Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

2. INFRASTRUCTUURAGENDA

In de infrastructuuragenda wordt de agenda op projectniveau gepresenteerd, met aandacht voor de mijlpalen in het lopende infrastructuurprogramma. Zo wordt inzichtelijk gemaakt welke projecten in 2018 worden opgeleverd en bij welke projecten de uitvoering in 2018 begint. Daarna volgt een toelichting op begroting op hoofdlijnen.

Mijlpalen en resultaten 2018

Beheer, onderhoud en vervanging

In 2018 wil IenM onder meer de volgende activiteiten in het kader van beheer, onderhoud en vervanging uitvoeren:

Beheer, onderhoud en vervanging

Mijlpaal

Project

Hoofdwegen

– Verkeersmanagement waaronder inzet weginspecteurs bij incidenten, het op alle bemeten wegvakken inwinnen van betrouwbare reis en route-informatie. Deze informatie tijdig aan de NDW te leveren, het realiseren van benuttingsmaatregelen en connecting mobility.

– Beheer en onderhoud waaronder verhardingsonderhoud, onderhoud aan kunstwerken en onderhoud aan Dynamisch Verkeersmanagement (DVM) systemen.

– Uitvoering van het programma vervangingen en renovaties waaronder het programma Stalen Bruggen.

Spoorwegen

– Verkeersleiding en capaciteitsmanagement.

– Regulier beheer en onderhoud, waaronder het inspecteren en schouwen van de infrastructuur, functieherstel bij verstoringen, het saneren van geluidsschermen en het onderhouden en schoonmaken van stations.

– Groot onderhoud, waaronder het slijpen van spoorstaven en het seizoenbestendig houden van de sporen.

– Het vervangen van spoorstaven, dwarsliggers en wissels en de vervanging van andere systemen, zoals energie, transfer en treinbeveiliging en treinbeheersing.

Hoofdvaarwegen

– Verkeersmanagement waaronder activiteiten in het kader van verkeersbegeleiding, bediening van objecten en vaarwegmarkering.

– Beheer en onderhoud maatregelen om de breedte en diepte van de vaarweg te handhaven en maatregelen om de kunstwerken (sluizen en bruggen) en verkeersvoorzieningen blijvend te laten functioneren.

– Uitvoering van het programma vervangingen en renovaties en afronding «NoMo AOV» achterstallig onderhoud vaarwegen programma.

Voor een nadere toelichting op de stand van zaken van beheer, onderhoud en vervanging wordt verwezen naar de toelichting op de productartikelen en naar het MIRT Overzicht 2018.

Aanleg

Hieronder volgen de mijlpalen die IenM in 2018 wil halen per modaliteit.

Hoofdwegennet

Mijlpaal

Project

Openstelling

– A1/A6 (deeltraject Schiphol–Amsterdam–Almere)

– N18 Varsseveld – Enschede

– N35 Zwolle Wijthem

– A27/A1 Utrecht Noord – knpt. Eemnes – Bunschoten

Start realisatie

– A4 Vlietland – N14 (onderdeel van de realisatie Rijnlandroute)

– A1 Apeldoorn Azelo

 

– A15 Papendrecht Sliedrecht

Spoorwegen

Mijlpaal

Project

Oplevering

– Vleuten–Geldermalsen: onderdeel Utrecht Centraal – Amsterdam Rijnkanaal

– Fietsparkeren bij Stations (diverse deelprojecten)

– Toegankelijkheid Stations (diverse deelprojecten)

– Programma Kleine Functiewijzigingen (diverse deelprojecten)

– Verbeteren Veiligheid Overwegen (diverse deelprojecten)

 

– Landelijk Verbeterprogramma Overwegen (diverse deelprojecten)

– Niet Actief Beveiligde Overwegen (diverse deelprojecten)

– Meerjarenprogramma Ontsnippering Spoor (diverse deelprojecten)

– Meerjarenprogramma Geluid (diverse deelprojecten)

– Geluidsmaatregelen Zeeuwse Lijn

– NaNOV (diverse deelprojecten)

– Upgrade emplacementvoorzieningen i.h.k.v. Arbo-veiligheid (diverse deelprojecten)

– Rotterdam-Genua: Zevenaar-Grens 3e spoor

– Zwolle realiseren gelijktijdigheden rondom emplacement zwolle

– Opstellen reizigersmaterieel korte termijn (diverse deelprojecten)

Start realisatie

– Fietsparkeren bij Stations (diverse deelprojecten)

– Toegankelijkheid Stations (diverse deelprojecten)

 

– Programma Kleine Functiewijzigingen (diverse deelprojecten)

 

– PHS; Programma Hoogfrequent Spoor onderdeel: Ede OV-knoop, Eindhoven opstellen

 

– Landelijk Verbeterprogramma Overwegen (diverse deelprojecten)

 

– Niet Actief Beveiligde Overwegen (diverse deelprojecten)

 

– Meerjarenprogramma Geluid (diverse deelprojecten)

 

– Sporendriehoek Noord Nederland: Hoogeveen snelheidsverhoging

 

– NaNOV; onderdeel Rheden

 

– Waalhaven Zuid herinrichten emplacement

 

– Opstellen reizigersmaterieel korte termijn (diverse deelprojecten)

Hoofdvaarwegennet

Mijlpaal

Project

Openstelling

– Projecten in het kader van Quick-wins regeling Binnenhavens

 

– Maasroute

 

– Sluis Limmel (als onderdeel van Maasroute)

Start realisatie

– Capaciteitsuitbreiding ligplaatsen Beneden Lek

– Nieuwe Sluis Terneuzen

Voor een nadere toelichting over de stand van zaken voor het lopende programma wordt verwezen naar de toelichting op de productartikelen en naar het MIRT Overzicht 2018.

Regionale/lokale infrastructuur

Voor de grote regionale en lokale infrastructuurprojecten (kosten van de meest kosteneffectieve oplossing hoger dan € 112,5 miljoen respectievelijk € 225 miljoen) ligt de verantwoordelijkheid voor voorbereiding, aanleg, beheer en onderhoud en exploitatie bij de betreffende regionale of lokale overheid. IenM is dus niet zelf verantwoordelijk, maar kan een bijdrage leveren in de aanlegkosten van een dergelijk project als nut en noodzaak zijn aangetoond en het project van (boven)regionaal belang is. Op artikelonderdeel 14.01 zijn de grote regionale/lokale projecten nader aangeduid.

Voor een nadere toelichting over de stand van zaken voor de lopende programma’s wordt verwezen naar de toelichting op de productartikelen, de voortgangsrapportages aan de Tweede Kamer en het MIRT Overzicht 2018.

Begroting op hoofdlijnen

Verlenging looptijd investeringsfondsen tot en met 2031

Mede ingegeven door de motie van het lid Harbers c.s. (Kamerstukken II 2015–2016 34 300, nr. 50) is vorig jaar besloten om het Infrastructuurfonds en het Deltafonds met ingang van de begroting 2018 jaarlijks met een jaar te gaan verlengen. Bij de begroting 2018 betekent dit dat de looptijd van de investeringsfondsen wordt verlengd tot en met 2031.

Met de verlenging tot en met 2031 komt in totaal – inclusief structurele ontvangsten – een ruimte van circa € 5,5 miljard beschikbaar op het Infrastructuurfonds. Deze ruimte wordt bij voorrang ingezet voor het dekken van de doorlopende verplichtingen, zoals de uitgaven die zijn benodigd voor de instandhouding van het huidige areaal. Hiervoor is in 2031 circa € 3,7 miljard benodigd.

De ruimte die in 2031 resteert na aftrek van de doorlopende verplichtingen betreft investeringsruimte en bedraagt circa € 1,8 miljard.

Belangrijkste wijzigingen

De onderstaande tabel geeft de belangrijkste wijzigingen in de uitgaven en inkomsten aan ten opzichte van de eerste suppletoire begroting 2017. Een volledig overzicht van de mutaties is terug te vinden in verdiepingsbijlage.

Begroting op hoofdlijnen (bedragen x € 1.000)
 

art

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023–2030

2031

Stand Ontwerpbegroting 2017

 

5.878.321

6.240.415

6.262.750

6.356.639

6.234.048

6.406.529

44.251.664

0

Mutaties 1e suppletoire begroting 2017

 

261.073

29.460

186.787

– 2.098

8.834

– 600

42.741

0

Stand 1e suppletoire begroting 2017

 

6.139.394

6.269.875

6.449.537

6.354.541

6.242.882

6.405.929

44.294.405

0

Belangrijkste mutaties Infrastructuurfonds

 

– 360.179

– 26.698

– 39.732

94.652

175.861

94.230

831.466

5.609.992

 

Kaderrelevante mutaties IF

                 

1

Bijdragen derden Hoofdwegennet

12

 

– 7.140

– 15.490

   

6.981

   

2

DBFM-conversies

                 
 

– A27/A1 Utrecht–Eemnes–Bunschoten

12

– 114.032

– 14.103

19.131

12.687

11.867

8.474

62.134

7.150

 

– Capaciteitsuitbreiding Sluis Eefde

15

– 14.857

– 22.907

– 13.272

5.868

3.634

3.571

26.449

3.076

 

– N18 Varsseveld–Enschede

12

– 113.263

16.232

9.345

9.201

7.233

7.103

52.974

6.196

 

– SAA A6 Almere

12

– 28.528

– 53.060

– 77.255

33.134

11.832

11.622

86.187

9.960

3

Extrapolatie Infrastructuurfonds

                 
 

– Bijdragen aan Infrastructuurfonds

Div.

             

5.260.879

 

– Ontvangsten van derden

12/13

             

240.039

4

Loon- en prijsbijstelling

Div.

70.601

78.356

78.730

79.990

78.133

80.853

638.136

83.582

5

Ontvangstenschuiven

Div.

– 13.799

16.042

– 15.601

– 23.078

81.864

– 20.901

– 24.527

 

6

Overboeking Basisregistratie Ondergrond

18

– 8.000

– 10.000

– 10.000

– 9.500

– 5.930

     

7

Overboeking Elektronisch Identificeren

18

 

– 1.639

– 1.639

– 1.639

– 1.639

– 1.639

– 13.112

– 1.639

8

Overboeking Kustwacht

18

– 1.504

– 6.059

– 6.809

– 7.362

– 6.852

– 6.096

– 38.559

– 3.165

9

Overboekingen PF/GF/BCF:

                 
 

– Grensoverschrijdend Spoorvervoer

13

– 9.458

             
 

– Regiospecifiek Pakket Zuiderzeelijn (RSP)

14

– 146.881

             

10

Realisatie tolsysteem

12

         

4.000

32.000

4.000

 

Diversen

Div.

19.542

– 22.420

– 6.872

– 1.649

– 1.281

262

9.784

– 86

                     
 

Mutaties binnen kader IF

                 

11

Correctie extrapolatie 2029 en 2030

12

           

241.412

 
   

13

           

115.208

 
   

15

           

149.570

 
   

18

           

– 506.190

 

12

Inpassing generale kasschuif Infrastructuurfonds

13

– 250.000

60.000

190.000

         
   

18

250.000

– 60.000

– 190.000

         

13

Inpassing minregel generale kasschuif OB2017

13

– 80.000

   

80.000

       
   

15

– 20.000

   

20.000

       
   

18

100.000

   

– 100.000

       

14

Kasschuiven tussen modaliteiten

12

70.000

105.000

45.000

   

– 305.000

85.000

 
   

13

 

– 80.000

– 165.000

– 60.000

50.000

255.000

   
   

15

– 70.000

– 25.000

120.000

60.000

– 50.000

50.000

– 85.000

 

15

Multimodale Knoop Schiphol

13

           

250.000

 
   

17

           

– 250.000

 

16

Vervanging en Renovatie Hoofdvaarwegennet

12

         

– 38.000

– 296.000

 
   

15

         

38.000

296.000

 
                     

Stand Ontwerpbegroting 2018

 

5.779.215

6.243.177

6.409.805

6.452.193

6.421.743

6.500.159

45.125.870

5.609.992

Ad 1. Aan de lagere ontvangsten van per saldo € 15,6 miljoen ligt een viertal oorzaken ten grondslag. De bijdrage vanuit de regio voor N33 Assen–Zuidbroek valt lager uit als gevolg van meevallende uitgaven (– € 7,1 miljoen). Tevens vallen de ontvangsten lager uit wegens het niet doorgaan van de bestuursovereenkomst voor hoogwaardig openbaar vervoer A27/A1 (– € 1,1 miljoen) en een aanbestedingsmeevaller op A4/A9 Badhoevedorp (– € 14,4 miljoen). Daarnaast zijn er extra ontvangsten vanuit de regio voor de aanleg van een fiets- en voetgangerstunnel met betrekking tot de A28/A1 knooppunt Hoevelaken (+ € 7,0 miljoen).

Ad 2. Van de projecten A27–A1 Utrecht–Eemnes–Bunschoten, Capaciteitsuitbreiding Sluis Eefde, N18 Varsseveld–Enschede, en SAA A6 Almere is de DBFM-aanbesteding afgerond. De budgettaire reeksen van de aanlegbudgetten worden technisch omgezet om aan de beschikbaarheidsvergoedingen te kunnen voldoen. Zie voor een nadere toelichting op deze wijze van verwerking bijlage 6 DBFM-conversies.

Ad 3. Bij de begroting 2018 wordt de looptijd van het Infrastructuurfonds met een jaar verlengd tot en met 2031. Het niveau van extrapolatie is gelijk aan het jaar 2030 stand begroting 2017 na verwerking van structurele begrotingsmutaties. Daarnaast zijn de structurele bijdragen van derden doorgetrokken.

Ad 4. Dit betreft de verwerking van de loon- en prijsbijstelling 2017 en de verhoging van de pensioenpremie van het ABP. De middelen die bij de eerste suppletoire begroting 2017 voor de loon- en prijsbijstelling en ter compensatie van de pensioenpremiestijging aan de begroting Hoofdstuk XII zijn toegevoegd, worden toebedeeld naar diverse artikelen op de begroting Hoofdstuk XII en de investeringsfondsen.

Ad 5. Dit betreft het effect op de uitgavenramingen van bijdragen van derden die in de tijd verschuiven. Onder meer ontvangsten vanuit het EU-fonds Connecting Europe Facility for Transport (CEF Transport) voor ERTMS en bijdragen van derden voor A7 Zuidelijke Ringweg Groningen liggen hieraan ten grondslag.

Ad 6. Bij de begroting 2018 worden op het Infrastructuurfonds en Deltafonds middelen vrijgemaakt voor Basisregistratie Ondergrond (BRO). De vrijgemaakte middelen worden gereserveerd op het Deltafonds en worden tranchegewijs naar de begroting HXII overgeheveld waar de uitgaven voor BRO worden verantwoord.

Ad 7. Voor de stelselkosten van het programma elektronisch identificeren (eID) is structureel € 16 miljoen benodigd vanaf 2018. IenM levert hieraan een structurele bijdrage van € 2 miljoen. Dit betreft de budgettaire verwerking van het aandeel van het Infrastructuurfonds. Dekking vindt plaats uit artikelonderdeel 18.11 Investeringsruimte.

Ad 8. De ministeries van IenM, VenJ, EZ, Financiën en Defensie investeren in een Maritiem Operatiecentrum (MOC) voor de Kustwacht. Dit betreft de budgettaire verwerking van het aandeel van IenM. Dekking vindt plaats uit artikelonderdeel 18.11 Investeringsruimte.

Ad 9. Dit betreft overboekingen naar het Provinciefonds, het Gemeentefonds en het BTW-compensatiefonds in het kader van Grensoverschrijdend Spoorvervoer (€ 9 miljoen) en het Regiospecifiek Pakket Zuiderzeelijn (RSP) (€ 147 miljoen).

Ad 10. Dit betreft de uitvoering van de tijdelijke tolheffing op Blankenburgverbinding en ViA15. De dekking van het daarvoor benodigde budget komt uit de tolopbrengsten.

Ad 11. Bij begroting 2017 is de looptijd van het Infrastructuurfonds met twee jaar verlengd tot en met 2030. Bij deze verlenging is besloten om een deel van de vrijkomende middelen volledig vrij beschikbaar te houden voor toekomstige kabinetten, hetgeen is aangemerkt als beleidsruimte.

In de begroting 2017 is aangegeven dat de beleidsruimte nog kan wijzigen, indien in aanloop naar de begroting 2018 blijkt dat de omvang van de doorlopende verplichtingen voor de jaren 2029 en 2030 moet worden bijgesteld. Om dit vast te kunnen stellen, is in de begroting 2017 aangekondigd dat deze budgetten in aanloop naar de begroting 2018 nader zullen worden bezien. Aanleiding hiervoor is dat de omvang van de doorlopende verplichtingen bij de verlenging tot en met 2030 technisch is bepaald door de omvang van de doorlopende verplichtingen in het begrotingsjaar 2028 als uitgangspunt te hanteren. In het afgelopen jaar is gebleken dat het hanteren van dit uitgangspunt niet voor alle budgetten heeft geresulteerd in het juiste benodigde bedrag in de jaren 2029 en 2030.

Voor de jaren 2029 en 2030 is per saldo per jaar € 253 miljoen meer benodigd voor het dekken van de doorlopende verplichtingen. In deze begroting zijn derhalve deze budgetten voor de jaren 2029 en 2030 bijgesteld ten laste van de beleidsruimte op artikel 18 Overige uitgaven.

Ad 12. Op basis van de budgettaire prognose is bij de eerste suppletoire begroting 2017 een kasschuif van € 250 miljoen van 2017 naar 2018 (€ 60 miljoen) en 2019 (€ 190 miljoen) verwerkt. Deze kasschuif is bij de eerste suppletoire begroting 2017 doorgevoerd op artikelonderdeel 18.15 Ramingsbijstelling en Kasschuif. Zoals aangekondigd in de eerste suppletoire begroting 2017 wordt deze kasschuif – op basis de geactualiseerde programmering – bij begroting 2018 over de artikelen verdeeld. De kasschuif is bij begroting 2018 volledig ingepast op artikel 13 Spoorwegen, aangezien met name op dit artikel sprake is van diverse autonome vertragingen in de programmering.

Ad 13. Bij begroting 2017 is een kasschuif van € 100 miljoen van 2017 naar 2020 toegepast ten behoeve van het rijksbrede financiële beeld. Deze kasschuif is bij begroting 2017 doorgevoerd op artikelonderdeel 18.15 Ramingsbijstelling en Kasschuif. De meerjarige programmering is hiervoor niet aangepast en derhalve is de kasschuif bij begroting 2017 nog niet verdeeld over de artikelen. Bij begroting 2018 wordt deze kasschuif ingepast op artikel 13 Spoorwegen (€ 80 miljoen) en artikel 15 Hoofdvaarwegennet (€ 20 miljoen).

Ad 14. Op de verschillende modaliteiten treden diverse autonome wijzigingen van de programmering op. Om een betere verdeling van de overprogrammering over de verschillende modaliteiten te verkrijgen, zijn budgettair neutrale kasschuiven over de diverse jaren tussen alle modaliteiten in het Infrastructuurfonds noodzakelijk.

Ad 15. In de begroting 2017 is vermeld dat binnen het totale beschikbare ERTMS-budget € 250 miljoen wordt vrijgemaakt om de capaciteit van de multimodale knoop station Schiphol te vergroten. Middels deze mutatie wordt € 250 miljoen overgeheveld vanuit artikelonderdeel 17.07 ERTMS naar artikelonderdeel 13.03 Aanleg.

Ad 16. Op basis van het tweejaarlijks Vervanging en Renovatie (VenR)-prognoserapport blijkt tot en met 2030 sprake te zijn van een tekort op de vervanging- en renovatiebudgetten op artikel 15 Hoofdvaarwegennet. Dit gewijzigde beeld is ontstaan doordat voor het hoofdvaarwegennet de VenR-behoefte op middellange termijn beter in beeld is gekomen, waarbij de toegenomen kosten voor issues als bruggen (stalen bruggen/draagkracht) en het opnemen van damwandenproblematiek een belangrijk deel van de toename veroorzaken. Het tekort op artikel 15 Hoofdvaarwegennet zorgt op fondsniveau niet voor een verhoging van de benodigde middelen voor VenR, aangezien het VenR-prognoserapport tegelijkertijd een overschot liet zien op de vervanging- en renovatieopgave op artikel 12 Hoofdwegennet. In bijlage 4 wordt de vervanging en renovatieopgave nader toegelicht.

Overprogrammering

De in de begroting 2014 geïntroduceerde overprogrammering wordt gebruikt om te zorgen dat de budgetten voor aanleg van infrastructuur ook daadwerkelijk tot besteding komen in de jaren waarin deze beschikbaar zijn gesteld. Doordat met overprogrammering wordt gewerkt leiden vertragingen bij individuele projecten niet automatisch tot onderuitputting van het beschikbare budget.

De overprogrammering wordt uitsluitend gedurende de begrotingsperiode (de begroting tot en met het jaar 2022) toegepast op de artikelen voor aanleg. In de totale periode tot en met 2031 is het volledige programma altijd gedekt. Overprogrammering wordt hoofdzakelijk gebruikt op de budgetten voor verkenning- en planuitwerking. In deze projectfases is de onzekerheid rondom de planningen – en daarmee het risico op vertraging – namelijk het hoogst. In de onderstaande tabel is de omvang van deze overprogrammering weergegeven.

Overprogrammering Infrastructuurfonds (bedragen x € 1 miljard)
 

T/m 2022

Vanaf 2023

Totaal

Aanlegprogramma

21,1

16,4

37,5

Aanlegbudget

19,3

18,3

37,5

Overprogrammering (–)

– 1,9

1,9

0,0

Op de artikelen voor realisatie is er sprake van een beperktere overprogrammering. Zowel de omvang als het ritme hiervan is inzichtelijk gemaakt in de projecttabellen bij de realisatieartikelen van de modaliteiten. Over de begrotingsperiode (de begroting tot en met het jaar 2022) genomen is het volledige programma gedekt op de artikelen voor realisatie (oftewel de overprogrammering is per saldo nul).

Gemiddelde uitgaven

Onderstaand zijn de gemiddelde jaarlijkse uitgaven per productartikel in de periode 2017–2031 gepresenteerd.

Gemiddelde jaarlijkse uitgaven van het Infrastructuurfonds 2017–2031 (bedragen x € 1 miljoen; gemiddeld per jaar: € 5.903 miljoen)

IBO Flexibiliteit in infrastructurele planning

In het afgelopen jaar heeft het kabinet de IBO Flexibiliteit in infrastructurele planning (Kamerstukken II 2016–2017 34 550 A, nr. 5) aan de Tweede Kamer verzonden. In de kabinetsreactie heeft het kabinet de behoefte aan flexibilisering in het Infrastructuurfonds en Deltafonds en opgave gericht werken in het MIRT onderschreven. Eén van de aangekondigde verbeteringen is de introductie van een flexnorm, waarmee het inzicht in de meerjarige hardheid van de bestuurlijke afspraken wordt aangescherpt.

In de begroting 2018 wordt een eerste stap genomen om de flexnorm toe te passen in de begroting. De flexnorm is een percentage dat aangeeft welk aandeel van de aanlegbudgetten (inclusief investeringsruimte) naar mening van het kabinet flexibel is om bij nieuwe planvorming te betrekking. Het betreft de ruimte binnen de begroting waar nog geen definitieve oplossing is bepaald en gekozen kan worden voor een alternatieve aanwending of oplossing.

Overigens geldt ook dat waar wél bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, maar er nog geen juridische verplichtingen zijn aangegaan, de budgetten nog altijd onverminderd door de Tweede Kamer te amenderen zijn.

Met de introductie van de flexnorm komen de termen bestemd, gebonden en verplicht die tot op heden werden gehanteerd om een indicatie te geven van de hardheid van de bestuurlijke afspraken in de huidige memorie van toelichting te vervallen. In de kabinetsreactie bij het IBO is aangeven dat naar mening van het kabinet dit onderscheid niet in voldoende mate scherpte aanbracht in de hardheid van de onderliggende bestuurlijke afspraken.

In onderstaande tabel is weergegeven welke budgetten in de begroting 2018 conform hierboven geschetste flexnorm flexibel zijn om bij nieuwe planvorming te betrekken.

Art. ond.

Omschrijving

Budgetten t/m 2031 (€ mln.)

12.03.02

Gebiedsprogramma’s

600

12.07

Investeringsruimte Wegen

663

13.08

Investeringsruimte Spoor

1.050

15.07

Investeringsruimte Hoofdvaarwegen

150

18.11

Generieke investeringsruimte

2.642

18.17

Verkenningen Nieuwe Stijl

0

Totaal

5.105

Als percentage van de aanlegbudgetten (inclusief investeringsruimte)

12%

U wordt middels een brief apart geïnformeerd over de vervolgstappen die ik voornemens ben om de flexnorm beter te verankeren middels een nieuw artikel. Zoals aangekondigd in de kabinetsreactie op het IBO «flexibiliteit in infrastructurele planning» zullen vanaf de begroting 2018 alle nieuwe verkenningen op een algemeen begrotingsartikel worden opgenomen. Hiervoor is bij deze begroting het artikelonderdeel 18.17 (verkenningen nieuwe stijl) aangemaakt. Er zijn nog geen nieuwe verkenningen gestart.