Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Art.nr. 6. en 7. Hoger onderwijs

A. Algemene doelstelling

Het stelsel van hoger onderwijs en onderzoek zorgt dat studenten en (wetenschappelijk) personeel hun talenten en onderzoekend vermogen maximaal kunnen ontwikkelen. Het leidt hen op voor een positie op de nationale en internationale arbeidsmarkt die optimaal aansluit bij hun talenten.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor een stelsel van hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten en ambities van individuele studenten en (wetenschappelijk) personeel, en bij de behoefte van de maatschappij.

Financieren: De Minister financiert het stelsel van hoger onderwijs en onderzoek door bekostiging van de onderwijsinstellingen. Mede hierdoor wordt de toegankelijkheid van het hoger onderwijs gewaarborgd.

Stimuleren: De Minister stimuleert specifieke beleidsonderwerpen via de bekostiging, en de inzet van andere instrumenten, zoals kwaliteitsafspraken, bestuurlijke afspraken, voorlichting en wet- en regelgeving.

Regisseren: De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van hoger onderwijs vult de Minister in via een regisserende rol. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving. De kwaliteit van de individuele opleidingen in het hoger onderwijs wordt bewaakt met het accreditatiestelsel. Dit is belegd bij de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO). De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften en op de recht- en doelmatigheid. Zij ziet ook toe op de kwaliteit van het stelsel van hoger onderwijs, waaronder ook het accreditatiestelsel.

Indicatoren/kengetallen

Tabel 6.1 Indicatoren
Doelstelling/indicator1

Basiswaarde (jaartal)

Tussenwaarde (jaartal)

Streefwaarde (jaartal)

Bron

1

Ambitieus onderwijs dat alle leerlingen en studenten uitdaagt

a)

Alle leerlingen en studenten worden uitgedaagd

       
 

Percentage studenten dat tevreden is over uitdagend onderwijs

2010–2011

2016–20172
 

Studentenmonitor Hoger Onderwijs

     

hbo: 58%

hbo: 56%

hoger

     

wo: 68%

wo: 67%

hoger

b)

Vergroten studiesucces

     
 

Bachelor studiesucces (n+1) van herinschrijvers na het eerste jaar

2010–2011

2015–2016

3

DUO

     

hbo: 65,7%

hbo: 61,0%

 
     

wo: 57,3%

wo: 74,0%

 
 

Uitval in het eerste jaar

2010–2011

2015–2016

DUO

     

hbo: 27,9%

hbo: 26,7%

 
     

wo: 18,8%

wo: 16,1%

 
 

Switchen na het eerste jaar

2010–2011

2015–2016

DUO

     

hbo: 8,7%

hbo: 8,5%

 
     

wo: 9,1%

wo: 8,8%

 

2

Scholen en instellingen werken met goed opgeleide en professionele leraren en schoolleiders die samen zorgen voor een veilig en ambitieus leerklimaat

a)

Vergroten kwaliteit leraren en schoolleiders

2011

2015

2016

 
 

Aandeel hbo-docenten met een afgeronde master- of PhD-opleiding

66,2%

75,2%4

80%

Personeels- en Mobiliteitsonderzoek (2016)

3

Scholen en instellingen maken resultaten inzichtelijk en worden aangesproken op hun prestaties

 

Studenten-tevredenheid

2010–2011

2016–2017

5

Nationale Studenten Enquête (NSE)

     

hbo: 65,6%

hbo: 75,6%

 
     

wo: 81,1%

wo: 85,2%

 

4

Aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt verbeteren

 

Aandeel afgestudeerden bètatechniek incl. snijvlakopleidingen

2012

2016

2016

DUO

     

hbo: 18%

hbo: 19%

hbo: 19%

     

wo: 21%

wo: 25%

wo: 22%

 
 

Percentage 25–64 jarigen (mbo/ho) dat deelneemt aan een leeractiviteit (Leven Lang Leren)

(2010) 17%

(2016) 19%

(2020) 20%

EUROSTAT, Labour Force Survey (LFS)

 

Percentage gediplomeerden dat aangaf dat de opleiding voldoende basis was om te starten op de arbeidsmarkt

hbo6: 72% (2013)

hbo: 75%

(2016)

hoger

Hbo-monitor 2015

     
wo7: 56% (2011)
wo: 47%8

(2015)

hoger

Nationale Alumni Enquête (NAE) 2015

Noot 1: De cijfers kunnen iets afwijken van eerder gepubliceerde cijfers, vanwege mutaties in de onderliggende dataset: om de ontwikkelingen in een indicator te kunnen volgen is het nodig om naar dezelfde samenstelling van instellingen en opleidingen te kijken, historische waarden moeten daarvoor herrekend worden naar de nieuwe samenstelling.

Noot 2: Universiteiten en hogescholen hebben al veel gedaan om het onderwijs uitdagender te maken, maar uit de cijfers blijkt dat dit nog niet voldoende is. Mede om deze reden zullen de middelen vanuit het studievoorschot worden ingezet om de kwaliteit van het hoger onderwijs een extra impuls te geven, en daarmee het onderwijs uitdagender te maken.

Noot 3: Hier geen landelijk streefdoel omdat er prestatieafspraken per instelling zijn gemaakt. In november 2016 heeft de eindbeoordeling van de prestatieafspraken in het hoger onderwijs plaatsgevonden. Zie voor meer informatie over de eindbeoordeling de Kamerbrief van 17 november 2016 en voor meer informatie over de voortgang van het proces van profilering en kwaliteitsverbetering in het hoger onderwijs en onderzoek de stelselrapportage 2016. Er zijn op dit moment nog geen nieuwe kwaliteitsafspraken waaraan indicatoren gekoppeld kunnen worden. Besluitvorming hierover is aan een nieuw kabinet.

Noot 4: Het Personeels- en Mobiliteitsonderzoek (PoMo) wordt tweejaarlijks uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is het coördinerend Ministerie voor de arbeidszaken (arbeidsvoorwaarden, pensioenen, personeelsbeleid) van de overheid als geheel. Het onderzoek wordt gehouden onder zittend personeel en medewerkers die recent zijn in- en uitgestroomd. De resultaten worden verwerkt tot rapportages, themapublicaties en infographics die te vinden zijn op www.kennisopenbaarbestuur.nl

Noot 5: Deze indicator is afkomstig uit de oude prestatieafspraken. Omdat daarbij niet met alle instellingen over deze indicator prestatieafspraken zijn gemaakt en bovendien deze afspraken per instelling zijn gemaakt is er hier geen landelijk streefdoel. Er zijn op dit moment nog geen nieuwe kwaliteitsafspraken waaraan indicatoren gekoppeld kunnen worden. Besluitvorming hierover is aan een nieuw kabinet.

Noot 6: Bron: Vereniging Hogescholen, factsheet «Feiten en cijfers: HBO-Monitor 2016». De indicator betreft de antwoord categorieën «voldoende/goede aansluiting op de arbeidsmarkt». De HBO-Monitor wordt jaarlijks uitgevoerd.

Noot 7: Bron: VSNU, Nationale Alumni Enquête (NAE, voorheen wo-monitor) 2015, rapport Academici op de arbeidsmarkt. De indicator betreft de antwoord categorieën «in sterke/zeer sterke mate». De NAE wordt eenmaal in de twee jaar uitgevoerd.

Noot 8: Tijdens de begrotingsbehandeling 2017 is toegezegd de daling in het percentage wo-gediplomeerden dat aangaf dat de opleiding voldoende basis was om te starten op de arbeidsmarkt te onderzoeken. Dit onderzoek zal worden meegenomen in de eerstvolgende Nationale Alumni Enquête, die in het najaar van 2017 plaatsvindt. Over de uitkomsten van dit onderzoek wordt de Kamer uiterlijk juli 2018 geïnformeerd.

Tabel 6.2 Kengetallen

1.

Ingeschreven studenten (exclusief groen onderwijs, aantallen x 1.000)

     

2016/17

2017/18

2018/19

2019/20

2020/21

2021/22

2022/23

 

hbo voltijd bachelor

386,2

386,2

384,4

382,2

380,2

377,4

373,0

 

hbo voltijd master

3,5

3,7

3,7

3,7

3,7

3,7

3,7

 

hbo deeltijd bachelor

36,4

36,0

35,6

35,1

34,4

33,5

32,3

 

hbo deeltijd master

8,3

7,8

7,5

7,2

6,8

6,5

6,0

   

Totaal hbo

434,5

433,7

431,2

428,2

425,1

421,1

415,0

                   
 

wo voltijd bachelor

157,4

160,5

164,3

168,2

171,6

174,7

177,4

 

wo voltijd master

93,1

93,3

93,5

94,2

95,4

97,1

99,2

 

wo deeltijd bachelor

1,6

1,4

1,2

1,2

1,1

1,0

0,9

 

wo deeltijd master

3,3

3,1

2,9

2,8

2,6

2,5

2,3

   

Totaal wo

255,5

258,2

262,0

266,3

270,7

275,3

279,9

Bron: Referentieraming 2017

                   

2.

Gediplomeerden (exclusief groen onderwijs, aantallen x 1.000)

     

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

 

hbo voltijd bachelor

55,9

56,4

56,4

55,3

54,9

55,1

55,1

 

hbo voltijd master

1,2

1,2

1,3

1,3

1,3

1,3

1,3

 

hbo deeltijd bachelor

6,2

5,9

5,7

5,7

5,6

5,6

5,5

 

hbo deeltijd master

2,5

2,3

2,2

2,1

2,0

1,9

1,9

   

Totaal hbo

65,8

65,9

65,6

64,3

63,8

63,9

63,7

 

wo voltijd bachelor

32,5

32,1

32,2

32,7

33,3

33,7

34,1

 

wo voltijd master

38,4

38,6

38,5

38,5

38,7

39,0

39,5

 

wo deeltijd bachelor

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

 

wo deeltijd master

1,0

1,0

0,9

0,9

0,9

0,8

0,8

   

Totaal wo

72,1

71,8

71,8

72,3

73,0

73,7

74,5

Bron: Referentieraming 2017

                   

3.

Onderwijsuitgaven per student (bedragen x € 1.000)1
         

2018

2019

2020

2021

 
 

hbo

   

7,2

7,1

7,2

7,5

 
 

wo

   

7,1

7,1

7,1

7,3

 

4.

Wettelijk collegegeld (hbo en wo voltijd, bedragen x € 1)

       

2017/18

         
       

2.006

         

Noot 1: De onderwijsuitgaven per student zijn berekend in nominale prijzen zonder de collegegeldontvangsten, en aantal studenten conform de Referentieraming 2017 (overeenkomstig tabel 6.2, onder 1; omgerekend naar kalenderjaren). De stijging in de onderwijsuitgaven per student de komende jaren wordt verklaard door de oploop in de middelen studievoorschot (zie tabel 6.5).

Toelichting:

Overige indicatoren en kengetallen voor het stelsel hoger onderwijs zijn opgenomen in de Staat van het Onderwijs 2015–2016 en in Trends in Beeld.

C. Beleidswijzigingen

De belangrijkste wijzigingen op het terrein van hoger onderwijs worden beschreven in de beleidsagenda. Aanvullend hierop wordt hieronder nog op een aantal specifieke beleidswijzigingen ingegaan.

Verbetering doorstroom vo/mbo naar ho

De komende jaren wordt – zoals aangekondigd in de Strategische Agenda Hoger Onderwijs 2015–2025 «De waarde(n) van weten» – de samenwerking tussen voortgezet onderwijs (vo), middelbaar beroepsonderwijs (mbo) en het hoger onderwijs (ho) in de regio versterkt met als doel de aansluiting op en de doorstroom naar het ho te verbeteren voor aankomende studenten. Een ambitie die door de Tweede Kamer krachtig is onderstreept en in lijn is met de motie van de (toenmalige) Kamerleden Mohandis/Jadnanansing. Voor het versterken van de samenwerking tussen onderwijssectoren: vo-ho en mbo-ho is voor de periode 2018 t/m 2021 een totaalbedrag van € 32,1 miljoen gereserveerd. Naast dit bedrag is in het kader van de Gelijke Kansen Alliantie voor de studiejaren 2017–2018 en 2018–2019 een totaalbedrag van € 11 miljoen beschikbaar gesteld voor verbetering van het studiesucces van mbo-gediplomeerden in het eerste jaar van het hbo. In het kader van deze subsidieregeling gaan mbo- en hbo-studenten in Studentlabs in 2018 aan de slag om plannen te ontwikkelen ten behoeve van het verbeteren van de aansluiting op het hbo. In het plan dat instellingen indienen om aanspraak te maken op subsidie is in ieder geval één van de studentenplannen opgenomen.

Experiment flexstuderen

Het experiment flexstuderen, dat het mogelijk maakt voor studenten aan deelnemende instellingen om collegegeld te betalen per studiepunt, in plaats van voor een volledig collegejaar, gaat bij aanvang van het studiejaar 2017/2018 van start. Het experiment heeft als doel te onderzoeken of deze vorm van maatwerk leidt tot een toegankelijker aanbod, waarbij studenten hun studie beter kunnen combineren met andere activiteiten die zij daarnaast willen of moeten ondernemen, tot meer tevredenheid en ontplooiingsmogelijkheden voor studenten en tot minder uitval. Vier instellingen nemen deel aan het experiment: de Universiteit van Amsterdam, Tilburg University, Hogeschool Windesheim en de Hogeschool Utrecht. Het experiment staat open voor voltijdsstudenten die het wettelijk collegegeld betalen. Daarbij geldt voor bachelorstudenten dat zij al een jaar lang als «reguliere voltijdsstudent» moeten hebben gestudeerd aan de opleiding, voordat zij kunnen gaan flexstuderen. Het experiment flexstuderen zal worden geëvalueerd. Een eerste tussenrapportage volgt uiterlijk in september 2019 en de eindevaluatie vindt uiterlijk in september 2022 plaats.

Doorontwikkeling accreditatiestelsel

Het huidige accreditatiestelsel zal worden doorontwikkeld richting een stelsel dat meer uitgaat van vertrouwen in de professional en een beter evenwicht biedt tussen lasten en baten. Ambitie is de kwaliteitscultuur te versterken door meer vertrouwen te hebben in de instelling, meer eigenaarschap te geven aan de professional en de student en minder lasten vanuit het stelsel. Het gesprek tussen bestuurders, docenten en studenten en externe peers over de kwaliteit van het onderwijs en de kwaliteitsverbetering is de kern van het accreditatiestelsel. De verbeterfunctie van het accreditatiestelsel is echter onder druk komen te staan door de verantwoordingsfunctie van dit stelsel. Door in wet te regelen dat verbeteringen niet meer worden gerapporteerd aan de NVAO kan het gesprek meer dan nu het geval is open worden gevoerd; door het gesprek te voeren over onderdelen die zij van belang achten, ervaren zij minder last, meer vertrouwen en meer eigenaarschap. Het wetsvoorstel Accreditatie op maat is op 7 juni 2017 aangeboden aan de Tweede Kamer. Daarnaast zal per 2018 een pilot instellingsaccreditatie met lichte opleidingsaccreditatie in werking treden, waarbij instellingen de kans krijgen om te experimenteren met deze nieuwe vorm van accreditatie. Ook bij deze pilot op basis van een experimenteer-AMvB blijft het kwaliteitsgesprek met peers het uitgangspunt van het accreditatiesysteem, maar anders dan bij het wetsvoorstel krijgen professionals binnen instellingen meer ruimte om zelf het proces in te kunnen richten en het gesprek te voeren met het visitatiepanel.

D. Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Tabel 6.3 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 6 (bedragen x € 1.000)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Verplichtingen

2.867.843

3.127.478

2.967.916

2.952.926

3.061.918

3.033.307

3.097.897

Waarvan garantieverplichtingen

70.434

16.875

         

Totale uitgaven

2.833.160

2.927.339

3.005.161

2.969.694

2.984.447

3.062.145

3.097.897

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

99,99%

       
               

Bekostiging

2.773.809

2.869.630

2.944.960

2.910.403

2.927.228

3.003.264

3.038.965

Hoofdbekostiging

2.584.417

2.714.453

2.944.960

2.748.962

2.746.028

2.728.162

2.706.031

 

Onderwijsdeel hbo1

2.505.033

2.627.400

2.855.691

2.657.387

2.656.553

2.645.787

2.623.656

 

Deel ontwerp en ontwikkeling

70.915

72.439

72.439

72.445

72.445

72.445

72.445

 

Bekostiging flexibel hoger onderwijs voor volwassenen

8.346

13.130

16.830

19.130

17.030

9.930

9.930

 

Bekostiging postinitiële masteropleidingen hbo

123

1.484

         

Prestatiebox

189.392

155.177

 

161.441

181.200

275.102

332.934

 

Onderwijskwaliteit en studiesucces, en profilering2

189.392

155.177

         
 

Studievoorschot middelen3
     

114.542

134.301

228.203

286.035

 

Profilering en zwaartepuntvorming4
     

46.899

46.899

46.899

46.899

               

Subsidies

5.569

4.916

1.806

153

153

153

153

 

Regeling stimulering Bèta/techniek

4.289

3.143

         
 

Overig

1.280

1.773

1.806

153

153

153

153

                   

Bijdragen aan agentschappen

17.540

14.604

14.080

14.770

14.865

13.767

13.767

 

Dienst Uitvoering Onderwijs

17.540

14.604

14.080

14.770

14.865

13.767

13.767

               

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

36.242

38.189

44.315

44.368

42.201

44.961

45.012

 

NWO: Praktijkgericht onderzoek hbo

29.477

28.829

31.769

31.769

28.769

31.769

31.820

 

NWO: Promotiebeurs voor leraren

2.949

5.720

9.026

9.079

9.912

9.912

9.912

 

Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO)

3.816

3.640

3.520

3.520

3.520

3.280

3.280

Ontvangsten

1.903

1.213

1.213

1.213

1.213

1.213

1.213

Noot 1: Vanaf 2018 inclusief de studievoorschotmiddelen voor specifieke stimulering van landelijke prioriteiten (10% van de studievoorschotmiddelen, zie tabel 6.5) en de 5%-middelen inzake onderwijskwaliteit en studiesucces die gekoppeld waren aan de prestatieafspraken. In 2018 ook eenmalig incl. de 2%-middelen voor profilering en zwaartepuntvorming die gekoppeld waren aan de prestatieafspraken en de 90% studievoorschotmiddelen. Deze laatste middelen zijn aanvullend en worden tijdelijk voor één jaar onder het onderwijsdeel van de hoofdbekostiging gebracht.

Noot 2: In 2016 de volledige (5%- en 2%-) middelen die gekoppeld waren aan de prestatieafspraken. Voor 2017 exclusief de 2%-middelen voor profilering en zwaartepuntvorming, die zijn dat jaar overgeheveld naar het onderwijsdeel van de hoofdbekostiging.

Noot 3: 90% van de studievoorschotmiddelen, zie tabel 6.5.

Noot 4: De 2%-middelen profilering en zwaartepuntvorming die gekoppeld waren aan de prestatieafspraken.

Tabel 6.4 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 7 (bedragen x € 1.000)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Verplichtingen

4.391.850

4.607.896

4.493.538

4.513.933

4.615.408

4.659.003

4.700.347

Waarvan garantieverplichtingen

9.017

– 6.820

         

Totale uitgaven

4.328.205

4.442.772

4.483.810

4.493.381

4.542.330

4.634.112

4.701.467

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

99,95%

       
                   

Bekostiging

4.298.116

4.415.402

4.455.358

4.464.876

4.513.811

4.605.745

4.673.100

Hoofdbekostiging

4.153.232

4.299.123

4.455.358

4.356.392

4.392.383

4.426.739

4.459.044

 

Onderwijsdeel wo1

1.731.117

1.828.776

2.000.013

1.899.428

1.933.754

1.966.560

1.997.056

 

Onderzoeksdeel wo

1.768.756

1.801.355

1.800.983

1.801.088

1.801.086

1.801.086

1.802.414

 

Deel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek

653.359

668.992

654.362

655.876

657.543

659.093

659.574

Prestatiebox

144.884

116.279

 

108.484

121.428

179.006

214.056

 

Onderwijskwaliteit en studiesucces, en profilering2

144.884

116.279

         
 

Studievoorschot middelen3
     

69.414

82.358

139.936

174.986

 

Profilering en zwaartepuntvorming4
     

39.070

39.070

39.070

39.070

                   

Subsidies

3.160

2.680

3.995

4.288

4.288

4.288

4.288

 

Open en online onderwijs

1.027

1.000

1.600

2.000

2.000

2.000

2.000

 

Overig

2.133

1.680

2.395

2.288

2.288

2.288

2.288

                   

Opdrachten

2.716

2.021

1.705

1.465

1.479

1.327

1.327

 

Uitbesteding

2.716

2.021

1.705

1.465

1.479

1.327

1.327

                   

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

24.213

22.669

22.752

22.752

22.752

22.752

22.752

 

Organisaties conform tabel 6.6

24.213

22.669

22.752

22.752

22.752

22.752

22.752

Ontvangsten

2.253

16

16

16

16

16

16

Noot 1: Vanaf 2018 inclusief de studievoorschotmiddelen voor specifieke stimulering van landelijke prioriteiten (10% van de studievoorschotmiddelen, zie tabel 6.5) en de 5%-middelen inzake onderwijskwaliteit en studiesucces die gekoppeld waren aan de prestatieafspraken. In 2018 ook eenmalig incl. de 2%-middelen voor profilering en zwaartepuntvorming die gekoppeld waren aan de prestatieafspraken en de 90% studievoorschotmiddelen.Deze laatste middelen zijn aanvullend en worden tijdelijk voor één jaar onder het onderwijsdeel van de hoofdbekostiging gebracht.

Noot 2: In 2016 de volledige (5%- en 2%-) middelen die gekoppeld waren aan de prestatieafspraken. Voor 2017 exclusief de 2%-middelen voor profilering en zwaartepuntvorming, die zijn dat jaar overgeheveld naar het onderwijsdeel van de hoofdbekostiging.

Noot 3: 90% van de studievoorschotmiddelen, zie tabel 6.5.

Noot 4: De 2%-middelen profilering en zwaartepuntvorming die gekoppeld waren aan de prestatieafspraken.

Budgetflexibiliteit artikel 6

Van het totale budget voor artikel 6 is voor 2018 99,99 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2018 is 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op de bekostiging van hogescholen voor onderwijs en ontwerp & ontwikkeling. Hieraan ten grondslag liggen de WHW, het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 en de Regeling financiën hoger onderwijs. Het moment van juridisch verplichten vindt plaats voorafgaand aan het jaar waarop de bekostiging betrekking heeft. Aan de bekostiging van flexibel hoger onderwijs voor volwassenen liggen afzonderlijke regelingen ten grondslag.

Subsidies

Het beschikbare budget voor 2018 is voor 90,4 procent juridisch verplicht. Dit betreft verplichtingen die voortvloeien in het kader van de uitvoering van de Lerarenagenda.

Bijdrage aan agentschappen

Het budget voor 2018 is 100 procent juridisch verplicht. Op basis van managementafspraken tussen bestuursdepartement en DUO zijn afspraken vastgelegd voor het komende jaar.

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

Het budget voor 2018 is 100 procent juridisch verplicht. Het betreft de bijdrage aan NWO voor praktijkgericht onderzoek hbo en de promotiebeurs voor leraren en de bijdrage aan de NVAO. De middelen worden in het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar verplicht.

Budgetflexibiliteit artikel 7

Van het totale budget voor artikel 7 is voor 2018 99,95 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2018 is 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op de bekostiging van universiteiten en academische ziekenhuizen voor onderwijs en onderzoek. Hieraan ten grondslag liggen de WHW, het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 en de Regeling financiën hoger onderwijs. Het moment van juridisch verplichten vindt plaats voorafgaand aan het jaar waarop de bekostiging betrekking heeft.

Subsidies

Van het beschikbare budget is in 2018 69,3 procent juridisch verplicht. Dit deel betreft de financiering van de verplichtingen die voortvloeien uit de Subsidieregeling Open en online onderwijs en de afstudeerregeling.

Opdrachten

Van het beschikbare budget is voor 2018 29,3 procent juridisch verplicht op grond van in 2017 of eerder gesloten overeenkomsten. Ervaringsgegevens laten zien dat in de loop van het jaar het resterende deel van het budget wordt verplicht.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Het budget voor 2018 is 100 procent juridisch verplicht. Dit betreft de bijdragen aan United Nations University (UNU), Europees Universitair Instituut Florence (EUI), Stichting EP-NUFFIC, Stichting Handicap en Studie, Stichting voor Vluchteling-Studenten UAF, Interstedelijk Studentenoverleg (ISO), Landelijke Studenten Vakbond (LSVb) en Stichting Studiekeuze123. De middelen worden in het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar verplicht.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Bekostiging

De bekostiging van het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bestaat uit de hoofdbekostiging en de middelen binnen het financiële instrument prestatiebox. Het experiment vraagfinanciering en de pilots flexibilisering in het kader van flexibel hoger onderwijs voor volwassenen worden afzonderlijk bekostigd.

Hoofdbekostiging

Universiteiten (wo) en hogescholen (hbo) ontvangen bekostiging voor onderwijs, onderzoek (wo) en ontwerp & ontwikkeling (hbo). De rijksbijdrage wordt jaarlijks aan de universiteiten en hogescholen toegekend als een lumpsum. De rijksbijdrage is gebaseerd op de WHW. In het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 en de Regeling financiën hoger onderwijs zijn de bepalingen, bedragen en percentages opgenomen op basis waarvan de rijksbijdrage wordt berekend.

Onderwijsdeel (hbo en wo)

Universiteiten en hogescholen ontvangen een rijksbijdrage vanwege onderwijs. De rijksbijdrage is gebaseerd op de nominale studieduur van de opleiding en het volgen en succesvol afronden van één bachelor- en één masteropleiding. Het onderwijsdeel bestaat uit:

  • a.  een studentgebonden deel: gebaseerd op het aantal ingeschreven bekostigde studenten en graden (diploma’s), er zijn drie bekostigingsniveaus (laag, hoog en top),
  • b.  een onderwijsopslag in bedragen: bedragen op basis van afspraken voor kwaliteit, kwetsbare opleidingen en bijzondere voorzieningen, en
  • c.  een onderwijsopslag in percentages.

Deel ontwerp en ontwikkeling (hbo) en Onderzoeksdeel (wo)

Hogescholen ontvangen een rijksbijdrage vanwege ontwerp en ontwikkeling (praktijkgericht onderzoek). Universiteiten ontvangen een rijksbijdrage vanwege het verrichten van wetenschappelijk onderzoek. Het onderzoeksdeel wo is gebaseerd op:

  • a.  een studentgebonden deel: gebaseerd op het aantal bekostigde graden,
  • b.  een deel promoties: gebaseerd op het aantal promoties leidend tot een proefschrift en het aantal ontwerperscertificaten,
  • c.  een voorziening onderzoek in bedragen: bedragen op basis van afspraken over onder andere sectorplannen en zwaartekracht, en
  • d.  een voorziening onderzoek in percentages.

Deel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek (wo)

De bekostiging van het onderwijs en onderzoek bij de acht academische ziekenhuizen loopt via de universiteiten. Hier kunnen studenten geneeskunde onderwijs volgen en praktijkervaring opdoen. De rijksbijdrage bestaat uit een deel dat is gebaseerd op het aantal ingeschreven studenten en graden, een procentueel deel en een bedrag vanwege rente en afschrijving (voor huisvesting).

Bekostiging flexibel hoger onderwijs voor volwassenen (hbo)

De middelen worden ingezet voor de bekostiging van het experiment vraagfinanciering en de pilots flexibilisering. Doel van de experimenten en pilots is om kennis op te doen over de effecten van meer maatwerk en vraaggerichtheid van het aanbod op de deelname en diplomering van volwassenen in het deeltijd en duale onderwijs.

In het experiment vraagfinanciering maken studenten aanspraak op vouchers die zijn in te zetten bij bekostigde of niet bekostigde deelnemende opleidingen, en hebben bekostigde instellingen meer mogelijkheden voor flexibiliteit en vraaggerichtheid. Het experiment zal vanaf september 2017 ook van start gaan in een aantal opleidingen in de sector Zorg & Welzijn. De sector Techniek & ICT is in 2016 al gestart. Ook in 2018 kunnen nog nieuwe opleidingen toetreden tot het experiment vraagfinanciering.

Doel van de pilots flexibilisering is te onderzoeken of verruiming van bestaande kaders bijdraagt aan de totstandkoming van een onderwijsaanbod dat flexibeler is en beter aansluit op de kenmerken en behoeften van volwassenen, met behoud van de kwaliteit van het onderwijs. Ook de pilots zijn van start gegaan in 2016 en per september 2017 worden ze uitgebreid met de implementatie van flexibele opleidingstrajecten. Uiteindelijk nemen ongeveer 500 opleidingen van 21 hogescholen (publiek en privaat) deel aan de pilots flexibilisering.

De evaluatie van zowel het experiment als de pilots vindt in 2021 plaats. Het experiment vraagfinanciering kent daarnaast een tussenevaluatie eind 2018, op basis van de tussenevaluatie kan worden besloten of het experiment eventueel wordt uitgebreid of aangepast.

Prestatiebox

Onderwijskwaliteit en studiesucces, en profilering

Voor de periode 2013 tot en met 2017 ontvingen hogescholen en universiteiten via het experiment prestatiebekostiging middelen op basis van individuele prestatieafspraken over versterking van onderwijskwaliteit en studiesucces, profilering en valorisatie. Dit experiment is inmiddels geëvalueerd.

Studievoorschot middelen

Zoals op 3 juli 2017 aan de Tweede Kamer gemeld, zal 2018 een tussenjaar zijn voor de besteding van de studievoorschotmiddelen (met uitzondering van de 10% specifieke stimuleringsmiddelen van landelijke prioriteiten). De middelen zijn voor 2018 onder het onderwijsdeel van de hoofdbekostiging gebracht. De afspraken uit de Gemeenschappelijke Agenda Hoger Onderwijs LSVb, ISO, VH en VSNU vormen in het tussenjaar het uitgangspunt. Dit betekent dat de middelen worden besteed aan de bestedingsrichtingen van deze agenda, deze sluiten goed aan bij de bestedingsrichtingen van de Strategische Agenda Hoger Onderwijs en Onderzoek 2015–2025: De waarde(n) van weten. De medezeggenschap heeft instemmingsrecht op de besteding van deze middelen en de (verenigingen van) instellingen zullen na overleg met de studentenbonden extra verantwoording afleggen; zowel vooraf (als alle begrotingen zijn opgesteld) als achteraf (als alle jaarverslagen zijn opgesteld). Hiermee kunnen de voorinvesteringen in de onderwijskwaliteit van de instellingen, in de jaren 2015 tot en met 2017 in totaal jaarlijks € 200 miljoen, worden voortgezet.

In het akkoord over het studievoorschot is afgesproken dat de middelen die beschikbaar komen door de invoering van het studievoorschot gekoppeld worden aan kwaliteitsafspraken. Het jaar 2018 zal gebruikt worden om de vormgeving van de kwaliteitsafspraken voor te bereiden. Besluitvorming daarover is aan een nieuw kabinet.

Tabel 6.5 geeft inzicht in de omvang van de studievoorschot middelen, verdeeld over de belangrijkste «bestedingsrichtingen» c.q. doelstellingen van de Strategische Agenda Hoger Onderwijs en Onderzoek 2015–2025: De waarde(n) van weten.

Profilering en zwaartepuntvorming

De 2%-middelen voor profilering en zwaartepuntvorming die gekoppeld waren aan de prestatieafspraken worden blijvend voor profilering en zwaartepuntvorming ingezet. De middelen zijn voor het tussenjaar 2018, net als de studievoorschotmiddelen, tijdelijk voor één jaar ondergebracht onder het onderwijsdeel van de hoofdbekostiging. Een deel van de middelen zal worden gebruikt voor de financiering van Centres of Expertise (CoE). In 2018 zal de financiering van 19 CoE’s die een positieve beoordeling van de Reviewcommissie of de Commissie van Staalduinen hebben gekregen, gecontinueerd worden. Het jaar 2018 zal worden gebruikt om een nieuw financieringsarrangement voor de Centres of Expertise voor te bereiden.

Tabel 6.5 Bestedingsrichtingen middelen uit studievoorschot (bedragen x € 1 miljoen)1Inclusief de middelen bestemd voor het groene hoger onderwijs en inclusief de loon- en prijsbijstelling 2017.
 

2018

2019

2020

2021

2022

Investeringen in het hoger beroepsonderwijs

         

Kleinschalig en intensief onderwijs (≥50%)

63

63

77

133

165

Talentprogramma's (≤10%)

13

13

13

19

25

Onderwijsgerelateerd onderzoek (20%)

25

25

30

51

63

Studiefaciliteiten en digitalisering (10%)

13

13

15

25

32

Specifieke stimulering van landelijke prioriteiten (10%)2

13

13

15

25

32

Middelen vouchers studenten3

0

0

0

0

1

Totaal hbo

127

127

150

253

318

Investeringen in het wetenschappelijk onderwijs

         

Kleinschalig en intensief onderwijs (≥50%)

39

39

47

81

101

Talentprogramma's (≤10%)

8

8

8

12

16

Onderwijsgerelateerd onderzoek (20%)

16

16

18

31

39

Studiefaciliteiten en digitalisering (10%)

8

8

9

16

19

Specifieke stimulering van landelijke prioriteiten (10%)

8

8

9

16

19

Middelen vouchers studenten

0

0

0

0

0

Totaal wo

79

79

91

156

194

Totaal investeringen uit studievoorschot

206

206

241

409

512

Noot 2: Van de middelen voor het jaar 2019 is een bedrag van € 2,6 miljoen (hbo) en € 1,4 miljoen (wo) overgeheveld naar het beleidsartikel 4 (mbo) ter dekking van het actieplan Gelijke Kansen

Noot 3: De middelen vouchers studenten starten per 2022 met € 1 miljoen en lopen op tot € 135 miljoen in 2027 (€ 100 miljoen hbo en € 35 miljoen wo) en lopen daarna geleidelijk af naar nul in 2036Bron: Strategische Agenda Hoger Onderwijs 2015–2025 «De waarde(n) van weten».

Subsidies

Open en online hoger onderwijs (hbo en wo)

De stimuleringsregeling Open en online hoger onderwijs is bedoeld om (zoals aangekondigd in de visiebrief) instellingen, passend bij hun profiel, te laten experimenteren met verschillende vormen van open en online onderwijs. Dit draagt bij aan de onderwijskwaliteit, de toegankelijkheid van onderwijs(materiaal) voor bijvoorbeeld de doelgroep Leven Lang Leren, het studiesucces van studenten, internationalisering en de (internationale) reputatie van Nederlandse instellingen. SURF (ICT-samenwerkingsorganisatie van het onderwijs en onderzoek in Nederland) adviseert de Minister over de projectaanvragen en ondersteunt de instellingen tijdens de uitvoering van de projecten. Onder begeleiding van SURF zijn in 2015 elf projecten gestart, in 2016 waren dat er twaalf en in 2017 wederom elf. De projecten kennen een looptijd van maximaal 16 maanden. Deze instellingen hebben maximaal € 100.000 aangevraagd en matchen dit zelf met ten minste hetzelfde bedrag. Daarnaast voert SURF een Kennisagenda uit, gericht op het opdoen, ontwikkelen en delen van kennis over open en online onderwijs in de Nederlandse context. De resultaten van de projecten van de instellingen zijn hiervoor belangrijke input. Vanaf 2018 is er een nieuwe regeling open en online hoger onderwijs 2018–2022, met een hoger budget. De stimuleringsregeling krijgt als extra doelstelling, naast het versterken van open en online onderwijs, ook het stimuleren van delen, hergebruiken en (door)ontwikkelen van open leermateriaal in vakcommunity’s.

Overig (hbo en wo)

Bij dit financiële instrument zijn afzonderlijk voor de sectoren hbo en wo overige toekenningen opgenomen die gelijk dan wel kleiner zijn dan € 1 miljoen. Het gaat hier om middelen die deels juridisch en deels bestuurlijk verplicht zijn bijvoorbeeld op basis van de afstudeerregeling, alsmede om toekenningen die gedurende de uitvoeringsjaren op ad hoc basis worden toegekend.

Opdrachten

Uitbesteding (hbo en wo)

Voor de beleidsontwikkeling worden opdrachten verstrekt voor het uitvoeren van diensten. Het gaat hierbij met name om opdrachten voor beleidsgericht onderzoek.

Bijdrage aan agentschappen

Dienst Uitvoering Onderwijs

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor deze begrotingsartikelen.

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

NWO

Praktijkgericht onderzoek hbo: Van hogescholen wordt verwacht dat zij een centrale rol in de Nederlandse en internationale kennisinfrastructuur vervullen. Voor praktijkgericht onderzoek hebben hogescholen direct toegang tot de competitieve onderzoekgeldstroom voor het hbo bij het NWO; het RAAK-programma (voormalige Regeling bevordering kennisfunctie hogescholen). Vanaf 2014 is vanuit het Regeerakkoord Rutte II extra geïnvesteerd in het praktijkgericht onderzoek.

Promotiebeurs voor Leraren: Leraren in het po, vo, mbo, so en hbo worden in staat gesteld om promotieonderzoek te verrichten dat uitmondt in een proefschrift. Jaarlijks kan via NWO aan circa 60 leraren een nieuwe beurs voor een periode van vijf jaar worden verstrekt.

Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO)

De NVAO is als onafhankelijke, binationale accreditatieorganisatie opgericht door de Nederlandse en Vlaamse overheid en geeft een deskundig en objectief oordeel over de kwaliteit van het hoger onderwijs in Nederland en Vlaanderen. In deze begroting is de bijdrage opgenomen die de Nederlandse overheid rechtstreeks aan de NVAO vergoedt voor de uitvoering van haar taken.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Organisaties conform tabel 6.6

Het betreft hier de (structurele) bekostiging van organisaties die beleidsmatig prioritaire taken uitvoeren, ofwel activiteiten uitvoeren die betrekking hebben op de belangenbehartiging van studenten, ofwel taken uitvoeren die voortkomen uit verdragsrechtelijke verplichtingen.

Tabel 6.6 Middelen organisaties1In deze tabel zijn de organisaties vermeld en de bedragen waarop de bijdragen ten hoogste kunnen worden vastgesteld. Voor zover geen andere juridische grondslag van toepassing is, vormt deze begrotingsvermelding de wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene Wet Bestuursrecht voor de subsidieverlening aan deze subsidieontvangers. (bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

United Nations University (UNU)

935

935

935

935

935

Europees Universitair Instituut Florence (EUI)

1.630

1.690

1.690

1.710

1.710

Stichting EP-NUFFIC

14.283

14.283

14.283

14.283

14.283

Stichting Handicap en Studie

487

487

487

487

487

Stichting voor Vluchteling Studenten UAF

2.422

2.422

2.422

2.402

2.402

Interstedelijk Studentenoverleg (ISO)

303

243

243

243

243

Landelijke Studenten Vakbond (LSVb)

243

243

243

243

243

Stichting Studiekeuze123 (SKI123)

2.449

2.449

2.449

2.449

2.449

Totaal

22.752

22.752

22.752

22.752

22.752

Ontvangsten

Bij de ontvangsten is een raming opgenomen voor terugvorderingen bij instellingen en andere subsidieontvangers, bijvoorbeeld als gevolg van eindafrekeningen op in eerdere jaren toegekende subsidies.