SZW de bevoegdheid gekregen om te experimenteren bij de uitvoering van de Participatiewet. Het centrale doel is te onderzoeken wat werkt om bijstandsgerechtigden volledig onafhankelijk te laten worden van de bijstand via uitstroom naar werk. Nadat in 2017 is begonnen met de voorbereidingen, zijn gemeenten in 2018 gestart met het uitvoeren van de experimenten. De bevindingen uit de voortgangsverslagen zijn nog beperkt en indicatief van aard. Waar mogelijk faciliteert SZW de gemeenten en hun onderzoekers om voorwaarden te creëren voor een zo hoog mogelijke wetenschappelijke kwaliteit van de onderzoeken. In dit verband heeft SZW ZonMw gevraagd om de gemeentelijke onderzoekers te helpen om de experimenten uit te voeren binnen een wetenschappelijk kader, deze opdracht is in de zomer 2018 aangepast. Daarnaast is ook het CPB in september 2018 verzocht een overkoepelende kwantitatieve analyse uit te voeren.

Kansrijk opgroeien

De bestuurlijke afspraken met de VNG over de € 85 miljoen per jaar voor armoede onder kinderen zijn in 2018 tussentijds geëvalueerd (Bureau Bartels, 2018 – bijlage bij Tweede Kamer, 2018–2019, 24 515, nr. 455). Deze evaluatie laat een positieve ontwikkeling bij gemeenten zien als het gaat om de aandacht en concrete inzet voor het aanpakken van armoede onder kinderen. Negen van de tien gemeenten bieden voorzieningen aan in natura, zoals een sportabonnement of een bibliotheekpas. Ze weten daarbij meer kinderen in armoede te bereiken dan het jaar ervoor. Ook zetten gemeenten in op voorzieningen om overerving van armoede tegen te gaan. Maar er liggen ook nog uitdagingen. Nog niet alle kinderen in armoede worden bereikt en ondersteund (Bureau Bartels, 2018).1 Daarmee is de gezamenlijke ambitie van SZW en VNG op het gebied van (kinder)armoede nog niet bereikt. Daarom zijn de bestuurlijke afspraken met de VNG hernieuwd. In 2021 vindt de eindevaluatie plaats. Dan kunnen we zeggen of de hernieuwde bestuurlijke afspraken behaald zijn.

Vier samenwerkende landelijke armoedepartijen, Vereniging Leergeld Nederland, Nationaal Fonds Kinderhulp, Stichting Jarige Job en Jeugdfonds Sport & Cultuur, krijgen samen gedurende 4 jaar jaarlijks € 10 miljoen om kinderen in armoede te bereiken. Uit evaluatie blijkt dat zij intensief samenwerken, zowel landelijk als op lokaal niveau (met gemeenten), en het afgelopen jaar meer kinderen hebben bereikt.

Nog eens € 5 miljoen per jaar is als subsidie beschikbaar voor projecten gericht op kinderen in arme gezinnen, waarvan € 4 miljoen in Europees Nederland en € 1 miljoen in Caribisch Nederland. Evaluatie laat zien dat de gesubsidieerde projecten in Europees Nederland nauwelijks meerwaarde hebben. Bovendien bleef een deel van het beschikbare budget door gebrek aan geschikte projecten onbenut (Bureau Bartels, 2018).2 Voor de Staatssecretaris is dit reden om deze middelen per 2019 anders in te zetten (Tweede Kamer, 2018–2019, 24 515, nr. 455).

Actieplan Brede Schuldenaanpak

In mei 2018 is de brede schuldenaanpak met een bijbehorend actieplan gepresenteerd door het kabinet. In dat kader is in 2018 ook het startsein gegeven voor het Samenwerkingsverband Brede Schuldenaanpak (Tweede Kamer, 2017–2018, 24 515, nr. 431). Hierin werken veel organisaties samen die nauw betrokken zijn bij de schuldenproblematiek. Het actieplan richt zich op drie pijlers: 1) het voorkomen van problematische schulden; 2) het terugdringen van problematische schulden; en 3) het bevorderen van zorgvuldige en maatschappelijk verantwoorde incasso. In 2018 is € 27 miljoen extra beschikbaar gesteld aan gemeenten voor verdere professionalisering van schuldhulpverlening en het versterken van de regiefunctie van het (kindgericht) armoedebeleid. In 2018 is onder andere een aanpassing van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening voorbereid, waardoor vroegsignalering beter wordt gefaciliteerd. Verder zijn vele pilots en initiatieven gestart om te bezien hoe de dienstverlening aan mensen met financiële problemen kan worden verbeterd. Zo is in november 2018 het startsein gegeven voor Schuldenlab.nl. Een initiatief waar publieke en private partijen in gezamenlijkheid werken aan landelijke opschaling van succesvolle projecten rond armoede en schulden.

Vereenvoudiging beslagvrije voet en verbreding beslagregister

In 2018 is de implementatie van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet verder ter hand genomen. In dat kader hebben de betrokken uitvoeringsorganisaties – op basis van een eerder verzoek – een uitvoeringstoets uitgebracht op de lagere regelgeving behorend bij de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet (het Besluit beslagvrije voet). De resultaten van deze uitvoeringstoets en de gevolgen daarvan op de voorziene inwerkingtreding zijn bij brief van 15 november 2018 met de Kamer gedeeld (Tweede Kamer, 2018–2019, 24 515, nr. 453). Tezamen met de Staatssecretaris van Financiën zijn daarna de mogelijkheden van het treffen van tussenmaatregelen bezien. De tussenmaatregelen beogen in de periode tot aan de inwerkingtreding effect te sorteren bij de op dit moment met een te lage beslagvrije voet geconfronteerde groep schuldenaren. De resultaten van dit onderzoek zijn 13 februari 2019 met de Kamer gedeeld (Tweede Kamer, 2018–2019, 24 515, nr. 468). Vrijwel gelijktijdig is het Besluit beslagvrije voet gepubliceerd (Stb. 2019, nr. 45).

Binnen het traject tot verbreding van het beslagregister is in samenspraak met stakeholders een businesscase opgesteld, waarbij verschillende scenario’s zijn onderzocht om te komen tot de met een verbreed beslagregister beoogde zeer zorgvuldige gegevensuitwisseling van vaak privacygevoelige gegevens. Op basis van deze businesscase is een tweetal voorkeurscenario’s onderscheiden. Vervolgens heeft een verdere verdieping plaatsgevonden op basis waarvan begin 2019 een definitieve scenariokeuze kan worden gemaakt. Met de definitieve scenariokeuze in de hand, kan een verder traject richting implementatie worden uitgestippeld. De Kamer wordt hierover in het tweede kwartaal van 2019 geïnformeerd.

Schuldhulpverlening

Het kabinet heeft naar aanleiding van de evaluatie van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening voor de jaren 2016, 2017 en 2018 in totaal € 7,5 miljoen ter beschikking gesteld voor de verbetering van de gemeentelijke schuldhulpverlening. De beoogde resultaten en prestaties van deze tijdelijke middelen zijn gehaald. Met het professionaleringsprogramma Schouders Eronder is het vakmanschap van schuldhulpverleners en de gemeente als lerende organisatie versterkt. Schouders Eronder heeft onder meer de beroepsopleiding schuldhulpverlening ontwikkeld, heeft in zo’n 20 gemeenten onder leiding van «gangmakers» ontwikkelprogramma’s uitgevoerd en heeft schuldhulpverlening aan laaggeletterden, ondernemers en mensen met een licht verstandelijke beperking op diverse wijzen ondersteund. Zo’n 150 gemeenten hebben hulp gekregen bij het beter en sneller bereiken van mensen met schulden door vroegsignaleringsprojecten. De benchmark armoede en schulden helpt gemeenten de dienstverlening te verbeteren. In 2018 hebben 140 gemeenten meegedaan. De benchmark wordt voortgezet.

Voor de proeftuin digitale communicatie in de minnelijke schuldregeling blijkt meer tijd nodig. Het voornemen is daarom Schouders Eronder voort te zetten, waarbij nieuwe activiteiten worden toegevoegd, mede gefinancierd uit de tijdelijke middelen voor schulden en armoede uit het regeerakkoord. Deze middelen zijn ook ingezet om met gemeenten en erkende vrijwilligersorganisaties een landelijk dekkend netwerk van vrijwilligersprojecten te ontwikkelen, gericht op schuldhulp en financiële begeleiding. Deze activiteit loopt nog en wordt in 2019 uitgebreid met de tijdelijke middelen voor schulden en armoede uit het regeerakkoord en naar aanleiding van de motie Segers (Tweede Kamer, 2018–2019, 35 000, nr. 25).

Jeugdwerkloosheid

In het programma Sociaal Domein is in 2018 een proeftuin opgezet in Enschede en Apeldoorn, waar aan de hand van concrete casuïstiek domeinoverstijgende problemen van jongeren worden opgelost. Daarnaast is de rijksoverheid het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) «Jongeren met een afstand tot de arbeidsmarkt» gestart, waarin het beleid van de verschillende ministeries gericht op participatie van jongeren tegen het licht wordt gehouden (bijlage bij Tweede Kamer, 2017–2018, 34 775, nr. 80). Aanpalend zijn in het uitvoeringsprogramma 16–27 in het hele land pilots gestart om te innoveren en te versnellen in situaties waar verschillende beleidsterreinen samen komen, zoals bij overgangen van school naar werk of bij multiproblematiek. Ook wordt geïnvesteerd in professionalisering. Aanleiding voor de proeftuin, het IBO en het uitvoeringsprogramma zijn knelpunten aangedragen door gemeenten, scholen en werkgevers. Na de decentralisaties blijken de nieuwe beleidsuitgangspunten «eigen regie» en «maatwerk» in de praktijk soms lastig te realiseren door verkokering van beleid en wet- en regelgeving en beperkingen in het doenvermogen van jongeren en professionals.

Wsw-pensioenen

Als gevolg van de invoering van de Participatiewet treden er sinds 2015 geen nieuwe deelnemers meer toe tot het pensioenfonds voor de Wsw, PWRI. Ter compensatie van de schade die het fonds daardoor lijdt, namelijk een toename van de kostendekkende premie, ontvangt het PWRI jaarlijks vanaf 2018 onder voorwaarden een bijdrage van € 10 miljoen van het Ministerie van SZW (Stcrt. 2017, 21 339).

2018 is het eerste jaar waarover het pensioenfonds PWRI een financiële tegemoetkoming heeft ontvangen. In 2019 legt PWRI verantwoording af over de besteding hiervan in haar jaarverslag over 2018. Het bestuur van PWRI heeft eind 2017 de voorwaarde van de Minister bevestigd, dat sociale partners zelf tot een structurele oplossing komen voor PWRI door samen te gaan met een ander fonds. In 2018 heeft dat nog niet geleid tot nieuwe ontwikkelingen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 4.2.2 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 2 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Verplichtingen

6.333.698

913.002

6.543.926

6.751.201

7.009.665

6.664.158

345.507

waarvan garantieverplichtingen

– 617

– 338

– 170

– 55

– 5

0

– 5

waarvan overig

6.334.315

913.340

6.544.096

6.751.256

7.009.670

6.664.158

345.512

Uitgaven

9.732.855

6.506.062

6.626.117

6.809.474

7.089.379

6.724.243

365.136

               

Inkomensoverdrachten

9.653.128

6.427.252

6.530.514

6.673.695

7.002.267

6.636.858

365.409

Macrobudget participatiewetuitkeringen en intertemporele tegemoetkoming

5.736.429

5.623.935

5.711.137

5.900.666

6.215.974

5.862.960

353.014

Participatiebudget

694.832

1.394

459

1.800

0

0

0

WSW

2.389.997

17.459

17.447

0

0

0

0

TW

555.000

484.700

496.400

456.000

448.000

481.234

– 33.234

AIO

208.000

234.062

245.067

268.134

295.480

253.938

41.542

Bijstand zelfstandigen

66.216

62.311

56.427

42.866

38.877

31.707

7.170

Bijstand overig

1.405

1.513

1.500

1.500

1.200

1.600

– 400

Onderstand en re-integratie (Caribisch Nederland)

1.249

1.878

2.077

2.729

2.736

5.419

– 2.683

               

Garanties

0

221

41

5

0

5

– 5

               

Subsidies

77.047

76.890

92.361

132.858

72.887

58.248

14.639

               

Opdrachten

2.376

1.238

2.183

1.553

1.509

16.873

– 15.364

               

Bekostiging

304

354

782

1.064

2.403

2.038

365

Nibud

304

304

304

0

0

0

0

ZonMw

0

50

478

1.064

2.403

2.038

365

               

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

0

107

236

299

313

221

92

ZonMw

0

107

236

299

313

221

92

               

Bijdrage aan sociale fondsen

0

0

0

0

10.000

10.000

0

Pensioenfonds Wsw

0

0

0

0

10.000

10.000

0

               

Ontvangsten

106.277

62.676

55.901

48.492

26.622

2.572

24.050

Toelichting financiële instrumenten

A. Inkomensoverdrachten

A1. Macrobudget participatiewetuitkeringen en intertemporele tegemoetkoming

Tabel 4.2.3 Extracomptabel overzicht macrobudget participatiewetuitkeringen (x € 1.000)
 
Realisatie 20141

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Macrobudget participatiewetuitkeringen en intertemporele tegemoetkoming

5.736.429

5.623.935

5.711.137

5.900.666

6.215.974

5.862.960

353.014

               
Macrobudget participatiewetuitkeringen2

5.736.429

5.623.935

5.691.569

5.889.610

6.215.974

5.865.407

350.567

Algemene bijstand en loonkostensubsidies3

5.498.231

5.308.470

5.336.390

5.497.394

5.806.690

5.447.592

359.098

IOAW

212.997

258.906

326.349

361.723

377.614

386.014

– 8.400

IOAZ

25.201

27.784

28.830

30.493

31.670

31.801

– 131

Correctie verdeelmodel

0

28.774

0

0

0

0

0

               
Intertemporele tegemoetkoming4

0

0

19.568

11.056

5

– 2.446

Noot 1: Voor het jaar 2014 zijn de verantwoorde middelen het Wwb-inkomensdeel.

Noot 2: Toelichting definitief macrobudget 2018; berekening SZW.

Noot 3: Inclusief BBZ-levensonderhoud voor startende ondernemers.

Noot 4: SZW, financiële administratie.

Noot 5: De terugbetalingen Intertemporele tegemoetkoming zijn conform administratieve voorschriften onder de ontvangsten verantwoord en niet in mindering gebracht op de uitgaven.

Algemene bijstand en loonkostensubsidies

De Participatiewet voorziet in een sociaal vangnet voor personen die niet zelfstandig in hun bestaan kunnen voorzien. Het Macrobudget participatiewetuitkeringen voorziet in de middelen voor bijstandsuitkeringen en loonkostensubsidies, waaronder de middelen voor bijstandsuitkeringen aan startende ondernemers. Dit budget wordt samen met de middelen voor IOAW en IOAZ over de gemeenten verdeeld. Bijstand voor levensonderhoud van startende ondernemers bedraagt in 2018 € 32,5 miljoen en maakt onderdeel uit van het Macrobudget participatiewetuitkeringen. In tabel 4.2.3 zijn deze middelen voor 2018 onder algemene bijstand en loonkostensubsidie begrepen.

Budgettaire ontwikkelingen

Het macrobudget participatiewetuitkeringen en de Intertemporele tegemoetkoming samen vallen in 2018 € 350 miljoen hoger uit dan begroot. Hieronder volgt een toelichting op de bijstellingen voor de algemene bijstand, de loonkostensubsidies en de intertemporele tegemoetkoming. De toelichting voor de IOAW, IOAZ en Bbz levensonderhoud startende ondernemers volgt verderop in het artikel.

In 2018 zijn de gerealiseerde uitgaven aan gemeenten voor algemene bijstand en loonkostensubsidies per saldo circa € 360 miljoen hoger uitgekomen dan begroot. Dit is met name het gevolg van de doorwerking van hoger uitgevallen realisaties in 2017 (€ 143 miljoen). Via de reguliere systematiek van het macrobudget werken realisaties in 2017 volledig door in het budget van het uitvoeringsjaar 2018. Daarnaast is de systematiek voor de verwerking van de verhoogde instroom van statushouders in 2018 aangepast in de bijstandsraming. Hierdoor is het macrobudget verhoogd (€ 118 miljoen). De uitgaven zijn voorts hoger uitgevallen vanwege de doorwerking van de gestegen lonen en prijzen (€ 66 miljoen) in de uitkeringen. Daarnaast had de conjunctuur een opwaarts effect op de bijstandsuitgaven van € 33 miljoen. Aan de andere kant was er een neerwaartse bijstelling van de bijstand voor levensonderhoud van startende ondernemers van € 1,6 miljoen.

Vanaf 2018 zijn er geen uitgaven meer voor de Intertemporele tegemoetkoming voor gemeenten. De terugbetaling van de Intertemporele tegemoetkoming bedraagt € 2,4 miljoen in 2018 en wordt verantwoord onder de ontvangsten.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het volume bijstandsgerechtigde huishoudens op grond van de Participatiewet is als gevolg van de gunstige conjunctuur gedaald ten opzichte van het volume in 2017. Deze daling is bovendien groter dan de daling zoals die ten tijde van de ontwerpbegroting 2018 werd verwacht.

Tabel 4.2.4 Kerncijfers Wwb/Participatiewet1CBS, bijstandsuitkeringenstatistiek.
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 20182

Begroting 2018

Verschil 2018

Volume Participatiewet (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

371

383

395

399

379

383

– 4

Volume Participatiewet (x 1.000 huishoudens, ultimo)

377

387

399

394

367

3

 

waarvan verblijfsduur minder dan 1 jaar

96

95

92

80

60

 

waarvan verblijfsduur 1 tot 5 jaar

162

168

168

163

154

 

waarvan verblijfsduur 5 jaar of meer

118

125

139

151

153

Noot 2: Betreft voorlopige CBS-cijfers. De cijfers van oktober tot en met december 2018 zijn geraamd.

Noot 3: Dit cijfer wordt niet geraamd.

Wetten inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en gewezen zelfstandigen (IOAZ)

De IOAW-uitkering is een aanvulling op het (gezins)inkomen tot bijstandsniveau voor oudere werkloze werknemers. Anders dan bij de Participatiewet hoeven werkloze ouderen, die vaak vermogen in spaargeld of eigen huis hebben, in de IOAW hun vermogen niet aan te spreken.

De IOAZ is een uitkering voor ouderen die noodgedwongen zijn gestopt met hun werk als zelfstandige, omdat de inkomsten daaruit onvoldoende waren. De IOAZ-uitkering vult het (gezins)inkomen aan tot het bijstandsniveau. In de IOAZ wordt rekening gehouden met de bijzondere positie van zelfstandigen en hun (bedrijfs)vermogen.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan de IOAW en de IOAZ zijn samen ruim € 8 miljoen lager uitgekomen dan begroot. Bij de IOAW is dit het gevolg van enerzijds het verwerken van de realisaties van 2017 in de raming (- € 16 miljoen). Anderzijds is het budget opwaarts bijgesteld vanwege de hogere doorstroom vanuit de WW naar de IOAW (€ 3 miljoen) en de doorwerking van de gestegen lonen en prijzen (€ 4 miljoen) in de uitkeringen.

De IOAZ is per saldo met € 0,1 miljoen neerwaarts bijgesteld in 2018. Dat is het gevolg van de verwerking van de uitgavenrealisaties 2017 (– € 0,5 miljoen) en de doorwerking van de gestegen lonen en prijzen (€ 0,4 miljoen) in de uitkeringen.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 4.2.5 Kerncijfers IOAW en IOAZ1CBS, bijstandsuitkeringenstatistiek.
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 20182

Begroting 2018

Verschil 2018

Volume IOAW (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

16

19

22

24

24

26

– 2

Volume IOAZ (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

1,7

1,7

1,8

1,9

1,9

2,0

– 0,1

Noot 2: Betreft voorlopige CBS-cijfers. De cijfers van oktober tot en met december 2018 zijn geraamd.

Handhaving

De kengetallen op het gebied van preventie tonen een stabiel beeld. Ook de incassoratio terugvorderingen en boetevorderingen vanwege schending inlichtingenplicht tonen een vergelijkbaar beeld met voorgaande jaren. De kerncijfers opsporing van de gemeenten tonen een lichte groei in het aantal vorderingen wegens geconstateerde overtreding van de inlichtingenplicht. Het totale benadelingsbedrag is de laatste jaren stabiel.

Tabel 4.2.6 Kerncijfers Wwb/Participatiewet (fraude en handhaving)
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Preventie1
         

Gepercipieerde detectiekans (%)

80

82

77

75

72

Kennis van de verplichtingen (%)

88

90

88

88

86

           
Opsporing2
         
Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)3

n.b.

29

30

31

33

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

62

66

71

69

70

           

Terugvordering

         

Incassoratio cohort 2013 (%)

28

37

43

47

50

Incassoratio cohort 2014 (%)

12

21

28

32

36

Incassoratio cohort 2015 (%)

4

12

23

29

34

Incassoratio cohort 2016 (%)

15

25

31

Incassoratio cohort 2017 (%)

14

25

Incassoratio cohort 2018 (%)

14

Noot 1: Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans».

Noot 2: CBS, bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek. Vanwege definitiewijzigingen zijn incassoratio’s uit voorgaande jaren beperkt gewijzigd.

Noot 3: Dit kerncijfer betreft het aantal vorderingen wegens overtreding van de inlichtingenplicht. Het CBS onderzoekt momenteel de verhouding tussen het aantal vorderingen en het aantal overtredingen.

Noot 4: Deze cijfers komen logischerwijs niet voor.

A2. Toeslagenwet (TW)

De TW vult uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen aan tot het normbedrag voor het relevante sociaal minimum als het totale inkomen (exclusief TW-aanvulling) van de uitkeringsgerechtigde en diens eventuele partner daaronder ligt.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten van de TW komen € 33 miljoen lager uit dan begroot. Dit verschil wordt veroorzaakt door een tegengesteld prijs- en volume-effect.

Het TW-volume is 40.000 uitkeringsjaren lager uitgekomen dan geraamd (– € 53 miljoen). Dit wordt deels veroorzaakt doordat het aantal extra TW-aanvullingen aan Wajongers lager uitkomt dan geraamd. Begin 2018 is de Wajong-uitkering aan Wajongers met arbeidsvermogen verlaagd naar 70% WML, waardoor een deel van deze groep in aanmerking komt voor een aanvulling vanuit de TW. Ook na het versturen van herinneringsbrieven aan deze groep Wajongers is het aantal extra TW-aanvragen echter achtergebleven bij de raming. Daarnaast komt het aantal TW-aanvullingen op WW-uitkeringen lager uit dan geraamd.

De gemiddelde toeslag is € 800 hoger uitgekomen dan bij het opstellen van de begroting werd verwacht. Hierdoor komt de TW-raming € 11 miljoen hoger uit dan geraamd. Met name de gemiddelde toeslag bij de Wajong is hoger dan verwacht. De TW-aanvulling van Wajongers met arbeidsvermogen is relatief laag. Daarom is er in de raming rekening gehouden met een forse daling van de gemiddelde jaaruitkering. Omdat het aantal TW-aanvullingen aan Wajongers met arbeidsvermogen echter lager is uitgevallen dan geraamd, komt de gemiddelde TW-aanvulling hoger uit dan verwacht. Ook de gemiddelde TW-aanvulling op WW-uitkeringen is hoger dan verwacht. Ten slotte is de gemiddelde TW-aanvulling hoger uitgevallen dan begroot, omdat de TW-normen zijn aangepast voor gestegen lonen en prijzen (€ 8 miljoen).

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 4.2.7 Kerncijfers TW1UWV, jaarverslag.
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 20182

Begroting 2018

Verschil 2018

Gemiddeld jaarvolume TW (x 1.000 uitkeringsjaren)

205

198

155

103

105

145

– 40

Gemiddelde toeslag per jaar (x € 1)

2.707

2.448

3.203

3.703

3.503

3.355

148

Noot 2: Betreft voorlopige cijfers.

Handhaving

Het aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling en het benadelingsbedrag is in 2018 afgenomen ten opzichte van voorgaande jaren. De incassoratio is vergelijkbaar met voorgaande jaren.

Tabel 4.2.8 Kerncijfers TW (fraude en handhaving)1UWV, jaarverslag.
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 20182

Opsporing

         

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

3,2

2,4

1,7

2,0

1,2

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

7,2

5,8

5,6

6,7

4,5

           

Terugvordering

         

Incassoratio cohort 2013 (%)

35

47

54

61

65

Incassoratio cohort 2014 (%)

15

39

48

56

56

Incassoratio cohort 2015 (%)

3

18

40

51

52

Incassoratio cohort 2016 (%)

17

33

44

Incassoratio cohort 2017 (%)

16

30

Incassoratio cohort 2018 (%)

18

Noot 2: Betreft voorlopige cijfers

Noot 3: Deze cijfers komen logischerwijs niet voor.

A3. Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO)

Ouderen met een onvolledig AOW-pensioen kunnen recht hebben op algemene bijstand. Deze bijstand kan worden aangevraagd bij de SVB.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten AIO zijn € 42 miljoen hoger uitgevallen dan geraamd ten tijde van het opstellen van de begroting. Zowel het aantal AIO-gerechtigden als de hoogte van de gemiddelde uitkering is ten tijde van het opstellen van de begroting onderschat. Tevens heeft er in 2018 een nabetaling van circa € 5 miljoen plaatsgevonden aan de SVB over 2017.

Het aantal AIO-gerechtigden valt met name hoger uit door een kleinere uitstroom in 2017 en 2018 dan geraamd. Ook heeft een groter aantal personen in 2017 en 2018 een AIO-uitkering aangevraagd dan waar in de begroting rekening mee werd gehouden.

De gemiddelde uitkering valt hoger uit door samenstellingseffecten. Ten tijde van het opstellen van de begroting is het effect van de afschaffing van de partnertoeslag op de gemiddelde uitkering onderschat. De afschaffing van de partnertoeslag zorgt er voor dat de groep met relatief een lager gemiddelde AIO-uitkering (onvolledige AOW met partnertoeslag) kleiner wordt en dat de groep met relatief een hoger gemiddelde AIO-uitkering (onvolledige AOW zonder partnertoeslag) groter wordt. Hierdoor is de gemiddelde uitkering hoger uitgevallen dan geraamd ten tijde van het opstellen van de begroting.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 4.2.9 Kerncijfers AIO1CBS, bijstandsuitkeringenstatistiek.
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 20182

Begroting 2018

Verschil 2018

Aantal huishoudens AIO (x 1.000, jaargemiddelde)

40

41

42

44

46

43

3

Noot 2: Betreft voorlopige cijfers. De cijfers van oktober tot en met december 2018 zijn geraamd.

Handhaving

De kerncijfers handhaving tonen een stabiel beeld vergeleken met voorgaande jaren.

Tabel 4.2.10 Kerncijfers AIO (fraude en handhaving)
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Preventie1
         

Gepercipieerde detectiekans (%)

73

75

77

77

73

Kennis van de verplichtingen (%)

84

87

88

89

87

           
Opsporing2
         

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

0,6

1,0

0,9

1,2

0,9

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

1,7

2,2

2,0

2,3

2,0

           

Terugvordering

         

Incassoratio cohort 2013 (%)

42

49

53

56

58

Incassoratio cohort 2014 (%)

9

19

27

31

33

Incassoratio cohort 2015 (%)

3

14

31

38

43

Incassoratio cohort 2016 (%)

12

22

29

Incassoratio cohort 2017 (%)

6

23

Incassoratio cohort 2018 (%)

7

Noot 1: Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans».

Noot 2: SVB, jaarverslag.

Noot 3: Deze cijfers komen logischerwijs niet voor.

A4. Bijstand zelfstandigen (Bbz 2004)

Startende ondernemers en gevestigde zelfstandigen kunnen onder voorwaarden voor financiële ondersteuning een beroep doen op het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. Met dit besluit wordt beoogd kansrijke vanuit een uitkering startende ondernemers een steuntje in de rug te geven en zelfstandigen met tijdelijke financiële moeilijkheden in staat te stellen hun werkzaamheden voort te zetten. De bijstand kan worden verstrekt om te voorzien in de kosten van levensonderhoud voor gevestigde ondernemers of in bedrijfskredieten (starters en gevestigde ondernemers).

Budgettaire ontwikkelingen

De gerealiseerde uitgaven zijn ruim € 7 miljoen hoger dan begroot. De bijstandsuitgaven kunnen per gemeente van jaar op jaar sterk wisselen. Gevolg daarvan is dat een aantal gemeenten te weinig voorschot ontvangt en een ander aantal te veel en dat leidt tot nabetalingen respectievelijk terugontvangsten; zie ook onder onderdeel Ontvangsten. Rekening houdend met de hogere uitgaven van ruim € 7 miljoen en de terugontvangsten van bijna € 13 miljoen, is per saldo aan alle gemeenten samen bijna € 6 miljoen minder voor bijstand aan zelfstandigen uitgegeven dan begroot.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 4.2.11 Kerncijfers Bbz1CBS, bijstandsuitkeringenstatistiek.
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 20182

Begroting 2018

Verschil 2018

Volume Bbz (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

4,1

3,9

3,8

3,8

3,5

3,8

– 0,3

Noot 2: Betreft voorlopige cijfers. De cijfers van oktober tot en met december 2018 zijn ramingen.

A5. Bijstand overig

«Bijstand overig» bestaat vrijwel volledig uit bijstand buitenland. Verlening van bijstand aan een in het buitenland gevestigde Nederlander wordt alleen nog voortgezet ingeval het recht op uitkering vóór 1 januari 1996 is vastgesteld. Sinds 1996 zijn er dus geen nieuwe gerechtigden meer bijgekomen.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten van de bijstand buitenland zijn in 2018 circa € 0,4 miljoen lager uitgekomen dan ten tijde van het opstellen van de begroting geraamd, vanwege een lager aantal gerechtigden.

Beleidsrelevante kerncijfers

Er zijn eind 2018 nog 136 gerechtigden met een bijstandsuitkering in het buitenland.

Tabel 4.2.12 Kerncijfers Bijstand Buitenland1SVB, jaarverslag.
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Volume bijstand buitenland (x 1.000 gerechtigden, ultimo)

0,2

0,2

0,2

0,1

0,1

0,1

0

A6. Onderstand en re-integratie Caribisch Nederland

De overheid biedt aan inwoners van Caribisch Nederland inkomensondersteuning in de vorm van Onderstand en waar nodig ook re-integratieondersteuning.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven zijn per saldo € 2,7 miljoen lager dan begroot. Dit wordt grotendeels verklaard doordat budget is overgeheveld naar het Ministerie van BZK voor armoedeprojecten in Caribisch Nederland (€ 1,8 miljoen). Daarnaast is nog eens € 0,5 miljoen naar BZK overgeboekt ten behoeve van afdracht aan de SVB. Deze uitgaven worden verantwoord in het BZK-jaarverslag. Er is daarnaast enige onderrealisatie op de uitgaven aan Onderstand als gevolg van een gunstigere koersontwikkeling van de euro ten opzichte van de dollar dan waar rekening mee is gehouden.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 4.2.13 Kerncijfers Onderstand (Caribisch Nederland)1SZW-unit RCN.
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Volume Onderstand Caribisch Nederland (x 1.000 huishoudens, ultimo)

0,4

0,5

0,5

0,6

0,5

0,4

0,1

B. Garanties

Dit betreft de garantstelling voor de borgstellingsregeling (pilot zelfstandigenbeleid). De toegang tot deze regeling is sinds 2011 beëindigd. De uitgaven hebben betrekking op de afwikkeling van garantieclaims en zijn € 5.000 lager dan begroot, doordat er geen claims zijn ingediend.

C. Subsidies

Er is per saldo door overlopende verplichtingen € 14,6 miljoen meer aan subsidies uitgegeven dan begroot. Van de bijna € 73 miljoen uitgaven aan subsidies heeft € 38 miljoen betrekking op de sectorplannen, ruim € 6 miljoen op de scholingsvouchers voor het verwerven van een baan in een kansberoep en € 4 miljoen voor de Tijdelijke regeling cofinanciering projecten dienstverlening werkzoekenden en projecten samenwerking en regie arbeidsmarkt (DWSRA), € 9 miljoen via de landelijke fondsen voor «Alle kinderen doen mee», bijna € 3 miljoen voor de regionale initiatieven om kinderarmoede tegen te gaan en ruim € 4 miljoen voor de Subsidieregeling armoede en schulden. Verder is er ruim € 2 miljoen uitgegeven aan de SBCM (het A&O-fonds voor de sociale werkvoorziening) en ruim € 6 miljoen voor overige (incidentele) subsidies, waaronder DIVOSA en het NIBUD.

D. Opdrachten

Ten opzichte van de begroting van € 16,9 miljoen is er € 15,4 miljoen minder uitgegeven. Dat komt voort uit enerzijds extra middelen van € 8,0 miljoen voor aanpak van matchen op werk in de arbeidsmarktregio’s (waaronder € 5,0 miljoen vanuit amendement Nijkerken-de Haan (Tweede Kamer, 2017–2018, 34 775 XV, nr. 17)) en armoede en schulden uit de middelen regeerakkoord en anderzijds overboekingen van € 18,2 miljoen en onderbenutting van € 5,2 miljoen.

Van de budgettair neutrale herschikkingen binnen de SZW-begroting van € 10,9 miljoen zijn de grootste subsidies (€ 5,8 miljoen) en bijdragen Programmaraad en Schakelpunt werkgevers (€ 3,6 miljoen).

Verder hebben er diverse overboekingen (€ 5,1 miljoen) naar andere begrotingshoofdstukken plaatsgevonden, waarvan die naar BZK/Gemeentefonds met € 3,9 miljoen voor verbeteringen matchen op werk in de arbeidsmarktregio’s (€ 3,0 miljoen) de grootste is.

Tenslotte heeft een kasschuif plaatsgevonden van de regeerakkoordmiddelen armoede en schulden van € 2,0 miljoen.

De uitgaven van € 1,5 miljoen zijn besteed aan jeugdwerkloosheid (€ 0,1 miljoen), bevordering arbeidsparticipatie (€ 0,7 miljoen voor ondersteuningsprogramma Matchen op Werk, programma Sociaal Domein, samenwerking GGZ-Werk&Inkomen en begeleiding Experimenten Participatiewet), armoede en schulden (€ 0,3 miljoen voor onder meer gegevensuitwisseling beslag en incasso, beschermingsbewind), Bevorderen ondernemerschap (€ 0,1 miljoen voor onder andere impuls Bbz) en diversen (€ 0,3 miljoen aan Caribisch Nederland).

Voor € 5,2 miljoen is sprake van onderuitputting. Het merendeel hiervan hangt samen met geen doorgang vinden of niet tijdig tot stand komen van een aantal voorgenomen activiteiten op de terreinen van Matchen op Werk, Perspectief op Werk, Brede Schuldenaanpak en aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt.

E. Bekostiging

Aan het meerjarige kennisprogramma, dat door ZonMw wordt uitgevoerd, is in 2018 € 0,4 miljoen meer uitgegeven dan aanvankelijk geraamd.

F. Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

Voor de meerjarige uitvoering van het kennisprogramma door ZonMw is in 2018 € 0,1 miljoen meer uitgegeven dan aanvankelijk geraamd.

G. Bijdrage aan sociale fondsen

De bijdrage aan het Wsw-pensioenfonds PWRI is overeenkomstig het begrote bedrag uitgegeven.

H. Ontvangsten

De gerealiseerde ontvangsten zijn € 24 miljoen hoger dan begroot. De hogere ontvangsten hebben betrekking op terugvorderingen van te hoge voorschotten inzake Rijksvergoedingen, zoals Bijstand zelfstandigen (bijna € 13 miljoen) en TW (bijna € 3 miljoen). Verder gaat het vooral om terugvordering van te hoge voorschotten bij subsidies voor sectorplannen (ruim € 6 miljoen) en terugontvangsten van de intertemporele tegemoetkoming (ruim € 2 miljoen).

Kerncijfers

Tabel 4.2.14 bevat cijfers over re-integratie door gemeenten

Tabel 4.2.14 Re-integratie gemeentelijk domein1CBS, Statistiek re-integratie gemeenten.
 
Realisatie 20142

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Aantal gestarte banen na re-integratievoorziening door gemeenten (x 1.000)

47

43

43

45

3
             

Werkenden met een voorziening Participatiewet (x 1.000, ultimo)

37

33

35

44

524
 

waarvan personen met een loonkostensubsidie Participatiewet

5

1,2

2,2

9,1

13

 
waarvan personen met beschut werk6

<0,1

<0,1

0,6

1,4

 

waarvan tijdelijke loonkostensubsidie voor werklozen of ID/WIW

5,2

3,7

3,2

2,7

             
Werknemersbestand WSW (x 1.000)7

103

96

91

87

85

Aantal detacheringen als percentage van het totaal aantal arbeidsplaatsen7

30

36

37

37

40

Aantal gerealiseerde plaatsen in begeleid werken als percentage van het totaal aantal arbeidsplaatsen

6,5

6,6

6,5

6,6

6,4

             

Aantal voorzieningen Participatiewet/WWB (x 1.000, ultimo)

214

209

222

256

270

Aantal personen met een voorziening Participatiewet/WWB (x 1.000, ultimo)

170

166

174

190

198

Noot 2: Op 1 januari 2015 is de Participatiewet ingevoerd. De realisatiecijfers 2014 hebben betrekking op de WWB.

Noot 3: Door leveringsproblemen van de Arbeidsongeschiktheidsstatistieken is dit cijfer op dit moment niet voorhanden.

Noot 4: Stand ultimo derde kwartaal 2018.

Noot 5: Deze cijfers zijn logischerwijs niet beschikbaar.

Noot 6: Gegevens van het CBS: deze cijfers wijken af van realisatiegegevens van het UWV wegens verschillende meetmethoden.

Noot 7: Panteia, Tussentijdse Wsw-rapportage. De cijfers 2018 geven de stand medio 2018 weer.

Artikel

Noot 1: Bureau Bartels 2018, Eerste evaluatie van de bestuurlijke afspraken tussen SZW en VNG over kinderen in armoede

Noot 2: Bureau Bartels 2018, Evaluatie subsidieregeling kansen voor alle kinderen