Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Indicatoren

Tabel Indicatoren

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

(jaartal)

Tussenstreefwaarde (po/vo) laatste realisatiewaarde (mbo/ho) (jaartal)

Streefwaarde

(jaartal)

Art.nr.

Reden opname1

Bron

1

Ambitieus onderwijs dat alle leerlingen en studenten uitdaagt

a)

Alle leerlingen en studenten worden uitgedaagd

         
 

Aandeel scholen dat leerlingen begeleidt in het ontdekken en ontwikkelen van hun talenten

po

47% (2015)

79% (2018)

100% (2020)

1

SA

Enquêtes Bestuursakkoord PO Regioplan

 

Aandeel toptalentleerlingen dat zich vaak of bijna altijd verveelt omdat de lesstof te makkelijk is of omdat hij/zij eerder klaar is dan de rest

vo

56% (2014)

41% (2016)

25% (2018)

3

SA

Toptalenten in het onderwijs

 

Aandeel scholen dat aandacht heeft voor toptalenten in de vorm van uitdagend aanbod of talentprogramma’s

vo

82% (2015)

88% (2016)

100% (2018)

3

SA

Toptalenten in het onderwijs

 

Percentage studenten in het mbo dat zich uitgedaagd voelt

mbo

34% (2010)

37% (2016)

2018

Hoger

4

C

ROA

 

Percentage studenten dat tevreden is over uitdagend onderwijs

ho

(2010–2011)2

2016/17

3

6/7

C

Studentenmonitor Hoger Onderwijs

hbo: 58%

56%

Hoger

wo: 68%

67%

Hoger

 

Aandeel thuiszittende leerlingen dat drie of meer maanden thuis zit zonder passend onderwijsaanbod

           

Leerplichttelling 2015–2016

po

0,07% (2014–2015)

Lager

0% (2020)

1

SA

vo

0,17% (2014–2015)

0,10% (2017)

0% (2020)

3

SA

b)

Vergroten studiesucces

             
 

Aandeel leerlingen dat het referentieniveau voor lezen behaalt4

po

99% (2015–2016)

Niet benoemd

Niet benoemd

1

SA

College voor Toetsen en Examens

   

Aandeel leerlingen dat het referentieniveau voor taalverzorging behaalt

po

95% (2015–2016)

Niet benoemd

Niet benoemd

1

SA

   

Aandeel leerlingen dat het referentieniveau voor rekenen behaalt

po

87% (2015–2016)

Niet benoemd

Niet benoemd

1

SA

 

Aandeel zittenblijvers

 

(2012–2013)

 

(2020)

   

DUO

po

2,2%

1,5%

1,5%5

1

SA

vo

5,9%

4,7% (2017)

3,9%

3

SA

 

Percentage mbo-deelnemers per niveau dat met diploma de instelling verlaat, jaarresultaat per niveau

mbo

(2007/2008)

2015/2016

2018

4

 

MBO Raad

Niveau 1: 66%

Niveau 1: 78%

Hoger

Niveau 2: 62%

Niveau 2: 73%

Hoger

Niveau 3: 63%

Niveau 3: 72%

Hoger

Niveau 4: 65%

Niveau 4: 74%

Hoger

Totaal: 64%

Totaal: 74%

Hoger

 

Bachelor studiesucces (n+1) van herinschrijvers na het eerste jaar

ho

(2010–2011)

(2015–2016)

6

6/7

 

DUO

hbo: 65,7%

61,0%

wo: 57,3%

74,0%

 

Uitval in het eerste jaar

ho

(2010–2011)

(2015–2016)

6/7

T

DUO

hbo: 27,9%

26,7%

wo: 18,8%

16,1%

 

Switchen na het eerste jaar

ho

(2010–2011)

(2015–2016)

6/7

T

DUO

hbo: 8,7%

hbo: 8,5%

wo: 9,1%

wo: 8,8%

2

Scholen en instellingen werken met goed opgeleide en professionele leraren en schoolleiders die samen zorgen voor een veilig en ambitieus leerklimaat

a)

Vergroten kwaliteit leraren en schoolleiders

             
 

Aandeel lessen dat wordt gegeven door daartoe bevoegde en benoembare leraren

vo

84,1 (2013)

96% (2016)

100% (2020)

3

SA

IPTO en Centerdata

 

Aandeel leraren met een afgeronde wo-bachelor of hbo-/wo masteropleiding

po

20% (2013)

25% (2018)

30% (2020)

1

SA, LA

Onderwijs werkt; Regioplan en DUO

 

Aandeel leraren met een afgeronde hbo of wo masteropleiding

vo

33% (2013)

40% (2017)

50% (2020)

3

SA, LA

CentERdata en DUO

Bovenbouw vwo7

53% (2013)

Hoger (2017)

80–85% (2020)

3

SA, LA

CentERdata en DUO

Aandeel hbo-docenten met een afgeronde master- of Phd-opleiding

hbo

66,2% (2011)

75,2% (2015)

80% (2016)

6/7

 

Personeels- en Mobiliteitsonderzoek (2016)

 

Aandeel leraren met ten minste drie jaar ervaring dat de algemeen didactische vaardigheden beheerst8
 

(2013)

 

(2020)

     

po

85%

96% (2018)

100%

1

SA, LA

Inspectie van het Onderwijs

vo

76%

90% (2017)

100%

3

SA, LA

Inspectie van het Onderwijs

 

Aandeel leraren met ten minste tien jaar ervaring dat de differentiatie vaardigheden beheerst9
 

(2013)

 

(2020)

     

po

56%

79% (2018)

100%

1

SA, LA

Inspectie van het Onderwijs

vo

34%

40% (2017)

100%

3

SA, LA

Inspectie van het Onderwijs

b)

Verbetercultuur

             
 

Aandeel leraren dat deelneemt aan peer review

 

(2014)

 

(2020)

 

LA, T

 

po

62%

87% (2018)

100%

1

Onderwijs werkt; Regioplan, (2014–2015) POMO; BZK, (2016)

vo

63%

81% (2017)

100%

3

Onderwijs werkt; Regioplan, (2014- 2015) POMO; BZK, 2016

 

Aandeel leraren dat is ingeschreven in het Lerarenregister10

po/vo/mbo

8% (2014)

28% (2016)

100% (2019)

1, 3 en 4

SA, LA, T

Lerarenregister

 

Aandeel schoolleiders dat is geregistreerd in het schoolleidersregister

po

31% (2015)

n.v.t.

100% (2018)

1

SA

Schoolleidersregister

c)

Veilig leerklimaat

             
 

Aandeel leerlingen dat zich veilig voelt

 

(2012)

 

(2020)

 

T

 

po

95%

Stabiel of hoger

Stabiel of hoger

1

ITS-monitor naar sociale veiligheid

vo

93%

Stabiel of hoger (2017)

Stabiel of hoger

3

Praktikon, sociale veiligheid in en rond scholen

3

Scholen en instellingen maken resultaten inzichtelijk en worden aangesproken op hun prestaties

 

Aandeel scholen dat Vensters volledig heeft ingevuld

 

(2014)

 

(2017)

 

SA, T

 

po

5,3%

n.v.t.

100%

1

PO-Raad/Schoolinfo

vo

94%

Hoger (2016)

100%

3

VO-raad

 

Aandeel scholen dat op alle indicatoren van kwaliteitszorg voldoende scoort11

po

38% (2012–2013)

Hoger

Hoger (2020)

1

SA

Onderwijsverslag Inspectie van het Onderwijs

 

Aandeel scholen dat opbrengstgericht werkt12

vo

47% (2012–2013)

77% (2017)

100% (2020)

3

SA

Onderwijsverslag, Inspectie van het Onderwijs

 

Aandeel (zeer) zwakke scholen dat zich binnen een jaar verbetert

po

27% (2012–2013)

n.v.t.

100% (2017–2018)

1

SA

Inspectie van het Onderwijs

Aandeel (zeer) zwakke afdelingen dat zich binnen de gestelde termijn verbetert

vo

72% (2011–2012)

90% (2016)

100% (2020)

3

SA

Inspectie van het Onderwijs

Oordeel ouders over betrokkenheid13

po

Cijfer 7 (2012)

Stabiel of hoger

Hoger

1

T

Monitor Ouderbetrokkenheid

 

Aantal voortijdig schoolverlaters

vo/mbo

mbo: 41.800 (2008/2009)

2015/2016 mbo: 22.948

(2019/2020)mbo: 20.000

3 en 4

 

DUO

 

Studenten-tevredenheid

mbo

(Rapportcijfer 2014)

(Rapportcijfer 2016)

14

4

C

JOB-monitor

Opleiding

7,0

7,1

   

Instelling

6,5

6,5

   
 

(% tevreden over school en studie) 2014: 49%

2016 52% tevreden over school en studie

   
 

Studenten-tevredenheid15

ho

(2010–2011)

(2016–2017)

16

6/7

 

Nationale studentenenquete

hbo: 65,6%

hbo: 75,6%

wo: 81,1%

wo: 85,2%

4

Aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt verbeteren

 

Aandeel leerlingen in de beroepsgerichte leerweg van het vmbo dat kiest voor techniek

vo

23% (2012)

28% (2016)

30% (2017)

3

 

DUO

 

Aandeel mbo-studenten techniek

mbo

28% (2011)

27% (2016/2017)

2018 Hoger

4

 

DUO

 

Aandeel afgestudeerden bètatechniek incl. snijvlakopleidingen17

ho

     

6/7

   

hbo: 18%(2012)

hbo: 19%(2016)

hbo: 19% (2016)

DUO

wo:21%(2012)

wo:25%(2016)

wo: 22% (2016)

DUO

 

Percentage 25–64 jarigen dat deelneemt aan een leeractiviteit (Leven Lang Leren)

mbo/ho

17% (2010)

19% (2016) mbo

20% (2020)

4 en 6/7

T

Eurostat, Labour Force survey (LFS)

 

Percentage gediplomeerden dat aangaf dat de aansluiting van de opleiding met de huidige functie voldoende/goed was

mbo

79% (2012)

76% (2016)

Hoger

4

T

ROA

Percentage gediplomeerden dat aangaf dat de aansluiting van de opleiding met de huidige functie voldoende/goed was

ho

hbo: 72% (2013)

hbo: 75% (2016)

Hoger

6/7

HBO monitor18

Percentage gediplomeerden dat aangaf dat de opleiding voldoende basis was om te starten op de arbeidsmarkt

ho

wo: 56% (2011)

wo: 47% (2015)19

Hoger

NAE20
 

Percentage leerbedrijven dat over vakkennis het oordeel (zeer) goed geeft

mbo

76% (2016)

21
22

4

T

Onderzoek SBB

 

Percentage leerbedrijven dat over beroepsvaardigheden het oordeel (zeer) goed geeft

mbo

76% (2016)

4

T

Onderzoek SBB

5

Behoud van kwaliteit wetenschap en wetenschappelijk talent en versterken impact wetenschap

 

Mondiale top-5 positie op basis van citatiescores

owb

2e plaats (2009–201223) 1,52

3e plaats (2012–2015) 1,52

Kleiner of gelijk 5

16

 

Web of Science / CWTS

6

Het bevorderen van een sterke, pluriforme, toegankelijke en kwalitatief hoogwaardige cultuursector en het zorgen voor het cultureel erfgoed.

a)

Aantal bezoeken24
             
 

Aantal bezoeken gesubsidieerde podiumkunsten (inclusief buitenland) BIS

cultuur

2,2 miljoen (2012–2015)

2,5 miljoen (2018)

Stabiel of hoger (2020)

14

C

Opgave van culturele instellingen

 

Aantal bezoeken gesubsidieerde musea

cultuur

7,8 miljoen (2012–2015)

7,9 miljoen (2018)

Stabiel of hoger (2020)

14

C

Opgave van culturele instellingen

b)

 

Cultuurbereik: Percentage van de bevolking van 6 jaar en ouder die voorstellingen, musea en bibliotheken bezoekt

cultuur

89%

25

14

C

SCP/CBS (VTO 2012–2014)

7

Het waarborgen van een onafhankelijk, gevarieerd en kwalitatief hoogstaand media-aanbod dat toegankelijk is voor alle lagen van de bevolking

 

26

media

     

15

T

 

8

Het bevorderen van emancipatie27
 

Sociale acceptatie homoseksualiteit onder de bevolking

emancipatie

90% (2010)

93%

≥90%

25

C

LHBT-monitor (SCP)

Noot 1: SA = Sectorakkoorden, LA = Lerarenagenda, T = Toezegging Minister & Staatssecretaris, C = Opgenomen in verband met consistentie.

Noot 2: De cijfers kunnen iets afwijken van eerder gepubliceerde cijfers, vanwege mutaties in de onderliggende dataset.

Noot 3: Universiteiten en hogescholen hebben al veel gedaan om het onderwijs uitdagender te maken, maar uit de cijfers blijkt dat dit nog niet voldoende is. Mede om deze reden worden de middelen vanuit het studievoorschot ingezet om de kwaliteit van het hoger onderwijs een extra impuls te geven, en daarmee het onderwijs uitdagender te maken.

Noot 4: Vanwege een andere meetmethode zijn de in de beleidsagenda van begroting 2017 opgenomen waardes voor 2014–2015 (pilot) niet opgenomen. Het College voor Toetsen en Examens meldt in zijn rapportage «referentieniveaus 2015–2016» overigens dat de vaardigheid van de leerling over de jaren 2014–2015 en 2015–2016 nagenoeg gelijk is gebleven.

Noot 5: Basis-, tussen- en streefwaarde zijn veranderd t.o.v. begroting 2016 ten gevolge van een andere meetmethode (zie ook Jaarverslag 2015 en Begroting 2017).

Noot 6: Hier geen landelijk streefdoel omdat er prestatieafspraken per instelling zijn gemaakt. In november 2016 heeft de eindbeoordeling van de prestatieafspraken in het hoger onderwijs plaatsgevonden. Zie voor meer informatie over de eindbeoordeling de Kamer-brief van 17 november 2016 en voor meer informatie over de voortgang van het proces van profilering en kwaliteitsverbetering in het hoger onderwijs en onderzoek de stelselrapportage 2016. Er zijn op dit moment nog geen nieuwe kwaliteitsafspraken waaraan indicatoren gekoppeld kunnen worden. Besluitvorming hierover is aan een nieuw kabinet.

Noot 7: Voor de bovenbouw vwo betreft dit het aandeel leraren met een wo-masteropleiding.

Noot 8: De basiswaarde, realisatiewaarden en streefwaarde betreft de leraren met ten minste 3 jaar ervaring. Momenteel wordt een verdiepend onderzoek naar de differentiatievaardigheden uitgevoerd. Op basis van deze uitkomsten wordt gekeken naar een mogelijke vervanging van de indicator.

Noot 9: De basiswaarde, realisatiewaarden en streefwaarde betreft de leraren met ten minste 10 jaar ervaring. Momenteel wordt een verdiepend onderzoek naar de differentiatievaardigheden uitgevoerd. Op basis van deze uitkomsten wordt gekeken naar een mogelijke vervanging van de indicator.

Noot 10: In februari 2017 is het wetsvoorstel lerarenregister aangenomen in de Eerste Kamer. Hieruit volgt voor leraren de wettelijke verplichting om per 2019 ingeschreven te staan in het lerarenregister.

Noot 11: Gezien de grote wijzigingen in de meetmethode van de inspectie wordt momenteel bekeken of er alternatieve indicatoren zijn.

Noot 12: Dit betreft het aandeel afdelingen dat adequaat fase 1 doorloopt (meten en analyseren van behaalde resultaten van leerlingen).

Noot 13: Het inzichtelijk maken van ouderbetrokkenheid komt bij Ouders & Onderwijs te liggen, zij hanteren hiervoor geen rapportcijfers. Er wordt momenteel gekeken naar alternatieve indicatoren.

Noot 14: Hier geen landelijk streefdoel omdat niet met alle instellingen over deze indicator prestatieafspraken zijn gemaakt en bovendien deze afspraken per instelling zijn gemaakt.

Noot 15: De cijfers in tabel kunnen iets afwijken van eerder gepubliceerde cijfers, vanwege mutaties in de onderliggende dataset zoals fusies van opleidingen en instellingen.

Noot 16: Deze indicator is afkomstig uit de oude prestatieafspraken. Omdat daarbij niet met alle instellingen over deze indicator prestatieafspraken zijn gemaakt en bovendien deze afspraken per instelling zijn gemaakt is er hier geen landelijk streefdoel. Er zijn op dit moment nog geen nieuwe kwaliteitsafspraken waaraan indicatoren gekoppeld kunnen worden. Besluitvorming hierover is aan een nieuw kabinet.

Noot 17: De cijfers kunnen iets afwijken van eerder gepubliceerde cijfers, vanwege mutaties in de onderliggende dataset.

Noot 18: Bron: Vereniging Hogescholen, factsheet «Feiten en cijfers: HBO-Monitor 2016». De indicator betreft de antwoordcategorieën «voldoende/goede aansluiting op de arbeidsmarkt». De HBO-Monitor wordt jaarlijks uitgevoerd.

Noot 19: Tijdens de begrotingsbehandeling 2017 is toegezegd de daling in het percentage wo-gediplomeerden dat aangaf dat de opleiding voldoende basis was om te starten op de arbeidsmarkt te onderzoeken. Dit onderzoek zal worden meegenomen in de eerstvolgende Nationale Alumni Enquête, die in het najaar van 2017 plaatsvindt. Over de uitkomsten van dit onderzoek wordt de Kamer uiterlijk juli 2018 geïnformeerd.

Noot 20: Bron: VSNU, Nationale Alumni Enquête (NAE, voorheen wo-monitor) 2015, rapport Academici op de arbeidsmarkt. De indicator betreft de antwoord categorieën «in sterke/zeer sterke mate». De NAE wordt eenmaal in de twee jaar uitgevoerd.

Noot 21: Tussenwaarde verschijnt eens in 2 jaar.

Noot 22: Om de indicator robuuster te maken zal de meting worden uitgebreid met de overige bedrijven die mbo-gediplomeerden in dienst hebben. Om deze reden is voor deze indicator vooralsnog geen streefwaarde opgenomen. Voor de overige meetresultaten van het onderzoek naar leerwerkbedrijven zie de onderwijsmonitor en de website onderwijsincijfers.nl (http://www.onderwijsincijfers.nl/kengetallen/mbo/aansluiting-mbo-arbeidsmarkt).

Noot 23: In het verleden werd het basisjaar, van jaar tot jaar bezien maar vanaf heden wordt deze vastgelegd op 2009–2012. Daarom wijkt dit af van de begroting 2016.

Noot 24: Het aantal bezoeken betreft het aantal bezoeken per uitvoering of bij tentoonstellingen, inclusief schoolbezoeken. De streefdoelen zijn ontleend aan de aanvragen van instellingen voor de BIS- periode 2017–2020.

Noot 25: Hier is geen streefwaarde aan verbonden. De indicator is als kengetal opgenomen om ontwikkelingen te volgen. Het percentage van de bevolking dat wordt bereikt door culturele voorzieningen geeft een beeld van het totale bereik van culturele voorzieningen, in lijn met de algemene doelstelling voor artikel 14.

Noot 26: Naar aanleiding van de beleidsdoorlichting Media (2014) worden de indicatoren voor artikel 15 herzien. Hierbij wordt aangesloten op de prestatieafspraken met de NPO voor de periode 2016–2020. Omdat de gesprekken over de prestatieafspraken (waaronder de specifieke formuleringen en de streefwaarden) nog lopen, zijn in deze begroting geen indicatoren media opgenomen.

Noot 27: De ontwikkeling van de economische zelfstandigheid wordt gemonitord op de website ocwincijfers.