Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Beleidsprioriteiten over 2018

Inleiding

In deze beleidsagenda gaan we kort in op een aantal belangrijke beleidsontwikkelingen. We beginnen met het onderwijs en gaan daarna in op wetenschap, cultuur, media, emancipatie en Caribisch Nederland.

1. Onderwijs

1.1 Gelijke kansen

Iedere leerling, ongeacht afkomst, moet zijn of haar talenten maximaal kunnen ontplooien. Onder andere de Inspectie van het Onderwijs en de OESO signaleerden afgelopen jaar dat de onderwijskansen van kinderen van lager en hoger opgeleide ouders steeds verder uit elkaar lopen. Daarom hebben we een actieplan opgesteld dat zich richt op soepele overgangen in het onderwijs, op stimulerend onderwijs voor kinderen die van huis uit minder kansen krijgen en op sterke netwerken. Gelijktijdig is ook de Gelijke Kansen Alliantie gelanceerd. Deze alliantie vormt een open netwerk van en voor professionals binnen en buiten het onderwijs. Door deze professionals samen te brengen kunnen ze elkaar inspireren, kennis ophalen en bewezen successen opschalen. Het aanpakken van kansenongelijkheid is een complex vraagstuk. Wij zetten daarom ook in op onderzoek, evaluatie en monitoring via het NRO (Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek) en op de recentelijk ingerichte sociale laboratoria. Op basis hiervan wordt duidelijker wat wel en niet werkt. Het is nog te vroeg om structurele effecten van het actieplan gelijke kansen en de Gelijke Kansen Alliantie terug te kunnen zien in de cijfers. Toch constateert de Inspectie van het Onderwijs in het dit voorjaar verschenen Onderwijsverslag enkele belangrijke eerste verbeteringen: eindadviezen in het basisonderwijs worden vaker bijgesteld als de eindtoets daar aanleiding toe geeft. En mbo’ers stromen weer vaker door naar het hbo. Scholen pakken de handschoen op en komen in beweging. Dit kan worden gezien als een voorzichtig teken dat de versterkte inzet vruchten begint af te werpen.

1.2 Curriculumontwikkeling

Ruim twee jaar geleden zijn we een brede maatschappelijke dialoog gestart over wat leerlingen zouden moeten leren in het basis- en voortgezet onderwijs. Mede op basis van de uitkomsten van deze dialoog gaat een actualisatie van het curriculum plaatsvinden. Het doel van de herziening is om vanuit de onderwijspraktijk te komen tot een toekomstgericht en samenhangend curriculum, waarbij overladenheid wordt voorkomen en sprake is van een heldere doorlopende leerlijn van het begin van het po tot het eind van het vo. De komende periode gaan ontwikkelteams met leraren en schoolleiders aan de slag met het ontwikkelen van bouwstenen voor een geactualiseerd curriculum. Eind 2018 zal de ontwikkelfase zijn afgerond. Na besluitvorming hierover in de Tweede Kamer kunnen geactualiseerde kerndoelen en eindtermen geformuleerd worden.

1.3 Leraren, lerarentekort en lerarenregister

Afgelopen februari heeft de Eerste Kamer ingestemd met de Wet op het beroep van leraar en het lerarenregister. Samen met de Onderwijscoöperatie werken we nu aan de invoering van het register met ingang van 2018. De beroepsgroep zelf stelt hiervoor de herregistratiecriteria op en de regels voor het valideren van het professionaliseringsaanbod. In het najaar van 2017 komt een voortgangsrapportage uit van de Lerarenagenda. Met deze agenda hebben we een impuls gegeven aan het verbeteren van de kwaliteit van leraren en het vergroten van de aantrekkingskracht van het beroep. Gezien het geraamde tekort aan leraren is aanvullend in februari 2017 een bovensectoraal plan van aanpak lerarentekort naar de Tweede Kamer gestuurd. De samenwerking met alle betrokkenen in de onderwijsketen is hierbij essentieel. Met het plan van aanpak zetten we in op:

  • •  het verhogen van in-, door- en uitstroom van de lerarenopleidingen;
  • •  het bevorderen van zij-instroom vanuit andere beroepen;
  • •  het behoud van leraren voor het onderwijs en het vergroten van de betrekkingsomvang van deeltijders;
  • •  het activeren van leraren met een bevoegdheid die niet werken in het onderwijs;
  • •  het verkennen van mogelijkheden tot het versterken van ontwikkel- en carrièreperspectief en aandacht houden voor de beloningspositie van leraren.

Op verzoek van de Tweede Kamer zijn in juni 2017 een voortgang van het plan van aanpak lerarentekort po en een brief over de beloning van leraren in het po naar de Tweede Kamer gestuurd.

1.4 Sectorakkoorden, kwaliteitsafspraken en Strategische agenda

In 2017 vindt in het po, vo en mbo een tussenmeting plaats van de sectorakkoorden en de kwaliteitsafspraken. In deze meting wordt op sectorniveau geïnventariseerd wat de voortgang is op de doelen van het akkoord na alle inspanningen van scholen en besturen. Op basis van de resultaten van de tussenmeting wordt bezien of bijsturing nodig is. Voor het nieuwe kabinet bereiden we ons in het mbo voor op het vervolg van de kwaliteitsafspraken. Samen met scholen, instellingen en de MBO Raad ontwikkelen we een nieuwe systematiek waarmee de resultaatafhankelijke extra vsv-bekostiging van scholen en instellingen in vo en mbo wordt bepaald.

In het hoger onderwijs (ho) gaan we verder met de uitvoering van de Strategische Agenda Hoger Onderwijs en Onderzoek. Deze agenda geeft de koers aan tot en met 2025 en staat in het teken van een impuls aan de kwaliteit van het ho en het onderwijs gerelateerd onderzoek met de middelen die voortkomen uit het Studievoorschot. We zetten in op kleinschalig en intensief onderwijs, talentprogramma's, onderwijsgerelateerd onderzoek, studiefaciliteiten en digitalisering. Ook komen er dankzij het Studievoorschot middelen vrij voor Comeniusbeurzen voor innovatieve docenten en onderzoek naar het ho. De regeling voor Open en Online Onderwijs wordt geïntensiveerd en meer gericht op het delen en hergebruiken van leermaterialen. Hogescholen en universiteiten kunnen zo actief experimenteren en ervaring opdoen met dit type onderwijs in de Nederlandse context. Het jaar 2018 vormt een tussenjaar en zal worden gebruikt om de vormgeving van de kwaliteitsafspraken en van een nieuw financieringsarrangement voor de Centres of Expertise voor te bereiden. Ten slotte geldt weer voor alle hoger onderwijs instellingen (ook de niet-bekostigde) in 2018, na de inwerkingtreding van de betreffende bepalingen uit de Wet bescherming namen en graden, dat zij de opdracht hebben het maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef van hun studenten te bevorderen.

1.5 Internationalisering

Het hoger onderwijs in Nederland bevindt zich in een internationaal speelveld. In het kader van positionering in dit speelveld, is de Wet bevordering internationalisering hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek relevant. Deze wet is in het voorjaar van 2017 aangenomen door de Tweede en Eerste Kamer. Hierin is de grondslag voor transnationaal onderwijs, het verzorgen van een opleiding in het buitenland door een Nederlandse instelling, opgenomen. De wet schrijft voor dat toestemming van de Minister vereist is voor het verzorgen van een opleiding in het buitenland. De gronden voor weigering of intrekking van die toestemming worden geregeld in een AMvB. Deze AMvB is in de maak en wordt na de zomer van 2017 voorgehangen in beide Kamers. Verwachte inwerkingtreding is in het voorjaar van 2018.

Voor leerlingen, studenten, professionals en organisaties in alle onderwijssectoren geldt dat het Erasmus+ programma een goede manier is om zich op een laagdrempelige manier te bewegen in het internationale speelveld. Door grensoverschrijdende mobiliteit en strategische partnerschappen in alle onderwijssectoren draagt Erasmus+ bij aan een slimmer Europa en om een aantrekkelijke kenniseconomie te zijn en te blijven. Dit is in lijn met het kabinetsstandpunt dat het nieuwe Europese Meerjarig Financieel Kader (na 2020) meer gericht moet zijn op prioritaire thema’s, waaronder innovatie en slimme groei. Naar verwachting zal de Europese Commissie in 2018 het voorstel voor het nieuwe Erasmusprogramma uitbrengen.

1.6 Regionaal Investeringsfonds en Wet invoering associate degree-opleiding

Dankzij het Regionaal Investeringsfonds zijn tussen 2014 en medio 2017 in het mbo 94 publiek-private samenwerkingsverbanden tot stand gekomen. Onderwijsinstellingen, het bedrijfsleven, regionale overheden en het Ministerie van OCW hebben gezamenlijk circa € 272 miljoen geïnvesteerd in samenwerkingsverbanden die de brug slaan tussen onderwijs en arbeidsmarkt. Uit de evaluatie blijkt dat het fonds veel ruimte biedt voor innovatieve samenwerking, zoals nieuwe centra voor innovatief vakmanschap. De regeling wordt daarom nogmaals met een jaar verlengd, in 2018 is € 25 miljoen beschikbaar gesteld.

Het wetsvoorstel Invoering associate degree-opleiding heeft als doel het associate degree-programma om te vormen tot een zelfstandige opleiding met een eigen profiel. Daarmee willen we bevorderen dat de associate degree een aantrekkelijkere route binnen het ho wordt voor groepen mbo-4-studenten en werkenden die anders niet zouden doorstuderen in het ho of voor wie de duur van de hbo-bacheloropleiding een te hoge drempel vormt. Door de verzelfstandiging van de associate degree-opleiding kunnen hogescholen het aanbod van deze opleidingen uitbreiden.

2. Wetenschap: Horizon 2020 en het nieuwe Europese Kaderprogramma

In de Wetenschapsvisie 2025 hebben we als speerpunt gekozen het ontwikkelen en toepassen van kennis, met als doel het bereiken van meer maatschappelijke impact. Daarom zal de Nationale Wetenschapsagenda ook in 2018 een belangrijke rol krijgen in de kennisinvesteringen van het Rijk en van onderwijs- en onderzoeksinstellingen, in samenhang met innovatiebeleid. Wetenschappelijk onderzoek is inherent internationaal en een goede verbinding tussen nationaal en EU-beleid is dan ook essentieel. Het Europese Kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, «Horizon 2020», stimuleert de ontwikkeling van wetenschappelijke kennis, economische groei en oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen via Europese competitie en samenwerking. In 2017 voerde de Europese Commissie de interim-evaluatie van Horizon 2020 uit. De Nederlandse inbreng hiervoor is opgenomen in het «Netherlands position paper on the Interim Evaluation of Horizon 2020». Hierin kijken we ook vooruit naar de opvolger van Horizon 2020: het Negende Kaderprogramma. Naar verwachting zal de Europese Commissie in de loop van 2018 een voorstel voor het nieuwe programma publiceren. Na publicatie zullen de onderhandelingen tussen de EU-lidstaten en de Europese Commissie starten.

3. Cultuur: herijking van het monumentenstelsel en herijking BIS

Om het belastingstelsel te vereenvoudigen en de beschikbare middelen gerichter en minder fout- en fraudegevoelig in te zetten, is het kabinet bezig met de voorbereiding van de omzetting van de fiscale aftrek van uitgaven voor monumentenpanden in een niet-fiscale regeling. De middelen die uit het gehele fiscale budget beschikbaar komen, kunnen dan via een subsidieregeling van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor het doel (onderhoud monumenten) ingezet worden. De omzetting van de fiscale aftrek uitgaven voor rijksmonumentenpanden naar een onderhoudssubsidie voor rijksmonumenten is onderdeel van een herijking van het financiële stelsel van de monumentenzorg. Het wetsvoorstel waarin de afschaffing van de aftrek voor monumentenpanden wordt geregeld, is afgelopen jaar aangehouden. De behandeling wordt onder een nieuw kabinet voortgezet. Een ander onderdeel van de herijking van het monumentenstelsel is het interactieve project «Erfgoed telt». Hierin worden de huidige financiële instrumenten tegen het licht gehouden en nieuwe beleidsopgaven (zoals duurzaamheid, leefomgeving en herbestemming) van een financieel instrument voorzien. Komend jaar zullen de plannen verder uitgewerkt worden en naar de Tweede Kamer gestuurd worden. De beoogde invoeringsdatum van het nieuwe stelsel is 1 januari 2019. Op Prinsjesdag 2016 zijn de subsidiebesluiten voor de culturele basisinfrastructuur 2017–2020 bekend gemaakt. Intussen richt de blik zich al op de periode na 2020. De jaren 2017 en 2018 worden benut om met verschillende partners, zoals vertegenwoordigers van de cultuursector, steden en provincies, de ideeën en wensen in beeld te brengen. Ook de cultuurfondsen van het Rijk zijn met hun expertise en ervaring belangrijke partners in de voorbereiding op de periode na 2020.

4. Media: eerste concessiebeleidsplan RPO en onderzoek naar onafhankelijke journalistiek in Nederland

In 2018 voeren de RPO (Regionale Publieke Omroep) en de regionale publieke media-instellingen gezamenlijk het eerste concessiebeleidsplan uit. Doel is het versterken van de regionale journalistiek. Mede op basis van het plan wordt een prestatieovereenkomst afgesloten. Als regionale publieke media-instellingen door middel van samenwerking besparingen realiseren, kunnen ze gebruik maken van een frictiekostenregeling. Naar de toekomst van de onafhankelijke journalistiek in Nederland, inclusief onderzoeksjournalistiek, zal op verzoek van de Tweede Kamer onderzoek worden verricht. Onderdeel van de onderzoeksopzet zijn de impact van grote platforms als Facebook en Google op de journalistiek, én de toekomst van regionale en lokale journalistiek.

5. Emancipatie: bevorderen van gelijkheid in Nederland

Het emancipatiebeleid is gericht op het bevorderen van gendergelijkheid en gelijkheid ongeacht seksuele oriëntatie, genderidentiteit en geslachtskenmerken in de Nederlandse samenleving. In samenwerking met andere departementen en maatschappelijke organisaties liggen de accenten op sociale veiligheid en acceptatie, een gelijke arbeidsmarktpositie, gelijke behandeling, en het tegengaan van stereotypering. Per 1 januari 2017 is de nieuwe Subsidieregeling gender- en LHBTI-gelijkheid 2017–2022 van kracht geworden. Met deze regeling gaan we strategische partnerschappen aan om meer inhoudelijke afstemming en sturing op doelen, strategieën en samenhang te realiseren. In totaal zijn acht partnerschappen aangegaan. Hiermee wordt tevens bijgedragen aan de uitvoering van internationale afspraken, zoals de duurzame ontwikkelingsdoelen (met name subdoel 5.5) en het VN-Vrouwenrechtenverdrag.

6. Caribisch Nederland: tweede onderwijsagenda (2017–2020)

Scholen en andere onderwijsinstellingen in Caribisch Nederland werken aan de uitvoering van de tweede onderwijsagenda Samen werken aan de volgende stap (2017–2020) om het onderwijs op de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba te verbeteren. Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de openbare lichamen ondersteunen hen bij de uitvoering.